CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl11 BP toelichting_Bijlage 10 Verkennend Flora- en Faunaonderzoek.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)22.942 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Langs de beekmonding van de Lingsforterbeek komt incidenteel de grote gele kwikstaart tot broeden, maar de soort is niet aangetroffen tijdens het vervolgonderzoek (Witteveen + Bos & Arcadis, 2019). In de onderstaande tabel staan de soorten weergegeven waarvoor het dijktracé deel uit kan maken van het leefgebied en/of broedbiotoop.

26

Tabel 2. Soorten met jaarrond beschermde nesten waarvoor het dijktracé deel uit kan maken van het leefgebied en/of broedbiotoop. Soort Broedbiotoop Boomvalk Boerenzwaluw Bosuil Havik Huismus Huiszwaluw Kerkuil Ooievaar Oehoe Raaf Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil

Torenvalk Wespendief

Gebruikt oud kraaien- of eksternest en broedt in hoge bomen Nestelt meestal in stallen, maar soms ook onder bruggen of open bebouwing Nestelt in boomholten of speciale nestkasten. Nest meestal hoog in de kroon van een loof- maar meestal een naaldboom Nestelen in gebouwen. Meestal onder eerste rij dakpannen en/of aanwezige spleet. Broedt ook soms in struiken. Broed meestal onder dakranden aan gebouwen en soms onder bruggen Nestelt in speciale nestkasten in gebouwen. Soms ook broedend in holle boom. Broedt meestal op speciale ooievaarspalen. Kan daarbij ook tot broeden komen op onder andere schoorstenen, in oude bomen en op hoogspanningsmasten. Oehoes broeden vaak op richels in afgravingen, maar ook op de grond of op oude roofvogelnesten in bossen en bovenop gebouwen. Broed voornamelijk in oude bospercelen en bouwt hierbij een nest met zichtbare plukken wol/textiel of andere rommel Maakt veelal gebruik van oude kraaien- of eksternesten. Heeft in de winter grote roestplaatsen in dichte (naald)bomen. Broedt in kolonies. Meestal in hoge loofbomen, soms in naaldbomen en lage bomen, zowel in buitengebied als binnen de bebouwde kom. Broedt in speciale nestkasten in hoogspanningsmasten en hoge gebouwen. Broedt soms op oude roofvogelnesten. Bouwt jaarlijks een nest, waardoor in lang bezette territoria veel oude nesten aanwezig zijn. Nest vaak dicht tegen de stam in dicht bos.

Soms in struiken. Broedt in allerlei natuurlijke holtes van bomen, vooral knotwilgen en oude (hoogstam)fruitbomen. Ook in rustige hoekjes of nissen van gebouwen of schuren en in speciale nestkasten. Broedt in oud kraaiennest, in Nederland tegenwoordig vooral in speciale open of halfopen torenvalkkasten. Broedt overwegend in grotere bossen (meer dan 100 ha) met voorkeur voor gemengd bos of loofbos, soms echter in kleinere bossen in bosrijke gebieden. Hergebruikte roofvogelnesten (buizerd, havik), maar meestal zelfgebouwde nesten. Hergebruikte nesten vaak (maar niet altijd) met opvallend veel vers loof (broedende vogel soms vrijwel onzichtbaar).

Veldbezoek Tijdens meerdere verkennende veldbezoeken 2021 en 2022 zijn verschillende waarnemingen gedaan van vogels met jaarrond beschermde nesten. Per soort worden de bevindingen van het veldbezoek beschreven. Torenvalk Tijdens de veldonderzoeken zijn verspreid over het gehele dijktracé torenvalken aangetroffen. Binnen deelgebied 2 zijn gedurende het veldbezoek torenvalken waargenomen die waarschijnlijk in de directe omgeving hiervan broeden. Er zijn geen torenvalkkasten waargenomen. Ooievaar Binnen de kasteeltuinen broedt al enkele jaren een ooievaar-paar vlak langs de begrenzing van het dijktracé in deelgebied 3. Verder zijn in de directe omgeving van het dijktracé geen potentiële broedplaatsen aanwezig, zoals nestpalen (zie afbeelding 26 en 27). Boomvalk, havik en wespendief Het dijktracé bestaat voornamelijk uit open gebied, met uitzondering van de natuurgebieden binnen deelgebied 3. Gedurende het veldbezoek zijn geen roofvogelnesten aangetroffen binnen de begrenzing van het dijktracé. De bosgebieden rondom Maasduinen en de Barbara’s Weerd zijn geschikte broedplaatsen.

27

Roek Binnen en in de omgeving van het dijktracé zijn geen roekenkolonies aangetroffen. Tevens zijn deze in de literatuur (NDFF) ook niet bekend. De waarnemingen van roek binnen het dijktracé hebben betrekking op overwinterende en/of overtrekkende individuen. Raaf De raaf houdt van grote en oude bosgebieden. Deze bosgebieden zijn aanwezig binnen deelgebied 3. Dit betreft het bosgebied van Maasduinen. Binnen het dijktracé zijn geen nesten van raaf aangetroffen. Echter zijn deze nesten in de periode waarin dit actualiserend onderzoek is uitgevoerd gemakkelijk te missen door het dichte bladerdek en/of naaldbomen. Steenuil Verspreid over het dijktracé zijn geschikte nestlocaties en foerageergebieden aanwezig voor steenuil. Met name zijn binnen deelgebied 2 geschikte nestlocaties en foerageergebieden aanwezig, door de aanwezigheid van halfopen cultuurlandschap met verspreid staande bebouwing. Ter hoogte van Maasstraat 85 zijn een tiental waarnemingen bekend van steenuil binnen de NDFF, waarvan de meest recente waarneming zijn van afgelopen jaar. In de achtertuin hangt een steenuil nestkast. Ook hangt er een steenuil nestkast ter hoogte van het kassencomplex, net buiten het onderzoeksgebied. Binnen dit deelgebied zijn verder diepe achtertuinen aanwezig, die geschikt foerageergebied van steenuil kunnen dienen.

Uit eerder onderzoek is op locatie een oude vervallen nestkast aanwezig in de achtertuin van Maasstraat 51b. Bosuil Tijdens het veldbezoek zijn geen bosuilen waargenomen. Binnen deelgebied 3 zijn rondom de kasteeltuinen en binnen Maasduinen geschikte broedgebieden aanwezig voor bosuil, door de aanwezigheid van holtes, spleten en ruimtes in bomen en met de aanwezigheid van oude gebouwen, met geschikte nestlocaties. Binnen het Maasduinen zijn enkele grote holtes aanwezig oude bomen buiten het dijktracé. Binnen het dijktracé ontbreken geschikte grote holtes in de bomen. Ter hoogte van Schans hangt buiten het dijktracé in de voortuin een grote bosuilenkast. Deze kast is echter ongeschikt als nestlocatie voor bosuil, gezien de kast zich in stedelijk gebied bevindt en op basis van de grootte van de nestkast. Kerkuil In de directe omgeving van het dijktracé zijn enkele geschikte gebouwen aanwezig die gebruikt kunnen worden als vaste rust- en verblijfplaats voor kerkuil. Dit betreft onder andere een van de gebouwen binnen de kasteeltuinen (net buiten deelgebied 3). Binnen het plangebied zijn geen geschikte bebouwingen en/of geschikte bomen met holtes aanwezig die kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats voor kerkuil. Oehoe Rondom de kasteeltuinen en Maasduinen zijn binnen de NDFF al meerdere jaren territoriale oehoes bekend, waaronder ook waarnemingen van jonge vogels.

