526475 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick, motivering.pdf
Tekst van het document
Zoals uit navolgende afbeelding kan worden opgemaakt is op grotere afstand, ten westen van de locatie en de Napoleonsbaan een propaantank aanwezig, maar op een zodanige afstand dat voor het planvoornemen geen rekening meer hoeft te worden gehouden met gevolgen van een eventueel incident met die tank. Hetzelfde geldt voor enkele andere gasleidingen, parallel aan de Romeinenweg/de Maas. Verder laat de afbeelding ten westen van de planlocatie een propaantank zien binnen een bedrijf aan de Hei, maar daarvan reiken de aandachtsgebieden (brand- en explosieaandachtsgebied) niet tot aan de planlocatie. Ook ten zuidwesten van de planlocatie is binnen een bedrijf een propaantank aanwezig, maar ook die is niet van invloed op het planvoornemen c.q. de planlocatie.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
51
Uitsnede kaartbeeld met risicobronnen, risicocontouren en aandachtsgebieden, aanduiding planlocatie in rood
De hoge drukgasleiding van de Gasunie die het sportpark doorkruist, is wel van belang voor het planvoornemen. Het betreft een leiding met een ontwerpdruk van 40 bar en een diameter van circa 220 mm. Hierna is een afbeelding opgenomen die de begrenzing van het bijbehorende brandaandachtsgebied
52
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Uitsnede brandaandachtsgebied gasleiding ter hoogte van de planlocatie
Plaatsgebonden risico Blijkens voorgaande afbeeldingen kent de gasleiding van de Gasunie die het beoogde sportpark doorkruist géén plaatsgebonden risicocontour 10-6. Binnen een dergelijke contour mogen in een omgevingsplan géén (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogelijk worden gemaakt en bij het toestaan van beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties moet rekening worden gehouden met die risicocontour. Op dit punt is er geen belemmering omdat de leiding geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 kent.
Groepsrisico De gasleiding kent wel een brandaandachtsgebied en een (plaatsgebonden) risicocontour 10-8. Waar de plaatsgebonden risicocontour 10-6 wordt begrensd door de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon als rechtstreeks gevolg van een incident met die gasleiding van 1 op 1 miljoen, is binnen de contour PR10-8 die kans 1 op 100 miljoen. Dat vormt geen belemmering, maar het is wel een factor om rekening mee te houden, net als het feit dat het sportpark deels is gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de leiding. Dit gebied wordt voor wat betreft de omvang bepaald door de te verwachten warmtestraling bij een incident die leidt tot een fakkelbrand en omvat het gebied waarbij die warmtestraling hoger is dan 10 kW/m2 . In aandachtsgebieden moet gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving rekening worden gehouden met het groepsrisico: de kans op overlijden van 10 of meer personen per jaar als gevolg van een incident met de gasleiding. Daaraan wordt in ieder geval voldaan indien: 1. 2.
geen (zeer) kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties of beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten binnen het aandachtsgebied; of Waar het omgevingsplan dat wel mogelijk maakt, in het plan wordt gewaarborgd dat:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
53
a. b.
maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen op de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.
4.1.2.3 Toepassing en verantwoording Zoals eerder in deze paragraaf is aangegeven zijn die delen van het MFC die worden gebruikt door de basisschool en de kinderopvang aan te merken als zeer kwetsbare gebouwen. Het is niet wenselijk zeer kwetsbare gebouwen toe te laten binnen een brandaandachtsgebied. Dat geldt ook voor de bijbehorende buitenruimte. Zou dat wel worden toegestaan dan zou bovendien een brandvoorschriftengebied moeten worden bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan. Het MFC komt echter geheel buiten het brandaandachtsgebied te liggen, zoals ook blijkt uit de begrenzing van het bouwvlak. Bovendien is in de planregels geborgd dat binnen dat gebied géén zeer kwetsbare gebouwen kunnen worden gerealiseerd c.q. als zodanig kunnen worden gebruikt, waarbij ook is geborgd dat de bijbehorende buitenruimten (speelplaatsen) binnen het brandaandachtsgebied worden aangelegd en als zodanig worden gebruikt. Aangezien het gehele gebouw buiten het brandaandachtsgebied komt te liggen zijn ook die delen van het MFC die worden gebruikt voor een sportfunctie - en die afhankelijk van de intensiteit van het gebruik ervan moeten worden aangemerkt als kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar gebouwen - buiten dat gebied gelegen. Een deel van de sportvelden is wel gelegen binnen het brandaandachtsgebied.
Afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van die velden (verblijven er gedurende een groot gedeelte van de dag een groot aantal personen?) zijn die sportvelden aan te merken als een kwetsbare locatie, dan wel een beperkt kwetsbare locatie. Tussenconclusie Gezien het voorgaande wordt er bij de inrichting van de locatie voor gezorgd dat en in het omgevingsplan geborgd dat in ieder geval geen zeer kwetsbare, kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen kunnen worden gerealiseerd en als zodanig worden gebruikt binnen het brandaandachtsgebied. Ook de buitenruimten van de school en de kinderopvang (zeer kwetsbare gebouwen) dienen op basis van de planregels buiten de begrenzing van het aandachtsgebied te blijven. Het aanwijzen van een brandvoorschriftengebied is daarmee ook niet aan de orde. Daarmee wordt ook voldaan aan de in het eerder aangehaalde beleidsplan benoemde ambitie om geen extra kwetsbare groepen c.q. zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van c.q. binnen het invloedsgebied van risicobronnen toe te laten.
Aanvaardbaarheid sportvelden binnen het brandaandachtsgebied Voor wat de activiteiten die worden toegelaten binnen het brandaandachtsgebied van de gasleiding betreft het risico's vanwege het gebruik van de twee voetbalvelden binnen het brandaandachtsgebied en geldt dat afhankelijk van de intensiteit van het gebruik daarvan - sprake is van een kwetsbare dan wel een beperkt kwetsbare locatie. Daarbij is bepalend of gedurende een groot gedeelte van de dag een groot aantal personen aanwezig is. Voor die beoordeling kan aansluiting worden gezocht bij de beoordelingsrichtlijnen die worden gebruikt bij het invullen van het Register Externe Veiligheid (REV), als beschikbaar via www.registerexterneveiligheid.nl/kglinfo. Daarbij wordt gehanteerd: groot aantal mensen: 50 personen groot deel van de dag: groot deel van de uren tussen 07:00 en 18:00 uur. Dit is vervolgens geconcretiseerd naar functie, maar aangezien het vullen van het REV in fase 1 alleen is gericht op gebouwen, wordt niet ingegaan op locaties met sportfunctie, maar wel gebouwen met een sportfunctie. In aansluiting op de beoordelingscriteria voor gebouwen wordt 'een groot gedeelte van de dag' geïnterpreteerd als 6 uur en een groot aantal mensen als 50 mensen. Indien op beide velden een voetbalwedstrijd wordt gespeeld of training plaatsvindt, dat gaat het al snel om meer dan 50 personen,
54
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
inclusief trainers en enkele toeschouwers. Van maandag tot en met vrijdag zal het normaliter alleen gaan om de avonduren, in de weekenden de ochtend en de middag. Daarmee zal alleen in het weekend sprake zijn een periode langer dan 6 uur. Zekerheidshalve wordt er toch van uitgegaan dat de sportvelden zijn aan te merken als kwetsbare locatie. Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de risico's kan het volgende worden opgemerkt: het maatgevende scenario is een fakkelbrand, waarbij hittestraling en een drukgolf tot slachtoffers kunnen leiden. Het risico op een incident wordt hoofdzakelijk bepaald door schade bij graafwerkzaamheden. Daarbij is van belang dat de sportvelden - voor zover gelegen binnen het brandaandachtsgebied - bovenop en binnen korte afstand van de leiding worden gerealiseerd. De planregels voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en van werkzaamheden. Onderdeel van de beoordeling is het inwinnen van advies bij de leidingbeheerder en aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter waarborging van de veiligheid gedurende de werkzaamheden. Dat kan ook zijn het uitvoeren van werkzaamheden alléén op die momenten dat de sportvelden niet worden gebruikt. Het ligt voor de hand dat werkzaamheden op werkdagen en tijdens de dagperiode worden uitgevoerd. Dan worden de voetbalvelden normaliter ook niet gebruikt.
