CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

084 Bijl01 BP Industriestraat Stationsstraat Parallelweg Toelichting.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.4: Vaststelling bestemmingsplan Industriest, Stationsstraat, Parallelweg Tegelen (RV084)23.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

de bedrijfsprocessen dat een toename van de geluidemissie ontstaat kan gelet op het gebrek aan geluidruimte en het feit dat de bedrijven

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

49

worden omgeven door woningen niet of nauwelijks plaatsvinden. Voor MGG geldt dat ook de productiecapaciteit in de planregels is beperkt tot de vergunde productiecapaciteit. Uitbreiding kan alleen op basis van een omgevingsvergunning met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 4.6.2). Uit de daaraan verbonden beoordelingsregels volgt dat de betreffende omgevingsvergunning alleen kan worden verleend indien de 'impact' van het bedrijf op de omgeving niet toeneemt, waarbij expliciet is bepaald dat de geluidbelasting op omliggende woningen niet mag toenemen. 2. Het aspect geur is van belang voor de inrichting van MGG. Over geur zijn normen opgenomen in de milieuvergunning, net als voor overige emissies naar de lucht overigens, waarbij is voorzien in voorschriften ter bescherming van woningen tegen onaanvaardbare geurhinder. Daarbij is een maximale geurconcentratie van 1 geureenheden per m3 als 98 percentiel nagestreefd. In de vergunning zijn de relevante geurcontouren vastgelegd. Ook is voorzien in een voorschrift dat MGG heeft verplicht een geurreductieplan op te stellen, waarin ook is voorzien. Om de geurhinder te verminderen zijn maatregelen getroffen in de vorm van aanpassing in het productieproces en het verhogen van een schoorsteen met 15 meter.

Dat heeft bij omliggende woningen geleid tot een aanzienlijke reductie van de geurconcentratie (factor 5 tot plaatselijk zelfs factor 10 tot 20), zo blijkt uit de evaluatie van het laatste geurreductieplan in 2007 (). Uit diezelfde evaluatie blijkt dat het aantal klachten over geur sinds eind jaren '90 sterk is afgenomen. Uit de geldende milieuvergunning blijkt dat als gevolg van het voorgaande, naar het oordeel van de provincie, een acceptabele geursituatie is ontstaan. 3. Ook voor wat betreft het voorkomen van stofhinder zijn voorschriften opgenomen in de milieuvergunning, waarmee eventuele hinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. 4. Voor wat betreft externe veiligheid/gevaar geldt dat als gevolg van de milieuneutrale wijziging van de vergunning de plaatsgebonden risicocontour is teruggebracht van 150 tot 75 meter. Daarmee zijn er geen woningen meer gelegen binnen die contour. Aangezien geen nieuwe woningen worden toegelaten binnen de huidige contour en bij wijzigingen in de bedrijfssituatie geen plaatsgebonden risicocontour kan ontstaan die overlapt met kwetsbare objecten, kunnen er in de toekomst ook geen nieuwe knelpunten ontstaan. 5. Nogmaals wordt benadrukt dat sprake is van een bestaande situatie, waarbij van oudsher zowel bedrijven als woningen op korte afstand van elkaar aanwezig zijn en ook aanwezig mogen zijn.

Gelet op het voorgaande is een balans gezocht tussen de belangen van zowel de bedrijven als de bewoners van de omliggende woningen en wordt daarmee niet voorzien in een ideale situatie, maar wel in een aanvaardbare situatie. De andere bedrijven die tussen de bestaande woningen voorkomen, zijn daarbij bestemd als 'Bedrijf'. Ook daarbij wordt om dezelfde redenen voorzien in mogelijkheden voor bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1, op basis van een toegesneden bedrijvenlijst.

4.8

Ecologie

4.8.1 Wettelijk kader In de Wet natuurbescherming is de soortbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN).

50

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

4.8.2 Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen.

Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. In dit geval is sprake van een bestaand stedelijk gebied, bestaande uit bedrijventerrein en bestaande woningen met bijbehorende tuinen. De verwachtingswaarden ten aanzien van beschermde soorten zijn in een dergelijk gebied in beginsel laag, wat overigens niet wil zeggen dat er geen beschermende soorten binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn. Bij een voortzetting van het huidige grondgebruik - waarin dit plan hoofdzakelijk voorziet - worden echter geen verstoringen van beschermde soorten verwacht. Hoewel bij de vaststelling van het bestemmingsplan wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming, is dit geen exclusief peilmoment. De Wet natuurbescherming en de daarin opgenomen zorgplicht en verboden werken rechtstreeks. Dus ook bij de reguliere bedrijfsactiviteiten en toekomstige sloop- en bouwactiviteiten dienen deze regels ter bescherming van eventuele beschermde soorten in acht te worden genomen.

Nieuwe woning Parallelweg Dit bestemmingsplan voorziet in één nieuwe ontwikkeling in de vorm van een nieuwe woning aan de Parallelweg, als toegelicht in paragraaf 2.4 van deze toelichting. In de separate ruimtelijke onderbouwing, die als Bijlage 3 is opgenomen bij deze toelichting, wordt onderbouwd dat de toevoeging van die woning voorziet in een goede ruimtelijke ordening. Aan die onderbouwing ligt ook een quickscan flora en fauna ten grondslag, die eveneens onderdeel uitmaakt van Bijlage 3. Kort samengevat blijkt uit voorgaande documenten dat voor dit aspect geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde zijn. 4.8.3 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied. Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming.

In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden als het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, de Goudgroene natuurzone of Natura 2000-gebieden. De meest nabijgelegen Natura

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

51

2000-gebieden liggen net over de grens in Duitsland: Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg, op ca 2,5 tot 4,5 kilometer afstand. Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht, op circa 3,5 kilometer afstand. Krickenbecker Seen - Kl. De Witt-See, op circa 7 kilometer afstand. Gezien het overwegend beheersmatig karakter van onderhavig bestemmingsplan en voornoemde afstanden kan redelijkerwijs worden aangenomen dat bij een voortzetting van het huidige grondgebruik geen (significant) negatieve effecten zullen ontstaan voor dit gebied of enig ander Natura 2000-gebied als gevolg van bijvoorbeeld geluid, licht of trillingen. Een bijzonder punt van aandacht is echter de stikstofdepositie op deze gebieden. Er is namelijk sprake van een significante toename van de stikstofdepositie wanneer die depositie met meer dan 0,00 mol/hectare/jaar toeneemt ten opzichte van de feitelijk bestaande en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan. Dit wordt berekend op twee decimalen nauwkeurig door middel van de Aerius Calculator, waarbij resultaten tot 0,005 worden afgerond op 0,00. Er zijn - behoudens de toevoeging van een nieuwe woning aan de Parallelweg - géén nieuwe ontwikkelingen voorzien waarvoor een berekening van de stikstofdepositie door middel van de Aerius-Calculator aan de orde is.

Aangezien er binnen het plangebied wel nog beperkt sprake kan zijn van onbenutte planologische ruimte voor (op termijn) de uitbreiding van bebouwing of verandering van bedrijfsactiviteiten, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat als gevolg van het benutten daarvan de stikstofdepositie voornoemde drempel van 0,00 mol/hectare/jaar overschrijdt. Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan op dat punt toch te kunnen aantonen c.q. borgen is voorzien in planregels die nieuwe activiteiten die die drempel overschrijden niet mogelijk maken. Dat heeft als volgt zijn beslag gekregen: In de bouwregels voor de relevante bestemmingen (Bedrijf en Bedrijventerrein) is voorzien in een aanvullende bouwregel die kortgezegd inhoudt dat er als gevolg van het bouwen van het aangevraagde bouwwerk géén toename zal optreden van de stikstofemissie; Een soortgelijke regel is opgenomen onder de specifieke gebruiksregels van de genoemde bestemmingen, om te voorkomen dat een wijziging van het gebruik van gronden en bouwwerken leidt tot een toename van stikstofemissie; Belangrijk is samenhang met deze regels is de begripsomschrijving van het begrip 'toename van stikstofemissie', waarin de hier relevante kaders rondom stikstof vanuit wet- en regelgeving en jurisprudentie zijn verwerkt.

