627708 Bijl01 Warmteprogramma gemeente Venlo.pdf
Tekst van het document
•
Monitoring van het laagspanningsnet, om
realtime inzicht te krijgen in belasting en
knelpunten en op basis daarvan gerichter te kunnen investeren. Andere partners Naast de woningcorporaties en Enexis zijn er ook andere partijen, zoals energiecoöperaties, projectontwikkelaars en het (mkb
-)bedrijfsleven, die een belangrijke rol kunnen spelen in de
warmtetransitie. Deze partijen kunnen mogelijk bijdragen aan innovatiev
e oplossingen en
het opschalen van duurzame technieken. Bewoners en Verenigingen van Eigenaren (vve’s) hebben een actieve rol bij het nemen van individuele maatregelen, zoals isolatie en energiebesparing, en worden hierin ondersteund door subsidies en advi 3.2.3
es.
Naar Samenwerkingsafspraken
Om het doel ‘aardgasvrij 2050’ te behalen, is het essentieel om duidelijke afspraken te maken, zowel op strategisch als op operationeel niveau. Door goed samen te werken vergroten we de haalbaarheid van onze gezamenlijke ambitie. In dit Warmteprogramma worden nog geen concrete afspraken gemaakt. Het is daarom van belang de komende tijd in gesprek te blijven met woningcorporaties en Enexis. Alleen door samenwerking op zowel strategisch en operationeel niveau kunnen desinvesteringen vermeden worden, en zorgen we dat de timing goed op elkaar aansluit.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
33
3.3
OVERZICHT VAN DE OPLOSSING
In dit hoofdstuk bieden we voor elke buurt perspectief over een geschikte aardgasvrije oplossing voor de verwarming van de gebouwen in die buurt. Om voor elke buurt te bepalen welke warmteoplossing op dit moment het meest geschikt lijkt, zijn de lokaal bes
chikbare
bronnen, warmtetechnieken, infrastructuur en de gebouwenvoorraad in kaart gebracht en geanalyseerd. Hiervoor fungeerde de startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de leidende principes zoals beschreven in hoofdstuk 2 als belan
grijke
bouwstenen. De keuze voor de warmte oplossing voor 2050 is op dit moment nog niet altijd eenduidig te maken. Dit komt door meerdere onzekerheden, zoals onzekerheid in de kosten van de techniek en de beschikbaarheid van warmtebronnen en infrastructuur. Daarom schetsen we in paragraaf 3.3.2 oo
k een wenselijke oplossingsrichting voor 2035. Dit kan een
tussenoplossing zijn waarbij al wel CO
2
wordt verminderd, maar die nog niet volledig
aardgasvrij is. Paragraaf 3.3.3 gaat per oplossingsrichting in op de gevolgen gemeente en de bewoners in
voor de
de buurt. Tot slot lichten we in paragraaf 3.4 toe hoe we tot
een oplossingsrichting per buurt zijn gekomen. Voor een aantal gebieden concretiseren we de aanpak verder in Bijlage III: warmteclusters. 3.3.1
Beoogde eindoplossing 2050
Figuur 4. Beoogde eindoplossing warmtetransitie 2050
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
34
De aardgasvrije warmteoplossing zoals weergegeven in
Figuur 4, is de oplossing die we zien
als meest wenselijke eindoplossing voor 2050. Voor een aantal buurten is de meest wenselijke eindoplossing eenduidig. Dit betreft de buurten die staan aangemerkt als elektrische warmtepomp
-(blauw) of warmtenetbuurt (paars). M
et name in een aantal
buurten in het stedelijk gebied van Venlo (Blerick en Tegelen) is een warmtenet de beoogde eindoplossing. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat het gaat om een voorkeursoplossing voor het merendeel van de gebouwen in deze buurt
en dat dit dus niet direct betekent alle
woningen in de paarsgekleurde buurten op een warmtenet worden aangesloten. Voor een viertal buurten (Hagerhof
-Oost, Hagerhof -West, Sinselveld en Krekelveld) is al concessie
verleend aan een marktpartij om een warmt
ene t aan te gaan leggen.
Voornamelijk in het westen en noorden van Venlo bevinden zich buurten met veel utiliteitsbouw en industrie. Omdat het type utiliteit in deze buurten bepalend is voor de wenselijke eindoplossing, is maatwerk (grijs) noodzakelijk. Voor de overige buurten is
het
nog niet duidelijk waarmee het merendeel van de gebouwen in de toekomst zal worden verwarmd. In deze buurten zijn in potentie meerdere warmteoplossingen denkbaar. Voor deze buurten maken we de keuze na 2035 (lichtroze). De onderbouwing van deze keuzes staat beschreven in paragraaf 3.4. We zullen altijd te maken hebben met onzekerheden en veranderende omstandigheden. De gewenste eindoplossing, zoals weergegeven in figuur 6, is dan ook geen vaststaand gegeven. Voor alle buurten geldt dat we periodiek zullen moeten herijken, op basis van onder meer o ntwikkelingen in investeringskosten, energieprijzen, beschikbaarheid van warmtebronnen en de inzichten die we gaandeweg opdoen in de uitvoering. Een adaptieve aanpak blijft daarmee noodzakelijk.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
35
3.3.2
Beoogde oplossingsrichting 2035
Figuur 5. Tussenoplossing warmtetransitie Venlo 2035
Om ondanks bestaande onzekerheden toch voortvarend richting 2035 te kunnen handelen, schetsen we in dit Warmteprogramma een richtinggevende oplossingsrichting voor 2035, bijvoorbeeld een hybride tussenoplossing (zie Figuur 6). Deze oplossingsrichting voor
2035
vormt het kader waarbinnen de warmtetransitie in het komende decennium verder vorm kan krijgen. Het gaat daarbij niet om een eindbeeld dat per definitie in 2035 volledig gerealiseerd is, maar om een ontwikkeling die tegen die tijd in ieder geval in ga
ng is gezet.
Hoever we in 2035 zijn, hangt mede af van de geplande startdatum van de buurtaanpak (zie paragraaf 3.3.4). Lees meer over de onderbouwing van de keuzes in paragraaf 3.4. 3.3.3
Beschrijving van de oplossingsrichtingen
In paragraaf 3.3.1 en paragraaf 3.3.2 is voor elke buurt de beoogde warmteoplossing voor respectievelijk 2050 en 2035 kenbaar gemaakt. In deze sectie lichten we de verschillende oplossingsrichtingen toe.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
36
Warmtenet In Venlo zien we in een aantal dichtbebouwde buurten kansen voor de aanleg van warmtenetten. Dit zijn vaak buurten waar de warmtevraag geconcentreerd is en waar een duurzame warmtebron beschikbaar is. Verduurzaming met een warmtenet levert in deze gebieden de laagste maatschappelijke
kosten o p, volgens de startanalyse van het PBL.
Toch
zijn er organisatorische en ruimtelijke uitdagingen bij de realisatie van warmtenetten. Daarom wijzen we buurten aan die volgens onze analyse in aanmerking komen om het poten tieel van een warmtenet verder te onderzoeken. Pas na een grondig onderzoek beslissen we of het warmtenet daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Onze rol als gemeente Wanneer we een buurt aanwijzen voor een warmtenet, stellen we een projectleider aan die een haalbaarheidsstudie uitvoert
. In deze studie onderzoeken we verschillende aspecten,
zoals het draagvlak onder bewoners en de betaalbaarheid voor eindgebruikers. Op basis van deze studie nemen we een besluit om een vervolgstap te zetten en zoeken we samenwerkingspartners. Dit proces duu
rt ongeveer vijf jaar. Om meer huishoudens aan te
sluiten en zo de kosten te verlagen, kunnen we ervoor kiezen v
ia de aanwijsbevoegdheid het
gasnet in de buurt te verwijderen. Rol van bewoners We informeren bewoners vroegtijdig wanneer hun buurt wordt aangemerkt voor een warmtenetverkenning. Tijdens de haalbaarheidsstudie nodigen we hen uit om hun mening en visie over het warmtenet te delen. Bewoners van koopwoningen hebben de vrije keuze om aan te sluiten op het warmtenet, terwijl bij huurwoningen de verhuurder of woningcorporatie met 70 procent van de huurders kan bepalen of er wordt overgestapt. Vervolgens kunnen zij de overige huurders aan de hand van een deelnameplicht verpl
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
ichten tot een aansluiting.
