526475 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick, motivering.pdf
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
71
4.5
Water
4.5.1 Inleiding Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen. 4.5.2 Beleid Waterschap Limburg Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Op 8 december 2021 heeft het Waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het programma: 1. 2. 3. 4.
Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.
Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken moet zorgen voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast de zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Dit vereist een integrale aanpak.
Uitgangspunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer in relatie tot ruimtelijke plannen zijn: Nagaan of het plangebied nodig is voor de wateropgave van omliggende gebieden. Doorgaans zijn lagergelegen gebiedsdelen daarvoor het meest geschikt. Zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Reserveer circa 10% van het plangebied voor water. Houdt rekening met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkom wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Voer bodem- en infiltratieonderzoek uit en bepaal de grondwaterstand als input voor het ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Pas de voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit toe: schoonhouden, scheiden, zuiveren. Pas de voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit toe. hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Pas de voorkeurstabel afkoppelen toe. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen.
Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per twee uur ten noorden van Sittard, met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren.
72
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. 4.5.3 Beleid gemeente Venlo De gemeente Venlo hanteert een afkoppelbeslisboom die is gebaseerd op het gemeentelijk rioleringsplan (GRP+). De afkoppelbeslisboom voorziet in een stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, dient die afkoppelbeslisboom te worden doorlopen. 4.5.4 Huidige waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied is geen primair water of secundair water aanwezig, als in beheer bij het waterschap. Ook zijn er binnen of in de directe nabijheid van de locatie waarop de wijziging van het omgevingsplan ziet geen zuiveringstechnische werken of andere waterstaatswerken aanwezig waarop het planvoornemen van invloed kan zijn. De planlocatie ligt verder buiten het rivierbed van de Maas. Wel ligt het gebied binnen de boringsvrije zone 'Venloschol'. Zoals reeds gemotiveerd in paragraaf 3.4.6 levert dat echter geen belemmering op voor het planvoornemen. 4.5.5 Invloed planvoornemen Het planvoornemen bestaat uit de bouw van een multifunctioneel centrum en de herinrichting van het huidige sportpark.
Ten behoeve van parkeren en de bereikbaarheid van voorzieningen binnen het terrein zal worden voorzien in verhardingen en halfverhardingen. Hemelwater dat valt op deze bebouwing en verharding zal op de planlocatie moeten worden opgevangen en zo mogelijk worden geïnfiltreerd. Infiltratiemogelijkheden De mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater zijn onderzocht door Aelmans. Het betreffende onderzoek is als Bijlage 9 bij deze motivering gevoegd (d.d. 14 oktober 2024, kenmerk AMV240959.002/LOM). In het kader van dat onderzoek zijn 16 boringen geplaatst en is op 9 locaties een doorlatendheidsproef uitgevoerd. Op twee locaties na is aangetoond dat de doorlatendheid goed is, wat wil zeggen dat de doorlatendheid groter is dan 0,3m/d. De grondwaterstand is overal aangetroffen op een diepte van meer dan 0,7 m-mv, hetgeen ook gunstig is voor infiltratie. Wanneer tot slot alleen hemelwater naar de infiltratievoorziening wordt geleid (en daarbij een zand- en slibvangsysteem passeert) is infiltratie van hemelwater op de locatie mogelijk. Hoewel dus twee proeven hebben aangetoond dat op die locatie de doorlatendheid lager is dan 0,3 m/d, is er op de planlocatie voldoende gelegenheid om op een passende locatie te voorzien in een geschikte bergingsen infiltratievoorziening van voldoende capaciteit.
