080 Bijl11 BP toelichting_Bijlage 10 Verkennend Flora- en Faunaonderzoek.pdf
Tekst van het document
5.1.3.1
Conclusie omgevingsscansoorten en algemene broedvogels De nesten van omgevingsscansoorten zijn jaarrond beschermd wanneer de ingreep leidt tot het verdwijnen van de nestplaats en de omgeving onvoldoende alternatief leefgebied biedt en hiermee de gunstige staat van instandhouding van de soort in gevaar komt. Kijkend naar de ingrepen die uitgevoerd gaan worden, zoals bomenkap en het verdwijnen van sommige bosschages vormen de werkzaamheden effecten op algemene broedvogels. Verder worden geen effecten verwacht op soorten die broeden in struweel en bosschages, zoals de spotvogel. Soorten, zoals buizerd, zwarte specht en sperwer die mogelijk broeden in bosgebieden binnen het dijktracé, hebben geen negatieve trend, waardoor deze omgevingsscansoorten kunnen worden behandeld als algemene broedvogels. De ontwikkeling binnen het dijktracé leidt mogelijk tot negatieve effecten op omgevingsscansoorten en algemene broedvogels, zoals het doden of verwonden van vogels (Wnb artikel 3.1 lid1) en het vernielen van nesten of eieren (Wnb artikel 3.1 lid 2). Het is hiernaast mogelijk dat als gevolg van de werkzaamheden algemene broedvogels verstoord worden (Wnb artikel 3.1 lid 4). In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is tevens geen ontheffing van de Wet natuurbescherming mogelijk.
Er dient daarom voorkomen te worden dat nesten van vogels vernield worden bij de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen daarom bij voorkeur uitgevoerd of op zijn minst aangevangen te worden buiten het broedseizoen van in de omgeving voorkomende broedvogels. Wanneer dit niet mogelijk is, dienen werkzaamheden onder begeleiding van een ecoloog en volgens een ecologisch werkprotocol uitgevoerd te worden. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli. Deze periode is echter afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort, waardoor het mogelijk kan zijn dat vogelsoorten eerder tot broeden komen binnen het dijktracé of langer broeden dan half juli. Als broedtijd van vogels wordt de periode tussen de bouw van het nest en het uitvliegen van de jongen beschouwd. In de achtertuinen van Schans wordt eren glazen keerwand geplaats. Deze keerwand wordt voorzien van veiligheidsmaatregelen voor vogels en met de inrichting van het groen dient rekening worden gehouden dat laagvliegende vogels zich kunnen doodvliegen. Dit dient nader onderbouwd te worden in een ecologisch werkprotocol.
5.1.4
Vleermuizen Uit het literatuuronderzoek blijkt dat gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart en watervleermuis zijn waargenomen in de omgeving van het dijktracé. Foerageergebied Het dijktracé is geschikt als foerageergebied voor een heel aantal soorten vleermuizen. Op grond van de omvang van de deelgebieden is daarbij de kans aanwezig dat het deels essentiële foerageergebieden betreffen voor soorten die afhankelijk zijn van bosgebieden. Met name rondom Maasduinen. Hiervoor loopt momenteel een vleermuisonderzoek. Op de overige locaties vormen de foerageergebieden rondom het dijktracé naar verwachting een onderdeel van een veel groter geheel, waardoor de instandhouding van vleermuizen niet in gevaar komt. Er worden lokaal mogelijk (tijdelijke) negatieve effecten verwacht op de functionaliteit van deze foerageergebieden.
50
Vliegroute Lijnvormige elementen in de vorm van bomenrijen en waterlopen zijn op meerdere locaties aanwezig binnen het dijktracé, waarmee ook vliegroutes van vleermuizen niet kunnen worden uitgesloten. Tijdens eerdere onderzoeken zijn ook diverse vliegroutes waargenomen. Zo is langs de Maasstraat een vliegroute waargenomen in de aanwezig bomenrij. Dit gebied ligt buiten het onderzoeksgebied en de scope van het dijktracé. Zuidelijk hiervan loopt het dijktracé door een bestaand lijnvormig element (bomenrij) langs de Maasstraat (deelgebied1. Dit betreft de doorgaande weg richting Arcen met kwijnende bomen. Met de voorliggende werkzaamheden worden hier mogelijk enkele bomen gekapt. Naar verwachting blijft deze vliegroute functioneel, omdat er geen grote opening (>25 meter) ontstaat in de laanstructuur. Met de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden dat deze vliegroute functioneel blijft. Deze vliegroute wordt met name door laatvliegers gebruikt, maar ook door andere soorten. De laatvlieger is een krachtige vlieger en is weinig afhankelijk van een lijnvormig element. Indien er meer bomen gekapt gaan worden dient opnieuw te worden beoordeeld om deze vliegroute functioneel te houden Ook dient rekening te worden gehouden met het gebruik van kunstlicht en geluid.
Vaste rust- en verblijfsplaatsen Binnen het dijktracé zijn binnen deelgebied 3 (Maasduinen) bomen aanwezig met holten, spleten en loszittende takken, welke kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Vlak buiten het dijktracé (deelgebied 1 en randen kasteeltuinen deelgebied 3) zijn in enkele bomen holtes aangetroffen. Voor het bosgebied binnen deelgebied 3 loopt reeds een vleermuisonderzoek gestart dat loopt tot in juli 2022. De bomen met holtes binnen deelgebied 1 liggen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, waardoor effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen hier met de voorliggende werkzaamheden niet aan de orde zijn. Binnen het dijktracé is het gebouw La tour Meuse mogelijk geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Dit gebouw blijft behouden, maar er worden werkzaamheden verricht aan het gebouw, waarbij enkele open stootvoegen zullen verdwijnen. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfsplaatsen van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten. Verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen zijn jaarrond beschermd conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn, Bijlage IV. Verblijfplaatsen van vleermuizen mogen zonder ontheffing niet opzettelijk beschadigd, verstoord of vernield worden.
