CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

472223 Bijl01 Bestemmingsplan Veilingterrein - toelichting en regels.pdf

Raadsvergadering 11 juni 2025, gemeente VenloBij agendapunt: 5.3: Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Veilingterrein (401218)36.940 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

41

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo 

Natuurlijk Venlo!: De biodiversiteit staat onder druk en dat maakt ons kwetsbaar. Allerlei nuttige functies van de natuur, zoals lucht- en waterzuivering, natuurlijke bestuiving, klimaatbeheersing en bedwingen van plagen komen in gevaar. Om het tij te keren, zullen we anders met ons groen en water moeten omgaan. Om biodiversiteit in Venlo te verhogen zijn we als gemeente vooral zelf aan zet door anders met onze openbare ruimte en ruimtelijke ontwikkelingen om te gaan. Het Venlose landschap vertelt……het verhaal van de mens en andersom. De aantrekkelijkheid van het landschap is belangrijk voor een prettige leefomgeving, zodat mensen zich verbonden voelen. We willen de eigenheid van Venlo met onze Maas-identiteit behouden en versterken.

3.4.5.1 Toetsing initiatief aan Agenda Groen & Water Positieve gezondheid is voor het stedenbouwkundig plan een belangrijk leidmotief. Dat reikt ver door in de stedenbouwkundige principes waarbij alle bouwstenen voor een groene gezonde leefomgeving gelden voor het Veilingterrein. De buitenruimte wordt groen en dat is veel; slechts circa 30% van het terrein wordt bebouwd. Het bebouwingspercentage laat veel ruimte voor de groene leefomgeving. Ook de binnentuinen en hoven worden zoveel mogelijk groen ingericht. Dit levert een typologie van de bebouwing en de buitenruimte op die past bij het innovatiemilieu. De groene omzooming van het plan wordt gerespecteerd en zoveel mogelijk verbreed. De grote groene ruimtes passen bij het groene landschappelijke Middengebied en bij de gezonde inrichting die uitdaagt tot bewegen. Bij de uitwerking van de plannen vormen klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit kernwaardes. Daarbij kan gedacht worden aan groene gevels, erfafscheidingen, daken en (binnen)tuinen. Onder het kopje 'Maatlat 'Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving'' is beschreven op welk wijze geborgd is dat voldoende maatregelen worden getroffen die bijdragen aan klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Gezond bewegen is het uitgangspunt volgens het STOP-principe. In de volgende afbeelding is het karakter van de buitenruimte weergegeven.

Afbeelding 3.9: Karakter buitenruimte De randen van het Veilingterrein overlappen met de groenblauwe basisstructuur. Op basis van de ambities van het Veilingterrein kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van het Veilingterrein een bijdrage gaat leveren aan de in de Agenda Groen & Water opgenomen ambities. Niet alleen op het niveau van het plangebied, maar ook als vliegwiel voor het nog verder te ontwikkelen Middengebied en de Maas tot Hei-route. De wijze waarop ingespeeld wordt op klimaatadaptatie is nader uitgewerkt in paragraaf 4.5.

42

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo Maatlat 'Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving' De snelle achteruitgang van de biodiversiteit brengt het ecologisch systeem in gevaar. Daarnaast neemt door klimaatverandering de kans op hittestress en hevige neerslag toe. De gemeente wil iedere ontwikkeling aangrijpen om de klimaatrobuustheid en biodiversiteit in de stad te verbeteren. De Maatlat klimaatadaptieve groene gebouwde omgeving maakt duidelijk hoe klimaatadaptief bouwen en inrichten eruitziet. Het instrument beschrijft doelen en prestatie-eisen, en geeft richtlijnen voor de thema’s wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking overstromingen. De maatlat schrijft geen specifieke maatregelen voor. Daardoor blijft er lokaal ruimte voor maatwerk en krijgen innovatieve en slimme oplossingen alle ruimte.

Afbeelding 3.10: Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving Hierbij is getoetst aan de volgende onderwerpen.  Biodiversiteit en natuurinclusiviteit Groenblauwe structuren en de gebiedseigen biodiversiteit dienen te worden versterkt op alle schaalniveaus. Met de herontwikkeling van het Veilingterrein wordt ca. 70% ingericht als groene leefomgeving. Klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit zijn kernwaardes.  Droogte Langdurige droogte mag niet leiden tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale of kwetsbare functies. Voor de afhandeling van het regenwater wordt de volgende volgorde gehanteerd: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen en afvoeren. Hierdoor wordt droogte zo veel mogelijk tegengegaan.  Bodemdaling Bodemdaling van gebouwd gebied en de gevolgen ervan blijven beheersbaar en betaalbaar. In het gebied rondom het Veilingterrein is geen sprake van bodemdaling.  Hitte Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De 70% groene leefomgeving op het Veilingterrein zorgt voor schaduwwerking en verkoeling in het gebied. Uitgangspunt voor het Veilingterrein is daarnaast zo veel mogelijk groen, zo min mogelijk verharding.

 Gevolgbeperking overstromingen De gebouwde omgeving is via gevolgbeperking voorbereid op overstromingen in buitendijks gebied, vanuit het regionale watersysteem en door dijkdoorbraken. Het plangebied ligt niet buitendijks en er is een extreem kleine kans tot overstroming.

43

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo 

Wateroverlast Hevige neerslag leidt niet tot waterschade aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen. Kwetsbare en vitale functies en voorzieningen blijven beschikbaar. In het plan worden meerdere maatregelen getroffen om wateroverlast tegen te gaan, deze zijn vermeld in de waterparagraaf. Klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen Ieder nieuwbouwplan dient te voorzien in klimaatadaptieve en natuurinclusieve maatregelen. Welke maatregelen precies worden genomen, schrijft de gemeente niet voor. De initiatiefnemer heeft zelf de keuze om maatregelen voor te stellen die passend zijn bij de betreffende ontwikkeling. De beoordeling van de maatregelen vindt plaats bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwplan. In de planregels is een beoordelingskader opgenomen waarin is geregeld dat een vergunning alleen wordt verleend als voldoende maatregelen worden getroffen die bijdragen aan klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. De initiatiefnemer is vrij in het maken van keuzes, zolang er voldoende maatregelen worden getroffen om de omgevingsvergunning te verlenen. Er wordt voorzien in voldoende maatregelen wanneer wordt voldaan aan de uitgangspunten die zijn omschreven in de documenten die in bijlage 3 en 4 van de regels zijn opgenomen. Bijlage 3 bevat een natuur-analyse van het gebied rondom het Veilingterrein.