37
Warmteopslag en netcongestie De energietransitie vraagt om een energiesysteem dat betrouwbaar, duurzaam en toekomstbestendig is. In dat systeem vervullen warmtenetten een centrale rol, omdat zij woningen en bedrijven collectief kunnen voorzien van duurzame warmte, met in veel gevallen minder druk op het elektriciteitsnet dan bij individuele elektrische oplossingen. Toch verbruiken ook warmtenetten elektriciteit, bijvoorbeeld voor warmtepompen, distributiepompen en regeling. Juist in een tijd waarin netcongestie toeneemt, is het daarom van belang om warmteproductie en
-afgifte slim te organiseren. Warmteopslag biedt
hiervoor een structurele oplossing. Door warmte tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld in waterbassins, buffervaten of ondergrondse opslag, kan het moment van warmteproductie worden losgekoppeld van het moment van levering aan de gebruiker. Warmtepompen kunnen dan draaien op momenten dat er voldoende elektriciteit beschikbaar is, terwijl de opgeslagen warmte later wordt benut, bijvoorbeeld tijdens piekuren op het net. Dit vermind ert de belasting van het elektriciteitsnet, verhoogt de leveringszekerheid en maakt het beter mogelijk om ook in congestiegebieden nieuwe warmteprojecten te realiseren.
Voorbeeld Warmteopslag in Hagerhof en omgeving Een concreet voorbeeld van deze aanpak is te vinden in het warmtenet (in ontwikkeling) van Hagerhof en omgeving in Venlo, waar gebruik wordt gemaakt van een warmteopslagsysteem. Dit systeem bestaat uit een goed geïsoleerde waterbuffer waarin warmte kan wor den opgeslagen op hoge temperaturen. De opslag is gekoppeld aan een collectieve warmtepompinstallatie. Dankzij deze buffer kan het warmtenet warmte produceren op momenten dat er voldoende elektriciteit beschikbaar is, en deze warmte vervolgens leveren wann eer de vraag stijgt of het elektriciteitsnet zwaar belast is. Hierdoor worden pieken in de elektriciteitsvraag voorkomen en kan het net in Venlo beter worden benut. Tegelijkertijd vergroot de opslag de flexibiliteit van het systeem, verlaagt ze de afhankel ijkheid van piekvoorzieningen en wordt een stabiel en betaalbaar warmteaanbod voor bewoners gegarandeerd. Het voorbeeld in Hagerhof laat zien dat slimme combinaties van warmtenetten en warmteopslag niet alleen bijdragen aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving, maar ook een oplossing bieden voor de uitdaging van netcongestie. Daarmee is warmteopslag een essentieel onderdeel van het Venlose warmteprogramma.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
38
Volledige elektrische warmtepomp Buurten waar we een volledige elektrische warmtepomp als meest optimale oplossing zien, kenmerken zich vaak door relatief goed geïsoleerde woningen in gebieden met een lage energiedichtheid. In deze buurten krijgt iedere woning een individuele volledig ele
ktrische
warmtepomp, die zorgt voor zowel ruimteverwarming als tapwater. Dit vraagt om een zwaarder elektriciteitsnet, waardoor het belangrijk is dat de grootschalige overstap in goed overleg met netbeheerder Enexis verloopt. Onze rol als gemeente Wanneer we een buurt aanwijzen voor volledig elektrische warmtepompen, gebeurt dit altijd in samenspraak met Enexis. Zij zorgen ervoor dat het elektriciteitsnet in die buurt zo snel mogelijk wordt versterkt om de belasting van de warmtepompen aan te kunnen
. Zodra
het elektriciteitsnet versterkt is, is het net erop voorzien om een elektrische warmtepomp voor alle huishoudens in deze buurt te faciliteren. In buurten met veel corporatiebezit maken we afspraken met woningcorporaties om de
overstap grootschalig te ondersteunen.
Daarnaast kunnen we de aanschaf van elektrische warmtepompen versnellen door stimuleringsprogramma’s op te zetten, zoals we op dit moment ook doen. Op termijn kunnen we besluiten het gasnet te verwijderen via de aanwi
jsbevoegdheid.
Rol van bewoners Bewoners met een koopwoning hebben zelf de vrijheid om over te stappen op een volledig elektrische warmtepomp. Deze keuze kunnen zij nu al maken; het elektriciteitsnet is hier echter nog niet volledig op uitgelegd. Huurders zijn afhankelijk van hun verhuur
der of
woningcorporatie. Hybride warmtepomp Een oplossing met een hybride warmtepomp (voorlopig met aardgas) wordt in veel buurten als tussenoplossing aangewezen. Tegen 2050 kan een hybride warmtepomp, gecombineerd met de beschikbaarheid van klimaatneutraal gas, zorgen voor volledige verduurzaming.
Wel
blijft het onzeker in hoeverre dit duurzame gas beschikbaar zal zijn. Wanneer op korte termijn een hybride warmtepomp wordt geïnstalleerd in plaats van een cv aardgas, leidt dat tot een aanzienlijke besparing in gasverbruik tegen relatief lag
-ketel met e
investeringskosten. Op deze manier kan een hybride warmtepomp voor zowel bewoners, woningcorporaties als bedrijven een stapsgewijze verduurzaming mogelijk maken, waarbij investeringen over tijd worden gespreid en er rekening kan worden gehouden met natuu
rlijke
vervangingsmomenten.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
39
Onze rol als gemeente Wanneer we een buurt aanwijzen voor de hybride oplossing, betekent dit dat het elektriciteitsnet in die buurt niet direct hoeft te worden verzwaard en dat er geen ontwikkelingen voor warmtenetten zijn. Onze inzet in deze buurten is daarom beperkt, maar we zorgen er wel voor dat hybride warmtepompen actief worden gepromoot. We stimuleren de hybride warmtepomp onder andere door deze mee te nemen in de bestaande warmtepompregelingen, zoals we nu al doen. Rol van bewoners In deze buurten wordt op korte termijn geen warmtenet aangelegd en wordt het elektriciteitsnet niet verzwaard. Om bewoners toch een duurzaam perspectief te bieden, stimuleren we hen om bij vervanging van de cv
-ketel een hybride warmtepomp te plaatsen
en op natuurlijke momenten isolatiemaatregelen te nemen. Door de levensduur van cv
-
ketels van ruim 15 jaar kan er op deze manier al in 2035 significant aardgas bespaard worden. Het gasnet blijft intact, waardoor bewoners de keuze behouden om op klimaatneutraalgas te blijven koken als ze dat willen. Maatwerk utiliteit en industrie In buurten waar een groot deel van de woningequivalenten uit utiliteit of industrie bestaat, is het doorgaans lastig om op basis van nationale kosten een eenduidige oplossingsrichting te bepalen. De meest passende aanpak hangt namelijk sterk af van het typ
e bedrijvigheid of
industrie dat zich daar bevindt. Daarom hebben we deze buurten als ‘maatwerkbuurten’ gekenmerkt. Onze rol als gemeente Wij onderzoeken welke partijen in een bepaalde maatwerkbuurt gevestigd zijn en welke verduurzamingsplannen zij hebben. Soms ligt er al een verzwaard elektriciteitsnet
of
beschikken bedrijven over een warmteoverschot. De gemeente verkent hier eerst welke bedrijvigheid op het terrein plaatsvindt. Hierbij brengen we de vraag
-en aanbodbalans van
energie in kaart op de bedrijventerreinen. Rol van bewoners Maatwerkbuurten bestaan voor een groot deel uit utiliteit en industrie, maar kunnen ook woningen bevatten. Deze woningen worden meegenomen in het maatwerkplan. Bewoners worden tijdig geïnformeerd en betrokken bij de ontwikkeling van de maatwerkplannen vo
or
hun buurt.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
40
3.3.4
Fasering
In het Warmteprogramma geven we inzicht in de fasering van de buurtaanpak. In een aantal buurten is al duidelijk welke oplossing er komt. Hier is het wenselijk om snel aan de slag te gaan. In andere buurten is er nog meer onzekerheid. Dit kan komen omdat de isolat iegraad nog niet goed is, er geen duurzame warmtebronnen aanwezig zijn, of omdat de verschillende warmteoplossingen
qua nationale kosten weinig van elkaar verschillen
.