Bovendien kan uiteraard geen gebruik worden gemaakt van het veld waar op dat moment wordt gegraven. Vluchten is goed mogelijk in beide richtingen van de leiding af. Daarbij kan het MFC ook bescherming bieden. Door middel van communicatiemiddelen kan voorts een handelingsperspectief worden geboden aan sporters en gebruikers: wat te doen bij een incident of een dreigend incident, waardoor het effectgebied snel veilig kan worden gesteld. Uitgaande van het voorgaande kan kunnen gevolgen van een incident zoveel mogelijk worden voorkomen en beperkt en is geen sprake van onaanvaardbare risico's. Verder is van belang dat in de huidige situatie ook de bestaande en als zodanig bestemde sportvelden deels zijn gelegen binnen het brandaandachtsgebied. Tot slot is van belang dat de bestaande woning Baarlosestraat 338 (kwetsbaar gebouw) juist komt te vervallen als gevolg van de beoogde ontwikkeling.
Advies Veiligheidsregio Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Uit dit advies d.d. 3 april 2025 blijkt dat de ten behoeve van de bereikbaarheid van het sportpark en het MFC de inrichting van de Schansheideweg zodanig moet zijn dat een veilige afwikkeling van verkeer in twee richtingen mogelijk is, ook voor hulpdiensten. Ook moet het keren van auto's, met inbegrip van blusvoertuigen mogelijk zijn. Voor de verschillende functies in het MFC geldt dat binnen 40 meter van de toegang tot die functies (school kinderopvang, sportvoorzieningen) een opstelplaats voor blusvoertuigen aanwezig moet zijn. Dat geldt ook voor aan later eventueel nog te realiseren gemeenschapshuis. Vanwege de hoge druk gasleiding moet rekening worden gehouden met een fakkelbrand die één tot twee uur kan duren en alleen kan worden bestreden door inblokken. Binnen het brandaandachtsgebied moet rekening worden gehouden met secundaire branden. Het blus daarvan is pas aan de orde nadat de intensiteit van de fakkelbrand afneemt. Het MFC is gelegen buiten het brandaandachtsgebied van de leiding en biedt bescherming tegen hittestraling afkomstig van een eventuele fakkelbrand en is te ontvluchten via de Schansheideweg, dus van de risicobron vandaan.
Ten aanzien van de bluswatervoorziening geldt dat de aan de Schansheideweg ter hoogte van nummer 65 een brandkraan aanwezig is, maar dat in verband met de realisatie van het MFC het plaatsen van een extra
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
55
brandkraan nodig is. Gezien het voorgaande wordt geadviseerd: 1. 2. 3. 4.
in het ontwerp van de openbare ruimte rekening te houden met het realiseren van opstelplaatsen binnen 40 meter van de toegangen van de verschillende gebruiksfuncties in het gebouw; de Schansheideweg inrichten voor een veilig verkeer in twee richtingen, ook voor hulpdiensten; het plaatsen van een extra brandkraan met een capaciteit van 60 m3 /uur aan de noordzijde van het MFC; rekeninghouden met een extra opstelplaats bij een toekomstige uitbreiding van het MFC met een gemeenschapshuis.
Verder wordt opgemerkt dat de planregels voorzien in waarborgen voor de omgevingsveiligheid door het opgenomen vergunningstelsel voor werkzaamheden en het uitsluiten van zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied. Tot slot wordt opgemerkt dat optreden van de brandweer alleen mogelijk is in een gebied waar de hittestraling kleiner is dan 3 kW/m2 en dat het blussen van secundaire branden en het redden van personen pas mogelijk is nadat de intensiteit van de fakkelbrand afneemt door het inblokken van de gasleiding.
Reactie op het advies De veiligheidsregio constateert dat in de wijziging van het omgevingsplan voorziet in waarborgen ten aanzien van omgevingsveiligheid, maar adviseert een aantal maatregelen te treffen ten aanzien van de bereikbaarheid van de locatie, de bluswatervoorziening en de bereikbaarheid c.q. de toegang tot het MFC.
Ad 1) Bij de uitwerking van de inrichting van de buitenruimten bij het MFC wordt rekening gehouden met de genoemde opstelplaatsen. In het omgevingsplan is ook reeds geborgd dat hierin wordt voorzien (artikel 22.15) Ad 2) Het voornemen is te voorzien in een verbetering van de kruising van de Schansheideweg met de Baarlosestraat, waarbij zo nodig ook het profiel van de Schansheideweg wordt aangepast. In de huidige situatie is passeren van tegemoetkomend verkeer mogelijk. Mocht de hiervoor bedoelde herinrichting nog niet hebben plaatsgevonden voor de ingebruikname van het MFC, dan worden zo nodig tijdelijke maatregelen getroffen in de huidige berm om goed en veilig passeren ook voor hulpverleningsvoertuigen (over de rijbaan) te garanderen, door bijvoorbeeld extra uitwijkmogelijkheden te creëren voor het overige verkeer, om hulpverleningsvoertuigen de vrije doorgang te geven. Ad 3) Aan het advies om te voorzien aan de realisatie van een extra brandkraan aan de noordzijde van het MFC zal invulling worden gegeven. Dat moet worden voorzien in een toereikende bluswatervoorziening is reeds geborgd in het omgevingsplan (artikel 22.13). Ad 4) het realiseren van een gemeenschapshuis is momenteel niet aan de orde en deze wijziging van het omgevingsplan maakt de uitbreiding van het MFC met een gemeenschapshuis ook niet mogelijk.
Mocht dat in een later stadium wel aan de orde komen, zullen de gevolgen daarvan voor onder meer opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen opnieuw worden beoordeeld, met inachtname van de eerder genoemde artikelen 22.13 en 22.25 van het omgevingsplan.
Conclusie Gezien het voorgaande zijn er vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling en is afdoende rekening gehouden met de veiligheidsaspecten waarop de instructieregels zien.
