03 Bp Roerdomp 6-14 - Toelichting
Tekst van het document
Daarnaast wil de gemeente de dorpskern aanpassen om een echt dorpsplein te kunnen creëren. Recreatie wordt steeds belangrijker voor het dorp, campings zouden meer mogelijkheden moeten krijgen. De gemeente wil de verschillende routes meer op elkaar afstemmen en samenhang aanbrengen tussen (nieuwe) natuur en voorzieningen. Door de vergrijzing en ontbreken van aanwas wordt het steeds meer een must om de samenwerking met andere dorpen op te zoeken. Castenray en Oirlo hebben elkaar hier op een correcte wijze in gevonden en versterken elkaar hierin.
Vastgesteld
21
Uit de Omgevingsvisie van Venray blijkt dat in Castenray de bouw van onder andere starterswoningen en levensloopbestendige woningen de prioriteit heeft. De beoogde woningen aan de Roerdomp zijn door de strakke vormgeving geschikt voor alle leeftijden en dus ook geschikt voor starters. De woningen worden tevens levensloopbestendig opgericht waardoor de woningen uitermate geschikt zijn voor senioren. Het initiatief sluit dan ook uitstekend aan op de Omgevingsvisie Venray. 4.3.3 Dorpsontwikkelingsplan (DOP) Oirlo – Castenray De dorpsraden van Oirlo en Castenray hebben in samenwerking met de gebiedscoördinator van de gemeente Venray een Dorpsontwikkelingsplan opgesteld voor de kernen Oirlo en Castenray. Op zaterdag 12 oktober 2019 is het DOP overhandigt aan het college van B&W van de gemeente Venray. In het DOP wordt de visie voor de kernen Oirlo en Castenray voor een periode van vijf jaar beschreven. In het DOP zijn speerpunten voor de komende vijf jaar voor Castenray beschreven. De speerpunten zijn in volgorde van prioriteit weergegeven. 1. Castenray ‘moet’ groeien (leefbaarheid) Om de leefbaarheid in de dorpen te behouden en de stichtingen, verenigingen levensvatbaar te houden is groei noodzakelijk. In de demografische ontwikkeling zien wij een storm aan vergrijzing komen.
Het is een must om tegemoet te komen aan de woningbouwbehoefte om beide dorpen een bestaansrecht te laten houden. 2. Renovatie dorpskern (Openbare ruimte en verkeer) De dorpskern aantrekkelijker maken door een echte dorpskern te creëren. Het huidige dorpsplein, het kruispunt bij de kerk en de Matthiasstraat herinrichten zodat dit multifunctioneel kan worden gebruikt. 3. Soepeler recreatiebeleid (Toerisme & Recreatie) Soepeler beleid wanneer er i.p.v. 15 een keer 20 caravans op de camping staan. De campings zijn afhankelijk van het seizoen. Hier flexibel mee omgaan om het bestaansrecht te waarborgen. 4. Ontwikkelen gebied ‘De Diepeling’ (Toerisme & Recreatie) De mogelijkheden voor recreatie rondom de Diepeling onderzoeken en zo mogelijk uitwerken met een commissie / ondernemer. Opties hiervoor zijn o.a. stiltegebied, wandelgebied, zwemparadijs. 5. Herkaveling bouwpercelen Rietweg / Roerdomp (wonen) De huidige kavelindeling is niet uitnodigend om te bouwen. Deze herindelen in overleg met de dorpsraad zodat men op de website al direct uitnodigende kavels te zien krijgt. Dit bevordert de verkoop van de kavels en de woningbouw in Castenray. Meer bekendheid geven aan prijshalvering voor sociale huurwoningbouw. 6.