In het Warmteprogramma verdelen we de buurten in drie categorieën: •
Direct aan de slag (overstap vóór 2030):
we gaan in 9 buurten direct aan de slag. Wat
dit precies betekent, verschilt per buurt. In buurten waar een warmtenet wordt gezien als een aannemelijke oplossing
, voeren we verdiepende
haalbaarheidsstudies
uit en
intensiveren we de gesprekken met belanghebbenden zoals bewoners, woningcorporaties en Enexis. Naast de warmtenetbuurten zullen we in een aantal buurten aan de slag met buurten die overgaan op volledig elektrische warmtepompen. In deze buurten dien t het elek triciteitsnet verzwaard te worden. •
Starten met de voorbereiding (overstap tussen 2030 starten met de voorbereiding. In
-2035): we gaan in 50 buurten
6 buurten waar een warmtenet gezien wordt als een
mogelijke oplossing , starten we met verkennende onderzoeken. Denk hierbij aan een verkenning van beschikbare warmtebronnen, ruimtelijke inpassing van infrastructuur of een eerst e bewonerspeiling. Om te anticiperen op de
elektrificatie van een groot deel
van de buurten vragen we netbeheerder Enexis in kaart te brengen wat er nodig is om de overstap naar elektrische warmtepompen of een warmtenet in de jaren na 2030 te realiseren. Met de woningcorporaties worden afspraken gemaakt hoe de woningen te verduurzamen om aardgasvrij
-ready te worden. In de 21 buurten die zijn aangemerkt als
maatwerk , voeren we verkennende gesprekken met de aanwezige •
Voorlopig niet aan de beurt
(overstap na
utiliteit en industrie.
2035): in deze buurten is de overstap naar
een duurzame warmteoplossing op dit moment nog niet haalbaar of wenselijk vóór 2035. De redenen hiervoor kunnen verschillen: bijvoorbeeld omdat er nog geen geschikte alternatieve warmtebron of infrastructuur beschikbaar
is, omdat de technische
of financiële haalbaarheid onvoldoende is, of omdat we als gemeente besluiten om prioriteit te geven aan andere buurten omdat warmtecluster bevinden
3
de ze zich bijvoorbeeld in een
. Hoewel de overstap naar een duurzame warmteoplossing in
deze buurten pas na 2035 verwacht wordt, blijven we bewoners ondersteunen bij verduurzaming en stimuleren we waar mogelijk het nemen van tussenstappen.
3
Er zijn vier warmtenetbuurten die buiten de clusteraanpak vallen. Deze buurten krijgen daarom vanuit de gemeente voorlopig geen prioriteit. Bewonersgroepen kunnen echter w zelf het initiatief nemen om met een Warmte -Koudeopslag ( WKO ) aan de slag te gaan.
el
Warmteprogramma
41
Gemeente Venlo
Figuur 6. Fasering van buurten Warmteprogramma Venlo
3.4
ONDERBOUWING VAN DE KEUZES
In het voorgaand paragraaf zijn we ingegaan op de beoogde warmteoplossingen en de fasering voor de komende jaren. In deze paragraaf beschrijven we hoe we tot deze keuzes zijn gekomen. 3.4.1
Onderbouwing warmteoplossing
Eindoplossing 2050 We bepaalden de wenselijke eindoplossing per buurt op basis van de uitgangspunten (leidende principes) in hoofdstuk 2. We vinden het belangrijk dat een oplossing duurzaam en betaalbaar is, en dat deze aansluit bij de energievraag, het energieaanbod, de inf rastructuur en de stedelijke ontwikkeling. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een aantal afwegingen die we hebben vertaald in een beslisboom, zie
Figuur 7.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
42
Figuur 7. Beslisboom voor de eindoplossing per buurt
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
43
Deze beslisboom geeft stapsgewijs inzicht in hoe voor iedere buurt (waar nog geen buurtgerichte aanpak is gestart) een beoogde eindoplossing richting 2050 wordt bepaald. De beslisstructuur is opgebouwd uit een combinatie van data
-analyse uit de startanalys
e en
aanvullend eigen onderzoek. Het doel is om per buurt een passende en haalbare warmteoplossing te selecteren, rekening houdend met kosten, infrastructuur, schaalgrootte en energie -infrastructuur. De beslisboom werkt als volgt:
1. Veel specifieke utiliteit of industrie aanwezig? Indien een buurt bestaat uit veel specifieke utiliteit of industrie, is een maatwerkoplossing nodig. Zo niet, dan volgt de volgende stap. 2. Wordt het elektriciteitsnet vóór 2028 uitgebreid? Indien het net tijdig wordt verzwaard,
zien we een elektrische oplossing zoals een
warmtepomp als een geschikte oplossing
. Als het antwoord nee is, wordt onderzocht welke
oplossing de laagste nationale kosten heeft. 3. Welke oplossingsrichting heeft de laagste nationale kosten? Op basis van kostenvergelijking wordt gekozen tussen een warmtenet, een elektrische warmtepomp, of het uitstellen van de keuze tot na 2035. Als de kosten voor een elektrische warmtepomp en warmtenet dicht bij elkaar zitten, kijken we naar de schaalgrootte van een potentieel warmtenet. 4. Heeft het warmtenet voldoende schaalgrootte? Indien het warmtenet economisch en technisch opschaalbaar is, wordt dit de voorkeursoplossing. Als dit niet het geval is, volgt nog een aanvullende stap. rekening gehouden met nieuwbouwplannen
Er wordt hierbij
.
5. Bevindt de buurt zich in een (potentieel) warmtecluster? Indien ja, dan blijft een warmtenet mogelijk en wordt dit verder onderzocht. Zo niet, dan is een individuele oplossing
Warmteprogramma
zoals een elektrische warmtepomp waarschijnlijker.
Gemeente Venlo
44
De uitkomsten van deze beslisboom leiden tot verschillende oplossingsrichtingen per buurt, zoals weergegeven in de legenda: •
Warmtenet (paars)
•
Elektrische warmtepomp (lichtblauw)
•
Maatwerk (grijs)
•
Keuze na 2035 ( lichtroze )
Meer over de onderliggende aannames en kentallen Oplossingsrichting
is te vinden in bijlage I.
20 35
De kaarten in paragraaf 3.3 laten zien dat voor een flink aantal buurten de oplossingsrichting voor 2035 afwijkt van de oplossingsrichting voor 2050. In deze buurten kiezen we voor een hybride tussenoplossing, zoals een hybride warmtepomp (zie Figuur 9). D eze maatregel draagt bij aan korte
-termijn CO₂ -reductie, zonder de keuzes op langere
termijn te belemmeren. Bovendien maakt een hybride tussenoplossing een stapsgewijze overstap naar aardgasvrij mogelijk, waardoor bewoners, woningcorporaties en bedrijven hun investeringen kunnen afstemmen op natuurlijke vervangingsmomenten van installaties en apparatuur, en zo kosten en financiële lasten beter kunnen spreiden.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
45
Figuur 8. Beslisboom voor de oplossingsrichting voor 2035 per buurt
Voor de buurten waar een warmtenet duidelijk de goedkoopste optie is (we spreken hier van een ‘robuuste keuze’) willen we de mogelijkheid voor een warmtenet gaan verkennen. Voor de buurten waar een warmtenet duidelijk de goedkoopste optie is, markeren we d
eze buurt
zowel op de 2050 als 2035 kaart als warmtenetbuurt. De exacte fasering van de uitwerking van de aanpak in deze buurten onderbouwen we de volgende paragraaf.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
46
3.4.2
Onderbouwing fasering
Om te bepalen in welke buurten we direct aan de slag gaan en welke buurten later aan de beurt zijn, hebben we een fasering gemaakt. Het is voor ons als gemeente essentieel om hier een goede afweging te maken. De fasering hangt af van een aantal zaken, waar
onder de
beoogde eind - en tussenoplossing, maar ook ontwikkelingen rondom het elektriciteitsnet en nieuwbouw spelen mee.