56
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
4.1.3 Kwaliteit van de buitenlucht De beoogde wijziging van het omgevingsplan voorziet in het mogelijk maken van een multifunctioneel centrum en de herinrichting van een bestaand sportpark. Uitgaande van de berekende verkeersgeneratie (zie paragraaf 2.1.3) en (worst case) enkele goederenleveringen per vrachtauto per dag (aandeel 1% van het totale aantal bewegingen van 832, is circa 8 bewegingen per dag), blijkt uit toepassing van de NIBM-rekentool dat die wordt voldaan aan het criterium 'Niet in betekenende mate'. Voor de beoogde planwijziging is daarom geen verder onderzoek naar de gevolgen van die wijziging voor de kwaliteit van de buitenlucht nodig. Overigens bedraagt het genoemde aantal van 832 verkeersbewegingen de totale verkeersgeneratie en niet slechts de toename.
Verder is van belang ten aanzien van de kwaliteit van de buitenlucht, uitgaande van kaartmateriaal van het RIVM over 2023 (jaargemiddelde) als beschikbaar via de Atlas Leefomgeving ten tijde van het opstellen van deze rapportage, de volgende cijfers beschikbaar zijn over de luchtkwaliteit op de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft: fijnstof (PM2,5) : circa 7,8-8,0 µg/m3 (norm is 25, EU-grenswaarde 2030 is 10, WHO-advieswaarde 2021 is 5); fijnstof (PM10) : circa 14,2-14,3 µg/m3 (norm is 40, EU-grenswaarde 2030 is 20, WHO-advieswaarde 2021 is 15); stikstofdioxide (NO2) : circa 11,1,-11,6 µg/m3 (norm is 40, EU-grenswaarde 2030 is 20 WHO-advieswaarde 2021 is 10). Gezien voorgaande cijfers voldoet de kwaliteit aan de normen (EU-grenswaarden, tevens vastgelegd als omgevingswaarden in paragraaf 2.2.1.1 Bkl). Voor wat betreft fijnstof PM10 wordt ook voldaan aan de door de WHO geadviseerde waarde, maar voor fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide worden de WHO-advieswaarden nog beperkt overschreden. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de advieswaardes door de WHO eind 2021 zijn aangescherpt (PM2,5 was 10 µg/m3, PM10 was 20 µg/m3 en NO2 was 40 µg/m3). Aan de tot voor kort geadviseerde waarden wordt dus wel voldaan en het verschil met de huidige advieswaarden is niet groot. De concentraties laten ook al enkele jaren een daling zien.
Daarnaast wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord in Nederland gewerkt aan de ambitie om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Daarbij wordt een gezondheidswinst van 50% in 2030 nagestreefd, ten opzichte van de situatie in 2016. Een verdere verslechtering van de kwaliteit van de buitenlucht ligt daarom niet in lijn der verwachtingen.
Conclusie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
57
Zoals uit het voorgaande blijkt, draagt het planvoornemen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging en is voor de beoogde planwijziging geen verder onderzoek naar de gevolgen van die wijziging voor de kwaliteit van de buitenlucht nodig. Ook vormt de huidige luchtkwaliteit geen belemmering voor de vestiging van de beoogde functies op de beoogde locatie. 4.1.4 Geluid Inleiding De eerder geschetste instructieregels met betrekking tot geluid zijn van belang bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in de buurt van bronnen die geluid veroorzaken en waarvoor instructieregels gelden. Relevante bronnen zijn onder meer wegen spoorwegen en industrie (bedrijfsactiviteiten). In dit geval is kortgezegd van belang: wat de geluidbelasting van wegen en activiteiten in de omgeving op het MFC is, voor zover dat is aan te merken als geluidgevoelig gebouw en of die geluidbelasting aanvaardbaar is; of het mogelijk maken va het MFC - voor zover dat is aan te merken als geluidgevoelig gebouw beperkingen oplevert voor activiteiten in de omgeving voor wat betreft geluid; wat de geluidbelasting van het MFC en de beoogde (nieuwe) activiteiten op omliggende geluidgevoelige gebouwen is en of die geluidbelasting aanvaardbaar is.
Daarbij zijn overigens niet alleen de instructieregels relevant, in het kader van het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties vindt een bredere beoordeling en afweging plaats, waarbij onder meer ook onversterkt stemgeluid van kinderen in de buitenruimten bij de school en de kinderopvang worden betrokken.
Geluidgevoelig gebouw? Gelet op het bepaalde in het Besluit kwaliteit leefomgeving is het MFC aan te merken als een geluidgevoelig gebouw voor zover dat zal worden gebruikt voor een onderwijsfunctie (de basisschool) en voor een 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied' (de kinderopvang). Die delen van het gebouw die worden gebruikt voor sportactiviteiten zijn niet aan te merken als geluidgevoelig gebouw c.q. geluidgevoelige ruimten. Buitenruimten (speelplaats e.d.) bij het MFC en het sportpark zijn geen gebouwen en daarmee ook geen geluidgevoelige gebouwen.
Geluid door activiteiten - invloed omgeving op (locatie) initiatief In de omgeving is sprake van enkele bedrijven c.q. milieubelastende activiteiten waarvoor hierna wordt beschouwd of ze van invloed zijn op het planvoornemen. Het betreft de navolgende bedrijven, waarbij de afstand tussen de voor die bedrijven van toepassing zijnde bestemmingsvlakken en het bouwvlak voor het MFC tussen haakjes is aangegeven: Café de Elze, Baarlosestraat 324, (65 meter) Partyservice/catering-bedrijf Kaneman, Baarlosestraat 342; (300 meter) Glastuinbouwbedrijf Baarlosestraat 311; (50 meter, tot vlak glastuinbouw) Glastuinbouwbedrijf De Berktweg 4; (180 meter) Voor zowel het café als de partyservice geldt dat de in het geldende bestemmingsplan aan die locaties toegekende bestemming is beperkt tot die activiteiten. Gebruikmakend van de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (VNG, 2009) gelden voor het café richtafstanden voor geluid van respectievelijk 10 meter voor een regulier café en 30 meter voor een discotheek/muziekcafé.
58
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Aan beide afstanden wordt voldaan. Bovendien is van belang dat in basisscholen en in de kinderopvang in de dagperiode activiteiten plaatsvinden, terwijl activiteiten in een café die geluid veroorzaken hoofdzakelijk in de avond- en nachtperiode plaatsvinden en dat de geluidruimte van het café voorheen op basis van het Activiteitenbesluit en sinds 1 januari 2024 op grond van hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan reeds werd en wordt beperkt door de naastgelegen woningen Schansheideweg 7 en Baarlosestraat 328 en 330 die (in de richting van het MFC) maatgevend zijn. Het MFC vormt in daarom voor wat betreft geluidemissie geen beperking voor het café ten opzichte van de bestaande situatie. Volgens de eerder aangehaalde uitgave Bedrijven en milieuzonering geldt voor de partyservice (catering) een richtafstand voor geluid van 30 meter. Gelet op de afstand tussen het bouwvlak voor het MFC en het bestemmingsvlak Bedrijf voor de partyservice in het geldende bestemmingsplan van circa 300 meter, is geen onaanvaardbare geluidbelasting op de geluidgevoelige delen van het MFC te verwachten. Bovendien is in de huidige situatie Baarlosestraat 338 bepalend voor de geluidruimte van het bedrijf, in de richting van het MFC.