Nieuw uitbreidingsgebied (wonen) Om de leefbaarheid in Castenray te waarborgen en tegemoet te komen aan de woningbouwbehoefte is het raadzaam om op niet al te lange termijn nieuwe uitbreidingsgebieden aan te wijzen. In het DOP is daarnaast opgenomen dat verwacht wordt dan mensen langer zelfstandig blijven wonen en dat de bestaande woningen hierop aangepast dienen te worden of dat de nieuwe huizen gebouwd dienen te worden die hierop ingericht zijn. Ook is opgenomen dat door de vergrijzing de vraag naar huurwoningen zal toenemen. Onderhavig plan sluit aan bij het Dorpsontwikkelingsplan Oirlo – Castenray. Het plan heeft betrekking op speerpunt 5, namelijk het herverkavelen van een deel van de bouwpercelen die gelegen zijn aan de Roerdomp. Met de herverkaveling wordt ook aangesloten bij de toekomstvisie, het oprichten van levensloopgeschikte woningen. 4.3.4 Programma Wonen Venray 2021 Op 8 februari 2021 heeft de gemeente Venray het Programma wonen ‘Koers op wonen – naar meer, beter en groenen wonen in Venray’ vastgesteld. Belangrijkste doelstelling van dit programma is het oplossen van het urgente woningtekort. Kwalitatief sluit de huidige behoefte niet goed aan bij het bestaande aanbod/plannen. Er is veel vraag naar huurwoningen (sociale en middeldure) en nultreden woningen (vanwege de vergrijzing).
De gemeente beschrijft de concrete actielijnen aan de hand van vier hoofdlijnen: Vastgesteld
22
▪ ▪ ▪
▪
Versnellen: gezien het urgente woningtekort benoemen we acties om de woningbouw in Venray gericht te versnellen; Vergroten (kwantiteit): de komende jaren gaan we voor een bouwproducten van minimaal 200 woningen per jaar, door ‘zachte’ plannen hard te maken en extra plannen te ontwikkelen.; Veranderen (kwaliteit): woonmilieu, woningtype en -prijs moeten beter aansluiten bij de behoefte. Naast het uitvoeren van een kwalitatief woningmarktonderzoek zetten we in op meer betaalbare woningen, de aanpak van leegstand, de ontwikkeling van bijzondere woonconcepten. En meer (tijdelijke) woningen voor specifieke doelgroepen; Vergroenen/verduurzamen: we verhogen de kwaliteit van de woning en de woonomgeving door gerichte maatregelen te nemen op het gebied van groen, klimaat adaptief en duurzaam bouwen.
Op basis van de woningbouwprognose van de provincie Limburg (2019) wordt verwacht dat de gemeente Venray tot 2035 te maken krijgt met een groei aan huishoudens. De hoogste groei wordt verwacht tussen 2020 en 2030. Om te kunnen voldoen aan deze groei is het zaak om de woningvraag- en aanbod goed op elkaar aan te sluiten. Als gevolg van de sterkte vergrijzing ligt de behoefte kwalitatief bij nultredenwoningen op locaties dicht bij het centrum en voorzieningen. Daarnaast is er sprake van een tekort aan (sociale en middeldure) huurwoningen. Vanuit een actieve houding ‘Ja, hoe?’ wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe initiatieven om zo te kunnen voldoen aan de grote bevolkingsgroei. Het inspelen op nieuwe omstandigheden en de kansen die dit met zich mee brengt staat hierbij voorop. Om keuzes uit het programma Wonen te monitoren en om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de woningmarkt wordt jaarlijks een monitoringsrapportage woningbouw opgesteld. De monitor vormt de basis waarop ontwikkelingen gedurende een langere periode worden getoetst aan beleidskeuzes uit de woonvisie. Indien noodzakelijk worden ambities bijgesteld, dan wel aangepast. In het programma worden de meest recente bevindingen van de woonmonitor per dorp beschreven. Met onderhavig initiatief wordt de laatste beschikbare kavel aan de Roerdomp gesplitst in twee kavels.
Dit sluit aan bij de ontwikkeling die eerder in 2021 heeft plaats gevonden aan de Rietweg (zie bestemmingsplan Rietweg 16-26 Castenray). Bij de genoemde ontwikkeling zijn namelijk vier bouwkavels gesplitst tot zes bouwkavels. De beoogde woningen aan de Roerdomp zijn door de strakke vormgeving geschikt voor alle leeftijden. Aangezien de woningen levensloopbestendig worden opgericht zijn deze uitermate geschikt voor senioren. Hier blijkt behoefte aan zoals blijkt uit het Programma Wonen. Derhalve sluit het initiatief uitstekend aan op het Programma Wonen Venray 2021.
