526475 Bijl01 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick, motivering.pdf
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Toelichting
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC HoutBlerick Gemeente Venlo
TAM-OMGEVINGSPLAN Toelichting
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick Gemeente Venlo
IDN-nummer:
NL.IMRO.0983.TAM202501MFCHB-VA01
Status:
vastgesteld
Datum:
1 oktober 2025
Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4
5 5 6 7
Doel en aanleiding Ligging en afbakening projectlocatie Plaats binnen het omgevingsplan Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Hoofdstuk 2 De beoogde ontwikkeling
9
2.1 2.2
9 15
Beschrijving van de beoogde ontwikkeling Het geldende omgevingsplan
Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving
19
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Rijksbeleid Besluit kwaliteit leefomgeving: instructieregels Rijk Provinciaal beleid Omgevingsverordening Limburg: instructieregels provincie Gemeentelijk beleid
19 20 30 34 39
Hoofdstuk 4 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
49
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Milieuaspecten Gezondheid Cultureel erfgoed Natuur Water Lichthinder Milieueffectrapportage Duurzaamheid
49 66 66 69 72 75 76 77
Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid
79
5.1 5.2
79 79
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Toelichting
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
3
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doel en aanleiding
De gemeente Venlo is voornemens op de locatie van de Omni-vereniging H.B.S.V. te voorzien in een herinrichting van het sportpark met de realisatie van een multifunctioneel centrum (MFC) waarin ook basisschool de Springbeek en een kinderopvang worden ondergebracht. Op het sportpark wordt ook voorzien in nieuwe tennisbanen en padelbanen voor Tennis- en Padelclub Blerick. De locatie van het nieuwe sportpark met het MFC heeft in het geldende bestemmingsplan “Buitengebied" - van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo - een grote diversiteit aan bestemmingen, op basis waarvan de realisatie van het voornemen niet mogelijk is. In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venlo nodig om het voorgaande planologisch mogelijk te maken. Per voornoemde datum is het voor deze locatie geldende bestemmingsplan onderdeel geworden van het omgevingsplan, dat naast alle geldende ruimtelijke plannen binnen de gemeente bestaat uit een set regels die door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente door middel van de zogenoemde 'bruidsschat', als opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
1.2
Ligging en afbakening projectlocatie
De locatie is gelegen ten zuidwesten van de kern Hout-Blerick, tussen de Baarlosestraat en de Schansheideweg. De locatie omvat het huidige sportpark, maar ook de weide op de hoek Baarlosestraat en de Brookerhofweg (kadastraal Venlo, sectie R nummer 323 en 324), de Brookerhofweg (gedeeltelijk) en het huidige perceel Baarlosestraat 338 (kadastraal Venlo, sectie R nummer 335 + 336) is onderdeel van de locatie waarop het nieuwe sportpak met het MFC is voorzien. De begrenzing van de locatie is op navolgende afbeelding globaal weergegeven, de exacte begrenzing volgt uit de digitale begrenzing van de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet. De totale oppervlakte van de locatie waarop de wijziging ziet bedraagt circa 6,2 hectare.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
5
Ligging locatie waarop de wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft met globale begrenzing in rood
1.3
Plaats binnen het omgevingsplan
In verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, is een wijziging van het Omgevingsplan gemeente Venlo nodig om het voorgaande planologisch mogelijk te maken. Per voornoemde datum is het voor deze locatie geldende bestemmingsplan "Buitengebied", als vastgesteld door de gemeenteraad op 30 maart 2011, onderdeel geworden van het omgevingsplan, net als de voor de locatie geldende partiële herzieningen van dat bestemmingsplan: Parapluplan plattelandswoningen Venlo, vastgesteld d.d. 3 februari 2016; Paraplubestemmingsplan kamerbewoning, vastgesteld d.d. 25 november 2020. Naast voornoemde bestemmingsplannen en de overige binnen de gemeente geldende ruimtelijke plannen bestaat het geldende omgevingsplan uit een set regels die door het Rijk is overgedragen aan de gemeente door middel van de zogenoemde 'bruidsschat', als opgenomen in hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan. Deze ruimtelijke plannen en de bruidsschat vormen samen het zogenoemde 'tijdelijke deel' van het omgevingsplan. Deze wijziging van het omgevingsplan voorziet in beginsel in een gehele vervanging van de voor de projectlocatie geldende bestemmingsplannen die onderdeel zijn van voornoemd tijdelijke deel van het omgevingsplan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 22.5 van de Omgevingswet.
Een uitzondering geldt voor de locatie 'Spuitvrije zone', die de vooralsnog geldende bestemmingsplannen slechts aanvult c.q. wijzigt voor zover dat uit de planregels volgt. Aangezien het nog niet (goed) mogelijk c.q. wenselijk is een wijziging van het omgevingsplan vorm te geven en beschikbaar te stellen volgens de nieuwe STOP/TPOD-standaarden, wordt gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregel “TAM-IMRO”. Hoewel daarbij de IMRO2012-standaard wordt toegepast die ook werd gebruikt voor het opstellen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen via ruimtelijkeplannen.nl, dient een zogenoemd “TAM-omgevingsplan” inhoudelijk wél te voldoen aan de wettelijke kaders die voortvloeien uit de Omgevingswet en daarop gebaseerde regelgeving, waaronder het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Het TAM-omgevingsplan wordt ook onderdeel van het zogenoemde 'nieuwe deel' van het omgevingsplan.
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
1.4
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Voorliggende motivering voorziet in de onderbouwing dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan het criterium 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)'. Daartoe wordt hierna in hoofdstuk 2 eerst de beoogde ontwikkeling geschetst, waarbij ook wordt ingegaan op (de strijdigheden met) het geldende omgevingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de relevante beleidskaders en instructieregels vanuit Rijk en provincie, net als het regionaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de fysieke leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 tot slot wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
7
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Hoofdstuk 2 2.1
De beoogde ontwikkeling
Beschrijving van de beoogde ontwikkeling
2.1.1 Ligging en omgeving De locatie is gelegen ten zuidwesten van de kern Hout-Blerick, tussen de Napoleonsbaan en de Baarlosestraat en bestaat in de huidige situatie uit het sportpark van HBSV, een woning met bijbehorende gronden (Baarlosestraat 338), een gedeelte van de Brookerhofweg en enkele agrarische percelen (weides) aan weerszijden van de Brookerhofweg. Rond de locatie liggen enkele woningen, aan de Brookerhofweg, Schansheideweg en aan de Baarlosestraat. Aan de overzijde van de Baarlosestraat ligt het gebied Laerbroeck. Van oudsher is dit een gebied met veel glastuinbouw, maar dat is grotendeels verdwenen in het kader van het bieden van ruimte aan de rivier de Maas, omdat een groot deel van het gebied onderdeel uitmaakt van het stroomvoerend rivierbed van die rivier. Verspreid door het gebied komen wel nog relatief veel woningen voor. Tussen het sportpark en de Napoleonsbaan ligt nog een bosgebied dat onderdeel uitmaakt van het Natuurnetwerk Limburg.