Omdat door de ingreep meerdere potentiële verblijfsplaatsen verdwijnen, leidt de ingreep mogelijk tot een overtreding van artikel 3.5, lid 4. Conclusie Mogelijk hebben meerdere vleermuissoorten een vaste rust- en/of verblijfplaats in bomen (in holtes, spleten en loszittende bast) die gekapt gaan worden binnen het bosgebied van Maasduinen (deelgebied 3). Om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dient allereerst een vleermuisonderzoek naar vaste rusten verblijfplaatsen en foerageergebied in het bosgebied Maasduinen (deelgebied 3) uitgevoerd te worden. Daarnaast is vleermuisonderzoek noodzakelijk voor de gebouwen/stallen aan de Kruisstraat/Broekhuizerweg en de werkzaamheden aan het gebouw La Tour Meuse. Voor de werkzaamheden op het kruispunt ter hoogte van de Maasstraat dient rekening te worden gehouden dat de vliegroute functioneel blijft. Indien dit niet mogelijk blijkt is vervolgonderzoek naar de functie vliegroute noodzakelijk. Als de (beschermde functies van) vleermuizen negatieve effecten ondervinden met de voorliggende werkzaamheden, dan is hiervoor een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist (Wnb artikel 3.5 lid 4). Bij de uitvoering van de werkzaamheden dient verder rekening gehouden te worden gehouden met verstorende werking van verlichting op beschermde functies van vleermuizen.
5.1.5
Grondgebonden zoogdieren
5.1.5.1
Ware muizen, woelmuizen en spitsmuizen Uit de resultaten blijkt dat het voorkomen van muizensoorten beschermd onder de Habitatrichtlijn kunnen worden uitgesloten binnen het dijktracé. Beschermde soorten die vallen onder de categorie ‘andere soorten’ zijn of afwezig binnen het dijktracé, of zijn vrijgesteld van ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten zijn in de directe omgeving van het dijktracé voldoende alternatieve geschikte leefgebieden aanwezig. Met de aanwezigheid van geschikte leefgebieden in de directe omgeving worden met de ingrepen geen negatieve effecten op deze soorten
51
verwacht. Tijdens de werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de zorgplicht om het doden en verwonden van individuen te voorkomen (Wnb artikel 1.11). Zie hiervoor paragraaf 5.2.
5.1.5.2
Knaagdieren Bever Sporen in het dijktracé die erop duiden dat het dijktracé deel uitmaakt van het leefgebied van bever zijn tijdens het veldbezoek aangetroffen in de vorm van knaagsporen langs het water langs de oevers van de Lingsforterbeek, aan de randen van het dijktracé en het Maasdal (deelgebied 2 en 3). Burchten zijn niet aangetroffen binnen de invloedssfeer van het dijktracé. De huidige geplande maatregelen betreffen het realiseren van een dijkversterking, waarbij meestal op voldoende afstand tot het water wordt gewerkt. Alleen bij de werkzaamheden rondom beeklopen en watergangen kunnen eventuele negatieve effecten optreden op vast rusten verblijfplaatsen van bever. Rondom de watermolen en monding van de Lingefortbeek is dichte begroeiing aanwezig, waardoor gemakkelijk een vaste rust- en verblijfplaats (bijv. oeverhol) van bever kan worden gemist. Hiervoor dient binnen deelgebied 3 vervolgonderzoek uitgevoerd te worden naar eventuele aanwezige vaste rusten verblijfplaatsen van bever ten behoeve van de werkzaamheden rondom de watermolen. Eekhoorn Binnen het dijktracé bevinden zich geschikte biotopen voor eekhoorn. Daarbij zijn binnen en grenzend aan de deelgebieden meerdere waarnemingen bekend van eekhoorn (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoornnesten waargenomen.
Er kan echter niet worden uitgesloten dat nesten over het hoofd zijn gezien, door het dichte bladerdek waar sprake van was in de periode van het jaar waarin dit onderzoek is uitgevoerd. Verspreid door het dijktracé worden op meerdere locaties bomen gekapt. Van deze bomen kan op voorhand niet worden uitgesloten dat hierin eekhoornnesten aanwezig zijn. Negatieve effecten op deze soort kunnen dan ook niet worden uitgesloten. In Limburg is de eekhoorn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen in de periode maartapril en juli t/m november. Voorafgaande aan de werkzaamheden dienen de te kappen bomen gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van bezette eekhoornnesten. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met. overige beschermde soorten.
5.1.5.3
Marterachtigen Das Tijdens het veldonderzoek zijn twee vervallen dassenpijpen aangetroffen in het bosgebied van Maasduinen. Buiten deze locatie zijn geen waarnemingen gedaan in de vorm van prenten, burchten en/of andere sporen van das. Ook zijn gedurende eerder uitgevoerde onderzoeken geen waarnemingen gedaan van de das. Sporadisch komt de das voor in de directe omgeving van het dijktracé voor en na de ingreep blijft het onderzoeksgebied geschikt voor de das. Binnen Maasduinen vallen de aanwezige dassenpijpen binnen het dijktracé. Aangezien dat de pijpen in verval zijn, kunnen deze pijpen nog steeds sporadisch worden gebruikt. Hierdoor dient er onderzoek naar deze burchten worden gedaan of ze daadwerkelijk worden gebruikt. Voor het overige gebied kan worden aangenomen dat het dijktracé geen deel uitmaakt van het leefgebied van de das en kunnen negatieve effecten op deze soort dan ook worden uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) In de omgeving van het dijktracé zijn kleine bosschages, houtsingels en natuurgebieden aanwezig. Dit is voornamelijk het natuurgebied de Barbara’s Weerd. Hierdoor is het de verwachting dat het dijktracé een belangrijk onderdeel uitmaakt van het leefgebied van kleine marterachtigen. De werkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op de kleine marterachtigen.