Potentiële broedlocaties zijn voornamelijk aanwezig op de bebouwing rondom de kasteeltuinen, in de aanwezige blauwe reigerkolonie aan de rand van de kasteeltuinen en/of een roofvogelnest binnen Maasduinen. Slechtvalk Binnen het dijktracé zijn geen nestplaatsen van slechtvalk waargenomen. Grote hoge gebouwen ontbreken ter plaatse van het dijktracé. Het voorkomen van de slechtvalk kan worden uitgesloten binnen het dijktracé. Ransuil Binnen het dijktracé zijn ransuilen waargenomen in een grote achtertuin in Arcen (deelgebied 2). Verspreid door het gehele gebied zijn enkele geschikte biotopen voor ransuil aangetroffen rondom de boerenerven en dichtbegroeide tuinen. Ook zijn er meerdere tuinen met coniferen en naaldbomen, die als geschikt roestboom voor ransuil kunnen dienen. Verspreid door het gebied zijn meerdere nesten van ekster en zwarte kraai aanwezig (voornamelijk deelgebied 2) die als broedplaats kunnen fungeren voor ransuil.

28

Grote gele kwikstaart Binnen het dijktracé zijn tijdens veldbezoeken in 2021 en 2022 geen waarnemingen gedaan van grote gele kwikstaart. In het mondingsgebied van de Lingsforterbeek in de Maas is potentieel broedgebied aanwezig van deze soort in oud gebouw van de ambachtelijke graanbrouwerij De IJsvogel. Verder ontbreekt geschikt broedgebied van de soort binnen het dijktracé. Huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en boerenzwaluw Het gehele dijktracé loopt door agrarisch gebied en aan de rand van de kern van Arcen. Het onderzoeksgebied bestaat uit een dorpskern met verspreid er omheen de aanwezigheid van enkele agrarische bedrijven en een manege. Huismussen zijn op meerdere locaties aangetroffen in de buurt van bebouwing en op meerdere locaties in het aanwezige akkerland. Rondom het gebouw La tour Meuse/achtertuinen Schans zijn grotere aantallen huismussen waargenomen (afbeelding 26 blauwe cirkel). Ook zijn rustende huismussen waargenomen in de meidoornhaag ten noorden van Aa Tour Meuse. Dit gebouw is in potentie geschikt als broedplaats voor huismus en gierzwaluw, omdat het gebouw veel holtes/spleten heeft, inclusief een groot dakpannen dak. Brasserie Alt Arce is ongeschikt als broedplaats voor huismussen en gierzwaluw door het ontbreken van holtes, spleten en/of andere wegkruipplaatsen. In de directe omgeving van het gebouw La tour Meuse zijn meerdere huismussen aangetroffen.

Voor gierzwaluw zijn verder alleen geschikte broedplaatsen aanwezig in de oude kern van Arcen (buiten de scope van het dijktracé) Voornamelijk de woning ter hoogte van Schans 10 hangen meerdere gierzwaluwkasten. Tijdens het veldbezoek is een oud nest van boerenzwaluw aangetroffen in de paardenstal aan de Kruisweg (afbeelding 28). Huiszwaluwnesten zijn niet aangetroffen in de directe omgeving van het dijktracé. In het centrum van Arcen is wel een kleine kolonie aanwezig. Tijdens de veldonderzoeken in 2021 en 2022 zijn binnen de deelgebieden op de locaties waar de werkzaamheden gaan worden uitgevoerd geen andere vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten waargenomen.

Afbeelding 26. Aangetroffen jaarrond beschermde nesten en omgevingsscansoorten zuidelijk deel dijktracé. Blauw = huismus, Groen = blauwe reigerkolonie, Geel = nest ooievaar.

29

Afbeelding 27. Ooievaarsnest aan de rand van de kasteeltuinen.

3.2.2.2

Afbeelding 28. Nest boerenzwaluw Kruisweg.

Vogels - omgevingsscansoorten Bronnen en literatuurstudie Uit het literatuuronderzoek komen diverse omgevingsscansoorten naar voren. Dit betreffen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De nesten van deze soorten zijn wel jaarrond beschermd wanneer de ingreep leidt tot het verdwijnen van de nestplaats en de omgeving onvoldoende alternatief leefgebied biedt en hiermee de gunstige staat van instandhouding van de soort in gevaar komt. Omgevingsscansoorten die in de directe omgeving van het dijktracé voorkomen zijn: sperwer, buizerd, oeverzwaluw, aalscholver, blauwe reiger, ringmus, spotvogel, wulp, zomertortel, visdief, zwarte specht en ijsvogel. Veldbezoek Aan de uiterwaarden van de Maas is binnen deelgebied 3 kleinschalig landschap (natuurgebied Barbara’s Weerd) aanwezig en bestaat uit struwelen, bloemrijke graslanden en houtsingels. Binnen dit natuurgebied is voornamelijk geschikt broedgebied aanwezig voor struweelvogels. In de overige deelgebieden komen deze biotopen in mindere mate voor en beperken deze zich voornamelijk tot de randen van het dijktracé en tot grotere achtertuinen.

Deze gebieden zijn met name geschikt voor zeldzamere soorten zoals de zomertortel, ringmus en spotvogel. Aan de westkant van de kasteeltuinen (buiten plangebied) is een blauwe reigerkolonie aanwezig (afbeelding 26 en 29) in de bomen langs de Schans (deelgebied 3). De percelen die binnen deelgebied 1 vallen en die langs het dijktracé zijn gelegen zijn ongeschikt als broedgebied voor de wulp en ringmus, doordat het intensief beheerd agrarisch gebied betreft. Nesten van omgevingsscansoorten die afhankelijk zijn van water ontbreken binnen het dijktracé. Dit betreffen oeverzwaluw, visdief, aalscholver en ijsvogel. Tijdens de veldbezoeken in 2021 en 2022 zijn geen nesten van roofvogels (buizerd en sperwer) aangetroffen. Echter zijn binnen deelgebied 2 en 3 potentiële geschikte broedlocaties aanwezig van deze soorten, in de vorm van bosgebied, bosschages of grotere (naald)bomen in achtertuinen. Het dijktracé loopt door bosgebieden aan

30

de uiterste noordgrens van deelgebied 1en binnen het bosgebied van deelgebied 3 binnen Maasduinen, welke als broedgebied kunnen dienen voor de zwarte specht.

Afbeelding 29. Nesten van blauwe reigers aan de rand van de kasteeltuinen.

3.2.2.3

Vogels - algemeen voorkomende broedvogelsoorten Naast soorten met een jaarrond beschermd nest en omgevingsscansoorten, werden er tijdens het veldbezoek ook diverse algemeen voorkomende vogelsoorten en soorten die geen jaarrond beschermd nest hebben waargenomen, waaronder: vuurgoudhaan, ekster, merel, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Voorkomen beschermde vogelsoorten binnen het dijktracé: Soorten met jaarrond beschermde nesten: Het gebouw La tour Meuse en de verspreid gelegen bebouwing (o.a. achtertuinen Schans) binnen deelgebied 2 bieden geschikt broedgebied voor huismus en gierzwaluw. Het restaurant Alt Arce is ongeschikt als broedplaats voor jaarrond beschermde vogels. Nesten van huiszwaluw en boerenzwaluw zijn afwezig binnen het dijktracé. De diepe achtertuinen en het halfopen agrarisch gebied binnen deelgebied 2 bieden (potentieel) geschikt broedgebied voor de steenuil. De bebouwing (deelgebied 1 en 2) in de directe omgeving van het dijktracé bieden potentieel geschikte nestplaatsen voor boerenzwaluw en huismus De bossen en bosschages binnen deelgebied 3 (en ook deels deelgebied 1) zijn geschikt als broedgebied voor meerdere jaarrond beschermde vogelsoorten die afhankelijk zijn van bos, zoals bosuil, havik, boomvalk, wespendief en raaf. Nesten van deze soorten zijn niet waargenomen.

Het bosgebied en gebouwen rondom de kasteeltuinen (deelgebied 3) bieden geschikt broedgebied voor kerkuil, ooievaar en oehoe. Binnen deelgebied 2 zijn potentiële broedplaatsen van ransuil aanwezig. In het mondingsgebied van de Lingsforterbeek (deelgebied 3) is potentieel broedgebied van de grote gele kwikstaart aanwezig. Roekenkolonies zijn afwezig binnen het gehele dijktracé.