Luchtfoto van de huidige situatie, met een globale aanduiding van de projectlocatie in rood 2.1.2
De beoogde ontwikkeling
Het sportpark De beoogde ontwikkeling ziet op een herinrichting van het bestaande sportpark dat in de huidige situatie wordt doorkruist door de Brookerhofweg. Door dat deel van de Brookerhofweg te laten vervallen en daar ook het huidige perceel Baarlosestraat 338 bij te betrekken, net als de weide op de hoek van de huidige Brookerhofweg en de Baarlosestraat, ontstaat meer ruimte voor een aaneengesloten sportpark met alle beoogde functies en hoeft geen weg meer te worden overgestoken om de beoogde nieuwe sportvelden te bereiken. Hoewel de Brookerhofweg binnen de grenzen van het nieuwe sportpark komt te vervallen, blijft het tracé wel zichtbaar door te voorzien in een zogenoemde 'groene as' tussen het nieuwe hoofdveld en de overige
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
9
sportvelden. Op het sportpark zijn drie voetbalvelden, zes padelbanen en vier tennisbanen voorzien. De bestaande twee voetbalvelden ten zuidwesten van de Brookerhofweg worden daarbij een kwartslag gedraaid, waardoor ze in de lengterichting parallel aan de Baarlosestraat komen te liggen. Door de velden te draaien ontstaat aan de noordzijde van de velden ruimte voor de realisatie van de zes padelbanen en de vier tennisbanen. Het hoofdveld komt wel 'haaks' op de Baarlosestraat te liggen, ter hoogte van de huidige Brookerhofweg. Door deze herinrichting ontstaat op de plek van het huidige hoofdveld, de huidige twee padelbanen en de huidige kantine en kleedfaciliteiten ruimte voor realisatie van het multifunctioneel centrum. De bereikbaarheid van alle sportvelden binnen het park is voorzien door de aanleg van een promenade die langs het MFC en alle sportvelden voert.
Indicatieve weergave van de beoogde inrichting van het sportpark en de situering van het MFC (bron: CB5)
Het multifunctioneel centrum Het multifunctioneel centrum wordt gerealiseerd aan de zijde van de Schansheideweg, maar krijgt een meerzijdige oriëntatie. Gelet op de ligging aan de rand van de kern, op de overgang naar het buitengebied wordt daar voor wat betreft hoogte (maximaal twee bouwlagen) en architectuur (waar mogelijk natuurlijke materialen, aardse kleuren en groene gevels en beeldkwaliteit) rekening mee gehouden. Door het beperkt aantal bouwlagen wordt - in combinatie met de landschappelijke inpassing en geluidswerende voorzieningen inkijk in woningen en tuinen zoveel mogelijk voorkomen. Het dak krijgt een groene invulling. Aan de zijde van de sportvelden wordt voorzien in een trappartij die toegang geeft tot de kantine / ondersteunende horecafaciliteiten en die tevens kan dienen als tribune bij het aangrenzende hoofdveld. Daarmee wordt een verbinding gecreëerd tussen het MFC en de sportfaciliteiten.
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
(bron: CB5)
In het gebouw wordt een kindcentrum ondergebracht bestaande uit de te verplaatsen basisschool Springbeek en te verplaatsen kinderopvang waar kinderen tot 12 jaar de hele dag door kunnen leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten. De daarmee gepaard gaande brutovloeroppervlakte is voor de school, uitgaande van circa 275 leerlingen, circa 1590 m2 en voor de opvang circa 525 m2 . Daarnaast wordt voorzien in sportvoorzieningen, waarbij het gaat om een gymzaal met bijbehorende faciliteiten voor gebruik door de school en de opvang, maar ook voor gymnastiek en andere sporten. Ook wordt voorzien in een sportkantine met bijbehorende voorzieningen en vergaderfaciliteiten voor de sportverenigingen. De brutovloeroppervlakte voor het programma aan sportvoorzieningen bedraagt samen circa 1.532 m2 . De totale minimale brutovloeroppervlakte van het MFC bedraagt daarmee circa 3.650 m2 . Aanvankelijk maakte ook een nieuw gemeenschapshuis onderdeel uit van het programma van het multifunctioneel centrum, maar dat maakt in deze (eerste) fase geen onderdeel uit van het planvoornemen.
Mogelijk dat dit later als tweede fase als uitbreiding aan de zuidzijde alsnog wordt toegevoegd aan het MFC, maar dat zal dan op dat moment door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of door middel van een nieuwe wijziging van het omgevingsplan planologisch moeten worden gefaciliteerd. Rond het multifunctioneel centrum wordt voorzien in een natuurlijke en schaduwrijke speelomgeving ten behoeve van de school en de opvang. Daarbij is van belang dat dit wordt beperkt tot het oostelijk deel van het plangebied, aangezien rekening moet worden gehouden met risico's vanwege de onder de huidige Brookerhofweg gelegen gasleiding (zie paragraaf 4.1.2).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
11
Impressie inrichting omgeving MFC (Bron: CB5)
Zoals uit de hiervoor opgenomen impressies blijkt wordt met name langs de randen van het terrein en rond het MFC ruim voorzien in groen en is ook genoeg ruimte gereserveerd voor voorzieningen voor de berging en infiltratie van hemelwater. De inrichting is echter nog indicatief en kan nog beperkt wijzigen. Onder andere voor wat betreft de groeninrichting en de uitvoering van de waterhuishoudkundige voorzieningen. 2.1.3 Verkeer en parkeren De hoofdtoegang tot het terrein is voorzien aan de zijde van de Schansheideweg. Er wordt voorzien in één parkeerterrein ten noorden van het MFC, langs de Schansheideweg. Dat terrein dient overdag met name voor parkeren voor personeel en het stoppen dan wel parkeren voor het brengen en halen van kinderen. Aan de zijde van de Baarlosestraat wordt voorzien in een ontsluiting ten behoeve van het aanleveren van goederen, waardoor personen- en goederenverkeer van elkaar wordt gescheiden. Door de langs de randen van het parkeerterrein te voorzien in wintergroene beplanting en door de langs het parkeerterrein aan te leggen geluidwal wordt eventuele lichtinval door koplampen voor omliggende woningen tot een minimum, en daarmee een aanvaardbaar niveau, beperkt. De aanleg en instandhouding van zowel het hier bedoelde groen als de geluidwal is geborgd in de planregels.
