CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

526475 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick, motivering.pdf

Raadsvergadering 19 november 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 5.5: Vaststellen TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick en beleidsregel omgevingskwaliteit MFC Hout-Blerick (526475)30.296 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het behoud van ruimte voor toekomstige functies

3.2.6.1 Inleiding In paragraaf 5.1.6 van het Bkl is voorzien in instructieregels die het behoud van ruimte voor toekomstige ontwikkelingen moeten borgen door te voorkomen dat in de betreffende reserveringszones ontwikkelingen plaatsvinden die die toekomstige ontwikkelingen kunnen belemmeren. Het betreft enkele concrete ontwikkelingen voor specifieke locaties zoals Mainportontwikkeling Rotterdam, maar ook enkele meer algemene ontwikkelingen zoals reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen en reserveringsgebieden voor (nieuwe) leidingen van nationaal belang. Geen van die aspecten spelen een rol op de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft. Deze instructieregels zijn daarom niet van belang voor c.q. van invloed op de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 3.2.7

De staat en goede werking van infrastructuur en voorzieningen

Inleiding In paragraaf 5.1.7 van het Bkl zijn enkele instructieregels gebundeld die betrekking hebben op het behoud van de staat en goede werking van infrastructuur en bepaalde voorzieningen. Het betreft voorzieningen in het kader van de landsverdediging en nationale veiligheid (o.a. militaire terreinen, laagvliegroutes voor jachtvliegtuigen, militaire radarinstallaties), grootschalige energieproductieinstallaties, Rijksvaarwegen, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur voor de burgerluchtvaart, landelijke fiets- en wandelroutes en hyperscale datacentra. Toepassing en conclusie Gelet op de ligging van het plangebied en de aard van de ontwikkeling is enkel de mogelijke verstoring van het radarbeeld van de radarinstallatie bij vliegbasis Volkel relevant. Aangezien de planlocatie is gelegen binnen de zone op een afstand tussen de 15 en 75 kilometer van de radarinstallatie, gelden enkel beperkingen ten aanzien van de tiphoogte van windturbines. Nu de beoogde wijziging van het omgevingsplan geen windturbines mogelijk maakt, vormt deze instructieregel geen belemmering voor het planvoornemen.

3.2.8 Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Inleiding In afdeling 5.2 van het Bkl zijn enkele specifieke instructieregels gebundeld omtrent de aanwijzing van gebieden in relatie tot bepaalde bevoegdheden en het stellen van eisen aan bepaalde industriële lozingen op een vuilwaterriool: géén regels opnemen in het omgevingsplan voor de hoofdspoorweginfrastructuur en wegen in beheer bij het Rijk die het gebruik, de instandhouding, de verbetering of de vernieuwing van die infrastructuur belemmeren (artikel 5.163 Bkl); het aanwijzen in het omgevingsplan van een beperkingengebied waarbinnen een omgevingsvergunningplicht beperkingengebiedactiviteit overeenkomstig het gebied dat door het dagelijks bestuur van een vervoersregio is aangewezen (art.5.164 Bkl);

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

29

het stellen van eisen aan lozingen van industrieel afvalwater, niet afkomstig uit van een milieubelastende activiteit als aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal (art 5.165 Bkl); het aanwijzen van een bebouwingscontour jacht (art. 5.165a Bkl) en een bebouwingscontour houtkap (art. 5.165b Bkl). Toepassing en conclusie Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling en ligging van de planlocatie zijn deze instructieregels niet relevant voor de beoogde wijziging van het omgevingsplan. Voor wat betreft het aanwijzen van de genoemde bebouwingscontouren ligt het voor de hand dit in één keer voor de hele gemeente te regelen.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Limburg Algemeen Provinciale Staten van Limburg hebben op 1 oktober 2021 de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Die Omgevingsvisie Limburg richt zich op de langere termijn (2030-2050) en bestaat uit een thematisch deel waarin de provincie haar visie geeft op thema's als Wonen & leefomgeving, Veiligheid en gezondheid en Werklocaties. Daarnaast bestaat de visie uit een gebiedsgericht deel waarin wordt voorzien in een regiovisie voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De provincie onderscheidt in haar nieuwe omgevingsvisie drie hoofdopgaven: Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk c.q. bebouwd gebied als in landelijk gebied Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie) Klimaatadaptatie en energietransitie Om afwegingen te kunnen maken en daarbij een balans te vinden tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving worden de zogenoemde Limburgse principes gehanteerd: streven naar een inclusieve, gezonde en veilige leefomgeving; de kenmerken en identiteit van gebieden centraal stellen; meer stad, meer land; zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden bovengronds én ondergronds; procesmatige uitgangspunten: 1. de maatschappelijke opgaven en kansen staan centraal; 2. (grensoverschrijdende) samenwerking, participatie en eigenaarschap; 3. we werken gebiedsgericht; 4.

we werken adaptief aan de opgaven; 5. we werken als één overheid. De visie gaat verder uit van een 'algemene zonering', waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen verstedelijkte gebieden en landelijke gebieden. Landelijke gebieden worden onderverdeeld in de categorieën Natuurnetwerk Limburg, Groenblauwe mantel en Buitengebied. De bebouwde gebieden worden onderverdeeld in de categorieën Stedelijk gebied, Stedelijk Centrum , Landelijke kern en Werklocaties. De begrenzing daarvan is vastgelegd in de provinciale verordening (zie paragraaf 3.4), maar daarbij is van belang dat deze kaart een zeker indicatief karakter heeft. De begrenzing ervan dient op perceelsniveau plaats te vinden in de gemeentelijke omgevingsplannen.

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Regiovisie Noord-Limburg De regio Noord-Limburg kenmerkt zich in ruimtelijk, economisch en maatschappelijk opzicht het beste door twee dominante, voor iedereen herkenbare assen: een snelle, hoog-dynamische Oost-West-as en een rustige, meer op (be)leefkwaliteit gerichte Noord-Zuid-as. De hoog-dynamische, economisch-georiënteerde Oost-West-as is de wereld van infrastructuur en logistiek, agrofood, maar ook de maakindustrie in z'n vele gedaanten. Samen wordt werk gemaakt van de Greenport-ontwikkeling, het stimuleren en verder uitbouwen van de reeds aanwezige bedrijvigheid door innovatie en onderwijs en het versterken van de samenwerking met omliggende regio's. Vanwege haar strategische ligging op de Oost-West-as en de nabijheid van grote afzetgebieden, zoals de regio Eindhoven, de Vlaamse Ruit en het Ruhrgebied, levert de regio een significante bijdrage aan de Nederlandse economie. De regio kent daarnaast een wereld van rust, ruimte en schoonheid, met de Maas als herkenbare kwaliteits-as. Het landschap is afwisselend met het terrassenlandschap van het Maasdal, Maasmeanders, natuur- en bosgebieden, Peelvenen en ontginningsgebieden en gevarieerde landbouwactiviteiten. Juist de afwisseling van landschappen, natuur en cultuur, de nabijheid van steden en dorpen en economische activiteiten en voorzieningen, maakt Noord-Limburg prettig divers.