Echter binnen provincie Limburg zijn kleine marterachtigen vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Steenmarter en boommarter De gebouwen La Tour Meuse en Brasserie Alt Arce worden deels gesloopt en/of verbouwd. Ook worden er in Maasduinen bomen met holtes gekapt. Zowel de bebouwing als de holtes in bomen zijn niet geschikt als mogelijke vaste rust- en verblijfplaats voor de steenmarter. Een overtreding van de Wnb is niet aan de orde.
52
Voor boommarter ontbreken geschikte holtes binnen het bosgebied van Maasduinen, zoals nestholen van zwarte specht. Ook zijn binnen en in de omgeving van het dijktracé geen waarnemingen van boommarter bekend uit de literatuur. Hiermee kunnen eventuele effecten op boommarter worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de boom- en steenmarter of een ontheffingsaanvraag voor artikel 3.8 Wnb is in dit geval niet aan de orde.
5.1.5.4
Haasachtigen Haas en konijn Het gehele dijktracé is geschikt als leefgebied voor de haas. Rondom het dijktracé binnen deelgebied 2 zijn konijnen aangetroffen op zeer korte afstand tot het dijktracé. Konijn en haas zijn vrijgestelde soorten binnen de Wet natuurbescherming, waarvoor rekening gehouden dient te worden met de algemene zorgplicht en gewerkt wordt met een ecologisch werkprotocol.
5.1.5.5
Overige algemene grondgebonden zoogdieren Het dijktracé is geschikt als leefgebied voor algemeen voorkomende zoogdieren. De omgeving van het dijktracé biedt ruim voldoende alternatief leefgebied voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Bovendien is het dijktracé na afloop van de werkzaamheden op meerdere locaties nog beter geschikt voor deze soorten en/of worden de aanwezige natuurwaarden niet aangetast. Permanente negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden worden daarom niet verwacht. De werkzaamheden zelf hebben mogelijk wel een negatief effect op individuen van voorkomende soorten. Kleine zoogdiersoorten worden mogelijk gedood of vaste rust- en verblijfplaatsen worden mogelijk vernield (Wnb artikel 3.10.1). De algemene zorgplicht is van toepassing op de voorkomende algemene soorten. Zie ook paragraaf 5.2).
5.1.6
Amfibieën Binnen de directe omgeving van het dijktracé komen geen beschermde amfibiesoorten voor. Al deze soorten kunnen worden uitgesloten op basis van terreinkenmerken, met uitzondering van enkele waarnemingen van rugstreeppad. Met het ontbreken van geschikte pioniersvegetatie ter plaatse van het dijktracé wordt rugstreeppad niet wordt verwacht binnen het dijktracé. De bosgebieden kunnen onderdeel uitmaken van geschikt landhabitat voor amfibieën. Echter zijn in de directe omgeving van het bosgebied geen geschikte voortplantingswateren aanwezig, waardoor effecten op het landhabitat niet aan de orde is. Ook is gedurende het eerdere uitgevoerde onderzoek is op voorhand kamsalamander uitgesloten. Ook mede door het ontbreken van geschikte voortplantingswateren. Ook komt de soort alleen op enkele kilometers zuidelijk voor ten opzichte van de Barbara’s Weerd. Tijdens de uitvoering dient wel rekening te worden gehouden met dat er mogelijk tijdelijke plassen ontstaan en/of pioniervegetatie tot ontwikkeling komt ter plaatse van het gehele dijktracé. In een ecologisch werkprotocol dienen maatregelen opgenomen te worden om vestiging van rugstreeppadden te voorkomen tijdens de werkzaamheden.
Door de werkzaamheden kunnen nieuwe wateren ontstaan (bijvoorbeeld braakliggende grond met tijdelijke plassen en poelen en door insporing van banden), valt niet uit te sluiten dat deze soort zich hier gaat vestigen. Ook zijn binnen het dijktracé geschikte voortplantings- en landhabitats aanwezig voor de vrijgestelde soorten, zoals gewone pad, bruine kikker, groen kikker/bastaardkikker, meerkikker en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt dat tijdens de uitvoer van de werkzaamheden de zorgplicht (artikel 1.11) in acht genomen dient te worden. Zie ook paragraaf 5.2.
5.1.7
Reptielen Hazelworm en levendbarende hagedis De aanwezigheid van de beschermde zandhagedis kan op basis van literatuur en terreinkenmerken worden uitgesloten. De reptielensoorten hazelworm en levendbarende hagedis kunnen binnen het dijktracé niet worden uitgesloten, op basis van bekende verspreidingsgegevens en terreinkenmerken binnen de bosgebieden (oostelijk N271) binnen deelgebied 3. De hazelworm en levendbarende hagedis zijn binnen de provincie Limburg deels vrijgesteld. Voor de hazelworm geldt een vrijgestelde periode in de maanden juli, augustus en september en voor de levendbarende hagedis geldt een vrijgestelde periode van 15 augustus t/m 15 oktober. De werkzaamheden dienen buiten de kwetsbare perioden van deze soorten uitgevoerd te worden. Als dit niet mogelijk blijkt wordt geadviseerd om een
53
vervolgonderzoek uit te voeren voor eventueel aanwezige dieren in de bosranden, bermen en open plekken binnen deelgebied 3, oostelijk van de N271. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met overige beschermde soorten
5.1.8
Vlinders Grote vos Binnen het dijktracé ontbreken geschikte leefgebieden voor grote vos. De waardplanten (iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten) en leefgebied (vochtige bossen met bloedende bomen) ontbreken ter plaatse van het dijktracé. Eventuele holtes en/of leegstaande gebouwen kunnen een potentiële overwinteringslocatie zijn voor grote vos. Negatieve effecten kunnen hierdoor worden uitgesloten. Voorafgaande aan de sloop- en/of kapwerkzaamheden dienen holtes en/of de leegstaande bebouwing gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van overwinterende individuen. Deze voorwaarden dienen te worden vastgelegd in het ecologisch werkprotocol. Kleine ijsvogelvlinder Binnen het bosgebied van Maasduinen (deelgebied 3) zijn meerdere waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder. Door de geplande ingreep worden een gedeelte van het bosgebied gekapt en verdwijnt een deel van potentieel leefgebied, zoals de bosranden en open plekken. Aanvullend onderzoek naar kleine ijsvogelvlinder is hiervoor noodzakelijk. Daarnaast dient met het gebruik van de werkbaan (Maliebaan) te worden voorkomen dat de waardplant en nectarplanten voor de soort niet worden plat gereden.
