472223 Bijl01 Bestemmingsplan Veilingterrein - toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Neerslag dient op privaat terrein verwerkt te worden of de daarvoor bestemde extra voorzieningen in het plangebied of binnen de watersysteemgrenzen; Ontwikkeling voorkomt afwenteling – geen extra waterschade aan gebouwen en voorzieningen en geen extra afvoer op kwetsbare watersystemen of gebieden buiten de plangrens; Afwatering zo veel mogelijk natuurlijk en bovengronds aanbrengen; Voorkeursvolgorde aanhouden: 1. Benutten en besparen; 2. Vasthouden en infiltreren; 3. Bergen; 4. Afvoeren. Voor het plan geldt, aan de hand van de maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, dat er geen waterschade mag ontstaan bij een bui die 1x per 100 jaar voorkomt. Ook mag er geen waterschade ontstaan bij een waterdiepte van 20 cm op straat. Hemelwater moet bij voorkeur op eigen terrein worden verwerkt voordat de openbare ruimte hiervoor gebruikt wordt. Hierbij wordt de voorkeursvolgorde benutten/besparen, vasthouden/infiltreren, bergen, afvoeren gehanteerd. Infiltratieen bergingsvoorzieningen dienen zo veel mogelijk bovengronds (zichtbaar) geplaatst. Samenvatting beleid wateropgaven Het beleid van het waterschap is het strengst en is voor dit plan maatgevend voor de wateropgave. Dit houdt in dat 100 mm dynamische waterberging over het totaal verhard oppervlak binnen het plangebied moet worden gerealiseerd. De bergingsvoorziening dient na 24 uur weer beschikbaar te zijn.
Aanvullend worden infiltratie- en bergingsvoorzieningen bij voorkeur bovengronds uitgevoerd. Toetsing van het onderhavige plan Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets, zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), die de algemene behartiging van de waterbelangen betreft. De waterparagraaf beschrijft op bestemmingsplanniveau zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 8 opgenomen. De beoogde ontwikkeling omvat meerdere ruimtelijke aanpassingen in het plangebied, waaronder het realiseren van woningen en bestratingen. Het gebied wordt voor 43% onverhard en als groene leefomgeving ingericht. De totale verharding zal in het plan afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Om te voldoen aan de eisen van de gemeente en het waterschap zijn bepaalde maatregelen benodigd. Hieronder volgt een opsomming van de belangrijkste conclusies en aandachtspunten: Voor het totale nieuwe verharde oppervlak dient een waterbergingsvoorziening t.b.v. een vertraagde afvoer richting het oppervlaktewater te worden gerealiseerd. De beleidsuitgangspunten van zijn hiervoor maatgevend met 100 mm per m² verhard oppervlak. In het huidige ontwerp is uitgegaan van een verhard oppervlak van 39.940 m². De dynamische waterbergingsopgave bedraagt daardoor 3.994 m³.
In het huidige ontwerp zijn verschillende voorzieningen opgenomen voor waterberging, waaronder wadi’s. Extra maatregelen zijn benodigd om te voldoen aan de wateropgave. In verband met de eisen voor leegloop en vullingsgraad wordt onderscheid gemaakt in bergingen voor hergebruik en bergingen op basis van de bergingseisen ter voorkoming van regenwateroverlast bij extreme buien. Hierbij geldt de voorkeur naar bovengrondse natuurlijke voorzieningen boven technische maatregelen. Om deze in te vullen kan gedacht worden aan het aanbrengen van extra bovengrondse maatregelen zoals water vasthouden en/of infiltreren op groene daken, groene gevels en infiltratie tuinen. Indien met bovengronds maatregelen niet de volledige berging gehaald wordt kan de restberging met ondergrondse maatregelen zoals infiltratiekratten of waterbergende wegfundering worden aangevuld. Hiervoor wordt een infiltratieonderzoek geadviseerd en dient mogelijk bodemverbetering aangebracht te worden om de infiltratiecapaciteit van de bodem te vergroten ter plaatse van lokaal aanwezige slecht doorlatende lagen. Waterbergingsvoorzieningen dienen binnen 24 uur weer beschikbaar te zijn. Bergingsvoorzieningen voor hergebruik, afhankelijk van vullingsgraad en leeglooptijd kunnen niet volledig meegerekend worden als hemelwaterberging, omdat deze geledigd worden door gebruik van het water.
Het toepassen van bergingsvoorzieningen voor hergebruik betreft maatwerk. Regenwater op particulier terrein moet zoveel mogelijk op particulier terrein geborgen en verwerkt worden. Op dit moment zijn de grenzen tussen particuliere en openbare ruimte nog niet vastgelegd. Daardoor kan de uiteindelijke waterbergingsopgave particulier nog niet worden
59
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo bepaald. Dit zal in het waterhuishoudkundig plan in samenwerking met de gemeente Venlo nader worden uitgewerkt. Voor de particuliere waterbergingsopgave geldt een minimale bergingsopgave van 40-70 mm. Bij nadere uitwerking van het exploitatiegebied in het waterhuishoudkundig plan moet ook de eis van geen schade bij een buien T=100 zoals bijvoorbeeld buien van 70 mm per uur getoetst worden. Gezien de ligging kort nabij de Maas geeft de provincie aan dat het plan aanvullend op waterveiligheid wordt getoetst. De vuilwaterafvoer moet worden aangesloten op het bestaande rioolstelsel rondom het plangebied. Voor het plan wordt uitgegaan van een vuilwaterafvoer van 101,6 m³/uur. De aansluiting op het bestaande riool zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Hiervoor moeten de huidige aansluiten in kaart worden gebracht zodat daarmee rekening gehouden kan worden bij de verdere planuitwerking. Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: 1. Het graven (verbreden) van nieuw oppervlaktewater (primaire watergang); 2. Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak op primaire watergangen; 3. Het aanleggen van waterberging; 4. Het aansluiten op de riolering. 5.
Mogelijk is bemaling nodig bij de aanleg van riolering afhankelijk van regenval en waterstanden. Bij het indienen van de omgevingsvergunning levert de initiatiefnemer een technisch uitgewerkt ontwerp en de ontwerptekening(en)/waterhuishoudkundig plan aan, waaruit is op te maken hoe de ontwikkeling haar totale bergings- en vertragingsopgave definitief invult en hoe wordt voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van waterhuishouding. Ook wijze waarop het water vanaf de verharde oppervlakken in de waterberging terecht komt en hoe deze in verband met de afvoer in verbinding komt te staan met het omringende watersysteem staat hierin weergegeven. Dit dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan waterschap Limburg en de gemeente Venlo. In overleg zijn alternatieve oplossingen vanuit marktpartijen bespreekbaar voor de waterbergings- en infiltratievoorzieningen. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er hoogwater optreden. Bij schade als gevolg van hoogwater kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Op 18 juni 2020 is door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen.
