CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

03 Bestemmingsplan Langstraat 108 en 110(a) Venray toelichting vastgesteld

Gemeenteraad 13 december 2022, gemeente VenrayBij agendapunt: Bestemmingsplan Langstraat 108-110a Venray22.700 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de bijlage bij het Omgevingsprogramma Wonen is een beschrijving opgenomen van de kwantitatieve woningbouwopgave van 2021 tot 2035 per wijk of kern. Deze bijlage is een momentopname van de actuele stand van zaken van de woningbouwprojecten in alle kernen van de gemeente Venray. Het overzicht wordt jaarlijks bijgewerkt en geactualiseerd. In het Omgevingsprogramma Wonen wil de gemeente Venray zelf meer de regie pakken op de woningmarkt. Hiervoor zijn uitvoeringsinstrumenten nodig. In het Omgevingsprogramma Wonen is een ‘verdeelsleutel betaalbaarheid’ opgenomen voor plannen met meer dan 12 woningen. Daarnaast is aangekondigd dat de gemeente Venray een huisvestingsverordening en een doelgroepenverordening gaat opstellen en de inzet van verkoop regulerende maatregelen gaat onderzoeken.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 33

De ‘verdeelsleutel betaalbaarheid’ (o.a. 50% bouwen in de categorie betaalbaar) is met het vaststellen van het Omgevingsprogramma Wonen van toepassing op alle woningbouwplannen van meer dan 12 woningen waarvan de planontwikkeling nog niet in een onomkeerbaar stadium is. Het gaat dan om grotere woningbouwplannen die nu in het beginstadium van ontwikkeling zijn. Deze verdeelsleutel is niet in beton gegoten. Jaarlijks vindt indexatie plaats en tweejaarlijks vindt een evaluatie plaats. Daarnaast kunnen er zwaarwegende redenen zijn om bij (nieuwe) woningbouwplannen af te wijken van de verdeelsleutel. Het is dan de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om de noodzaak hiervan aan te tonen. Voor een aantal plannen is reeds geconstateerd dat de planvorming al te ver gevorderd is om de verdeelsleutel redelijkerwijs nog te kunnen toepassen. Het onderhavige woningbouwproject aan de Langstraat is er daar een van. Afweging Met dit bestemmingsplan wordt aangesloten bij diverse beleidsdoelen/thema’s uit het Omgevingsprogramma Wonen (zoals ‘snel woningen bouwen’, ‘gevarieerd aanbod’ en ‘vitale wijken en kernen’). Dit bestemmingsplan betreft de transformatie – in twee fasen – van een voormalig bedrijfsperceel in een woongebied in (binnen)stedelijk gebied.

Transformatie van voormalige bedrijfslocaties in woningbouwlocaties in (binnen)stedelijk gebied levert een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid ter plaatse. Er wordt voorzien in woningtypes waar er binnen de Venrayse woningmarkt nog te weinig van zijn, zoals duurzame, energiezuinige, klimaatgeadapteerde en levensloopbestendige woningen in het goedkopere en middeldure segment (zowel huur als koop). Met name voor de doelgroepen starters en senioren. Het beoogde maximale woningbouwprogramma van 21 woningen (fase 1 + 2) is ook opgenomen in de kwantitatieve woningbouwopgave voor de kern Venray in de periode 2021-2035.

3.4.4 Trendsportal / Nota “Uitgangspunten Netwerken Infrastructuur en Verkeer, fietsen en lopen in de spotlights’ In de periode december 2017 – februari 2018 hebben acht Noord Limburgse gemeenteraden de Mobiliteitsvisie Noord- Limburg vastgesteld onder de naam Trendsportal. Als gevolg van technologische ontwikkelingen, andere vormen van organisatie en veranderingen in financiële stromen wordt hiermee een verschuiving in gang gezet van meer traditionele infraprojecten naar andersoortige projecten op het gebied van mobiliteit, verkeer en vervoer. De vijf hoofddoelstellingen van Trendsportal zijn: 1. Verhogen kwaliteit van leven: Mobiliteit zodat iedereen mee kan doen. 2. Verbeteren verkeersveiligheid: Streven naar NUL verkeersslachtoffers. 3. Aantrekkelijk mobiliteitssysteem: Robuust, attractief en betrouwbaar. 4. Ondersteunen milieu- en energietransitie: Overschakelen op schone en stille mobiliteit. 5. Verbeteren ruimtelijk-economische bereikbaarheid: Voor toerisme, agro, maak en logistieke sector. De omschrijving van de 5 hoofddoelen werd echter nog te abstract geacht om uiteindelijk een goede projectenlijst op te kunnen stellen om die hoofddoelen te realiseren. Elk hoofddoel is daarom uitgewerkt in een aantal subdoelstellingen.

