CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

084 Bijl01 BP Industriestraat Stationsstraat Parallelweg Toelichting.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.4: Vaststelling bestemmingsplan Industriest, Stationsstraat, Parallelweg Tegelen (RV084)23.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Opgaven per stadsdeel Voor Tegelen is enkel ruimte voor nieuwe woningbouwlocaties binnen de contour van het stedelijk gebied. Aandacht is nodig voor kwetsbare wijken een een (te) eenzijdige voorraad c.q. concentratie van sociale huurwoningen.

Kwantitatief Om invulling te geven aan de beoogde versnelling wordt ingezet op een jaarlijkse groei van de woningvoorraad van 350-400 woningen. Omdat doel te bereiken wordt een programmering van circa 30% extra aangehouden, om planuitval te kunnen opvangen en toch aan de doelstelling te kunnen voldoen. Dit is verder uitgewerkt in de Dynamische Woningbouwprogrammering.

Toepassing planvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet - behoudens de toevoeging van één woning, die is is verantwoord in bijgaande ruimtelijke onderbouwing - niet in de toevoeging van woningen, maar slechts in een passende bestemming voor binnen het plangebied reeds aanwezige woningen. Om die reden wordt in deze toelichting ook niet verder ingegaan op de Dynamische Woningbouwprogrammering. Wel kan worden opgemerkt dat dit bestemmingsplan voor de binnen het plangebied aanwezige woningen weer voorziet in een woonbestemming met moderne gebruiks- en bouwmogelijkheden, die ook mogelijkheden bieden voor het levensloopbestendig maken van woningen. Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de beleidslijnen voor wonen, als opgenomen in de gemeentelijke woonvisie. 3.5.4 Welstandsnota Gemeente Venlo 2013 De gemeenteraad van Venlo heeft op 29 januari 2014 de Welstandsnota gemeente Venlo 2013 vastgesteld. De kernopgave van de nota is het waarborgen van de kwaliteit van de verschijningsvorm van bouwwerken.

Met de nota wordt beoogd: meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan de burgers en bedrijven van Venlo en sneller en slagvaardiger uitgevoerd welstandsbeleid en een betere dienstverlening; verbetering van de toegankelijkheid van de welstandsnota en daarmee betrokkenheid creëren van burgers en bedrijven bij de kwaliteit van hun directe fysieke leefomgeving ; betere regie op de verschijningsvorm voor een aantrekkelijke fysieke leefomgeving.

28

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Conform de kaart behorende bij de welstandsnota, is het plangebied grotendeels gelegen in een welstandsvrij gebied. Voor de eerstelijns bebouwing langs de Industriestraat geldt het beeldkwaliteitsplan "Centrum Tegelen", waarin de woningen binnen dit plangebied zijn aangeduid als '"dorpsbuurten". Voor de dorpsbuurten geldt dat ze dateren van midden 19e eeuw: de industrialisatieperiode. Ze zijn ontstaan door de ontwikkeling van lintbebouwing langs veldwegen richting het spoor. Met de aanleg van verbindende woonstraten ontstonden de woonbuurten. Voor deze gebieden geldt voor wat betreft ruimtelijke kwaliteit bij verbouw en ontwikkelingen dat de stedenbouwkundige structuur dient te worden gerespecteerd, onder andere door bestaande rooi- en daklijnen en schaal- en korrelgrootte te behouden.

Toepassing planvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet binnen het deel van het plangebied waarvoor voornoemd beeldkwaliteitsplan geldt niet in nieuwe ontwikkelingen, maar wordt er voorzien in een passende, moderne bestemming voor de bestaande situatie. Daarbij zijn de bouwregels afgestemd op het voorgaande door bouwvlakken op maat op te nemen, te voorzien in passende goot- en bouwhoogtes en door vast te leggen dat de voorgevel altijd in en evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens (bestaande rooilijn) dient te worden gebouwd. Overigens voorziet dit plan wel in de mogelijkheid één nieuwe woning te bouwen aan de Parallelweg. Die woning ligt in een welstandsvrij gebied. In de als Bijlage 3 opgenomen ruimtelijke onderbouwing wordt separaat ingegaan op de inpassing van die woning in de omgeving c.q. de ruimtelijke kwaliteit.

Conclusie In het bestemmingsplan worden de relevante beeldkwaliteitskaders gerespecteerd en geborgd.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

29

3.5.5 Agenda Groen en Water Met de in september 2020 vastgestelde Agenda Groen & Water verbreedt Venlo de traditionele koers van het groen- en waterbeleid en richt zich daarmee meer op functionaliteit, want groen en water dragen bij aan heel veel verschillende doelen. Dit is vertaald naar een multifunctionele groenblauwe basisstructuur, die men beter kan benutten en versterken. Ook de economische waarde van het groen en water wordt (h)erkend. Groen en water zijn onderdeel van het ruimtelijk vastgoed en dat vraagt een goed beheer. Zo blijft het groen en water duurzaam in stand en wordt vernietiging van dit kapitaal voorkomen: de basis op orde. Verder geldt uiteraard dat bij nieuwe ontwikkelingen ook groen en water als ontwerpprincipe worden meegenomen en zo klimaatdaptatief en toekomstbestendig te ontwikkelen. Gezien het voorgaande dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met klimaataspecten. Vermindering van verharding en bebouwingsoppervlak ten behoeve van het toevoegen van groen hebben hierop een gunstig effect en dragen in de regel ook bij aan de biodiversiteit en leefbaarheid. Het afkoppelen en infiltreren van water is ook van belang om droogte en wateroverlast te beperken. In de Agenda Groen en Water zijn deze zaken vertaald als beleidsrichtingen. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen deze beleidsrichtingen vertaald te worden in de plannen.

Toepassing planvoornemen Onderhavig plangebied kent vanwege de grootschalige bedrijvigheid en relatief kleine woonpercelen in het noordelijk deel van het plangebied een relatief hoge bebouwingsdichtheid. Ook de openbare ruimte is hoofdzakelijk verhard. Dit heeft invloed op het lokaal klimaat, vooral bij extreme zomerhitte. In het zuidelijk deel zijn de woonpercelen groter en minder bebouwd/verhard en daar is met name langs het spoor ook meer groen aanwezig. Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlaktewater. Blijkens onderstaande uitsnede bestaat de groenblauwe basistructuur binnen en rond het plangebied aan de zijde van de Industriestraat en Stationsstraat slechts uit enkele solitaire bomen of kleine plantvakken tussen parkeerplaatsen. Het aanwezige groen langs het spoor heeft wel een aaneengesloten karakter.