Op moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming.
4.6
Verkeer en Parkeren
4.6.1
Mobiliteitsambities
De ontwikkeling op het Veilingterrein richt zich op een gezonde en duurzame levensstijl. Een onderdeel hiervan is de toepassing en het gebruik van gezonde, duurzame en toekomstgerichte mobiliteitsoplossingen. Hierbij ligt in de wijk de nadruk op langzaam verkeer. Gezonde buitenruimte Een belangrijk onderdeel van de plannen voor het Veilingterrein is het creëren van een gezonde buitenruimte die uitnodigt tot lopen en fietsen. De auto wordt zoveel mogelijk geweerd in de openbare ruimte. Dit is onder andere verankerd binnen het stedenbouwkundig plan door het autovrij maken van de centrale as in de wijk. Deze centrale as voor langzaam verkeer sluit aan de noordoostzijde van de nieuwe wijk aan op bestaande voetgangers- en fietsnetwerken naar de binnenstad van Venlo. Aan de zuidzijde van de nieuwe wijk wordt de centrale as aangesloten op langzaamverkeersverbindingen naar de rest van het middengebied in de van Tegelen. Vanuit de centrale as zal de voetganger- en fietsverbinding namelijk via het ‘centrale hart’ aangesloten worden op de Hulsterweg en Wylrehofweg. Dit is weergegeven in het stedenbouwkundig plan (Bijlage 2).
60
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
STOP-principe Bij de transformatie van het Veilingterrein, de omgeving en de inrichting van de openbare ruimte wordt een hiërarchie aangebracht in de wijze van verplaatsing. In volgorde wordt prioriteit gegeven aan lopen, fietsen, openbaar vervoer/deelmobiliteit, en tenslotte auto’s, volgens het STOP-principe. Die hiërarchie komt tot uitdrukking in de groene en gezonde inrichting van het gebied: de verblijfskwaliteit is leidend, waarbij voetgangers en fietsers volop de ruimte krijgen. Het gebied krijgt daardoor zoveel mogelijk een autovrij en groen karakter. Het STOP-principe vormt een belangrijk onderdeel van het Mobiliteitsplan Venlo 2025. Door hetzelfde principe te hanteren op het Veilingterrein wordt aangesloten bij de gemeentelijke mobiliteitsambities, zoals opgenomen in het Mobiliteitsplan. Integraal verkeersrapport Door Aveco de Bondt is in samenwerking met Royal HaskoningDHV, BGSV bureau voor stedenbouw en Kwirkey een integraal verkeersrapport opgesteld dat de impact van het plan in beeld gebracht heeft ten aanzien mobiliteit en bereikbaarheid. Deze rapportage is opgenomen in Bijlage 9.
In deze verkeersrapportage komen diverse zaken aan bod: de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie voortkomend uit het programma, uitgangspunten voortkomend uit de hoge mobiliteitsambities, de praktische uitwerking van de (fiets)parkeerbehoefte, de verkeersafwikkeling op het omliggende wegennet en een analyse van mogelijke maatregelen om de (eventuele) effecten op dit wegennet zo minimaal mogelijk te laten zijn. De rapportage is in nauwe afstemming met de gemeente Venlo en met de belangrijkste gebiedspartners (VieCuri Medisch Centrum, Fontys Hogeschool en Gilde Opleidingen) uitgewerkt. In deze paragraaf worden belangrijkste conclusies samengevat. 4.6.2
Verkeer
Verkeersgeneratie Voor het volledige programma van de ontwikkeling op het Veilingterrein is de toekomstige verkeersgeneratie berekend. Deze bedraagt maximaal 6.525 motorvoertuigen per werkdag. 3.869 motorvoertuigen worden toegeschreven aan het woonprogramma, uitgaande van het maximaal aantal woningen. 2.656 motorvoertuigen worden toegeschreven aan het niet-woonprogramma, uitgaande van een realistische invulling van het maximale bruto vloeroppervlak. Deze verkeersgeneratie vormt het uitgangspunt voor de verkeerssimulatiestudie en is tevens gehanteerd bij andere conditionerende onderzoeken die verband houden met het bestemmingsplan. Effecten op omliggend wegennet Op basis van de maximale verkeersgeneratie is met behulp van verkeerssimulaties het effect van de herontwikkeling van het Veilingterrein op de verkeersafwikkeling in het gebied onderzocht (variant 2040 Hoog scenario inclusief ontwikkeling Veilingterrein). Door de toevoeging van het verkeer van en naar het Veilingterrein wordt het drukker op het omliggende wegennet. Dit leidt echter niet tot overbelasting ervan. In de ochtendspits is sprake van een kortstondig knelpunt ter hoogte van de rotonde Hagerhofweg/Kraanvogelstraat als gevolg van een grote stroom fietsers naar Gilde Opleidingen en college Den Hulster (drukste kwartier).
In de avondspits ontstaan er meer en langere wachtrijen, maar komt het niet tot structurele afwikkelingsproblemen. De doorstroming voor hulpdiensten op de Tegelseweg en de Professor Gelissensingel wordt echter niet gehinderd, omdat de ambulances prioriteit krijgen bij de verkeerslichten. Hoewel de verkeersafwikkeling in de variant 2040 Hoog scenario inclusief ontwikkeling Veilingterrein geen structurele problemen in het netwerk laat zien, nemen de vertragingen op kruispuntniveau en netwerkniveau wel toe. Om inzicht te krijgen in de mate waarin het netwerk nog restcapaciteit heeft en wanneer het wel tegen haar capaciteitsgrenzen aan loopt is een robuustheidstoets uitgevoerd, waarin het verkeer in de variant 2040 Hoog scenario inclusief ontwikkeling Veilingterrein nog eens is verhoogd met 10% van de verkeersgeneratie van het Veilingterrein. Hieruit blijkt dat de grenzen van de afwikkelcapaciteit van meerdere kruispunten en rotondes worden bereikt. Er ontstaat als gevolg daarvan structurele congestie op (delen van) de Tegelseweg en Hagerhofweg in de drukste momenten van met name de avondspits.