Vastgesteld
23
4.3.5 Energiestrategie In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: 'Energie voor groene groei' vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2-neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e Uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld. Met de Energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven, huishoudens, instellingen etc. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen.
Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: ▪ Gebouwen hebben de laagste energievraag ▪ Gebouwen worden energiecentrales ▪ Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling ▪ 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van eigen energievraag In paragraaf 3.3 is reeds aan de orde gekomen welke duurzaamheidsmaatregelen met de herontwikkeling voorzien zijn.
Vastgesteld
24
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN
Met de herverkaveling dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.1
Milieuaspecten
5.1.1 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied worden vier bouwkavels bedoeld voor de bouw van vier woningen zodanig herverkaveld dat er zes woningen gebouwd kunnen worden en dat de perceelsgrens is veranderd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van een directe verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.
1 2
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland Staatsblad 2011, nr. 102
Vastgesteld
25
Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op in totaliteit twee woningen valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij.
Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en / of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. Het herverkavelen van één bestaande bouwkavel naar twee bouwkavels komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd; 4.
Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteit op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leidt en dus geen aanleiding vormt om op grond hiervan alsnog een m.e.r. uit te voeren. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Om een scheiding te maken tussen de milieubelastende bedrijven of inrichtingen en milieugevoelige functies is een milieuzonering aangebracht. Als hulpmiddel hiervoor is in 2009 de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld met een indicatieve bedrijvenlijst door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De bedrijven zijn ingedeeld in milieucategorieën en per bedrijfstype is in de indicatieve bedrijvenlijst aangegeven welke afstand moet worden aangehouden tot een gevoelige functie. De afstanden die moeten worden aangehouden hebben betrekking op geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier afstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. De richtafstanden van de indicatieve bedrijvenlijst worden aangehouden om te beoordelen of er voldoende afstand is tussen bedrijven en gevoelige objecten.
De richtafstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het kan voorkomen dat er geen sprake is van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ maar van het omgevingstype ‘gemend gebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van matige tot sterke functiemening, hierbij komen naast woningen ook andere functies voor. Bij een gemengd gebied kunnen de richtafstanden worden verkleind, met één afstandsstap. Vastgesteld
26
Plangebied Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwkavel, bedoeld voor de bouw van een woning, zodanig herverkaveld tot twee bouwkavels zodat er twee woningen gebouwd kunnen worden. De woonfunctie is een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de woonfunctie milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een bedrijf aan de Lollebeekweg 54a. afstand tot het plangebied 95 meter; ▪ Een bedrijf aan de Lollebeekweg 54b. afstand tot het plangebied 95 meter; ▪ Een café aan de Horsterweg 70, afstand tot het plangebied 100 meter; ▪ Een bedrijf aan de Lollebeekweg 75-79, afstand tot het plangebied 120 meter; ▪ Een kerk aan de Horsterweg 55, afstand tot het plangebied 145 meter; ▪ Een restaurant aan de Horsterweg 53, afstand tot het plangebied 165 meter. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 2). Tabel 2.
Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied
Bedrijf
Adres
SBI-2008
Aan te houden afstanden
Bedrijfslocatie categorie 1 en 2
-
30 meter (grootste richtafstand)
Café
▪ Lollebeekweg 54a ▪ Lollebeekweg 54b ▪ Lollebeekweg 57-59 Horsterweg 70
563
Kerk
Horsterweg 55
9491
Restaurant
Horsterweg 53
561
Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar Geur Stof Geluid Gevaar
0 meter 0 meter 10 meter 10 meter 0 meter 0 meter 30 meter 0 meter 10 meter 0 meter 0 meter 10 meter
Afstand tot plangebied 95 meter 95 meter 120 meter 100 meter
145 meter
165 meter
Aan alle richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de twee beoogde bouwkavels. 5.1.3 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In dit geval is het plangebied reeds volledig bestemd als ‘Wonen’ en daarmee reeds bestemd voor een woongebruik. In de gewijzigde situatie is er nog steeds sprake van een woongebruik. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt, is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk voor de herverkaveling.