5.2
Algemene zorgplicht Voor de mogelijk aanwezige algemene muizen- en amfibiesoorten (bijvoorbeeld haas, konijn en bruine kikker) binnen het dijktracé geldt in de provincie Limburg een algemene vrijstelling. Dat wil zeggen dat in gevallen waar de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming, geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden. Ondanks de vrijstelling die geldt voor algemeen voorkomende soorten, is wel te allen tijde de algemene zorgplicht van toepassing. Deze houdt in dat de ingreep en werkzaamheden zorgvuldig en met zo min mogelijk schade aan de aanwezige flora en fauna uitgevoerd moeten worden, zoals de aanwezige bosmiernesten binnen het dijktracé (deelgebied 3). Dit houdt onder andere in dat wanneer dieren worden aangetroffen, deze de gelegenheid moeten krijgen om te kunnen vluchten of (indien mogelijk) worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het dijktracé en buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. De werkwijze hiervoor dient opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol.
5.3
Beschermde gebieden Zoals beschreven in hoofdstuk 4 is het dijktracé is deels binnen en in de omgeving van beschermde natuurgebieden gelegen. Aangegeven wordt, welke effecten deze gebieden (mogelijk) kunnen ondervinden van de voorgenomen ingrepen.
5.3.1
Natura 2000-gebieden De Barbara’s Weerd en Maasduinen (deelgebied 3) zijn gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied Maasduinen. Voor dit gebied dient er een voortoets te worden opgesteld. Voor de andere gebieden dient er een voortoets uitgevoerd te worden, namelijk een stikstofdepositieonderzoek
5.3.2
Provinciale gebiedsbescherming De ingrepen vinden op meerdere locaties plaats binnen de goudgroene natuurzone (Limburgse deel van de NNN), de zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone. De geplande ingrepen hebben hiermee mogelijke negatieve effecten op de provinciale gebiedsbescherming. De ingrepen moeten daarom getoetst worden aan het afwegingskader Natuurnetwerk Nederland en het Limburgse beleid.
54
Bureau Meervelt heeft in 2021 een quickscan uitgevoerd voor vier deelgebieden, waarvan de deelgebieden Barbara’s Weerd en Maasduinen, die binnen de Goudgroene gelegen zijn. In het deelgebied Barbara’s Weerd wordt alleen de oude dijk afgegraven. In deelgebied Maasduinen wordt een bosperceel gekapt om ophoging en aansluiting naar hoge grond mogelijk te maken. Hierbij wordt het aanwezige bos gekapt. De ophoging wordt zo uitgevoerd dat er sprake is van een natuurlijke inpassing waarbij na aanleg geen waterstaatkundig beheer meer nodig is. Op het gekapte deel kan na aanleg van de ophoging weer bos aangelegd worden. Wezenlijke kenmerken en waarden die blijvend worden aangetast moeten gecompenseerd worden op grond van de Beleidsregel natuurcompensatie van de Provincie Limburg. Omdat de aantasting in het kader van de dijkverzwaring (kap van een kleine oppervlakte bos met voornamelijk dode Corsicaanse den) niet blijvend is, kan ‘compensatie’ welllicht gezocht worden in het opnieuw aanplanten van bos dat voldoet aan het natuurbeheertype. Geadviseerd wordt met de provincie Limburg contact op te nemen en de noodzaak tot compensatie voor de aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken te bespreken. Overigens verdient het de aanbeveling de kapvlakte iets naar het zuiden te verplaatsen en de aanwezige zandweg als noordgrens te hanteren.
Op die manier wordt de kap beperkt tot het perceel met de vele dode Corsicaanse dennen. De aanwezige laanbeplanting dient zoveel mogelijk behouden te blijven. Aanbevolen wordt voor de bepaling van de (perceels)grenzen met Stichting het Limburgs Landschap contact op te nemen. (Tekst afkomstig uit het rapport van Bureau Meervelt, 2021)
5.3.3
Houtopstanden Voor het onderdeel houtopstanden dient melding gemaakt te worden bij de provincie Limburg en voor de kap van bomen binnen de bebouwde kom dient een kapvergunning aangevraagd te worden bij de gemeente Venlo. Zie voor een nadere toelichting hiervoor paragraaf 4.3.
55
6
CONCLUSIES In de onderstaande tabel zijn alle soorten opgenomen die uit het verkennend onderzoek naar voren zijn gekomen en waar aanvullend onderzoek en/of aanvullende maatregelen voor getroffen dienen te worden. Tabel 4. Samenvattende tabel. Soortgroep
Mogelijke effecten?
Vervolgstappen
Vaatplanten Jaarrond beschermde broedvogels
Geen Mogelijk
Geen effecten verwacht. Zie ook paragraaf 5.1.1. Nader onderzoek voor grote gele kwikstaart, steenuil en ransuil. Zie paragraaf 5.1.2.