61
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Maatregelen In het verkeersonderzoek zijn maatregelen verkend die huidige en toekomstige afwikkelingsknelpunten kunnen verminderen of oplossen. Het beperkte knelpunt op de rotonde Kraanvogelstraat in de ochtendspits (in het drukste kwartier, als gevolg van de hoeveelheid scholieren per fiets) is niet eenvoudig op te lossen omdat maatregelen geen tot slechts beperkt effect hebben op de doorstroming en niet eenvoudig zijn uit te voeren. Een aantal van deze maatregelen brengt wel een verbetering van de verkeersveiligheid. De aansluiting van het Veilingterrein op de rotonde moet te zijner tijd op een veilige manier uitgewerkt worden. Als wordt gekeken naar de robuustheidstoets, dan blijkt met name in de avondspits dat de doorstroming significant vermindert. Uit de simulatiestudie blijkt een combinatie van twee infrastructurele maatregelen (een extra rijstrook op de Tegelseweg in zuidelijke richting en een extra linksafstrook op de Hagerhofweg richting de Tegelseweg) zeer effectief om gesignaleerde afwikkelingsknelpunten aan te pakken. De vertragingen op kruispunt- en netwerkniveau worden hiermee beperkt en zijn zelfs kleiner dan in de autonome situatie zonder ontwikkeling van het Veilingterrein. Los van deze denkbare maatregelen dienen de toegangen tot het Veilingterrein op een passende manier vormgegeven te worden.
Hierbij dient rekening gehouden te worden met het veranderende gebruik van de wegen waarop aangesloten wordt. Het is wenselijk om in te zetten op mobiliteitsmanagement en het beperken van de automobiliteit, dat zal een extra positief effect hebben op de verkeersafwikkeling. Daarbij kan gedacht worden aan het stimuleren dat er meer verplaatsingen met andere modaliteiten (dan de auto) plaatsvinden. Ook kan ernaar gestreefd worden om pieken tijdens de spitsperioden te beperken, bijvoorbeeld door afspraken te maken over gespreide werk- en schooltijden, waardoor de (korte) piekperiode wordt afgezwakt. Het op te stellen Mobiliteitsplan van de gemeente Venlo richt zich naar verwachting ook op dergelijke verkeers- en vervoersmanagementoplossingen. Verkeersveiligheid De ontwikkeling van het Veilingterrein zorgt ervoor dat zowel binnen het plangebied als daarbuiten een dynamische omgeving ontstaat. Een toename in het aantal verplaatsingen is hier een logisch onderdeel van. Bij het ontwerp van de (openbare) buitenruimte is verkeersveiligheid randvoorwaardelijk. Hierbij is het STOP-principe leidend, en wordt priorisering aangebracht in de verschillende vervoersmethoden op en rond het Veilingterrein.
Doordat de ontwikkeling van het Veilingterrein leidt tot een ander gebruik van de huidige infrastructuur dient bij de uitvoering van maatregelen verkeersveiligheid als een essentieel onderdeel van het ontwerp meegenomen te worden. Dat geldt met name voor de toegangen tot het Veilingterrein via de rotonde Hagerhofweg/Kraanvogelstraat en de Wylrehofweg. Daarnaast dient er aandacht besteed te worden aan een veilige openbare ruimte binnen het plangebied. Begrenzing maximale verkeersgeneratie Om te borgen dat er niet een hogere verkeersgeneratie ontstaat als gevolg van de ontwikkeling van het Veilingterrein is een aanvullende beoordelingsregel opgenomen in artikel 3.5.4 en 3.5.5. De beoordelingsregel begrenst de verkeersgeneratie van het binnen de bestemming gemengd gerealiseerde en vergunde programma op maximaal 6.525 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. 4.6.3
Parkeren
Parkeervraag De parkeervraag voor fietsen en auto’s is bepaald door voor de diverse functies binnen het programma gebruik te maken van landelijke kencijfers van het CROW. De uitgangspunten voor de berekening van de parkeervraag zijn als volgt: De stedelijkheidsgraad is beschouwd als ‘zeer sterk stedelijk’. Door de ontwikkeling van het Veilingterrein neemt de omgevingsadressendichtheid zowel op buurtniveau, wijkniveau en gemeenteniveau immers toe. Door de geconcentreerde en meerlaagse bebouwing op het Veilingterrein zal de omgevingsadressendichtheid ruim binnen de classificatie ‘zeer sterk stedelijk’ vallen. Gezien het (hoog)stedelijke karakter van zowel het woonprogramma als het voorzieningenniveau in het niet-wonenprogramma dat beoogd is op het Veilingterrein is het verdedigbaar om de stedelijkheidsgraad niet op gemeenteniveau maar op gebiedsniveau te beschouwen.
62
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo Een andere indicator van verstedelijking is het autobezit per woning in een bepaald gebied. Het verwachte autobezit ligt in lijn met het autobezit in zeer sterk stedelijke omgevingen en laat zien wat de ambitie is op het gebied van verstedelijking op het Veilingterrein. Het omgevingstype betreft ‘Rest bebouwde kom’, conform het vigerende parkeerbeleid van de gemeente Venlo. Het gemiddelde van het minimale en maximale kencijfer uit de CROW-publicatie 381 is gehanteerd. Er is rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerruimte, met uitzondering van parkeerplaatsen 'in de gesloten hoven' die alleen door bewoners gebruikt kunnen worden. Er is uitgegaan van het planologisch maximaal toegestane woonprogramma. Voor het niet-wonen programma zijn parkeernormen op basis van een realistische invulling van het programma toegepast. De berekening van de parkeerbehoefte is hiermee op basis van een realistisch en haalbaar programma uitgevoerd en geeft dus een goede indicatie van de parkeervraag. Uit de parkeerbalans die is opgesteld voor auto's blijkt dat de parkeervraag van het Veilingterrein op het maatgevende moment (werkdagavond) maximaal 1.172 parkeerplaatsen bedraagt. Uit de parkeerbalans die is opgesteld voor fietsen blijkt dat de parkeervraag van het Veilingterrein maximaal 3.521 fietsparkeerplaatsen bedraagt.
Parkeeraanbod Het parkeeraanbod op het Veilingterrein is verdeeld tussen de mobiliteitshubs en de parkeerplaatsen ‘in de gesloten hoven’. In de hub(s) en ‘in de gesloten hoven’ kunnen in totaal 1.115 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Uitgangspunt hierbij is dat de te realiseren capaciteit in de hub(s) in een bovengrondse parkeervoorziening wordt aangelegd. Er worden géén vaste parkeerplaatsen in de mobiliteitshub(s) toegekend. Door hier flexibele parkeerplekken aan bewoners toe te kennen, wordt de parkeerruimte efficiënt benut door dubbelgebruik en volstaat de genoemde parkeercapaciteit die gerealiseerd kan worden. De resterende 57 parkeerplaatsen kunnen binnen het plangebied ingevuld worden. De mogelijkheid bestaat om deze ondergronds te realiseren. Derhalve is het mogelijk om de volledige parkeervraag binnen het plangebied op te lossen en is hiervoor geen ruimte nodig buiten het plangebied Veilingterrein. Op basis van vergelijkbare ontwikkelingen is de verwachting dat de uiteindelijke behoefte lager zal liggen dan het genoemde aantal van 1.172 parkeerplaatsen. Het ruimtelijk programma van het Veilingterrein biedt, zoals hierboven aangegeven, echter wel de mogelijkheid tot het realiseren van dit aantal.