Binnen Noord-Limburg vormen Venlo en Venray samen een logistieke hotspot; goed ontsloten over weg, water en spoor én met ruimte voor ontwikkeling. Een belangrijke opgave voor Noord-Limburg ziet op vitale en gezonde bewoners en hun leefomgeving, waarbij er (voor zover relevant voor deze ontwikkeling) aandacht is voor o.a.: a.

b. c. d.

het behouden van een vitale en bereikbare basisvoorzieningenstructuur om een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving te borgen. Speciale aandacht is nodig voor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen voor inwoners in kleine kernen; een prettige woon- en leefomgeving die ook een gezonde levenswijze stimuleert; duurzame en klimaatbestendige dorpen en steden door ruimte efficiënt te benutten; de toegankelijkheid en bereikbaarheid van voorzieningen op het gebied van zorg, educatie, werk en vrije tijd, die niet afhankelijk moet zijn van de woonplaats, buurt of bestaande collectieve vervoersvoorzieningen.

Thema Wonen en leefomgeving Voor wat betreft woning ligt de kern van de opgave en het provinciaal belang in het bieden van een woning(plan)voorraad waarbij vraag en aanbod zowel kwalitatief als kwantitatief in evenwicht zijn. De juiste woningen van de juiste kwaliteit moeten voor de juiste doelgroep op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar zijn. Hoewel deze wijziging van het omgevingsplan geen betrekking heeft op bestaande woningen of de toevoeging van nieuwe woningen aan de voorraad, is het thema wel van belang voor de beoogde ontwikkeling. Het succes van de woningmarkt en de woon- en leefkwaliteit is namelijk onlosmakelijk verbonden met de sociaal-economische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en de veiligheid. De provincie bekijkt woningbouwontwikkelingen vanuit een brede maatschappelijke context. Dat vraagt een integrale aanpak van locaties en gebieden in de vorm van herstructurering en transformatie/herbestemming in centra, buurten, wijken, dorpen en het buitengebied. Bij die keuzes moet rekening worden gehouden met samenhangende belangen zoals leegstand bij detailhandel, kantoren, maatschappelijk vastgoed, monumenten, etc.

Daarnaast wordt de woningopgave altijd in samenhang met veiligheid en leefbaarheid bezien en wordt gestreefd naar het gebruikmaken van meekoppelkansen voor een klimaatbestendige en -adaptieve woonomgeving. De provincie acht het daarbij van belang dat eerst de kwaliteit van het feitelijk bestaand bebouwd gebied op orde wordt gemaakt. Via het principe van de Ladder voor duurzame verstedelijking dient de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal te worden gebruikt, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dat betekent dat eerst leegstaand vastgoed hergebruikt en herbestemd wordt in lijn met de Limburgse principes.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

31

Thema Veiligheid en gezondheid De thema's veiligheid en gezondheid vormen een belangrijke verbinding tussen het fysieke domein en het sociale domein. Een belangrijke opgave binnen dit thema is het inrichten van een leefomgeving die bewegen, ontmoeten, zelf- en samenredzaamheid, educatie en een gezonde levensstijl stimuleert. Voor wat betreft gezondheid gaat het niet alleen om lichamelijk gezondheid, ook de zes pijlers van het gedachtegoed van positieve gezondheid (mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal maatschappelijk participeren en dagelijks functioneren) dragen bij aan de gezondheid. Voor deze opgaven liggen er niet alleen uitdagingen en plichten op persoonlijk vlak, maar is er ook betrokkenheid en verantwoordelijkheid nodig van maatschappelijke initiatieven, bedrijfsleven en (semi-)overheden. Thema Cultuur, sport en erfgoed Voor wat betreft dit thema is het provinciaal belang - voor zover relevant voor de beoogde ontwikkeling - te voorzien in een divers aanbod van regionale voorzieningen voor sport en cultuur, gelet op de ontmoetingsfunctie en het bieden van een aantrekkelijke vrijetijdsbesteding, wat weer bijdraagt aan een aantrekkelijk woon- en vestigingsklimaat. Ook het bieden van ruimte aan verenigingsleven en de daarbij behorende accommodaties is een belangrijk onderdeel van de maatschappij.

Bovendien draagt sporten bij aan de mentale en fysieke gezondheid. Daarbij is een trend dat sportbeoefening in geijkte verbanden zoals sportclubs afneemt. Mensen sporten meer individueel of in niet-reguliere verbanden. Sportvoorzieningen moeten daarom zijn afgestemd op de veranderende behoefte. Voor wat betreft cultureel erfgoed en archeologische waarden geldt dat daarmee zorgvuldig dient te worden omgegaan, ook bij nieuwe ruimtelijke plannen. Thema land en tuinbouw Landbouwgrond wordt schaarser. Verstedelijking neemt toe. Het buitengebied wordt gezien als vindplaats voor oplossingen voor stedelijke opgaves. Denk bijvoorbeeld aan de ruimtevraag voor de energietransitie, klimaatadaptatie, natuurherstel, infrastructuur en verstedelijking. De afname van het aantal agrarische bedrijven en de transitie naar kringlooplandbouw zal daarnaast vragen om andere benutting van de landbouwgrond. De komende tijd zal, meer dan in het verleden, verweving van functies voor landbouw, natuur, waterbeheer, landschapsbeheer en andere maatschappelijke diensten én meervoudig grondgebruik van belang zijn. Overige Thema's De hiervoor beschreven thema's betreffen de meest relevante thema's voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast zijn ook thema's als natuur, water en landschap meer in algemene zin van belang voor deze wijziging van het omgevingsplan.

Deze thema's en de wijze waarop (zorgvuldig) met die aspecten wordt omgegaan komt in elders deze motivering aan bod. Toepassing en conclusie De beoogde ontwikkeling sluit goed aan bij de opgave om te voorzien in een goed voorzieningenniveau, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het behouden en versterken van de leefbaarheid en daarmee ook aan een goed functionerende woningmarkt. Verder is van belang dat verschillende voorzieningen voor verschillende doelgroepen en voor alle leeftijden worden samengebracht, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan een inclusieve en gezonde omgeving om te sporten en te ontmoeten. Bovendien wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik, gelet op het beoogde meervoudige gebruik van ruimten in het gebouw en overige faciliteiten. Met een goede landschappelijke inpassing wordt voorzien in een aantrekkelijke en klimaatbestendige omgeving om te leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten, die ook goed bereikbaar is vanuit de kern en de verdere omgeving. Zowel voor gemotoriseerd verkeer, voetgangers en fietsers en met het openbaar vervoer. Voor wat betreft de locatie is van belang dat die uitgaande van de in de omgevingsvisie benoemde en in de omgevingsverordening vastgelegde algemene zonering is gelegen in het buitengebied. De omgevingsvisie

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

vermeldt dat die zonering een zeker indicatief karakter heeft, dat de begrenzing ervan op perceelsniveau dient plaats te vinden in de gemeentelijke omgevingsplannen en dat geen rekening is gehouden met bestaand ruimtegebruik dat niet aansluit bij die zonering. Stedelijke voorzieningen zoals een MFC horen blijkens provinciaal beleid in beginsel thuis in het stedelijk gebied. In dit geval is het bieden van de combinatie van leren, ontwikkelen, spelen en ontmoeten op één locatie in de vorm van zowel een (reeds bestaand) sportpark als een MFC een belangrijke pijler voor de ontwikkeling en voor de locatiekeuze. Vanuit de kern Hout-Blerick bezien is de Springbeek altijd een duidelijke afbakening van het stedelijk gebied geweest, terwijl langs de doorgaande Baarlosestraat altijd lintbebouwing aanwezig is geweest, waarbij een duidelijke functiemenging aan de orde is en is geweest. Nog steeds komen in dit lint woningen, bedrijven, glastuinbouwbedrijven, maar ook horeca, winkels en het bestaand sportpark voor. Ook richting het zuidwesten vanaf de Holleweg is dat het geval, maar vanaf dat punt zijn de percelen langs de Baarlosestraat aangemerkt als 'Buitengebied'.