De realisatie van de subdoelstellingen ‘kwaliteit van leven’, ‘aantrekkelijk mobiliteitssysteem’ en ‘hoogwaardig en compleet fietsnetwerk’ scoorde hoog. Reden genoeg de komende jaren vooral fietsen en lopen in de schijnwerpers te zetten en hier gelijk al een eerste uitwerking aan te geven. De Nota ‘Uitgangspunten Netwerken Infrastructuur en Verkeer, fietsen en lopen in de spotlights’ is de opvolger van het “Venray’s Verkeer- en Vervoerplan (VVVP)” uit 2007. De gemeente Venray acht het noodzakelijk de komende jaren het niet-gemotoriseerde verkeer (fietsen en lopen) meer in de spotlights te plaatsen. De eerste aandacht gaat dus uit naar het opstellen van een netwerk voor niet-gemotoriseerd verkeer (fiets en voetganger). Dit netwerk heeft de intentie er voor te zorgen dat fietsen en lopen een veilig, aantrekkelijk en voor de hand liggende wijze van vervoer gaan worden voor alle inwoners en bezoekers van Venray en de kerkdorpen.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 34

Met dit netwerk wordt het begrip “basis op orde” wat betreft de infrastructuur een nieuw kader meegegeven. De tweede aandacht gaat uit naar het opstellen van de netwerken voor gemotoriseerd verkeer: personenauto, vrachtverkeer en landbouwverkeer. Voor vele doeleinden is en blijft dit toch dé wijze van vervoer, bijvoorbeeld vanwege de (langere) afstand of het vervoer van goederen. Infrastructurele maatregelen waarmee het gebruik van de fiets, zowel utilitair als recreatief, wordt gestimuleerd of het autogebruik wordt ontmoedigd, worden in deze netwerkennota meegenomen. Voor stimuleren van fietsverkeer kan het gaan om bijvoorbeeld de aanleg van ontbrekende schakels, het opwaarderen van kwalitatief mindere verbindingen of het verbeteren van de oversteekbaarheid van grote verkeerswegen. Voor het ontmoedigen van autoverkeer, kan het gaan om het weren van verkeer of het aanpassen van de verkeerscirculatie. Afweging Het plangebied wordt ontsloten via de Blauwververstraat. Deze weg heeft verkeerskundig een functie als erfontsluitingsweg. Via deze weg is het plangebied goed en veilig bereikbaar voor zowel auto-als fietsverkeer.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 35

HOOFDSTUK 4

4.1

MILIEU-PLANOLOGISCHE ASPECTEN EN ONDERZOEKEN

Milieueffectrapportage

4.1.1 Juridisch kader Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.

Het bevoegd gezag moet in zo'n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden -aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een informele m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: 1. 2.

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in bijlage III van de Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Categoriale indeling van het project; stedelijk ontwikkelingsproject In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' een m.e.r.-ontwikkelingsbeoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 36 1

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r. kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.

4.1.2 Toetsing Toets m.e.r.-plicht Binnen het plangebied wordt een woongebouw met 18 koopappartementen, 28 parkeerplaatsen en groenvoorzieningen gerealiseerd alsmede wordt een onbemand tankstation (zonder LPG) mogelijk gemaakt. Het realiseren van een dergelijk project komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woongebouw binnen stedelijk gebied kan mogelijk worden aangemerkt als de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject' (categorie D11.2). De bij deze categorie genoemde drempelwaarden worden echter bij lange na niet overschreden, waardoor er in ieder geval zeker geen verplichting geldt om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit de (uitgebreide) jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de enkele omstandigheid dat een project relevante (negatieve) milieugevolgen heeft niet doorslaggevend is voor het oordeel of zo'n project is aan te merken als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' in de zin van onderdeel D, kolom I, categorie 11.2 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. De concrete aard en omvang van het project zijn veel belangrijkere criteria voor deze beoordeling (zie bijvoorbeeld AbRvS 15 maart 2017 / 201601015/1/R1 ECLI:NL:RVS:2017:694 (bouwmarkt Hornbach) en rechtbank Limburg, 8 december 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9624). Belangrijke criteria die in de jurisprudentie een rol spelen bij het oordeel of een project een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is, zijn: de aard en de omvang van de voorziene wijziging; de wijziging van opzet en vormgeving (eventuele uitbreiding bebouwde oppervlakte); mogelijke gevolgen voor het milieu; veranderingen van het woon- en leefklimaat (door bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking); de vraag of het project is gelegen in bestaand stedelijk gebied Toepassing gevend aan deze criteria leidt tot de conclusie dat er in casu geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

Het aan de orde zijnde plan betreft een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling (zowel wat betreft het bouw -en woonprogramma, het aantal benodigde parkeerplaatsen en de optredende verkeersbewegingen). Het project wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Binnen het plangebied zijn verder - ingevolge het geldende bestemmingsplan – nu al diverse stedelijke functies toegestaan in de vorm van een autobedrijf, een tankstation, twee bedrijfswoningen, parkeerplaatsen en erfverhardingen, waarbij het bebouwd - en verhard oppervlak maximaal 2225 m2 bedraagt (d.w.z 73,67 % van het plangebied bebouwd en verhard is). Het onderhavige plan leidt tot een aanzienlijke afname van het bebouwd – en verhard oppervlak. Het plan voorziet namelijk in een nieuw bebouwd- en verhard oppervlak van niet meer dan 1593 m2 (d.w.z 52,74 % van het plangebied is nog maar bebouwd en verhard).

1

Staatsblad 2011, nr. 102

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 37

Uit deze plantoelichting blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van een Natura 2000-gebied of een andere beschermd natuurgebied dat behoort tot het NatuurNetwerk Nederland (NNN) en het plan geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het project leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/ of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze plantoelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie Gelet op de concrete omvang en de ruimtelijke aard en invloed van dit project en gezien ook het feit dat dit plan geen (relevante) milieugevolgen heeft, kan worden geconcludeerd dat dit project geen stedelijk ontwikkelingsproject is in de zin van categorie D11.2 Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor is ook een (aanmeldnotitie) vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.

4.2

Geluidhinder

4.2.1 Inleiding De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De breedte van de geluidzones als functie van het aantal rijstroken van de weg en het soort gebied is weergegeven in onderstaande tabel.