Er is sprake van een toename van stikstofemissie wanneer die emissie leidt tot een depositie van stikstof (NH3/NOx) op overbelaste hexagonen van voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden van meer dan 0,00 ml/N/ha/jaar ten opzichte van het feitelijk aanwezige en planologische legale gebruik ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, hetgeen dient te worden aangetoond conform de Regeling natuurbescherming (Aerius Calculator). Een uitzondering geldt kortgezegd voor ontwikkelingen waarvoor al een onherroepelijke natuurvergunning is verleend én ten behoeve van die vergunning een passende beoordeling is gemaakt én er geen nieuwe gegevens of inzichten zijn op basis waarvan een nieuwe passende beoordeling moet worden gemaakt. Uit de inventarisatie die vooraf is gegaan aan dit bestemmingsplan is een dergelijke uitzondering overigens niet geconstateerd. Het voorgaande werkt in de praktijk als volgt. Ten behoeve van een bouwaanvraag zal een berekening moeten worden gemaakt met de op dat moment geldende versie van de in de Regeling natuurbescherming voorgeschreven rekentool (ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan: Aerius Calculator). Wanneer die berekening laat zien dat de depositie, per saldo, beneden de 0,00 mol/N/ha/jaar blijft, dan kan de vergunning worden verleend.

Is die depositie hoger, dan is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan en dan zal buitenplans moeten worden afgeweken van het bestemmingsplan om het

52

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

bouwplan mogelijk te maken. In dat geval is dan ook een natuurvergunning nodig, waarvoor dan – voor zover aan de orde – ook een passende beoordeling moet plaatsvinden. Voor een wijzing van het gebruik van gronden en bouwwerken is ook een Aerius-berekening nodig. Blijft de depositie in dat geval - na afronding op twee decimalen door Aerius Calculator - beneden de 0,00 mol/N/ha/jaar, dan is de gebruikswijziging mogelijk (bij recht). Is de depositie hoger, dan is het betreffende beoogde nieuwe gebruik strijdig met het bestemmingsplan. Op de gevolgen van de toevoeging van één woning aan de Parallelweg is afzonderlijk ingegaan in bijgaande ruimtelijke onderbouwing (Bijlage 3). Daaruit blijkt dat de toevoeging van die woning geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden met zich meebrengt hoger dan 0,00 mol/hectare/jaar.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

4.9.1 Archeologische waarden Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie. De gemeente Venlo beschikt over een eigen archeologische verwachtings- en beleidskaart, waarop de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen zijn aangegeven. Deze kaart en de uit het daaraan verbonden beleidskaders zijn vertaald in dit bestemmingsplan door het opnemen van dubbelbestemmingen. De daaraan verbonden regels borgen dat bij toekomstige bodemingrepen die de uit het beleid voortvloeiende drempels voor wat betreft diepte beneden maaiveld én voor wat betreft oppervlakte overschrijden, archeologisch onderzoek plaatsvindt.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

53

4.9.2 Cultuurhistorische waarden Naast archeologische verwachtingswaarden dient in een bestemmingsplan ook rekening te worden gehouden met (bovengrondse) cultuurhistorische waarden.