2.1.3.1 Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie aan personenauto's per etmaal is te berekenen aan de hand van kengetallen c.q. publicaties van CROW als weergegeven in onderstaande tabel. Gemiddeld gaat het dan 832 motorvoertuigbewegingen per etmaal, weekdaggemiddeld. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat op één dag zowel de school, de opvang, alle sportvelden en de sportzaal volledig worden gebruikt. In de praktijk zal de nadruk van het gebruik van het MFC met name op weekdagen liggen, terwijl een volledig gebruik van de sportvelden hoofdzakelijk in de weekenden aan de orde zal zijn. Op weekdagen vinden echter wel trainingen plaats, waardoor toch wordt uitgegaan van onderstaande optelsom van bewegingen per dag.
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Personenauto's Deze verkeersbewegingen betreffen hoofdzakelijk personenauto's en ze zijn uiteraard niet allemaal nieuw, aangezien in de huidige situatie al sprake is van een sportpark, bestaande uit drie voetbalvelden, twee kleinere trainingsvelden en twee padelbanen. De totale verkeersgeneratie kan voor wat betreft verwerkingscapaciteit goed worden verwerkt, verdeeld over een etmaal, waarbij van belang is dat sprake is van een 'piek' bij aanvang en na afloop van de lessen op school. Uitgaande van voornoemde aantallen gaat het dan om de helft van de 273 + 12 bewegingen in de ochtend en de helft in de middag: circa 142 bewegingen. De verkeersbewegingen ten behoeve van het sportpark zullen op doordeweekse dagen hoofdzakelijk in de avondperiode plaatsvinden en in de weekend hoofdzakelijk overdag, waardoor er niet of nauwelijks overlap zal zijn met de verkeersbewegingen die de school genereert. Ook is sprake van meer spreiding over de dag, aangezien trainingstijden en wedstrijdtijden per team verschillen. Er is gerekend met vier verkeersbewegingen per parkeervak, wat inhoudt dat elk vak gemiddeld twee keer op een dag wordt gebruikt. Uitgaande van een situatie dat voor een bepaalde trainingstijd en/of wedstrijdtijd alle voor de sportvelden parkeervakken nodig zijn, gaat het om 1/4 deel van het aantal berekende verkeersbewegingen: 60.
Mocht op een piekmoment bijvoorbeeld bij een toernooi - de gehele parkeerplaats worden benut, dan gaat het om 83 parkeerplaatsen en daarmee 83 bewegingen. De Schansheideweg heeft geen functie als doorgaande weg voor auto's c.q. gemotoriseerd verkeer. Vanaf de kruising met de Brookerhofweg is de Schansheideweg niet toegankelijk (geslotenverklaring beide richtingen en ook fysiek afgesloten met een slagboom). De Brookerhofweg kan vanaf die kruising in noordelijke richting wel worden gebruikt door auto's, maar het is een doorlopende weg, aangezien ter hoogte van de overkluizing van de Springbeek, nabij de aansluiting op de Hoverhofweg, geen doorgang meer mogelijk is voor auto's door een aangebrachte vluchtheuvel / rijbaanscheiding. Daarmee heeft de weg voor autoverkeer alleen een functie voor de ontsluiting van een tweetal woningen / woonpercelen en aan de Schansheideweg grenzende agrarische percelen. Daarmee is het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie zeer laag en zal de Schansheideweg het aantal hiervoor berekende verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. Verder is ook van belang dat de Brookerhofweg tussen de Baarlosestraat en het perceel Brookerhofweg 16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
13
komt te vervallen. Hiervoor is al geconstateerd dat de Brookerhofweg en de Schansheideweg geen functie hebben voor doorgaand verkeer gelet op de geslotenverklaring van de Schansheideweg vanaf die kruising (in westelijke richting) en het feit dat de Brookerhofweg doodlopend is. Het vervallen van het deel van de Brookerhofweg dat nodig is voor de beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de bereikbaarheid van andere functies en percelen, aangezien die percelen nog steeds kunnen worden bereikt via de Schansheideweg en dat het huidige lage aantal verkeersbewegingen en de voorziene verkeersbewegingen als gevolg van de planontwikkeling niet leiden tot aantallen die de Schansheideweg niet kan verwerken. Overigens is het vanuit het oogpunt van het optimaliseren van de verkeersveiligheid wel het voornemen te voorzien in een herinrichting van de kruising Baarlosestaat-Schansheideweg, maar de uitwerking daarvan moet nog plaatsvinden. Daarbij wordt ook het profiel van de Schansheideweg aangepast, waardoor de weg het passeren van tegemoetkomend verkeer beter mogelijk is. De maximumsnelheid gaat dan ook terug naar 30 km/uur. Mocht oplevering en ingebruikname van het MFC plaatsvinden vóór de beoogde herinrichting, dan zal zo nodig met tijdelijke aanpassingen in/aan de berm worden voorzien in afdoende passeermogelijkheden van tegemoetkomend verkeer, ook voor hulpdiensten.
Leveranciers Tot slot is van belang dat leveranciers gebruik zullen maken van een uitweg van de planlocatie naar de Baarlosestraat, waardoor dit verkeer gescheiden blijft van het personenverkeer. Daarbij zal het redelijkerwijs gaan om bestelbussen (licht wegverkeer) en middelzwaar wegverkeer, geen zwaar wegverkeer. Gezien de aard van het planvoornemen zal dit aantal verkeersbewegingen zeer beperkt zijn. Leveringen aan de school en de kinderopvang zijn gelet op de aard en omvang van de activiteiten redelijkerwijs beperkt (bijvoorbeeld verbruiksmaterialen, voedingsmiddelen ten behoeve van ontbijt en lunch op de opvang en incidenteel lesmaterialen of inventaris). Voor het sportpark zal het hoofdzakelijk gaan om bevoorrading van de kantine. Uitgaande van gemiddeld 2 leveringen per dag gaat het dan om 4 verkeersbewegingen per etmaal, hetgeen goed en veilig kan worden afgehandeld via de beoogde nieuwe uitweg op de Baarlosestraat.
Fietsers en voetgangers Een deel van het verkeer zal bestaan uit fietsers en voetgangers gelet op de relatief korte afstand tot de kern. De bereikbaarheid van het MFC en het sportpark is ook voor die verkeersdeelnemers goed en voor wat betreft het sportpark ook al de bestaande situatie.