Vastgesteld
27
5.1.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. De nieuwe woningen worden aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. De woningen zijn gelegen in de bebouwde kom van Castenray aan de Roerdomp. In de gehele bebouwde kom van Castenray geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Naar de effecten van deze wegen op het plangebied behoeft derhalve geen onderzoek gedaan te worden. Op grotere afstand bevindt zich de Venrayseweg waar een maximum snelheid geldt van 60 km/uur. Dit betreft een weg in het buitenstedelijk gebied bestaande uit een of twee rijstroken, waardoor de wettelijk geluidszone 250 meter bedraagt.
Afstand van het plangebied tot deze weg bedraagt circa 270 meter, waardoor het plangebied buiten de wettelijke geluidszone valt. 5.1.5 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.
Vastgesteld
28
Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan worden slechts in totaal twee woningen gerealiseerd (waarvan er een reeds is toegestaan). Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het oprichten van twee woningen draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de oprichting van de woningen. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,9 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,5 µg/m³.
In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. Individuele geurbelasting De woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van een twee locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren.
Het gaat hier om de locaties: ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij aan de Matthiasstraat 3. Afstand tot het plangebied bedraagt 260 meter; ▪ Een intensieve veehouderij, zijnde een pluimveehouderij aan de Lollebeekweg 61 / Steegkamp 5. Afstand tot het plangebied bedraagt 390 meter. Voor beide bedrijven geldt een afstandsnorm van 200 meter met betrekking tot geur. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot de veehouderijen dat ter plaatse van de woningen geen sprake kan zijn van geuroverlast. Cumulatieve geurbelasting Op de kaart achtergrondbelasting 2018 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als redelijk goed (7,5 tot 13,1 OU/m3, 10-15% kans op geurhinder) beoordeeld.
Vastgesteld
29
Afbeelding 14. Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray
Voor de achtergrondbelasting gelden geen vastgestelde wettelijke normen. Uit de gemeentelijke geurverordening blijkt echter dat een achtergrondbelasting van 7,5 tot 13,1 OU/m3 in de bebouwde kom van Castenray een achtergrondbelasting is waarbij sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat zonder dat er overlast is van geurhinder van veehouderijen. De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als redelijk goed. Een redelijk goed leefklimaat ten aanzien van geur wordt in de bebouwde kom van Castenray op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht.
5.2
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Vastgesteld
30
Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 3. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg ligt het plangebied in de nabijheid van de autosnelweg A73, daarover vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast is in de omgeving een opslagtank voor propaan gelegen.
Vastgesteld
31
Opslagtank
A73
Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart Limburg met plangebied rood omcirkeld
Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied In de omgeving van het plangebied staat een opslagtank. De opslagtank heeft een inhoud van 3.000 liter en slaat propaan op. De opslagtank is gelegen aan de Horsterweg 39. Voor de propaantank geldt een persoonsgebonden risico van 20 meter. De afstand tussen het plangebied en de propaantank bedraagt 520 meter, het plangebied is buiten de invloedssfeer van de opslagtank gelegen. Transport gevaarlijke stoffen Binnen de gemeente Venray worden gevaarlijke stoffen vervoerd per weg. Dit betreft voornamelijk doorgaand vervoer over de A73 maar ook zeer beperkt bestemmingsverkeer over provinciale en gemeentelijke wegen. In de omgeving van het plangebied ligt de autosnelweg A73, waarover transport van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. Tabel 4. Risicoafstanden van de omliggende wegen
Weg
PR-plafond 10-6 contour
Invloedsgebied
A73: afrit 9 (Venray) afrit 11 (Horst)
0 meter
200 meter
Afstand planlocatie tot aan de weg 420 meter
Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze autosnelweg. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in een ruimtelijk plan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de herverkaveling. Vastgesteld
32
5.3
Water
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de POL2014-kaart ‘Regionaal watersysteem’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van de boringvrije zone Venloschol. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan.