31

Omgevingsscansoorten: Het gehele dijktracé is ongeschikt als broedgebied voor oeverzwaluw, ijsvogel en wulp. Het kleinschalige landschap in deelgebied 3 en verspreid door de overige deelgebieden biedt geschikt leefgebied en voortplantingsbiotoop voor spotvogel. De bosschages en bossen binnen deelgebied 2 en 3 zijn geschikt als leefgebied en voortplantingsbiotoop voor buizerd en sperwer. Het bosgebied rond Maasduinen (deelgebied 3) en de randen van deelgebied 1 bieden potentieel geschikt broedgebied voor zwarte specht Aan de rand van de kasteeltuinen Arcen (deelgebied 3) is een blauwe reigerkolonie aanwezig net buiten het dijktracé. Nestlocaties van overige omgevingsscansoorten zijn binnen en direct grenzend aan het dijktracé niet aangetroffen. Algemene broedvogels: Het gehele dijktracé biedt geschikt voortplantingsbiotoop voor algemene broedvogelsoorten.

3.2.3

Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek (NDFF) blijkt dat bosvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis zijn waargenomen in de omgeving van het dijktracé. Tijdens het onderzoek van (Witteveen+Bos & Arcadis 2019) zijn fransjestaart, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis waargenomen.

3.2.3.1

Verblijfplaatsen De keuze voor een verblijfplaats wordt door vleermuizen vooral ingegeven vanuit het energetische belang. Gedurende het jaar gebruiken vleermuizen seizoensgebonden verblijfplaatsen met verschillende microklimaten. Belangrijk hierbij is dat er sprake is van een stabiel klimaat. Uit het eerder uitgevoerde vleermuisonderzoek zijn meerdere (paar)verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aangetroffen verspreid door het gebied in aanwezige bebouwing. Aan de westkant binnen de begrenzing van de Kasteeltuinen is een verblijfplaats van watervleermuis aangetroffen in een boom. Gebouwen zijn aanwezig binnen het dijktracé, namelijk de woning en stallen aan de Kruisweg/Broekhuizerweg, La tour Meuse, Brasserie Alt Arce (deelgebied 1 en 2). Het gebouw La Tour Meuse bevat ruimtes, spleten en/of holtes waar vleermuizen in kunnen wegkruipen (afbeelding 30). Het gebouw van Brasserie Alt Arce bevat geen open stootvoegen en andere wegkruip mogelijkheden, waardoor het ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Bomen met holtes die geschikt zijn als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen zijn alleen aanwezig in de bomen binnen Maasduinen (deelgebied 3) en de rand van de kasteeltuinen, net buiten het dijktracé (afbeelding 31). Binnen het bosgebied van Maasduinen zijn meerdere oude bomen met holtes, spleten en/of loszittend schors aanwezig.

Langs de Maasstraat (buiten plangebied) zijn meerdere bomen met holtes/spleten aangetroffen. Verder zijn geen bomen met holtes, spleten en/of loszittende schors aangetroffen binnen de directe omgeving van het dijktracé.

Afbeelding 30. Gebouw La tour Meuse met open stootvoegen.

Afbeelding 31. Holte in dode boom Maasduinen.

32

3.2.3.2

Foerageergebieden Het gehele dijktracé is geschikt als foerageergebied voor meerdere soorten vleermuizen. Kijkend naar de ligging van de deelgebieden (landelijk gebied, uiterwaardengebied, rivieren en beeklopen en bosgebieden) en op grond van de omvang van de gebieden, is daarbij de kans aanwezig dat het essentiële foerageergebieden betreffen. Tijdens eerder uitgevoerde onderzoeken dat in 2018 is uitgevoerd (Witteveen+Bos & Arcadis,2019) zijn meerdere foeragerende vleermuizen aangetroffen. Met name gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger komt overal algemeen voor. Verder zijn in de omgeving van Kasteel Arcen foeragerende franjestaart, rosse vleermuis en watervleermuis aangetroffen. Naar verwachting worden de open landbouwgebieden (deelgebied 1) gemeden.

3.2.3.3

Vliegroutes Vleermuizen gebruiken over het algemeen lijnvormige elementen als bomenrijen en houtwallen als baken voor de vliegroutes. Verschillende vaak laagvliegende soorten als grootoorvleermuis en watervleermuis kunnen ook greppels of sloten en oevers als geleiding gebruiken. Tijdens het eerder uitgevoerde vleermuisonderzoek dat is uitgevoerd in 2018 (Witteveen+Bos & Arcadis,2019) zijn enkele vliegroutes aangetroffen. Deze zijn met name aangetroffen in het noordelijke deel van de Maasstraat richting de N271 en langs de bomen bij de Schans ter hoogte van de kasteeltuinen. Hier zijn met name laatvliegers en gewone dwergvleermuizen waargenomen. Binnen het deelgebied loopt het deel van het beoogde dijktracé langs bomen aan de Maasstraat. Ook langs de kasteelttuinen is een bomenrij aanwezig. Voorkomen beschermde vleermuissoorten: Binnen deelgebied 3 kan de aanwezigheid van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen in bomen op voorhand niet worden uitgesloten door de aanwezigheid van meerdere bomen met holtes/spleten. Uit eerder uitgevoerd vleermuisonderzoek is gebleken dat verspreid door het dijktracé geschikte vliegroutes aanwezig zijn voor vleermuizen. Binnen deelgebied 2 (La tour Meuse) is de aanwezigheid van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bebouwing niet uit te sluiten.

Binnen deelgebied 2 (Brasserie Alt Arce) is de aanwezigheid van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bebouwing uit te sluiten. De woning en stallen aan de Kruisstraat en de stal aan de Broekhuizerweg zijn de aanwezigheid van eventuele vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet uit te sluiten. Naar verwachting bestaat het dijktracé deels uit marginaal foerageergebied.

3.2.4

Grondgebonden zoogdieren Op basis van het bronnen- en literatuuronderzoek komen enkele algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten voor in de ruime omgeving van het dijktracé. Het betreffen egel, haas, woel- en spitsmuizen en ware muizen, konijn, wezel, bunzing, ree en vos. Daarbij komen in de omgeving van het dijktracé ook bever, das, eekhoorn en steenmarter voor.

3.2.4.1

Haasachtigen, egel, vos en mol Binnen het gehele dijktracé zijn binnen de NDFF waarnemingen bekend van haas, konijn, egel, vos en mol. Tijdens het veldbezoek zijn in het weidse landschap van deelgebied 1 meerdere hazen waargenomen. Binnen deelgebied 2 zijn langs het dijktracé enkele konijnen aangetroffen in een weiland ten noorden van de kern van Arcen. Molshopen zijn verspreid aanwezig binnen het dijktracé. Waarnemingen van vos zijn niet gedaan tijdens het veldbezoek, maar het valt te verwachten dat de soort verspreid binnen het dijktracé voorkomt.