Figuur 9. Beslisboom voor de fasering van de buurtaanpak
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
47
InError! Reference source not found.
staat schematisch weergegeven hoe we tot de
fasering zijn gekomen. Deze beslisboom geeft stapsgewijs inzicht in hoe we tot een fasering zijn gekomen. De beslisboom werkt als volgt: Wordt het elektriciteitsnet vóór 2028 uitgebreid? 1. Indien dit het geval is, gaan we direct aan de slag. Dit betekent dat we actief aan de slag gaan met het versnellen van de uitrol van elektrische warmtepompen. Als dit niet het geval is, volgt stap 2. Beoogde eindoplossing 2050? 2. Als de eindoplossing een maatwerkaanpak of elektrische warmtepomp is, kiezen we ervoor om te starten met de voorbereiding. Als de keuze voor een eindoplossing na 2035 moet worden gemaakt, betekent dit dat deze buurt later aan de beurt is. Is de beoogde ein doplossing een warmtenet, dan volgt stap 3. Rol van buurt in clusteraanpak? 3. In deze laatste stap kijken we naar verschillende aspecten om te bepalen wanneer deze warmtenetbuurt aan de beurt is. Denk hierbij aan de geografische ligging van de buurt, de warmtedichtheid en het aantal weq’en, waarbij we rekening houden met nieuwbouwpl annen. Meer over de gebruikte methode is te vinden in bijlage I.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
48
4
AANPAK GEMEENTE VENLO WARMTETRANSITIE
We hanteren een aanpak langs twee sporen voor de warmtetransitie. Enerzijds stimuleren we individuele bewoners en bedrijven om te verduurzamen via een Anderzijds werken we aan een
buurtgericht spoor
gemeentebreed spoor.
, waarbij hele buurten in samenhang
worden aangepakt en toekomstklaar worden gemaakt voor duurzame warmte. De twee sporen versterken elkaar. Zo worden warmtepompen gestimuleerd terwijl tegelijkertijd het elektriciteitsnet wordt verzwaard, en worden woningen en gebouwen geïsoleerd in combinatie met de aanleg van een warmtenet. De samenhang en de bijbehorende ins trumenten van beide sporen zijn weergegeven in Figuur 11.
Figuur 10 . Aanpak warmtetransitie gemeente Venlo
In Figuur 5. Tussenoplossing warmtetransitie Venlo 2035
is voor elke buurt weergegeven wat
de oplossingsrichting is die de komende tien jaar wordt ingezet. Om deze oplossingsrichtingen te realiseren, zullen we inzetten op zowel een gemeentebrede aanpak als een buurtaanpak.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
49
4.1
GEMEENTEBREDE AANPAK
De gemeentebrede aanpak bestaat uit een samenhangende set van generieke instrumenten die voor de gehele gemeente Venlo gelden. Een deel van deze beleidsinstrumenten is al eerder ingezet en wordt, vanwege de behaalde en gewenste resultaten, voortgezet en ve rder versterkt. Ervaringen van de afgelopen jaren laten zien dat er extra inzet nodig is om bewoners te bereiken die over beperkte financiële middelen beschikken, minder toegang hebben tot informatie of een laag duurzaamheidsbewustzijn hebben. Naast de in
deze paragraaf beschreven maatregelen wordt daarom ook ingezet op
gemeentebrede communicatie gericht op gedragsverandering en bewustwording rondom energiebesparing en het verlagen van de energierekening.
1
Subsidie warmtepompen We ondersteunen bewoners met een gemeentelijke subsidieregeling voor de overstap naar een warmtepomp, zowel volledig elektrisch als hybride. Deze regeling is aanvullend op de landelijke Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)
. Naast de gemeentelijke subsidie zijn er ook gunstige
leningen beschikbaar om woningeigenaren te helpen bij het verduurzamen van hun woning, onder andere via het Nationaal Warmtefonds.
2
Stimulering isolatie De integrale isolatieaanpak, die oorspronkelijk is gestart onder de subsidieregeling aanpak energiearmoede, wordt in 2024 uitgebreid naar een regionale aanpak binnen de RES
-regio. Via deze Meerjarige Collectieve
Ontzorgingsaanpak (MCO) ondersteunen we bewo
ners van advies tot uitvoering,
waarbij gebruik wordt gemaakt van middelen uit het Nationaal Isolatieprogramma.
3
Monumentenaanpak We merken dat het verduurzamen van monumenten binnen onze gemeente extra complex is, onder andere vanwege de noodzaak om de monumentale waarden te behouden. Op nationaal niveau zijn de voorwaarden van de ISDE voor monumenteigenaren versoepeld en z
ijn er specifieke leningen beschikbaar.
Toch blijkt dit niet altijd voldoende. Daarom bieden w
e, naast de landelijke
subsidies, ook een gemeentelijke subsidie ter ondersteuning
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
-regeling
.
50
4.2
BUURTAANPAK
Naast de generieke gemeentebrede aanpak starten we in een aantal buurten met een buurtaanpak. De invulling hiervan hangt af van de specifieke oplossing die voor de buurt is gekozen. We maken hierbij onderscheid tussen buurten binnen een warmtenetcluster, volledig elektrische buurten en maatwerkbuurten. 4.2.1
Warmteclusters
Binnen het Warmteprogramma hanteren we een
cluster gerichte aanpak. Hierbij worden
buurten met vergelijkbare kenmerken of potentie voor collectieve warmteoplossingen gebundeld. Deze clustering maakt het mogelijk om efficiënter onderzoek te doen, infrastructuur slim te koppelen en de uitvoering stapsgewijs
op te bouwen. Door buurten in
samenhang te benaderen ontstaan schaalvoordelen en koppelkansen die bijdragen aan een betaalbare en haalbare warmtetransitie. Voor het programma is een logische tweedeling aangebracht: •
Uitvoeringsclusters – buurten waar al concrete planvorming plaatsvindt.
•
Verkenningsclusters – buurten die zich nog in een verkennende fase bevinden.
Deze indeling maakt het mogelijk om gerichte stappen te zetten en maatwerk te leveren
.
Uitvoeringsclusters In Venlo -Zuid, waar al voortgang is, zijn buurten zoals Hagerhof
-Oost, Hagerhof -West,
Krekelveld en Sinselveld benoemd als uitvoeringsclusters. Hier wordt al gewerkt aan collectieve warmteoplossingen, met actieve betrokkenheid van woningcorporaties en warm tebedrijven. Bestuurlijke besluiten zijn genomen en bewoners worden betrokken via participatietrajecten. De inzet in deze clusters richt zich op: •
het faciliteren van de uitvoering
•
het ondersteunen van samenwerkingspartners
•
het versnellen van de realisatie van een collectief warmtenet.
Verkenningsclusters Voor andere wijken zonder concrete plannen werken we met verkenningsclusters, geselecteerd op basis van ruimtelijke, technische en lokale inzichten uit de startanalyse. In deze clusters onderzoeken we stapsgewijs of collectieve warmteoplossingen kansrijk e
n
haalbaar zijn. Een belangrijk uitgangspunt is dat sommige buurten afzonderlijk misschien minder geschikt lijken, bijvoorbeeld door lage dichtheid of een beperkte warmtevraag, maar in samenhang met omliggende buurten juist perspectief bieden. Deze koppelk
ansen worden
expliciet meegenomen bij de clustervorming.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
51
Gefaseerde aanpak binnen clusters In alle clusters (uitvoering én verkenning) wordt een gefaseerde aanpak gevolgd: •
Start met één of twee buurten waarin verdiepende haalbaarheidsstudies worden uitgevoerd.
•
Bij positieve resultaten volgt de realisatie van een warmtenet.
•
De opgedane kennis wordt gebruikt om de aanpak uit te breiden naar omliggende kansrijke buurten.
Het is niet vanzelfsprekend dat alle buurten binnen een cluster uiteindelijk op één warmtenet worden aangesloten. Soms is het financieel en technisch verstandiger om netwerken los te koppelen. Wel kunnen meerdere lagetemperatuurbronnen op één groter warmte
net worden
aangesloten, wat bijdraagt aan de toekomstbestendigheid van het systeem. In uitvoeringsclusters worden de komende jaren daadwerkelijk projecten gerealiseerd. Voor verkenningsclusters vindt richting 2030
-2035 vervolgonderzoek plaats om te bepalen of, en
onder welke voorwaarden, collectieve warmtenetten mogelijk en wenselijk zijn
.
In bijlage III worden de volgende clusters nader behandeld: •
Hagerhof
•
Venlo Noord
•
Tegelen
•
Blerick
•
Kazernekwartier
4.2.2
Buurtaanpak elektrificatie (volledig elektrische warmtepompen)
In veel buurten is een volledige elektrische warmtepomp voorzien. Dit zijn met name buurten met een gespreide warmtevraag en nieuwere woningen. Een volledig elektrische warmtepomp kan een groot beslag leggen op het net, daarom is het juist in deze buurten belangrijk om samen te werken met de netbeheerder. De gemeente zet in deze buurten in op een aantal acties. •
Afspraken met woningcorporaties
. In buurten met veel huurwoningen worden
afspraken gemaakt met corporaties. Zij kunnen grootschalig warmtepompen plaatsen in hun woningen, waardoor veel huurders tegelijk kunnen overstappen. •
Mogelijk verwijderen van het gasnet op termijn.