Aangezien met de realisatie van het initiatief geen sprake is van grondboringen, leidt deze aanduiding niet tot beperkingen. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem of geheel worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving.
Vastgesteld
33
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De originele bodem in het plangebied bestaat volgens de bodemkaart van Nederland (kaartblad 52 West, 1967) uit een hoge zwarte enkeerdgrond, welke volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het plangebied is op de Grondwaterkaart van Nederland gelegen binnen grondwatertrap VII. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstanddieptes (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bevindt zich hierbij op meer dan 80 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste waterstand (GLG) op meer dan 120 cm beneden maaiveld. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Ten zuidwesten van het plangebied liggen de Kastenraayse Loop en De Lollebeek. Ten zuiden stroom daarnaast de Molenberg. De Kastenraayse Loop en de Molenberg betreffen secundaire watergangen van het waterschap.
De Lollebeek betreft een primaire watergang van het waterschap. Op alle watergangen is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor de woningen een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel. Met onderhavig bestemmingsplan wordt een grote bouwkavel herverkaveld naar twee kleinere bouwkavels. Hiermee wordt feitelijk één woning toegevoegd. Het te lozen afvalwater neemt hierdoor toe. Echter de belasting op het bestaande riool van het huishoudelijk afvalwater zal met onderhavig initiatief zeer gering zijn. Er zijn derhalve geen aanpassingen noodzakelijk zijn voor het bestaande riool. Hemelwater De realisatie van onderhavig initiatief leidt tot nieuw verhard oppervlak in de vorm van nieuwe woningen, bijgebouwen en overige verharding (erfverhardingen, inrit en parkeerplaatsen). Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.
Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Conform de Toetssteen Openbare Ruimte zal de bergingsvoorziening minimaal 40 mm moeten kunnen bergen. Daarnaast moet de bergingsvoorziening zodanig zijn ingericht dat deze binnen 24 uur weer leegloopt in de bodem.
Vastgesteld
34
Aan de overzijde van de Roerdomp is in dat kader een wadi gerealiseerd. Overtollig hemelwater afkomstig van de woonwijk wordt hier naar toe geleidt, alwaar het hemelwater de mogelijkheid krijgt in de bodem te infiltreren. Een gescheiden rioleringssysteem transporteert het hemelwater naar de erfgrens. Vanaf daar wordt het hemelwater bovengronds aangeboden en stroomt het hemelwater zichtbaar naar de wadi. Het hemelwater dat binnen het plangebied zal vallen zal op dit gescheiden rioleringssysteem worden aangesloten. De capaciteit van de wadi is berekend op de totale woonwijk, zodoende past het hemelwater afkomstig van onderhavig plangebied ook in de wadi. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal initiatiefnemer moeten aantonen dat met de definitieve terreininrichting voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden voor het bergen van hemelwater. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4
Kabels, leidingen en straalpaden
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Gezien de huidige situatie van het plangebied als grasveld dat regelmatig wordt gemaaid in combinatie met de ligging in de bebouwde kom, ver verwijderd van natuurgebieden, worden bijzondere dier- en / of plantensoorten ter plaatse niet verwacht. Het terrein vormt hoogstens een incidenteel verblijfsgebied voor grondgebonden zoogdieren zoals egel, mol en konijn. Tevens kunnen er algemene amfibieënsoorten incidenteel verblijven zoals bruine kikker en gewone pad. Dit betreffen zogenaamde A-soorten in de Wn, waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van een ruimtelijke ontwikkeling of beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wn): deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen.
Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de daadwerkelijke bouw worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied moeten worden verplaatst. Vastgesteld
35
Natura2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, ligt op circa 6 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 6 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Op 1 juli 2021 is tevens de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden.