Hoewel die woning komt te vervallen als gevolg van het planvoornemen is de afstand tussen die woning en de partyservice van circa 200 meter kleiner dan de afstand tussen de partyservice en het MFC. Daaruit volgt dat de partyservice niet zal worden beperkt in zijn geluidruimte door het MFC en dat er wellicht zelfs meer ruimte kan ontstaan, als gevolg van het vervallen van de woning Baarlosestraat 338. Voor wat betreft de glastuinbouwbedrijven geldt voor geluid een richtafstand van 30 meter. Beide bedrijven zijn gelegen op grotere afstand van het bouwvlak voor het MFC. In beide gevallen is ook sprake van woningen op kortere afstand van de betreffende bedrijven dan de locatie waarop het MFC is voorzien, waardoor het MFC ook geen belemmering zal vormen voor de huidige geluidruimte. Gezien het voorgaande wordt in alle gevallen ruim voldaan aan de richtafstanden en kan daarmee zonder nader onderzoek worden gesteld dat geen onaanvaardbare geluidhinder is te verwachten voor de geluidgevoelige delen van het MFC. Bovendien zijn in het omgevingsplan (hoofdstuk 22) waarmee onaanvaardbare geluidhinder voor toekomstige activiteiten wordt voorkomen.
Geluid door activiteiten - invloed initiatief op de omgeving Op een eventuele inperking van de geluidruimte van bedrijven c.q. milieubelastende activiteiten in de omgeving is hiervoor reeds ingegaan. De beoogde activiteiten zorgen zelf ook voor geluidemissie naar de omgeving, onder meer in de vorm van de beoogde sportactiviteiten (voetbal, tennis, padel), verkeersbewegingen van en naar het parkeerterrein en op het parkeerterrein zelf, stemgeluid afkomstig van de buitenruimten bij de basisschool en de kinderopvang en op het terras bij de sportkantine. Daarom is ter toetsing aan de relevante instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (zie ook paragraaf 3.2.4.3) en in het kader van het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties een akoestisch onderzoek "industrielawaai" uitgevoerd door Aelmans. Dat rapport is als Bijlage 1 bij deze motivering gevoegd. In dat rapport is de representatieve (bedrijf)situatie in beeld gebracht door middel van inventarisatie van de te verwachten geluidbronnen en door algemeen aanvaarde kengetallen gebruiken, onder meer ten aanzien van bronvermogens. Vervolgens is op de gevels van omliggende geluidgevoelige gebouwen de gevelbelasting in beeld gebracht aan de hand van de instructieregels (standaardwaarden) in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Daarbij gaat het dan om 50 dB(A) in de dagperiode (langtijdgemiddeld), hetgeen overeenkomt met hetgeen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een gemengd gebied werd aangehouden voor een 'gemengd gebied' ter beoordeling of sprake was van 'een goede ruimtelijke ordening' aan de hand van de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering". Ook in de opvolgende VNG-uitgave "Activiteiten en milieuzonering" komt deze 50 dB ter beoordeling of sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een gemengd gebied. Gelet op de menging aan activiteiten in dit gebied (wonen, bedrijvigheid, horeca, grenzend aan een gebiedsontsluitingsweg). Voor de avondperiode is uitgegaan van 45 dB(A) (langtijdgemiddeld) conform Bkl. In de nachtperiode vinden geen activiteiten plaats. Opgemerkt wordt dat alle activiteiten samen (sport en functies MFC) zijn beschouwd en getoetst aan voornoemde waarden.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
59
Voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden) is voor de avondperiode uitgegaan van de 65 dB als genoemd in het Bkl (artikel 5.65). De instructieregels geven geen standaardwaarde voor het maximaal geluidniveau voor de dagperiode. Daarom is daarvoor aansluiting gezocht bij artikel 22.70 van het Omgevingsplan gemeente Venlo (opgenomen in de zogenoemde bruidsschat), waarin een waarde van 70 dB is genoemd voor het maximale geluidniveau per activiteit en waarbij overigens stemgeluid buiten beschouwing mag blijven, terwijl dat in het akoestisch onderzoek in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wél wordt meegenomen in de toets aan die waarde. Uit het onderzoek blijkt kortgezegd dat op de gevels van omliggende geluidgevoelige gebouwen (woningen) kan worden voldaan aan de eerder genoemde standaardwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode (langtijdgemiddeld) en 45 dB(A) in de avondperiode, mits wordt voorzien in een tweetal geluidwerende voorzieningen, waarvan de realisatie en instandhouding ook in de planregels is geborgd: een geluidscherm van 2,5 meter hoog, een reflectiefactor van 0,2, een profielcorrectie van 0dB en een minimale massa van 10 kg/m2 over een lengte van circa 90 meter langs de perceelsgrens ten zuidoosten van het MFC; een grondwal van 1,5 meter hoog aan de noordzijde van het beoogde parkeerterrein, over een lengte van circa 40 meter.
Ook blijkt uit het onderzoek dat in de avondperiode wordt voldaan aan de waarde voor het maximale geluidniveau van 65 dB(A). In de dagperiode bedraagt het maximale geluidniveau op slechts twee rekenpunten 72 dB(A) en daarmee wordt de waarde van 70 dB per activiteit waarbij aansluiting is gezocht overschreden. Toch wordt dit aanvaardbaar geacht, aangezien in de woningen waarvoor de waarde van 70 dB(A) wordt overschreden, uitgaande van minimaal 20 db karakteristieke gevelwering het binnenniveau maximaal 52 dB bedraagt, hetgeen aanvaardbaar wordt geacht. Verder is van belang dat is nagegaan of een maximale gevelbelasting (langtijdgemiddeld) van 45 dB(A) op omliggende geluidgevoelige gebouwen haalbaar is. Dat blijkt niet het geval, aangezien de daarvoor benodigde geluidwerende voorzieningen stedenbouwkundig en landschappelijk niet aanvaardbaar zijn. Dan gaat het namelijk onder meer om schermen van meer dan 100 meter lang en 5 / 5,5 meter hoog, ook langs perceelsgrenzen met aangrenzende woningen. Bovendien is volledigheidshalve onderzocht in hoeverre het geluid vanwege het planvoornemen van invloed is op de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw op de gronden aan de overzijde van de Schansheideweg. Dat blijkt uitvoerbaar, mits tezijnertijd enkele aanvullende geluidwerende voorzieningen worden getroffen.