De gemeente heeft de bevoegdheid
om het gasnet uiteindelijk te verwijderen. Hierdoor wordt het gebruik van cv
-ketels
onmogelijk en stappen bewoners volledig over op elektriciteit.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
52
•
Samenwerking met de netbeheerder Enexis.
Voordat een buurt volledig kan
overstappen op elektrische warmtepompen, moet het elektriciteitsnet worden versterkt. Hiervoor werken we samen met netbeheerder Enexis om te zorgen dat het net de hogere belasting aankan. Dit is essentieel om storingen te vo
orkomen en een betrouwbare,
duurzame warmtetransitie mogelijk te maken. Tegelijkertijd moet worden onderkend dat de gemeente hierin slechts beperkt kan sturen: het daadwerkelijke besluit om over te stappen op een (hy bride) warmtepomp ligt uiteindelijk bij individuele woningeigenaren en gebouweigenaren. Zij maken keuzes op basis van eigen omstandigheden, financiële mogelijkheden en planning. Dit betekent dat de netcapaciteit ook proactief moet worden voorbereid op een
scenario waarin de overstap naar elektrische oplossingen zich
versneld of gefragmenteerd voltrekt. Gemeentelijke samenwerking met Enexis is daarom niet alleen gericht op geplande collectieve wijkaanpakken, maar ook op het tijdig signaleren van knelpunten e •
n anticiperen op particuliere investeringen.
Eventuele koppeling met elektrificatie mobiliteit.
In deze buurten wordt het net
verzwaard, maar zal ook de elektriciteitsvraag hoog zijn. Hier is het van belang een slimme koppeling te maken met bijvoorbeeld netbewust laden of mobiliteitshubs. 4.2.3
Maatwerkaanpak utiliteit en industrie
In buurten waar utiliteitsbouw of industrie leidend is, zoals bedrijventerreinen en gemengde werkgebieden, hanteren we een maatwerkaanpak voor de verduurzaming van de warmtevraag. Door de grote variatie in aard en functie van deze locaties is een maatwerkb enadering noodzakelijk. Deze benadering maakt het mogelijk om per locatie te kijken naar passende warmteoplossingen, zoals collectieve warmtenetten, restwarmtebenutting of individuele systemen. Om tot effectieve maatregelen te komen, is het essentieel om eerst een beeld te krijgen van •
de aard en omvang van de energievraag
•
de belangrijkste partijen in het gebied
•
de typologieën van bedrijventerreinen en utilitaire functies.
Hoewel deze aanpak
geen direct onderdeel uitmaakt van het Warmteprogramma, wordt
deze analyse breder opgepakt, samen met de clusters Economie en Planologie. De energietransitie van bedrijventerreinen vraagt immers om een integrale benadering, waarbij ruimtelijke, economische en energet
ische doelstellingen elkaar aanvullen. Een belangrijk
onderdeel van deze aanpak is het vroegtijdige gesprek met grotere partijen in het gebied. Door inzicht te krijgen in hun eigen verduurzamingsplannen, kunnen deze ambities w
orden
verbonden aan gemeentelijke doelstellingen en gebiedsopgaven. Dit verhoogt de kans op gezamenlijke investeringen, verkort de doorlooptijd en versterkt de samenwerkingsbasis.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
53
Daarnaast zoeken we actief naar koppelkansen tussen bedrijven, bijvoorbeeld door restwarmte of andere energiestromen lokaal uit te wisselen. Dit bevordert niet alleen een efficiënter gebruik van energie, maar versterkt ook het economisch netwerk en de duur zaamheid van bedrijventerreinen als geheel. In bijlage II lichten we toe hoe economische ontwikkelingen samenhangen met de energie
- en warmtetransitie.
Typologieën bedrijventerreinen Er zijn drie typologieën bedrijventerreinen die meer voorkomen in Venlo, namelijk: glastuinbouw, logistiek /distributie , en kantoorpanden. Buurt met glastuinbouw Glastuinbouwbuurten kenmerken zich door een zeer hoge en continu aanwezige warmtevraag, vooral in de winter en de vroege ochtend. Traditioneel wordt deze vraag ingevuld met warmtekrachtkoppelingen en aardgasgestookte ketels, al wordt geothermie in sommige regio’s steeds belangrijker. De warmtevraag is relatief laag van temperatuur (< 80°C), waardoor
laagtemperatuur -warmtenetten (60 –70°C) kansrijk zijn. Tegelijk neemt de
elektriciteitsvraag toe door de inzet van belichting en klimaatinstallaties. De vaak gec oncentreerde ligging van kassen biedt perspectief voor collectieve systemen, zoals geothermieclusters, grootschalige warmtenetten of benutting van restwarmte uit industrie of datacenters. Ook seizoensopslag van warmte kan bijdragen aan een stabielere voorz iening. Een randvoorwaarde is dat continuïteit van warmte cruciaal is voor de teelt: onderbrekingen leiden direct tot oogstschade. Lage CO₂
-prijzen en onzekerheden in
warmtelevering remmen investeringen, waardoor beleidszekerheid en samenwerking tussen ond ernemers en overheden noodzakelijk zijn. Maatwerk ligt hier in het versterken van geothermie en collectieve warmteoplossingen, met aanvullende elektrificatie via warmtepompen waar mogelijk. De glastuinbouwsector ontwikkelt in samenwerking met de gemeente e en toekomstperspectief voor de sector
4
.
Buurt met logistiek/distributie Logistieke buurten bestaan vaak uit grote distributiehallen met een relatief beperkte warmtevraag, meestal alleen voor kantoorruimtes en lichte verwarming van hallen. De daken zijn vaak uitermate geschikt voor grootschalige zonnepanelen. Het potentieel wor
dt
echter afgeremd door terugleverproblemen en netcongestie. Collectieve warmtenetten zijn hier nauwelijks rendabel, vanwege de versnipperde en lage warmtevraag; individuele of clustergewijze inzet van laagtemperatuur
4
-warmte pompen is voldoende.
Gemeente Venlo (2025). Omgevingsvisie Venlo 2040.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
54
De belangrijkste verduurzamingskansen liggen in een all
-electric -aanpak: PV gecombineerd
met batterijopslag, slimme laadinfrastructuur en energiemanagementsystemen (EMS’en). Voorwaarde is dat netbeheerders, gemeenten en bedrijven gezamenlijk investeren in netverzwaring en energiehubs om elektrificatie mogelijk te maken. Maatwerk in deze buurten vraagt dus niet om warmtecollectieven, maar om gecoördineerde elektrificatie van gebouwen én logistieke processen. Buurt met kantoren Kantoorbuurten kenmerken zich door een relatief hoge maar goed voorspelbare energievraag, met een piek in elektriciteitsverbruik voor koeling, verlichting en ICT, en een warmtevraag die vooral in de winter speelt. Door de vaak compacte bebouwing en hoge dichtheid zijn deze buurten kansrijk voor collectieve oplossingen, zoals warmtenetten of gedeelde bodemenergiesystemen (warmte
-koudeopslag oftewel WKO’s). Veel kantoren zijn
al aangesloten op centrale installaties of beschikken over mechan
ische ventilatie en koeling,
wat de overstap naar hybride of volledig elektrische oplossingen vergemakkelijkt. De verduurzamingsopgave richt zich op drie sporen: elektrificatie van warmte via (all warmtepompen, verduurzaming van de elektriciteits
-)electric
vraag via PV op daken en benutting van
restwarmte en -koude. Randvoorwaarden zijn de beschikbaarheid van netcapaciteit en de mate van samenwerking tussen vastgoedeigenaren, die vaak versnipperd zijn. Kantoorbuurten lenen zich goed voor gebiedsgerichte aanp
akken, waarbij collectieve
energie -infrastructuur (zoals LT -warmtenetten of koude -warmteopslag) gecombineerd wordt met strengere normen voor gebouwen. Maatwerk ligt hier in het creëren van schaalvoordelen en het koppelen van verduurzaming aan grootschalige
renovaties.
Bottom -up initiatieven In Venlo zien we steeds meer energie
-initiatieven van onderop ontstaan, zogenaamde
bottom -up initiatieven. Bewoners, energiecoöperaties, verenigingen van eigenaars, scholen, sportclubs, ondernemers en ontwikkelaars zoeken elkaar op om warmte slim te delen.