30

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een passende bestemming voor de bestaande situatie en voorziet anders dan de toevoeging van één woning niet in nieuwe ontwikkelingen. Mochten zich binnen het plangebied (op termijn) nieuwe initiatieven aandienen, dan zullen die worden getoetst aan de beleidsrichtingen als opgenomen in de Agenda Groen en Water. Verder geldt dat het aanwezig groen langs het spoor c.q. de Parallelweg in die bestemmingsplan wordt voorzien van de bestemming 'Groen'.

Conclusie In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de Agenda Groen en Water. 3.5.6 Economische Visie Venlo 2023 Deze vastgestelde visie, met als ondertitel “Van volume naar waarde” zet onder andere in op verduurzaming en een circulaire economie. Het bedrijventerrein “Windhond” wordt aangemerkt als een te herstructureren bedrijventerrein. Op basis van de richtinggevende principes uit Economische visie, zal de herstructureringsopgave en herstructureringsaanpak, nader worden uitgewerkt. 3.5.7 Omgevingsvisie Venlo 2040 Op dit moment is de Omgevingsvisie Venlo 2040 in voorbereiding. Volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet, wordt uitgegaan van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De wenselijkheid van bedrijvigheid midden in de kern van Tegelen zal binnen deze context nader worden onderzocht, mede in samenhang met toekomstige verstedelijkingsopgaven.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

31

32

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten

Milieuhygiëne

In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels. Gelet op het beheersmatige karakter van dit bestemmingsplan wordt niet bij alle aspecten even uitgebreid stilgestaan. De uitvoerbaarheid van nieuwe ontwikkelingen die in het plan worden meegenomen, als genoemd in paragraaf 2.1 van deze toelichting, wordt in aparte bijlagen bij deze toelichting beschouwd. Om die reden wordt daar in navolgende paragrafen niet aan getoetst.

4.2

Bodem

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Aangezien dit bestemmingsplan beheersmatig van aard is en niet voorziet in functiewijzigingen die leiden tot een gevoeliger gebruik van de bodem, bestaat geen aanleiding voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Bij het bouwen van een gebouw in het kader van de daarvoor te verlenen omgevingsvergunning dient een verkennend bodemonderzoek te worden overlegd waaruit blijkt dat de bodemkwaliteit voldoet aan de geldende normen voor de bodemkwaliteit. Zo niet, dan zijn maatregelen nodig zoals bijvoorbeeld sanering. In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is van belang of die maatregelen financieel uitvoerbaar zijn. Uit een eerdere gemeentebreed uitgevoerde inventarisatie van potentiële spoedeisende locaties (FOCUS-project) blijkt dat er naar verwachting geen spoedeisende verontreinigingen aanwezig zijn binnen het plangebied, als bedoeld in de Wet bodembescherming. Toepassing planvoornemen Gezien het voorgaande inzake niet te verwachten spoedeisende gevallen van bodemverontreiniging en het feit dat dit bestemmingsplan beheersmatig van aard is en daarin de bestaande situatie voor wat betreft gebruik en bouwen wordt vastgelegd, is een milieukundig bodemonderzoek niet noodzakelijk en is de financiële uitvoerbaarheid van het plan ook niet in het geding.

4.3

Geluid

4.3.1 Wegverkeerslawaai Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Onderhavig bestemmingsplan is echter een overwegend beheersmatig van aard. Hoewel het plangebied is gelegen binnen de zone van diverse wegen, worden binnen die zones geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt, behoudens de toevoeging van één nieuwe woning aan de Parallelweg (zie hierna). Ook worden geen nieuwe wegen mogelijk gemaakt die een zone kennen. Het aspect wegverkeerslawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Voor de toevoeging van een woning aan de Parallelweg geldt dat de toets aan de geldende beleidskaders, net als de toetsing op alle andere ruimtelijke aspecten plaatsvindt in een separate onderbouwing waarin wordt

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

33

aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Die onderbouwing is als Bijlage 3 toegevoegd aan deze toelichting. Daaruit blijkt dat voor wat betreft wegverkeerslawaai niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde, waardoor een hogere grenswaarde kan worden vastgesteld. Wanneer omgevingsvergunning wordt gevraagd voor de bouw van de betreffende woning zal moeten worden aangetoond dat de uitwendige scheidingsconstructies voldoende karakteristieke gevelwering bieden. Dat dit onderzoek moet worden uitgevierd vloeit reeds voort uit het Bouwbesluit 2012 en behoefte geen verdere borging in dit bestemmingsplan. 4.3.2 Industrielawaai De Wet geluidhinder is ook van toepassing op bedrijventerreinen waarvoor een bestemming is opgenomen die de vestiging mogelijk maakt van bedrijven die ‘in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken’ en die als zodanig zijn aangewezen in onderdeel D van Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht. De betreffende bedrijven worden in de praktijk veelal aangeduid als zoneringsplichtige bedrijven en de betreffende bedrijventerreinen als gezoneerde industrieterreinen. Zoals blijkt uit paragraaf 1.3 van deze toelichting geldt voor onderhavig plangebied op dit moment géén bestemmingsplan. Binnen het plangebied is één zoneringsplichtig bedrijf aanwezig, MGG Netherlands BV.

Begrenzing gezoneerd industrieterrein In de Wet geluidhinder is het begrip 'industrieterrein' sinds de invoering van de Crisis- en herstelwet als volgt gedefinieerd: 'terrein waaraan in hoofdzaak een bestemming is gegeven voor de vestiging van inrichtingen en waarvan de bestemming voor het gehele terrein of een gedeelte daarvan de mogelijkheid insluit van vestiging van inrichtingen, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorie van inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken'. Zoals uit voorgaande definitie volgt kan een gezoneerd industrieterrein groter zijn dan het deel waarop zoneringsplichtige bedrijven zijn toegestaan. Uit diverse uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over gevallen waarin discussie was over de begrenzing van het (gezoneerde) industrieterrein is echter ook een engere uitleg geaccepteerd, met dien verstande dat delen van een bedrijventerrein waarop geen zoneringsplichtige bedrijven werden toegelaten, géén onderdeel uitmaken van het (gezoneerde) industrieterrein. Met de aangehaalde definitie is beoogd beleidsvrijheid te bieden ten aanzien van de begrenzing van (het gezoneerde deel van) het industrieterrein.

Voor onderhavig plangebied geldt dat nieuwe geluidzoneringsplichtige bedrijven niet zijn toegestaan, maar dat wel een passende bestemming wordt geboden voor het bestaande zoneringsplichtige bedrijf MGG. Om geen discussie te laten bestaan over welk deel van het plangebied wordt aangemerkt als gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder, is de begrenzing opgenomen in onderstaande afbeelding. Die begrenzing met overeen met de binnen het plangebied toegekende bestemmingen 'Bedrijventerrein' en 'Bedrijf', maar met uitzondering van Industriestraat 2a-2b.