Gemeentelijke cultuurhistorische inventarisatiekaart De gemeente Venlo beschikt over een cultuurhistorische inventarisatiekaart. Daarvan kan worden opgemaakt dat binnen het plangebied zijn geen Rijksmonumenten gelegen, wel één gemeentelijk monument, namelijk Stationsstraat 17. Ook zijn binnen het plangebied enkele woningen aan zowel de Industriestraat, Stationsstraat en Parallelweg opgenomen in de MIP-inventarisatie (Monumenten Inventarisatie Project), maar niet daadwerkelijk aangewezen als monument. Verder laat de kaart enkele nog bestaande dan wel verdwenen structuren zien (paden, lanen en wegen), waarop dit bestemmingsplan verder geen invloed heeft.

Ter aanvulling kan worden opgemerkt dat in de tweede helft 19e eeuw de metaalbewerking sterk in opkomst was in Tegelen, naast de bestaande kleiwarenindustrie. Daarbij gaat het om metaalgieterijen, maar ook machinefabrieken en metaalconstructiebedrijven. Aangezien een aanzienlijk deel van die activiteiten vanaf de jaren '50 van de 20e eeuw weer worden beëindigd, wordt de periode van circa 1850 tot 1950 ook wel de 'IJzeren eeuw' van Tegelen genoemd. Binnen en rond het plangebied was sprake van een zekere concentratie van metaalbedrijven, bestaande uit onder meer de Globe, gelegen direct ten westen van het plangebied aan de Stationsstraat en Metaalgieterij Giesen (nu: MGG) en IJzergieterij Thijssen binnen het plangebied. Nadat IJzergieterij Thijssen in in 1995 is gestopt, is - binnen het plangebied - alleen MGG overgebleven, dat de gronden van voornoemde IJzergieterij heeft verworven en zo verder kan groeien.

54

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

4.9.3 Conclusie Gezien het voorgaande doet voorliggend bestemmingsplan geen afbreuk aan archeologische of andere cultuurhistorische waarden.

4.10

Waterparagraaf

4.10.1 Inleiding In het kader van de Watertoets moet elk bestemmingsplan een waterparagraaf bevatten, waarin wordt aangegeven hoe in het bestemmingsplan wordt omgegaan met water. In deze paragraaf is dit beschreven. Voordat wordt ingegaan op de locatiespecifieke kenmerken van het plangebied, is eerst het relevant beleid samengevat. 4.10.2 Beleid ten aanzien van waterhuishouding Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de kwaliteit van de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit goed te houden. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Venlo in het stroomgebied van de Maas is gelegen. Het stroomgebiedbeheersplan Maas is op 27 november 2009 vastgesteld en heeft een looptijd tot eind 2015. Een belangrijk onderdeel van het SGBP is een maatregelenprogramma. Het maatregelenprogramma bestaat enerzijds uit maatregelen die worden genomen in het kader van reeds bestaande nationale en/of Europese wetgeving (bijv. Europese Nitraatrichtlijn) en anderzijds een groot aantal regionale en locatiegebonden maatregelen.

Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Specifiek voor wat betreft de omgang met hemelwater is de perceeleigenaar primair verantwoordelijk gesteld voor de verwerking van het op zijn perceel gevallen hemelwater. Alleen in uitzonderingsgevallen kan rechtstreeks geloosd worden.

Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf wordt aangegeven welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

55

Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's. In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthouden-bergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.

Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. 4.10.3

Regionaalen gemeentelijk waterbeleid

Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 Het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 is een structuurvisie van de provincie Limburg waarin het nationale waterbeleid verder doorvertaald wordt. Het plan bevat enkele specifieke doelen om het watersysteem met het oog op de toekomst te verbeteren, te weten het herstel van de sponswerking, het herstel van natte natuur, schoon water, duurzame watervoorziening en een veilige Maas. Met deze doelen wordt ingezet op nieuw waterbeheer waarbij functies gebonden aan waterkwaliteit in balans moeten zijn met variaties in de beschikbaarheid en kwaliteit van water. Hierbij wordt ingezet op een grensoverschrijdende stroomgebied benadering middels een integrale brongerichte aanpak. Daarnaast moet er meer ruimte gecreëerd worden voor natuurlijke processen in het watersysteem, moet het solidariteitsprincipe in acht genomen worden en dient water vooraf betrokken te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.