De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 lid 1 Wgh). Er geldt verder een maximale ontheffingswaarde binnen stedelijk gebied van 53 dB (artikel 83 lid 1 Wgh). Wegverkeerslawaai De Langstraat kent een snelheidsregime van 50 km/h en bestaat uit 2 rijstroken. Hierdoor geldt een geluidzone van 200 meter. Zowel de beoogde woningbouw in de 1e fase als de 2e fase van het plan, valt binnen deze zone. Akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai op de beoogde woongebouwen is derhalve noodzakelijk. De Blauwververstraat kent een snelheidsregime van 30 km/h, zodat deze weg niet gezoneerd is en derhalve niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg echter wel beschouwd. Om een afweging te kunnen maken is wel aansluiting gezocht bij de Wet geluidhinder en is dat toetsingskader dus ook gehanteerd voor deze weg.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 38

Spoorweglawaai en industrielawaai De zones langs het spoor zijn afhankelijk van de vastgestelde geluidproductieplafonds (GPP-waarden) langs het spoor Nijmegen-Venlo. Conform het Besluit geluidhinder (Bgh) is in onderhavige situatie een wettelijke geluidzone van 600 meter van toepassing. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 55 dB (art.4.9, lid 1 Bgh). Het plangebied is op ca. 3,4 km afstand van het spoor gelegen. Het plangebied ligt ruim buiten de vastgesteld geluidzone. In de ruime omgeving van het plangebied is geen gezoneerd industieterrein aanwezig. Inrichtingsgerelateerd lawaai Het inrichtingsgerelateerde lawaai ter plaatse van het beoogde woongebouw en andere woningen in de omgeving van het plangebied als gevolg van het onbemande tankstation, is door middel van een afzonderlijk geluidsonderzoek in kaart gebracht. Verwezen wordt hier naar paragraaf 4.6.2 van deze plantoelichting.

4.2.2 Akoestisch onderzoek-fase 1 Uit een uitgevoerd akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor fase 1 van het woningbouwplan blijkt het volgende: Langstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Langstraat is maximaal 55 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Venray is een verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie geldt als ontheffingscriterium dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van bestaande bebouwing. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee echter niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €100.000,- (200 m * 10m * €50,-) en stuiten daarmee tevens op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Conform het “Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder” van de gemeente Venray dient elke woning te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel.

Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. In overleg met de gemeente kan mogelijk worden afgeweken van deze eis. Bij een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde + 5 dB dienen de verblijfsruimten zoveel mogelijk aan geluidluwe zijden te liggen en ten minste één slaapkamer aan een geluidluwe zijde. Voor een eventueel balkon of loggia geldt bij voorkeur dat deze tevens aan de geluidluwe zijde ligt. De appartementen beschikken echter niet allemaal zondermeer over geluidluwe gevels. Bij het ontwerp van de 4 appartementen op de 1e en 2e verdieping die grenzen aan de zuidoostgevel (parallel aan de Langstraat), waar de hoogste geluidsbelasting van toepassing is, worden de hoofdslaapkamers voorzien van Silent-air systemen (of gelijkwaardig), waarbij het raam “gewoon” kan worden geopend zonder dat er een hoge geluidsbelasting naar binnen komt. Derhalve wordt dit systeem voor de hoofdslaapkamers als vervanging ingezet van een geluidsluwe gevel zoals gesteld in het gemeentelijk geluidbeleid.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 39

Conform Bouwbesluit 2012 worden in deze situatie ook eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe appartementen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB. Uit een akoestisch onderzoek naar de gevelwering is gebleken dat dat de vereiste karakteristieke geluidwering al wordt behaald met standaard dubbel beglazing. Er zijn derhalve verder geen aanvullende voorzieningen nodig om te voldoen aan het conform Bouwbesluit vereiste binnenniveau van 33 dB.

Blauwververstraat De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 42 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Voor de volledige inhoud van het akoestisch onderzoek naar het wegverkeerslawaai en het akoestisch onderzoek naar de gevelwering wordt verwezen naar de bijgevoegde rapporten die als bijlagen 1 en 2 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.

4.2.3 Akoestisch onderzoek-fase 2 Uit een uitgevoerd akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai voor fase 2 van het woningbouwplan blijkt het volgende: Langstraat De voorkeursgrenswaarde wordt wel, maar de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Langstraat is maximaal 61 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Venray kan een verzoek worden ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het nieuwbouwproject wordt gebouwd ter vervanging van een tankstation. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee is een geluidreductie van maximaal 5 dB te realiseren. De geluidbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De kosten voor dergelijke maatregelen worden geraamd op €100.000,- (200 m * 10m * €50,-) en stuiten daarmee tevens op bezwaren van financiële aard. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Conform het “Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder” van de gemeente Venray dient elke woning te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel.

Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Bij een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde + 5 dB dienen de verblijfsruimten zoveel mogelijk aan geluidluwe zijden te liggen en ten minste één slaapkamer aan een geluidluwe zijde. Voor tuinen geldt bij voorkeur dat deze tevens aan de geluidluwe zijde liggen. De drie beoogde woningen beschikken allen over geluidluwe gevels. De tuinen liggen aan deze geluidluwe gevels. Bij het ontwerp van de woningen dient rekening te worden gehouden met het zoveel mogelijk aan de geluidluwe zijde positioneren van de verblijfsruimten, ten minste één slaapkamer dient aan een geluidluwe gevel te liggen.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 40

Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woningen worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel 110g Wgh) en 33 dB.

Blauwververstraat De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 40 dB (incl. art. 110g), waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor de volledige inhoud van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar de bijgevoegde rapport dat als bijlage 3 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.