34

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Zonebesluit 1987 Vanwege de ligging van eerder genoemd zoneringsplichtig bedrijf op dit terrein is op 3 maart 1987 een zogenoemd zonebesluit genomen door Gedeputeerde Staten van Limburg, waarmee een 50 dB(A)-geluidzone is vastgelegd rond onderhavig plangebied, destijds aangeduid als industrieterrein 'Krekelsberg'. Voor de destijds reeds aanwezige woningen geldt van rechtswege als gevolg van het zonebesluit een grenswaarde van 55 dB(A). Daarbij gaat het overigens niet alleen om de woningen die binnen de geluidzone maar buiten de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, maar ook om de woningen die zijn gelegen binnen de begrenzing van het gezoneerde industrieterrein. Aangezien niet op alle woningen kon worden voldaan aan de waarde van 55 dB(A), is voor een aantal woningen vervolgens een maximaal toegestane geluidbelasting vastgesteld door middel van een saneringsbesluit in februari 1992. Voor de woningen die ten tijde van het zonebesluit nog niet aanwezig waren binnen de 50 dB(A)-contour is in het kader van de daarvoor noodzakelijke ruimtelijke procedures een hogere waarde vastgesteld.

Zo is op 10 februari 1987 door Gedeputeerde Staten van Limburg een besluit tot vaststelling van hogere grenswaarden industrielawaai van 55 dB(A) genomen voor de woningen gelegen aan de overzijde van de Stationsstraat gelegen op het terrein van de voormalige metaalgieterij 'Globe'. Het zonebesluit heeft naast dit plangebied ook betrekking op het bedrijventerrein aan de overzijde van de spoorlijn, welk terrein wordt aangeduid als 'Aan de Zwarte Hond'. Beide bedrijventerreinen werden

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

35

aangemerkt als één industrieterrein, althans er is sprake van één geluidzone rondom beide terreinen samen. Toch wordt er voor gekozen niet dat gehele terrein in één nieuw bestemmingsplan onder te brengen. De reden daarvoor is dat er voor onderhavig plangebied tot de inwerkingtreding van voorliggend bestemmingsplan géén bestemmingsplan geldt. Er is zo geen goede sturing te geven aan de ontwikkelingen binnen het plangebied in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Voor het deel 'Aan de Zwarte Hond' geldt een bestemmingsplan dat weliswaar al wat ouder is (1971), maar nog wel voorziet in passende gebruiks- en bouwmogelijkheden. Aangezien op relatief korte termijn omzetting zal moeten plaatsvinden naar een omgevingsplan met de bijbehorende nieuwe systematiek voor gezoneerde industrieterreinen, zal in dat kader opnieuw worden voorzien in passende kaders voor het gehele gezoneerde terrein.

36

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Gebleken is dat de eerder genoemde waarden niet meer worden gerespecteerd, met name als gevolg van het hanteren van een afwijkend model in het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in 2004 aan MGG verleende milieuvergunning. Vervolgens is in overleg met MGG onderzocht of het mogelijk is de geluidbelasting terug te brengen tot de eerder genoemde waarden. Het resultaat van dat onderzoek is beschreven in notities van Peutz (d.d. 10 februari 2021, kenmerk F 993-60-NO-002, d.d. 15 juli 2021, kenmerk F 993-62-NO-002), die tezamen als Bijlage 1 bij deze toelichting zijn gevoegd. Daaruit blijkt dat na het treffen van maatregelen, op een enkele woning na, de eerder toegestane geluidbelasting op de woningen wordt gerespecteerd. De maximaal toegestane geluidbelasting in het kader van de Wet geluidhinder wordt niet overschreden. Tevens blijkt dat de huidige buitenste zonegrens wordt gerespecteerd. Voor de woningen waar sprake is van een toename van de geluidsbelasting, wordt gelijktijdig met de vaststelling van dit bestemmingsplan een separaat besluit hogere waarde genomen. De ligging van de buitenste zonegrens blijft overigens ongewijzigd. Uit het besluit hogere waarde en het daaraan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek, blijkt namelijk dat dat nog passend is. Daarbij is ook van belang dat het zonebeheersmodel c.q.

programma actueel is, zowel voor zover dat betrekking heeft op onderhavig plangebied, als voor het het gedeelte 'Aan de Zwarte Hond'. De uitstraling vanwege de activiteiten binnen dit plangebied, gecumuleerd met het gedeelte 'Aan de Zwarte Hond' voldoen aan de vastgestelde 50 dB(A)-contour rond onderhavig plangebied. Het akoestisch onderzoek is als Bijlage 2 toegevoegd aan deze toelichting. Inmiddels is tussen de provincie (bevoegd gezag), gemeente en MGG overeengekomen dat de uit de notitie van Peutz voortvloeiende maatregelen binnen de planperiode van onderhavig bestemmingsplan ook worden getroffen. Die maatregelen worden uitgewerkt in een geluidsreductieplan opgesteld als bedoeld in artikel 67 Wet geluidhinder, dat binnen één jaar na vaststelling van dit bestemmingsplan zal worden vastgesteld.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

37

Daarin zal worden geborgd dat voornoemde maatregelen ook binnen 5 jaar worden getroffen. Ook de milieuvergunning voor MGG zal op dit punt worden herzien, waarmee de uitvoering van de maatregelen ook zal worden geborgd. Verder is van belang dat de bestaande woningen binnen onderhavig plangebied tot de vaststelling en inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zijn gelegen binnen het gezoneerde industrieterein. Met dit bestemmingsplan wordt dit deel van het gezoneerde industrieterrein (deel Krekelsberg) herbegrensd en komen de woningen buiten het industrieterrein te liggen. Overigens blijft het terrein ten oosten van de spoorlijn, aangeduid als 'Aan de Zwarte Hond' waarvoor - in tegenstelling tot het deel 'Krekelsberg' - wél nog een bestemmingsplan van kracht is, buiten het plangebied, nu de zone hier ongewijzigd blijft en die zone ook is vastgelegd in omliggende bestemmingsplannen als 'De Doolhof', 'Buitengebied Venlo' en 'Steyl'. 4.3.3 Spoorweglawaai Net als wegverkeerslawaai en geluid vanwege (gezoneerde) industrieterreinen wordt spoorweglawaai gereguleerd door de Wet geluidhinder. Hoewel de spoorlijn Venlo-Roermond direct grens aan het plangebied, is van belang dat sprake is van een overwegend beheersmatig bestemmingsplan, dat geen geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt waarvoor de geluidbelasting als gevolg van spoorweglawaai in beeld dient te worden gebracht.