Huismus
Mogelijk
Omgevingsscansoorten en algemene broedvogels Bever en eekhoorn
Ja
Das
Mogelijk
Het verlies van functioneel groen voor huismus t.h.v achtertuinen Schans dient onderzoek uitgevoerd te worden naar het functioneel leefgebied van de huismussen. Voor de sloop van de gebouwen (Kruisstraat/Broekhuizerweg) is vervolgonderzoek naar huismussen noodzakelijk. Rekening houden met het broedseizoen en inrichting glazen keerwand. Controle van roofvogelnesten. Zie ook paragraaf 5.1.3. Vervolgonderzoek noodzakelijk naar bever. Bomen controleren op eekhoornnesten. Voor eekhoorn werken tijdens vrijgestelde periode. Zie ook paragraaf 5.1.5. Onderzoek dassenholen binnen Maasduinen
Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren Overige grondgebonden zoogdieren
Geen
Vleermuizen
Mogelijk
Reptielen
Mogelijk
Amfibieën
Mogelijk
Vissen Vlinders
Mogelijk Mogelijk
Overige ongewervelden
Nee
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden
Effect Mogelijk
Provinciale gebiedsbescherming Houtopstanden
Ja
Mogelijk
Ja
Ja
Er worden geen effecten verwacht op strikt beschermde grondgebonden zoogdieren, zoals steenmarter en boommarter. Rekening houden met de algemene zorgplicht. Zie ook paragraaf 5.1.5 en 5.2. Voor de stallen/woning aan de Kruisweg/Broekhuizerweg, La Tour Meuse en het bosgebied (Maasduinen) dient nader onderzoek naar vleermuizen te worden opgestart. Rekening houden met potentiële vliegroute ter hoogte van de Maasstraat. Rekening houden met verlichting. Zie ook paragraaf 5.1.4. Werken tijdens vrijgestelde periode van hazelworm en levendbarende hagedis binnen deelgebied 3 oostelijk N271. Zie ook paragraaf 5.1.6 en 5.1. 7. Beschermde amfibieën worden niet verwacht. Voor algemene amfibiesoorten rekening houden met de zorgplicht. Rekening houden met vestiging van rugstreeppad houden gedurende de werkzaamheden. Zie ook paragraaf 5.2. Rekening houden met de algemene zorgplicht. Vervolgonderzoek uitvoeren naar aanwezigheid kleine ijsvogelvlinder. Controle van overwinterende grote vos holtes in bomen en leegstaande panden. Rekening houden met de algemene zorgplicht. Zie ook paragraaf 5.2. Geen effecten. Rekening houden met de algemene zorgplicht bij de aanwezige bosmierennesten binnen Maasduinen (deelgebied 3). Vervolgstappen Voortoets opstellen en stikstofdepositieonderzoek uitvoeren. Zie ook paragraaf 5.3.1.
Contact opnemen met bevoegd gezag betreffende compensatie provinciale gebiedsbescherming. Zie ook paragraaf 5.3.2. Houtopstanden is van toepassen op de te kappen bomen binnen Maasduinen. Indien bomen binnen bebouwde kom worden gekapt dient de bomenkaart te worden geraadpleegd om te bepalen of de bomen vergunningplichtig zijn. Zie verder paragraaf 4.3.
56
7
GERAADPLEEGDE LITERATUUR BIJ12, 2017a. Kennisdocument Bever. Castor fiber. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Das. Meles meles. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017c. Kennisdocument Huismus. Passer domesticus. Versie 2.1, februari 2023. BIJ12, 2017d. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. Pipistellus pipistellis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017e. Kennisdocument Rugstreeppad. Bufo calimita Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017f. Kennisdocument Steenuil. Athene noctua. Versie 1.0, juli 2017. Bureau Meervelt, 2021a. Quickscan Wet natuurbescherming. Werkzaamheden dijkverzwaring Arcen – 4 deelgebieden 2021. Projectnummer 17-012. Definitief. 26 maart 2021, Nederweert. Bureau Meervelt, 2021b. Memo inspectie Rijksstraatweg en Maasduinen, HWBP Arcen d.d. 22 april 2021. Verslag van het inspectiebezoek flora en fauna op 13 april 2021. Chinery, M., 2004. Nieuwe insecten gids. Tirion Natuur, Baarn Diepenbeek, A. van, Twisk, P., 2013. Veldgids, Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist. Dietz, C. en A. Kiefer, 2017. Veldgids, Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Dijk, A.J., van & Boele, A., 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. Provincie Limburg, 2017. Provinciaal blad. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Nr. 5634. 6 december 2017. Schauer, T., C. Caspari, en S. Caspari, 2016.
Nieuwe plantengids voor onderweg. Kosmos Uitgevers, Utrecht. Slagter, D., 2016. Winterflora bomen en struiken. Uitgeverij NatuurMedia, Amsterdam. Stumpel, T. en H. Strijbosch 2017. Veldgids, Amfibieën en reptielen. KNNV Uitgeverij, Zeist Svensson, L., 2016. ANWB-vogelgids van Europa. ANWB B.V., Den Haag Twisk, P., A. van Diepenbeek en J.P. Bekker, 2016. Veldgids Europese zoogdieren. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist. Witteveen+Bos & Arcadis, 2017. CB 01.005 Bureaustudie flora en fauna/ecologie inclusief plan van aanpak voor vervolg. Hoogwaterbeschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei. Kenmerk (SP): 3385. Versienummer 4.0. 14 april 2017. Witteveen+Bos & Arcadis, 2017. CB.01.005 Bureaustudie Flora en Fauna en ecologie inclusief PvA, bijlage. Witteveen+Bos & Arcadis, 2019. CB 13.007 Onderzoek Flora en fauna dijktraject Arcen Hoogwaterbeschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei. Versienummer 1.0-4.
57
Nationale Databank Flora en Fauna Nationale Databank Flora en Fauna: gegevensexport op 24-11-2021. Websites www.floron.nl www.minez.nederlandsesoorten.nl www.overheid.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.limburg.nl www.venlo.nl
58
BIJLAGEN
B1 NATUURBESCHERMING Kort wordt in deze bijlage ingegaan op de bescherming van planten- en diersoorten en natuurgebieden krachtens de Wet natuurbescherming en de provinciale verordening/beleidsregels. Daarnaast wordt aangegeven of sprake is van provinciale gebiedsbescherming binnen of nabij de dijktracé en.