4.3

Bodem

In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een woongebouw met 18 appartementen. Voordat door middel van dit bestemmingsplan deze nieuwe functie mogelijk wordt gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken.

4.3.1 Bodem- en grondwateronderzoek-fase 1 (voormalige garage/showroom) Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) uitgevoerd. De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Langstraat 110a te Venray. Het betreft hier de locatie waar de voormalige garage en showroom was gevestigd, maar niet het tankstation zelf. Dat bevindt zich aan de Langstraat 110 en is afzonderlijk onderzocht (zie hiervoor paragraaf 4.3.2 van deze plantoelichting). Het voornemen is om het bestaande pand te slopen en nieuwbouw van een appartementencomplex te realiseren. In de onderstaande tabel zijn de uitvoering en de resultaten van het onderzoek schematisch weergegeven.

Tabel onderzoeksopzet, resultaten voor- en bodemonderzoek

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 41

Verkennend bodemonderzoek Deellocatie A: onverdacht terrein Voor het onverdacht terrein c.q. het buitenterrein houdt de hypothese ‘onverdachte locatie’ geen stand. In de bovengrond onder het bedrijfspand worden lichte verontreinigingen met lood en minerale olie aangetroffen. Op het buitenterrein en in de ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters boven de achtergrondwaarden aangetroffen. Het grondwater is ten hoogste licht verontreinigd met barium.

Deellocatie B: werkplaats Voor de werkplaats houdt de hypothese ‘verdachte locatie’ stand. In het grondwater zijn namelijk lichte verontreinigingen met barium en trichloormethaan aangetroffen. In de grond zijn geen van de onderzochte parameters verhoogd aangetroffen.

Deellocatie C: wasplaats incl. olieafscheider Ter plaatse van de wasplaats met olieafscheider is een sterke verontreiniging met kobalt in de grond aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en trichloormethaan. Gelet op het gebruik van de onderzoekslocatie en de aangetroffen grondlagen wordt verwacht dat de sterke verontreiniging zich voornamelijk in de laag onder het beton bevindt tot een diepte van 0,7 m-mv. Bij een oppervlakte van 50 m² wordt de omvang van de verontreiniging ingeschat op circa 35 m³. Aangezien er in verband met de aanwezig betonverharding momenteel geen risico’s worden verwacht, is in overleg met de opdrachtgever geen nader onderzoek uitgevoerd.

Deellocaties D en E: bovengrondse olieopslag en bovengrondse olie- en glycolenopslag Ten aanzien van de bovengrondse olieopslag (deellocatie D) en de bovengrondse olie- en glycolenopslag (deellocatie E) houdt de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand. Zowel in de grond als in het grondwater zijn geen van de onderzochte parameters boven de achtergronden / of streefwaarden aangetoond.

Deellocatie F: ondergrondse HBO tank (15.000 liter) Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand. In de grond en het grondwater zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergronden / of streefwaarden aangetoond.

Deellocatie G: Grondwaterverontreiniging tankstation Uit het vooronderzoek blijkt dat ter plaatse van het tankstation een sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater aanwezig is. Indien de verontreiniging wordt bevestigd, bestaat er een mogelijkheid dat deze op onderhavige onderzoekslocatie aanwezig is. Uit de resultaten van de herbemonstering van het grondwater uit de peilbuis waar eerder een sterk verhoogd gehalte minerale olie is aangetoond, blijkt dat nog een lichte verontreiniging aanwezig is. Op basis hiervan is het niet aannemelijk dat dat de aangetoonde grondwaterverontreiniging ter plaatse van het tankstation zich noemenswaardig uitstrekt tot op de onderhavige onderzoekslocatie.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 42

onderzoekslocatie

Conclusie verkennend bodemonderzoek De verontreiniging met kobalt ter plaatse van de wasplaats vormt een belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Om een uitspraak te kunnen doen over de (gehele) omvang van de verontreiniging met kobalt dient een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

Nader bodemonderzoek Dit nadere bodemonderzoek is uitgevoerd. De omvang van de verontreiniging (gehalten>achtergrondwaarde) met kobalt bedraagt circa 15 m3, waarvan 5 à 10 m3 grond sterk verontreinigd (gehalten>interventiewaarden) is. Er is derhalve geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Het geval van bodemverontreiniging is waarschijnlijk ontstaan door het aanbrengen van verontreinigde grond vóór de bouw van het bedrijfspand omstreeks 1961 en derhalve vóór 1987. Dergelijke gevallen worden ook wel benoemd als ‘historische verontreinigingen’ of ‘oude gevallen’. Het geval is niet saneringsplichtig, waarbij opgemerkt moet worden dat in het kader van bijvoorbeeld de ruimtelijke ontwikkeling van het terrein wel sanerende maatregelen kunnen worden geëist. Conclusie nader bodemonderzoek Aanvullend (nader) bodemonderzoek wordt niet zinvol geacht. De initiatiefnemer heeft echter besloten om de beperkte en ondiepe verontreiniging te saneren en dus volledig af te voeren. Indien wordt overgegaan tot sanering van de bodemverontreiniging dient eerst een plan van aanpak of een saneringsplan opgesteld of een melding in het kader van het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) verricht te worden. In het plan van aanpak / het saneringsplan / de BUS-melding wordt een uitvoeringsmethode omschreven om de bodem op een zo efficiënt mogelijke wijze te saneren.