We
staan er als gemeente voor open om hierin mee te denken en faciliteren dit actief via onze adviseur duurzaamheidsinitiatieven, die partijen adviseert en ondersteunt bij de uitvoering van hun plannen. Daarnaast is er een lokale subsidieregeling beschikb
aar voor duurzame
initiatieven van inwoners, waaronder projecten die zich richten op de warmtetransitie. We willen ruimte bieden zodat partijen en bewoners hun warmte organiseren, binnen heldere spelregels en met oog voor publieke
-uitwisseling zelf kunnen waarden. Tegelijkertijd
moeten we zorgvuldig onderzoeken hoe we deze initiatieven het beste kunnen faciliteren en koppelen aan bredere duurzaamheid
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
sbeleid.
55
5
MONITORING EN EVALUATIE
5.1
MONITORING
We hebben als gemeente een aantal tussendoelstellingen opgesteld. Deze zijn opgenomen in Bijlage IV. Door deze doelstellingen systematisch te monitoren, krijgen we inzicht in de voortgang van de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. Monitoring
maakt
zichtbaar waar we op koers liggen en waar vertraging of knelpunten ontstaan. Op basis van deze inzichten kunnen we tijdig bijsturen: door beleid aan te passen, extra inzet te plegen of samenwerkingen te intensiveren. Zo zorgen we ervoor dat we flexi
bel en doelgericht blijven
werken aan onze langetermijndoelstelling voor 2050. 5.1.1
Periodieke evaluatie en herijking
De resultaten van de monitoring bespreken we jaarlijks met het ambtelijke projectteam. Daarbij betrekken we ook actief onze partners. Op basis van deze gesprekken stellen we een monitoringsrapport op met een heldere analyse van de bevindingen. In aanloop n
aar het
volgende Warmteprogramma in 2031 geven we in dit rapport ook een overzicht van de voortgang in de gebieden waar we mogelijk de aanwijsbevoegdheid willen inzetten. gemeenteraad zal jaarlijks actief worden geïnformeerd met een raadsinformatieb
Ook de rief over
de voortgang van de warmtetransitie. Wanneer de evaluaties daartoe aanleiding geven, zullen we bijsturen. Dit kunnen we doen op verschillende niveaus: •
Inhoudelijk : bijvoorbeeld door een andere warmteoplossing te kiezen als blijkt dat de oorspronkelijke techniek niet haalbaar of betaalbaar is.
•
Tijdsplanning : door de fasering aan te passen, bijvoorbeeld als netcongestie vertraging veroorzaakt of als er kansen zijn om juist te versnellen.
•
Gebiedsgericht
: door prioriteiten te herzien, bijvoorbeeld als de uitvoerbaarheid in een
bepaalde buurt sneller of juist trager blijkt dan verwacht. •
Samenwerking en communicatie
: door de aanpak met bewoners of partners aan te
passen als het draagvlak onder druk staat.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
56
6
BIJLAGE I: TOELICHTING OP GEBRUIKTE METHODOLOGIEËN
Om tot een warmteoplossing per buurt te komen, maken we gebruik van de PBL startanalyse, aangevuld met eigen analyses. De beslisboom in 3.4.1 (
Figuur 7) geeft stapsgewijs inzicht hoe voor iedere buurt een beoogde eindoplossing is bepaald. De PBL startanalyse dient hiervoor als belangrijke bouwsteen. In
Tabel 1 voorzien
we de stappen in de beslisboom van een nadere toelichting. Tabel 1. Nadere toelichting beslisboom Figuur 7.
Vraag
Toelichting en verdieping
1 Veel specifieke utiliteit
•
Wij beschouwen specifieke utiliteit als utiliteit waarbij de warmtevraag een significant ander profiel vertoont dan dat
of industrie aanwezig?
van een gemiddeld huishouden. •
De PBL startanalyse maakt onderscheid in verschillende gebouwtypen. In onze analyse beschouwen we de volgende gebouwtypen als specifieke utiliteit: Logies, Winkel, Sport, Overig.
•
We spreken van veel specifieke utiliteit of industrie als ≥ 45% van de WEQ in de buurt specifieke utiliteit en industrie betreft.
2 Wordt het elektriciteitsnet vóór 2028 uitgebreid?
•
3 Welke oplossingsrichting heeft de laagste nationale kosten?
•
We maken voor deze analyse gebruik van data van netbeheerder Enexis. Aan de hand van de PBL -startanalyse berekenen we wat de nationale meerkosten zijn van overstappen naar een warmteoplossing, ten opzichte van de aardgas referentie.
•
De nationale meerkosten zijn de kosten die Nederland als geheel extra kwijt zou zijn aan het aanleggen van infrastructuur, investeringen in huizen, aanleggen van warmtebronnen en opwekken en transporteren van energie.
•
We nemen hierbij aan dat de beschikbaarheid van klimaatneutraalgas 75% ten opzichte van de startanalyse.
•
Als de oplossingsrichting 20% goedkoper is dan het alternatief is de oplossing
robuust en daarmee de beoogde
eindoplossing.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
57
4 Heeft het warmtenet voldoende schaalgrootte?
•
We maken een inschatting van de schaalgrootte door naar zowel de relatieve schaalgrootte (de dekkingsgraad) als de absolute schaalgrootte (het aantal WEQ) te kijken.
•
Bij LT-netten spreken van voldoende schaalgrootte als geldt dat dekkingsgraad (%) x WEQ ≥ 300, of dat er aanzienlijke nieuwbouwplannen zijn.
•
Bij MT-netten spreken we van voldoende schaalgrootte als geldt dat het aantal WEQ ≥ 300.
5 Bevindt de buurt zich in een (potentieel) warmtecluster?
•
We hebben op dit moment binnen onze gemeente vijf warmteclusters aangewezen. Dit zijn de clusters rondom de buurten Hagerhof -Oost, Craneveld/Binnenstad Noord, Tegelen, Molenbossen en Kazernekwartier.
•
Een buurt behoort tot een (potentieel)
warmtecluster als zij
geografisch in de nabijheid van een van de hierboven genoemde buurten ligt.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
58
Error! Reference source not found.
Warmteprogramma
) geeft stapsgewijs inzicht in hoe
Gemeente Venlo
de fasering van de buurten tot stand is gekomen
. In
59
Tabel 2 voorzien we de stappen
Warmteprogramma
in de beslisboom van een nadere toelichting.
Gemeente Venlo
60
Tabel 2. Nadere toelichting beslisboom Vraag
Verdieping
1 Uitbreiding
We maken voor deze analyse gebruik van data van netbeheerder
elektriciteitsnet vóór
Enexis.
2028? N.v.t.
2 Beoogde eindoplossing 2050? 3 Rol van buurt in
We hebben aan de hand van ligging, warmtedichtheid en WEQ
clusteraanpak?
(rekening houdend met nieuwbouwplannen) bepaald welke buurten logische startbuurten en uitbreidingsbuurten zijn. •
In het geval dat alternatieven beduidend duurder zijn (en de oplossing dus robuust is) zal een buurt worden aangewezen als startbuurt dan wel uitbreidingsbuurt.
•
We kiezen ervoor om maximaal in 4 buurten per cluster tegelijk als startbuurt aan te wijzen.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
61
7
BIJLAGE II:
SCHAALSPRONG
Richting 2040 werken we in Venlo aan een schaalsprong: meer mensen, meer woningen, meer bedrijvigheid. Deze schaalsprong raakt meerdere thema’s, zoals economie, woningbouw, mobiliteit en leefomgeving. De energie
- en warmtetransitie is hierin geen
losstaand onderwerp, maar verweven met de ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkeling van Venlo. Het is daarmee een randvoorwaarde in de
schaalsprong.
De energie - en warmtetransitie beïnvloedt hoe we de beschikbare ruimte inrichten, hoe gebouwen worden ontworpen en hoe mobiliteit wordt georganiseerd. Tegelijkertijd hebben keuzes binnen de thema’s economie, woningbouw, mobiliteit en leefomgeving directe g evolgen voor de haalbaarheid, schaalbaarheid en snelheid van de energie
- en
warmtetransitie. Denk bijvoorbeeld aan de impact van woningbouw op de warmtevraag, de rol van bedrijventerreinen in energieopwekking, of de druk die elektrificatie van mobiliteit legt op het elektriciteitsnet. Juist in deze wederzijdse beïnvloeding liggen belangrijke koppelkansen. In deze bijlage beschrijven we de ontwikkelingen binnen de genoemde thema’s, evenals de raakvlakken en koppelkansen met de energie
- en warmtetransitie. De ze
koppelkansen worden ook meegenomen in het Warmteprogramma.