B1.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is van kracht sinds 1 januari 2017 en regelt zowel de bescherming van planten- en diersoorten, als de bescherming van natuurgebieden en houtopstanden. Daarmee vervangt de Wet natuurbescherming de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Op grond van de Wet natuurbescherming zijn aan Gedeputeerde Staten van de provincies diverse bevoegdheden toegekend. De provincies zijn met ingang van de Wet natuurbescherming (in de meeste gevallen) bevoegd gezag voor ontheffingen, vergunningen en meldingen op grond van de wet. De provincies hebben hun bevoegdheden uitgewerkt in verordeningen of beleidsregels, die per provincie verschillen. In de provinciale regelingen komen de volgende thema’s aan de orde: faunabeheer, jacht, schadebestrijding, vrijstelling soorten, gebiedsbescherming, houtopstanden en natuurbeleid. Voor zover relevant, is in de onderstaande paragrafen aandacht besteed aan de provinciale uitwerking van de Wet natuurbescherming.
B1.1.1 Bescherming planten- en diersoorten Bescherming op grond van de Wet natuurbescherming Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van planten- en diersoorten. De wet maakt onderscheid tussen drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Vogelrichtlijnsoorten Voor Vogelrichtlijnsoorten zijn de relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, opgenomen in artikel 3.1. Op grond van dit artikel is het verboden: Opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels te doden of te vangen. Opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Opzettelijk vogels te verstoren. Dit verbod is alleen van toepassing wanneer hierdoor een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding optreedt. Een ontheffing van de verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten kan worden verleend door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten hebben in de wet de bevoegdheid gekregen voor het verlenen van vrijstellen, opgenomen in provinciale verordeningen. Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (onder andere een belang: In het kader van volksgezondheid of openbare veiligheid.
In het kader van de veiligheid van het luchtverkeer. In het kader van bescherming van flora en fauna. Daarbij wordt tevens getoetst of de staat van instandhouding van de soort niet verslechtert. Nest- en rustplaatsen van vogels – jaarrond beschermde nesten Voor een aantal vogelsoorten geldt dat het nest ook buiten het broedseizoen beschermd is (Provincie |Limburg). Daarbij zijn vier categorieën vaste nesten te onderscheiden: 1. Categorie 1 zijn jaarrond gebruikte nesten. Deze soorten maken ook buiten het broedseizoen gebruik van de nestplaats
2.
3.
4.
Categorie 2 nesten zijn zeer plaatstrouwe broedvogels of soorten die afhankelijk zijn van bebouwing Deze soorten broeden elk broedseizoen op dezelfde plaats en zijn daarin zeer conservatief. De fysieke voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar Categorie 3 nesten zijn plaatstrouwe vogels die ieder jaar terugkeren naar specifiek nest omdat ze niet of nauwelijks in staat zijn om zelf een nest te bouwen. Deze soorten zijn niet in staat een geheel eigen nest te bouwen en maken gebruik van oude kraaiennesten of nesten waar zij eerder gebroed hebben. Of ze bouwen een nieuw nest op het oude nest van het voorgaande jaar en zijn extra kwetsbaar voor verstoring. Hier vallen ook roofvogels onder die zich sinds kort aan het vestigen zijn in de provincie waarvan de staat van instandhouding nog verre van gunstig van is. Categorie 4 zijn de nesten van plaatstrouwe vogels die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich elders te vestigen indien de nestplaats verloren gaat. Ze zijn dusdanig kwetsbaar dat de functionaliteit niet in het geding mag komen. Indien de omgeving van de bekende nestplaats vernietigd wordt moet worden bepaald of er voldoende functionaliteit behouden blijft.
Welke soorten tot een van de vier bovengenoemde categorieën behoren, is vastgelegd in een lijst met circa tachtig soorten. Zie ook tabel 7. Habitatrichtlijnsoorten De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor Habitatrichtlijnsoorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Dit artikel stelt een verbod op het: Opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IVonderdeel a van de Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn (zie bijlage 2). Opzettelijk verstoren van dieren van genoemde soorten. Opstellen vernielen of rapen van eieren van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van genoemde soorten. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV-onderdeel b van de Habitatrichtlijn, bijlage I van het Verdrag van Bern. Ook voor de verbodsbepalingen voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen.
Ontheffingen of vrijstellingen worden alleen verleend, wanneer is aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn en wanneer sprake is van (onder andere) een belang: In het kader van bescherming van flora en fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats. In het kader van volksgezondheid, openbare veiligheid of andere redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten Tot slot is een aantal planten- en diersoorten in de Wet natuurbescherming aangewezen als nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn alleen beschermd op grond van de Nederlandse wet en zijn niet genoemd in Europese richtlijnen of verdragen. Om welke soorten het gaat, is aangegeven in bijlage 2. De relevante verbodsbepalingen, in het kader van een verkennend flora- en faunaonderzoek, voor de nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de wet. Het is verboden: Opzettelijk in het wild levende dieren van de nationaal beschermde soorten te doden of te vangen.
Opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren van nationaal beschermde soorten te beschadigen of vernielen. Opzettelijk planten van de nationaal beschermde soorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen.
Wederom is Gedeputeerde Staten bevoegd ontheffing te verlenen van de verbodsbepalingen en kunnen Provinciale Staten bij verordening vrijstellingen verlenen. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor Habitatrichtlijnsoorten, waarbij de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling aanvullend ook verband kan houden met (onder andere): Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van een gebied en het daaropvolgend gebruik van het gebied. Bestendig beheer of onderhoud in landbouw en bosbouw. Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen of in het kader van natuurbeheer. Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een gebied. Algemeen belang. Daarbij wordt tevens getoetst of er afbreuk gedaan wordt aan het streven om de populaties binnen het natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Gedragscodes De verboden die in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 zijn neergelegd, zijn niet van toepassing wanneer wordt gehandeld volgens een door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen worden opgesteld voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toepassing van een goedgekeurde gedragscode waarborgt dat zorgvuldig wordt gehandeld.