Het plan van aanpak, het saneringsplan of de BUS-melding dient goedgekeurd te zijn door het bevoegd gezag. Bij werkzaamheden in de grond ter plaatse van het geval van bodemverontreiniging is er sprake van een ‘saneringssituatie’ omdat gewerkt wordt in / met sterk verontreinigde grond. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 43

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Voor de volledige inhoud van het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek wordt verwezen naar de bijgevoegde rapporten die als bijlagen 4 en 5 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.

4.3.2 Bodem- en grondwateronderzoek-fase 2 (tankstation) Er is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Langstraat 110 te Venray. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen overname van het tankstation op de locatie met bijbehorend terrein. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Het doel van het onderzoek is het vastleggen van de feitelijke (actuele) bodemkwaliteit als zijnde referentieniveau. Hiermee wordt een toetsingsgrondslag verkregen met het oog op mogelijk toekomstige bodemverontreiniging. Met de resultaten van een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek na beëindiging van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten kan worden bepaald of de bodem ter plaatse door die activiteiten verontreinigd is geraakt ondanks de getroffen bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Omdat sprake is van het continueren van de bestaande bedrijfsactiviteiten, geldt het bodemonderzoek tevens als eindsituatie-onderzoek voor de huidige eigenaar. De grond en het grondwater ter plaatse van de verschillende onderdelen van de tankinstallatie zijn verdacht voor een verontreiniging met minerale olie, vluchtige olie, vluchtige aromaten en MTBE/ETBE (MTBE/ETBE alleen in het grondwater).

Voor wat betreft de algemene kwaliteit is het resterende, over te nemen terrein onverdacht voor het voorkomen van een bodemverontreiniging. Uit het verrichte bodemonderzoek blijkt het volgende: De zintuiglijk onverdachte boven- en ondergrond op het overige, eveneens over te nemen terreindeel (0,05 – 1,5 m-mv, MM1 en MM2) is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. De zintuiglijk onverdachte grond ter hoogte van de boven- en ondergrondse delen van de tankinstallatie en de oliebenzineafscheider van het tankstation is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige olie en vluchtige aromaten. Dit met uitzondering van (zeer) licht verhoogde gehalten aan ethylbenzeen en xylenen in de ondergrond bij de tanks (3,8 – 4,0 m-mv, boring 102). De voor een restverontreiniging verdachte bodemlaag van 4,3 – 4,5 m-mv bij de boringen 101, 108,109 en 110 is niet verontreinigd met minerale olie, vluchtige olie en vluchtige aromaten. Het grondwater uit peilbuis 101 bij het tankcluster (tevens gebruikt voor de controle van de restverontreiniging in het grondwater) is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater uit peilbuis 108 bij de OBAS (tevens gebruikt voor de controle van de restverontreiniging in het grondwater) is enkel licht verontreinigd met barium (natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie) en niet verontreinigd met de overige onderzochte parameters.

Het grondwater uit peilbuis 302 (in de kern van de restverontreiniging) is matig verontreinigd met minerale olie. Het grondwater uit peilbuis 109 is marginaal verontreinigd met xylenen en niet verontreinigd met de overige onderzochte stoffen. Het grondwater uit peilbuis 110 is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. .

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 44

onderzoekslocatie

Conclusie verkennend bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het onderzoek met betrekking tot de restverontreiniging met minerale olie in het grondwater ter plaatse van het pompeiland kan worden geconcludeerd dat die verontreiniging relatief beperkt van omvang is en zich niet verspreid heeft. Of in de grond onder het pompeiland ook sprake is van een restverontreiniging kan niet worden bepaald, omdat geen boring door de verharding van het pompeiland is geplaatst. Mocht ook sprake zijn van een restverontreiniging in de grond, dan is die eveneens beperkt van omvang aangezien de diepe boringen rondom op het veronderstelde niveau van de grondverontreiniging niet verontreinigd zijn. De restverontreiniging bevindt zich op een zodanig diep niveau in de bodem dat er sprake is van een schone leeflaag van ruim voldoende dikte, zodat een bouwontwikkeling en bestemmingswijziging hierdoor niet belemmerd wordt. Met het uitgevoerde bodemonderzoek is de actuele bodemkwaliteit, zijnde de nulsituatie, ter plaatse van het tankstation voldoende vastgelegd. De resultaten van onderhavig onderzoek kunnen door de huidige eigenaar beschouwd worden als eindsituatie.

Bij beëindiging van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten zal een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek uitgevoerd worden, om vast te stellen of er door die activiteiten een bodemverontreiniging is ontstaan Voor de volledige inhoud van het bodemonderzoek wordt verwezen naar de bijgevoegde rapport dat als bijlage 6 integraal deel uitmaken van deze plantoelichting.

4.4

Luchtkwaliteit

Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft tot doel het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. Hierbij is het van belang een onderscheid te maken tussen het: 1. realiseren van een bron (bijvoorbeeld inrichting of weg); 2. realiseren van een nieuwe gevoelige functie. Bij het realiseren van een nieuwe bron moet in beeld gebracht worden of deze ontwikkeling leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, tenzij de ontwikkeling NIBM (Niet in betekende mate) is of onder het NSL valt.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 45

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 3000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen) niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige plan voorziet slechts in de bouw van maximaal 21 woningen (18 koopappartementen (fase 1) en 3 patiowoningen (fase 2)) die via twee ontsluitingswegen (Blauwververstraat en Langstraat) bereikbaar worden. Het plan is veel te kleinschalig om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Achtergrondluchtkwaliteit Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties en deposities in Nederland.