Een uitzondering is de toevoeging van een woning aan de Parallelweg. In bijgaande ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd dat die ook ontwikkeling - ook voor wat betreft geluid voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Het aspect spoorweglawaai vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.3.4 Piekgeluiden en cumulatie Gelet op het voorgaande is sprake van het vastleggen van de bestaande planologische situatie. Voor wat betreft de geluidemissie vanuit de aanwezige bedrijven gelden dat sprake is van bestaande, vergunde rechten, ook voor wat betreft piekgeluiden. In zoverre brengt dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen met zich mee die tot een wijziging van de daarmee samenhangende geluidsniveaus met zich meebrengen. Daarnaast wordt - als eerder beschreven - een geluidsreductieplan opgesteld en vastgesteld, waarin maatregelen worden vastgelegd die tot een afname van de geluidsbelasting zullen leiden. Dat geldt ook voor de cumulatieve geluidsbelasting binnen het plangebied.

4.4

Trillingen

Gelet op de ligging van het plangebied langs het spoor kan binnen het plangebied sprake zijn van trillingen, waarvan dient te worden afgewogen of die aanvaardbaar zijn. Bij nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van een spoorlijn wordt dit aspect beoordeeld aan de hand van de SBR richtlijn-B. De SBR richtlijn-B maakt gebruik van streefwaarden die gericht zijn op hinder door trillingen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Overschrijding van deze streefwaarden dient dan ook zoveel mogelijk te worden vermeden.

Toepassing planvoornemen Voorliggend bestemmingsplan betreft een bestemmingsplan waarin de bestaande situatie binnen het plangebied wordt vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen in de vorm van het toestaan van nieuwe trillinggevoelige gebouwen worden in dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt, behoudens de realisatie van één nieuwe woning aan de Parallelweg, waarvan de uitvoerbaarheid in bijgaande onderbouwing (Bijlage 3) is aangetoond. Nieuwbouw na sloop van bestaande woningen behoort wel tot de mogelijkheden. Om te borgen dat bij dergelijke ontwikkelingen aandacht wordt besteed en is op de verbeelding voorzien in een aanduiding 'overige zone - trillinghinder', waaraan regels zijn verbonden die borgen dat het bouwen en in gebruik nemen van nieuwe woningen uitsluitend toegestaan wanneer uit een dynamische berekening van de trillingssterkte

38

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

blijkt dat - zo nodig door het treffen van maatregelen - wordt voldaan aan de streefwaarden voor 'Wonen nieuwe situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch. Daar kan alleen van worden afgeweken indien er geen doelmatige en kosteneffectieve maatregelen mogelijk zijn om de trillingssterkte te verminderen, maar uit een dynamische berekening wel blijkt dat tenminste wordt voldaan aan de streefwaarden voor 'Wonen in bestaande situatie', zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch. Deze regels gelden overigens ook voor de niuw te bouwen woning aan de Parallelweg, aangezien die woning is geprojecteerd binnen de betreffende zone.

4.5

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2 ) en zwevende deeltjes als PM1 0 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die „niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof.

Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan indien de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Binnen het plangebied worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in betekende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. Ook voorziet het bestemmingsplan niet in mogelijkheden voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg.

Uitgaande van kaartmateriaal van het RIVM over 2020 (jaargemiddelde) als beschikbaar via de Atlas Leefomgeving ten tijde van het opstellen van deze toelichting zijn de volgende cijfers beschikbaar over de luchtkwaliteit binnen het plangebied: fijnstof (PM2,5) : circa 9,6 µg/m3 (norm is 25, WHO-advieswaarde 2021 is 5 ); fijnstof (PM1 0) : circa 16,6 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 15); stikstofdioxide (NO2 ) : circa 13,6 µg/m3 (norm is 40, WHO-advieswaarde 2021 is 10). Gezien voorgaande cijfers voldoet de kwaliteit aan de norm (EU-grenswaarde), maar niet aan de door de World Health Organisation (WHO) geadviseerde norm. Daarbij wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de advieswaardes door de WHO eind 2021 zijn aangescherpt (PM2,5 was 10 µg/m3 , PM1 0 was 20 µg/m3 en NO2 was 40 µg/m3 ). Aan de tot voor kort geadviseerde waarden wordt dus wel voldaan. Hoewel 2020 in verband met Corona een bijzonder jaar was, waarbij de concentraties van de genoemde stoffen 10 tot 20% lager lagen, was in de jaren daarvoor ook al een daling van die concentraties te zien (bron: Atlas Leefomgeving). Daarnaast wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord, dat ook door de gemeente Venlo is ondertekend, gewerkt aan de ambitie om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren. Daarbij wordt een gezondheidswinst

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

39

van 50% in 2030 nagestreefd, ten opzichte van de situatie in 2016.

Toepassing planvoornemen Gezien het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1 Wettelijk kader De regelgeving op het gebied van externe veiligheid heeft als doel om de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. De regelgeving is vervat in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de volgende hoofdstukken wordt nader ingegaan op de relevante besluiten. Bij onderzoek naar externe veiligheid worden twee grootheden onderscheiden: het plaatsgebonden risico; het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een ongeluk met gevaarlijke stoffen bij een inrichting, buisleiding of transportas. Voor het PR geldt een ‘harde’ grenswaarde van 10-6/jaar (PR10-6) die op kaart kan worden aangeduid met een contour. Binnen deze contour mogen geen zogenoemde 'kwetsbare objecten' zoals woningen of scholen liggen. Hieraan zal in alle gevallen moeten worden voldaan bij het vaststellen van Wabo besluiten en bestemmingsplannen. Er is in dit geval geen sprake van beleidsruimte voor het gemeentebestuur.

Voor zogenoemde 'beperkt kwetsbare objecten', zoals verspreid liggende woningen of kleine kantoren, geldt het PR niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Dit betekent dat op grond van zwaarwegende motieven van de norm mag worden afgeweken.

Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico (GR) betreft de kans per jaar, dat een groep van 10 of meer personen overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving direct overlijdt bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waarde kans (F) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor het groepsrisico geldt wel een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag dient binnen het invloedsgebied een afweging te maken tussen het belang van de ruimtelijke ontwikkeling ten opzichte van het risico dat een groep mensen komt te overlijden als gevolg van een ramp of ongeval met gevaarlijke stoffen. Ook eventueel te nemen maatregelen en risico’s dienen in de verantwoording opgenomen te worden.

Voorafgaand aan de verantwoording van het groepsrisico moet een plan of vergunning ter advisering aan de veiligheidsregio worden voorgelegd.

40

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

4.6.2 Toepassing Uit het kaartmateriaal met betrekking tot omgevingsveiligheid in de Atlas Leefomgeving kan worden afgeleid dat binnen het plangebied één risicovolle inrichting aanwezig is (MGG), dat over de spoorlijn Venlo-Roermond vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en dat ten oosten van de spoorlijn enkele hogedruk gasleidingen zijn gelegen. Op grotere afstand liggen Basisnetroutes A73 en de Maas (Maascorridor). Hierna wordt afzonderlijk ingegaan op de daarmee samenhangende risico's in relatie tot dit bestemmingsplan.