Provinciale verordeningen Op grond van de Wet natuurbescherming hebben Provinciale Staten de bevoegdheid om in provinciale verordeningen algemene vrijstellingen te verlenen van de verbodsbepalingen genoemd in de wet. Van deze bevoegdheid hebben de verschillende provincies gebruik gemaakt. Dat betekent, dat de bescherming die soorten genieten, kan verschillen tussen provincies. De consequenties van de verordening van de provincie Limburg voor de bescherming van planten- en diersoorten zijn hieronder kort beschreven. De provincie Limburg heeft de Verordening natuurbescherming vastgesteld. In hoofdstuk 3 van deze verordening zijn vrijstellingen opgenomen voor beschermde soorten. Voor verschillende nationaal beschermde diersoorten (zie bijlage 3) verleent Provinciale Staten vrijstelling van het verbod op het vangen van dieren en het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen van dieren ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. Deze vrijstellingen gelden alleen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De verordening stelt daarnaast dat het opzettelijk verontrusten van overwinterende ganzen in door GS aangewezen ganzenrust- en foerageergebieden moet worden beschouwd als van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de ganzensoort.
B1.1.2 Bescherming natuurgebieden Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Deze gebieden vormen, samen met Natura 2000-gebieden in andere Europese landen, een samenhangend geheel van natuurgebieden voor behoud, ontwikkeling en herstel van de Europese biodiversiteit. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. De ecologische doelen (instandhoudingsdoelstellingen) die in deze gebieden worden nagestreefd, zijn vastgelegd in de Aanwijzingsbesluiten. In paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming zijn regels opgenomen voor de beoordeling van effecten van plannen, projecten en andere handelingen op Natura 2000-gebieden. Voor het realiseren van projecten of verrichten van andere handelingen – ongeacht of zij plaatsvinden binnen of buiten de begrenzing van Natura 2000-gebied – is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, wanneer zij de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen of de habitattypen van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De instandhoudingsdoelstellingen die voor het gebied zijn opgesteld zijn leidend bij de beoordeling van de effecten.
Gedeputeerde Staten van de provincie zijn bevoegd om een vergunning te verlenen voor projecten die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Bij vergunningaanvraag dient de initiatiefnemer een zogenaamde “passende beoordeling” in te dienen. Vergunning wordt verleend, wanneer uit deze passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het gebied met zekerheid niet worden aangetast óf wanneer, indien wel sprake is van aantasting van de natuurlijke kenmerken, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: Er zijn geen alternatieve oplossingen. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Er worden compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-gebied bewaard blijft. Voor het vaststellen van plannen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen geldt eveneens dat een passende beoordeling moet worden opgesteld. Vaststelling van het plan vindt pas plaats, wanneer is aangetoond dat geen aantasting plaatsvindt van de instandhoudingsdoelstellingen of wanneer wordt voldaan aan de hiervoor genoemde voorwaarden.
B1.1.3 Bescherming houtopstanden Tot slot regelt hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming de bescherming van houtopstanden. Het hoofdstuk ziet alleen toe op houtopstanden van minimaal 10 are of rijbeplantingen van meer dan twintig bomen, gelegen buiten de door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Houtopstanden op erven en in tuinen, fruitbomen, windschermen om boomgaarden, kerstbomen en kweekgoed en populieren- en wilgenopstanden langs (water)wegen en landbouwgronden en ten behoeve van biomassaproductie (onder voorwaarden) vallen niet onder de werking van de Wet natuurbescherming. Kap van (delen van) houtopstanden dient vooraf gemeld te worden bij Gedeputeerde Staten. De provincie stelt bij verordening eisen aan de manier waarop deze melding moet worden gedaan. De gevelde houtopstand moet binnen drie jaar na kap worden herplant op deze locatie. Ook aan de wijze van herplant kunnen provincies bij verordening eisen stellen. Tevens kunnen provincies vrijstelling verlenen van de herplantplicht. Daarnaast stellen gemeenten veelal aanvullende regels op ten aanzien van de kap van bomen (kapvergunningplicht). Deze regels betreffen meestal alleen de kap van bomen binnen de bebouwde kom en/of de kap van waardevolle of monumentale bomen.
B1.2 Provinciale gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) dat globaal is aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte, is op provinciaal niveau uitgewerkt en exact begrensd. Binnen de provincie Limburg is deze begrenzing uitgewerkt in kaartbank Limburg. Het ruimtelijk beleid voor het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is erop gericht de wezenlijke kenmerken van de gebieden te ontwikkelen, herstellen en behouden. Derhalve is voor het NNN het ‘nee, tenzij'-regime ingevoerd. Volgens dit regime dient allereerst vastgesteld te worden of de geplande ingreep significant negatieve effecten heeft op de in het NNN-gebied aanwezige wezenlijke kenmerken en waarden. Wanneer dit zo is, geldt in principe dat de ingreep geen doorgang kan vinden. Uitzondering geldt alleen voor ingrepen waarbij sprake is van groot openbaar belang en waarbij geen alternatieven voor de plannen beschikbaar zijn. In dat geval dient compensatie van de aangetaste waarden plaats te vinden (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit et al., 2007).