Waterbeheersplan Waterschap Limburg 2016-2021 Het Waterbeheersplan 2016-2021 is het centrale beleids- en uitvoeringsplan van het waterschap. In dit document wordt de koers voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg uitgezet. Het waterschap beschrijft hierin: hoe ze het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen; voor welke thema's ze aan de lat staat en de strategie die ze daarbij kiest; welke maatregelen ze gaat nemen, wie daarbij uitvoeringspartners zijn, hoe de uitvoering wordt gemoniteerd en hoe zo nodig wordt bijgestuurd. De uitgangspunten die daarbij door het waterschap worden gehanteerd luiden:

56

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

circa 10% van het plangebied reserveren voor water; rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving; uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand; toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit (hergebruik water, vasthouden water in de bodem(infiltratie), afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemegd of DWA-riool); toepassen voorkeurstabel afkoppelen; infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per twee uur (ten noorden van Sittard), met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur; beheer en onderhoud regelen (denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid); watersysteem verankeren in het bestemmingsplan. Afkoppelbeslisboom Gemeente Venlo De afkoppelbeslisboom van de gemeente Venlo, die is gebaseerd op het gemeentelijk rioleringsplan (GRP+) is bedoeld als stappenplan om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater. Om te bepalen of er dient te worden voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening en hoe groot de capaciteit moet zijn, dient die afkoppelbeslisboom te worden doorlopen.

4.10.4 Toepassing Waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied is géén oppervlaktewater aanwezig en binnen het plangebied is ook geen sprake van waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden.

Uitvoerbaarheid Onderhavig bestemmingsplan is overwegend beheersmatig van aard. Bij eventuele toekomstige nieuwbouw of herstructurering zullen voornoemde beleidsuitgangspunten moeten worden gevolgd, hetgeen ook is geborgd in artikel 12.3 van de regels. Als gevolg van dit bestemmingsplan worden ook geen wijzigingen voorzien in de wijze waarop met vuilwater wordt opgegaan. De binnen het plangebied aanwezige gebouwen zijn reeds aangesloten op het bestaande riool. 4.10.5 Wateradvies Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is voor advies voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het waterschap adviseert zowel bij nieuwe ontwikkelingen als voor de bestaande situatie rekening te houden met de toetspunten die het waterschap hanteert en daarbij rekening te houden met een bui van 100mm in 24 uur. Ook bij andere veranderingen binnen het plangebied wordt geadviseerd rekening te houden met verduurzamingsmaatregelen zoals het afkoppelen van hemelwater, toepassing van groene daken of toepassing van open verhardingen waar mogelijk. Met deze maatregelen en adviezen wordt waar mogelijk rekening gehouden bij nieuwe ontwikkelingen. Voor wat betreft de dimensionering van hemelwatervoorzieningen hanteert de gemeente Venlo de eerder genoemde afkoppelbeslisboom, waarvan de toepassing bij uitbreiding van de bebouwde oppervlakte binnen het plangebied in de planregels is geborgd.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

57

4.11

Milieueffectrapportage

Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen. De toets of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: kenmerken van het project; omvang van het project; cumulatie met andere projecten; gebruik van natuurlijke grondstoffen; productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën; plaats van het project: 1. bestaand grondgebruik; 2. relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3.

het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit al worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang; kenmerken van het potentiële effect: 1. bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); 2. grensoverschrijdend karakter van het effect; 3. waarschijnlijkheid van het effect; 4. duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. Het wijzigen of uitbreiden van een industrieterrein is opgenomen in Lijst D (D 11.3), met een (indicatieve) drempelwaarde van 75 hectare. Onderhavig bestemmingsplan betreft in hoofdzaak een beheersmatig bestemmingsplan, zonder nieuwe ontwikkelingen. De bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn afgestemd op de bestaande situatie. Alle gronden in het gebied zijn reeds uitgegeven en bedrijfsmatig in gebruik. Daarmee is geen sprake van het wijzigen of uitbreiden van een industrieterrein als bedoeld in D 11.3 of een andere categorie als bedoeld in Lijst C of D in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en is milieueffectrapportage niet aan de orde.