Op basis daarvan is een selectie gemaakt van relevante doelsoorten en bijbehorende natuurinclusief maatregelen en habitateisen. Het document bevat tevens een overzicht van ideeën voor de waarborging van klimaatadaptatie en gezondheid. Bijlage 4 bevat een menukaart waarmee per fase maatregelen binnen de ontwikkelingen kunnen worden beoordeeld. Beschermde bomen en houtopstanden Langs de randen van het plangebied zijn beschermde bomen en houtopstanden aanwezig. In de volgende afbeelding is dit weergegeven. De bestaande bomen worden zo veel mogelijk behouden en ingepast.

Afbeelding 3.11: Beschermde bomen en houtopstanden 3.4.6

Integrale Visie Openbare Ruimte

De Integrale Visie Openbare Ruimte (IVOR) is juni 2021 vastgesteld. Met de IVOR wordt een belangrijke stap gezet om meer richting te geven aan de toekomstige inrichting van de openbare ruimte en klimaatadaptieve en natuurinclusieve bebouwing. De volgende hoofdambities zijn vastgelegd in de IVOR:  Een prettige gezonde leefomgeving voor iedereen: De openbare ruimte nodigt uit tot een gezonde levensstijl en deelname aan het openbare leven.

44

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo 

Toekomstbestendig als basis: Een openbare ruimte voor nu én de toekomst. Met een multifunctionele en flexibele inrichting van de openbare ruimte kunnen we beter inspelen op trends en ontwikkelingen in de samenleving. Deze kunnen we de ruimte bieden en mede helpen om bepaalde ontwikkelingen te doen slagen.  Verplaatsing volgens het STOP-principe: Onze infrastructuur leidt tot deelname aan het STOP-principe (dat mensen eerst gaan Stappen (te voet), dan Trappen (fietsen), dan OV (openbaar vervoer) benutten en als laatste pas gebruik maken van Personenwagenvervoer (auto).  We doen het samen: een openbare ruimte voor iedereen: Er ontstaat bewustwording, gedeelde verantwoordelijkheid en eigenaarschap bij inwoners. Initiatieven in de openbare ruimte vanuit inwoners en bedrijven worden gehoord en ze worden actiever betrokken bij initiatieven vanuit de gemeente. IVOR vormt het kader bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, sectorale beleidsontwikkelingen, integraal beheer en onderhoud en bewonersinitiatieven die een impact hebben op de openbare ruimte. 3.4.6.1 Toetsing initiatief aan Integrale Visie Openbare Ruimte Zoals in paragraaf 2.2.3 toegelicht is de ambitie voor het Veilingterrein groot. Positieve gezondheid is voor het stedenbouwkundig plan een belangrijk leidmotief.

Dat reikt ver door in de stedenbouwkundige principes waarbij alle bouwstenen voor een groene gezonde leefomgeving gelden voor het Veilingterrein. De buitenruimte wordt groen en dat is veel; slechts circa 30% van het terrein wordt bebouwd. Gezond bewegen is het uitgangspunt volgens het STOP-principe. Het gebied is autoluw. Er kan alleen worden geparkeerd in mobiliteitshubs, in de gesloten hoven of ondergronds. Dankzij deze ambitie kan een openbare ruimte worden gecreëerd die aansluit op trends en ontwikkelingen in de samenleving en beschikbaar is voor alle gebruikers van dit gebied. De beoogde plannen sluiten dus goed aan op de ambities uit de Integrale Visie Openbare Ruimte. 3.4.7

Afwegingskader woningbouwinitiatieven

Onderhavig plan (nieuw woningbouwinitiatief) dient getoetst te worden ten aanzien van het in januari 2017 vastgestelde afwegingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Hieruit dient te blijken of realisatie van de beoogde ontwikkeling wenselijk wordt geacht. Uit de eerste beoordeling van het “ruimtelijke kader” blijkt dat het planvoornemen als volgt scoort.  Inbreiding of uitleglocatie: score 2 Onderhavig plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied in de kern Venlo.  Hergebruik bestaand vastgoed: score 0 Onderhavig plangebied bestaat momenteel uit de Veilinghallen. Deze zullen ten behoeve van de ontwikkeling worden gesloopt  Herontwikkeling woningen, verdunnen over verdichten: score 1 Onderhavig plangebied heeft betrekking op de verdichting op een wenselijke plek in bestaand stedelijk gebied.  Herontwikkeling rotte plekken: score 2 Het besluitgebied was in het verleden in gebruik ten behoeve van de Veilinghallen. In de huidige situatie is het plangebied nog in gebruik voor kleine bedrijvigheid, grotendeels betreft het leegstand.  Versterken verzorgingsstructuur: score 2 Onderhavig plan realiseert een nieuw gemengd stadsdeel en kennisdistrict dat excelleert in positieve gezondheid. Daarbij staat de gezonde mens centraal.