Aangezien dat voornemen nog onvoldoende concreet is en nog niet wordt meegenomen in deze wijziging van het omgevingsplan, is nog niet voorzien in de realisatie van die voorzieningen, maar kan dus wel worden geconcludeerd dat het nu voorliggende plan woningbouw op de gronden aan de overzijde van de Schansheideweg niet onmogelijk maakt. Gezien het voorgaande vormt het geluid vanwege de beoogde ontwikkeling en de invloed daarvan op omliggende woningen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan en wordt voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Het planvoornemen heeft geen betrekking op de aanleg, wijziging van wegen en lokale spoorwegen, maar is wel gelegen binnen het (voorlopige) aandachtsgebied van de Schansheideweg en de Baarlosestraat. Ook is van belang dat als gevolg van het planvoornemen het aantal verkeersbewegingen op de Schansheideweg en Baarlosestraat toeneemt. De locatie is niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied van een spoorweg of een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld, dan wel op basis van overgangsrecht nog een geluidzone geldt op basis van de Wet geluidhinder. Gezien het voorgaande is door Aelmans een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (d.d. 11 juni 2025, kenmerk ROM240025.001.003/JME) dat als Bijlage 2 bij deze motivering is gevoegd. In dat onderzoek is
60
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
voor de Baarlosestraat ter hoogte van het sportpark rekening gehouden met een maximumsnelheid van 50 km/uur, aangezien ten behoeve van de beoogde ontwikkeling de verkeerskundige grens van de bebouwde kom wordt verlegd, waardoor de maximumsnelheid omlaag gaat van 80 km/uur naar de genoemde 50 km/uur. Daaruit blijkt dat het geluid vanwege wegverkeer over de relevante gemeentewegen (Baarlosestraat en Schansheideweg) voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB (maximaal 52 dB) Nu slechts sprake is van blootstelling aan één geluidbronsoort is het gezamenlijk geluid gelijk aan de resultaten voor de gemeentewegen en is ook het beoordelen van gecumuleerd geluid niet aan de orde. Ook is aanvullend onderzoek ter bepaling van de benodigde karakteristieke gevelwering niet nodig, nu de minimaal vereiste 20 dB volstaat om een binnenniveau van 33 dB te kunnen halen. Voor wat betreft indirecte akoestische effecten is beschouwd of als gevolg van de verkeersgeneratie van het plan een toename van de geluidbelasting op bestaande omliggende woningen kan ontstaan. Daarbij is de Schansheideweg buiten beschouwing gelaten, aangezien de verkeersintensiteit per etmaal (kalenderjaargemiddeld) minder dan 1.000 motorvoertuigbewegingen bedraagt.
Op omliggende woningen blijkt de toename nergens meer te bedragen dan 1,1 dB, waarmee geen sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB zoals genoemd in artikel 5.78af Bkl. Gezien het voorgaande vormt het geluid vanwege wegverkeer, spoorwegen dan wel industrieterreinen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan en wordt voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.5 Trillingen De ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van sportpark en een MFC. De in het MFC onder te brengen basisschool en kinderopvang zijn aan te merken als trillinggevoelige ruimten van het MFC. Zoals reeds blijkt uit paragraaf 3.2.4.5 zijn er ten aanzien van trillingen echter geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.1.6 Bodemkwaliteit Aangezien de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op het bouwen van bodemgevoelige gebouwen en een (her)inrichting van de bijbehorende terreinen op een bodemgevoelige locatie zijn een tweetal bodemonderzoeken uitgevoerd om vast te stellen of de bodemkwaliteit op de locatie aansluit bij het beoogde gebruik van het sportpark en de bouw en het gebruik van het MFC.
Baarlosestraat/Brookerhofweg Voor de kadastrale percelen sectie R 335 en 336 (Baarlosestraat 338) en de percelen 323 en 324 (weide hoek Baarlosestraat en Brookerhofweg) is door Tritium een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 7 augustus 2024, kenmerk 2400717KB-01) dat als Bijlage 3 bij deze motivering is gevoegd. Daaruit blijkt dat het perceel 335 kan worden geclassificeerd als landbouw/natuur tot wonen, maar ook dat plaatselijk een sterke verontreiniging met PAK aanwezig is. Voor het perceel 336 geldt dat het kan worden geclassificeerd als landbouw/natuur tot matig verontreinigd, maar ook dat plaatselijk sprake is van een sterke verontreiniging met koper en zink. De percelen 323 en 324 zijn te classificeren als landbouw/natuur, wonen en industrie. Voor alle percelen geldt dat de signaleringsparamaters voor grondwater worden niet overschreden. Voor de op de percelen R 335 en 336 aanwezige halfverharding en het aanwezige puingranulaat is ook verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Zowel zintuiglijk als analytisch is echter geen asbest aangetoond. Voor wat betreft de eerder aangehaalde sterke verontreiniging met PAK op het perceel 335 blijkt uit het rapport dat de omvang circa 6 m3 bedraagt en vermoedelijk is ontstaan bij de aanleg van het terrein omstreeks de jaren '50.
Omdat de omvang minder dan 25 m3 bedraagt en vóór 1987 is ontstaan, is sanering niet noodzakelijk. Voor de sterke verontreiniging met koper en zink geldt dat deze vermoedelijk is ontstaan door een stookplaats, die (op basis van luchtfoto's) zeer waarschijnlijk pas sinds na 1987 aanwezig is. De omvang bedraagt circa 24 m3 . Er is daarom sprake van een zorgplicht.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
61
Gezien het voorgaande is de aard en omvang van de aanwezige verontreinigingen afdoende vastgesteld en is de omvang daarvan beperkt. Onderstaande afbeelding, die als bijlage 14 bij het onderzoek is opgenomen, laat de locatie en omvang van de verontreinigingen zien. Het betreft locaties waarop de aanleg van een sportveld is voorzien.
Situering en afbakeningen verontreinigingen PAK en koper/zink
Voor het overige zijn er gelet op de resultaten geen belemmeringen voor de aanleg van het beoogde sportveld op deze gronden, aangezien gelet op de aangehaalde classificeringen de interventiewaarden niet worden overschreden. De geconstateerde verontreiniging zal worden gesaneerd, waardoor ook op de betreffende locatie de bodemkwaliteit zal (gaan) aansluiten bij het beoogde gebruik.
Overige gronden binnen de planlocatie Voor de overige gronden die zijn gelegen binnen de begrenzing van de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft zijn onderzocht door Aelmans. Dat rapport (d.d. 14 april 2025, kenmerk AMV240943.008.R2/HWO) is als Bijlage 4 bij deze motivering gevoegd. Het onderzoek ziet op de gronden die reeds in gebruik zijn als sportpark en de huidige asfaltweg binnen de planlocatie, de Brookerhofweg. Voor het huidige sportpark geldt dat het nagenoeg het gehele terrein ondanks lichte overschrijdingen kunnen worden geclassificeerd als landbouw/natuur. In een tweetal grond(meng)monsters zijn overschrijdingen met PCB aangetroffen, wat leidt tot een classificering industrie. Daarmee blijven de resultaten beneden de interventiewaarden en vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het planvoornemen. Wel dient bij de herinrichting te worden voorkomen dat vermenging van de grond met de klasse industrie wordt vermengd met grond met klasse landbouw/natuur. Voor de Brookerhofweg geldt dat het fundatiepakket ter plaatse van een viertal boringen en de bovengrond van één boring als matig verontreinigd moet worden aangemerkt vanwege aangetroffen verhoogde concentraties minerale olie. Verder zijn in de fundatielagen en in de berm veelal lichte overschrijdingen met kwik, lood, zink, PAK of minerale olie aangetroffen.