4.12

Overige zones

Binnen het plangebied is geen sprake van andere zones die om planologische borging vragen, zoals bijvoorbeeld zones die samenhangen met leidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden.

58

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.2.2

Planonderdelen

Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerende aangrenzende bestemmingsplan. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

59

5.3

Toelichting op de planregels

5.3.1 Inhoud algemeen Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken. 5.3.2 Regels De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel.

Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding. Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels.

Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk ‘Afwijken van de bouwregels’ en ‘Afwijken van de gebruiksregels’. Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een

60

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje ‘Wijzigingsbevoegdheid’. Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.

5.4

Artikelsgewijze toelichting

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen (dubbel)bestemmingen afzonderlijk opgenomen. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming.

5.5

Bedrijf

Binnen deze bestemming zijn bedrijven toegestaan op basis van een bij de regels gevoegde limitatieve lijst van bedrijven. Daarbij gaat het om bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1. nieuwe geluidzoneringsplichtige bedrijven zijn daarbij uitgesloten, net als risicovolle inrichtingen. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak, dat tot maximaal 80% mag worden bebouwd. Voor wat betreft de maximale goot- en bouwhoogte is aansluiting gezocht bij de maatvoering van in de omgeving gelegen woningen. Zowel voor wat betreft bouw- als gebruiksmogelijkheden is voorzien in enige mate van flexibiliteit in de vorm van afwijkingsbevoegdheden. Zo kan een hoger bebouwingspercentage worden toegestaan. Ook kan een bedrijf worden toegestaan van maximaal milieucateogorie 3.1 dat niet in de limitatieve lijst van toegelaten bedrijven staat of een bedrijf worden toegestaan van een hogere milieucategorie, mits wordt aangetoond dat het betreffende bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1 dat wél in de betreffende lijst is genoemd.

5.6

Bedrijventerrein

Binnen deze bestemming zijn bedrijven toegestaan op basis van een bij de regels gevoegde limitatieve lijst van bedrijven. Daarbij gaat het om bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1. Nieuwe geluidzoneringsplichtige bedrijven zijn daarbij uitgesloten, net als risicovolle inrichtingen. Voor de bestaande bedrijven van een hogere milieucategorie is - gekoppeld aan een functieaanduiding - voorzien in een positieve bestemming voor de huidige activiteiten. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak, dat tot maximaal het op de verbeelding aangegeven percentage mag worden bebouwd. Zowel voor wat betreft bouw- als gebruiksmogelijkheden is voorzien in enige mate van flexibiliteit in de vorm van afwijkingsbevoegdheden. Zo kan een hoger bebouwingspercentage worden toegestaan. Ook kan een bedrijf worden toegestaan van maximaal milieucateogorie 3.1 dat niet in de limitatieve lijst van toegelaten bedrijven staat of een bedrijf worden toegestaan van een hogere milieucategorie, mits wordt aangetoond dat het betreffende bedrijf naar aard en invloed op de omgeving gelijk kan worden gesteld bedrijven van maximaal milieucategorie 3.1 dat wél in de betreffende lijst is genoemd.

5.7

Groen

Langs de spoorlijn komt de bestemming Groen voor. Binnen deze bestemming zijn o.a. plantsoenen, groenvoorzieningen, bermen en beplanting toegelaten. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, passend bij de bestemming.