Bovendien geldt dat de twee locaties waar de doorlatendheid niet goed bleek zijn, zijn gesitueerd op een locatie waar sportvelden zijn voorzien. Op die plekken zal geen hemelwater afkomstig van bebouwing of verharding worden geborgen en geïnfiltreerd. Toepassing Beslisboom Zoals uit het infiltratieonderzoek blijkt, varieert de doorlatendheid op de locaties van de doorlatendheidsproeven tussen de 0,2 en 0,45 m/d. Ook blijkt uit het onderzoek dat de grondwaterstand zich niet binnen 1 meter beneden maaiveld bevindt. Daarom kan worden voorzien in een bergingsvoorziening zonder leegloopvoorziening. In het ontwerp wordt daarmee ook rekening gehouden en die voorziening kan voor wat betreft ruimtebeslag en capaciteit binnen de planlocatie worden gerealiseerd. Er zijn binnen de planlocatie of in de directe omgeving geen oppervlaktewateren aanwezig. Hoewel in de bestaande situatie al bebouwing en verharding aanwezig is, zal deze oppervlakte toenemen. De exacte oppervlakte aan toename kan in dit stadium echter nog niet worden bepaald, omdat de inrichting nog niet is uitgekristalliseerd en ook nog niet duidelijk is in hoeverre gesloten dan wel half-open verhardingen worden toegepast. Duidelijk is echter dat de toename aan bebouwde en verharde oppervlakte meer dan 100 m2 bedraagt, waarmee de toepasselijke bergingsnorm kan worden bepaald aan de hand van de beslisboom.
Die is afhankelijk van de
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
73
keuze voor het wel of niet (kunnen) voorzien in een noodoverlaat richting gemeentelijk rioolstelsel: indien niet wordt voorzien in een noodoverlaat, dan geldt een bergingsnorm van 71mm, gebaseerd op een bui die 1x per 25 jaar voorkomt (T=25), waarbij dan ook de gevolgen van een bui die 1x per 100 jaar voorkomt in beeld moeten worden gebracht (T=100, 84mm in 48 uur). Er mag bij die bui geen (water)schade ontstaan aan gebouwen. indien wel wordt voorzien in een noodoverlaat, dan geldt een bergingsnorm van 20mm, gebaseerd op een bui die 1x per 25 jaar voorkomt (T=25), waarbij dan ook de gevolgen van een bui die 1x per 100 jaar voorkomt in beeld moeten worden gebracht (T=100, 84mm in 48 uur). Er mag bij die bui geen (water)schade ontstaan aan gebouwen. Indicatieve berekening Uitgaande van een oppervlakte aan bebouwing van circa 3.500 m2 en ruim geschat circa 10.000 m2 aan verharding (paden, parkeerterrein en inclusief tennis en padelbanen), bedraagt de totale bebouwde en verharde oppervlakte in de nieuwe situatie circa 13.500 m2. In de bestaande situatie is sprake van circa 4.800 m2 aan bebouwing en verharding. De toename bedraagt daarmee circa 8.700 m2 , waarmee de benodigde bergingscapaciteit uitgaande van een absoluut systeem (dus zonder noodoverlaat) minimaal (8.700*0,071=) afgerond 618 m3 bedraagt.
In de benodigde bergingscapaciteit kan worden voorzien en daar wordt in de uitwerking van het inrichtingsplan rekening mee gehouden. In de planregels is geborgd dat bij uitbreiding van de bebouwde oppervlakte ook wordt voorzien in voldoende bergingscapaciteit.
Aansluiting riool Vuilwater en afvalwater zal worden afgevoerd via het bestaande rioolstelsel. 4.5.6 Advies Waterschap Limburg Een concept van deze wijziging van het omgevingsplan is voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het waterschap heeft in haar reactie geen concrete inhoudelijke opmerkingen gemaakt, maar enkel in algemene zin gewezen op de eerder in paragraaf 4.5.2 benoemde adviespunten. Ten aanzien daarvan kan in aanvulling op het voorgaande - worden opgemerkt: er worden geen logische waterstructuren geblokkeerd; er wordt voldoende ruimte gereserveerd voor waterberging; bij de inrichting van het terrein wordt rekening gehouden met c.q. voorzien in het voorkomen van wateroverlast door afstromend hemelwater, zowel binnen en buiten de planlocatie; er wordt voorzien in voldoende bergingscapaciteit volgens het gemeentelijk beleid, waarbij het uitgangspunt is het water bovengronds te bergen en te infiltreren. Het beheer en onderhoud van het terrein blijft bij de gemeente als eigenaar van het sportpark en het MFC. 4.5.7 Conclusie Gezien het voorgaande wordt afdoende rekening gehouden met de gevolgen voor watersystemen en het voorkomen van wateroverlast en zijn er op dat punt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
74
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
4.6
Lichthinder
Voor het aspect lichthinder geldt geen wettelijk kader, maar in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het wel een aspect om rekening mee te houden, aangezien de mate van verlichting op omliggende woningen van invloed is op het woon- en leefklimaat. In de praktijk wordt veelal aansluiting gezocht bij de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Deze richtlijn geeft grenswaarden om lichthinder zoveel mogelijk te beperken. Het gaat dan met name om grenswaarden voor de verlichtingssterkte op de gevel van woningen en maximale lichtsterktes van armaturen. De Richtlijn verdeelt gebieden in verschillende zones. Afhankelijk van de zone moet de verlichting aan bepaalde grenswaarden voldoen. Hier zijn in beginsel relevant: E2 - gebieden met een lage omgevingshelderheid. In het algemeen buitenstedelijke en landelijke (woon)gebieden E3 - Gebieden met een gemiddelde omgevingshelderheid. In het algemeen stedelijke (woon)gebieden. Gelet op de aard en inrichting van de omgeving is sprake van een E2-gebied. Bij lichthinder voor omwonenden wordt de hinder niet alleen veroorzaakt door licht-technische parameters, maar ook door het feit dat de hinder meestal elke dag opnieuw optreedt.