Ontwikkelingen in de omgeving Voor de noordzijde van de Schansheideweg geldt dat wordt verkend of hier woningbouw mogelijk is en als gevolg waarvan ook een toename van het aantal verkeersbewegingen voor de Schansheide weg zou kunnen toenemen Dit initiatief is voor wat betreft programma, inrichting van het gebied en de beoogde ontsluiting echter nog onvoldoende concreet uitgewerkt, waardoor daarmee geen rekening mee kan worden gehouden c.q. de uitvoerbaarheid daarvan in dit stadium nog niet kan worden beoordeeld in het kader van deze wijziging van het omgevingsplan. Bij de besluitvorming over de betreffende ontwikkeling zal in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook moeten worden onderzocht van de invloed van dat planvoornemen is op de infrastructuur.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
2.1.3.2 Parkeervoorzieningen In de huidige situatie is er op het sportpark geen parkeerterrein aanwezig. Parkeren geschiedt op de openbare parkeerplaats aan de overzijde van de weg, tussen de Schansheideweg, Baarlosestraat en Holleweg. De parkeerbehoefte voor de beoogde nieuwe ontwikkeling wordt als volgt berekend, aan de hand van de door de gemeente Venlo gehanteerde parkeernormen: Sportfaciliteiten Voetbalvelden, padel- en tennisbanen: de norm is 20 pp per netto hectare terrein uitgaande van drie voetbalvelden à 0,7 ha gaat het om 2,1 ha netto terrein uitgaande van 4 tennisvelden à 264 m2 gaat het afgerond om 0,11 ha nettoterrein uitgaande van 6 padelbanen à 200 m2 gaat het om 1,2 ha nettoterrein daarmee bedraagt de parkeerbehoefte: 2,33. Afgerond op 3 hectare gaat het dan om 3*20 = 60 pp Sportzaal de norm is 2,8 pp per 100 m2 BVO de oppervlakte van de sportzaal bedraagt 404 m2 BVO daarmee bedraagt de parkeerbehoefte: 4,04*2,8 = (afgerond) 11 pp MFC Basisschool de norm is 0,8 pp per klaslokaal daarmee bedraagt de parkeerbehoefte uitgaande van 10 klaslokalen: 10*0,8 = 8 pp Kinderopvang de norm is 1,4 pp per 100 m2 BVO daarmee bedraagt de parkeerbehoefte uitgaande van 525 m2 BVO: 5,25*1,4 = (afgerond) 7pp. De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 86 parkeerplaatsen. Bij die berekening is echter geen rekening gehouden met dubbelgebruik.
De basisschool zal alleen worden gebruikt tijdens reguliere schooltijden en de kinderopvang slechts beperkt langer, tot het begin van de avond. Er kan daarom rekening worden gehouden met een bepaalde mate van dubbelgebruik, aangezien de sportvoorzieningen hoofdzakelijk in het weekend en in de avonduren (na sluitingstijd en veelal ook pas na sluitingstijd van de kinderopvang) Daarom zal worden voorzien in minimaal 83 parkeerplaatsen. Met het genoemde aantal van 83 kan de parkeerbehoefte goed worden opgevangen en is geen (onevenredige) parkeerhinder te verwachten voor de omgeving. Daarbij is ook van belang dat reeds sprake is van een sportpark met 3 sportvelden zonder dat sprake is van parkeervoorzieningen op eigen terrein en dat op loopafstand een openbare parkeerplaats aanwezig is die eventuele pieken kan opvangen.
2.2
Het geldende omgevingsplan
Voor de locatie gelden vooralsnog en als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo de volgende bestemmingsplannen: Naam Buitengebied Venlo
Vaststellingsdatum 30 maart 2011
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
15
Parapluplan plattelandswoningen Venlo Paraplubestemmingsplan kamerbewoning
20 april 2016 25 november 2020
De bestemmingen die in het bestemmingsplan "Buitengebied Venlo" aan de locatie zijn toegekend zijn 'Sport' (S), 'Verkeer' (V), 'Agrarisch met waarden' (AW) en 'Wonen'. Het huidige sportpark is daarbij bestemd voor Sport, de overige bestemmingen hebben betrekking op de huidige Brookerhofweg (V) en de bij het nieuwe sportpark te betrekken percelen Baarlosestraat 338 (kadastrale percelen R335 en R336, deels AW deels W) en de aan de overzijde van de weg gelegen weide (kadastraal perceel R324, AW). Verder loopt er door het plangebied een hartlijn leiding - gas, met een dubbelbestemming Leiding - Gas ter breedte van 5 meter aan weerszijden van die hartlijn. Deze leiding ligt binnen het profiel van de huidige Brookerhofweg. Daarnaast zijn een aantal gebiedsaanduidingen opgenomen. De gehele locatie is aangeduid als 'milieuzone grondwaterbescherming venloschol', 'robuuste landbouw en natuur' en 'middelhoge /hoge archeologische verwachting'.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Venlo
De bestemming Sport maakt een herinrichting van die gronden als sportpark wel mogelijk, maar een gebruik van de gronden als sportpark voor zover ze zijn bestemd voor Verkeer, Wonen of Agrarisch met waarden is niet mogelijk gelet op de daaraan verbonden bestemmings- en gebruiksregels. De realisatie van een multifunctioneel centrum op gronden met de bestemming Sport en Agrarisch met waarden is ook niet mogelijk, gelet op de daaraan verbonden bestemmings-, gebruiks- en bouwregels. De ter plaatse geldende parapluplannen betreffen partiële herzieningen en wijzigen de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Venlo voor wat betreft het gebruik van (voormalige) agrarische bedrijfswoningen als plattelandswoning en het gebruik van woningen binnen de bestemming Wonen voor
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
kamerbewoning. Gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling zijn die herzieningen niet van belang voor of van invloed op die ontwikkeling. Gezien de beoogde ontwikkeling als beschreven in paragraaf 2.1 en hetgeen het geldende bestemmingsplan c.q. omgevingsplan mogelijk maakt, is een wijziging van het omgevingsplan nodig om het sportpark en het multifunctioneel centrum te kunnen faciliteren.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
17
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid en regelgeving
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Voorsorterend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet is op 11 september 2021 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld en in werking getreden. Met de NOVI biedt het Rijk een duurzaam toekomstperspectief voor onze leefomgeving. Met ruim 17 miljoen mensen op ruim 41.000 m2 is het zaak goede keuzes te maken ten aanzien van ruimtebeslag, om Nederland over 30 jaar nog steeds een plek te laten zijn waar het goed wonen, werken en recreëren is. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen de 21 nationale belangen die in de NOVI worden onderscheiden. De belangrijkste keuzes zijn: De inpassing van duurzame energie(opwekking) met oog voor omgevingskwaliteit. Het bieden van ruimte voor een overgang naar een circulaire economie Woningbouw faciliteren in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden. Landgebruik meer in balans laten zijn met natuurlijke systemen. Het realiseren van deze wensen, het benutten van kansen en het oplossen van knelpunten vraagt om samenwerking tussen overheden. Zowel bij nationale vraagstukken als bij gebiedsgerichte regionale opgaven.
In de NOVI worden een viertal prioriteiten benoemd, met de bijbehorende beleidskeuzes. De voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan relevante keuzes worden hierna samengevat weergegeven.