5.8

Verkeer

De binnen het plangebied gelegen wegen en parkeervoorzieningen zijn voorzien van de bestemming Verkeer. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot nutsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, passend bij de bestemming.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

61

5.9

Wonen

De binnen het plangebied aanwezige woningen zijn bestemd als 'Wonen'. De mogelijkheden die binnen deze bestemming worden geboden zijn afgestemd op de bestaande situatie (bestaande aantal woningen) en de binnen de gemeente gebruikelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden. Op één locatie wordt wel de bouw van een nieuwe woning toegestaan. Voor die locatie zijn bouwregels op maat opgenomen, gekoppeld aan de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'.

5.10

Waarde - Archeologie 1 t/m 3

Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen om (te verwachten) archeologische waarden te beschermen. De bestemmingsregels borgen dat in het kader van vergunningverlening voor bouwactiviteiten en bepaalde werken/werkzaamheden voldoende rekening wordt gehouden met deze waarden. De drempelwaarden ten aanzien van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek verschilt per bestemming en is afgestemd op het gemeentelijke archeologisch beleid.

62

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Grondexploitatie

De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen. De gemeenteraad kan echter besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. 2. 3.

het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak voor de exploitatie of een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen niet nodig is, en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b, c en d niet noodzakelijk is.

Gezien het overwegend beheersmatig karakter van onderhavig bestemmingsplan, waarin geen nieuwe bouwplannen worden meegenomen en gezien het feit dat er geen eisen of regels noodzakelijk zijn als hiervoor beschreven onder 2 en 3, kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Voor zover door het nieuwe uniforme planologisch-juridisch kader waarin het nieuwe plan voorziet ten opzichte van het geldende plan mocht worden voorzien in mogelijkheden om een gebouw uit te breiden met ten minste 1.000 m2, waardoor in feite sprake is van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 onder c, geldt dat er geen verhaalbare kosten zijn, dan wel dat het totaal aan exploitatiebijdragen dat kan worden verhaald gezien de eisen ten aanzien van toerekenbaarheid en proportionaliteit in elk geval minder bedraagt dat € 10.000,-, waardoor ingevolge artikel 6.2.1a Bro kan worden besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de raad kan besluiten om niet tot vaststelling van een exploitatieplan over te gaan bij vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op het bieden van een actuele planologisch kader voor de bestaande situatie binnen het plangebied. Daarbij worden bestaande (vergunde) rechten voor zowel de aanwezige bedrijven als voor eigenaren van de bestaande woningen gerespecteerd. De enige ontwikkeling waarin het plan voorziet betreft de toevoeging van één nieuwe woning aan de Parallelweg. De uitvoerbaarheid daarvan is onderbouwd in een separate ruimtelijke onderbouwing. Gelet op het voorgaande is geen aanleiding om aan te nemen dat het plan maatschappelijk niet uitvoerbaar is.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

63

64

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

De te volgen procedure

Het bestemmingsplan doorloopt als ontwerp respectievelijk vastgesteld en onherroepelijk bestemmingsplan de volgende procedure, te weten: a. b.

c. d.

Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en de Wet ruimtelijke ordening. Een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad; Vaststelling: vaststelling door de Raad; 1. mogelijkheid reactieve aanwijzing; 2. publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn; Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan); Beroep: beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In het kader van deze procedure kunnen gedurende de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (fase a) zienswijzen worden ingesteld. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan en kan het onherroepelijk worden.

7.2

Vooroverleg 3.1.1 Bro

Een voorontwerp van dit bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de Provincie Limburg. Het advies van het waterschap is verwerkt in de waterparagraaf (paragraaf 4.10.5). Met provincie Limburg is intensief contact geweest in het voortraject. De provincie heeft daarom geen formele vooroverlegreactie gegeven.

7.3

Inzage ontwerpbestemmingsplan en vaststelling

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 2 november 2023 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gelet op het bepaalde in de Invoeringswet Omgevingswet kan de vóór 1 januari 2024 gestarte procedure worden vervolgd en kan vaststelling ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet plaatsvinden. De wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn beschreven in de als bijlage bij het raadsbesluit opgenomen nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen.

bestemmingsplan Industriestraat-Stationsstraat-Parallelweg

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20195