03 Bp Roerdomp 6-14 - Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN “Roerdomp 6-14 Castenray” NL.IMRO.0984.BP21023-va01 Vastgesteld
Document:
Bestemmingsplan “Roerdomp 6-14 Castenray”
IDN:
NL.IMRO.0984.BP21023-va01
Status:
Vastgesteld
Datum:
15 februari 2022
Aanvrager:
Vastgoed Ontwikkeling Zuid B.V.
Auteurs:
ing. P.W.M. van de Ligt ing. N.A.H. van den Ekker
Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...........................................................................................................................................................2 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan...................................................................................................................................... 2 1.2 Ligging van het plangebied ............................................................................................................................................................................ 3 1.3 Vigerend bestemmingsplan .......................................................................................................................................................................... 3
2.
HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................5 2.1 Algemeen ............................................................................................................................................................................................................. 5 2.2 Ruimtelijke structuur...................................................................................................................................................................................... 5 2.3 Functionele structuur ..................................................................................................................................................................................... 6
3.
BEOOGDE SITUATIE .......................................................................................................................................8 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ................................................................................................................................... 8 3.2 Beschrijving plan................................................................................................................................................................................................ 9 3.3 Duurzaamheid ................................................................................................................................................................................................... 9
4.
BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 11 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................................................................... 11 4.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................................................................... 13 4.3 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................................................................................... 20
5.
RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN ............................................................. 25 5.1 Milieuaspecten ................................................................................................................................................................................................ 25 5.2 Externe veiligheid .......................................................................................................................................................................................... 30 5.3 Water ................................................................................................................................................................................................................. 33 5.4 Kabels, leidingen en straalpaden ............................................................................................................................................................. 35 5.5 Natuur................................................................................................................................................................................................................ 35 5.6 Archeologie en cultuurhistorie ...............................................................................................................................................................
37 5.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................................................................... 38 5.8 Niet-gesprongen explosieven .................................................................................................................................................................. 39
6.
JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 40 6.1 Toelichting op de verbeelding ................................................................................................................................................................. 40 6.2 Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................... 40
7.
UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................................... 42 7.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................................................................. 42 7.2 Handhaving....................................................................................................................................................................................................... 42 7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid.......................................................................................................................................................... 44
8.
PROCEDURE .................................................................................................................................................... 45
BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS berekening
Vastgesteld
1
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Aan de Lollebeekweg 60 in Castenray was voorheen het loonwerkersbedrijf Hendriks-Smits gelegen. Het loonbedrijf veroorzaakte op deze locatie veel verkeersoverlast in en rondom de kern Castenray en het bedrijf had op deze plek weinig of geen uitbreidingsmogelijkheden. Om deze redenen zijn de eigenaren van het loonbedrijf en de gemeente Venray overeengekomen het bedrijf te verplaatsen naar een beter geschikte locatie, buiten de kern van Castenray. In 2010 is dit bedrijf verhuisd en heeft de gemeente de vrijkomende gronden aangekocht. In Castenray bestond destijds een dringende behoefte aan woningbouw. Hierom heeft de gemeente Venray de vrijkomende gronden herbestemd voor woningbouw (middels het bestemmingsplan “Lollebeekweg Castenray”, vastgesteld d.d. 11 september 2012). In totaal zijn 28 kavels gecreëerd voor verschillende typen woningen, die voorzagen in de woningbouwbehoefte van het Castenray. Deze kavels zijn in 2012 op de markt gekomen voor verkoop. Een deel van de kavels zijn inmiddels verkocht en al bebouwd met woningen. De woningen zijn opgericht aan de Roerdomp, Aan het Broek en aan het verlengde van de Rietweg. Tot op heden zijn echter nog niet alle kavels verkocht en bebouwd. Hierbij gaat het vooral om de grotere kavels. In praktijk is gebleken dat deze moeilijk verkoopbaar zijn door de veranderde vraag van de markt.