1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. We reserveren voldoende ruimte voor toekomstige waterveiligheidsmaatregelen. We maken de energie-infrastructuur geschikt voor duurzame energiebronnen en reserveren daarvoor ruimte. We passen duurzame energie in met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies, zoals zonnepanelen op daken en clustering van windmolens. Voor de inpassing van duurzame energie op land worden regionale energiestrategieën opgesteld. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95% gereduceerd, met 55% reductie als beoogd tussendoel in 2030. We zetten in op optimale (inter)nationale bereikbaarheid van steden en economische kerngebieden in het Stedelijk Netwerk Nederland. Overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een aantrekkelijk vestigingsklimaat. 3. Sterke en gezonde steden en regio's
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
19
We versterken het Stedelijk Netwerk Nederland door de ontwikkeling van de stedelijke regio's te ondersteunen en te zorgen voor goede onderlinge en externe verbindingen. Verstedelijking koppelen we aan de ontwikkeling van de (ov-) infrastructuur en vindt plaats in de regio's waar er vraag is. Het Rijk hanteert een integrale verstedelijkingsstrategie. Dit is een samenhangende aanpak van wonen, werken, mobiliteit, gezondheid, veiligheid en leefomgevingskwaliteit. Zo kunnen steden zich duurzaam ontwikkelen. Verstedelijking vindt geconcentreerd plaats in de regio. Toe te voegen nieuwe woon- en werklocaties worden zorgvuldig en op efficiënte wijze ingepast met oog voor beschikbare ruimte en mobiliteit. Het woningaanbod in de regio's sluit aan bij de vraag naar aantallen en typen woningen, woonmilieus en prijsklasse. We richten de leefomgeving zo in dat deze een actieve, gezonde leefstijl en maatschappelijke participatie bevordert. We verbeteren de luchtkwaliteit, zodat in 2030 wordt voldaan aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie. We versterken het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad en verbeteren de aansluiting op het groene gebied buiten de stad. Een natuurinclusieve ontwikkeling van de stedelijke regio's en natuurinclusief bouwen zijn het uitgangspunt. We richten steden en regio's klimaatbestendig in.
Het stedelijke mobiliteitssysteem levert een goede bereikbaarheid op. De auto, het ov, fietsen en lopen zijn onderling verknoopt. Het systeem draagt zo bij aan een gezonde leefomgeving en een gezonde leefstijl. Voor gebieden buiten het Stedelijk Netwerk Nederland, die liggen aan de grens van het land en/of waar vraagstukken rond bevolkingsdaling spelen, ontwikkelen de overheden gezamenlijk een integrale gebiedsgerichte aanpak. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschapsinclusief. Toepassingen conclusie Het planvoornemen draagt bij aan het behouden en versterken van het voorzieningenniveau in Hout-Blerick, waarbij door de beoogde clustering en filosofie (leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten) van de brede bundeling van voorzieningen ook wordt voorzien in een duurzame en integrale ontwikkeling op een goed bereikbare locatie op (hemelsbreed) slechts 400 meter afstand van het dorpshart van Hout-Blerick. Bovendien vindt zowel stedenbouwkundig als architectonisch een zorgvuldige inpassing in de omgeving plaats, met behoud van waardevol groen en een klimaatadaptieve inrichting.
Daarmee past het voornemen binnen de uitgangspunten voor de NOVI, ook al is de ontwikkeling gelet op de aard en omvang niet van invloed op het bereiken van nationale doelstellingen.
3.2
Besluit kwaliteit leefomgeving: instructieregels Rijk
3.2.1 Inleiding Het Rijk kan met het oog op nationale belangen en die belangen die niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door het gemeentebestuur kunnen worden behartigd instructieregels stellen over de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeentebesturen. Bij het wijzigen van het gemeentelijk omgevingsplan – als hier aan de orde – gelden instructieregels als opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen, waarbij is aangegeven in hoeverre ze relevant zijn voor deze wijziging van het omgevingsplan, gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en de ligging van de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft.
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Afdeling 5.1. Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Paragraaf
Betreft
Relevant voor deze wijziging?
Paragraaf 5.1.2
Waarborgen van de veiligheid
Paragraaf 5.1.3
Beschermen van de waterbelangen
Paragraaf 5.1.4
Beschermen van de gezondheid en het milieu
Paragraaf 5.1.5
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
Paragraaf 5.1.6
Behoud van ruimte voor toekomstige functies
Paragraaf 5.1.7
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten
Paragraaf 5.1.7a
Het gebruik van bouwwerken
Paragraaf 5.1.8
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Afdeling 5.2 Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Artikel
Betreft
Relevant voor deze wijziging?
Artikel 5.163 Artikel 5.164
Voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorinfrastructuur en rijkswegen Lokale spoorwegen binnen vervoerregio’
Artikel 5.165
Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool
Artikel 5.165a
Bebouwingscontour jacht
Artikel 5.165b
Bebouwingscontour houtkap
Nee Nee, geen lokale spoorweg vervoersregio op of nabij locatie waarop deze wijziging omgevingsplan ziet Nee, niet aan de orde gelet op de aard van de beoogde ontwikkeling Nee, wordt later verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan Nee, wordt later verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan
Hierna wordt de strekking van de relevante instructieregels beknopt beschreven, waarna toepassing plaatsvindt op het beoogde planvoornemen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
21
3.2.2 Het waarborgen van de veiligheid Inleiding In paragraaf 5.1.2 van het Bkl is voorzien in instructieregels met betrekking tot omgevingsveiligheid. De kern van deze paragraaf is dat bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het voorkomen en beperken van risico's van branden, rampen en crises (verder: incidenten), het bestrijden van de gevolgen van dergelijke incidenten en de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen wanneer zich een incident voordoet. Deze instructieregel is opgenomen in artikel 5.2 Bkl en verder geconcretiseerd in een aantal instructieregels die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. Kort samengevat wordt in die instructieregels uitgegaan van een onderscheid in vijf kwetsbare functies: beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Bij het toelaten van dergelijke kwetsbare functies dient te worden getoetst aan de opgenomen instructieregels, waarbij – net als vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet – onderscheid wordt gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en groepsrisico vanwege risicobronnen. Andersom zijn deze instructieregels ook relevant bij het toelaten van nieuwe risicobronnen nabij kwetsbare functies. Toepassing en conclusie In paragraaf 4.1.2 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op dit aspect.