Figuur 11 . Samenvang van de thema’s in relatie tot ruimtelijke inpassing
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
62
7.1
ECONOMIE
Richting 2040 kiezen we voor een duurzame, toekomstbestendige economie, met een koerswijziging van volume naar waarde. We beperken de groei van grootschalige distributiecentra en richten ons zich op kennisintensieve bedrijvigheid, innovatie en brede welvaa rt. Zo ontwikkelen we ons tot innovatieve kennisstad, met de Brightlands Campus als motor en nauwe samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Voor het lokale en regionale MKB maken we circa 40 hectare aan nieuwe werklocaties beschikbaar. Daarnaast zetten we sterk in op het herinrichten en verduurzamen van bestaande bedrijventerreinen. Hierbij speelt de energietransitie een sleutelrol: de overstap naar duurzame energievoorzieningen, het oplossen van netcongestie en het creëren van collectie ve energieoplossingen vormen kansen om terreinen toekomstbestendig te maken. MKB -bedrijven en bedrijven in de circulaire economie krijgen daarbij meer ruimte, terwijl investeringen in energiezuinige gebouwen, slimme infrastructuur en gezamenlijke energiehu bs bijdragen aan zowel de klimaatdoelen als een aantrekkelijker vestigingsklimaat. Als gemeente vervullen we een sleutelrol in de regio met grote werkgebieden zoals de Tradeports, industriehaven, railterminal, Fresh Park Venlo en de Brightlands Campus, naast kleinere terreinen als Spikweien en Noorderpoort. De economie in Venlo steunt op
sectoren
als agrofood, maakindustrie, logistiek, zorg en vrijetijdseconomie. In het buitengebied maakt de landbouw de omslag naar kringlooplandbouw en verduurzaming van glastuinbouw. Lokale ondernemers krijgen passende ontwikkelruimte, met behoud van leef landschap. In de glastuinbouwgebieden ‘t Ven
baarheid en
-Noord en Meelderbroek bieden we ruimte
door middel van herordening en/of herverkaveling binnen de huidige contouren, ter versterking en intensivering van deze gebieden.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
63
Figuur 12 . Werklocaties
De transitie naar een duurzame, circulaire en kennisintensieve economie in Venlo biedt volop koppelkansen met de warmtetransitie, vooral op en rond bedrijven
- en industrieterreinen
(werklocaties, zie Figuur 12 ). Op het thema economie zien wij de volgende koppelkansen met de energie
- en
warmtetransitie: •
•
Herinrichting van bestaande werklocaties
biedt kansen om:
−
Ruimte te creëren voor innovatie en verduurzaming;
−
Energiedragers strategisch te kiezen;
−
Energie -infrastructuur ruimtelijk goed in te passen;
−
Energie en warmte uit te wisselen tussen bedrijven;
−
Netcapaciteit beschikbaar te maken en optimaal te benutten.
Ontwikkeling van nieuwe werklocaties
maakt het mogelijk om:
−
Duurzame bedrijvigheid gericht aan te trekken;
−
Energiedragers vanaf de planfase goed af te stemmen op toekomstige behoeften;
−
Energie -infrastructuur integraal mee te nemen in het ontwerp van de locatie;
−
Slimme koppelingen te maken voor energie
−
Voldoende netcapaciteit tijdig te reserveren;
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
- en warmte -uitwisseling;
64
− •
Ruimte te bieden aan vernieuwende energieconcepten.
Toekomstperspectief glastuinbouw
biedt aanvullende koppelkansen door:
−
Energie - en warmte -uitwisseling binnen en tussen bedrijven mogelijk te maken;
−
Duurzame energie te integreren in productieprocessen.
7.2
WONINGBOUW
We willen als gemeente richting 2040 doorgroeien naar 125.000 inwoners. Deze schaalsprong vraagt om een forse groei van het aantal woningen, die versneld en in samenhang wordt gerealiseerd. Het doel is om vóór 2040 10.000 extra woningen binnen bestaand ste delijk gebied te realiseren. Het gaat hier om het centraal stedelijk gebied (Figuur 13 ), transformatiegebieden (
- Figuur 14 ) en stedelijke woongebieden (
- Figuur 15 ).
Ook in de dorpen wordt gebouwd, op een manier die aansluit bij de eigen identiteit en schaal van onze dorpen. In het centraal stedelijk gebied zien we kansen om verouderde werklocaties te transformeren tot hoogwaardige woon
-werkmilieus, onder meer in het Middengebied (waarvan het
Veilingterrein deel uitmaakt), Venlo stationsgebied van Tegelen (
-Noord, Vastenavondkamp, de Keulse Barrière en he
t
- Figuur 14 ). Ook in delen van het bedrijventerrein Ubroek en
een gedeelte van Venlo Trade Port liggen kansen voor transformatie tot woon
-werkmilieus.
De belangrijkste locaties voor nieuwbouw zijn het Kazerneterrein, het Veilingterrein en Venlo Noord.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
65
Figuur 13 . Hart centraal stedelijk gebied
- Figuur 14 . Transformatiegebieden
- Figuur 15 . Stedelijke woongebieden
We zien dat woningcorporaties zich steeds sterker richten op verduurzaming, circulair bouwen, klimaatadaptatie en de energietransitie. Voor woningcorporaties is het belangrijk dat de verduurzamingsopgave zowel financieel als praktisch haalbaar is. Vroegtij
dig
onderhoud, zoals het vervangen van daken voordat deze zijn afgeschreven, kan kosteneffectieve verduurzaming belemmeren. Daarnaast is het in sommige gevallen financieel gunstiger om stapsgewijs te verduurzamen en investeringen over tijd te spreiden. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van hybride tussenoplossingen. Bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving is het ook bela
ngrijk
dat er draagvlak onder huurders wordt gecreëerd. Naast het bieden van een financieel aantrekkelijk alternatief draagt ook het beperken van overlast bij aan het creëren van draagvlak. Daarom is het belangrijk dat onderhouds
- en verduurzamingsplannen
op elkaar
worden afgestemd. De binnenstedelijke verdichting waar we als gemeente op inzetten, dwingt ook tot het maken van slimme, integrale keuzes in tijd, schaal en systeeminrichting. De publicatie "Netbewust en netneutraal bouwen" van Netbeheer Nederland beschrijft een reeks prakt isch en technische ontwerpprincipes die bedoeld zijn om woningbouwprojecten beter af te stemmen op de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
66
De ontwerpprincipes voor netbewust bouwen Netbewust bouwen gaat uit van de volgende principes: •
Gebiedsaanpak. Zorg voor een goede mix van stadsfuncties. Neem het (geplande) energiesysteem expliciet mee in de te maken keuzes
•
Warmte. Kies voor collectieve of duurzame warmteoplossingen (zoals warmtenetten of bodemwarmtepompen) in plaats van individuele elektrische verwarming, om piekbelasting te verminderen.
•
Elektrisch laden. Richt laadinfrastructuur slim in, bijvoorbeeld met load balancing of laadtijden buiten piekuren, om netcongestie te voorkomen.
•
Duurzame lokale opwek. Stimuleer lokale opwekking van duurzame energie (zoals zonnepanelen), maar zorg ook voor slimme sturing en opslag om terugleverpieken te beperken.
•
Koude. Gebruik passieve koeling of collectieve koudevoorzieningen in plaats van individuele airco’s, die veel elektriciteit vragen tijdens warme periodes.
•
Opslag. Integreer energieopslag (zoals batterijen) om vraag en aanbod lokaal beter op elkaar af te stemmen.
•
Slimme sturing. Pas slimme technologieën toe om energieverbruik te sturen, bijvoorbeeld door apparaten automatisch aan te zetten wanneer er veel aanbod is van duurzame energie.
De ontwerpprincipes voor netbewust bouwen vormen voor ons het fundament voor een duurzame en uitvoerbare energietoekomst van de stad. Ze helpen gemeenten, ontwikkelaars en netbeheerders om woningbouw niet als bedreiging van het energiesysteem te zien, maar
als kans om het slimmer, robuuster en collectiever in te richten.