Zonering planlocatie en omgeving in de Omgevingsverordening, met globale begrenzing planlocatie in blauw

Ook is van belang dat het gebied tussen de Springbeek, de Napoleonsbaan, Baarlosestraat en dan zeker het deel rond de Holleweg, Schansheideweg en Brookerhofweg zijn oorspronkelijke functie als agrarisch gebied heeft verloren en de ontwikkeling nagenoeg geheel plaatsvindt binnen de begrenzing van het huidige sportpark en een perceel dat vooralsnog in gebruik is voor wonen. Het bestaande sportpark wordt anders en meer optimaal en toekomstbestendig ingericht en waarbij ook ruimte wordt gecreëerd voor de realisatie van het multifunctioneel centrum. Er vindt in feite dus geen nieuwe 'stedelijk' ruimtebeslag in het buitengebied plaats. Voor wat betreft toekomstbestendigheid is ook van belang dat HBSV als hoofdgebruiker van het sportpark een zogenoemde omnivereniging is die binnen één vereniging een grote diversiteit aan activiteiten aanbiedt en waarmee c.q. waarbinnen kan worden meebewogen met wensen en behoeften vanuit sporters.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

33

Verder is van belang dat de locatie grenst aan de in de gemeentelijke omgevingsvisie aangegeven 'perifere stadsrandzone'. In feite is dat ook de enige uitbreidingsmogelijkheid voor Hout-Blerick, gelet op de beperkingen vanuit de bestaande infrastructuur (Rijksweg A73 en Napoleonsbaan) en de beperkingen vanwege het rivierbed van de Maas. Daarmee zal naar verwachting het gebied tussen Springbeek en het sportpark verder verdichten. In de inrichting van het terrein zal verder op een goede manier rekening worden gehouden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden en worden voorzien in een natuurlijke overgang naar het buitengebied.

3.4

Omgevingsverordening Limburg: instructieregels provincie

3.4.1 Inleiding De Provincie Limburg heeft met het oog op provinciale belangen instructieregels opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg (OvL). Die instructieregels zijn deels gericht aan het Waterschap Limburg en deels aan gemeenten. Niet alle instructieregels zijn relevant voor de beoogde planwijziging, gelet op de mogelijk te maken activiteiten of de ligging van het de planlocatie. Hierna is een overzicht opgenomen van de instructieregels die voor gemeenten zijn opgenomen en daarbij is aangegeven of ze relevant (kunnen) zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan. Voor zover de instructieregels inderdaad relevant (kunnen) zijn worden ze vervolgens inhoudelijk behandeld.

Paragraaf

Betreft

Afdeling 2.1

Infrastructuur: reserveringsgebieden provinciale wegen en lokaal spoor Watersystemen: motiveringsplicht klimaatadaptatie Grondwater: waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Geluid: motiveringsplicht kernkwaliteiten stiltegebieden Landschappen: motiveringsplicht kernkwaliteiten beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Landschappen: en motiveringsplicht kernkwaliteiten groenblauwe mantel Natuurgebieden: motiveringsplicht Natuurnetwerk Limburg Natuurgebieden: motiveringsplicht natuurbeekzones Landbouw: intensieve veehouderijen Landbouw: geitenhouderijen Landbouw: glastuinbouw Cultureel erfgoed: herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen Wonen: planvoorraad wonen Werken: vestigingsmogelijkheden detailhandel Werken: vestigingsmogelijkheden kantoren Werken: vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen Recreëren: vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie Recreëren: wonen in recreatieverblijven en huisvesting speciale doelgroepen

paragraaf 3.2.3 Paragraaf 4.2.2 Afdeling 6.2 Afdeling 7.1 Afdeling 7.3 Paragraaf 8.1.2 Paragraaf 8.1.3 Paragraaf 10.1.1 Paragraaf 10.1.2 Paragraaf 10.1.3 Afdeling 11.1 Paragraaf 12.1.1 Paragraaf 12.1.2 Paragraaf 12.1.3 Paragraaf 12.1.4 Paragraaf 12.1.5 Paragraaf 12.1.6

34

Relevant voor deze wijziging?

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Paragraaf 12.1.7 Paragraaf 12.1.8 Afdeling 13.1 Afdeling 13.2 Afdeling 13.2 Afdeling 16.1

Huisvesting internationale werknemers Na-ijlende effecten steenkolenwinning Energie: uitsluitingsgebieden windturbines Energie: zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen Energie: zonneparken Beschermingsgebied Einstein Telescope

Nee Nee Nee Ja Nee Nee

3.4.2 Klimaatadaptatie Inleiding In de motivering bij wijziging van een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet worden beschreven op welke wijze in het plan rekening wordt gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, welke maatregelen en voorzieningen worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Toepassing en conclusie De locatie is gelet op de ligging ten opzichte van beken en rivieren niet (bijzonder) gevoelig voor overstromingen. De locatie ligt buiten het rivierbed van de Maas. In de omgevingsverordening is de locatie aangeduid als een gebied waarvoor een overstromingsrisico voor regionale wateren (als omgevingswaarde) geldt van 1:25 per jaar. Dat wil zeggen dat het waterschap zich moet inspannen om de bergingscapaciteit en afvoercapaciteit van regionale wateren af te stemmen op dat overstromingsrisico, uiterlijk in 2035. Dat levert geen onaanvaardbaar risico op voor de beoogde ontwikkeling. Ook zijn gelet op het kaartmateriaal van Waterpanel Noord dat raadpleegbaar is via wpn.klimaatmonitor.nl geen knelpunten of aandachtspunten aan de orde ten aanzien van wateroverlast, droogte of hittestress.

Als gevolg van het planvoornemen zal dat gelet het beoogde gebruik (veelal sportvelden met gras, natuurlijke inrichting rond het MFC en voldoende ruimte voor de berging van hemelwater) ook niet wijzigen. Gezien het voorgaande zijn er geen onaanvaardbare risico's te verwachten in het kader van klimaatadaptief bouwen en ontwikkelen en zijn er op dit punt geen belemmeringen voor het planvoornemen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

35

Uitsnede gecombineerd kaartbeeld stedelijke en regionale wateroverlast ,met globale aanduiding planlocatie 3.4.3 Natuurnetwerk Limburg Inleiding Binnen het Natuurnetwerk Limburg mogen in een (wijziging van) een omgevingsplan géén nieuwe activiteiten worden toegelaten of bestaande activiteiten worden gewijzigd, indien dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg of kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen gebieden binnen dat Natuurnetwerk Limburg, hetgeen in de motivering op de wijziging van het omgevingsplan moet worden gemotiveerd. Een uitzondering op het voorgaande geldt voor ontwikkelingen van groot openbaar belang, waarvoor geen andere reële mogelijkheden zijn om in dat belang te voorzien. Voor dergelijke ontwikkelingen dient dan te worden aangegeven hoe negatieve effecten worden beperkt en de resterende negatieve gevolgen worden gecompenseerd, in financiële dan wel fysieke vorm.