Door de vergrijzing en de groei van eenpersoonshuishoudens is de vraag naar kleinere woningen en dus kleinere kavels gestegen. Om hierop in te spelen heeft er recentelijk reeds een herverkaveling plaats gevonden van de bouwkavels aan de Rietweg, hier lagen vier vrij smalle en diepe bouwkavels die niet verkocht werden. Derhalve is er gekozen om de vier kavels te verkleinen waardoor er zes kavels ontstonden. Naar deze kleinere bouwkavels is meer vraag en deze sluiten dus beter aan bij het volkshuisvestelijke beleid. Aan de Roerdomp, in onderhavig initiatief het plangebied, is eveneens sprake van ‘te grote’ bouwkavels. Tussen de reeds gerealiseerde woningen Roerdomp 4 en 14 liggen nog vier thans onbebouwde kavels bedoeld voor vrijstaande en tweeaaneengebouwde woningen. Op (korte) termijn zal aansluitend ten noorden van de woning aan de Roerdomp 14 een twee-onder-een-kapper gerealiseerd worden en daarnaast een levensloopbestendige woning. Ten behoeve van deze drie woningen heeft er reeds herverkaveling plaats gevonden om de kavels te verkleinen. Echter is er hierdoor één groot perceel overgebleven tussen de beoogde levensloopbestendige woning en de woning aan de Roerdomp 4. Er is meer behoefte aan levensloopbestendige woningen met een bijbehorende patiotuin dan aan een grote kavel, gezien de belangstelling voor de naastgelegen patiobungalow in ontwikkeling.
Vastgoed Ontwikkeling Zuid b.v. (VOZ) opteert daarom voor een herverkaveling waarbij de laatste beschikbare bouwkavel wordt omgezet tot twee kleinere bouwkavels. De herverkaveling, van één kavel naar twee kavels, is op basis van het vigerende bestemmingsplan “Castenray” niet mogelijk. Op basis van dit bestemmingsplan is de betreffende kavel bestemd als ‘Wonen’ en voorzien van een bouwvlak met de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’, ‘maximum aantal wooneenheden: 5’ en ‘maximum goothoogte: 6 m’. Doordat binnen het bouwvlak waar de locatie onderdeel van uit maakt reeds één woning is gebouwd en op (korte) termijn drie nieuwe woningen worden opgericht is er enkel nog ruimte voor één nieuwe woning. Het oprichten van de twee woningen binnen dit bouwvlak is derhalve niet mogelijk. De herverkaveling en het oprichten van twee woningen op deze locatie is dan ook niet toegestaan. Om de herverkaveling in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt de laatste beschikbare bouwkavel omgezet in twee bouwkavels.
Vastgesteld
2
Afbeelding 1. Locatie betreffende kavel in de kern van Castenray (rood omcirkeld)
1.2
Ligging van het plangebied
De locatie (in het vervolg aangeduid als “het plangebied”) is gelegen in het zuidwesten van de kern Castenray, aan de Roerdomp. Het plangebied betreft een thans onbebouwd gebied gelegen tussen de woningen Roerdomp 4 en 14. Het perceel, waar het plangebied onderdeel van uit maakt, staat kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie P en nummers 1019, 1138, 1139, 1041 1153. Het plangebied is gelegen te midden van een nieuwbouwwijk. In 2012 zijn hier de eerste woningen gerealiseerd. Sindsdien is de wijk in ontwikkeling. De nieuwbouwwijk omvat grofweg het gebied rondom de Rietweg, de Roerdomp en Aan het Broek. Deze nieuwbouwwijk bestaat uitsluitend uit woningen.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Castenray” (vastgesteld d.d. 28 oktober 2014) en is bestemd als ‘Wonen’. Voor de locatie is een bouwvlak opgenomen met de aanduidingen ‘specifieke bouwaanduiding – wonen 1’, ‘maximum aantal wooneenheden: 5’ en ‘maximum goothoogte: 6 m’. Daarnaast geldt voor de locatie ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het oprichten van in totaal vijf woningen. De woningen dienen te worden opgericht binnen het bouwvlak en dienen vrijstaand of twee-aaneengebouwd opgericht te worden. Daarnaast mag de goothoogte niet meer bedragen dan 6 meter. De beoogde herverkaveling tot in totaal 6 woningen is niet toegestaan binnen deze bestemming. Om deze ontwikkeling toch mogelijk te maken dient de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 5’ gewijzigd te worden. Vastgesteld
3
Voor de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied. Er dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd indien de grond voor een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m wordt verstoord.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Vastgesteld
4
2.