Inrichtingen MGG betreft een risicovolle inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Dit in verband met inpandige opslag van gevaarlijke stoffen (opslag PGS15). Bij deze opslag hoort blijkens de Atlas Leefomgeving een plaatsgebonden risicocontour (PR-10-6) van 150 meter. Het invloedsgebied bedraagt 275 meter. De binnen het plangebied aanwezige woningen zijn gelegen binnen voornoemd invloedsgebied en een deel van die woningen ook is gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour. Inmiddels is echter een milieuneutrale wijziging van de omgevingsvergunning milieu aangevraagd en ook verleend op 29 juni 2023. Voornoemde opslag is verplaatst en verkleind, waardoor ook plaatsgebonden risicocontour is verkleind tot 75 meter. Binnen die contour zijn geen woningen gelegen. In dit bestemmingsplan worden zowel MGG als de aanwezige woningen voorzien van een passende bestemming. Bij eventuele toekomstige aanpassingen van de inrichting kan geen nieuwe plaatsgebonden risicocontour ontstaan die over woningen valt, waardoor geen nieuwe knelpunten kunnen ontstaan. Ook staat dit bestemmingsplan geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toe binnen het invloedsgebied van MGG.

Een uitzondering is de toevoeging van een nieuwe woning aan de Parallelweg, waarvoor in bijgaande ruimtelijke onderbouwing - ook voor het aspect externe veiligheid - is onderbouwd dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

41

Transportroutes Direct ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Venlo-Roermond, de onderdeel uitmaakt van het Basisnet Spoor (Route 50 AG), Roermond - Venlo Oost)). Deze route kent geen plaatsgebonden risicocontour (0 meter) en geen plasbrandaandachtsgebied. In de Regeling Basisnet is een plafond voor het groepsrisico opgenomen van respectievelijk 131 meter (10-7) en 275 meter (10-8), maar kent de route geen plasbrandaandachtsgebied. Over deze route vindt transport van brandbare stoffen (categorie A), brandbare vloeistoffen (categorie C3), toxische gassen (categorie B2) en toxische vloeistoffen (categorie D3) plaats. Daarvan kent de categorie B2 het grootste invloedsgebied(1%-letaliteit) van 995 meter. Daarmee ligt het plangebied geheel binnen dat invloedsgebied. Op ruim 700 meter ten oosten van het plangebied ligt de Rijksweg A73, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet. Voor deze route is een plafond voor het groepsrisico opgenomen van 74 meter (10-7), maar het wegvak van de route ter hoogte van het plangebied kent geen plaatsgebonden risicocontour (0 meter). Over die route vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats in diverse categorieën, waaronder categorieën met een groter invloedsgebied dan 700 meter (o.a. LT2, 880 meter). Daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de A73.

Op circa 1 kilometer ten westen van het plangebied ligt de Maas, die als onderdeel van de zogenoemde Maascorridor is opgenomen in het Basisnet Water. Over die route vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats in de categorie LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. Daarvan kent de categorie GT3 het grootste invloedsgebied (1%-letaliteit) van 1.070 meter. Daarmee ligt slechts een klein deel van het plangebied binnen dat invloedsgebied. Onderhavig bestemmingsplan is beheersmatig van aard. Binnen het invloedsgebied van de spoorlijn en de A73 worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toegevoegd, behouden de toevoeging van één nieuwe woning aan de Parallelweg, waarvoor in bijgaande ruimtelijke onderbouwing - ook voor het aspect externe veiligheid - is onderbouwd dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Binnen het invloedsgebied van de Maascorridor worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt.

Buisleidingen Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen vallen. Wel liggen er ten (noord)oosten van het plangebied enkele hogedruk gasleidingen van de Gasunie. Het betreft een leiding met een diameter van ca 4 inch en een ontwerpdruk van 40 bar (Z-508-06) onder de Tichlouwstraat op circa 390 meter van het plangebied en een tweede leiding met een diameter van ca 4 inch en een ontwerpdruk van 40 bar (Z-508-07) onder de Kaldenkerkerweg, op een afstand van circa 475 meter van het plangebied. Deze leidingen kennen een invloedsgebied (1%-letaliteit) van 45 meter. Daarmee ligt het plangebied ruim buiten het invloedsgebied van deze leidingen. 4.6.3 Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord en verantwoording groepsrisico De veiligheidsregio is op basis van een voorontwerp van dit bestemmingsplan gevraagd advies uit te brengen. Daarop is op 20 juli 2022 een advies uitgebracht door de veiligheidsregio. Gelet op de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Roermond - Venlo en de ligging van van MGG binnen het plangebied beschouwt de veiligheidsregio de situatie binnen het plangebied als volgt.

Relevante scenario's Plasbrand spoor Door een botsing met een ketelwagen geladen met een brandbare vloeistof zoals bijvoorbeeld Pentaan, kan de vloeistof uitstromen en tot ontbranding komen met een plasbrand tot gevolg. Het effect van een plasbrand is

42

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

hittestraling. Door de afstand van tenminste 35 meter tot het plangebied en de dichtbegroeide groenstrook en stoeprand langs het spoor is de kans dat een eventuele plasbrand het plangebied bereikt zeer klein en zijn er binnen het plangebied geen slachtoffers te verwachten.

BLEVE spoor Vanuit de spoorlijn Venlo-Roermond bestaat voor het plangebied het risico op een warme of koude BLEVE. Door een ongeval raakt een ketelwagen geladen met LPG beschadigd en komt direct (koude BLEVE) of door opwarming van een brand (warme BLEVE) tot ontploffing. Effecten die daarbij op kunnen treden zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking. Het plangebied bevindt zich voor de hittestraling bij een warme BLEVE volgens het scenarioboek EV in de 1e ring (0-140 meter), waarbij deze bij een incident ter hoogte van het plangebied kortdurend meer dan 110 kW/m2 bedraagt en de kans op overlijden binnen een bouwwerk als gevolg van deze hittestraling 32% is, indien er geen bescherming is. Gebouwen binnen het gebied zullen onherstelbare schade oplopen, waarbij alle brandbare materialen mee gaan branden. De overdruk op de gevels van de bouwwerken aan de Parallelweg kan bij een warme BLEVE op een afstand van 35 meter nog ongeveer 0,4 bar bedragen (zone B: 20-40 meter). Dit zal zware schade aan de bouwwerken veroorzaken. Het handelingsperspectief tijdens een (dreigende) BLEVE is zo snel mogelijk vluchten van de risicobron af. Het is daarom van belang dat er vanuit de bouwwerken binnen het plangebied gevlucht kan worden van het spoor af.