Omdat de gevoeligheid voor lichthinder in de nacht groter is dan overdag of in de avond, wordt bij de grenswaarden voor lichthinder uitgegaan van verschillende perioden. Voor de bepaling van de mate van lichthinder door (met name) sportveldverlichting wordt getoetst aan de volgende grenswaarden van de NSVV: De maximaal toegestane grenswaarden voor de lichtimissie (verlichtingssterkte in lux) op de gevel van woningen: 5 lux (in E2-gebied) in dag-/avondperiode. De grenswaarde voor de lichtsterkte van de armaturen is afhankelijk van de afstand tussen woning en armatuur en de schijnbare oppervlakte van de armatuur (Ap). Voor sportveldverlichting geldt daarnaast dat – op grond van artikel 22.239 van het Omgevingsplan gemeente Venlo – de verlichting tussen 23:00 en 07:00 uitgeschakeld moet zijn. Daarom gelden alleen de grenswaarden voor de dag- en avondperiode. Wanneer er geen sportactiviteiten plaatsvinden en er op dat moment ook geen onderhoud plaatsvindt, moet de verlichting uitgeschakeld zijn. Voor het sportpark is een lichtplan opgesteld en uit een op basis daarvan uitgevoerd lichthinderonderzoek blijkt dat op omliggende woningen aan de NSVV-grenswaarden wordt voldaan (0 tot 1 lux en daarmee < 5 lux). Daarbij wordt uitgegaan van hergebruik van de huidige armaturen, met toepassing van extra afscherming.
Het is een bestaand sportpark, waar ook in de huidige situatie al veldverlichting wordt toegepast. De situatie wordt verbeterd. Er is daarom geen aanleiding aan te nemen dat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen op dit punt in het geding is. In de planregels is wel geborgd dat de nieuwe terreinverlichting dient te voldoen aan de grenswaarden uit de NSVV. Verder kan ten aanzien van eventuele lichthinder worden opgemerkt dat gelet op de situering van het sportpark, de ontsluiting daarvan en de geluidwerende voorzieningen die worden gerealiseerd, in combinatie met de inpassing met groen redelijkerwijs ook geen onevenredige hinder als gevolg van inschijnende koplampen is te verwachten.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
75
4.7
Milieueffectrapportage
Een plan-m.e.r.-plicht is aan de orde wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. De beoogde activiteit zou wellicht kunnen worden gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11). De wijziging van het omgevingsplan heeft echter betrekking op een klein gebied in verhouding met het totale grondgebied van de gemeente en het betreft slechts een beperkte wijziging van de regels van het ‘gemeentebrede’ omgevingsplan. Om die reden kan in beginsel worden volstaan met m.e.r.-beoordeling.
Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn: Kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën; plaats van het project: bestaand grondgebruik; relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; kenmerken van het potentiële effect: bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); grensoverschrijdend karakter van het effect; waarschijnlijkheid van het effect; duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect.
Zoals uit deze motivering blijkt geven de kenmerken van de beoogde ontwikkeling, de locatie van de beoogde ontwikkeling en potentiële effecten van de beoogde ontwikkeling geen aanleiding aan te nemen dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, waardoor het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk of zinvol is. Bovendien is in relatie tot de oppervlakte van de gemeente Venlo sprake van een klein gebied waarop de wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft.