Voor het fietsparkeren wordt uitgegaan van de volgende verdeling over het plangebied: Bewoners: deels in de berging behorende bij de woning, deels in collectieve inpandige fietsparkeervoorzieningen. Bezoekers van bewoners: in de openbare ruimte (op maaiveld). Werknemers (personeel) niet-wonen programma: in collectieve inpandige fietsparkeervoorzieningen. Bezoekers niet-wonen programma: in de openbare ruimte (op maaiveld). Het benutten van de berging voor een deel van de parkeervraag van bewoners, in combinatie met de realisatie van collectieve fietsparkeervoorzieningen, is conform de landelijk toegepaste Amsterdamse bouwbrief. In deze bouwbrief wordt ervan uitgegaan dat een gemeenschappelijke fietsberging in combinatie met een inpandige berging qua oplossing gelijkwaardig is aan een individuele fietsenberging. Dit laatste is in het Bouwbesluit opgenomen. De collectieve fietsparkeervoorzieningen worden inpandig, op maaiveld (in de plint) aangelegd. De parkeervraag van bezoekers van bewoners en bezoekers vanuit het niet-wonen programma wordt op maaiveld gefaciliteerd, zodat hier optimaal dubbelgebruik plaatsvindt. Op basis van voortschrijdend inzicht gedurende de ontwikkeling is het voor dit type parkeerplaatsen relatief eenvoudig (zowel ruimtelijk en financieel, als qua gebruik) om de uiteindelijke capaciteit te beperken dan wel uit te breiden.
Parkeerbeleid en exploitatie De parkeervoorzieningen op het Veilingterrein worden gereguleerd. Dit heeft waarschijnlijk gevolgen voor de parkeerdruk in de omliggende wijken. Goede monitoring van de parkeerdruk in de parkeervoorzieningen van het Veilingterrein, maar ook in de omgeving van het Veilingterrein is
63
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo belangrijk. Dat maakt het mogelijk om knelpunten tijdig te signaleren en zo nodig aanvullende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de parkeerdruk van het Veilingterrein voor overlast zorgt in de omgeving. Het is mogelijk dat gereguleerd parkeren invoeren noodzakelijk is om overlast in de omgeving te voorkomen. Deze aanpak is in lijn met het parkeerbeleid van de gemeente Venlo.
4.7
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) moet voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen (woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen etc.), die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. In de Wgh worden eisen gesteld aan de toelaatbare geluidsbelasting op de gevels van nog niet geprojecteerde woningen langs een bestaande weg of spoor in stedelijk en buitenstedelijk gebied. In situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld rond 30 km wegen of bij bedrijven niet gelegen op Wgh-gezoneerde bedrijventerreinen) zal de bescherming tegen geluid via de invulling van "een goede ruimtelijke ordening" plaatsvinden (Wro/Wabo). Wegverkeerslawaai Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere weg, met uitzondering van woonerven en 30 km gebieden. Voor alle woningen en geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van die weg liggen, moet de geluidsbelasting als gevolg van verkeerslawaai berekend worden. De geluidsimmissie van een verkeersweg is afhankelijk van het aantal rijstroken en ook van de aard van de omgeving. Daarom heeft een geluidszone langs een weg niet één standaardbreedte. In art. 74 Wgh wordt de omvang van de zone voor de verschillende situaties aangegeven.
De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan: 58 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in buitenstedelijk gebied; 63 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen in stedelijk gebied; 53 dB voor geluidsgevoelige terreinen. Spoorweglawaai Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Er is van rechtswege een zone gelegen langs iedere spoorlijn. De waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een weg, mag niet hoger worden vastgesteld dan: 55 dB voor woningen en geluidsgevoelige terreinen binnen de zone van de spoorweg 53 dB voor andere geluidsgevoelige gebouwen binnen de zone van de spoorweg Het onderhavige plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen van geluidsgevoelige functies binnen de invloedszone van een spoor. Een akoestisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van het onderhavige plan. Industrielawaai/bedrijfszonering Zonering in het kader van industrielawaai Wet geluidhinder (Wgh) is het ruimtelijk scheiden van industrieterreinen waarop (grote) lawaaimakers, woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zijn gevestigd.
Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidsproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen, te veel oprukken naar de lawaaimakers. Voor een industrieterrein dient, in een bestemmingsplan, een geluidzone vastgesteld te worden (art. 40 Wgh). Het wijzigen of opheffen van een zone vindt uitsluitend plaats bij het vaststellen of wijzigen van een bestemmingsplan (art. 41 Wgh). Op de geluidgrens (de vastgestelde zonegrens) mag de geluidsbelasting ten gevolge van alle bedrijvigheid samen de 50 dB(A) etmaalwaarde niet te boven gaan. Voor nieuwe woningen in de geluidzone, het gebied buiten het industrieterrein en binnen de zonegrens, kunnen hogere geluidsbelastingen (HGW) worden toegestaan tot ten hoogste 55 dB(A).
64
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Toetsing van het onderhavige plan Wegverkeerslawaai Door Aveco de Bondt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai ten behoeve van de herontwikkeling van het Veilingterrein in Venlo. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 10. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies, zoals woningen en onderwijs. Om het nieuwbouwplan mogelijk te maken, dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Als onderdeel van de bestemmingsplanwijziging is een akoestisch onderzoek benodigd. Het plan is gelegen in de nabijheid van een aantal wegen, waaronder de rijksweg A73 ten zuidwesten van het plangebied en de Tegelseweg (N271). De geluidbelastingen zijn ten behoeve van de benodigde hogere grenswaarden op grond van de Wet geluidhinder, bepaald op de randen van de bouwvlakken uit de verbeelding van het bestemmingsplan, conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De resultaten zijn als volgt: De geluidbelasting als gevolg van de rijksweg A73 is ten hoogste 53 dB, na aftrek conform artikel 110g Wgh. Dit is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar er is voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor nieuwe geluidgevoelige functies in een buitenstedelijke situatie.