HUIDIGE SITUATIE
2.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen in het westelijke deel van de kern Castenray, aan de Roerdomp. Castenray maakt onderdeel uit van de gemeente Venray, gelegen in het noorden van Limburg. Circa 800 inwoners bevolken de kern. Castenray ligt ten westen van de A73 en is gelegen aan de doorgaande weg (Horsterweg c.q. Venrayseweg) die Venray en Horst met elkaar verbinden.
Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied en omgeving
2.2
Ruimtelijke structuur
Het dorp Castenray vindt zijn oorsprong in een agrarische nederzetting nabij de kruising van de Horsterweg en Lollebeekweg. Al in de Middeleeuwen stond nabij deze kruising een kapel, waarvan nog delen aanwezig zijn. De nederzetting is begonnen als een lintbebouwing, die zich rondom dit kruispunt steeds verder heeft uitgebreid. Castenray is van oorsprong gesitueerd nabij een beek en bosrand, op een viersprong van wegen. Het dorp grenst nu vrijwel direct aan het tracé van de autosnelweg A73. Het grondlichaam met de twee viaducten van de A73, aan de rand van de bebouwde kom, vormt een harde grens. De route Horsterweg, Lollebeekweg en Matthiasstraat zijn historische patronen waaraan de incidenteel voorkomende oudere bebouwing gesitueerd is. In Castenray is vooral sprake van agrarische bedrijvigheid aan de bebouwingslinten van de Horsterweg, Lollebeekweg en Matthiasstraat. In de kern is sprake van gebogen woonstraten met vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen. De kruising Lollebeekweg-Horsterweg vormt het centrum van Castenray.
Vastgesteld
5
Afbeelding 4. En 5. Impressie bouwkavels tussen de woningen Roerdomp 4 en 14
In 2012 is in Castenray een nieuwbouwwijk opgericht. Deze nieuwbouwwijk is gelegen aan de wegen de Rietweg, de Roerdomp en Aan het Broek. In de omgeving van deze nieuwbouwwijk zijn de nog vrije (bouw)kavels afgewisseld met woningen. In de nieuwbouwwijk zijn de woningen vrijstaand, twee-aaneengebouwd of aaneengebouwd opgericht.
2.3
Functionele structuur
In de bebouwde kom van Castenray overheerst de woonfunctie, zo ook rond het plangebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van de nieuwbouwwijk. Naast de woonfunctie is de nieuwbouwwijk ook ingericht ten behoeve van groen. Aan de overzijde van de weg de Roerdomp is een groen speelpleintje gelegen. Het speelpleintje is her en der beplant met opgaande bomen. Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangebied twee bedrijven gelegen, welke beide worden ontsloten via de Lollebeekweg.
Afbeelding 6. Impressie plangebied
Afbeelding 7. Impressie bouwplan
De centrumfuncties van Castenray, zijnde de kerk, de basisschool en twee horecagelegenheden bevinden zich ten oosten van het plangebied aan de Horsterweg en Mathiasstraat. Voor wat betreft winkelvoorzieningen, is de kern aangewezen op Horst of Venray.
Vastgesteld
6
Afbeelding 8. Speelpleintje in de omgeving van de bouwkavels
Het plangebied is gelegen op korte afstand van het buitengebied. Het buitengebied rondom de kern bestaat hoofdzakelijk uit landbouw en natuur. Op circa 80 meter van het plangebied zijn de Castenrayse Vennen gelegen. De Castenrayse Vennen - ook wel de Pès genoemd - vormen een 70 ha groot bosrijk gebied in een breed komvormig dal van de Lollebeek. Zuidwest van de Castenrayse vennen ligt het Castenrayse broek. Het Castenrayse broek is een langgerekt gebied dat vroeger te midden van de heidevelden de drassige bovenloop van de Lollebeek vormde. Het bestaat tegenwoordig voornamelijk uit graslanden.