76
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
4.8
Duurzaamheid
Zoals uit eerdere paragrafen blijkt wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik en wordt afdoende rekening gehouden met klimaataspecten. Verder gelden voor nieuwe ontwikkelingen en dan met name nieuwe bebouwing duurzaamheidseisen op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het gaat dan om energieprestatie-eisen (BENG) die zien op de maximale energiebehoefte, maar ook op het gebruik van energiebronnen: er geldt een maximum voor de toepassing van fossiele energie in kWh per m2 gebruiksvloeroppervlak per jaar en juist een minimum aandeel uit hernieuwbare energie (in %). Dit geldt voor zowel woningbouw als utiliteitsbouw. Daarnaast dient bij een aanvraag omgevingsvergunning voor nieuwe gebouwen ook de milieubelasting in beeld te worden gebracht voor de te gebruiken materialen (MilieuPrestatie Gebouwen of MPG). Dit laatste geldt alleen voor woningen en kantoorgebouwen en is ook uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
77
78
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het (verplicht) verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. In dit geval is sprake van de bouw van een hoofdgebouw anders dan voor een woonfunctie, waarvoor kostenverhaal in beginsel aan de orde is. Verhaal van kosten vindt bij voorkeur plaats via een zogenoemde anterieure overeenkomst. Is of wordt geen overeenkomst gesloten, dan vindt kostenverhaal plaats via de publiekrechtelijke weg door daarover regels op te nemen in het omgevingsplan. Er kan onder meer worden afgezien van kostenverhaal indien de te verhalen kosten beperkt zijn (< 10.000 euro). In dit geval is van belang dat de gemeente zelf initiatiefnemer is van de ontwikkeling en ook eigenaar is en blijft van het overgrote deel van de gronden waarop de ontwikkeling is voorzien. Voor de beoogde ontwikkeling is door de gemeenteraad van Venlo het benodigde krediet beschikbaar gesteld en opgenomen in de (sluitende) begroting 2025-2028. Voor zover de benodigde gronden nog niet in eigendom zijn van de gemeente wordt ingezet op minnelijke verwerving en zo nodig onteigening.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Algemeen Zoals uit deze motivering blijkt draagt de planvoornemen bij aan diverse beleidsdoelen op het gebied van leefbaarheid en gezondheid en wordt voorzien in een duurzaam ruimtegebruik door herontwikkeling van een locatie die al grotendeels in gebruik is als sportpark en door sport en onderwijs met elkaar te verbonden door op één locatie leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten mogelijk te maken. Ook blijkt uit deze motivering dat de beoogde ontwikkeling goed inpasbaar is op de beoogde locatie en dat wordt voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.2.2 Huidig gebruik: uitzondering overgansgrecht Voor de weide op de hoek van de Brookerhofweg/Baarlosestraat (percelen kadastraal bekend Venlo, sectie R nummer 323 en 324) is de huidige bestemming 'Agrarisch met waarden'. Dat gebruik is niet meer gewenst en niet meer in het algemeen belang, gelet op de beoogde ontwikkeling van het multifunctioneel centrum en de herinrichting van het sportpark en het maatschappelijk belang van die voorzieningen. Aan het belang van het realiseren van deze maatschappelijke voorzieningen wordt een groter belang toegekend dan aan de belangen van de eigenaren c.a. gebruikers van die twee percelen.
Gelet op de ligging en de vorm van die percelen is de realisatie van de beoogde functies ook niet mogelijk als één aaneengesloten sportpark met MFC zonder deze percelen daar in te betrekken. Er zal daarom worden ingezet op verwerving van deze percelen. Bij voorkeur door minnelijke verwerving, zo nodig door de inzet van publiekrechtelijke mogelijkheden. 5.2.3 Participatie Omgeving Verder is de omgeving regelmatig geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling en is ook gesproken met omwonenden en omliggende bedrijven. Daaruit komen - naast overwegend positieve reacties - kort samengevat een aantal zorgen en aandachtspunten naar voren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling: 1.
voorkomen dat als gevolg van de andere oriëntatie van de voetbalvelden ballen op omliggende percelen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
79
2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
terecht kunnen komen; voorkomen dat (onevenredige) gevolgen voor de privacy kunnen ontstaan door inkijk in woningen en tuinen. de situering van de buitenruimte bij de school en op de opvang in verband met geluidoverlast; eventuele geluidsoverlast vanwege muziek tijdens sportactiviteiten en feestjes; de inrichting van de Baarlosestraat in combinatie met het feit dat er vaak te hard wordt gereden op deze weg; de bereikbaarheid van percelen aan de Brookerhofweg na het gedeeltelijk vervallen van die weg als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Landschappelijke inpassing in relatie tot afscherming omliggende percelen (groene afscheiding); parkeervoorzieningen: wildparkeren voorkomen. Lichthinder als gevolg van lichtmasten rond de velden.