3.2.4.2

Ware muizen, woelmuizen, spitsmuizen en slaapmuizen Het verspreidingsgebied van onder andere hazelmuis, eikelmuis en grote bosmuis ligt ver buiten het dijktracé (NDFF). Voor de overige ware muizensoorten geldt dat zij door de provincie Limburg voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Het verspreidingsgebied van veldspitsmuis ligt ver buiten het dijktracé (in Overijssel en Drenthe, en in ZeeuwsVlaanderen). Het dijktracé ligt ook niet binnen het bekende verspreidingsgebied van waterspitsmuis. De

33

waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Binnen het dijktracé ontbreken geschikte watergangen. Hiermee kan de aanwezigheid van de waterspitsmuis binnen het dijktracé worden uitgesloten. Voor alle andere spitsmuissoorten (zoals dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis en tweekleurige bosspitsmuis) geldt dat zij door de provincie Limburg voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming (bijlage 3). Voor noordse woelmuis geldt dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Van aardmuis en rosse woelmuis zijn waarnemingen bekend uit de NDFF. Tijdens het veldbezoek zijn verspreid door het dijktracé foeragerende rosse woelmuis en bosmuis waargenomen. De verwachting is dat nog meer algemene muizensoorten voorkomen binnen de directe omgeving van het dijktracé, zoals bosmuis. Voor aardmuis, rosse woelmuis en veldmuis geldt dat zij door de provincie Limburg voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

3.2.4.3

Knaagdieren Bever Gegevens uit de NDFF tonen aan dat binnen en in de directe omgeving van alle deelgebieden waarnemingen van bever bekend zijn. Uit het onderzoek van Witteveen+Bos & Arcadis (2019) en Bureau Meervelt (2021) zijn geen verblijfssporen (oeverholen en/of burchtlocaties) van bever aangetroffen. Onder het waterrad van de watermolen (graanbranderij de IJsvogel) is eerder in gebruik geweest als burchtlocatie. Tijdens het veldbezoek zijn verspreid door het gebied meerdere vraatsporen gevonden van de bever, waaronder enkele knaagsporen van de bever langs de Lingsforterbeek en in de waterpartijen binnen de kasteeltuinen (deelgebied 3). Binnen deelgebied 2 zijn langs de Maas knaagsporen aan wilgen waargenomen. Al deze locaties liggen aan de randen van het dijktracé. Burchten en oeverholen van bever zijn niet waargenomen. Gezien de tijd van het jaar en de volop aanwezige vegetatie kan niet worden uitgesloten dat meerdere sporen niet goed waar te nemen waren en hierdoor gemist zijn. Eekhoorn Binnen het gehele dijktracé bevinden zich biotopen die geschikt zijn als leefgebied voor eekhoorn. Daarbij zijn binnen en grenzend aan de deelgebieden waarnemingen bekend van eekhoorn (NDFF). Nesten van eekhoorn zijn tijdens de veldbezoeken niet aangetroffen. De verwachting is dat meerdere nesten aanwezig zijn in de bossen en bosrijke tuinen.

Ook zijn in de bosgebieden van voornamelijk deelgebied 3 meerdere holtes en spleten aangetroffen in bomen die als mogelijke nestplaats kunnen fungeren. Gezien het tijdstip van het veldbezoek (najaar) kunnen door het dichte bladerdek gemakkelijk nesten van eekhoorn worden gemist.

3.2.4.4

Marterachtigen Das In de NDFF zijn verspreid door het gehele dijktracé enkele waarnemingen van das aanwezig. Dit betreffen voornamelijk zwervende dieren en/of verkeersslachtoffers. Op enkele honderd meters ten zuiden van de hoek Schans/N271zijn meerdere dassenburchten aanwezig. Binnen het Maasduinen komen de meeste waarnemingen. In de eerder uitgevoerde onderzoeken zijn ook enkele prenten van das waargenomen in het noordelijke deel van het dijktracé. Burchtlocaties zijn niet aangetroffen tijdens de eerder uitgevoerde onderzoeken (Witteveen+Bos & Arcadis, 2019 en Bureau Meervelt, 2021). Binnen het Maasduinen zijn twee oude dassenholen aangetroffen (afbeelding 32, 33 en 34). Tijdens het veldbezoek zijn verder geen andere sporen in de vorm van onder andere, wissels, haren, dassenholen, wroetsporen en mestputjes aangetroffen binnen de deelgebieden.

34

Afbeelding 32. Oude holen das (rode stippen).

Afbeelding 33. Oud dassenhol.

Afbeelding 34. Oud dassenhol.

Steen- en boommarter Aangenomen mag worden dat het dijktracé deel uitmaakt van het leefgebied van een of enkele steenmarters. Mogelijk zijn in de directe omgeving van het dijktracé geschikte gebouwen aanwezig. De gebouwen Alt Arcen en La Tour Meuse zijn ongeschikt bevonden, door het ontbreken van holten, spleten en andere wegkruipmogelijkheden. Deze soort is nachtactief en heeft een leefgebied van 10-700 ha. Bovengrondse dagrustplaatsen (of legers) kunnen zich in takkenhopen, dichte doornstruwelen en/of holle oevers bevinden. Mogelijke rustplaatsen in boomholtes kunnen worden uitgesloten ter hoogte van de kasteeltuinen en Maasduinen (deelgebied 3). Verblijfplaatsen van vrouwtjes met jongen bevinden zich vooral in gebouwen, maar kunnen ook in boomholtes worden gevonden. Binnen de te slopen gebouwen zijn geen wegkruipmogelijkheden aanwezig en de boomholtes zijn dermate klein dat vaste rust- en verblijfplaatsen niet aanwezig zijn binnen het dijktracé. Omdat deze deelgebieden slechts een klein deel zijn van een veel groter leefgebied, betreft het dijktracé geen essentieel foerageergebied. Binnen het dijktracé zijn binnen de NDFF geen waarnemingen bekend van boommarter. De boommarter komt hoofdzakelijk voor in aaneengesloten bosgebieden.

Binnen de aanwezige bosgebieden in het dijktracé zijn enkele bomen met kleine holtes en spleten aanwezig, die niet toegankelijk zijn voor boommarter. Binnen het bosgebied van Maasduinen (deelgebied 3) kan de aanwezigheid van boommarter in het dijktracé derhalve worden uitgesloten. Bunzing, hermelijn en wezel In de NDFF staan waarnemingen in de nabije omgeving van het dijktracé van bunzing. De bunzing komt voor in

35

allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn. Binnen het dijktracé zijn deze elementen aanwezig verspreid door het gehele dijktracé. Hermelijn en wezel komen in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers en ook vochtig terrein. De enige voorwaarden zijn dat er voldoende schuilmogelijkheden zijn en voedsel aanwezig is. Binnen het dijktracé zijn voldoende geschikte schuilplaatsen aanwezig in alle deelgebieden. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van bunzing, hermelijn en/of wezel aangetroffen binnen het dijktracé. Aanwezigheid van deze soorten kan op voorhand echter niet worden uitgesloten.

3.2.4.5

Overige zoogdieren De wilde kat komt in Nederland enkel voor in het Vijlenerbos in Vaals. De overige onder de Habitatrichtlijn vallende in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten. Hieronder vallen de lynx en de in Nederland slechts zwervend aangetroffen wolf en met een vastgesteld leefgebied op De Hoge Veluwe en in een gebied in Drenthe. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het dijktracé geen onder deze beschermingsregimes vallende overige zoogdieren voorkomen. Van de onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallende soorten zijn in de NDFF gegevens van ree aanwezig. Waarnemingen en/of sporen van ree zijn niet aangetroffen. De bos- en natuurgebieden in deelgebied 1 en 3 zijn geschikt voor ree, door de openheid van het gebied, zonder barrières in de vorm van tuinen, hekwerken en wegen. Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn. Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen. Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen van wild zwijn aangetroffen in het dijktracé.

De aanwezigheid van wilde zwijnen binnen het dijktracé kan derhalve worden uitgesloten. Van andere overige onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallende zoogdieren zijn geen waarnemingen bekend in en rondom het dijktracé. Daarom kan redelijkerwijs worden gesteld dat binnen het dijktracé geen van de onder dit beschermingsregime vallende overige zoogdieren voorkomen. Voorkomen beschermde grondgebonden zoogdiersoorten: Het dijktracé maakt deel uit van het leefgebied van bever, met sporen van aanwezigheid in de deelgebieden 2 en 3. Alle deelgebieden bieden geschikt leefgebied voor eekhoorn. Het dijktracé biedt potentieel geschikt foerageergebied voor de das. Binnen Maasduinen zijn oude burchtlocaties van das aanwezig. Het dijktracé biedt potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor steenmarter. De gebouwen la tour Meuse en Alt Arce zijn niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats. Binnen het dijktracé is ongeschikt leefgebied van boommarter aanwezig binnen Maasduinen (deelgebied 3). Het dijktracé biedt geschikt leefgebied voor de soorten bunzing, hermelijn en wezel. Het dijktracé biedt geschikt leefgebied voor de vrijgestelde soorten egel, haas, konijn, ree, vos en algemeen voorkomende muizensoorten.