De kaarten zijn gebaseerd op een combinatie van modelberekeningen en metingen en geven een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. De nieuwe concentratiekaarten worden ieder jaar beschikbaar gesteld op 15 maart. De depositiekaarten volgen in juni. Gemeentes, provincies en anderen gebruiken concentratie- en depositiekaarten bij hun rapportage van overschrijdingen in het kader van de Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit en bij (ruimtelijke) planvorming. Op basis van de meest recente Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM blijkt dat de achtergrondconcentratie in 2021 en de - door het RIVM verwachte achtergrondconcentratie in 2030 ter plaatse van het plangebied e.o. ten hoogste bedragen: stofcategorie stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10) fijn stof (PM2,5)

2021 12.6 µg/m3 16.78 µg/m3 10.38 µg/m3

2030 10.43 µg/m3 13.91 µg/m3 7.15 µg/m3

De grenswaarden voor de luchtkwaliteitseisen voor PM10, PM2,5 en NO2 zoals opgenomen in de Wet milieubeheer zijn in navolgende tabel weergegeven.

De totale concentratie ter plaatse van het plangebied voldoet ruimschoots aan de geldende normstelling. Conclusie Aangezien ter plaatse van het plangebied sprake is van maximaal 21 nieuwe woningen met twee ontsluitingswegen - waardoor het project te kleinschalig is om in betekende mate bij te dragen aan een verandering/verslechtering van de luchtkwaliteit - en de achtergrondconcentraties ruimschoots voldoen aan de wettelijke normstelling, is voor het aspect luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 46

4.5

Geur

Voor het toetsen van een aanvaardbaar woon- en/of leefklimaat ter plaatse van het plangebied en om te voorkomen dat agrarische bedrijven in hun ontwikkeling belemmerd worden, is het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij van belang. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Buiten de bebouwde kom geldt een vaste afstand van 50 meter tot een emissiepunt van een veehouderij en 25 meter afstand tot de gevel van een stal van een veehouderij. Aan deze afstanden wordt voldaan. De gemeenteraad van de gemeente Venray heeft een Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen: 1.

Bestaande woongebieden 3,0 ouE/m3

2.

Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 8,0 ouE/m3

3.

Buitengebied 14,0 ouE/m3

De normstelling is onderbouwd in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie, geurhinder en veehouderij gemeente Venray. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ is verder voor het buitengebied een maximale achtergrondbelasting van 20 ouE/m³ opgenomen. Een matig woon en leefklimaat (tot 20% geurgehinderden) wordt aanvaardbaar geacht. Bij de beoordeling of het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied veroorzaakt door alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting) in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. Voorgrondbelasting Het onderhavige plangebied is volgens de Geurverordening een bestaand woongebied. Er geldt ter plaatse dus een (voorgrond)geurbelastingsnorm van maximaal 3 ouE/m3. Uit de meest recente geurhinderkaarten (14 november 2018) van de gemeente Venray blijkt dat deze geurnorm binnen het plangebied wordt overschreden als gevolg van een individuele veehouderij aan de Enge Steeg 1 te Leunen. Het plan vormt echter geen belemmering voor deze veehouderij. De bestaande geursituatie blijft gehandhaafd. Er waren immers binnen het oorspronkelijke bedrijfsperceel ook al 2 geurgevoelige objecten in de vorm van 2 bedrijfswoningen aanwezig.

Bovendien zijn er een groot aantal bestaande geurgevoelige objecten (burgerwoningen) aanwezig die veel dichter bij de veehouderij liggen dan het beoogde woongebouw (fase 1) en de beoogde 3 patiowoningen (fase 2).

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 47

voorgrondgeurbelasting plangebied e.o.

Achtergrondbelasting Uit de geurhinderkaart achtergrondbelasting 2018 van de gemeente Venray blijkt dat de huidige achtergrondbelasting op het plangebied kan worden gekwalificeerd als een ‘redelijk goed woon-en leefklimaat’. Dit komt overeen met een geurbelasting van (7,4- 13,1 ouE/m3). In de ‘Aanvulling op de Gebiedsvisie, geurhinder en veehouderij gemeente Venray’ is aangegeven dat tot 20.0 ou E/m3 nog sprake is van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Deze norm wordt ter plaatse ruimschoots gehaald.

achtergrondgeurbelasting plangebied e.o.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies of gebieden. Om deze milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 48

4.6.1 Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld.

De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: categorie 1: grootste afstand 10 meter; categorie 2: grootste afstand 30 meter; categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; categorie 5.3: grootste afstand 1.000 meter; categorie 6: grootste afstand 1.500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

4.6.2 Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied maakt deel uit van een rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied is weliswaar een belangrijke verkeerfunctie aanwezig (Langstraat als gebiedsontsluitingsweg), maar de woonfunctie ter plaatse van de Langstraat, de Blauwververstraat en de Niessenstraat, is veruit dominant. In het kader van het garanderen van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningbouwvoor zowel fase 1 en 2 – moet beoordeeld worden of er milieubelastende bedrijven/functies in de omgeving liggen die een bedreiging kunnen vormen voor dit goede woon-en leefklimaat. De dichtstbij gelegen potentieel belastende functies zijn: 1.

tankstation (benzineservicestation zonder LPG/SBI-code 2008: 473-3) (milieucategorie 2): locatie Langstraat 110/ richtafstand: 30 meter/feitelijke afstand tot plangebied: 0 meter.

2.

Veltumse kapel of Hubertuskapel (kerkgebouwen e.d./ SBI-code 2008: 9491) (milieucategorie 2): locatie Hoebertweg 31/ richtafstand: 30 meter/feitelijke afstand tot plangebied: ca. 125 meter.