Het gebied is toekomstbestendig ingericht als een aangename, gezonde en groene leefomgeving die goed is voor mens, klimaat en biodiversiteit Ten aanzien van het volkshuisvestelijk kader scoort het planvoornemen op de navolgende aspecten:  Kwalitatieve woningbehoefte: score 2 Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningbouwtypes die bijdragen aan de kwalitatieve woningbehoefte (zie hiertoe de toelichting in paragraaf 3.4.3).  Onderscheidend woningtype: score 0 Onderhavig plan voorziet in nieuwe woonvormen, deze zijn naar verwachting echter al wel elders in Venlo gerealiseerd. Het betreffen niet de types zoals omschreven in het afwegingskader (grondontsloten woningen, waterwoningen).  Bijzondere doelgroepen: score 1 Onderhavig plan voorziet in de huisvesting van onder andere zorgdoelgroepen en studenten  Flexibel concept: score 1

45

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo

 

  

Onderhavig plan voorziet in een woningbouwconcept en een innovatieprogramma dat de komende jaren verder wordt vormgegeven. Tijdelijk concept: score 0 Onderhavig plan betreft geen een tijdelijk concept, dat na max 10 jaar geheel uit de markt genomen kan worden. Gevarieerde wijkopbouw: score 2 Onderhavig plan realiseert een nieuw gemengd stadsdeel en kennisdistrict dat excelleert in positieve gezondheid en leefstijl. Daarbij staat de gezonde mens centraal. Het gebied is toekomstbestendig ingericht als een aangename, gezonde en groene leefomgeving die goed is voor mens, klimaat en biodiversiteit De realisatie van de beoogde levensloopbestendige woningen en vrijstaande woningen zorgt voor een gedifferentieerde wijkopbouw. Levensloopbestendige woning: score 0 Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van levensloopbestendige woningen. Bijzondere rechtsvorm of samenwerkingsvorm: score 0 Ten aanzien van onderhavig plan wordt niet gewerkt in een bijzondere rechtsvorm of samenwerkingsvorm. Duurzaamheid: score 2 Ca. 70% van het plangebied wordt ingericht als groene leefomgeving waarbij klimaatadaptatie en natuurinclusief kernwaardes zijn. De ambities van het Veilingterrein worden vormgegeven rondom positieve gezondheid. Klimaatbestendig bouwen: score 2 Er worden specifieke maatregelen genomen ten aanzien van de klimaatbestendigheid van de te bouwen woningen.

Al het regenwater binnen het plangebied wordt ter plaatse van het terrein opgevangen en geïnfiltreerd. Het plangebied wordt voor ca. 70% ingericht als groene leefomgeving. Groen binnen stedelijk gebied heeft niet alleen voordelen op het gebied van waterberging, maar brengt ook andere voordelen met zich mee. Het zorgt eveneens voor het vergroten van de biodiversiteit en het verminderen van hittestress in bebouwd gebied. Daarnaast kunnen vergroeningsmaatregelen bijdragen aan het verminderen van energiegebruik. Beplanting heeft een verkoelend effect op de omliggende omgeving. Dit zorgt ervoor dat in de zomer minder energie nodig is voor het verkoelen van een woning of gebouw.

3.4.7.1 Toetsing aan het afwegingskader woningbouwinitiatieven In totaliteit scoort het planvoornemen 17 punten, waarvan 7 binnen het ruimtelijk kader. Indien een planvoornemen in totaal meer dan 8 punten scoort (waarvan minimaal 4 punten bij ruimtelijk kader) kan op basis van het afwegingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven positief geadviseerd worden.

46

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo

Hoofdstuk 4

Milieu-en omgevingsaspecten

De beschouwing van milieu- en omgevingsaspecten in dit hoofdstuk focust zich op het Veilingterrein, aangezien onderhavig bestemmingsplan daarvoor de planologische kaders wijzigt. Voor de overige terreindelen, zoals de ten zuidwesten gesitueerde percelen met de bestemming 'maatschappelijk' en 'groen', is onderhavig bestemmingsplan consoliderend van aard. Er wordt daar geen aanvullende ontwikkelruimte geboden ten opzichte van wat planologisch reeds is toegestaan. Op deze gronden is reeds sprake van een goede ruimtelijke ordening en daar hebben de plannen voor het Veilingterrein verder geen invloed op.

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2023 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.1.1

Archeologie

Door ADC ArcheoProjecten is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de gronden van het Veilingterrein. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. De gehele rapportage is als Bijlage 4 opgenomen. Op basis van het bureauonderzoek geldt de volgende verwachting voor het plangebied:  In het plangebied worden zandige Maasafzettingen verwacht, wellicht in de vorm van een natuurlijke hoogte aan de westzijde van het terrein, waarin archeologische resten vanaf het Laat Paleolithicum voor kunnen komen. Hier kunnen met name resten uit de Romeinse tijd worden verwacht. Deze kunnen mogelijk in verband worden gebracht met een mogelijk villaterrein, dat wellicht ten zuiden, oosten of zelfs binnen het plangebied is gelegen.  Naast archeologische resten uit de Romeinse tijd kunnen ook laatmiddeleeuwse resten worden verwacht die verband houden met een tweetal omgrachte hoeves, die net ten zuiden en zuidoosten van het plangebied zijn gesitueerd. De hoeves zijn waarschijnlijk al in de 13e eeuw aanwezig, en staan tot in de 20e eeuw op kaarten weergegeven.  Verder heeft een beek door de oostelijke helft van het plangebied gelopen en is deze bovendien in historische tijd meerder malen gekanaliseerd. Langs en in de natuurlijke beekloop kunnen resten uit de prehistorie aanwezig zijn die verband houden met rituelen, infrastructuur en visserij.

Langs eventuele gekanaliseerde gedeelten worden resten gerelateerd aan ontginning, bewoning etc. uit latere perioden verwacht.  Resten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen worden verwacht, aangezien het plangebied in de Duitse Maas-Stellung was gelegen en er op luchtfotografie loopgraven binnen het plangebied zichtbaar zijn.  Tenslotte wordt rekening gehouden met verstoringen als gevolg van egalisatie ten behoeve van de huidige inrichting van het Veilingterrein. Teneinde de hierboven beschreven verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit het booronderzoek is gebleken dat in een groot gedeelte van het plangebied diverse recente verstoringen hebben plaatsgevonden. Hoewel deze verstoringen sterk variëren in diepte, is nergens waargenomen dat de verstoringen tot in de terrasafzettingen reiken. Daarom kunnen overal in het plangebied onder de verstoringen nog archeologisch kansrijke lagen intact zijn. Het voorkomen van archeologische resten met een datering vanaf het Laat Paleolithicum is aan de hand van het booronderzoek derhalve niet uit te sluiten.