Als gevolg van de Tegelseweg, Hagerhofweg, Wylrehofweg, Professor Gelissensingel en Kraanvogelstraat is de berekende geluidbelasting respectievelijk ten hoogste 61 dB, 58 dB, 60 dB, 51 dB en 49 dB na aftrek conform artikel 110g Wgh. Als gevolg van deze wegen is er sprake van overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB, maar aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een stedelijke situatie is voldaan. De geluidbelasting als gevolg van de Danoweg en Wittendijkweg is lager dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Er worden geen voorwaarden gesteld aan het plan vanwege de geluidbelastingen vanwege deze wegen. De berekende cumulatieve geluidbelasting op de randen van de bouwvlakken is ten hoogste 67 dB. Afgewogen is dat het treffen van geluidbeperkende bron- en overdrachtsmaatregelen stuit op overwegende bezwaren van financiële, technische, stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Door de positionering van de parkeerhubs aan de zijde van de Wylrehofweg kunnen de achterliggende woningen afgeschermd worden van geluid van deze weg. Verder is de cumulatieve geluidbelasting op de gevels van het stedenbouwkundig plan bepaald. Hiervoor is de volgende bouwmassa als uitgangspunt genomen.
Gebleken is dat de hoogste geluidbelastingen optreden ter plaatse van de westelijke en noordelijke eerstelijns bebouwing en dat de hoogbouw in de zuidwestelijke hoek van het plan aan drie zijden geluid belast is. Daarentegen zijn de gebouwen F, G, I en J geluidluw gesitueerd, evenals de binnenzijde van de carré-vormige gebouwen E, H en N en het binnenterrein dat wordt omsloten door de gebouwen B-D, F en G en door de gebouwen I-M. In alle woningen, ook waar sprake is van hoge geluidbelasting op gevels, wordt door middel van voldoende gevelisolatie en ventilatieoplossingen gewaarborgd dat de gezondheid van mensen betreffende geluid in gebouwen is beschermd. Het binnengebied van het Veilingterrein is afgeschermd van geluid en kan daardoor als rustig buitengebied dienen voor bewoners. Op basis van het voorgaande is geconcludeerd dat het plan voor de ontwikkeling van het Veilingterrein uit het oogpunt van geluid voorziet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
65
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Afbeelding 4.5: Bouwblokken Tevens is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting als gevolg van mogelijke 30 km/uur wegen in het plangebied zelf (hierna: planwegen). Hierbij zijn twee varianten onderzocht. In beide varianten is de geluidbelasting als gevolg van de planwegen lager dan de in de Wet geluidhinder opgenomen maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De geluidbelasting als gevolg van de planwegen is daarom aan te merken als aanvaardbaar. Geadviseerd wordt bij de door de planwegen geluidbelaste woningen, voor de geluidwering van gevels aan te sluiten bij de nieuwbouweis uit het Bouwbesluit en daarbij als uitgangspunt de cumulatieve geluidbelasting te hanteren. Dit advies is overgenomen in het aanvullende beoordelingskader voor activiteiten dat in de planregels is opgenomen. Industrielawaai Rondom het plangebied liggen verschillende bedrijven. Op basis van de systematiek van milieuzonering (zie paragraaf 4.3) is beoordeeld dat de afstand tussen deze bedrijven en het plangebied groot genoeg is en nader akoestisch onderzoek achterwege kan blijven. Uitzondering daarop betreft VieCuri Medisch Centrum en PKF/Post. Op deze twee bedrijven wordt nader ingegaan. VieCuri Medisch Centrum Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van VieCuri Medisch Centrum.
Het akoestisch onderzoek is in de periode tussen ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan en de vaststelling van het bestemmingsplan geactualiseerd en aangevuld met onderzoek naar indirecte effecten door reflectie van geluid en verkeer van en naar VieCuri. Het aangepaste onderzoek is opgenomen in Bijlage 11. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting op de randen van de bouwvlakken in het plangebied de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus overschrijdt. De overschrijding vindt met name plaats in de nachtperiode als gevolg van het geluid van condensoren. Uit akoestisch onderzoek dat in opdracht door VieCuri is uitgevoerd (akoestisch onderzoek kenmerk 07877-54913-08v2 d.d. 3 oktober 2022 opgesteld door Cauberg-Huygen) is gebleken dat het niet mogelijk is de geluidbelasting bij de bron te reduceren en in het overdrachtsgebied maatregelen te treffen. De berekende geluidniveaus kunnen dan ook op de randen van de bouwvlakken worden toegestaan door deze in het maatwerkvoorschrift van het ziekenhuis op te nemen (ambtshalve wijziging). Hiermee wordt bereikt dat het ziekenhuis niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd door de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies in het plan Veilingterrein. Het maatwerkvoorschrift is inmiddels aangepast in lijn met de berekende geluidsniveaus van het in Bijlage 11 opgenomen onderzoek.
Bij het stellen van maatwerkvoorschriften voor geluid gelden twee voorwaarden op grond van artikel 22.45 lid 3 en 4 van het omgevingsplan van de gemeente Venlo: het bevoegd gezag stelt maatwerk met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu; bij het opstellen van een maatwerkvoorschrift past het bevoegd gezag de instructieregels van paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving toe. Dit betekent dat bij maatwerk het bevoegd gezag de binnenwaarde van 35 dB(A) in acht moet nemen.
66
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo Bij het bepalen van het binnenniveau (LAr,LT) van ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde is het gecumuleerde geluid het uitgangspunt. Naast industrielawaai, is het plan Veilingterrein ook geluidbelast door wegverkeerslawaai. Met het oog op het beschermen van de gezondheid van toekomstige bewoners is een nadere beoordelingsregel opgenomen die waarborgt dat in voldoende geluidwering van gevels wordt voorzien. In het akoestisch onderzoek is ook onderzocht of er sprake is van een indirect effect door reflectie van geluid. Hieruit blijkt dat door reflectie in de bebouwing op het Veilingterrein op de gevels van de woningen aan de Mina Krusemanstraat een toename optreedt van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van ten hoogste 0,7 dB in de dagperiode en 0,6 dB in avond- en nachtperiode. De toename van de berekende maximale geluidniveaus is 0,1 dB in de avondperiode. De beperkte toename van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de drie bestaande woningen aan de Mina Krusemanstraat is betrokken in de aanpassing van het maatwerkvoorschrift. De toename van (afgerond) 1 dB wordt niet hoorbaar geacht te zijn bij de woningen waardoor er geen sprake is van onaanvaardbare toename van de geluidhinder bij de bestaande woningen.