Vastgesteld
7
3.
BEOOGDE SITUATIE
3.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is het herverkavelen van de laatste beschikbare kavel in de nieuwbouwwijk van Castenray. De kavel wordt omgezet tot twee kleinere kavels waardoor er niet één maar twee woningen gerealiseerd kunnen worden. Door het herverkavelen van deze kavel wordt beter aangesloten op de actuele marktvraag zijnde passende levensloopbestendige woningen, waaraan behoefte is binnen de kern van Castenray. Dit wordt bewerkstelligd door in de ruimte tussen de woningen Roerdomp 4 en 14 niet vier, maar vijf nieuwe woningen te realiseren. De aanduiding voor het aantal woningen in dit gebied dient om die reden te worden opgehoogd van maximaal vijf naar maximaal zes woningen. De kavels 20 tot en met 23 maken deel uit van het plangebied. Voor de kavels 22 en 23 (zie afbeelding 10 CL1 en CL2) zijn twee halfvrijstaande woningen beoogd. Deze kavels zijn reeds voorzien van een eigen kavelnummer. De omgevingsvergunning voor de bouw van deze woningen is al verleend en op korte termijn zal aan de bouw worden begonnen. Op kavel 21 wordt een kleinere vrijstaande levensloopbestendige woningen opgericht. Deze kavel zal op korte termijn eveneens worden voorzien van een eigen kavelnummer. De omgevingsvergunning voor deze vrijstaande levensloopbestendige woning zal op korte termijn verleend worden.
Deze kavels (21, 22 en 23) zijn ten behoeve van bovenstaande ontwikkelingen dichter op elkaar gepositioneerd (herverkaveld) zodat er kleinere kavels ontstonden die beter bij de behoefte en de grootte van de woningen aansluiten. Door deze herkaveling bleef er één ruime kavel (afbeelding 10 rood omlijnd) over. Dit is echter niet wenselijk omdat deze ruime kavel niet aan sluit bij het huidige gemeentelijk beleid en de marktvraag. Elders in de gemeente zijn nog voldoende ruime kavels te koop zijn. Derhalve dient ook deze laatste kavel herverkaveld te worden in twee kleinere kavels. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om ook hier twee kleinere levensloopbestendige woningen op te richten.
Afbeelding 9. Beoogde verkaveling bij uitgifte bouwplan
Vastgesteld
Afbeelding 10. Inrichtingsschets verkaveling kavels 20 t/m 23
8
3.2
Beschrijving plan
Op basis van het vigerende bestemmingsplan mogen op de vier bouwkavels, die zijn gelegen aan de Roerdomp, vier woningen worden gebouwd. Deze woningen dienen vrijstaand of twee-aaneengebouwd opgericht te worden. De kavels zijn in 2012 in de verkoop gekomen om te voorzien in de woonbehoefte van Castenray, maar tot op heden zijn deze kavels niet verkocht. Voor twee van de bouwkavels (zijnde kavels 22 en 23) is een vergunning verleend voor de bouw van twee halfvrijstaande woningen. Daarnaast zal op korte termijn een vergunning worden verleend voor het oprichten van één levensloopbestendige woning op kavel 21. De woningen waar (op korte termijn) vergunningen voor zijn verleend worden dicht bij elkaar worden opgericht. Hierdoor blijft bij de laatste beschikbare kavel veel ruimte over, waar geen behoefte aan is. In Castenray blijkt geen behoefte meer te zijn aan ‘grote’ woningen. Wel is behoefte aan ‘kleinere’ woningen die geschikt zijn voor onder andere starters en senioren. De gemeente Venray geeft in de eerste ontwikkeling van de nieuwbouwwijk aan dat de daadwerkelijke invulling van de nieuwbouwwijk afhankelijk is van de concrete woningbehoefte en de vraag op de woningmarkt (bestemmingsplan “Lollebeekweg Castenray”). Doordat in Castenray vraag is naar levensloopgeschikte woningen en starters woningen wil de initiatiefnemer de laatste beschikbare kavel herverkavelen.