3.2.5

Amfibieën Populaties van boomkikker, geelbuikvuurpad, knoflookpad, vroedmeesterpad en vuursalamander bevinden zich op ruime afstand van het dijktracé (NDFF). De aanwezigheid van deze soorten in het dijktracé kan op basis van bekende verspreiding redelijkerwijs worden uitgesloten. Verspreidingsgegevens van kamsalamander, Alpenwatersalamander, heikikker, vinpootsalamander en poelkikker binnen het dijktracé zijn niet bekend binnen de NDFF, maar komen in het oostelijke deel van het dijktracé wel voor op de heideterreinen en op de armere zandgronden van de natuurgebieden de Hamert. Ten zuiden van het

36

beoogde dijktracé zijn waarnemingen bekend van kamsalamander en Alpenwatersalamander uit het onderzoek in 2018 (Witteveen+Bos & Arcadis, 2019). Aanwezigheid van deze soorten binnen het gehele dijktracé zijn destijds uitgesloten. Alpenwatersalamander is een algemene soort van voornamelijk de zandgronden in Limburg en Noord-Brabant. Het dijktracé valt buiten het verspreidingsgebied van de soort. Het is een niet kritische soort die overal kan voorkomen, zoals in karresporen, vijvers en sloten. Binnen het dijktracé zijn geen geschikte watergangen en poelen aanwezig. In het nabijgelegen bosgebied is wel landhabitat aanwezig. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen visvrije wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. Het dijktracé is gelegen buiten het bekende verspreidingsgebied van kamsalamander, maar relictpopulaties worden nog regelmatig gevonden. Geschikt leefgebied en voorplatingswateren voor kamsalamander ontbreken binnen het dijktracé en de soort valt hiermee op voorhand uit te sluiten.

De poelkikker is een zon en warmte minnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Het dijktracé is gelegen net buiten het verspreidingsgebed van de poelkikker en ligt voor een groot deel in het uiterwaardengebied, buiten het voorkeurshabitat van de poelkikker die graag in voedselarme vennen binnen heideterreinen voorkomen. Binnen de heidegebieden binnen Nationaal Park De Maasduinen zijn enkele populaties aanwezig, op ruime afstand tot het dijktracé. De aanwezige watergangen binnen het dijktracé zijn hiermee ongeschikt bevonden. Vinpootsalamanders worden in Nederland in twee landschapstypen aangetroffen, in de heidegebieden op de hogere zandgronden en het heuvellandschap van Zuid-Limburg. Als voortplantingswater wordt hier met name gebruik gemaakt van zwakzure, permanente vennen, plassen, bospoelen, bronpoeltjes, drinkpoelen en kleine, zwak stromende beekjes. Het dijktracé is gelegen net buiten het verspreidingsgebed van vinpootsalamander.

De bekende vindplaatsen van de vinpootsalamander zijn buiten het dijktracé gelegen, op de hogere zandgronden en elders in de heidegebieden, binnen Nationaal Park De Maasduinen, verder oostelijk van de N271. Binnen en in de directe omgeving van het dijktracé zijn enkele waarnemingen bekend van rugstreeppad (NDFF). Ook zijn tijdens het onderzoek van Witteveen+Bos & Arcadis enkele roepende rugstreeppadden waargenomen net buiten het onderzoeksgebied. De rugstreeppad is een mobiele soort en een echte pionier die gebruik maakt van nieuwe onbegroeide, tijdelijke en ondiepe wateren voor zijn voortplanting. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor losgrondige zanderige bodems gelegen bij snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatie loos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. Regenplassen en sporen van zware voertuigen waar regenwater in is blijven staan, vormen ideaal voortplantingswater. Binnen het dijktracé zijn geen geschikte (pioniers)biotopen voor rugstreeppad aangetroffen, waardoor de aanwezigheid redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Tevens zijn er binnen en in de omgeving van het dijktracé waarnemingen bekend van bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Ook de meerkikker kan niet uitgesloten worden op aanwezigheid binnen het dijktracé.

Voorkomen beschermde amfibiesoorten: Het dijktracé is potentieel geschikt als leefgebied voor de vrijgestelde soorten groene kikker/bastaardkikker, meerkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Het dijktracé is marginaal geschikt leefgebied voor de rugstreeppad.

37

-

3.2.6

Het dijktracé is op basis van verspreidingsgegevens en aanwezige biotopen ongeschikt als leefgebied voor poelkikker, kamsalamander en vinpootsalamander.

Reptielen Het dijktracé ligt op ruime afstand van het bekende verspreidingsgebied van adder, gladde slang, muurhagedis en ringslang. De gladde slang bewoont vooral droge heideterreinen, maar ook hogere delen van hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond. Met het ontbreken van deze biotopen binnen het dijktracé, kan de aanwezigheid van gladde slang hier worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde populaties zijn aanwezig op de Hamert, op enkele kilometers ten noordoosten van het dijktracé. Het verspreidingsgebied van zandhagedis ligt op korte afstand van het dijktracé. Dit betreffen onder andere de heidegebieden op Landgoed De Hamert en rondom Klein Vink ten noordoosten van het dijktracé. Vanuit de literatuur is een aangevreten dood exemplaar aangetroffen in een weiland aan de Maas, buiten het geschikte biotoop van de soort. De zandhagedis is sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheide terreinen. Deze terreinen komen niet voor binnen het dijktracé. De levendbarende hagedis komt op korte afstand van het dijktracé voor. Dit betreffen de natuurgebieden aan de oostkant van de N271, deze grenzen aan deelgebied 1 en 3. Tijdens het onderzoek van Witteveen+Bos & Arcadis is mogelijk een levendbarende hagedis waargenomen.

Verder oostelijk komen ook zandhagedissen voor op de heidegebieden die onderdeel uitmaken van Nationaal Park De Maasduinen. In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. De levendbarende hagedis is minder kritisch en komt voor in open bossen en ruige graslanden, in structuurrijke bermen van (spoor)wegen en maakt daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes. Aan de oostelijke rand van het dijktracé (deelgebied 1 en 3) zijn aan de bosranden en berm van de N271 schrale (berm)vegetaties aanwezig, die als geschikt biotoop kunnen dienen. Onder andere de bermen langs de N271 ter hoogte van Maasduinen kunnen geschikt zijn voor levendbarende hagedis. Omdat de levendbarende hagedis op korte afstand van het dijktracé voorkomt en met de aanwezigheid van geschikt leefgebied binnen het dijktracé, is het dijktracé potentieel geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis. De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. Ze zijn vaak lastig te vinden omdat ze weinig op open plekken zonnen. Veelal verschuilen ze zich onder planten, strooisel of ondergronds.

In de NDFF zijn waarnemingen bekend van hazelworm aan de oostkant van de N271 binnen Maasduinen en in de buurt van Klein vink. Het dijktracé oostelijk van de N271 zijn dan ook allemaal geschikte leefgebieden voor de hazelworm. Aanwezigheid van hazelworm kan daarom binnen deelgebied 1 en 3 niet worden uitgesloten. Westelijk van de N271 wordt deze soort niet verwacht. Voorkomen beschermde reptielensoorten: Binnen de bosgebieden en op kleinschalige percelen aan de oostkant van de N271 (deelgebied 1 en 3) zijn potentieel geschikte leefgebieden voor hazelworm aanwezig. In de bosranden en op kleinschalige percelen aan de oostkant van de N271 (deelgebied 3) zijn potentieel geschikte leefgebieden voor levendbarende hagedis aanwezig. Geschikt leefgebied van de zandhagedis ontbreekt binnen het dijktracé.