In de Wsn wordt een programma van maatregelen opgesteld om stikstofreductie te bereiken en eveneens natuurverbetering mogelijk te maken. In de Wsn zijn drie resultaatsverplichtingen opgenomen: ▪ In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ In 2030 moet minimaal 50% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; ▪ In 2035 moet minimaal 74% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in de beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben. De Wsn wordt verder uitgewerkt in het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Bsn), waaronder de bouwvrijstelling. De bouwvrijstelling betreft een vrijstelling van de natuurvergunningplicht van het aspect stikstofdepositie voor tijdelijke (bouw)werkzaamheden. Deze vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, waar tijdelijke emissies voorkomen. Derhalve is het enkel nog noodzakelijk om de stikstofdepositie tijdens de nieuwe, beoogde, situatie (gebruiksfase) te bepalen. In het kader van de realisatie van de woningen hoeft de emissie van stikstof dan ook niet berekend te worden. Het exacte effect van het gebruik van de woningen dient wel berekend te worden. Met onderhavig bestemmingsplan worden de kavels aan de Roerdomp herverkaveld.
Hierdoor wordt het mogelijk om binnen het bouwvlak wat aan de locatie is toegekend niet vijf maar zes woningen op te richten. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied vrijstaande en halfvrijstaande woningen toegestaan. Uitgaande van de uiterste situatie kunnen binnen het bouwvlak vijf vrijstaande woningen worden opgericht. In de nieuwe situatie zijn twee halfvrijstaande woningen en vier vrijstaande woningen beoogd. De nieuwe situatie is afgezet tegen de huidige situatie van vijf vrijstaande woningen. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden (zie bijlage 1). Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het gebruik van de woningen.
Vastgesteld
36
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Venray heeft een eigen archeologische beleidskaart laten opstellen door archeologisch adviesbureau RAAP. De kaart en het bijbehorende rapport zijn afgerond in het voorjaar van 2008 (RAAP rapport 1482: “Begrensd verleden; Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray”). Vanwege de gemeentelijke herindeling in 2010 is de archeologische beleidskaart geactualiseerd, waarbij Geijsteren, Wanssum en Blitterswijck en het buitengebied daaromheen in de kaart zijn opgenomen. Deze geactualiseerde versie is in de 2013 vastgesteld. Op deze beleidskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde (oranje). Het uitgangspunt bij deze gebieden is om het archeologisch erfgoed 'in situ' te bewaren.
In geval van planvorming dient vroegtijdig archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO) te worden uitgevoerd.
Afbeelding 16. Uitsnede archeologische beleidskaart met plangebied rood omcirkeld
Vastgesteld
37
In 2011 is door archeologisch adviesbureau RAAP een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor deze locatie (RAAP-notitie 3819). Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied uit een lage enkeerdgrond bestaat, die in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd ontstaan is. Vóór deze tijd was in het plangebied echter sprake van een betrekkelijk natte bodem. In enkele boringen was het bodemprofiel tot in het moedermateriaal verstoord. Vanwege de oorspronkelijk natte omstandigheden in het plangebied geldt een lage verwachting voor vindplaatsen van landbouwers (Neolithicum tot Nieuwe tijd). Omdat het plangebied op de overgang van een hooggelegen naar een laaggelegen gebied ligt, geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (Laat Paleolithicum en Mesolithicum). Aangezien in de boringen echter alleen sprake was van een verploegd pakket op het moedermateriaal (C-horizont), zijn eventuele vindplaatsen van jager-verzamelaars geheel verstoord geraakt. Wegens de geconstateerde bodemverstoring en de oorspronkelijk natte omstandigheden in het plangebied kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag. Om deze reden luidt de aanbeveling om geen archeologisch vervolgonderzoek te doen. Op basis van de resultaten van het door RAAP uitgevoerde onderzoek kan het plangebied archeologisch worden vrijgegeven.