Bij de herinrichting van het sportpark worden deze
62
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
verontreinigde bodemlagen ontgraven, waarna de vrijkomende grond zal worden afgevoerd. Het asfalt is aan te merken als teerhoudend, aangezien bij alle drie de onderzochte kernen een teerhoudende penetratielaag is aangetroffen. Dit dient daarom als zodanig te worden afgevoerd bij de beoogde herinrichting. Het grondwater laat veelal verhoogde concentraties nikkel zien. Dat is ook in eerdere onderzoeken in 1998 en 2011 vastgesteld, waardoor kan worden gesteld dat sprake is van een diffuus aanwezige verontreiniging die als gebiedseigen kan worden aangemerkt. Voor wat betreft asbest is tot slot van belang dat binnen op de planlocatie geen asbestverdachte plaatmaterialen zijn aangetroffen/aangetoond en dat geen van de onderzochte asbestconcentraties de detectiegrenzen van 2 mg/kg ds overschrijden.
Conclusie Gezien het voorgaande is de bodemkwaliteit van de gronden binnen de planlocatie afdoende vastgesteld en zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid, mits wordt voorzien in de noodzakelijke sanering van de geconstateerde verontreinigingen op de percelen R 335 en 336. Met deze sanering is rekening gehouden in de exploitatieopzet, waardoor deze sanering ook financieel uitvoerbaar is. 4.1.7 Geur Die delen van het MFC die een onderwijsfunctie krijgen (de basisschool) of een 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied' krijgen (de kinderopvang), zijn aan te merken als een geurgevoelig gebouw.
Geur als gevolg van agrarische activiteiten Aan de westzijde van de Napoleonsbaan zijn diverse agrarische bedrijven gevestigd. Behalve glastuinbouwbedrijven betreft dit hoofdzakelijk grondgebonden bedrijven, waarvan de twee meest nabij gelegen bedrijven op ruim 400 meter afstand van (het bouwvlak ten behoeve van) het MFC zijn gelegen. Waarmee geen strijdigheid ontstaat met instructieregels met betrekking de aan te houden afstanden tot dierverblijven voor de huisvesting van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor, die 50 meter bedraagt voor geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur (bebouwde kom) en 100 meter bedraagt voor geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwingscontour geur. Voor wat betreft veehouderijen die dieren houden met een geuremissiefactor is het bedrijf Moutzdijkweg 73 van belang, dat is gelegen op een afstand van ruim 600 meter van (het bouwvlak ten behoeve van) het MFC. Uit berekeningen van de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting die Pouderoyen Tonnaer in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft uitgevoerd ten behoeve van het het rapport 'Geurbelasting uit stallen van veehouderijen in de concentratiegebieden van Limburg, Noord-Brabant en Gelderland' (d.d. 11 juli 2023, kenmerk P222373.014/HUL, bijlage bij Kamerbrief d.d.
29 februari 2024, Kamerstukken II, 2023-2024, 29 383, nr 413) blijken er geen knelpunten te zijn ter hoogte van de locatie waar het MFC is voorzien. De achtergrondbelasting bedraagt minder dan 5 odourunits. Ook voor wat betreft de voorgrondbelasting zijn er geen knelpunten geconstateerd. Daarmee wordt voldaan aan zowel de instructieregels in het Bkl ten aanzien van geur, aan de geurnormen als opgenomen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan en aan de advieswaarden als gehanteerd door de GGD.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
63
Uitsnede kaart indicatieve berekening achtergrondbelasting, aanduiding locatie MFC met blauwe marker.
Geur vanwege zuiveringstechnische werken In de omgeving van de planlocatie zijn geen zuiveringstechnische werken gelegen die kunnen leiden tot geurhinder. Geur vanwege andere activiteiten In de omgeving vinden geen andere activiteiten plaats die aanleiding geven de aanvaardbaarheid van eventuele geurhinder vanwege die activiteiten nader te onderzoeken. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van geur geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. 4.1.8 Spuitzones In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bij het realiseren van kwetsbare functies zoals een basisschool of kinderopvang rekening te worden gehouden met gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische percelen. Op basis van jurisprudentie dient daarbij - als vuistregel - een afstand van minimaal 50 meter te worden gehanteerd. Is die afstand kleiner, dan dient door middel van een locatiespecifiek onderzoek te worden aangetoond dat het aanhouden van die kleinere afstand aanvaardbaar is. In dit geval zijn binnen een afstand van 50 meter rond de gronden met de functie 'Maatschappelijk' ten behoeve van het MFC enkele percelen met een agrarische bestemming gelegen.
Daarbij wordt opgemerkt dat twee delen van de gronden met de functie 'Maatschappelijk' buiten beschouwing zijn gelaten, aangezien op die locaties geen verblijf van personen plaatsvindt. Het betreft de parkeerplaats (aanduiding 'parkeerterrein') en de gronden grenzend aan de Baarlosestraat (aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1'). Uitgaande van een contour van 50 meter rond voornoemde afbakening van de gronden met de functie
64
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
'Maatschappelijk' gaat het dan om de volgende percelen: Perceel R360; Percelen R267 en R269; Percelen R237, R238 en R240; Percelen R196 en 352; Perceel R295; Perceel P958; Perceel P1276 en P1277. Deze percelen hebben in het omgevingsplan geheel dan wel gedeeltelijk de bestemming 'Agrarisch' dan wel 'Agrarisch met waarden'. Binnen die bestemmingen is agrarisch gebruik van gronden toegestaan, net als onder meer tuinen die direct grenzend aan een bouwvlak zijn gelegen en extensief recreatief gebruik. Ten aanzien van de eerder genoemde percelen kan het volgende worden opgemerkt: Perceel R360 Dit perceel is in gebruik als tuin bij de woning Baarlosestraat 330. Hier vindt geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van een toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Percelen R267 en R269 Deze percelen zijn in gebruik als tuin bij de woning Brookerhofweg 16. Hier vindt geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van een toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Ook is slechts een beperkt deel van deze percelen gelegen binnen 50 meter van de gronden met de functie Maatschappelijk (exclusief parkeerterrein en strook langs de Baarlosestraat). Percelen R237, R238 en R240 Deze percelen zijn in gebruik als tuin bij de woningen Schansheideweg 7 en Baarlosestraat 328. Hier vindt geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Percelen R196 en 352; Deze percelen zijn in gebruik voor hobbymatig agrarisch gebruik. Hier vindt in ieder geval geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Perceel R295 Het perceel is in gebruik als tuin bij de woning Schansheideweg 22. Hier vindt geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Perceel P958 Dit perceel is - voor zover gelegen binnen 50 meter van de gronden met de functie 'Maatschappelijk' (exclusief parkeerterrein en strook langs de Baarlosestraat), nagenoeg geheel bestemd voor woondoeleinden, enkel een smalle strook van circa 2 meter breed voor de voorgevel heeft een agrarische bestemming. Hier vindt uiteraard geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Perceel P1276 en P1277
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
65
Deze percelen tot een glastuinbouwbedrijf / hoveniersbedrijf. Er liggen geen kassen binnen de 50 meter contour en binnen die contour zijn ook geen kassen toegestaan. Op de betreffende gronden vindt geen akkerbouw of andere vorm van teelt plaats waarbij sprake is van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, waardoor rekening moet worden gehouden met eventuele gevolgen van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Hoewel uit het voorgaande blijkt dat gelet op het huidige gebruik en de huidige inrichting van de genoemde percelen geen sprake is van een gebruik waarbij rekening moet worden gehouden met spuitzones, sluit het geldende omgevingsplan een wijziging van het gebruik van de percelen niet uit. Met uitzondering van de percelen R196, R352, R295 en )1276 en P1277 is dat gelet op de omvang van de percelen en de vorm c.q. begrenzing daarvan ten opzichte van de bijbehorende woning wellicht ook niet realistisch, maar volledigheidshalve wordt met deze wijziging van het omgevingsplan toch voorzien in het vastleggen van een zone van 50 meter rond de gronden waarop het MFC met bijbehorende buitenruimte is toegestaan, waaraan regels worden verbonden die toepassing van gewasbeschermingsmiddelen uitsluiten. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het gebruik van de genoemde percelen worden daarmee geen belanghebbenden onevenredig benadeeld en wordt een groter belang gehecht aan het faciliteren van het MFC en het ten behoeve van de gezondheid van de gebruikers ervan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de directe omgeving te beperken.