38

3.2.7

Vissen Bekende populaties van beekdonderpad, elrits, gestippeld alver en kwabaal bevinden zich op ruime afstand van het dijktracé. De onder het beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn vallende vissen zijn rivier optrekkende zoutwater soorten. De watergangen die door het dijktracé lopen staan niet in verbinding met rivieren waarin deze vissoorten kunnen voorkomen. Aanwezigheid van deze soorten in het dijktracé is uitgesloten. Het benedenstroomse deel van de Lingsforterbeek is mogelijk geschikt voor algemene vissen. Het bovenstroomse deel is niet bereikbaar voor vissen i.v.m. de watermolen (graanbranderij de IJsvogel). Voorkomen beschermde vissensoorten: Binnen het dijktracé kan de aanwezigheid van beschermde vissen redelijkerwijs worden uitgesloten. De watergangen zijn potentieel geschikt voor algemene vissen

3.2.8

Vlinders De grote vos en kleine ijsvogelvlinder zijn waargenomen binnen en in de directe omgeving van het dijktracé (NDFF). Met name komen de soorten voor in de buurt van deelgebied 3. Dit betreffen voornamelijk de bosgebieden (Maasduinen) ten oosten van de N271. Grote vos Grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Waardplanten van deze soort zijn vooral iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten. Deze waardplanten zijn binnen de directe omgeving van het dijktracé niet waargenomen. De laatste jaren komt de grote vos meer verspreid voor, waaronder ook gebieden in de directe omgeving van het dijktracé (Maasduinen). De soort overwintert in holtes, spleten en/of binnenin gebouwen. Met de aanwezigheid van holtes en leegstaande gebouwen binnen het dijktracé is de aanwezigheid van eventuele overwinterende grote vossen niet uit te sluiten. Kleine ijsvogelvlinder De soort komt voor in gevarieerde, vochtige gemengde bossen of loofbossen, zoals elzenbroekbos. Geschikte waardplanten (wilde kamperfoelie) groeien doorgaans in de halfschaduw.

De vlinder vliegt in de halfschaduw op open plekken, bredere bospaden en langs bosranden. De kleine ijsvogelvlinder komt binnen Maasduinen voor. Iets ten zuiden van het dijktracé zijn tientallen waarnemingen bekend binnen de NDFF. Groeiplaatsen van wilde kamperfoelie zijn gedurende het veldbezoek aangetroffen aan de bosranden. Uit de gegevens van de NDFF zijn rondom Maasduinen (deelgebied 3) een populatie van kleine ijsvogelvlinder aanwezig. Overige beschermde vlinders Binnen het dijktracé komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor overige beschermde vlindersoorten en/of het bekende verspreidingsgebied ligt ver buiten het dijktracé. Ook zijn geen waarnemingen bekend van de Teunisbloempijlstaart in een ruimer gebied rond de planlocatie. De aanwezigheid van overige onder de beschermingsregimes vallende vlinders kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Voorkomen beschermde vlinders: Het dijktracé (bosgebied binnen deelgebied 3) is geschikt voor kleine ijsvogelvlinder. Het dijktracé is potentieel geschikt als overwinteringslocatie voor grote vos. Het dijktracé is ongeschikt als leefgebied voor overige beschermde vlindersoorten.

39

3.2.9

Overige ongewervelden Oeveraas, juchtleerkever en Bataafse stroommossel zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever zijn binnen provincie Limburg slechts enkele populaties bekend, maar in regio van Arcen zijn geen populaties van de soort bekend (NDFF en EIS). Op basis van de verspreidingsgegevens binnen de NDFF is een populatie vliegend hert aanwezig aan de oostgrens van de gemeente Gennep, tegen de Duitse grens (Reichswald). De soort leeft in oude eikenbossen met veel dood hout, De larven groeien op in dood hout en de volwassen dieren leven van bloedende bomen. Binnen het dijktracé ontbreekt geschikt leefgebied waardoor aanwezigheid van deze soort hier kan worden uitgesloten. Op basis van bekende verspreidingsgegevens en vanwege het ontbreken van voor overige ongewervelden geschikte ecotopen (oude eiken, veensloten, vennen) binnen het dijktracé, kan het voorkomen van beschermde overige ongewervelden onder beschermingsregimes redelijkerwijs worden uitgesloten. Ook zijn er geen waarnemingen van beschermde overige ongewervelden bekend uit het dijktracé of de directe omgeving hiervan (NDFF). Binnen het dijktracé zijn ter hoogte van Maasduinen (deelgebied 3) enkele bosmierennesten aanwezig. Voorkomen beschermde overige ongewervelden: Het dijktracé is ongeschikt als leefgebied voor beschermde overige ongewervelden. In deelgebied 3 zijn enkele bosmierennesten aanwezig.

40

4

BESCHERMDE GEBIEDEN In dit hoofdstuk is aangegeven of het dijktracé binnen of in de nabijheid van beschermde natuurgebieden gelegen is. Ook is nagegaan of binnen het dijktracé houtopstanden aanwezig zijn die vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming. Daarbij is gebruik gemaakt van gegevens van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, provincie Limburg en gemeente Venlo. In bijlage 1 is een korte toelichting van de Wet natuurbescherming opgenomen.

4.1

Natura 2000-gebieden De zuidzijde van het dijktracé is gelegen binnen de grenzen van Natura 2000-gebied Maasduinen (afbeelding 35 en 36). Dit betreffen de natuurgebieden Maasduinen en een deel van de Barbara’s Weerd, die onderdeel zijn van het Natura 2000-gebied Maasduinen. Beide gebieden zijn in eigendom van Stichting het Limburgs Landschap. De overige nabijgelegen Natura 2000-gebieden ten opzichte van het dijktracé zijn weergeven in tabel 3. Tabel 3. Natura 2000-gebieden en de afstand van deze gebieden tot het dijktracé. Natura 2000-gebied

Afstand tot dijktracé

Maasduinen

Hangmoor Damerbruch

Zuidelijke gedeelte valt binnen N2000-gebied Maasduinen Cirka 7,7 km

Vogelschutzgebied’Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg (Duitsland) Boschhuizerbergen Fleuthkuhlen (Duitsland) Deurnsche Peel & Mariapeel Tote Rahm (Duitsland) Staatsforst Rheurdt/Littard (Duitsland) Uedemer Hochwald(Duitsland) Niederkamp (Duitsland) Groote peel Vogelschutzgebiet ‘Unterer Niederrhein’ (Duitsland)

Circa 10,5 km Circa 11,8 km Circa 12,6 km Circa 17,2 km Circa 20,2 km Circa 21,1 km Circa 21,4 km Circa 21,5 km Circa 25,5 km Circa 29,8 km

41

Afbeelding 35. Kaart met ligging van het gehele dijktracé (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groene kader). Bron Natura 2000 Network Viewer.

Afbeelding 36. Ligging van het zuidelijk gelegen dijktracé (rode belijning) en nieuw tracé (blauw) binnen Natura 2000-gebied Maasduinen (paars gearceerd). Bron: Provincie Limburg.

42

4.2

Provinciale gebiedsbescherming Binnen de provincie Limburg bestaat het Natuurnetwerk Nederland (NNN) uit de goudgroene natuurzone, met daaromheen de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapzone. In de onderstaande afbeelding 37 is te zien dat vrijwel het gehele dijktracé binnen de begrenzing van het NNN gelegen is. Het zuidelijke deel (o.a. Barbara’s Weerd, de watermolen en Maasduinen), de bosrand aan de parallelweg van de N271 (deelgebied 1) en de oever van de Maas vallen binnen de begrenzing van de goudgroene natuurzone (NNN). Dit geldt ook voor een klein deel van deelgebied 1 (Klein Vink). Een klein deel van het dijktracé valt binnen de begrenzing van de zilvergroene natuurzone. Dit betreft een gebied in het noordoosten van het dijktracé. De Burgemeester Linderspromenade en het agrarische gebied is het noorden het dijktracé valt binnen de bronsgroene landschapszone.