Met de herverkaveling wordt de laatste kavel omgezet tot twee kavels. Doordat de andere woningen dicht op elkaar worden opgericht blijft voldoende ruimte aanwezig voor het oprichten van twee (half) vrijstaande woningen. De woningen die zijn beoogd binnen de laatste beschikbare kavel betreft het type ‘Pelikaan’. De vrijstaande (of vrijstaandgeschakelde) Pelikaan woning is door zijn strakke vormgeving geschikt voor alle leeftijden. De woning heeft een fraaie architectuur, is speels en tegelijkertijd levensloopbestendig.
Afbeelding 11 en 12. Impressie Pelikaan woning
3.3 Duurzaamheid De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie voor de inhoud van deze strategie paragraaf 4.3.4). Het Bouwbesluit stelt dat vanaf 1 januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn. De binnen het plangebied te realiseren woningen zullen in ieder geval voldoen aan 'BENG'. Vastgesteld
9
In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray heeft met betrekking tot het aspect 'duurzaamheid' geen extra eisen opgenomen in het principebesluit. In de uitwerking van onderhavig plan zullen in de omgevingsvergunning aanvraag de volgende duurzaamheidsmaatregelen worden overwogen: ▪ De woningen worden niet aangesloten op gas (elektrisch koken); ▪ De woningen zullen worden aangesloten op een warmtepomp ter verwarming en koeling van de woning; ▪ In de woningen wordt balansventilatie toegepast (warmte-terugwin-installatie); ▪ De woningen zullen een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; ▪ De woningen worden zeer goed geïsoleerd en hebben een zeer lage warmtevraag; ▪ Hergebruik bouwmaterialen van elders.
Vastgesteld
10
4.
BELEIDSKADER
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen.
Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Vastgesteld
11
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn.
4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr.
201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het herverkavelen van één grote bouwkavel voor één woning naar twee kleinere bouwkavels voor twee woningen in de bebouwde kom van Castenray (waarmee dus feitelijk één woning wordt toegevoegd, één woning is immers reeds toegestaan) evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
Vastgesteld
12
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. Na een uitgebreid participatief proces is de Omgevingsvisie 15 december 2020 vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Vervolgens vindt volgens de huidige planning besluitvorming over de Omgevingsvisie plaats in oktober 2021 (Provinciale Staten). In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q.
bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2.
Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's.
Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. Vastgesteld
13
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.
Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.
De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de herverkaveling van één bouwkavel in twee bouwkavels. Omdat in de praktijk gebleken is dat een grote kavel moeilijk verkoopbaar is, is gekozen voor een herverkaveling waarbij twee bouwkavels worden gerealiseerd waar meer vraag naar is en die beter aansluiten bij het volkshuisvestelijk beleid. De beoogde woningen binnen de bouwkavels worden levensloopbestendig opgericht waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie. 4.2.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden.
In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. Vastgesteld
14
In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones
Landelijk gebied
Bebouwd gebied
Zone Stedelijk centrum Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Afbeelding 13. Zonering POL2014
Vastgesteld
15
Het plangebied is gelegen in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Transformatie regionale woningvoorraad ▪ Bereikbaarheid ▪ Balans voorzieningen en detailhandel ▪ Stedelijk groen en water ▪ Kwaliteit leefomgeving Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.
De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regio specifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 4.2.4. De komende jaren is sprake van een sterke vergrijzing en een toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. Het herverkavelen van één grote bouwkavel naar twee kleinere bouwkavels sluit beter aan bij deze ontwikkelingen. Daarnaast wordt met het initiatief optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom van Castenray. Op de locatie waar nu één woning is toegestaan wordt het namelijk mogelijk om twee woningen op te richten. Het initiatief is hierdoor in overeenstemming met de uitgangspunten uit het POL2014. 4.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De volgende regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Omgevingswaarden wateroverlast ▪ Grondwaterbescherming ▪ Landbouw ▪ Wonen, werken en recreëren
Vastgesteld
16
Omgevingswaarden wateroverlast Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. In totaal zijn vijf gebieden opgenomen met de specificatie voor dat gebied en de gemiddelde overstromingskans per jaar. Gebied
Specificatie
Overstromingskansgebieden A
1. 2.