3.

huisartsenpraktijk Veltum (artsenpraktijk, kliniek en dagverblijf/ SBI-codes 2008: 8621,8622, 8623) (milieucategorie 1): locatie Langstraat 100/ richtafstand: 10 meter/feitelijke afstand tot plangebied: ca. 85 meter.

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 49

4.

Tuincentrum Intratuin Venray (bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten/ SBI-code 2008: 4752) (milieucategorie 2): locatie Langstraat 133/ richtafstand: 30 meter/feitelijke afstand tot plangebied: ca. 220 meter.

Ad 1 Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om na te gaan of de nieuwbouw het nabij gelegen tankstation niet beperkt in haar activiteiten. Het tankstation grenst direct aan de woongebied van fase 1 en ligt op ca. 20 meter van de appartementen in het woongebouw. De optredende gevelbelastingen zijn getoetst aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. Het betreft zowel het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT als de maximale geluidniveaus LAmax langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus De hoogste gevelbelasting in de dagperiode bedraagt 44 dB. Hiermee wordt voor de dagperiode voldaan aan de geluideisen volgens het Activiteitenbesluit. De hoogste gevelbelasting in de avond-/nachtperiode bedraagt 41 dB. Hiermee wordt niet voldaan aan de geluideisen volgens het Activiteitenbesluit. De gevelbelasting is plaatselijk hoger dan vereist volgens het Activiteitenbesluit. Om de bedrijfsvoering van het tankstation niet te belemmeren moeten maatregelen worden getroffen die ervoor zorgen dat de geluidbelasting ter plaatse van de appartementen wordt teruggebracht tot de geluideisen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit. Om aan het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen is geadviseerd om het muurtje op de zuidoostgevel van de bergingen te verlengen richting het noordoosten. Indien dit muurtje circa 5 meter wordt verlengd, zal worden voldaan aan het Activiteitenbesluit.

Deze ‘geluidsmuur’ is ook opgenomen in het onderhavige woningbouwplan. maximale geluidniveaus De maximale geluidniveaus bedragen in de dagperiode ten hoogste 65 dB(A) en in de avond-/nachtperiode ten hoogste 59 dB(A). Er wordt voldaan aan de geluideisen van het Activiteitenbesluit. Voor de volledige inhoud van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar de bijgevoegde rapport dat als bijlage 1 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting. Ad 2 t/m 4 Door de bovengenoemde afstanden is er voldoende ruimtelijke scheiding tussen het beoogde woongebouw en de genoemde bedrijven en functies om milieuhinder te voorkomen en een goed woon- en leefklimaat te garanderen.

4.7

Externe veiligheid

Het wettelijk kader voor risicovolle bedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor het transport van gevaarlijke stoffen is het vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gebaseerd op twee elementen: een harde norm in de vorm van het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde in de vorm van het groepsrisico (GR). De norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt één op de miljoen (10-6) per jaar, ofwel 1 op de miljoen blootgestelde personen. Het hanteren van een norm voor het plaatsgebonden risico biedt een basisveiligheidsniveau voor de individuele burger in de omgeving van een risicovolle activiteit. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Dat wil zeggen dat kwetsbare objecten buiten de 10-6 contour moeten zijn gelegen. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risico-contour ook, maar daar geldt de contour alleen als richtwaarde. Het groepsrisico gaat over de impact van een calamiteit met veel dodelijke slachtoffers tegelijk. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied (1 % letaliteitgrens) gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de oriënterende waarde.

Dit is een richtwaarde waarvan het bevoegd gezag, voldoende gemotiveerd, kan afwijken.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 50

4.7.1 Bedrijven en transport gevaarlijke stoffen Binnen dit plan wordt een woonbestemming gerealiseerd. Het betreft hier een kwetsbare object in de zin van artikel 1 Bevi. Volgens de Risicokaart Limburg is er binnen een straal van ruim 750 meter om het plangebied geen enkele risicovolle inrichtingen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen aan de Leunseweg-Acaciastraat in Venray. Het betreft hier een tankstation met LPG met een maximale PR 10-6 contour van 25 meter (rond LPG-vulpunt) en een (generiek) invloedsgebied (1 % letaliteitgrens) voor het groepsrisico van maximaal 150 meter. Het plangebied ligt op ca. 770 meter van deze inrichting.

plangebied (blauw omcirkeld) en risicovolle inrichtingen in de omgeving

De dichtstbijzijnde weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de N270 (Deurneseweg). De N270 is niet opgenomen in het Basisnet. Volgens de Risicokaart Limburg geldt voor deze weg – in ieder geval ter hoogte van het plangebied - geen plaatsgebonden risicocontour (PR-contour 10-6/jr = 0 meter). Het plangebied ligt op ca. 370 meter van de N270. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART (paragraaf 2.1)) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan/project te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plan-of projectgebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren en de (toename van) de hoogte van het groepsrisico. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een planof projectgebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied wordt bepaald door de 1% letaliteitsafstand van bepaalde stofcategorieën die getransporteerd worden. In de HART zijn per stofcategorie en per modaliteit vaste afstanden opgenomen voor de begrenzing van het invloedsgebied.

Op basis van de rapportage ‘Toekomstverkenningen Vervoer Gevaarlijke Stoffen over de Weg’ kan een doorkijk gemaakt worden voor transporten van bepaalde gevaarlijke stoffen over A-en N-wegen in 2030. De doorkijk is bepaald met behulp van het Global Economy scenario. Hierbij worden aan de reeds bestaande tellingen bepaalde groeifactoren toegekend. Hieruit blijkt dat ter plaatse van de N270 nu en in 2030 voornamelijk en incidenteel 4 soorten gevaarlijke stoffen worden vervoerd, namelijk LF1 en LF2-stoffen ((zeer)brandbare vloeistoffen), LT2 (zeer toxische vloeistoffen) en GF3-stoffen (brandbare gassen/ LPG en propaan).