Zoals uit die paragraaf blijkt wordt voldaan aan de relevante instructieregels en is er op dat punt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. 3.2.3
Het beschermen van de waterbelangen
Inleiding Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de gevolgen van die wijziging voor het beheer van watersystemen, zo volgt uit paragraaf 5.1.3 Bkl. Daarbij worden de opvattingen van de beheerder van het watersysteem betrokken. Verder is in genoemde paragraaf voorzien in instructieregels ten aanzien van primaire waterkeringen, het kustfundament, het rivierbed van en reserveringsgebieden voor grote rivieren en het IJsselmeer. Toepassing en conclusie Het planvoornemen is niet van invloed op primaire waterkeringen, het kustfundament, het rivierbed van of reserveringsgebieden voor een grote rivier of het IJsselmeer. In paragraaf 4.5 van deze motivering wordt inhoudelijk ingegaan op de relevante wateraspecten. Zoals uit die paragraaf blijkt, zijn geen waterbelangen in het geding en is daarover ook advies ingewonnen bij het Waterschap Limburg. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4
Het beschermen van de gezondheid en het milieu
3.2.4.1 Inleiding In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen ten aanzien van diverse milieuaspecten zoals luchtkwaliteit, geluid, trillingen, bodemkwaliteit en geur. Die aspecten komen hierna achtereenvolgens aan bod. 3.2.4.2 De kwaliteit van de buitenlucht Inleiding Wanneer met de wijziging van het omgevingsplan activiteiten worden toegelaten die een toename van de verkeersintensiteit veroorzaken op wegen, vaarwegen of spoorwegen of het activiteiten betreft waarover in het
22
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van de verontreiniging van de lucht, dienen de gevolgen voor de kwaliteit van de buitenlucht te worden beschouwd. Wanneer de betreffende activiteiten niet leiden tot een verhoging van de kalendergemiddelde concentratie van stikstofdioxide en fijnstof (PM1 0) in de buitenlucht van meer dan 1,2 µg/m3 en geen sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 5.53, eerste lid Bkl of wanneer sprake is van een 'standaardgeval' als bedoeld in artikel 5.54 Bkl, draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Wanneer sprake is van het mogelijk maken van meerdere activiteiten binnen een bepaalde afstand die gebruik gaan maken van dezelfde ontsluitingsweg binnen een periode van vijf jaar na vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan, worden gevolgen cumulatief beschouwd, voor zover die activiteiten afzonderlijk een bijdrage aan de luchtverontreiniging opleveren van 0,1 µg/m3 of meer. Toepassing en conclusie Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling en zoals ook blijkt uit de inhoudelijke toets van de gevolgen voor de kwaliteit voor de buitenlucht als opgenomen in paragraaf 4.1.3 draagt de ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels.
3.2.4.3 Geluid door activiteiten Inleiding Bij het toelaten van activiteiten – anders dan wonen – die geluid kunnen veroorzaken op geluidgevoelige gebouwen bij het wijzigen van het omgevingsplan, dient rekening te worden gehouden met dat geluid op geluidgevoelige gebouwen en moet erin worden voorzien dat het geluid van die activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Daarvan is sprake wanneer de standaardwaarden als opgenomen in artikel 5.65 Bkl worden overgenomen in het omgevingsplan. Dit betreft standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevel van (geprojecteerde) geluidgevoelige gebouwen en locaties voor woonschepen en woonwagens en grenswaarden voor toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Op een bedrijventerrein zouden de standaardwaarden voor toelaatbaar geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,L) en het maximaal geluidniveau (LAmax) eventueel met 5 dB(A) kunnen worden verhoogd, in agrarisch buitengebied kan de standaardwaarde voor toelaatbaar geluid op de gevels van geluidgevoelige gebouwen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,L) juist met 5 dB(A) worden verlaagd.
Daarnaast bieden de instructieregels op onderdelen ruimte om andere waarden te hanteren in het plan of om er op een andere wijze in te voorzien dat het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Verder zien de instructieregels onder meer op het uitsluiten van bepaalde activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken en het uitzonderen van de regels over geluid voor activiteiten op geluidgevoelige gebouwen voor bepaalde activiteiten zoals het geluid van hulpverleningsvoertuigen, gladheidsbestrijdingsvoertuigen en traumahelikopters en menselijk stemgeluid. Verder zijn er voor enkele specifieke activiteiten ook specifieke instructieregels opgenomen, zoals voor windturbines en windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen. Deze instructieregels zijn niet relevant voor onderhavige planlocatie en worden daarom niet verder beschreven.
Toepassing en conclusie In paragraaf 4.1.4 wordt inhoudelijk op deze aspecten ingegaan aan de hand van onder meer een akoestisch onderzoek. Uit die paragraaf blijkt dat wordt voldaan aan deze instructieregels en dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
23
3.2.4.4 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Inleiding Voor zover het geluid van wegen en spoorwegen betreft wordt onderscheid gemaakt tussen wegen en spoorwegen met geluidproductieplafond en zonder geluidproductieplafond. Ook voor industrieterreinen waarop activiteiten worden toegelaten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, geldt een systematiek van geluidproductieplafonds, voor andere bedrijventerreinen niet. De instructieregels die in het Bkl zijn opgenomen ten aanzien van industrieterreinen met een geluidproductieplafond blijven hierna buiten beschouwing, aangezien de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet niet is gelegen op of nabij een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld. Overigens is de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan ziet ook niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein waarvoor nog géén geluidproductieplafond is vastgesteld en vooralsnog de systematiek van de Wet geluidhinder geldt. De instructieregels voor geluid door wegen en lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds hebben betrekking op de aanleg of het wijzigen van een gemeenteweg of waterschapsweg, dan wel lokale spoorweg en een wijziging van het gebruik van een lokale spoorweg.
In die gevallen dient rekening te worden gehouden met het geluid van die wegen en spoorwegen op geluidgevoelige gebouwen en dient het omgevingsplan erin te voorzien dat dat geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Ook is voorzien in instructieregels aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Deze instructieregels gelden voor zowel geluidaandachtsgebieden langs wegen met als zonder geluidproductieplafond. Hierbij is verder relevant dat de instructieregels enkel gelden voor wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (kalenderjaargemiddelde) en dat zolang voor een weg nog geen geluidaandachtsgebied is bepaald aan de hand van de basisgeluidemissie, in de Omgevingsregeling is voorzien in overgangsrecht dat inhoudt dat het geluidaandachtsgebied wordt bepaald aan de hand van vaste afstanden tot de (spoor)weg. Tot slot dient bij het wijzigen van het omgevingsplan ook rekening te worden gehouden met indirecte akoestische effecten.