47

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd op basis van een door de gemeente goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Dit PvE is opgesteld in de periode tussen ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan en de vaststelling van het bestemmingsplan. Het door de gemeente Venlo goedgekeurde PvE is opgenomen in Bijlage 5. Omdat het plangebied in meerdere fases ontwikkeld zal worden, zullen er verschillende onderzoeken uitgevoerd moeten worden. Er is thans nog geen zicht op het exacte aantal en de omvang van de verschillende fases, waardoor ook nog niet bekend is hoeveel (proefsleuven)onderzoeken er plaats gaan vinden. Daarom is het PvE opgezet als een overkoepelend PvE, ook wel paraplu-PvE genoemd, dat geldig is voor het complete plangebied. Dit overkoepelend PvE zorgt ervoor dat alle onderzoeken volgens dezelfde methodiek en strategie uitgevoerd worden en gaat versnippering tegen. Per fase/deellocatie zal nog een addendum/oplegblad op het PvE opgesteld worden, die gedetailleerde aanvullingen geeft voor de specifieke fase/deellocatie.

Het PvE dient daarvoor als basis, de vertaling naar de praktische uitvoering (bijvoorbeeld welke zones onderzocht moeten worden, welk soort vervolgonderzoek, te onderzoeken oppervlakte en het puttenplan etc.) worden in de addenda vastgelegd. Ieder addendum dient ter beoordeling voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid. De uitvoering van de onderzoeken vindt pas plaats na goedkeuring door de bevoegde overheid. Om te borgen dat de archeologische waarden voldoende beschermd zijn en vervolgonderzoek wordt uitgevoerd is voor het gehele plangebied een dubbelbestemming opgenomen waarin bepaald is dat archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden alvorens bodemingrepen plaatsvinden. Conclusie Binnen het plangebied zijn mogelijk archeologische waarden aanwezig. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen omdat het plangebied voor archeologie nog niet vrijgegeven is. Het opnemen van deze dubbelbestemming zorgt ervoor dat alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen verleend wordt, het archeologisch aspect afdoende onderzocht is. 4.1.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven hoe wordt omgegaan met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De gemeente Venlo heeft in 2015 een Cultuurhistorische inventarisatiekaart laten opstellen door Raap. Op deze kaart zijn de landschapstypen, landschapselementen en bouwkunst en stedenbouw opgenomen. Een uitsnede van het plangebied is weergeven op de volgende figuur.

Afbeelding 4.1: Cultuurhistorische inventarisatiekaart

48

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo Op de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo zijn enkele elementen binnen het plangebied aangegeven. Het gebied wordt grotendeels aangeduid als droge kampontginning en een deel van het plangebied betreft beekdal. Dit is de zone rondom een voormalige waterloop die inmiddels verdwenen is. Aan de zuidkant van het plangebied ligt een linie waar vermoedelijk een loopgraaf heeft gelegen. Dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld door het ontbreken van bronnen. Bij het archeologisch onderzoek en onderzoek naar Onontplofte oorlogsresten is dit nader onderzocht. Daarnaast heeft RAAP in november 2022 in opdracht van de gemeente Venlo een archeologisch en cultuurhistorisch adviesdocument opgesteld voor het plangebied Hagerhofweg 2, het voormalige Veilingterrein in Venlo-Zuid. Het plangebied is gelegen in een gebied met veel archeologische en cultuurhistorische relicten, die al bijna 90 jaar worden onderzocht. Een groot gedeelte van het oorspronkelijke cultuurlandschap rond het plangebied is verdwenen maar er zijn nog restanten die aan de vroegere situatie herinneren. Denk daarbij vooral aan laanstructuren (Hulsterweg en Hagerlei), de restanten van de gracht rond de Hagerhof, monumentale bomen rond de locatie van dezelfde boerderij, een deel van de herbouwde Wylrehof (Hulsterweg 7) en de algemene begraafplaats.

Voor het aspect cultuurhistorie blijkt dat op het Veilingterrein geen historische restanten overgebleven zijn die herinneren aan het natuurlijke en cultuurhistorische landschap van voor de jaren 1960. Het gebied is om die reden een leeg doek, waarin verschillende (vergaande) ingrepen mogelijk zijn om de cultuurgeschiedenis van het gebied zichtbaar te maken. In het rapport worden voorstellen gedaan om cultuurhistorie terug te brengen, die in de planuitwerking verder moeten worden uitgewerkt. Wel blijkt hieruit dat er met onderhavige ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden worden verstoord. De overgebleven spanten van de oude veilinghallen zijn cultuurhistorisch niet beschermd, maar zijn wel onderdeel van de plannen en verwijzen zo naar de oorspronkelijke functie van het gebied. De spanten van de oude veilinghallen hebben een rauwe en industriële uitstraling die het gebied een eigen karakter kunnen geven. Hiermee vormen ze de basis voor een nieuwe alternatieve bestemming. Te denken valt aan een moestuin, speeltuin, pluktuin, kas, horeca, bierbrouwer etc. Conclusie Op het Veilingterrein zijn geen cultuurhistorische elementen (meer) aanwezig. De cultuurhistorische elementen in het zuidwestelijk deel van het plangebied worden niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie is daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.2

Bodem

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Middels onderhavig plan wordt functie gewijzigd. Er is sprake van een wijziging naar een gevoelige functie. Het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van gewijzigd gebruik is noodzakelijk. Toetsing van het onderhavige plan Ten behoeve van het onderhavige plan is een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN5740 en NEN5707 uitgevoerd door Aveco de Bondt. Tevens zijn in dit onderzoek verhardingslagen onderzocht. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. De gehele rapportage is als Bijlage 6 opgenomen.