43

Afbeelding 37. Ligging van het dijktracé (rood omlijnd), ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Limburg).

44

4.3

Houtopstanden Voorafgaande aan de werkzaamheden worden mogelijk verspreid door het gehele dijktracé bomen en bospercelen gekapt. Het dijktracé valt zowel binnen als buiten de bebouwde komgrens boswet. Binnen het Maasduinen wordt een bosperceel gekapt. Buiten Maasduinen is het nog onduidelijk welke bomen er verder gekapt gaan worden. De bomen die gekapt gaan worden binnen Maasduinen zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Voor te kappen houtopstanden die buiten de bebouwde kom gelegen zijn, met een oppervlakte van groter dan 1.000 vierkante meter en bomenrijen van meer dan 20 bomen, moet hiervoor melding gedaan worden bij provincie Limburg. Binnen Maasduinen gaat meer dan 1.000 vierkante meter aan houtopstand gekapt worden. Hiervoor is een melding bij provincie Limburg voor het kappen van bomen in het kader van de Wet natuurbescherming daarom aan de orde. Wanneer een of meerdere van de te kappen bomen binnen de bebouwde komgrens gelegen zijn, dient hiervoor de bomenkaart van de gemeente Venlo te worden geraadpleegd om te bepalen of de bomen kapvergunning plichtig zijn. Binnen gemeente Venlo geldt dat bomen, struiken of hagen in tuinen zonder vergunning gekapt mogen worden als ze niet zijn opgenomen in de bomenkaart en/of als men niet woont in buurt die is aangemerkt als beschermd dorpsgezicht.

Binnen gemeente Venlo is altijd een vergunning nodig om bomen of houtopstanden te kappen die: Op de bomenkaart staan (https://www.venlo.nl/boom-houtopstand-kappen-snoeien-vellen). Als groencompensatie, ruimtelijke inpassing of andere privaatrechtelijke overeenkomst aangeplant zijn.

45

5

EFFECTEN VOORGENOMEN INGREPEN Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van de voorgenomen ingrepen en het toekomstig gebruik van het dijktracé op de (mogelijk) voorkomende beschermde soorten en gebieden. Uit hoofdstuk 3 en 4 is gebleken dat binnen het dijktracé beschermde soorten en gebieden aanwezig zijn. Per soortgroep en gebiedsbescherming worden de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ingrepen aangegeven. Voor de verschillende soort(groep)en wordt beschreven welke verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden en in hoeverre dit de realisatie van het voornemen in gevaar kan brengen. Eventueel te treffen vervolgstappen worden daarbij aangegeven.

5.1

Soortbescherming Uit de resultaten van hoofdstuk 3 blijkt dat het dijktracé mogelijk geschikt is als leefgebied voor meerdere beschermde soorten. Op basis van literatuuronderzoek en terreinkenmerken konden de volgende soortgroepen worden uitgesloten en welke verder niet meer behandeld worden in deze rapportage: vissen en overige ongewervelden. In dit hoofdstuk wordt een analyse gemaakt of blijkt dat met de werkzaamheden van de dijkversterkingen en alle nevenactiviteiten, zoals bomenkap en sloopwerkzaamheden, mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op de voorkomende beschermde planten- en diersoorten.

5.1.1

Flora Volgens de verspreidingsgegevens (NDFF) komen geen beschermde vaatplaten voor in de directe omgeving van het dijktracé. In deelgebied 3 zijn mogelijk geschikte groeiplaatsen van grote leeuwenklauw aanwezig rond het dijktracé aan de Barbara’s Weerd. Tijdens eerder uitgevoerde onderzoeken (Witteveen+Bos & Arcadis) zijn geen groeiplaatsen aangetroffen binnen en in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. De werkzaamheden vinden plaats buiten de geschikte groeiplaatsen (randen van het natuurgebied). De dijk die wordt afgegraven binnen de Barbara’s Weerd is ongeschikt als groeiplaats voor de grote leeuwenklauw. Effecten op grote leeuwenklauw kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.1.2

Jaarrond beschermde broedvogels Binnen het dijktracé zijn in potentie vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de volgende soorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig: huismus, gierzwaluw, steenuil, boerenzwaluw, kerkuil, ooievaar, bosuil, oehoe, ransuil en grote gele kwikstaart. Net buiten het dijktracé komen soorten voor als bosuil, havik, boomvalk, wespendief en raaf. In hoofdstuk 3 kon de aanwezigheid van nestplaatsen van jaarrond beschermde nesten binnen het dijktracé van de soorten bosuil, slechtvalk, huiszwaluw en kerkuil op voorhand worden uitgesloten. Havik, boomvalk, wespendief, raaf Op de locaties binnen de deelgebieden waar de werkzaamheden worden uitgevoerd en waar (mogelijk) bomen gekapt gaan worden zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels aangetroffen. De bosschages en bosgebieden die voornamelijk binnen deelgebied 3 liggen konden niet geheel worden overzien door het dichte bladerdak. Tijdens het onderzoek van Bureau Meervelt zijn binnen het bosgebied geen (roofvogel)nesten aangetroffen. Er zijn echter wel voldoende aanwijzingen dat roofvogels de bosgebieden als nestlocatie (kunnen) gebruiken en zich hier kunnen vestigen. Ook zijn verspreid door het dijktracé grotere bosschages aanwezig, waar nesten van zwarte kraai en ekster aanwezig zijn die door soorten met jaarrond beschermde nesten gebruikt kunnen worden, zoals bijvoorbeeld boomvalk.

Op voorhand valt niet uit te sluiten dat de werkzaamheden binnen de invloedssfeer van een nestlocatie plaatsvinden en waarmee een negatief effect kan optreden tijdens het broedseizoen. Hierdoor wordt aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren naar het voorkomen van (roofvogel)nesten voorafgaande aan de werkzaamheden.

47

Ransuil Binnen deelgebied 2 zijn meerdere waarnemingen van ransuil bekend vanuit de NDFF. Tijdens eerder uitgevoerde onderzoeken zijn geen ransuilen waargenomen. Echter zijn binnen dit deelgebied meerdere (grotere) bosschages aanwezig in de achtertuinen, met in het bijzonder veel naaldbomen. Ook zijn verspreid meerdere nesten van zwarte kraai en ekster aanwezig, waarbij deelgebied 2 (directe omgeving van sectie 5, 6, en 7) in potentie geschikt is als nestplaats of slaapplaats voor ransuil. Indien bosschages worden gekapt binnen deelgebied 2 dient vervolgonderzoek uitsluitsel te bieden. Ooievaar Aan de zuidoostkant van de kasteeltuinen is een bewoond ooievaarsnest aanwezig. Deze nestlocatie ligt net buiten het dijktracé. Tijdens de werkzaamheden kan verstoring optreden, waardoor de kans bestaat dat het nest wordt verlaten en het broedsel mislukt. Daarom dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met broedende ooievaars en dat verstoring tijdens het broedseizoen voorkomen wordt. Kerkuil In een gebouw van de kasteeltuinen is een mogelijke nestplaats van de kerkuil aanwezig, ongeveer 100 meter buiten het dijktracé. Binnen de overige locaties binnen het dijktracé ontbreken geschikte nestplaatsen voor kerkuil. Hierdoor kunnen negatieve effecten op een vaste rust- en verblijfsplaats van kerkuil binnen het dijktracé redelijkerwijs worden uitgesloten.