Voor goed onderhouden woningen wordt een gevelwering van 20 dB(A) verondersteld, zo ook voor de 3 woningen aan de Mina Krusemanstraat. De binnenwaarde wordt dan niet overschreden. De toename van de maximale geluidbelasting heeft geen significante gevolgen voor de bestaande woningen, omdat de toename slechts 0,1 dB is én op het betreffende rekenpunt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit is voldaan. Geconcludeerd wordt dat de aanpassing van het maatwerkvoorschrift van het ziekenhuis geen belemmering vormt voor het plan Veilingterrein. In het akoestisch onderzoek is verder onderzocht of indirecte hinder kan optreden als gevolg van verkeer op de openbare weg van en naar het ziekenhuis. De berekende geluidniveaus overschrijden de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de Schrikkelcirculaire, maar zijn niet hoger dan de maximale waarde van 65 dB(A). Er geldt dat in het plan Veilingterrein door middel van de systematiek uit de Wet geluidhinder reeds bescherming wordt geboden tegen geluid door wegen. Bovendien voldoen de berekende geluidniveaus aan de maximale waarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee is de geluidbelasting door indirecte hinder op het plan Veilingterrein als aanvaardbaar aan te merken. Voor bedrijven wordt indirecte hinder beschouwd in het kader van de zorgplicht (artikel 2.1 Activiteitenbesluit milieubeheer).
Er gelden geen wettelijke grenswaarden voor indirecte hinder, zodat er wat betreft dit onderwerp geen beperkende werking uitgaat van het plan. Op basis van het voorgaande is geconcludeerd dat indirecte hinder door verkeer van en naar het ziekenhuis geen belemmering vormt voor het plan Veilingterrein. PKF/Post Uitgaande van gemengd gebied dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 50 meter vanaf PKF/Post. Wanneer milieugevoelige functies (denk aan woningen en onderwijsgebouwen, met uitzondering van de praktijklokalen) binnen deze richtafstand komen te staan dan is een goed woon- en leefklimaat niet gegarandeerd en is de bedrijfsvoering van het bedrijf niet gewaarborgd. Buiten de richtafstand mag worden aangenomen dat wel sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van het bedrijf ongehinderd blijft. De richtafstand van 50 meter overlapt met een deel van het plangebied. Om te voorkomen dat hier gevoelige functies worden toegevoegd is op de verbeelding een zone opgenomen die overeenkomt met de richtafstand van 50 meter. In de regels is bepaald dat binnen deze zone geen functies toelaatbaar zijn die een beperking kunnen vormen voor de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf.
In de regels is een afwijkingsbepaling om af te wijken van deze zone indien (in de toekomst) blijkt dat de zone niet meer relevant is of de hinder beperkter is dan 50 meter. PKF heeft in de periode na ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan middels een melding bij de gemeente te kennen gegeven een 24 uurs bedrijf te worden en heeft daarbij een akoestisch onderzoek overlegd waarin de geluidsemissie van de gewijzigde bedrijfsvoering inzichtelijk is gemaakt. Uit dit onderzoek (zie bijlage 12) blijkt dat de geluidsbelasting op de randen van de bouwvlakken in het plangebied de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus overschrijdt. Ter plaatse van de woningen binnen het plangebied bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT) ten hoogste 47 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode (57 dB(A) etmaalwaarde). De berekende maximale geluidniveaus (LAmax) vanwege de beoogde representatieve bedrijfssituatie ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied bedraagt ten hoogste 67 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Het is niet mogelijk de geluidbelasting bij de bron te reduceren en in het overdrachtsgebied maatregelen te treffen. De berekende geluidniveaus op de randen van de bouwvlakken kunnen 67
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo worden toegestaan door deze in een maatwerkvoorschrift op te nemen. Hiermee wordt bereikt dat PKF/Post niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd door de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies in het plan Veilingterrein. Een maatwerkvoorschrift hoeft niet gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld te worden, maar het moet bij de vaststelling van het bestemmingsplan voldoende aannemelijk zijn dat het maatwerkvoorschrift vastgesteld kan worden. Oftewel, het dient vast te staan dat bij de geluidgevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat het maatwerkvoorschrift de bedrijfsvoering niet beperkt. Uitgangspunt is dat het maatwerkvoorschrift aansluit op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek, dan is van beperking van de bedrijfsvoering geen sprake. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de toekomstige woningen wordt gerealiseerd door in voldoende geluidwering van gevels te voorzien, zodat de binnenwaarden van 35 dB(A) in acht wordt genomen. Voor wat betreft de maximale geluidsniveaus (piekgeluiden) geldt de voorwaarde dat bij de toekomstige woningen voorzien moet worden in voldoende geluidwering van gevels zodat de binnenwaarde van 55 dB(A) in acht wordt genomen.
Gemeente Venlo is voornemens de berekende geluidniveaus op de randen van de bouwvlakken toe te staan door deze in een maatwerkvoorschrift op te nemen. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Wel dienen hogere waarden te worden verleend op de randen van de bouwvlakken. De benodigde hogere grenswaarden zijn in het akoestisch onderzoek gerapporteerd.
4.8
Luchtkwaliteit
De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).
Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Toetsing van het onderhavige plan Door Arvitae Consulting is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 13. Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Ter hoogte van de toetsingspunten draagt de gebiedsontwikkeling Niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³.
Ook de uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³ wordt niet vaker dan 18 keer per jaar overschreden. Ter hoogte van de toetsingspunten draagt de gebiedsontwikkeling Niet in betekenende mate
68
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo (NIBM) bij aan de jaargemiddelde concentratie PM10. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Ook de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m³ wordt niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden. Ter hoogte van de gebiedsontwikkeling wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Ook de uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m³ wordt niet vaker dan 18 keer per jaar overschreden. Ter hoogte van de gebiedsontwikkeling draagt de gebiedsontwikkeling Niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de jaargemiddelde concentratie PM10. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 40 µg/m³. Ook de 24-uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m³ wordt niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden. Er wordt overal voldaan aan de grenswaarde van 25 µg/m³ voor PM2,5. De gebiedsontwikkeling en beoogde activiteiten voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Uit het onderzoek blijkt, kortom, dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor een goed woon- en leefklimaat en dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdrage aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Gelet op de afstand tot rijkswegen en provinciale wegen vormt het Besluit gevoelige bestemmingen geen belemmering voor het beoogde plan.
Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.