49

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo

Zintuigelijke waarnemingen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat het overgrote deel van de onderzoekslocatie verhard is met asfalt en/of beton. Alleen op het zuidelijke deel van de onderzoekslocatie (twee weilanden) en ter plaatse van de groenstroken is sprake van een onverhard deel. De dikte van de aanwezige asfaltverharding varieert van circa 4 tot circa 20 centimeter. Lokaal is sprake van een maximale asfaltdikte van 37 centimeter. Op enkele delen van de onderzoekslocatie is sprake van een verharding bestaande uit betonklinkers. Ter plaatse van een aantal boringen is onder de asfaltverharding (circa 5 centimeter dik) een betonverharding aangetroffen met een dikte van 20 centimeter. Op deze delen is sprake van een verharding met een totale dikte van circa 25 centimeter. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen. Het gaat daarbij om sporen tot zwakke bijmengingen met baksteen en kooldeeltjes. De bodemvreemde bijmengingen worden over het algemeen aangetroffen tot een diepte van 1,0 m-mv, ter plaatse van een enkele boring is sprake van bodemvreemde bijmengingen tot een maximale diepte van 1,8 m-mv. Ten aanzien van de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen is de laag direct onder de asfaltverharding afwijkend.

In de (bodem)laag direct onder de verharding (tot circa 0,5 m-mv) zijn plaatselijk ook matige en sterke bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Het gaat daarbij om puin, baksteen en asfalt (mogelijk afgebrokkeld van de bovenliggende asfaltverharding). Een aantal boringen is gestaakt in verband met de aanwezigheid van een harde laag (aard en samenstelling niet bekend). De diepte waarop de boringen zijn gestaakt varieert van 0,2 m-mv tot 1,1 m-mv. Ter plaatse van een aantal boringen is een laag met meer dan 50% bodemvreemd materiaal (puingranulaat) aangetroffen. Omdat deze bijmengingen plaatselijk worden aangetroffen en niet over de gehele locatie wordt niet als funderingslaag beschouwd. Vanwege de mate van bijmengingen wordt deze laag niet als bodem beschouwd. Onderzoeksresultaten grond- en grondwater Uit de analyseresultaten blijkt dat in één mengmonster van de bovengrond een sterk verhoogd gehalte kobalt en een matig verhoogd gehalte met koper is aangetroffen. Verder zijn in dit mengmonster licht verhoogde gehalten met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. In de overige geanalyseerde grondmonsters zijn maximaal licht verhoogde gehalten met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond.

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen tijdens het veldwerk en de analyseresultaten blijkt geen eenduidig verband tussen de zintuiglijke waarnemingen en de verhoogde gehalten die analytisch zijn aangetoond. Ondanks dat een eenduidig verband tussen de bodemvreemde bijmengingen en de analytisch aangetoonde gehalten ontbreekt komen de matig en sterk verhoogde gehalten alleen voor als sprake is van matige tot sterke bijmengingen met bodemvreemde materialen. Daarom wordt geconcludeerd dat de verhoogde gehalten zijn te relateren aan de bijmengingen met bodemvreemde materialen. In het grondwater zijn slechts licht verhoogde concentraties met barium aangetroffen. Voor de overige geanalyseerde componenten zijn geen verhoogde concentraties aangetoond. De aangetoonde gehalten (grond) en concentraties (grondwater) zijn in overeenstemming met de vooraf opgestelde hypothese dat de onderzoekslocatie verdacht is voor zware metalen, PAK en/of minerale olie. Op basis van de aangetroffen gehalten en de relatie met de aanwezige bodemvreemde bijmengingen wordt een nader bodemonderzoek op dit moment niet noodzakelijk geacht. Eventueel kan de omvang van de sterke verontreiniging in een later stadium nader in beeld worden gebracht. Asbest Zintuigelijk is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Uit de analyseresultaten van het bodemonderzoek asbest blijkt dat in de laag met bijmengingen aan puin en baksteen direct onder de aanwezige asfaltverharding asbest aanwezig is. De aangetoonde gehalten zijn echter dermate laag dat deze geen aanleiding geven voor de uitvoering van een nader bodemonderzoek asbest.

50

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo

Verhardingen (funderingsmateriaal) In enkele boringen zijn matig tot sterke bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Tevens zijn enkele boringen gestaakt vanwege een harde laag. Desondanks kan op basis van de resultaten worden geconcludeerd dat onder de aanwezige asfalt-/ betonverharding geen sprake is van een fundering laag. Uit het asfaltonderzoek, opgenomen als Bijlage 7, blijkt dat de opbouw van het asfalt over de gehele onderzoekslocatie bezien verschilt zowel qua dikte als qua opbouw. De dikte van de geanalyseerde kernen varieert van 13 tot 110 mm. Het asfalt is afhankelijk van de kern opgebouwd uit een slijtlaag, grindasfaltbeton (GAB), dicht asfalt beton (DAB), een penetratie laag, open asfaltbeton (OAB) en/of steenslagasfaltbeton (STAB). Bij het PAK-marker onderzoek op de asfaltkernen is geconstateerd dat sprake is van fluorescentie bij de slijtlagen en de penetratie lagen. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het PAK-gehalte in deze lagen groter is dan 250 mg/kg. Daarmee zijn deze lagen niet geschikt voor hergebruik. Voor de overige asfaltlagen is geen sprake van fluorescentie. Om te bepalen of het asfalt als teervrij kan worden beschouwd en hiermee geschikt is voor warm hergebruik is aanvullend onderzoek nodig.

Conclusie in relatie tot planvoornemen Middels het uitgevoerde bodemonderzoek is een goed beeld verkregen van de milieuhygienische bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie. Vanwege de gesloten verhardingen (asfalt, beton) die aanwezig zijn op het overgrote deel van de locatie en het gebruik van de locatie ten tijde van het onderzoek zijn niet alle delen voldoende (conform de norm) en/of volledig (afperken verontreiniging) onderzocht. Binnen de onderzoekslocatie/ plangebied is daarom sprake van een aantal aandachtspunten ten aanzien van de milieuhygienische bodemkwaliteit. Ter plaatse van de delen waarop deze aandachtspunten betrekking hebben dient aanvullend onderzoek plaats te vinden. Het gaat om de volgende aandachtspunten:  Bodemonderzoek naar de gedempte watergangen;  Aanvullend onderzoeken van de KLG-loods (onderzoek heeft nu een indicatief karakter);  Aanvullend onderzoeken het VieCuri parkeerterrein (onderzoek heeft nu een indicatief karakter);  Aanvullend/nader bodemonderzoek ter plaatse van de boringen uit mengmonster MM08. De huidige situatie (gesloten verhardingen/ intensief gebruik) zorgt (evenals bij het reeds uitgevoerde onderzoek) voor beperkingen in de uitvoering. Met name voor het aanvullend onderzoek bij de boringen uit mengmonster MM08 en de gedempte watergangen zijn de gesloten verhardingen een grote beperking.