Daarnaast biedt de omgevingsverordening mogelijkheden voor activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op het Natuurnetwerk Limburg bij toepassing van een saldobenadering op basis van een gebiedsvisie die per saldo leidt tot een verbetering van de natuurwaarden in en rond het betreffende gebied en voor individuele kleinschalige ingrepen die leiden tot een verbetering van het Natuurnetwerk Limburg. De buitengrenzen van het Natuurnetwerk Limburg passen bij het karakter van de Omgevingsverordening: vrij precies, schaal 1:10.000, maar zeker niet op perceelsniveau, zo blijkt uit de toelichting op de verordening. Zijn er ontwikkelingen waardoor het omgevingsplan moet worden aangepast, dan is er afstemming tussen gemeente en provincie gewenst over de vraag waar de begrenzing in het omgevingsplan precies moet worden gelegd. De bestaande natuur ligt wel (bijna) altijd al precies vast in een omgevingsplan.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Uitsnede kaartbeeld Natuurnetwerk Limburg met globale aanduiding planlocatie in rood

Toepassing en conclusie Zoals voorgaand kaartbeeld laat zien, zijn er geen gronden binnen de planlocatie gelegen die in de verordening zijn aangewezen als Natuurnetwerk Limburg. De verordening bevat geen instructieregels die zien op zogenoemde externe werking. Dat wil zeggen dat geen instructieregels zijn opgenomen over effecten van activiteiten buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Limburg op gronden die wel als Natuurnetwerk Limburg zijn aangewezen. Het planvoornemen ziet niet op een verandering van de bestemming van, de activiteiten binnen of de oppervlakte van aangrenzende gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Limburg. Daarmee leidt het planvoornemen ook niet tot een verandering van de externe effecten op de aangrenzende gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Limburg. Daarmee zijn er op dat punt geen belemmeringen voor het planvoornemen. Uiteraard is in het kader van de bescherming van beschermde soorten wel van belang dat de uitvoerbaarheid van planontwikkeling op dat punt wordt onderzocht en onderbouwd. Daar wordt in paragraaf 4.4 verder op ingegaan. Ook kan volledigheidshalve worden opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling - zoals blijkt uit het ontwerp en het inrichtingsplan goed wordt ingepast in de omgeving.

3.4.4 Herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen Indien een omgevingsplan nieuwe activiteiten toestaat, wordt daarbij de mogelijkheid betrokken die activiteiten onder te brengen in leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. Uit de motivering/toelichting moet blijken hoe die afweging is gemaakt. Toepassing en conclusie In de omgeving is geen sprake van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen waarin het beoogde programma kan worden ondergebracht. Daarbij is ook van belang dat het verzorgingsgebied voor de basisschool en en kinderopvang bestaat uit de kern Hout-Blerick. Huisvesting op een (aanzienlijke) grotere afstand van deze kern is daarom niet opportuun en doelmatig.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

37

3.4.5 Zonnepanelen op daken bedrijfsgebouwen Inleiding In de motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw moet worden beschreven op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwen voor het plaatsen van zonnepanelen. Toepassing en conclusie Uit het genoemde artikel 2.3 van het Bbl volgt slechts in algemene zin dat maatwerkregels (kunnen) worden opgenomen in het omgevingsplan. De mogelijkheden om maatwerkregels te stellen zijn beperkt tot de regels die zijn opgenomen in afdeling 4.5 Bbl, zo volgt uit artikel 4.7 Bbl. Die afdeling gaat over de bruikbaarheid van bouwwerken en heeft enkel betrekking heeft op nieuwbouw. Aanvankelijk was in artikel 4.7 Bbl ook opgenomen dat maatwerkregels konden worden gesteld ten aanzien van artikelen 4.149 en 4.159, welke artikelen betrekking hebben op bijna energieneutraal bouwen (BENG) en de milieuprestatie van gebouwen. Die artikelen zijn echter door een wijziging van het Bbl nog vóór de inwerkingtreding van het Bbl op 1 januari 2024 weer geschrapt. De aanleiding daarvoor is dat maatwerkregels op dat punt industrieel bouwen in de weg staan en dat niet wenselijk is gelet op de woningbouwopgave.

Er kan daarom geen invulling (meer) worden gegeven aan deze instructieregel van de provincie. De systematiek van het Bbl is – net als gold voor het Bouwbesluit 2012 – dat de daarin geregelde onderwerpen worden geacht uitputtend te zijn geregeld en daarin opgenomen minimale eisen niet mogen worden aangescherpt, tenzij expliciet ruimte wordt geboden door het stellen van maatwerkregels. 3.4.6 Venloschol Inleiding In de provinciale omgevingsverordening zijn ook waterwingebieden en (grondwater)beschermingsgebieden aangewezen, waaronder ook twee boringsvrije zones: de Roeldalslenk en Venloschol. De locatie is gelegen binnen de begrenzing van de Venloschol, zoals die is begrensd in de provinciale verordening. De regels die daaraan zijn verbonden bestaan uit instructieregels gericht aan het waterschap en rechtstreeks werkende regels voor specifieke activiteiten, dus géén instructieregels voor gemeenten ten aanzien van het omgevingsplan. De instructieregels gericht aan het waterschap hebben betrekking op het opnemen van een verbod om grondwater te onttrekken of te infiltreren dieper dan 5 meter boven NAP, in combinatie met een vergunningplicht voor dergelijke activiteiten (paragraaf 4.2.1 verordening). In de Waterschapverordening Waterschap Limburg is daar ook in voorzien in Afdeling 4.1.

De rechtstreeks werkende regels hebben betrekking op het aanleggen en in gebruik hebben van bodemenergiesystemen, het opsporen en winnen van aardwarmte, het boren van putten en andere grondroeringen dieper dan 5 meter boven NAP (paragraaf 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.6). Toepassing en conclusie Het maaiveldniveau op de locatie bedraagt circa 20 meter boven NAP. Gelet op de aard van de ontwikkeling wordt - bij eventuele bouwactiviteiten of andere activiteiten - niet voorzien in zodanig diepe boringen of grondroeringen dat een niveau dieper dan 5 meter boven NAP wordt gehaald. Ook wordt niet voorzien in de aanleg van een bodemenergiesysteem of het opsporen en/of winnen van aardwarmte. Gelet op de regels die ter bescherming van de Venloschol zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg van de provincie en de Waterschapsverordening Waterschap Limburg van het waterschap, bestaat ook geen aanleiding aanvullende regels op het nemen in deze wijziging van het omgevingsplan voor de locatie.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Strategische Visie Venlo 2040 De Strategische Visie Venlo 2040 die is vastgesteld op 26 mei 2021 vervangt de eerder in 2010 opgestelde Strategische Visie Venlo 2030, die opgesteld rondom de laatste herindeling, waarbij de voormalige gemeente Arcen en Velden onderdeel is geworden van de gemeente Venlo. Deze nieuwe visie is bijgesteld en aangevuld ten opzichte van de vorige versie, om zo in te kunnen spelen op nieuwe, grote ontwikkelingen zoals de ontwikkelingen rondom de thema's klimaat en energie, groeiende verschillen binnen de gemeenschap en het veranderen van de samenstelling van de gemeenschap en verder de versterking van het economisch fundament van Venlo. Hierna wordt per thema het perspectief voor 2040 kort samengevat. Gezondste regio De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners daarvan hebben geprofiteerd. Onze vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen.

Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Een (t)huis om van te houden Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een niet-Venlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van onze economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Verdergaande informatisering zorgt voor grotere verschillen binnen de gemeenschap. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en onze voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben. De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen.

De overheid en inwoners moeten bescheiden zijn in hun verwachtingen over en weer. Ruimte voor initiatieven De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik. Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is ontsteend en hebben is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een impuls om een kwaliteitsslag in de openbare ruimte te maken. De klimaatopgaven hebben geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadaptatie. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat er aan de westoever een stadsdeel is ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern. In de dorpskernen hebben gerichte investeringen bijgedragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus. Werken in Venlo In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied. De opkomst van China als economische grootmacht en handelspartner heeft geleid tot een strategische

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

39

heroriëntatie. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde. En dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament die dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness verder is verbreed. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. We hebben ontdekt dat menselijk kapitaal schaarser is geworden en er zorgvuldig mee moet worden omgegaan. Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft onze grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid.

De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken.

Uitsnede 'praatplaat' Strategische Visie Venlo 2040

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Toepassing en conclusie De beoogde ontwikkeling draagt in algemene zin bij aan de bieden van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en het bieden van een fatsoenlijk basisniveau aan voorzieningen. Verder is de ontwikkeling niet van invloed op of in strijd met de strategische koers als geschetst in deze visie. 3.5.2 Omgevingsvisie Venlo 2040 De omgevingsvisie voor de gemeente Venlo, die is vastgesteld op 15 mei 2025, schets het beoogde toekomstbeeld voor Venlo voor 2040 aan de hand van een vijftal ambities: 1. 2. 3. 4. 5.

Venlo maakt een schaalsprong; Venlo gaat voor een vitale leefomgeving; Venlo zet in op een mobiliteitstransitie; Venlo werkt aan een waardevolle economie; Venlo wordt klimaatbestendig.

De vijf ambities

Venlo maakt een schaalsprong Venlo ziet grote kansen om een forse schaalsprong te maken op het gebied van woningbouw, het voorzieningenniveau, bedrijvigheid en mobiliteit om zo ook een grote bijdrage te leveren aan de kwaliteit van leven in de hele gemeente in 2040 en daarna. Hoe dat invulling krijgt verschilt per gebied en wordt gebiedsgericht uitgewerkt en waarbij wordt ingezet op dynamische, gedifferentieerde en duurzame stedelijke woon- en werkmilieus. Bouwen in dorpen wordt gezien als sociaal investeren, waarbij het bouwen van voldoende woningen voor de (boven)lokale behoefte bijdraagt een de vitaliteit en levendigheid van dorpskernen en een impuls kan geven aan het voorzieningenniveau. Venlo gaat voor een vitale leefomgeving De schaalsprong ziet niet alleen op een woningbouwopgave. Als contramal wordt ingezet op het bieden van een klimaatadaptieve en vitale leefomgeving, zowel vanuit ecologisch perspectief als vanuit het oogpunt van leefbaarheid. Dit onder meer door in te zetten op een robuuste groen-blauwe structuren binnen en buiten de stedelijke gebieden. De ambitie is daarbij ook te zorgen voor een omgeving die beweegvriendelijker is en waarbij de verkeersveiligheid en de luchtkwaliteit is verbeterd.

Het bieden van voldoende passende ontmoetingsplekken, sportfaciliteiten en culturele voorzieningen is onderdeel van de ambitie, gelet op de gewenste sociale verbondenheid en vitale gemeenschappen. Venlo zet in op een goede mobiliteitstransitie Het mobiliteitssysteem zal op een toekomstbestendige manier moeten meegroeien om de gewenste schaalsprong goed tot zijn recht te kunnen laten komen. Daarbij gaat het om zowel de regionale als de lokale bereikbaarheid. Voor wat betreft de lokale bereikbaarheid wordt beoogd een transitie in gang te zetten naar een situatie waarin verplaatsing met het openbaar vervoer, de fiets en te voet maximaal wordt gefaciliteerd. Deze benadering past ook bij de ambitie om de verkeersveiligheid en leefbaarheid te verbeteren. Venlo werkt aan een waardevolle economie Venlo richt zich op een duurzame en toekomstbestendige economische groei, waarbij het begrip brede welvaart vanuit economisch perspectief centraal staat en wil zich door te investeren in de kenniseconomie steviger profileren als innovatieve kennisstad, onder meer door goed functionerend onderwijs, het aantrekken van buitenlandse studenten en het maken van koppelingen tussen studenten en bedrijven. Zo gaat de economie 'van volume naar waarde'. Naast het bieden van ruimte voor het MKB en bedrijven in de circulaire economie op bestaande werklocaties is er ook ruimte voor nieuwe werklocaties.

Voorts wordt

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

41

ingezet op een verbreding van het economisch profiel, waarin de vrijetijdseconomie en de zorgsector steeds grotere rol speelt. Venlo wordt klimaatbestendig Venlo wil in 2040 een toonbeeld zijn van een groene en duurzame gemeente. Door robuust natuur-, water- en bodembeheer ontstaat een gezond en veerkrachtig ecosysteem. De Maas, bossen en andere natuurgebieden worden optimaal beleefbaar en bereikbaar gemaakt voor recreatie en toerisme, aansluitend op het stedelijk gebied. Ook wordt ingezet op het verhogen van de waterveiligheid en het vergroenen van de bebouwde omgeving, waarbij c.q. waarmee bescherming wordt geboden tegen hitte, droogte en wateroverlast. Verder gaat een klimaatbestendig Venlo hand in hand met verduurzaming en de energietransitie. Het streven is in 2050 klimaatneutraal te zijn en een volledig circulaire economie te zijn. Voor het buitengebied is van belang dat bodem en water sturend zijn. Nieuwe functies volgen het landschap en de ondergrond.

Drie deelgebieden De verdere uitwerking van de ambities vindt in de visie plaats aan de hand van een visiekaart en een drietal deelgebieden, waarbinnen weer deelgebieden worden onderscheiden:

Voor de planlocatie is het deelgebied 'Een beleefbaar, veerkrachtig en toekomstbestendig buitengebied' van belang. De kern Hout-Blerick is aangemerkt als 'stedelijk woongebied' binnen het deelgebied 'Een aantrekkelijk en sterk Centraal stedelijk gebied. Aangezien de planlocatie is gelegen nabij de grens tussen het beide gebieden en de keuzes voor het stedelijk gebied deels ook relevant zijn voor de hier beoogde ontwikkeling met onder meer een MFC, wordt op beide deelgebieden ingegaan.