Zo dient bij wijzigingen die een toename van de verkeerintensiteit op een weg of spoorweg veroorzaken te worden onderzocht of die wijziging leidt tot een toename van het geluid op geluidgevoelige gebouwen van 1,5 dB en zo ja, of bijvoorbeeld beperking van die toename door geluidbeperkende maatregelen mogelijk is. Ook is voorzien in instructieregels die gelden voor situaties waarin wijzigingen in een geluidaandachtsgebied plaatsvinden die gevolgen hebben voor de geluidsoverdracht. Toepassing en conclusie De wijziging van het omgevingsplan voorziet onder meer in een multifunctioneel centrum dat gedeeltelijk is aan te merken als een geluidgevoelig gebouw en dat is gelegen binnen het (voorlopig) geluidaandachtsgebied van de Schansheideweg en de Baarlosestraat. Daarnaast genereert het planvoornemen extra verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie, welke gevolgen ook dienen te worden beschouwd op basis van de beschreven instructieregels en/of het criterium evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat geldt ook voor de geluidemissie die is te verwachten als gevolg van het nieuwe sportpark en (stem)geluid vanwege het gebruik van de buitenruimte bij de basisschool en de kinderopvang. Zoals blijkt uit de inhoudelijke toets in paragraaf 4.1.4 zijn er op die punten geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
3.2.4.5 Trillingen Inleiding Bij een wijziging van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met trillingen door activiteiten in
24
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen en dient er in te worden voorzien dat die trillingen in de genoemde ruimten van de genoemde gebouwen aanvaardbaar zijn. Trillinggevoelige ruimten zijn onder meer verblijfsruimten en verblijfsgebieden in gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied. Ruimten in een gebouw met een industriefunctie vallen er niet onder en de instructieregels gelden niet voor trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen die een (voormalige) functionele binding hebben met de activiteit die de trillingen kan veroorzaken. Toepassing en conclusie Het MFC is aan te merken als een trillinggevoelig gebouw, voor zover dat een onderwijsfunctie krijgt (basisschool) en voor zover dat een 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied' krijgt (kinderopvang). Gelet op de grote afstand tot de meest nabijgelegen spoorlijnen, autosnelwegen en bedrijventerreinen zijn redelijkerwijs geen onaanvaardbare trillingen op de beoogde locatie te verwachten als gevolg van wegverkeer, spoorwegverkeer of industrie. Ook zijn in de omgeving geen andere activiteiten aanwezig of toegelaten die voor onaanvaardbare trillingen kunnen zorgen.
Bovendien geldt voor eventuele nieuw te starten milieubelastende activiteiten in de omgeving dat de planregels in paragraaf 22.3.5 van het omgevingsplan van de gemeente Venlo reeds voorkomen dat onaanvaardbare trillingen kunnen ontstaan. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.4.6 Slagschaduwvan windturbines Gelet op het bepaalde in paragraaf 5.1.4.4a Besluit kwaliteit leefomgeving moet bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Eventuele slagschaduw moet aanvaardbaar zijn. Daar wordt binnen een cirkel van 12 maal de rotordiameter van de windturbine rond die windturbine aan voldaan indien ten hoogste gemiddeld zeventien dagen per jaar gedurende niet meer dan 20 minuten per dag slagschaduw optreedt. De meest nabij de planlocatie gesitueerde windturbines staan op enkele kilometers afstand. Daarmee kunnen gevolgen vanwege slagschaduw redelijkerwijs geheel worden uitgesloten en kan een verdere inhoudelijke toets in Hoofdstuk 4 verder achterwege blijven. 3.2.4.7 Bodemkwaliteit Inleiding In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen over de bodemkwaliteit voor bodemgevoelige locaties.
Dit zijn locaties waarop bodemgevoelige gebouwen en daarbij behorende aangrenzende, aaneengesloten tuinen en terreinen zijn toegelaten op basis van het omgevingsplan. Dit zijn gebouwen die geheel of gedeeltelijk de bodem raken en waarvoor het aannemelijk is dat er voor meer dan twee uur per dag aaneengesloten mensen aanwezig zullen zijn. De instructieregels gelden ook voor locaties waar woonschepen of woonwagen zijn toegelaten op basis van het omgevingsplan. De strekking van de instructieregels is dat in een omgevingsplan waarden worden opgenomen voor de toelaatbare bodemkwaliteit voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties en dat bij een overschrijding van die waarden sanering plaatsvindt of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Bij het bepalen van voornoemde waarden dient rekening te worden gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit als opgenomen in Bijlage IIA van het Bal, maar er kan ook worden voorzien in hogere waarden. Verder dient in het omgevingsplan te worden voorzien in bepaalde regels voor locaties waarvoor nazorg aan de orde is, zoals het in stand houden en onderhouden c.q. vervangen van na sanering aangebrachte afdeklagen en tijdelijke beschermingsmaatregelen die blootststelling aan een niet weggenomen bron van verontreiniging voorkomen.
Vooralsnog is dit alles geborgd in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (hoofdstuk 22). Toepassing en conclusie
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
25
Het planvoornemen heeft betrekking op het realiseren van een bodemgevoelig gebouw met bijbehorende terreinen op een bodemgevoelige locatie. Daarom is een onderzoek naar de bodemkwaliteit noodzakelijk. Zoals blijkt uit de inhoudelijke toets als opgenomen in paragraaf 4.1.5 wordt voldaan aan de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Daarmee wordt voldaan aan deze instructieregels en zijn er op dit punt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling, mits de benoemde noodzakelijke sanering wordt uitgevoerd. 3.2.4.8 Geur Inleiding In paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voorts instructieregels opgenomen over het veroorzaken van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit zijn in ieder geval gebouwen of delen van gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied, alsmede nevengebruiksfuncties van die functies. Het gaat niet alleen om feitelijk bestaande gebouwen, maar ook om gebouwen die op basis van het omgevingsplan zijn toegelaten, maar nog niet zijn gerealiseerd. In het omgevingsplan kunnen verder ook andere gebouwen of locaties als geurgevoelig worden aangewezen, mits in die gebouwen c.q. op die locaties hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.
Ook voor geur geldt dat de aan te houden afstanden of geurnormen (waarden) niet gelden voor geurgevoelige gebouwen die een (voormalige) functionele binding hebben met de geurveroorzakende activiteit. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en het omgevingsplan dient er in te voorzien dat die geur aanvaardbaar is. In aanvulling op de hiervoor beschreven 'algemene' instructieregels voor geur, gelden voor enkele specifieke activiteiten aanvullende instructieregels. Het betreft geur vanwege zuiveringstechnische werken, geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (bijvoorbeeld stallen), geur door andere agrarische activiteiten (bijvoorbeeld de opslag van mest en compost en de opslag van kuilvoer). Toepassing en conclusie Die delen van het MFC die een onderwijsfunctie krijgen (de basisschool) of een 'bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied' krijgen (de kinderopvang), zijn aan te merken als een geurgevoelig gebouw. Daarom dient rekening te worden gehouden met eventuele geurhinder en dient te worden onderzocht of de geursituatie aanvaardbaar is. Zoals blijkt uit de inhoudelijke toets in paragraaf 4.1.7 is redelijkerwijs echter geen onaanvaardbare geurhinder te verwachten vanwege het planvoornemen.