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 51

Voor de stofcategorieën LF1 en LF2 geldt een invloedsgebied van maximaal 45 meter, voor de stofcategorieën LT2 en GF3 bedraagt het invloedsgebied maximaal 880 meter resp. 355 meter. De gemeente Venray echter hanteert als maximum afstand van het invloedsgebied in dergelijke situaties de afstand behorend bij GF3stoffen (maximaal 355 meter). Het plangebied ligt – zowel wat betreft het gebiedsdeel waar de woningbouw van fase 1 komt alsmede wat betreft het gebiedsdeel waar de woningbouw van fase 2 gerealiseerd zal worden - buiten dit invloedsgebied. Een (beperkte) groepsrisicoverantwoording is niet noodzakelijk.

4.7.2 Ondergrondse buisleidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit vanaf 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. In onderhavige situatie ligt de dichtstbij gelegen buisleidingen op 856 meter afstand van het plangebied. Het betreft hier twee hogedruk aardgasleidingen (Z-541-15 en Z-541-17/ 219,1 Ø en 4000 kPa werkdruk). De PRcontour 10-6/jr ligt binnen de reguliere belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijde vanuit het hart van de leidingen.

Om inzicht te krijgen in de bandbreedte van het invloedsgebied van de buisleidingen is het Handboek buisleiding in bestemmingsplannen-Handreiking voor opstellers van bestemmingsplannen (geactualiseerde versie 2016) geraadpleegd, waarin uit tabel 5.1 ‘1%-letaliteitsgrens bij hogedruk aardgastransportleidingen’ blijkt dat voor buisleidingen als de bovenstaande de 1%-letaliteitsafstand 95 meter bedraagt. Hieruit volgt dat buisleidingen geen beperkingen opleggen aan het plan; de berekening van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico evenals een verantwoording is niet aan de orde.

4.7.3 Hoogspanningsleidingen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het plan.

4.8

Niet Gesprongen Explosieven (NGE)

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

|bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld |

Pagina | 52

4.9

Ecologie

4.9.1 Natuur en landschap Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Het maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk Limburg (voorheen Ecologische HoofdStructuur (EHS)), Natura 2000-gebieden of beschermde natuurmonumenten. Het plangebied zelf heeft geen bijzondere natuurwaarden.

4.9.2 Stikstof De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitatals de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plan kan leiden tot verhoogde emissie van stikstof. In deze rapportage wordt een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuurgebieden zijn ‘Boschhuizerbergen’ op ca. 4 km van het plangebied.

berekening Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS CALCULATOR (2021). bouwvrijstelling Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering alsook het gelijknamige Besluit per 1 juli 2021 is een bouwvrijstelling van het bepaalde in artikel 2.7 lid 2 Wnb ingevoerd. De gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, worden buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, lid 2 Wnb (zie artikel 2.9a Wnb). De AMVB waarnaar verwezen wordt is het Besluit natuurbescherming (Bn). Als activiteiten van de bouwsector als bedoeld in artikel 2.9a Wnb worden aangewezen: a.

het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen;

b.

het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen (zie artikel 2.5 Bn).

| bestemmingsplan ‘Langstraat 108 en 110(a) Venray’ | status: vastgesteld|

Pagina | 53

gebruiksfase Het beoogde woongebouw met 18 koopappartementen wordt niet aangesloten op het gasnet. Er wordt gebruik gemaakt van een gasloos energieconcept met alternatieve (niet fossiele) energiebronnen. Derhalve zijn gebouwemissies in de gebruiksfase niet relevant. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) in de nieuwe gebruiksfase vinden plaats door verkeersbewegingen van en naar het plan. De verkeersgeneratie wordt bepaald op basis van kengetallen uit de CROW-publicatie ‘ Toekomstbestendig Parkeren’(2018). Voorgaand leidt tot het volgende overzicht:

Licht verkeer is berekend op basis van tabel A4.2 Hoofdgroep wonen, koop, appartement, duur. Er is gekozen voor de maximale voertuigbewegingen per etmaal uit de betreffende tabel. CROW geeft geen specifieke cijfers voor vrachtverkeer in deze categorie. Derhalve is gerekend met retourbewegingen als gevolg van 2 afvalledigingen per week. Vervoer van bestelbusjes van bijvoorbeeld pakketdiensten vallen, conform de definitie uit de AERIUS invoerinstructie, onder licht verkeer. Derhalve wordt verondersteld dat deze vertegenwoordigd worden in de door CROW opgegeven verkeersgeneratie voor licht verkeer. ontsluiting verkeer Het verkeer dient te worden ontsloten tot op het punt waar het opgaat in het heersend verkeersbeeld. Conform de AERIUS Invoerinstructie 2021 is dit het geval op het punt, waarop het verkeer zich qua snelheid, optrek en stopgedrag niet meer onderscheidt ten opzichte van het overige verkeer, aanwezig op de betrokken weg. Volgens de instructie weegt hierin ook mee dat het verkeer moet zijn verdund tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer. Voor dit plan wordt ontsloten tot aan de N270. Op deze ontsluitingsweg wordt verondersteld dat de verkeersaantrekkende werking opgaat in het heersend verkeersbeeld. Het verkeer wordt ingegeven als verkeer binnen de bebouwde kom. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12028942/1