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Uitsnede visiekaart met globale aanduiding ligging planlocatie met zwarte marker

Stedelijk woongebied: Hout-Blerick Hout-Blerick wordt beschreven als een historisch kerkdorp, direct gelegen aan de rand van Blerick, maar daarvan afgescheiden door de A73. Hout-Blerick kent ondanks haar bescheiden grootte van bijna 3.000 inwoners een aantal belangrijke voorzieningen en levendig verenigingsleven, zo volgt uit de visie. Hout-Blerick is niet aangeduid als 'dorp' als dorp, maar als stedelijk woongebied vanwege het feit dat het is gelegen binnen het Centraal stedelijk gebied en dat het binnen 15 minuten fietsen van een treinstation is gelegen. Net als voor de rest van de stedelijke woongebieden gelden voor Hout-Blerick als gebiedsspecifieke keuzes: Ruimte voor woningbouw wordt benut zowel binnen als buiten de bestaande stedelijke woongebieden, waarbij dat buiten die gebieden aan de randen gebeurt: beperkte uitbreiding in de stadsrandzones. Koppelkansen worden daarbij zoveel mogelijk benut: aanpak van de energiestransitie, het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte (vergroening en water). Inbreiding wordt in samenwerking met de bewoners opgepakt, waarbij de kwaliteit van de woon- en leefomgeving centraal staat en waarbij zuinig wordt omgegaan met het bestaande groen. Voor de stadsrandzones geldt dat opgaven in samenhang met elkaar worden opgepakt, waarbij het streven is de stadsrandszones als visitekaartjes van de stad te laten dienen.

Bodem en water zijn daarbij sturend en een gezonde leefomgeving is randvoorwaardelijk. Natuur en landschap zijn in die gebieden de identiteitsdragers en leesbare stedenbouwkundige structuren worden als kwaliteit gezien. Woningbouw kan een koppelkans zijn, maar is geen doel op zich. De stadsrandzones moeten nog worden uitgewerkt, maar zijn wel al indicatief aangegeven in de visie, waaruit blijkt dat aan de zuidzijde van Hout-Blerick een 'perifere stadsrandzone' is aangegeven, net als 'focusgebied / aandachtsgebied erfgoed' overigens. Voor perifere stadsrandzones geldt dat er kansen worden gezien om ruimtelijke kwaliteit toe te voegen via het inpassen van kleinschalige woningbouw en/of werklocaties, voor zover die passen bij het landelijk karakter en de cultuurhistorische waarden van een gebied, met voldoende ruimte voor toekomstbestendige groen- en waterstructuren en goed aansluitend op de bestaande woongebieden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

43

Binnen de stedelijke woongebieden wordt gestreefd naar vitale en veerkrachtige wijken, waarbij wordt voorzien in een passend niveau van voorzieningen. Ook wordt gestreefd naar het zo veel mogelijk clusteren van maatschappelijke functies en sociale voorzieningen, bij voorkeur in één gebouw in het centrum van de wijk: het 'wijkhart'. Groen-blauwe structuren worden versterkt ten behoeve van een fijne leefomgeving door te ontstenen en door het vergroenen van de openbare ruimte. Er wordt ingezet op een optimale bereikbaarheid tussen de woongebieden en de voorzieningenclusters, waarbij het streven is de dagelijkse voorzieningen zoveel mogelijk goed bereikbaar te maken en te houden voor fietsers en voetgangers. Verplaatsen per fiets of te voet wordt gestimuleerd (actieve mobiliteit). Bestaand cultureel erfgoed wordt gekoesterd, of het nu gaat om immaterieel erfgoed of materieel erfgoed en of het nu gaat om bebouwing of structuren, ze bepalen mede de identiteit en aantrekkelijkheid van een gebied. Actief behoud en benutten wordt gestimuleerd: behoud door ontwikkeling. Bij herontwikkelingen en gebiedsontwikkelingen worden kansen benut om oude structuren te herstellen en oude gebouwen weer terug te brengen.

Kaartje visie met aanduiding perifere stadsrandzone, ligging planlocatie is aangegeven met de blauwe marker

Een beleefbaar, veerkrachtig en toekomstbestendig buitengebied Voor zover relevant voor de beoogde ontwikkeling benoemd de visie de volgende gebiedsspecifieke keuzes: In halfopen landschappen van het agrarisch productielandschap wordt ingezet op versterking van de

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

bestaande groene structuren zoals houtwallen en kleine bosjes. Waar mogelijk worden ze ook uitgebreid. In de overgang tussen bebouwing en buitengebied wordt gezorgd voor robuuste, herkenbare groenstructuren als verbindingszones, waarmee de kwaliteiten van het buitengebied worden verbonden met het stedelijk gebied. Voor activiteiten in het buitengebied wordt een grove zonering gehanteerd waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen een 'groene zone' en een 'gele zone', zoals aangegeven op de visiekaart. Voor de groene zone liggen de doelen op het gebied van natuurontwikkeling en klimaatadaptatie. Voor de gele geldt dat er ruimte blijft voor buitengebied gerelateerd gebruik, harmonie met verduurzaming, de transitie naar kringlooplandbouw, een robuust water- en bodemsysteem en het behoud van cultuurhistorische (agrarische landschappen). Toepassing en conclusie Het planvoornemen draagt bij aan een aantal van de hiervoor genoemde ambities. Zo sluit de combinatie van het sportpark en het MFC en de gehanteerde visie op om één plek te kunnen leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten goed aan bij de wens om te voorzien in een vitale leefomgeving, waarbij bovendien goed wordt aangesloten op en wordt voortborduurd op de groen-blauwe structuren door de landschappelijke en klimaatadaptieve inrichting.

Ook draagt deze ontwikelling bij aan het behouden en doorontwikkelen van het voorzieningenniveau in Hout-Blerick en daarbij aan het behoud van de leefbaarheid. Ook al is in algemene zin de ambitie de in de visie bedoelde wijkharten centraal in de wijken te realiseren, is dat niet altijd mogelijk. In dit geval is sprake van een duidelijke meerwaarde om het nieuwe MFC te combineren met de herinrichting met het sportpark, aan de rand van de kern. Voor wat betreft bereikbaarheid geldt dat de locatie vanuit het directe verzorgingsgebied (kern Hout-Blerick) goed bereikbaar is, ook te voet of per fiets. De locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet valt onder het deelgebied / de beleidslijn 'Een beleefbaar, veerkrachtig en toekomstbestendig buitengebied', maar gelet op de aanduiding 'perifere stadsrandzone' is ook het deelgebied / de beleidslijn 'Een aantrekkelijk en sterk Centraal stedelijk gebied' van toepassing, waarbinnen Hout-Blerick is aangeduid als 'Stedelijk woongebied'. Daarbij is er ruimte voor beperkte uitbreiding in stadsrandzones. Het gebied tussen de Napoleonsbaan en de Baarlosestraat heeft zijn functie als agrarisch productielandschap (grotendeels) verloren en tussen de Springbeek - als grens van het huidige stedelijke gebied - en het sportpark komen al diverse stedelijke functies voor.