Het intensieve gebruik ter plaatse van de KLG-loodsen en het VieCuri parkeerterrein heeft ervoor gezorgd dat het onderzoek op deze delen een indicatief karakter heeft. Vanwege de aanwezige gesloten verhardingen en het intensieve gebruik van de locatie adviseren wij om het aanvullend onderzoek uit te voeren op het moment dat de gesloten verhardingen zijn verwijderd en geen sprake meer is van bedrijfsmatige activiteiten. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. De bodemkwaliteit is geschikt (te maken) voor het beoogd gebruik.

4.3

Bedrijf en Milieuzonering

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'.

51

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo

VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied.

In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Toetsing van het onderhavige plan Met beoogde ontwikkeling wordt er een gemengd gebied gerealiseerd waarbinnen woningbouw en niet-woonfuncties rondom het thema positieve gezondheid samenkomen. Hierdoor kan het plangebied worden beschouwd als een gemengd gebied, waardoor de richtafstand tussen milieugevoelige functies en milieubelastende activiteiten met één stap verkleind mag worden. Interne werking De interne werking gaat om de vraag of de omgeving de nieuwe functie toelaat: bij de realisatie van een milieuhinder gevoelige functie dient een beschermende bufferzone in acht te worden genomen.

Dit betekent dat woningen last kunnen ondervinden van milieubelastende activiteiten in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien kunnen de woningen een belemmering vormen voor in de omgeving liggende bedrijvigheid in het kader van hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Een groot deel van de functies binnen het plangebied zijn gevoelig voor hinder van bedrijven. Rondom het plangebied zijn de volgende bedrijven en functies relevant:  Ten noordwesten, aan de overzijde van de Tegelseweg, zijn maatschappelijke functies toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan, met een specifieke functieaanduiding voor gezondheidszorg. Het gaat om het VieCuri Medisch Centrum met diverse aanpalende voorzieningen zoals een huisartsenpost, uitvaartcentrum, etc. Dergelijke functies dienen als milieucategorie 2 te worden beschouwd.  Ten zuidwesten, nog voor de Hulsterweg, zijn plaatselijk maatschappelijke functies toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan, met specifieke functieaanduidingen voor onderwijs en verenigingsleven. Het gaat om een basisschool en een jeugdvereniging. Dergelijke functies dienen als milieucategorie 2 te worden beschouwd.  Ten zuidwesten, aan de overzijde van de Hulsterweg, zijn maatschappelijke functies toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan, met een specifieke functieaanduiding voor onderwijs.

Het gaat om de Fontys University of Applied Sciences. Dergelijke functies dienen als milieucategorie 2 te worden beschouwd.  Ten zuiden van het plangebied ligt een begraafplaats. Deze functie dient als milieucategorie 1 te worden beschouwd.

52

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo 

Ten oosten, aan de overzijde van de Wylrehofweg, ligt een bedrijventerrein met specifieke aanduidingen voor een veiling en vervaardiging van houtemballage. Volgens het bestemmingsplan zijn bedrijfsmatige activiteiten tot en met milieucategorie 3.1 toelaatbaar. Ter plaatse is het bedrijf PKF/POST aanwezig. Dit bedrijf kan worst-case worden beschouwd als een milieucategorie 3.2 bedrijf.  Ten oosten, aan de overzijde van de Wylrehofweg, is een maatschappelijke bestemming aanwezig voor een kinderdagverblijf. Hier zijn naast een kinderdagverblijf ook andere onderwijs gerelateerde bedrijven aanwezig. Dergelijke functies dienen als milieucategorie 2 te worden beschouwd.  Ten noorden, aan de overzijde van de Hagerhofweg, zijn gemengde en maatschappelijke functies (onderwijs) toegestaan volgens het bestemmingsplan. De gemengde bestemming laat maximaal milieucategorie 2 bedrijven toe. De maatschappelijke functies dienen als milieucategorie 2 te worden beschouwd. Uit bovenstaande opsomming blijkt dat rondom het plangebied voornamelijk bedrijven en functies zijn gevestigd met een milieucategorie 2. Voor dergelijke milieubelastende activiteiten geldt dat, uitgaande van gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter aangehouden dient te worden tot milieugevoelige functies. Aan deze afstand wordt nagenoeg overal voldaan.

Uitzondering daarop betreft de basisschool ten zuidwesten van het Veilingterrein en het bedrijventerrein ten zuidoosten van het plangebied, waar 3.1 functies zijn toegelaten en een bedrijf (PKF/POST) aanwezig is welke als milieucategorie 3.2 beschouwd kan worden. Op de bedrijfssituatie met PKF/Post wordt in paragraaf 4.7 nader ingegaan. Ten aanzien van de basisschool wordt nét niet voldaan aan de richtafstand. De afstand van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' tot het bouwvlak is circa 8 meter. De richtafstanden uit de VNG-handreiking zijn indicatief voor een goede ruimtelijke ordening. Dat wil zeggen dat ervan kan worden afgeweken mits zorgvuldig voorbereid en onderbouwd. In deze concrete situatie valt op dat de representatieve geluidsbronnen van de basisschool (speelterrein, (fiets)parkeervoorzieningen, etc.) zich aan de andere zijde van het daar aanwezige gebouw bevinden. De afstand tussen beoogde woningbouw en de representatieve geluidsbronnen is dus veel groter waardoor onderlinge hinder niet te verwachten is. Externe werking Binnen het plangebied wordt een programma met woningen en een niet-woonprogramma bestaande uit een mix van activiteiten die verband houden met functies gerelateerd aan positieve gezondheid, leren en innoveren, werken en ondernemen, bewegen, ontspanning en verzorging gerealiseerd. Woningen veroorzaken geen milieuhinder voor functies in de omgeving.