Ad 1) Om te voorkomen dat ballen buiten de planlocatie terecht komen zal worden voorzien in zogenoemde ballenvangers achter de doelen. Ad 2) Gelet op de beperkte bouwhoogte van de MFC en het feit dat de rest van de activiteiten op maaiveldniveau plaatsvinden, zijn de mogelijkheden voor inkijk en de daarmee eventueel gepaard gaande inbreuk op de privacy beperkt. Aan de zijnde van de speelplaats van de school en de opvang zal worden voorzien in een gesloten geluidscherm dat behalve het zicht ook het geluid beperkt. Verder wordt gelet op de beoogde inrichting voorzien in ruim groen, waardoor inkijk ook wordt beperkt. Ad 3) De buitenruimte in de vorm van een speelplaats is voorzien aan de oostzijde van het MFC. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat met het realiseren van een geluidscherm voor wat betreft kan worden voorzien in een aanvaardbare situatie. Het realiseren van het geluidscherm is daarom ook geborgd in de planregels. Ad 4) Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat voor wat betreft geluid wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen. Voor eventuele incidentele festiviteiten gelden de reguliere regels, zoals die ook in de huidige situatie al van toepassing zijn. Ad 5) Er vindt nog uitwerking van de kruising Baarlosestraat-Schansheideweg plaats, waarbij wordt beoogde de verkeersveiligheid te vergroten voor alle verkeersdeelnemers.
Bovendien zal het begin van de (verkeerskundige) bebouwde kom voor de Baarlosestraat in westelijke richting worden verlegd naar het begin van het sportpark, waarmee de maximumsnelheid naar beneden wordt gebracht. Ad 6) De percelen aan het resterende deel van de Brookerhofweg en de daarop aansluitende Schansheideweg blijven bereikbaar via de huidige Schansheideweg, vanaf de Baarlosestraat. Ad 7) Zoals blijkt deze motivering en de beoogde inrichting van het terrein zal worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing van zowel het MFC als de sportvelden en de bijbehorende voorzieningen Ad 8)
80
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Zoals toegelicht in deze motivering wordt voorzien in voldoende nieuwe parkeergelegenheid. In tegenstelling tot de huidige situatie wordt daarmee de parkeerbehoefte op eigen terrein opgevangen en hoeft de bestaande parkeerplaats aan de overzijde van de Schansheideweg slechts eventuele pieken op te vangen. Wildparkeren langs de Schansheideweg of Brookerhofweg is daarom niet (meer) te verwachten. Ad 9) Zoals blijkt uit paragraaf 4.6 van deze motivering blijkt uit het uitgevoerde indicatieve lichthinderonderzoek dat kan worden voldaan aan de richtlijnen van de NSVV en is in de planregels ook geborgd dat daaraan moeten wordt voldaan.
Waterschap en Provincie Verder is een concept van deze wijziging van het omgevingsplan voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de Provincie Limburg. Zoals reeds blijkt uit paragraaf 4.5.6 heeft het waterschap enkel gewezen op de algemene adviespunten en worden die in het plan gevolgd. De provincie heeft laten weten de conclusies ten aanzien van beschermde soorten te onderschrijven (ecologie), maar vraagt aandacht voor de effecten op beschermde Natura2000-gebieden, aangezien in dat concept nog geen Aerius-berekeningen waren verwerkt. Die berekeningen zijn inmiddels wel voorhanden en ze zijn verwerkt in paragraaf 4.4. Daaruit volgen geen belemmeringen voor het planvoornemen. Verder wordt aandacht gevraagd voor het voorkomen van negatieve effecten op het Natuurnetwerk Limburg. Daarop is reeds ingegaan in paragraaf 3.4.3. Ook daaruit volgen geen belemmeringen voor het planvoornemen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
81