Het tijdsbestek waarin een BLEVE zich volstrekt kan echter dermate kort zijn dat vluchten voor personen binnen het plangebied niet meer veilig mogelijk is. Schuilen in of achter een bouwwerk is voor deze personen in dat geval het beste handelingsperspectief.

Fakkelbrand spoor Behalve dat de ketelwagen kan exploderen, is het ook mogelijk dat door een ongeval een afsluiter afbreekt, waardoor het brandbare gas uitstroomt en mogelijk direct tot ontbranding komt. Daardoor ontstaat er een fakkelbrand die blijft branden totdat de tank leeg is. De fakkelbrand duurt niet langer dan 11 minuten. Het effect dat hierbij optreedt is hittestraling, waardoor slachtoffers, schade en brand veroorzaakt kan worden in de omgeving. De hittestraling van de fakkelbrand op het plangebied kan daarbij oplopen tot meer dan 35 kW/m2 waardoor onherstelbare schade aan de bouwwerken kan ontstaan en de kans op overlijden binnen het bouwwerk als gevolg van deze hittestraling 47% is, indien er geen bescherming is. Het handelingsperspectief voor personen bij dit scenario is om zoveel mogelijk onder dekking van gebouwen van de risicobron af te vluchten. Het is daarom van belang dat er vanuit de bouwwerken binnen het plangebied gevlucht kan worden van het spoor af. Indien vluchten niet veilig mogelijk is dan dient men te schuilen in of achter een bouwwerk dat bescherming biedt tegen de hittestraling en tevens voldoende brandwerend is om niet in brand te geraken.

Gifwolk spoor of PGS15 opslag Bij een ongeval met een ketelwagen geladen met een toxische stof zoals Ammoniak of Acrylnitril of door een incident binnen de PGS15 opslag van MGG, is het mogelijk dat daarbij een giftige wolk vrijkomt en over het plangebied trekt. De toxische damp kan, door de wind meegevoerd, door natuurlijke en ruimtelijke ventilatie het binnenmilieu bereiken. Het effect hiervan is vergiftiging waarbij het afhankelijk van de blootstellingsduur en concentratie dodelijke slachtoffers kan veroorzaken. Binnen het plangebied is de overlijdenskans door vergiftiging voor personen die zich zonder bescherming in de buitenlucht bevinden 95 tot 100%. Het handelingsperspectief voor personen is dan ook om zo snel mogelijk haaks op de windrichting weg te vluchten uit het gevarengebied, of indien dit niet veilig mogelijk is om te schuilen in een bouwwerk dat

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

43

voldoende luchtdicht afgesloten kan worden.

Bestrijdbaarheid Bereikbaarheid Voor de bereikbaarheid voor de hulpdiensten is het van belang dat het plangebied vanuit meerdere windrichtingen te benaderen is. Het plangebied is in dit geval vanuit meerdere routes en verschillende windrichtingen benaderbaar. Voor het optreden bij een incident op het spoor is het spoor bereikbaar via de parallelweg en de aan de andere zijde van het spoor gelegen Steenweg.

Bluswatervoorziening Rondom het plangebied en het spoor liggen langs de Industriestraat, Stationsstraat, Parallelweg en de Steenweg meerdere ondergrondse brandkranen met elk een debiet van tenminste 65 m3/uur. Op een afstand van meer dan 250 meter is aan de Tichlouwstraat een geboorde put aanwezig met een capaciteit van 90 m3/uur. Deze ligt aan de andere zijde van het spoor dan het plangebied waardoor, het treinverkeer bij gebruik van de put voor een gebouwbrand binnen het plangebied stilgelegd zal moeten worden. Dit zal daarom vaak geen realistische optie zijn. Op minder dan 1 kilometer ligt aan de Kasteellaan een vijver die mogelijk als tertiaire bluswatervoorziening kan fungeren. Deze ligt echter ook aan de andere zijde van het spoor, waardoor het stilleggen van treinverkeer nodig is. Op circa 1 kilometer afstand is aan de Hoogstraat/Bremraap open water aanwezig. Het is echter niet duidelijk of hier voor nu en in de toekomst altijd gegarandeerd voldoende diep water aanwezig is om als bluswatervoorziening te fungeren. Tot slot is de afstand tot de Maas als tertiaire bluswatervoorziening minimaal 1,5 kilometer.

Voor de "reguliere" gebouwbrandbestrijding zou voor de industriefunctie volgens het door de gemeente Venlo vastgestelde beleid bluswatervoorziening en bereikbaarheid een secundaire bluswatervoorziening met een capaciteit van tenminste 90 m3/uur op een afstand van maximaal 200 meter benodigd zijn en de tertiaire bluswatervoorziening met een capaciteit van 240 m3/uur op een afstand van ten hoogst 1.000 meter. Op basis van de gelijkwaardigheid (grote brandcompartimentering en inzetdiepte) en de PGS15 opslag bij MGG als BEVI-inrichting zouden daarbovenop aanvullende bluswatervoorzieningen nodig zijn voor een adequate brandbestrijding in het bouwwerk. Hoewel er gezien het voorgaande voldoende primaire bluswatervoorzieningen zijn in de vorm van ondergrondse brandkranen, voldoet de secundaire bluswatervoorziening niet voor de gebouwbrandbestrijding van de binnen het plangebied gelegen industriefunctie en tevens niet aan de bluswaterbehoefte bij de bestrijding van een EV-scenario zoals een BLEVE of fakkelbrand vanaf het spoor. Het tekort aan bluswater of de grotere te overbruggen afstand tot het bluswater kan er toe leiden dat de incidentbestrijding minder effectief verloopt, waardoor het incident kan escaleren of zich tenminste langere tijd kan uitbreiden, met mogelijk meer slachtoffers en schade tot gevolg

Opkomsttijd De opkomsttijd bij een incident vanuit de dichtstbijzijnde brandweerkazerne Venlo (Ariënsstraat) naar het plangebied bedraagt circa 6 minuten en voldoet daarmee aan de wettelijke opkomsttijd.

Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. De zelfredzaamheidsstrategie bij een ongeval op het spoor hangt af van het soort

44

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

ongeval, het gebouw waarin de personen zich bevinden en de mate van zelfredzaamheid van de personen in het gebouw. De volgende afwegingscriteria spelen daarbij een rol: zelfstandigheid en mobiliteit van personen, het (verstandelijk) vermogen om gevaar in te schatten, alarmeringsmogelijkheden, vluchtmogelijkheden uit een gebouw of gebied en de mate waarin het ongeval zich tijdig laat aankondigen en de dreiging daarvan herkenbaar is. Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheid voor de in het gebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. Vanuit het plangebied is het mogelijk om in meerdere richtingen te vluchten. Er kan daardoor altijd van het incident af gevlucht worden. Binnen het plangebied zijn naast de industriefunctie tevens enkele woningen aanwezig. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de aanwezige personen voldoende zelfredzaam zijn om adequaat te handelen in het geval van een calamiteit. In dit bestemmingsplan is opgenomen dat er naast de reeds bestaande woningen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedgebied van BEVIinrichting MGG gerealiseerd mogen worden. De juiste voorlichting over de mogelijke risico's en het handelingsperspectief kunnen de aanwezige personen binnen het plangebied helpen om eerder te reageren en de juiste handelingen te verrichten in het geval van een calamiteit.