Het open landschap biedt voldoende foerageergebied voor de kerkuil. Met de voorliggende werkzaamheden blijft er in de directe omgeving voldoende foerageergebied behouden, waardoor effecten op kerkuil kunnen worden uitgesloten. Verstoring van de nestplaats binnen de kasteeltuinen (100 meter) is niet aan de orde. Oehoe Binnen de literatuur komen meerdere waarnemingen van oehoe naar voren in de directe omgeving van de Kasteeltuinen Arcen en Maasduinen. De precieze broedlocatie is niet bekend (met de aanwezigheid van waargenomen jongen kan geconcludeerd worden dat de oehoe her tot broeden komt). De verwachting is dat de oehoe boven op een oud gebouw, op een oud roofvogelnest en/of op een nest van blauwe reiger tot broeden kan komen. Dit betreffen allemaal locaties die net buiten het beoogde dijktracé zijn gelegen. Er worden geen bomen rondom de kasteeltuinen gekapt. Het beoogde dijktracé dat is gelegen binnen Maasduinen zijn geen geschikte nestplaatsen aanwezig in de vorm van oude nesten en/of gebouwen binnen het dijktracé, waardoor effecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Huismus Vaste rust- en verblijfplaatsen De huismus en gierzwaluw komen verspreid voor op meerdere locaties in de buurt van de bebouwing tot broeden, zoals de (oude) kern van Arcen. De huismus komt verspreid voor binnen het dijktracé en komen hier wijdverspreid voor.

Het gebouw Brasserie Alt Arce is ongeschikt als nestplaats voor huismus, door het ontbreken van geschikte ruimtes/openingen. In de directe omgeving van het gebouw La Tour Meuse bevindt zich een huismussenkolonie. Het gebouw La Tour Meuse en de bebouwing (woning en stallen) aan de Kruisweg/Broekhuizerweg zijn geschikt als nestplaats voor huismus, door de aanwezigheid van dakpannen en ruimtes tussen hoekpannen. De bebouwing aan de Kruisstraat/Broekhuizerweg worden gesloopt, waardoor effecten op vaste rust en verblijfplaatsen niet kan worden uitgesloten. Voor deze bebouwing (Kruisweg en Broekhuizerweg) dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar huismussen. Functioneel groen In de achtertuinen van Schans, tussen Brasserie Alt Arce en La Tour Meuse zijn ze voornemens een glazen keerwand aan te leggen in delen van de achtertuinen, waardoor functioneel groen (meidoornhaag) voor huismussen komt te verdwijnen. Door deze keerwand bestaat de kans dat er vogels doodvliegen, maar de keerwand wordt voorzien met veiligheidsmaatregelen (infra rood strip) en inrichting groen, om vogelslachtoffers te voorkomen. Dit is vooral aan de orde t.h.v. Schans 10. Door de aanleg van een keermuur in de achtertuinen van Arcen verdwijnt het aanwezige groen, dat gebruikt kan worden als foerageergebied en rust- en schuilplaatsen voor huismussen die broeden in de directe omgeving van Schans.

Voor deze locatie worden alle struiken

48

verwijderd en blijft geen alternatief foerageergebieden en/of rust- en schuilplaatsen meer over. Hiervoor dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het gebruik hiervan en de eventuele alternatieven in de directe omgeving. Gierzwaluw De gierzwaluw komt voor in de oude kern van Arcen (NDFF). Binnen het plangebied betreffen dit de gebouwen tussen brasserie Alt Arce, La tour Meuse en de huizen die met de achtertuinen grenzen aan de Schans. Aan de woning van Schans 10b hangen meerdere gierzwaluwnestkasten. De overige bebouwing (bijvoorbeeld de woningen aan de Kruisweg zijn niet geschikt voor gierzwaluwen, doordat er geen ruimtes aanwezig zijn tussen het dakbeschot en dakpannen. Permanent negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw worden niet verwacht. Wel moeten de werkzaamheden rondom La tour Meuse/Schans 10 uit te voeren buiten het broedseizoen van gierzwaluw om verstoring zo veel mogelijk te voorkomen. Binnen het broedseizoen dienen de nestlocatie vrij te zijn van obstakels tot minimaal 2 meter, zodat gierzwaluwen kunnen invliegen. De wijze van uitvoering inclusief verstoringsvrije afstand dient ook vast te worden gelegd in het ecologisch werkprotocol. Boerenzwaluw Boerenzwaluw komt mogelijk tot broeden in de -aanwezige boerderijen in deelgebied 2, zoals de paardenhouderij aan de Kruisweg.

Deze gebouwen worden gesloopt en kan een negatief effect op boerenzwaluw niet worden uitgesloten en dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Steenuil Binnen het dijktracé is geschikt biotoop voor steenuil aanwezig in deelgebied 2. Uit de NDFF is een cluster van waarnemingen van deze soort bekend in de achtertuinen van Maasstraat 85. De achtertuin ligt grotendeels binnen het dijktracé. Tijdens het veldbezoek zijn geen zichtbare nestkasten of andere nestplaatsen waargenomen. De tuin was gedurende het veldonderzoek echter niet geheel overzichtelijk. Tijdens het onderzoek van Witteveen+Bos & Arcadis, 2019 is een oude vervallen steenuilenkast waargenomen ten westen van de kern van Arcen. Er kan op basis van het literatuuronderzoek en het geschikte biotoop effecten op steenuil niet worden uitgesloten. Op korte afstand van beide locaties worden werkzaamheden uitgevoerd, waardoor negatieve effecten kunnen optreden op het foerageergebied en vaste rust- en verblijfplaats. Hiervoor dient een vervolgonderzoek te worden gestart naar steenuil ter hoogte van Maasstraat 85 en ten westen van de kern van Arcen. Torenvalk Torenvalk is tijdens het veldbezoek waargenomen binnen het dijktracé in deelgebied 1. Binnen het dijktracé zijn geen nestkasten en/of andere geschikte nestlocaties voor torenvalk aangetroffen.

De gebouwen die worden gesloopt/gerenoveerd zijn ongeschikt als broedlocatie voor torenvalk. Negatieve effecten op torenvalk kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten binnen het gehele dijktracé. Grote gele kwikstaart Tijdens eerdere uitgevoerde onderzoeken en gedurende het verkennende onderzoek is geen grote gele kwikstaart aangetroffen binnen het dijktracé. Uit de literatuur komen enkele incidentele broedgevallen naar voren in de directe omgeving van het dijktracé. In de directe omgeving van het dijktracé is mogelijk geschikt broedgebied aanwezig in het mondingsgebied van de Lingefortbeek (deelgebied 3), ter hoogte van de ambachtelijke graanbranderij de IJsvogel. Voor de werkzaamheden rondom de Lingesfortbeek dient vervolgonderzoek naar grote gele kwikstaart te worden uitgevoerd.

5.1.2.1

Conclusie jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogels, die hun verblijfplaats het hele jaar door gebruiken of elk jaar terugkeren naar hetzelfde nest, zijn permanent beschermd. Deze nesten zijn opgedeeld in categorie 1 t/m 3 van de ‘Vaste nesten’. Het vernielen van nesten tijdens het broedseizoen of van nesten met een permanente bescherming leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2. Binnen het dijktracé kunnen eventuele effecten optreden op mogelijke nestplaatsen van grote gele kwikstaart, steenuil en ransuil. Nesten van roofvogels zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen.

49

Ook oude nesten van zwarte kraai en ekster kunnen gebruikt worden door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (o.a. ransuil). Hiervoor dient een check uitgevoerd te worden naar nesten die vallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.

5.1.3

Omgevingsscansoorten en algemene broedvogels Voor een groot aantal omgevingsscansoorten geldt dat delen van het dijktracé (voornamelijk deelgebied 3) deel uitmaken van geschikt broedgebied voor typische struweelvogels, zoals de spotvogel. Daarnaast vormen de bossen binnen deelgebied 3 geschikt leefgebied en voortplantingsbiotoop voor buizerd en sperwer. Daarbij kunnen ook de kleinere bosschages binnen deelgebied 1 en 2 als broedplaats voor sperwer en buizerd dienen. Binnen het dijktracé zijn geen nesten waargenomen in bomen, die mogelijk afkomstig zijn van een omgevingsscansoort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20176