Overstromingskansgebieden B Overstromingskansgebieden C
Overstromingskansgebieden D Overstromingskansgebieden E
Natuurnetwerk Limburg Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten 1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken 2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Glastuinbouwgebieden Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg
Gemiddelde overstromingskans per jaar Geen kans aangegeven
1:10 1:25
1:50 1:100
Grondwaterbescherming Voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de Roerdalslenk en de Venloschol bevat de omgevingsverordening regels voor boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast. Voor de genoemde gebieden bevat de Omgevingsverordening één of meer verboden, uitzonderingen op deze verboden, vergunningsmogelijkheden en meldingen. Landbouw De extensiveringsgebieden zijn in het kader van het reconstructieplan precies begrensd aan de hand van o.a. (zeer) verzuringsgevoelige natuurgebieden en het stroomvoerend winterbed van de Maas. In deze gebieden krijgt in hoofdzaak de natuur de ruimte bedrijven. Het oprichten van een nieuwe intensieve veehouderij is binnen de extensiveringsgebieden niet mogelijk. Ook het vergroten van het bouwvlak van een intensieve veehouderij of de vormverandering van het bouwvlak van een intensieve veehouderij is binnen een extensiveringsgebied uitgesloten. Wonen, werken en recreëren In de Ontwerp Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b.
sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.
Vastgesteld
17
In de Ontwerp Omgevingsverordening is tevens een realisatietermijn opgenomen voor de zogenoemde ‘papieren plannen’. Dit ter voorkoming dat dergelijke plannen nimmer meer tot ontwikkeling komen en maar blijven liggen. Als het gaat om onherroepelijke, maar nog niet gerealiseerde plannen geldt dan het volgende: ▪ Plannen van vóór 2015, dienen uiterlijk 2025 gerealiseerd te zijn; ▪ Plannen van 2015 – 2021, dienen uiterlijk 2029 gerealiseerd te zijn; ▪ Plannen vanaf 2022 krijgen een realisatietermijn van 5 jaar. Indien een plan niet binnen de realisatietermijn worden ontwikkeld, vindt een heroverweging van het plan plaats door de gemeente en wordt een afweging gemaakt op basis van de dán geldende kwantitatieve en kwalitatieve behoefte én regionale afspraken. Conclusie De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De bovengenoemde regels komen in grote lijnen overeen met de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 4.2.4 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld.
Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Extensiveringsgebied intensieve veehouderij; ▪ Boringsvrije zone Venloschol; ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100. Extensiveringsgebied intensieve veehouderij In extensiveringsgebieden krijgt in hoofdzaak de natuur de ruimte. In extensiveringsgebieden is zowel nieuwvestiging als uitbreiding van intensieve veehouderijen niet toegestaan. Aangezien in onderhavig bestemmingsplan geen intensieve veehouderij wordt opgericht of vergroot is dit niet van toepassing. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter +NAP verboden: a. Een boorput te hebben; b. De grond te roeren; c. Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d.
Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Betreffend perceel ligt op circa 23,8 m +NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 18,8 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval echter niet aan de orde. Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Vastgesteld
18
Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland. Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Castenray. Voor de bebouwde kom is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. De kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm, gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast dan ook zeer klein is.
Binnen het plangebied kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Overig In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 4.1.3. Er is sprake van de bouw van maximaal twee nieuwe woningen (waarvan één reeds is toegestaan). Bij het bouwen van twee woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 4.2.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is er in casu sprake van bouwen naar reële behoefte voor de kern Castenray. Tevens is sprake van woningen met een duurzaam karakter, afgestemd op de veranderende levensbehoefte. Het initiatief past daarmee in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
4.2.5 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Vastgesteld
19
Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.
▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. In onderhavig initiatief is er sprake van een stedelijke herverkaveling van één grote bouwkavel tot twee kleinere kavels, welke veel beter aansluit bij de kwalitatieve behoefte van de kern Castenray en bijdraagt aan het bieden van passende woonruimte voor onder andere starters en senioren in kleine kernen. Het initiatief sluit daarmee aan op de visie van de gemeenten binnen Noord-Limburg om de juiste woning op de juiste plek te realiseren.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 In 2009 heeft de gemeente Venray een strategische visie vastgesteld met als tijdzone 2020. In 2013 is de Strategische visie ‘Venray, stad in de Peel (2025)’ als een aanvulling op en herijking van de strategische visie 2020, ‘Venray Dorp en Stad’ opgesteld met een doorkijk naar 2025. De nieuwe toekomstvisie Venray 2030, ‘Venray loopt voorop’ is tot stand gekomen in 2019 en geeft een doorkijk naar 2030. De toekomstvisie gaat in op: ▪ De grote ontwikkelingen die op Venray afkomen en aangeven wat dit betekent voor de opgaven op lokaal en regionaal niveau en voor de vraagstukken of agendapunten voor het lokaal bestuur (kompas); ▪ Verbinding en energie opleveren door samen met de Venrayse gemeenschap – inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners – te komen tot een gezamenlijk toekomstbeeld van Venray; ▪ Slim verbinding leggen met andere participatietrajecten, zodat hier op voortgebouwd kan worden onder meer bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het voorliggend project geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen, wordt andermaal onderstreept.
Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: Vastgesteld
20
1. 2. 3. 4. 5.
Venray is dorp en stad; Venray is kennisintensief; Venray zorgt voor elkaar; Venray is levendig; Venray voorziet in alle woonwensen.
De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Middels onderhavig initiatief wordt aangesloten bij het streven van gemeente Venray om te voorzien in alle woonwensen, van in dit geval starters en senioren. 4.3.2 Ontwerp Omgevingsvisie Venray In 2022 gaat landelijk de Omgevingswet in. Die voegt de wetten en regels voor woningbouw, wegen, milieu, natuur en water (de leefomgeving) samen. De Omgevingsvisie Venray geeft aan wat de gemeente belangrijk vindt in de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is alles wat we buiten zien en voelen: bijvoorbeeld hoe de gemeente eruit ziet, wat de kwaliteit is van de lucht en welke bedrijven er zijn. De omgevingsvisie gaat in op ambities, beleidsdoelen en de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, wonen en werken en cultureel erfgoed. Met de omgevingsvisie wilt de gemeente samen met inwoners, ondernemers en verenigingen een toekomstbeeld schetsen en hen inspireren om de gemeente Venray nog mooier te maken om in te wonen, werken en verblijven.
In de omgevingsvisie laat de gemeente zien voor welke uitdagingen zij staan en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: onze Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. Het plangebied is in de Omgevingsvisie van Venray aangewezen als woongebied. De woongebieden zijn over een aantal jaar veranderd in groene wijken en dorpen waar jong en oud over een woning beschikken die past bij hun levensfase en levensstijl. In het toekomstig Venray ziet de gemeente voldoende betaalbare en voldoende nultredenwoningen. De gemeente ziet een groene woonomgeving, bijzondere woonvormen en vitale gemeenschappen die voor elkaar zorgen. De mens staat centraal en de inwoners hebben de kansen en keuzemogelijkheden om te kunnen deelnemen aan de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de toegang tot voorzieningen en vervoer. In de kern Castenray richt de gemeente zich op wonen, voorzieningen, gezondheid, recreatie en toerisme en op energietransitie. Om Castenray leefbaar te houden zijn er meer woningen (inwoners) nodig waardoor het mogelijk is om de basisvoorzieningen (gemeenschapshuis, horeca, verenigingen en stichtingen) levensvatbaar te houden. De bouw van starterswoningen, levensloopbestendige woningen en huurwoningen heeft hierbij prioriteit.