Met het niet-woonprogramma worden milieubelastende functies gerealiseerd, het gaat daarbij vooral om lichte bedrijvigheid. Gelet op de afwezigheid van gevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied worden er onderling geen belemmeringen verwacht. Bovendien zijn de functies gelet op de beperkte mate van milieuhinder in de praktijk direct naast woningen/andere gevoelige functies toelaatbaar of toelaatbaar wanneer deze bouwkundig afgescheiden zijn. Interne functiemenging Binnen het plangebied zal sprake zijn van functiemenging van wonen en niet-wonen functies. Om de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen wordt gebruik gemaakt van de systematiek voor gemengde gebieden met functiemenging. Bedrijven worden daarin ingedeeld in de volgende categorieën: A. Bedrijfsactiviteiten die direct naast of beneden woningen/andere gevoelige functies zijn toegestaan, desgewenst in daarvoor omschreven zones binnen rustige woongebieden. De activiteiten zijn zodanig weinig milieubelastend dat de eisen uit het Bouwbesluit toereikend zijn. B. Bedrijfsactiviteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig afgescheiden van woningen/andere gevoelige functies.

Bouwkundig afgescheiden betekent dat de panden los van elkaar dienen te staan of dat er andere bouwkundige voorzieningen getroffen zijn waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. C. Activiteiten genoemd onder categorie B, waarbij vanwege relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is. In het plan komen vooral bedrijven voor die onder categorie A vallen. Deze zijn dus direct naast of onder woningen/andere gevoelige functies inpasbaar. Categorie B bedrijven kunnen mogelijk worden gemaakt middels een binnenplanse vergunningplicht. Deze bedrijven dienen namelijk bouwkundig

53

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo gescheiden van woningen/andere gevoelige functies te worden gerealiseerd of moeten voorzien worden van bouwkundige voorzieningen waardoor milieubelasting voorkomen wordt op vergelijkbare wijze als bij bouwkundige afscheiding. Bedrijven die onder categorie C vallen zijn niet inbegrepen in de plannen. In de planregels is een lijst opgenomen met toegelaten bedrijfsactiviteiten en onder welke categorie (A of B) zij vallen. Aangezien deze lijst vrij specifiek is, is in de planregels verder een afwijkingsbevoegdheid opgenomen dat functies die naar aard en omvang gelijk zijn ook toegestaan kunnen worden. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:  het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;  het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Toetsing van het onderhavige plan Via de landelijke Signaleringskaart is een overzicht verkregen van risicobronnen in de omgeving van het plangebied. Hieruit blijkt dat rondom het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn. Deze risicobronnen zijn weergegeven in de volgende figuur.

Afbeelding 4.2: Signaleringskaart

54

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo De volgende risicobronnen liggen het dichtst bij het plangebied:  Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas, >350 meter ten noordwesten van het plangebied;  Transport van gevaarlijke stoffen over de A73, >350 meter ten zuidwesten van het plangebied;  Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen, >250 meter ten zuidoosten van het plangebied;  Transport van gevaarlijke stoffen over spoor, >800 meter ten oosten van het plangebied. De risicobronnen worden achtereenvolgens in beschouwing genomen. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Ten zuidoosten van het plangebied is een buisleiding van de Gasunie gelegen. Deze buisleiding is gelegen op een afstand van circa 250 meter. De maximale werkdruk van deze buisleiding bedraagt 40 bar en de uitwendig diameter bedraagt 8,62 inch. De buisleiding heeft daarbij een invloedsgebied van 95 meter. De buisleiding vormt hiermee geen risicovolle bron voor onderhavig plan. Nadere toetsing aan het plaatsgebonden risico en groepsrisico is niet benodigd. Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas, de A73 en spoor De betreffende transportroutes voor gevaarlijke stoffen betreffen routes die gereguleerd zijn in de Wet basisnet.

In de Wet basisnet en de bijbehorende regelgeving wordt voorgeschreven wanneer een berekening van het plaatsgebonden risico dan wel het groepsrisico uitgevoerd moet worden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen op een afstand groter dan 200 meter is geen toetsing aan het plaatsgebonden risico en groepsrisico benodigd. Het plangebied is gelegen op ruim 350 meter van de betreffende transportroutes. Het plangebied is bovendien ruimschoots gelegen buiten de plaatsgebonden risicocontour van de betreffende transportroutes. Een eventueel aanwezig plasbrandaandachtsgebied bedraagt hooguit 30 meter en vormt dus ook geen belemmering. Het invloedsgebied van bepaalde stoffen kan groot zijn en bij een ramp alsnog tot effecten leiden binnen het plangebied. Gelet op de afstand tussen de risicobronnen en het plangebied (>350 meter) betreft dit alleen rampen met een zogenaamd toxisch scenario. Het invloedsgebied voor dergelijke situaties is veelal meerdere kilometers. Gelet op de ligging binnen het invloedsgebied is een beperkte verantwoording van het groepsrisico uitgewerkt, conform artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit houdt op basis van artikel 7 van het Bevt in dat ingegaan dient te worden op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en b.

de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Er bestaan in verband met de ligging in het invloedsgebied met name risico's wat betreft ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels deze ontwikkeling de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij 'optimale' weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquillklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

55

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (waarschuwing- en alarmeringssysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Advies veiligheidsregio In het kader van het vooroverleg is de veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om een advies uit te brengen. Uit de reactie kan worden opgemaakt dat de veiligheidsregio kan instemmen met de beoogde plannen. De gegeven adviseren zijn hieronder puntsgewijs overgenomen:  Externe veiligheid: Voor deze planontwikkeling zou kunnen worden volstaan met de standaardadvisering “externe veiligheid bij toxische scenario’s Limburg-Noord”.