Voor Hout-Blerick geldt ook dat gelet op de aangrenzende infrastructuur (Rijksweg A73 en Napoleonsbaan) alleen ruimte is voor uitbreiding aan de zuidzijde, waardoor het 'gat' tussen de huidige kern en het sportpark verder zal worden verdicht. Daarop sluit een intensivering van het gebruik van het sportpark door dit voor zowel sport als andere maatschappelijke voorzieningen te benutten goed aan. Daarbij moeten koppelkansen worden benut en zorgvuldig worden opgegaan met bestaand groen, zoals hier ook gebeurt. Hetzelfde geldt voor het respecteren van cultuurhistorische waarden. Daarmee past de voorziene ontwikkeling binnen de kaders van de Omgevingsvisie 3.5.3 Agenda Groen en Water Met de in september 2020 vastgestelde Agenda Groen & Water verbreedt Venlo de traditionele koers van het groen- en waterbeleid en richt zich daarmee meer op functionaliteit, want groen en water dragen bij aan heel veel verschillende doelen. Dit is vertaald naar een multifunctionele groenblauwe basisstructuur, die men beter kan benutten en versterken. Ook de economische waarde van het groen en water wordt (h)erkend. Groen en water zijn onderdeel van het ruimtelijk vastgoed en dat vraagt een goed beheer. Zo blijft het groen en water duurzaam in stand en wordt vernietiging van dit kapitaal voorkomen: de basis op orde.

Verder geldt uiteraard dat bij nieuwe ontwikkelingen ook groen en water als ontwerpprincipe worden meegenomen en zo klimaatadaptief en toekomstbestendig te ontwikkelen. Gezien het voorgaande dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met klimaataspecten. Vermindering van verharding en bebouwingsoppervlak ten behoeve van het toevoegen van groen hebben

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

45

hierop een gunstig effect en dragen in de regel ook bij aan de biodiversiteit en leefbaarheid. Het afkoppelen en infiltreren van water is ook van belang om droogte en wateroverlast te beperken. In de Agenda Groen en Water zijn deze zaken vertaald als beleidsrichtingen. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze beleidsrichtingen vertaald te worden in de plannen. Toepassing en conclusie De Groenblauwe basiskaart die bij de Agenda Groen en Water duidt de bestaande sportvelden aan als 'groen'. Verder zijn rond de planlocatie enkele waardevolle houtopstanden aangegeven, net als gronden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland c.q. Natuurnetwerk Limburg. De bestaande sportvelden worden opnieuw en anders ingericht, waarbij de oppervlakte ook wordt uitgebreid. Dit doet geen afbreuk aan de groen-blauwe basisstructuur. Langs de Brookherhofweg worden kansen gezien voor bomenstructuren (net als voor de meeste andere wegen in de omgeving). Die weg komt als gevolg van het planvoornemen weliswaar te vervallen, maar de gewenste structuur krijgt bij de herinrichting van het sportpark alsnog wel invulling door op die plek te voorzien in een 'groene as'. Het planvoornemen leidt niet tot een aantasting van bestaande structuren. Bovendien levert de beoogde nieuwe inrichting van de planlocatie juist een aanzienlijke positieve bijdragen aan de groen-blauwe structuur.

Zo wordt de bestaande bomenrij die langs de bestaande velden aan de zijde van de Baarlosestraat aanwezig is doorgetrokken tot aan de huidige Brookerhofweg en daarmee ook verbonden met de genoemde 'groene as' die op die plek wordt gerealiseerd. Ook krijgt de ruimte rond het MFC een overwegend groene inrichting en is voldoende ruime gereserveerd voor het bergen en infiltreren van hemelwater. Daarmee past de voorziene ontwikkeling binnen de kaders van de Agenda Groen en Water. De aanleg en instandhouding van de genoemde structuren is ook geborgd in de planregels.

Uitsnede kaart Groenblauwe basisstructuur met planlocatie rood omlijnd

46

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

3.5.4 Venlo.Fit Sportvisie 2030 Als onderdeel van het programma 'Gezond en actief Venlo' is de sportvisie voor de periode 2019 tot 2030 vastgesteld. Als onderdeel van de programmalijn 'Gezond en Vitaal' wordt ingezet op sportontwikkeling, sportvoorzieningen en activiteiten op het gebied van het behouden en versterken van de gezondheid en vitaliteit van de inwoners van Venlo, met speciale aandacht voor de jeugd. De visie op dit punten voor de periode tot 2030 is vastgelegd in de sportvisie. De visie gaat uit van een viertal ambities: 1. 2. 3.

4.

Wij leren bewegen : Het streven is de jeugd op te laten groeien met sport en bewegen. Dit moet in het 'DNA' van kinderen komen om zo de basis te leggen voor een leven lang sport en bewegen. Iedereen kan sporten: Sport en bewegen moet voor iedereen toegankelijk zijn, ook voor ouderen. Sportvereniging en haar voorzieningen: sportverenigingen zijn een belangrijke hoeksteen van de samenleving op zowel sportief als sociaal vlak. Verenigingen moeten daarom worden gefaciliteerd, maar de sportvoorzieningen moet ook beter aansluiten op de behoefte van de inwoners gelet op de opkomst van onder meer ongebonden sporten. Onze ruimte daagt uit: de openbare ruimte wordt steeds meer gebruikt als sport- en beweegruimte. De openbare ruimte moet dit faciliteren en uitdagen tot sport, bewegen, spelen en recreëren.

In de visie is ten aanzien van sportvoorzieningen benoemd dat die beter moeten inspelen op de behoefte van inwoners en dat ze verenigingen moeten (blijven) faciliteren. Daarmee is het streven te voorzien in meer vitale, open en toekomstbestendige sportverenigingen. Clustering en/of samenwerken van zowel binnen- als buitensport is daarbij noodzakelijk. Uitbreiding van het aantal sportparken is niet aan de orde gelet op de bestaande overcapaciteit, de genoemde clustering moet daarom worden gezocht binnen de contouren van de bestaande sportparken. Multifunctioneel gebruik is daarbij gewenst. Gelet op de ambitie om de openbare ruimte uitdagend te laten zijn om te sporten, bewegen, spelen en recreëren is de wens schoolpleinen en sportparken onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte, beweegvriendelijk in te richten en toegankelijk te laten zijn voor alle inwoners. De visie bevat nog geen concrete keuzes ambities ten aanzien van specifieke locaties. Wel is opgenomen dat voor wat betreft de sportaccommodaties een separate, verdiepende visie zal worden opgesteld. De betreffende visie (Accommodatievisie sport 2020-2030) omvat geen concrete keuzes voor het huidige sportpark van HBSV.

Wel is vermeld dat HBSV een eigen toekomstvisie heeft opgesteld die uitgaat van behoud van de huidige locatie in plaats van verplaatsing naar Maassenhof in Boekend, gelet op de rol van de vereniging binnen de gemeenschap van Hout-Blerick.