5.6.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische waarden en geen rijks- en of gemeentelijke monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
5.7
Verkeer en parkeren
Met onderhavig initiatief wordt één bouwkavel omgezet in twee bouwkavels. De bouwkavels zullen worden ontsloten middels de Roerdomp. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen door het toevoegen van een woning goed kunnen verwerken. Om de parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’, d.d. december 2013. In het parkeerbeleid is vastgelegd dat per woning minimaal 2,0 parkeerplaatsen benodigd zijn. Binnen het plangebied zijn in totaal twee halfvrijstaande woningen van het type ‘Lepelaar’ en drie vrijstaande woningen van het type ‘Pelikaan’ beoogd. Bij het woningtype ‘Lepelaar’ wordt een parkeerstrook opgericht voor één auto. Bij het woningtype ‘Pelikaan’ woning wordt een parkeervlak van 5 meter breed en 6 meter diep opgericht. Dit parkeervlak is dan ook geschikt om twee auto’s naast elkaar te parkeren. Daarnaast is binnen het plangebied reeds één vrijstaande woning aanwezig waarbij twee parkeerplaatsen op eigen terrein zijn gerealiseerd. In totaal worden binnen het plangebied 10 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. In totaal dienen echter twaalf parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd te worden. De overige twee parkeerplaatsen worden opgericht in de openbare ruimte.
Per woning dient 0,3 parkeerplaats openbaar toegankelijk te zijn ten behoeve van bezoekers. In totaal worden zes woningen mogelijk gemaakt wat inhoud dat afgerond 2 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk moeten zijn. Vastgesteld
38
De openbare parkeerplaatsen worden gerealiseerd op de parkeer-loopstrook (ook wel multistrook genoemd) die wordt aangelegd aan de westelijke zijde van de Roerdomp. Met het oprichten van de 10 parkeerplaatsen op eigen terrein en 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Venray. Gezien het bovenstaande leidt het initiatief niet tot problemen in het kader van verkeer en parkeren.
5.8
Niet-gesprongen explosieven
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.
Vastgesteld
39
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het plangebied blijft bestemd als ‘Wonen’ en blijft voorzien van het gelijke bouwvlak. De hoofdgebouwen dienen binnen dit bouwvlak te worden opgericht. Binnen het bouwvlak zijn de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding - wonen 1’, ‘maximum aantal wooneenheden: 6’ en ‘maximum goothoogte: 6 m’ opgenomen. Dit betekent dat uitsluitend vrijstaande en twee-aaneengebouwde woningen mogen worden gerealiseerd met een maximale goothoogte van 6 meter. In totaal mogen binnen het bouwvlak zes woningen worden opgericht in plaats van vijf.
De archeologische dubbelbestemming, zoals die in het vigerende bestemmingsplan nog is opgenomen, is na vrijgave van het plangebied niet meer aan de orde en daarom niet meer opgenomen.
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied hebben een bestemming. Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen is toegekend aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 van de Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming leggen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening‟ redenen Vastgesteld
40
hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet, dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruiker om die bestemming te realiseren. 'Bestemming' heeft slechts een passieve betekenis: of een bestemming gerealiseerd wordt, is afhankelijk van het handelen van de rechthebbende(n) op de grond (eigenaar, huurder, pachter). Een bestemming geeft alleen aan welk handelen toegelaten is. Daaruit kan worden afgeleid dat ander handelen niet is toegelaten. De artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo en enkele andere wetten verbieden het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Om misverstanden te voorkomen wordt bij de bestemming aangegeven wat “in ieder geval‟ beschouwd moet worden als in strijd met het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers en bedrijven en voor de overheid. Bij het opstellen van de regels is zo veel mogelijk uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan voor de kern van Castenray; bestemmingsplan “Castenray”. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels.
Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkings- en wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van de bouw van een woning mogelijk. Het onderhavige bestemmingsplan kent de bestemming ‘Wonen’. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen.
Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
41
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
De realisatie van de woningen geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. Het betreft hier een gemeentelijk gronduitgifte tegen gemeentelijke uitgiftevoorwaarden 2011 waarvoor geen anterieure overeenkomst hoeft te worden gemaakt. Vanwege het indirecte belang neemt initiatiefnemer de kosten van bestemmingsplanwijziging inclusief leges voor zijn rekening. Een en ander zal in de aanbiedingsbrief van de grondverkoop geregeld worden inclusief de bijlage planschadeverhaalsbeding. Gemeentelijk worden er geen extra kosten gemaakt. Hierdoor is het plan economisch uitvoerbaar