Daarmee vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen en wordt voldaan aan deze instructieregels. 3.2.5
Landschappelijke waarden, stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
3.2.5.1 Inleiding In paragraaf 5.1.5 zijn een aantal uiteenlopende instructieregels gebundeld die betrekking hebben op de bescherming van landschappelijke waarden, stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Ook de ladder voor duurzame verstedelijking is hier in onder gebracht. Een deel van de instructieregels heeft betrekking op de kustlijn, de Waddenzee en het Waddengebied. Die worden buiten beschouwing gelaten, maar de overige instructieregels komen hierna aan bod. 3.2.5.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Inleiding Artikel 5.129g Bkl is van toepassing op stedelijke ontwikkelingen die betrekking hebben op de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.
Voor zover een wijziging van een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toepassing en conclusie Deze afwegingsladder was voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. In dat kader is ook jurisprudentie gevormd die kan worden toegepast bij de beantwoording van de vraag wanneer een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel is. Ontwikkelingen van minder dan 12 woningen werden voorheen niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling omdat ze daarvoor te kleinschalig waren. Bij andere ontwikkelingen lag die grens op 500 m2 . Daarbij aansluitend is in ieder geval het multifunctioneel centrum aan te merken als een 'voldoende substantiële' stedelijke ontwikkeling. In navolgende motivering wordt ook de herinrichting van het sportpark betrokken.
Behoefte Basisschool de Springbeek en de kinderopvang betreffen bestaande voorzieningen binnen de kern Hout-Blerick, vooralsnog gevestigd op het adres Hoverhofweg 35. Ook de te realiseren kinderopvang betreft de verplaatsing van bestaande kinderopvang vanaf twee locaties binnen Hout-Blerick (Bouteshof 13 of Zalzerskampweg 64). Voor die functies is behoefte aan nieuwe huisvesting, afgestemd op de anno 2025 daaraan te stellen eisen en wensen. Op de huidige locatie is daarvoor onvoldoende ruimte beschikbaar. Daarbij is nadrukkelijk de wens te voorzien in een multifunctionele locatie met naast ruimte voor onderwijs, opvang ook ruimte voor andere maatschappelijke functies zoals sport en verenigingsleven om zo ook een impuls te geven aan de leefbaarheid in de kern. Voor het programma aan onderwijs en kinderopvang is een uitgebreid programma van eisen opgesteld, uitgaande van een geprognotiseerd aantal van 275 leerlingen en een bij die omvang en bij het verzorgingsgebied Hout-Blerick passend aanbod aan kinderopvang (2 KDV-groepen à 16 kinderen, 6 BSO-groepen à 11 kinderen en 1 peuteropvanggroep à 16 kinderen). Dat leidt samen tot een ruimtebehoefte van circa 3.650 m2 waarop het beoogde bouwplan en het daarop gebaseerde bouwvlak is afgestemd.
Overigens is dit geen 'geheel nieuwe' oppervlakte, aangezien het een verplaatsing van een bestaande basisschool en kinderopvang betreft, als momenteel gevestigd op het adres Hoverhofweg 35, waar de school is gevestigd in een gebouw met een brutovloeroppervlak van circa 1.385 m2 . Die locaties krijgen een nieuwe invulling. Voor wat betreft de sportfaciliteiten heeft eveneens een uitwerking van een programma van eisen plaatsgevonden op basis van de wensen en behoeften van de gebruikers, waaronder de omnivereniging HBSV die voetbal, tennis, padel en gymnastiek aanbiedt. Hoewel enkele percelen worden toegevoegd aan het sportpark ten opzichte van de huidige situatie, vindt per saldo geen nieuw ruimtebeslag plaats aangezien een deel van het sportpark een nieuwe invulling krijgt met het hiervoor beschreven MFC.
Locatiekeuze Hoewel de keuze voor de locatie voor een school en voor een kinderopvang aan de rand van de kern op het eerste oog wellicht niet logisch lijkt, is dit toch een weloverwogen keuze, vanwege de eerder beschreven
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
27
voordelen die het combineren van de functies in het MFC en het sportpark biedt: één plek om te leren, spelen, ontwikkelen en ontmoeten. Hoewel de locatie strikt genomen wellicht geen onderdeel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied, is de locatie wel gelegen in een stadsrandzone waarin in de gemeentelijke omgevingsvisie ruimte voor uitbreiding van het stedelijk gebied wordt voorzien. Voor Hout-Blerick is dit ook de meest logische locatie, aangezien uitbreiding in andere richtingen niet mogelijk is vanwege beperkingen door de bestaande infrastructuur (Rijksweg A73, Napoleonsbaan) en de beperkingen die gelden voor het riverbed van de Maas. Bovendien is de afstand tot het dorpshart/wijkhart van Hout-Blerick relatief klein. Gerekend vanaf het Kerkplein en via de Holleweg bedraagt dit circa 400 meter. Bovendien is langs die route is al sprake van woningbouw en ook het parkeerterrein tussen de Holleweg en Schansheideweg en het cluster van bebouwing op de hoek van de Baarlosestraat en Schansheideweg maakt dit al tot een gebied dat wel is verbonden met het bestaand stedelijk gebied. Er is dus geen sprake van bouwen in 'het vrije veld'. In dit geval prevaleert het creëren van een omgeving die voorziet in een concentratie van voorzieningen om te leren, ontwikkelen, spelen en ontmoeten op het bestaand sportpark.
Voor het realiseren van een nieuw sportpark binnen het bestaand stedelijk gebied van Hout-Blerick is gelet op de benodigde oppervlakte logischerwijs geen ruimte beschikbaar of beschikbaar te maken. Als gevolg van de sluiting van de bestaande school komt die locatie wel beschikbaar voor herontwikkeling met andere stedelijke functies, zoals bijvoorbeeld woningbouw. Voor wat betreft regionale afstemming geldt dat het voorzieningen betreft die voorzien in een lokale behoefte die geen impact hebben op het voorzieningenniveau buiten de gemeente Venlo. 3.2.5.3 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Inleiding Bij een wijziging van het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten en met het oog op het belang van het behoud van dat cultureel erfgoed moet in een omgevingsplan in ieder geval worden voorzien in regels ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met een aantal beginselen: het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; het
bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; het voorkomen van aantasting van: 1. de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd; en 2. het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; en het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Daarnaast kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan ook regels worden gesteld over in welke gevallen onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie moet worden verricht (bij een bodemverstoring meer dan 100m2 ), de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.
28
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22F MFC Hout-Blerick
Toepassing en conclusie In paragraaf 4.3 van deze motivering is een beschouwing van de cultuurhistorische waarde van de planolocatie en de impact van de beoogde ontwikkeling daarop opgenomen. Daaruit blijkt dat er op dit punt geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Uit diezelfde paragraaf blijkt dat het gebied op basis van archeologisch onderzoek de archeologische verwachtingswaarde kan worden bijgesteld en dat het gebied kan worden vrijgegeven. Gezien het voorgaande is geen sprake van belemmeringen voor het planvoornemen en wordt voldaan aan de instructieregels ten aanzien van cultureel erfgoed. 3.2.6