Waarschuwingen alarmering Voor de hulpverleningsdiensten is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) is dekkend voor het plangebied. Het gebruik van het WAS, aangevuld met het gebruik van NL-alert, kan er aan bijdragen dat het aantal slachtoffers wordt beperkt.

Advies en verantwoording Zelfredzaamheid De verwachting is dat alle binnen het plangebied aanwezige personen zelfredzaam zijn. Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen: Vluchten van de risicobron af: wanneer er sprake is van een dreigende BLEVE, fakkelbrand of gifwolk en de woningen / industriegebouwen hiervoor onvoldoende bescherming bieden, moeten de aanwezige personen het plangebied van de risicobron (spoor / MGG) af kunnen ontvluchten. Het ontvluchten van het plangebied kan in dit geval in meerdere richtingen. Schuilen: Wanneer er binnen het plangebied gebouwen geschikt zijn om in te schuilen voor een gifwolk, zorg dan dat dit gebouw voldoende luchtdicht af te sluiten is, doordat ramen, deuren en kieren voldoende luchtdicht zijn. Indien in het bouwwerk voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in of bij de meterkast geplaatst worden. Communicatie handelingsperspectief: Zorg dat de bewoners van de woningen op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de handelingsperspectieven, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident.

Bedrijfsnoodplan MGG: Neem de EV scenario’s op in het bedrijfsnoodplan van de BEVI-inrichting MGG. Communiceer en oefen deze scenario’s met de BHV-organisatie en personeel. Bestrijdbaarheid, maatregelen Maatregelen op het gebied van bestrijdbaarheid vergroten de mogelijkheden voor de hulpdiensten om snel en adequaat op te kunnen treden tijdens een incident en kunnen daarmee mogelijk slachtoffers of schade

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

45

beperken: De aanwezige bluswatervoorzieningen voldoen niet aan het gemeentelijk beleid bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor de gebouwbrandbestrijding van de BEVI-inrichting MGG met de daarin aanwezige gelijkwaardigheden en PGS15 opslag en eveneens niet aan de bluswaterbehoefte tbv de bestrijding van een EV-scenario vanaf het spoor. Advies om in overleg met de veiligheidsregio te bezien welke aanvullende bluswatervoorzieningen gerealiseerd kunnen worden om een adequate incidentbestrijding te bevorderen. Effectreducerende maatregelen zoals beperken glasoppervlak, brandwerendheid gevels, materiaalkeuzes en dergelijke zijn naar aanleiding van deze periodieke actualisering van het bestemmingsplan niet realistisch aangezien er geen (bouw)ontwikkelingen plaatsvinden binnen het plangebied. Mocht dit op termijn wel het geval zijn, dan zullen we als veiligheidsregio graag gebruik maken van ons adviesrecht om hierin een advies op maat te geven. Restrisico De beschouwde risicobronnen kunnen in relatie tot de plannen leiden tot ongevallen met grote gevolgen voor de omgeving die voor hulpverleningsdiensten lastig beheersbaar zijn. De geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen reduceren tot een omvang die beter beheersbaar of bestrijdbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten.

Hoewel het uitvoeren van de veiligheid verhogende maatregelen een positief effect zal hebben, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen. Het is aan het bevoegd gezag om dit risico te accepteren en in het besluit te verantwoorden binnen de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico.

Toepassingop het planvoornemen Dit bestemmingsplan betreft een beheersmatig bestemmingsplan, waarbij de bestaande situatie wordt vastgesteld. Er worden, behoudens de toevoeging van één woning aan de Parallelweg, geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Ook worden geen nieuwe risicobronnen toegestaan. Daarmee veranderen de binnen het plangebied bestaande risico's niet. De plaatsgebonden risicocontour van MGG wordt juist gehalveerd van 150 naar 75 meter. In overleg met de veiligheidsregio wordt, in het kader van het regulier beheer en onderhoud van de bluswatervoorzieningen, in de omgeving voorzien in twee extra bluswatervoorzieningen. Voor de nieuw te bouwen woning is in de planregels geborgd dat wordt voorzien in effectreducerende maatregelen, in de vorm van een gevelconstructie die bestand is tegen drukgolven en de toepassing van scherfwerend glas. In het kader van met vergunningentraject van MGG worden afspraken gemaakt over de bluswatervoorzieningen. Met de voorgestelde aan te leggen bluswatervoorzieningen wordt er vanuit gegaan dat hiermee de bluswatervoorzieningen voldoende zijn geregeld, zowel voor wat betreft MGG als voor het spoor. 4.6.4 Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

46

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

4.7

Milieuzonering

4.7.1 Inleiding Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten, zoals woningen. Het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten bij bedrijven enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Daarmee worden twee doelen gediend: 1. 2.

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van (voorzienbare) hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

4.7.2 Systematiek: richtafstanden en omgevingstypen Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in onderhavig bestemmingsplan de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 als uitgangspunt genomen. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Deze richtafstanden bedragen per milieucategorie:

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstand 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1.000 meter 1.500 meter

Van belang is verder dat deze afstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk of een rustig buitengebied enerzijds en een - zoals in dit geval - bedrijventerrein anderzijds. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van “functiescheiding”, wat wil zeggen dat er afgezien van wijkgebonden voorzieningen vrijwel geen andere functies voorkomen en er langs de randen van het gebied weinig verstoring

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

47

is door verkeer. Vergelijkbaar met “rustige woonwijk” zijn rustig buitengebied, stiltegebied en natuurgebied. Daarvoor gelden dan ook dezelfde richtafstanden. Daarnaast wordt een zogenoemd 'gemengd gebied' onderscheiden, waaronder wordt verstaan een gebied met een variatie aan functies waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijvigheid. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. 50 meter wordt dan 30 meter, 30 meter wordt 10 meter, etc. De hiervoor beschreven methode is in beginsel niet bedoeld voor gevallen c.q. gebieden waarin functiemenging plaatsvindt. Ook is de methode in beginsel niet geschikt om bestaande situaties te beoordelen, maar kan daarbij wel aansluiting worden gezocht. 4.7.3 Toepassing en motivering Bestaande situatie Nogmaals wordt herhaald dat sprake is van een bestaande situatie waarin sprake is van bestaande rechten voor zowel de eigenaren van de binnen het plangebied en in de nabijheid van het plangebied gelegen woningen, maar ook van de binnen het plangebied gelegen bedrijven. Zo zijn de bestaande woningen vergund en zijn ze ook in planologisch opzicht toegelaten.