Mocht uit de beoordeling van externe veiligheid door de gemeente verdere punten komen, dan zal een separaat adviesverzoek EV worden gedaan bij de VRLN;  Bereikbaarheid: Zorg dat de infrastructuur in het plangebied zodanig is dat er voor hulpverleningsvoertuigen een voldoende en tweezijdige bereikbaarheid is van gebouwen en er mogelijkheden zijn voor het opstellen van materieel (conform het gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid); Mochten er straten voor doorgang worden afgesloten, zorg dat dit gebeurt door toepassing van bijvoorbeeld uitneembare plaatjes (conform het convenant “vaste en dynamische wegafsluitingen Limburg-Noord’); Ga bij de verdere uitwerking van de infrastructuur in het plangebied in overleg met de VRLN / brandweer Limburg-Noord;  Bluswatervoorziening: Het plangebied moet worden voorzien van primaire en secundaire bluswatervoorzieningen. Door WML zal een voorstel voor het waterleidingnet inclusief brandkranen worden gedaan. De geprojecteerde brandkranen zullen op verzoek van WML en de gemeente Venlo door brandweer Limburg-Noord worden getoetst aan het gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid; Het plangebied zal moeten worden voorzien van secundaire bluswatervoorzieningen.

Zorg dat de locaties en de uitvoering van een bluswatervoorziening, bijvoorbeeld een geboorde put of open water, door de initiatiefnemer en de gemeente Venlo worden afgestemd met brandweer Limburg-Noord;  Brandveilig bouwen en gebruik: Naast de wet- en regelgeving die geldt voor het (brand)veilig bouwen en gebruik voor de diverse functie in het plangebied, vragen we als brandweer Limburg-Noord aandacht voor: De toepassing van alternatieve energievormen (bijvoorbeeld zonnepanelen, EOS); Het (brandveilig) parkeren onder een appartementengebouw of de parkeerhubs; Een (brand)veilige toepassing van laadpunten voor elektrische voertuigen en het stallen van scootmobielen en elektrische fietsen. Vraag hierin advies bij brandweer Limburg-Noord. Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

4.5

Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 wordt opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Hierin wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kan bereiden op de komst van de Omgevingswet. Beleid provincie Limburg Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening 2021 opgesteld. In de volgende figuur zijn gebieden met een speciale status weergegeven.

Voor het plangebied geldt:  Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied;  Het plangebied bevindt zich in een boringsvrije zone, boringen dieper dan 5 meter boven NAP zijn verboden tenzij men een ontheffing heeft;

56

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo     

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen EHS; Het plangebied heeft geen natuurfunctie; Het plangebied ligt nabij KRW wateren; Het plangebied is niet gelegen in een ‘overstroombaar gebied’. De risiconorm wateroverlast is 1/100 jaar. Dit betekent dat eens in de 100 jaar wateroverlast toelaatbaar is.

Afbeelding 4.3: Gebieden met speciale status Beleid waterschap Limburg Het waterbeheer in het plangebied is in handen van waterschap Limburg. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma (2022-2027). Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding. In de Keur staan onder andere gebods- en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen. Het waterschap stelt specifieke uitgangspunten voor de ontwatering. Deze zijn:  50 – 60 cm voor bebouwd gebied zonder kruipruimte;  100 cm voor bebouwd gebied met kruipruimte;  Variabel voor natuurterreinen. Deze grondwaterstanden zijn ten opzichte van maaiveld. Het waterschap hanteert de volgende toetsingspunten voor de waterparagraaf: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem.

Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige

57

bestemmingsplan Veilingterrein Venlo voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Het waterschap geeft aan dat de hierboven genoemde 100 mm niet statisch maar dynamisch geborgen moet worden over het totaal verhard oppervlak om wateroverlast zo veel mogelijk te voorkomen. Dit houdt in dat het aandeel water dat geïnfiltreerd wordt van de bergingseis mag worden afgehaald om zo tot de statische berging te komen. Voor het plangebied geldt onderstaande:  Als richtlijn wordt gerekend met een dynamische waterbergingsbehoefte van 100 mm neerslag over het totaal verhard oppervlak;  De afvoernorm voor het plangebied is 2 l/s/ha. Dit mag versneld worden afgevoerd. De overige neerslag dient geborgen te worden in het plangebied;  Halfverharding rekent het waterschap als 50% verhard. Beleid gemeente Venlo In de planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht.

Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het:  Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5);  Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6).  Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33); De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22). Bij de gemeente Venlo is dit het “GRP” 2021-2031. Hierin geeft de gemeente de volgende zaken aan:  Een concreet uitgangspunt bij het herinrichten van gebieden is het verminderen van (bestaande) verharding.  Conform de Waterwet hoeft de gemeente geen hemelwater te accepteren, tenzij er echt geen andere mogelijkheid is voor degene die er van af wil.  De perceeleigenaar draagt de eerste verantwoordelijkheid om overtollig hemelwater te bergen op eigen perceel. De gemeente heeft vervolgens een inspanningsverplichting om, als dit niet mogelijk is, het overtollige hemelwater te ontvangen en af te voeren.  De perceeleigenaar is zelf verantwoordelijk voor het voorkomen van overlast of schade ten gevolge van grondwater.

Dit houdt in dat de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk is voor de ontwatering van het eigen terrein, evenals voor het beheer en onderhoud van deze voorzieningen.  Voor het afkoppelen van verhard oppervlak en de gestelde bergingseis hanteert de gemeente de ‘beslisboom afkoppeling riool’ (zie Bijlage 1);  Bij rioleringsberekeningen van nieuwe stelsels en nieuwe gebieden wordt gerekend met intensievere neerslagsituaties (uitgangspunt bui van T=100) om rekening te houden met de effecten van klimaatverandering. Om (grond)wateroverlast te voorkomen zijn richtlijnen opgesteld voor de minimale ontwateringsdiepte per gebiedstype. Deze bedraagt voor:  woongebieden 0,7 m;  bedrijventerrein 0,7 m;  stedelijke groengebieden 0,5 m;  wegen met asfaltverharding 0,7 m;  wegen met elementverharding 0,7 m;  gebieden met elementverharding 0,7 m. Daarnaast hanteert de gemeente de maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving, welke met betrekking tot wateroverlast de volgende eisen hanteert:  Geen waterschade bij een bui die 1x per 100 jaar voorkomt;  Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar;  Geen waterschade bij 20 cm waterdiepte op straat; 58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/889/documents/22544