Toepassing en conclusie Het planvoornemen sluit goed aan bij het gemeentelijk sportbeleid, aangezien door de clustering van de basisschool, de kinderopvang en het sportpark naadloos wordt aangesloten op de eerste ambitie om de jeugd te laten opgroeien met sport en bewegen. Ook wordt voorzien in een multifunctionele en toegankelijke buitenruimte, beschikbaar voor alle leeftijden. Door de herinrichting van het sportpark wordt ook de omnivereniging HBSV gefaciliteerd en wordt door de gehele ontwikkeling te realiseren op de locatie van het bestaande sportpark en het multifunctioneel gebruik van het gebouw (het MFC) voorzien in optimaal en duurzaam ruimtegebruik.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

47

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving 4.1

Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is van belang de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving te beoordelen. Daarbij zijn de gevolgen van het planvoornemen voor de omgeving relevant, maar ook de invloed van die omgeving op (de locatie van) de beoogde ontwikkeling. Die aspecten komen hierna aan de orde. Voor een belangrijk deel van deze aspecten geldt dat instructieregels vanuit het Rijk en/of provincie aan de orde zijn aan de hand waarvan die beoordeling dient plaats te vinden. Deze instructieregels zijn reeds beschreven in Hoofdstuk 3 van deze motivering, hierna vindt de inhoudelijk toetsing plaats. Ook wordt ingegaan op andere aspecten waarvoor geen instructieregels zijn gesteld door het Rijk of de provincie maar die wel van belang zijn voor de beoordeling of de beoogde wijziging van het omgevingsplan voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.1.2

Omgevingsveiligheid

4.1.2.1 Kaders De instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving zien op het voorkomen, beperken dan wel vertragen van de gevolgen van een branden, rampen en crises voor 'kwetsbare functies', waarbij voor wat betreft die kwetsbare functies een onderscheid wordt gemaakt in zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Uitgaande van die indeling en de definities daarvan in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving geldt voor onderhavig planvoornemen dat: die delen van het MFC die worden gebruikt als basisschool of voor de (kinder)opvang zijn aan te merken als zeer kwetsbaar gebouw. Daarbij is ook van belang dat daarbij ook de bijbehorende buitenruimte (speelplaatsen) dient te worden betrokken, gelet op het bepaalde in artikel 5.9, tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving. die delen van het MFC die worden gebruikt voor een sportfunctie zijn aan te merken als beperkt kwetsbaar gebouw, voor zover in die delen van het gebouw niet gedurende een groot deel van de dag een groot aantal personen aanwezig is. Is dat wel het geval, dan is dat deel van het MFC aan te merken als een kwetsbaar gebouw. Voor zover sprake is van een nevengebruiksfunctie van een gebruiksfunctie die als zeer kwetsbaar moet worden aangemerkt, dan is sprake van een zeer kwetsbaar gebouw.

de sportvelden zijn aan te merken als beperkt kwetsbare locatie, voor zover op die sportvelden niet gedurende een groot gedeelte van de dag een groot aantal personen aanwezig is. Is dat wel het geval, dan zijn de sportvelden aan te merken als kwetsbare locatie. Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015 Omdat een volledige risicoloze maatschappij niet bestaat, is de vraag welke risiconiveaus acceptabel zijn, hetgeen de gemeente Venlo heeft uitgewerkt in het nog altijd geldende Beleidsplan Externe veiligheid Venlo 2012-2015. Er wordt ingegaan op de vraag waar ruimte bestaat voor nieuwe risicovolle bedrijvigheid en wonen, onder welke veiligheidsverhogende condities en hoe moet worden gezorgd voor een goede beheersbaarheid van bestaande en toekomstige externe veiligheidsrisico's. Ook worden oplossingsrichtingen aangegeven voor bestaande knelpunten.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

49

In het document wordt het op dat moment (2011) geldende beleid geïnventariseerd en er is voorzien in een inventarisatie van risicobronnen met knel- en aandachtspunten. Die hebben geen betrekking op onderhavige planlocatie. Ook zijn diverse ontwikkelingen benoemd die op dat moment in ontwikkeling waren of op basis van beleid werden voorzien, waarbij ook eventuele knel- en aandachtspunten zijn benoemd in het kader van externe veiligheid. Onderhavige ontwikkeling dan wel die locatie is niet benoemd. Wat (nog) relevant is voor deze wijziging van het omgevingsplan is het beleid ten aanzien van beheersbaarheid van effecten als gevolg van calamiteiten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen bestrijdbaarheidsaspecten en zelfredzaamheidsaspecten.

Voor wat betreft bestrijdbaarheid gaat het om de mogelijkheden van de brandweer om een calamiteit te voorkomen en de effecten van een calamiteit zo goed mogelijk te bestrijden. Relevante aspecten zijn de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen, de mogelijkheden om de locatie van een incident binnen de voorgeschreven dan wel een aanvaardbare tijd te bereiken. Voor specifieke risicobronnen zijn bestrijdingsplannen of andere documenten ter voorbereiding op de bestrijding van eventuele incidenten nodig, naast de meer algemene regionale en gemeentelijke plannen die ter voorbereiding op mogelijke calamiteiten worden gemaakt. Het aspect zelfredzaamheid heeft betrekking op de mogelijkheden voor mensen om zichzelf in veiligheid te kunnen brengen in geval van een incident. Daarbij speelt alarmering een rol (dekking Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) en tegenwoordig ook NL Alert), maar ook de aanwezigheid van voldoende en geschikte vluchtmogelijkheden en aspecten die de zelfredzaamheid van de personen zelf betreffen. Daarbij speelt onder meer leeftijd en fysieke gesteldheid een rol.

Voorts worden ambities ten aanzien van externe veiligheid benoemd in het beleidsplan. De voor deze locatie c.q. deze ontwikkeling relevante ambities zijn: extra kwetsbare groepen (verminderd zelfredzame personen) niet in de nabijheid van risico's plaatsen;

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick

streven naar een optimalisatie van beheersmaatregelen; vergroten van de zelfredzaamheid van inwoners door risicocommunicatie; Aan de opgenomen ambities zijn ook concrete acties gekoppeld, zowel ten aanzien van risicobronnen, de beoordeling van ontwikkelingen in het fysieke domein, de beheersbaarheid van calamiteiten als organisatorische ontwikkelingen. Voor deze locatie c.q. deze ontwikkeling zijn relevant: bij ontwikkelingen toetsen aan de wettelijke kaders voor buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen; geen extra kwetsbare objecten (zeer kwetsbare gebouwen) binnen invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen advies inwinnen bij de brandweer. 4.1.2.2 Inventarisatie Risicobronnen in de omgeving betreffen volgens het Register Externe Veiligheid (raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving): een hoge druk aardgasleiding van de Gasunie, gelegen binnen het profiel van c.q. parallel aan de Brookerhofweg (Z-513-07); de Maas(corridor); de Rijksweg A73; enkele propaantanks. Voor wat betreft de Rijksweg A73 geldt dat de locatie is gelegen buiten het brand- en explosieaandachtsgebied. De afstand tussen de weg en de planlocatie bedraagt circa 800 meter, waardoor de locatie ook is gelegen buiten het gifwolkaandachtsgebied dat is begrensd op 300 meter. Ook voor wat betreft de Maascorridor geldt dat de locatie is gelegen buiten de relevante aandachtsgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/893/documents/23908