Voor de woningen rondom het plangebied geldt dat de bestaande woningen voor wonen zijn bestemd in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen, voor de woningen binnen het plangebied geldt dat er op dit moment geen planologische kaders gelden, waardoor er ook geen juridisch-planologische belemmeringen zijn om de woningen als zodanig te gebruiken, hetgeen ook al sinds de bouw ervan (decennia geleden) aan de orde is. Voor de bedrijven binnen het plangebied geldt dat vanwege het ontbreken van planologische kaders ook geen juridisch-planologische belemmeringen zijn om de bestaande activiteiten uit te oefenen. Voor Dings Kartonnages geldt dat daarvoor in het verleden (2001) een milieuvergunning is verleend op basis van de Wet milieubeheer, maar dat dit bedrijf sinds 2008 onder de werking van de algemene regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Voor MGG is in 2004 een milieuvergunning (revisievergunning) verleend, waarna in de periode 2006 t/m 2018 nog enkele wijzigingen hebben plaatsgevonden (veranderingsvergunningen dan wel ambtshalve wijzigingen vergunning). Ook heeft in 2023 een milieuneutrale wijziging plaatsgevonden (verleend 29 juni 2023) met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen, waarmee de plaatsgebonden risicocontour is verkleind van 150 naar 75 meter.

Dings Kartonnages (Parallelweg 16) Uitgaande van de eerder genoemde VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (2009) zijn de activiteiten van Dings vergelijkbaar met een drukkerij (vlak- en rotatiedrukkerij) (SBI-code 1812 (indeling 2008)). Deze activiteiten zijn gelet op voornoemde uitgave aan te merken als milieucategorie 3.2, waarbij een richtafstand geldt van 100 meter voor geluid, 30 meter voor geur en 10 meter voor gevaar).

MGG (Industriestraat 14a) De activiteiten van MGG aan de Industriestraat betreffen het smelten en gieten van aluminium. Uitgaande van voornoemde VNG-uitgave zijn die activiteiten aan te merken als Non-ferrometaalgieterijen/ -smelterijen met een productiecapaciteit van meer dan 4.000 ton per jaar (SBI-code 2453, 2454 (indeling 2008)). Deze activiteiten worden aangemerkt als milieucategorie 5.1, waarbij een richtafstand geldt voor geluid van 500 meter, 200 meter voor geur, 100 meter voor stof en 50 meter voor gevaar.

Bakkerij Geurts (Industriestraat 2a), Oviri mode (industriestraat 34)

48

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Het bedrijf op Industriestraat 2a betreft een bakkerij zonder winkel op dit adres, maar waarbij wel enkel wordt gebakken voor de eigen winkel, die is gevestigd aan de Kerkstraat (centrumpassage). Deze activiteiten worden in de VNG-uitgave aangemerkt als milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 meter voor zowel geluid, geur, stof en gevaar. Hetzelfde geldt voor de kledingwinkel op het adres Industriestraat 34. Ook die activiteiten zijn aan te merken als milieucategorie 1, waarvoor richtafstanden van 10 meter gelden.

Magazijn/opslagJustFire (industriestraat 34) Een deel van het gebouw Industriestraat 34 is gebruik voor opslag / als magazijn voor de opslag van goederen voor een elders gevestigde winkel. Deze activiteiten zijn aan te merken als milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 30 meter.

Aannemers- en tegelzettersbedrijf Clabbers (Parallelweg 14) Dit bedrijf is met een bedrijfsoppervlak van meer dan 1.000 m2 aan te merken als milieucategorie 3.1, waarvoor een richtafstand geldt van 50 meter.

Toepassing Gelet op het voorgaande en de uitgangspunten voor dit bestemmingsplan als genoemd in paragraaf 2.3 van deze toelichting wordt voorzien in een passende bestemming voor de bestaande bedrijfsmatige activiteiten binnen het plangebied, waarvoor in de huidige situatie ook géén juridisch-planologische belemmeringen zijn. Deels wordt daarbij niet voldaan aan de richtafstanden als genoemd in de uitgave Bedrijven en milieuzonering. Het betreffen echter bestaande, legale activiteiten, waarvoor voornoemde uitgave eigenlijk ook niet is bedoeld. Nu het een bestaande situatie betreft is ook van belang van dat sprake is activiteiten waarvoor reeds concrete milieuregels gelden, voor MGG op basis van milieuvergunningen. In die vergunningen is - afgezien van geluid vanwege industrielawaai, zie paragraaf 4.3 - al rekening is gehouden met omliggende woningen. Ook de binnen het plangebied aanwezige woningen betreffen een bestaande en legale situatie. Vanwege een gebrek aan geldende planologische kaders is nog geen milieuzonering toepast binnen het plangebied. Dat is wel wenselijk om enerzijds waarborgen te bieden voor de bestaande en legale bedrijfsactiviteiten, maar daarbij wel te voorkomen dat nieuwe vormen van bedrijfsmatige activiteiten kunnen gaan plaatsvinden die ter plaatse niet wenselijk zijn gelet op het woon- en leefklimaat in de omliggende woningen.

Het voorgaande heeft kortgezegd geleid tot navolgende uitgangspunten voor de planregels: De huidige bedrijven zijn voorzien van een passende bestemming op basis van de bestaande, legale activiteiten. De terreinen van MGG en Dings zijn daarbij voorzien van de bestemming 'Bedrijventerrein', waarbij de bestaande activiteiten 'op maat' zijn bestemd. Daarmee worden de activiteiten niet geheel 'bevroren', maar wel geldt dat eventuele wijzigingen in de bedrijfsprocessen dienen te passen binnen de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in de planregels (zie artikel 4.1). Omschakeling naar een geheel andere bedrijfsactiviteit is daarbij slechts toegestaan op basis van een toegesneden bedrijvenlijst, tot maximaal milieucategorie 3.1. Hoewel daarbij niet ten opzichte van alle woningen aan de daarvoor geldende richtafstanden kan worden voldaan, wordt dit gelet op de huidige situatie en op basis van weging van alle betrokken belangen aanvaardbaar geacht. Daarbij is het volgende relevant: 1. het aspect geluid wordt vanwege de bestaande bedrijven reeds gereguleerd via de Wet geluidhinder. Op de aanvaardbaarheid van de huidige situatie voor wat betreft industriegeluid en de in dat kader te nemen en te borgen maatregelen is reeds uitgebreid ingegaan in paragraaf 4.3 van deze toelichting. Een zodanige aanpassing van een bedrijf c.q.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20195