4.2
Gezondheid
Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, de conclusies van voorgaande paragrafen en de afstand tot de meest nabijgelegen woningen en andere milieugevoelige functies zijn redelijkerwijs geen onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid te verwachten. Vanuit het oogpunt van een positieve gezondheid kan nog worden opgemerkt dat de bereikbaarheid van de locatie vanuit woongebieden zowel te voet als per fiets goed is en er vanuit dat oogpunt geen belemmeringen zijn om lopen of fietsen te verkiezen boven gemotoriseerd verkeer om de locatie te bereiken. Bovendien draagt de ontwikkeling bij aan de ambities van Venlo ten aanzien van een vitale leefomgeving als benoemd in de Omgevingsvisie Venlo 2040 en de ambitie van Venlo om de jeugd op te laten groeien met sport en bewegen, zoals beschreven in de Venlo.Fit Sportvisie 2030.
4.3
Cultureel erfgoed
Zoals uit paragraaf 3.2.5.3 van deze motivering blijkt dient bij een wijziging van het omgevingsplan ook rekening te worden gehouden met cultuurhistorische waarden, waaronder ook begrepen archeologische waarden en werelderfgoed van uitzonderlijke universele waarde.
Cultuurhistorische waarden Zoals blijkt uit de gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart maakt de locatie deel uit van een jonge heide ontginningsgebied, dat vervolgens overwegend als landbouwgrond in gebruik is genomen. Voor de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft is dat enkele tientallen jaren geleden echter al grotendeels gewijzigd naar een sportpark. Toch is dit gebied ook in de Omgevingsvisie Venlo 2040 aangegeven als cultuurhistorisch waardevol gebied. De percelen R323, R324, R335 en R336 hebben (gedeeltelijk) in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Venlo" (als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo) de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dat geldt echter voor het merendeel van alle agrarische percelen in het buitengebied van de gemeente, anders dan de agrarische bedrijfskavels en gronden binnen glastuinbouwconcentratiegebieden. In de toelichting op het bestemmingsplan worden deze waarden echter niet concreter geduid. Dwars door het sportpark loopt van oudsher de Brookerhofweg. Deze weg heeft op zichzelf echter geen
66
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
cultuurhistorische waarden of kenmerken gelet op de inrichting c.q. uitvoering, maar als herkenbare (historische (infra)structuur is de weg wel van belang. Hoewel de weg komt te vervallen blijft op die plek deze historische as wel herkenbaar door de aanleg van een groene as, die ook wordt vastgelegd in het plan en waarvan de aanleg en instandhouding ook wordt beschermd door de op te nemen planregels. Verder blijft de omvang en de 'maat en schaal' van de locatie c.q. het sportpark, behoudens de toevoeging van het perceel Baarlosestraat 338 (kad) en de weide op de hoek van de Brookerhofweg/Baarlosestraat, ongewijzigd. Deze relatief kleine percelen liggen momenteel geïsoleerd en worden in de huidige situatie reeds omgeven door de bestaande sportvelden. Daarmee zijn deze percelen fysiek reeds afgescheiden van de wel nog resterende oorspronkelijke ontginningen, die met name aan de noordzijde van de Schansheideweg nog aanwezig en herkenbaar zijn. Er zijn op of langs deze solitaire percelen ook geen cultuurhistorische elementen of structuren aangeduid op de inventarisatiekaart, zoals bijvoorbeeld een zandwal, houtwal, akkergrens of boomgaard, die als gevolg van het planvoornemen zouden verdwijnen. Binnen of in de directe omgeving van de planlocatie zijn geen monumentale of beeldbepalende bouwwerken of objecten aanwezig waaraan de ontwikkeling afbreuk zou kunnen doen.
Daarmee zijn er voor wat betreft cultuurhistorische waarden geen onevenredig nadelige gevolgen te verwachten. Om te kunnen voorzien in een toekomstbestendig multifunctioneel complex met sport- en maatschappelijke voorzieningen en het daarvoor opgestelde programma van eisen is het betrekken van de vooralsnog voor (hobbymatig) agrarisch gebruik dienen noodzakelijk en prevaleert dat boven het verdwijnen van deze percelen met een (beperkte) cultuurhistorische waarde.
Uitsnede cultuurhistorische inventarisatiekaart
Archeologische waarden De gemeentelijke Archeologische Basiskaart waarop de archeologische verwachtingswaarden zijn aangegeven laat zien dat het gebied een hoge of middelhoge verwachtingswaarde is toebedeeld. Bij een
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
67
dergelijke verwachtingswaarde is archeologisch onderzoek nodig bij bodemingrepen met een oppervlakte van 500 m2 of meer en een diepte van 40 cm-mv of meer. Aangezien de oppervlakte van het MFC meer bedraagt en de bouw daarvan tot ingrepen dieper dan 40 cm-mv zullen leiden, is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Daarin is ook het sportpark meegenomen.
Uitsnede gemeentelijke archeologische basiskaart
Archeologisch onderzoek Door Econsultancy is een archeologisch onderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (d.d. 31 oktober 2024. kenmerk 25551.001) is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Het doel van het uitvoeren van een bureauonderzoek is het bepalen van de gespecificeerde archeologische verwachting voor de locatie waarvoor het onderzoek wordt verricht. Op basis van de landschappelijke ligging op een Maasterras, in combinatie met vondsten uit de omgeving en historisch kaartmateriaal geldt een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de perioden (Laat) Paleolithicum en de Nieuwe tijd. Voor de perioden Mesolithicum tot en met de Late Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Gezien deze resultaten is vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd om deze verwachting aan te vullen en te toetsen. Tijdens het veldonderzoek zijn in een groot deel van het plangebied bodemverstoringen aangetroffen, met name onder de sportvelden. De diepte van de bodemverstoringen varieert van 50 tot 120 cm -mv. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) kan worden gesteld dat het plangebied, voor de aanleg van de sportvelden, niet is opgehoogd, maar geëgaliseerd. De bodemverstoringen hebben dan ook plaatsgevonden in de oorspronkelijke bodem.