4.9
Ecologie
De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. 4.9.1
Soortenbescherming
Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Toetsing van het onderhavige plan Ten behoeve van het onderhavige plan is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. In deze paragraaf is uitsluitend de conclusie opgenomen. De gehele rapportage is als Bijlage 14 opgenomen. Uit de Quickscan Flora en Fauna blijkt het volgende: In de gevels van de aanwezige bebouwing zijn ruimtes aanwezig die geschikt zijn als jaarrond beschermde verblijfplaatsen voor huismussen. Daarom dient er aanvullend onderzoek te worden gedaan naar deze soort. Binnen het plangebied zijn (potentiële) vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van de steenmarter, die slechts deels is vrijgesteld door de provincie.
Indien de werkzaamheden plaatsvinden buiten de periode dat de steenmarter is vrijgesteld (15 augustus t/m februari), is aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied noodzakelijk. Er zijn binnen het plangebied locaties aangetroffen die mogelijk geschikt zijn als vaste verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is daarom noodzakelijk. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Indien de geplande werkzaamheden overdag uitgevoerd worden, is een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten. Indien de plannen bekend zijn omtrent het mogelijk verwijderen van de groenstructuren, dient een ecologisch deskundige te toetsen of dit een potentieel effect heeft op
69
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
een vleermuizen vliegroute. Hieruit zal blijken of aanvullend onderzoek naar vleermuizen vliegroutes noodzakelijk is. Daarnaast dient lichtverstrooiing op de potentiële vliegroutes voorkomen te worden. Wanner dit niet mogelijk blijkt, dient aanvullend onderzoek naar de functie van de lijnvormige elementen voor vleermuizen uitgevoerd te worden. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een voedselrijke sloot, deze sloot is verbonden aan het afwatersysteem van het plangebied. Omdat de alpenwatersalamander niet veeleisend is betreft de waterkwaliteit van het voortplantingswater, kan de aanwezigheid van deze soort niet worden uitgesloten. Mogelijk fungeert het aansluitende groenstruweel op de zuidelijke grens van het plangebied als landhabitat. Derhalve is aanvullend onderzoek naar de alpenwatersalamander noodzakelijk om de aanwezigheid uit te sluiten of aan te tonen. Binnen het plangebied is de invasieve exoot de hemelboom aangetroffen, aanvullend onderzoek is noodzakelijk om de locaties van deze soort binnen het plangebied in kaart te brengen.
Naar aanleiding van de Quickscan flora en fauna is aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar de huismus, steenmarter, gebouwbewonende vleermuizen, alpenwatersalamander en de hemelboom. Het voorlopige onderzoeksrapport hiervan is beschikbaar en opgenomen in Bijlage 15. Hieruit blijkt het volgende: Huismussen: Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijfplaatsen van huismussen aangetroffen. Het plangebied vervult geen essentiële functie voor de huismus. Zodoende is een negatief effect ten gevolge van het planvoornemen op de huismus niet te verwachten en zijn verdere stappen in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort niet noodzakelijk. Vleermuizen: Het plangebied vervult geen essentiële functie voor de waargenomen vleermuizen. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden of vliegroutes aangetroffen. Bij de bomen ten noorden van het plangebied zijn wel meerdere malen foeragerende vleermuizen waargenomen. Voor dit gebied is het belangrijk dat er geen lichtverstoring optreedt. Eventuele bouwverlichting en lantaarns dienen niet naar de bomen gericht te worden en er dient gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke lampen en/of armaturen die het licht goed richten (van de bomen af).
Alpenwatersalamander: Tijdens de veldbezoeken zijn er in de watergang in de directe omgeving van het plangebied geen Alpenwatersalamanders aangetroffen. Zodoende is een negatief effect ten gevolge van het planvoornemen op deze soort niet te verwachten en zijn verdere stappen in het kader van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort niet noodzakelijk. Teunisbloempijlstaart: Er zijn geen rupsen of poppen van de teunisbloempijlstaart ontdekt tijdens het veldbezoek. Voor deze soort geldt een zorgplicht. Hemelboom: Er bevindt zich een invasieve exoot in het plangebied, de hemelboom, waardoor maatregelen inzake grondgebruik en -afvoer en bestrijding/inperking noodzakelijk zijn. Conclusie Op basis van de resultaten van het aanvullend ecologisch onderzoek is de conclusie dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Er zal wel rekening moeten worden gehouden met aanwezigheid van bepaalde soorten, in verband met de geldende zorgplicht, maar dit staat de uitvoerbaarheid van de plannen niet in de weg. 4.9.2
Gebiedsbescherming
Voor Natura 2000-gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht en een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied. Daarnaast kunnen provincies gebieden aanwijzen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
70
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Toetsing van het onderhavige plan Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft 'Maasduinen' op een afstand van meer dan 8 kilometer. Van oppervlakteverlies en/of versnippering van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is geen sprake. Eventuele verstoring door geluid, licht en trilling is niet aan de orde, gelet op de afstand tot de natuurgebieden en de ligging van het plangebied. De emissie van stikstof reikt echter verder vanaf het plangebied. Stikstof (AERIUS-berekening) De stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase (sloop, bouw- en woonrijp maken en bouw) en de gebruiksfase (toenemende verkeersgeneratie) is in beeld gebracht middels een AERIUS-berekening. Deze berekening is bijgevoegd in Bijlage 16. Hieruit blijkt dat in het maatgevende jaar van de realisatiefase en in de uiteindelijke gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op in Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. Er is wel sprake van stikstofdepositie op in Duitsland gelegen Natura 2000-gebieden, deze stikstofdepositie valt echter ruim binnen de in Duitsland geldende drempelwaarde. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het dichtstbijzijnde element van het NNN ligt op ongeveer 330 meter ten noordwesten van het plangebied. Er is geen sprake van een afname van het oppervlak, of versnippering van het NNN. In de Provincie Limburg kent het NNN geen externe werking. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op (wezenlijke kenmerken en waarden van) het NNN zijn uit te sluiten. Een 'Nee Tenzij toets' is niet noodzakelijk. 4.9.3
Houtopstanden
Volgens artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is het verboden een houtopstand (bos, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en bosplantsoenen) geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij de gedeputeerde staten. Verder geldt er ook een herplantplicht voor gekapte houtopstanden. Toetsing van het onderhavige plan Binnen het plangebied bevinden zich in beperkte mate houtopstanden. De binnen dit planvoornemen te vellen houtopstand is kleiner dan 1000 m2 in oppervlakte en bestaat niet uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen bevat. Hierdoor bestaan er geen verplichtingen vanuit de Wet natuurbescherming. De houtopstanden vallen wel binnen de bebouwde kom en zijn dan mogelijk kapvergunningplichtig vanuit gemeentelijk beleid. 4.9.4
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.