Door al in de planfase samen te werken met initiatief nemers en duidelijke kaders te stellen aan nieuwbouw en bedrijventerreinen, kunnen slimme keuzes worden gemaakt die netbelasting beperk en en vertragingen voorkomen. Gemeente Utrecht is hier een goed voorbeeld van waar de ontwerpprincipes al worden geïmplementeerd. Dit is gedaan met een bepaalde experimenteerstatus, omdat dit nog niet altijd mogelijk is onder bestaande wet- en regelgeving. Dit komt omdat het in de huidige wet
- en regelgeving niet mogelijk is
woningen een beperking te geven op hun netaansluiting (netbudget).
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
67
Collectieve oplossingen hebben daarbij vaak de voorkeur boven individuele installaties, omdat ze efficiënter schaalbaar zijn en netcongestie kunnen voorkomen of verminderen. Door warmte op te slaan in buffers kan piekvraag worden opgevangen en benut op momenten dat het net minder belast is, wat de efficiëntie verhoogt en het risico op overbelasting van het netwerk vermindert. Wel vraagt een centrale (collectieve) warmtepomp om een grootschalige aansluiting, wat in de praktijk niet altijd mogelijk blijkt te zijn. Om onaangename verrassingen te voorkomen, is goede afstemming tussen ontwik kelaars en netbeheerders daarom cruciaal. Op onze beurt verwachten we van de netbeheerder dat ‘congestieverzachtende’ maatregelen zoals een warmtenet met buffer ervoor kan zorgen dat projecten op termijn hoger op de prioriteitenlijst komen.
Op het thema woningbouw zien wij de volgende koppelkansen met de energie
- en
warmtetransitie: •
Netbewust bouwen , volgens eerdergenoemde ontwerpprincipes, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit en belasting van het energienet. Dit draagt bij aan een toekomstbestendige woningvoorraad en energie infrastructuur.
•
Beperken van overlast voor bewoners
, door onderhoudswerkzaamheden en
verduurzamingsmaatregelen gelijktijdig uit te voeren. Dit verhoogt het draagvlak onder bewoners. •
Inzetten op hybride tussenoplossingen
, waarmee we de praktische haalbaarheid en
betaalbaarheid van verduurzaming voor zowel bewoners als woningcorporaties kunnen borgen.
7.3
MOBILITEIT
We zetten in op een mobiliteitstransitie die bijdraagt aan een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. Centraal staat de verschuiving van autogerichte mobiliteit naar actieve en gedeelde vormen van vervoer, zoals fietsen, wandelen en het openbaar vervoe
r. We werken
aan een autoluwe binnenstad, met hoogwaardige mobiliteitshubs bij de treinstations en slimme koppelingen met deelmobiliteit. Daarnaast zien we dat het aandeel elektrisch vervoer, zowel auto’s als bussen, blijft groeien. Dit vraagt om een uitbreiding van de laadinfrastructuur. Als gemeente zetten we ook in op de elektrificatie van de Maaslijn. In de dorpen richten we ons op inclu
sieve mobiliteit, met
frequent en betaalbaar openbaar vervoer, slimme mobiliteitshubs en een verdere uitbreiding van de laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
68
Op het thema mobiliteit zien wij de volgende koppelkansen met de energie
- en
warmtetransitie: •
Mobiliteitshubs combineren met energiehubs
, bijvoorbeeld door het integreren van
energieopslag en slimme netten. Dit versterkt de rol van mobiliteitshubs als knooppunten voor duurzame infrastructuur. •
Slim en netbewust laden
, afgestemd op piekmomenten in het elektriciteitsverbruik door
het gebruik van warmtepompen. Dit draagt bij aan een stabieler en efficiënter energiesysteem. •
Gelijktijdige aanleg van wegen en energie
-infrastructuur , waardoor we
werkzaamheden efficiënt kunnen combineren en de overlast voor bewoners beperken.
7.4
LEEFOMGEVING
We maken ons als gemeente hard voor een integrale benadering van de leefomgeving, waarin fysieke, sociale en ecologische aspecten samenkomen. Een gezonder, schoner en klimaatadaptief leefmilieu is daarbij een belangrijk streven. Om dit te bereiken zetten w
ij in
op het versterken van groenblauwe structuren in stad en buitengebied. Meer groen zoals parken, bomen en tuinen, en meer blauw zoals sloten, vijvers en regenwaterbuffers, zorgen voor schaduw en verkoeling, waardoor de behoefte aan airconditioning afne
emt. Groene
daken kunnen bovendien zonnepanelen koelen, wat hun prestaties ten goede komt. Daarnaast hebben we als gemeente steeds meer aandacht voor innovatieve en flexibele oplossingen bij het plannen en uitvoeren van onderhoud. Bij grote opgaven, zoals rioleringsprojecten, onderzoeken we technieken zoals het relinen van leidingen, waarmee de levensduur met twintig jaar kan worden verlengd. Dit onderstreept ons streven naar slimme, duurzame keuzes in het beheer van de openbare ruimte. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte proberen we opgaven zoveel mogelijk te combineren, zo dat we de overlast voor bewoners en gebruikers beperken. Op het thema leefomgeving zien we de volgende koppelkansen met de energie
- en
warmtetransitie: •
Verbetering van milieu en luchtkwaliteit
door te kiezen voor duurzame
warmteoplossingen die weinig tot geen CO₂ uitstoten. Dit draagt bij aan een gezondere leefomgeving. •
Slim combineren van werkzaamheden in de openbare ruimte
, zoals de vervanging
van riolering en de aanleg van groen, met de aanleg of uitbreiding van energie
-
infrastructuur. Door deze werkzaamheden te bundelen, beperken we de overlast voor bewoners.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
69
8
BIJLAGE III: WARMTECLUSTERS VENLO
Cluster Hagerhof
Figuur 16 . Cluster Hagerhof
Het eerste warmtenetcluster ligt rondom de buurten Hagerhof
-Oost, Hagerhof -West,
Krekelveld en Sinselveld. Voor deze vier buurten is al een concessiegebied en warmtebedrijf aangewezen. De verwachting is dat de werkzaamheden in Hagerhof De oplevering van het warmtenet in Hagerhof
-Oost in 2026 starten .
-Oost wordt in 2028 verwacht. Dit warmtenet
maakt de aangesloten gebouwen aardgasvrij. Richting 2028 moet beslist worden of het warmtenet verder uitgebreid wordt in de andere buurten. Deze buurten omvatten veel
jaren
60 woningen met relatief veel corporatiewoningen (gemiddeld 45%). De isolatie is dus van gemiddelde kwaliteit en daarom wordt de warmte aangeleverd op 70°C
. Hierdoor hoeft er
niet extra geïsoleerd te worden.
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
70
De aanpak kan hierna uitgebreid worden naar het gelijknamig bedrijventerrein en buurten Maaswaard, Spoorsingel en Wylrehof. In de buurt Bedrijventerrein Hagerhof zijn al vergevorderde plannen voor nieuwbouw van 800
-1000 woningen op het veilingterrein, er i
s
alleen nog geen besluit gemaakt over het toekomstige warmtesysteem. In Maaswaard en Spoorsingel staat voor 45% aan corporatiebezit, dit kan helpen om snel afspraken te maken om het vollooprisico te beperken. Ook is het gebied rondom het centraal station Centraal aangewezen als nieuwbouw gebied (ca 1100 woningen richting 2040)
in Limburg 5
. Een deel
hiervan zal in de buurten Maaswaard, Spoorsingel en Sinselveld komen, bij de bouw kan rekening gehouden worden met het de aanleg van het warmtenet en kan de volloop dus potentieel gegarandeerd worden. In Wylrehof bevindt zich het VieCuri Medisch
Centrum,
een sportcomplex en onderwijsinstelling Fontys. Cluster Venlo -Noord
Figuur 17 . Cluster Venlo -Noord
5
Countour Limburg Centraal (2025)
Warmteprogramma
Gemeente Venlo
71
In het noorden van stedelijk Venlo liggen buurten dicht tegen elkaar met een hoge bebouwingsdichtheid en warmtevraag. Uit de technische analyse blijkt daarom ook dat grootschalige warmtenetten in deze buurten maatschappelijk gezien een kansrijke optie is. In de buurten Binnenstad -Noord, Q4, Rosarium en Winkelcentrum voorzien we de meeste kansen omdat alternatieven hier het duurst zijn. Waarbij een eventuele uitbreiding richting Craneveld, Withuis en ’t Zand ontwikkeld kan worden. Voor een deel van dit clust