Het archeologisch niveau werd, vanwege de aanwezigheid van rivierafzettingen/rivierduinen, verwacht vanaf het maaiveld/direct onder de bouwvoor. Op basis van de bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat het archeologisch niveau niet meer intact is. De gespecificeerde archeologische verwachting kan, op de locaties van de sportvelden en het woonhuis met de achtergelegen weilanden, dan ook worden bijgesteld naar laag voor alle archeologische tijdsperioden.
68
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Bij één boring in het noordoosten van het plangebied (net ten noorden van het sportcomplex) en bij boringen in het weiland ten oosten van de Brookerhofweg is volgens Econsultancy de oorspronkelijke bodem aangetroffen, met direct onder de bouwvoor de C-horizont. Voor deze gebieden adviseert Econsultancy de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals opgesteld in het bureauonderzoek, te handhaven. Verder wordt geadviseerd voor het genoemde weiland ten oosten van de Brookerhofweg nader onderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De gemeente Venlo volgt dit advies niet, aangezien uit het rapport ook voor de genoemde boringen blijkt dat de oorspronkelijke bodem is verstoord. Het gemeentelijk selectiebesluit is daarom de gehele planlocatie vrij te geven. Conclusie Gezien het voorgaande zijn er ten aanzien van cultureel erfgoed geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
4.4
Natuur
Natuur – gebiedsbescherming Hoewel het bevoegd gezag ten aanzien van Natura 2000-activiteiten niet bij de gemeente ligt, maar bij de provincie (Gedeputeerde Staten) en in het Bal is voorzien in zowel een specifieke zorgplicht als een vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, is dit aspect ook van belang in het kader van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van de planlocatie, die is aangeduid met een rode marker
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn gelegen in Duitsland: 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' en het aangrenzende 'Krickenbecker Seen - Kl De Witt-See. De kortste afstand tussen deze gebieden respectievelijk 4,3 km en 7,7 km. De meest nabijgelegen Nederlandse Natura 200-gebieden betreft 'Maasduinen' op circa 9,5 km afstand, het Swalmdal op ruim 13 km afstand en de Deurnsche Peel & Mariapeel op ruim 15 km afstand. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de meest
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
69
nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen externe effecten zoals geluid en lichthinder redelijkerwijs worden uitgesloten, maar voor wat betreft stikstofdepositie moet dit worden aangetoond met een Aerius-berekening.
Aerius-berekening aanleg/bouwfase Voor de aanleg/bouwfase is aan de hand van een Aerius-berekening een voortoets uitgevoerd door Aelmans, waarbij onder meer rekening is gehouden met de geschatte inzet van benodigde werktuigen en de verkeergeneratie van het bouwverkeer. Uit die berekening en bijbehorende notitie blijkt dat als gevolg van het planvoornemen in de aanleg/bouwfase niet leidt tot rekenresultaten < 0,00 mol/hectare/jaar. Daarmee kunnen ook voor wat betreft stikstofdepositie (significant) negatieve gevolgen voor Natura2000-gebieden worden uitgesloten. De rapportage is als Bijlage 6 bij deze motivering gevoegd.
Aerius-berekening gebruiksfase Ook voor de gebruiksfase is een Aerius-berekening uitgevoerd door Aelmans, als onderdeel van de als Bijlage 6 bij deze motivering opgenomen voortoets, op basis van de te verwachten verkeersgeneratie. Er zijn geen andere relevante emissiebronnen, zoals bijvoorbeeld een gasgestookte verwarming. Uit die berekening en bijbehorende notitie blijkt dat als gevolg van het planvoornemen in de gebruiksfase geen rekenresultaten > 0,00 mol/hectare/jaar opleveren. Daarmee kunnen ook voor wat betreft stikstofdepositie (significant) negatieve gevolgen voor Natura2000-gebieden worden uitgesloten.
Conclusie gebiedsbescherming Gezien het voorgaande kunnen (significant) negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden worden uitgesloten en zijn er ten aanzien van dat aspect geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
Natuur - soortenbescherming Ook het bevoegd gezag ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten ligt niet bij de gemeente, maar bij de provincie (Gedeputeerde Staten). Ook op dit punt is in het Bal voorzien in zowel een specifieke zorgplicht als diverse vergunningplichten voor flora- en fauna-activiteiten, is dit aspect ook van belang in het kader van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie is van belang of de beoogde ontwikkeling gevolgen heeft voor beschermde soorten en hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen: zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van dier(- en/of planten)soorten op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan, die zijn genoemd in: 1. bijlage I Vogelrichtlijn; 2. geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten 3. bijlage II, IV en V Habitatrichtlijn 4. bijlage IX Bal of rode lijsten plus belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven.
als deze aanwijzingen er zijn: kan er worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: ga na welke gevolgen de activiteit kan hebben voor
70
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; tref passende preventieve maatregelen om die nadelige gevolgen te voorkomen; ga tijdens en na het verrichten van de activiteit na of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en staak het verrichten van de activiteit als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Dit komt overeen met de specifieke zorgplicht als opgenomen in artikel 11.27 van het Bal.
Onderzoek: quickscan flora en fauna Ten behoeve van deze ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door BRO (d.d. 3 augustus 2023, kenmerk P06540), die als bij deze motivering is gevoegd. Daaruit blijkt dat negatieve gevolgen voor beschermde soorten niet geheel kunnen worden uitgesloten voor de huismus, gierzwaluw en voor vleermuizen. Verder konden op de planlocatie op basis van de het veldbezoek dat is uitgevoerd in het kader van de quickscan jaarrond beschermde (roofvogel)nesten, verblijfplaatsen en leefgebied van de steenuil, das en alpenwatersalamander niet worden uitgesloten. Voor het overige kunnen negatieve gevolgen voor beschermde soorten op basis van deze quickscan wel worden uitgesloten, mits rekening wordt gehouden met algemene zorgplichten en het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels en de perioden waarvoor vrijstellingen gelden voor steenmarter en eekhoorn.
Nader onderzoek flora en fauna Gezien de resultaten van de quickscan is door BRO ook een nader onderzoek uitgevoerd (d.d. 14 januari 2025, kenmerk P06540), eveneens door BRO, dat als Bijlage 8 bij deze motivering is gevoegd. Daaruit blijkt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de gierzwaluw, steenuil, das, alpenwatersalander of met vleermuizen. Wel is in de woning Baarlosestraat 338 één nestlocatie van de huismus aanwezig, waarvoor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit dient te worden aangevraagd bij de Provincie Limburg. Verder dient rekening te worden gehouden met het volgende: De kap van het opgaand groen dient buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart t/m half augustus. Aangezien er in het voorjaar diverse waarnemingen zijn gedaan van trekkende amfibieën binnen het plangebied wordt geadviseerd om het werkgebied af te zetten met een amfibieënscherm zodat er geen individuen worden verwond of gedood. Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied.
Conclusie soortenbescherming Met de uitgevoerde onderzoeken is afdoende onderzocht of er sprake is van belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Dat is niet het geval. Er is ook geen reden om aan te nemen dat de benodigde vergunning van de provincie niet kan worden verkregen.