4.10
Ontplofbare oorlogsresten
De mogelijkheid bestaat dat tijdens oorlogshandelingen gedurende de Tweede Wereldoorlog ontplofbare oorlogsresten (OO) in of in de directe omgeving van het projectgebied zijn achtergebleven. Indien daar aanleiding toe is kan dit reden vormen om een vooronderzoek uit te voeren. Dit vooronderzoek is uitgevoerd door Assist Explore en opgenomen in Bijlage 17. Op basis van de beoordeling en evaluatie van het aangetroffen relevante bronnenmateriaal bij het vooronderzoek 'conflictperiode 1939 – 1945' en het vooronderzoek 'na-conflictperiode 1945 – heden' wordt geconcludeerd dat de aanwezigheid van OO in het onderzoeksgebied aannemelijk is. Het betreft de hoofdsoorten: kleinkalibermunitie, handgranaten en geschutmunitie. Voor het gebied dat verdacht is van de aanwezigheid van OO gelden de maatregelen:
71
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Alvorens aan te vangen met (water)bodemroerende werkzaamheden die binnen het verdacht gebied zijn gelegen, is het uit oogpunt van veiligheid van belang dat het verdachte gebied wordt onderzocht op de aanwezigheid van OO. De hierbij mogelijk aan te treffen OO dienen door de EOD te worden geruimd, alvorens verder te gaan met enige vorm van (water)bodemroerende werkzaamheden. In het verdacht gebied bestaat een gevaar voor de veiligheid of gezondheid van werknemers door de aanwezigheid van OO. Op basis van de Arbowetgeving is het noodzakelijk over te gaan tot opsporing van de OO of andere passende maatregelen te treffen voor de veiligheid of gezondheid van werknemers alvorens aan te vangen met (water)bodemroerende werkzaamheden die binnen het verdacht gebied gepland zijn. De hierbij mogelijk aan te treffen OO dienen door de EOD te worden geruimd. Indien onderzoek naar de aanwezigheid van OO niet mogelijk is, bijvoorbeeld door de aanwezige bebouwing, ondergrondse infrastructuur en dergelijke, dan dienen de werkzaamheden, bijvoorbeeld het amoveren van bestaande bebouwing, te worden uitgevoerd onder regime van het CS-OOO. Daarna dient alsnog uit oogpunt van veiligheid het verdacht gebied te worden onderzocht op de aanwezigheid van OO.
De hierbij mogelijk aan te treffen OO dienen door de EOD te worden geruimd, alvorens verder te gaan met enige vorm van (water)bodemroerende werkzaamheden.
Conclusie Wanneer bovenstaande maatregelen worden gehandhaafd en worden uitgevoerd alvorens er (water)bodemroerende werkzaamheden plaatsvinden, vormt het aspect ontplofbare oorlogsresten geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bij ruimtelijke plannen en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu dient te worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling een milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. Het wettelijk kader voor de m.e.r. is hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en het daarbij behorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In het Besluit m.e.r. is geregeld voor welke plannen en besluiten daadwerkelijk een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Bij het toetsen van plannen en besluiten aan het Besluit m.e.r. zijn er een drietal mogelijkheden: 1. M.e.r.-plicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit is het uitvoeren van een m.e.r. verplicht; 2. M.e.r.-beoordelingsplicht: voor (onderdelen van) het plan of besluit moet eerst worden beoordeeld of het uitvoeren van een m.e.r. verplicht is; 3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling: het plan of het besluit omvat een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit, maar deze activiteit ligt (ruim) beneden de in daarvoor in het Besluit m.e.r. opgenomen indicatieve drempelwaarden.
Indien een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld moet worden, dient het bevoegd gezag na te gaan of de beoogde ontwikkeling mogelijk aanzienlijke milieugevolgen voor de omgeving kan hebben. Als uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat aanzienlijke milieugevolgen op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, moet er alsnog een verplichte m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Sinds mei 2017 is de inhoud van een de vormvrije-m.e.r. en de procedure gelijkgetrokken met een m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat de gemeenteraad voor een besluit (de omgevingsvergunning) een besluit genomen moet hebben of er wel of geen project-m.e.r. noodzakelijk is. Dit besluit dient te worden gemotiveerd door middel van een aanmeldnotitie, waarin dezelfde onderdelen aan bod dienen te komen als bij een m.e.r.-beoordeling. Toetsing van het onderhavige plan Het beoogde plan kan beschouwd worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject komt voor op de D-lijst van het Besluit m.e.r. (categorie D 11.2). Echter overstijgt de voorgenomen ontwikkeling de drempelwaarde niet. Dat betekent dat voor onderhavig plan een vormvrije-m.e.r. uitgevoerd dient te worden om na te gaan of de ontwikkeling aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De vormvrije m.e.r-beoordeling is toegevoegd als Bijlage 18.
Hieruit blijkt dat het beoogde plan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige
72
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo gevolgen' zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Conclusie Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van de m.e.r.-beoordeling kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert.
73
bestemmingsplan Veilingterrein Venlo
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Juridische vormgeving
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012, alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Crisis- en Herstelwet. Het bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, regels en deze toelichting. Toepassing Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet In artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet (hierna: 'Besluit Chw') is vastgelegd dat de bestemmingsplannen binnen de gemeente Venlo met ingang van de inwerkingtreding van de achtste tranche van het Besluit Chw (20 september 2014) gelden als één bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In het tweede lid is vervolgens bepaald dat artikel 7c van het Besluit Chw van overeenkomstige toepassing is op een gehele of gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. Uit lid 5 van dit artikel volgt verder dat van deze bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt tot 1 januari 2026 mits het ontwerp van deze plannen ter inzage is gelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Omdat voorliggend bestemmingsplan ter inzage heeft gelegen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is dit artikel van toepassing. Dit betekent dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheden die het Besluit Chw biedt.
In artikel 7c Besluit Chw is onder meer bepaald dat in het bestemmingsplan een vergunningstelsel mag worden opgenomen voor het gebruiken van gronden en gebouwen. Gelet hierop kan in een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is om zonder voorafgaande omgevingsvergunning een gebruik dat op grond van het bestemmingsplan is toe te staan aan te vangen en/of te wijzigen en dat een omgevingsvergunning hiervoor wordt verleend indien wordt voldaan aan de in de aanvraag toepasselijke randvoorwaarden. Het opnemen van een omgevingsvergunningstelsel voor de bestemmingsplanactiviteit geeft de mogelijkheid een nader afwegingsmoment in de planregels te creëren. Van deze mogelijkheid is in voorliggend bestemmingsplan gebruik gemaakt. De wijze waarop is toegelicht in de volgende paragraaf onder het kopje 'Nieuwe activiteiten en voorzieningen alleen met vergunning'.