B2 BESCHERMDE SOORTEN Naast de bescherming van Vogelrichtlijnsoorten, bevat de Wet natuurbescherming verbodsbepalingen voor de soorten opgenomen in Bijlage IV onderdeel a en b van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het verdrag van Bonn. De betreffende soorten zijn in de onderstaande tabel opgenomen. De nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in de tweede tabel in deze bijlage. Tabel 5. Soorten Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii
Baardvleermuis
Myotis mystacinus
Spitsdolfijn van Gray
Mesoplodon grayi
Bechsteins vleermuis
Myotis bechsteini
Tuimelaar
Tursiops truncatus
Bever
Castor fiber
Tweekleurige vleermuis
Vespertilio murinus
Bosvleermuis
Nyctalus leisleri
Vale vleermuis
Myotis myotis
Brandts vleermuis
Myotis brandti
Watervleermuis
Myotis daubentoni
Bruinvis
Phocoena phocoena
Walrus
Odobenus rosmarus
Bultrug
Megaptera novaeangliae
Witflankdolfijn
Lagenorhynchus acutus
Butskop
Hyperoodon ampullatus
Witsnuitdolfijn
Lagenorhynchus albirostris
Dwergpotvis
Kogia breviceps
Witte dolfijn
Delphinapterus leucas
Dwergvinvis
Balaenoptera acutorostrata
Wolf
Canis lupus
Franjestaart
Myotis nattereri
Amfibieën
Gestreepte dolfijn
Stenella coeruleoalba
Boomkikker
Hyla arborea
Gewone dolfijn
Delphinus delphis
Geelbuikvuurpad
Bombina variegata
Gewone dwergvleermuis
Pipistrellus pipistrellus
Heikikker
Rana arvalis
Gewone grootoorvleermuis
Pletocus auritus
Kamsalamander
Triturus cristatus
Grijze grootoorvleermuis
Plecotus austriacus
Knoflookpad
Pelobates fuscus
Grote hoefijzerneus
Rhinolophus ferrumequinum
Poelkikker
Rana lessonae
Grote rosse vleermuis
Nyctalus lasiopterus
Rugstreeppad
Bufo calamita
Gewone spitsdolfijn
Mesoplodon bidens
Vroedmeesterpad
Alytes obstetricans
Gewone vinvis
Balaenoptera physalus
Reptielen
Griend
Globicephala melas
Dikkopschildpad
Caretta caretta
Grijze dolfijn
Grampus griseus
Gladde slang
Coronella austriaca
Hamster
Cricetus crisetus
zeeschildpad
Lepidochelys
Hazelmuis
Muscardinus
Lederschildpad
Dermochelys coriacea
Ingekorven vleermuis
Myotis emarginatus
Muurhagedis
Podarcis muralis
Kleine hoefijzerneus
Rhinolophus hipposideros
Soepschildpad
Chelonia mydas
Kleine zwaardwalvis
Pseudorca crassidens
Zandhagedis
Lacerta agilis
Laatvlieger
Eptesicus serotinus
Vissen
Lynx
Lynx lynx
Houting
Coregonus oxyrinchus
Meervleermuis
Myotis dasycneme
Steur
Acipenser sturio
Mopsvleermuis
Barbastella barbastellus
Dagvlinders
Narwal
Monodon monoceros
Apollovlinder
Parnassius apollo
Noordse vleermuis
Eptesicus nilssoni
Boszandoog
Lopinga achine
Noordse woelmuis
Microtus oeconomus
Donker pimpernelblauwtje
Phengaris nausithous
Noordse vinvis
Balaenoptera borealis
Grote vuurvlinder
Lycaena dispar
Orca
Orcinus orca
Moerasparelmoervlinder
Euphydryas aurinia
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Otter
Lutra lutra
Pimpernelblauwtje
Phengaris teleius
Potvis
Physeter catodon
Tijmblauwtje
Maculinea arion
Rosse vleermuis
Nyctalus noctula
Zilverstreephooibeestje
Coenonympha hero
Bronslibel
Oxygastra curtisii
Drijvende waterweegbree
Luronium natans
Gaffellibel
Ophiogomphus cecilia
Geel schorpioenmos
Hamatocaulis vernicosus
Gevlekte witsnuitlibel
Leucorrhinia pectoralis
Groenknolorchis
Liparis loeselli
Groene glazenmaker
Aeshna viridis
Kleine vlotvaren
Salvinia natans
Mercuurwaterjuffer
Coenagrion mercuriale
Kruipend moerasscherm
Apium repens
Noordse winterjuffer
Sympecma annulata
Liggende raket
Sisymbrium supinum
Oostelijke witsnuitlibel
Leucorrhinia albifrons
Tonghaarmuts
Orthotrichum rogeri
Sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
Zomerschroeforchis
Spiranthes aestivalis
Rivierrombout
Gomphus flavipes
Overige soorten
Libellen
Planten
Kevers
Bataafse stroommossel
Unio crassus
Brede geelrandwaterroofkever
Dytuscus latissimus
Oeveraas
Palingenia longicauda
Gestreepte waterroofkever
Graphoderus bilineatus
Platte schijfhoren
Anisus vorticulus
Juchtleerkever
Osmoderma eremita
Teunisbloempijlstaart
Proserpinus proserpina
Vermiljoenkever
Cucujus cinnaberinus
Tabel 6. Andere soorten. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Zoogdieren
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Woelrat
Arvicola amphibius
Aardmuis
Microtus agrestis
Amfibieën
Boommarter
Martes martes
Alpenwatersalamander
Triturus alpestris
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Bruine kikker
Rana temporaria
Bunzing
Mustela putorius
Gewone pad
Bufo bufo
Damhert
Dama dama
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Das
Meles meles
Meerkikker
Rana ridibunda
Dwergmuis
Micromys minutus
Middelste groene kikker
Rana klepton esculentus
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
Vinpootsalamander
Lissotriton helveticus
Edelhert
Cervus elaphus
Vuursalamander
Salamandra salamandra
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Reptielen
Egel
Erinaceus europaeus
Adder
Vipera berus
Eikelmuis
Eliomys quercinus
Hazelworm
Anguis fragilis
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
Gewone zeehond
Phoca vitulina
Ringslang
Natrix natrix
Grote bosmuis
Apodemus flavicollis
Vissen
Grijze zeehond
Halichoerus grypus
Beekdonderpad
Cottus rhenanus
Haas
Lepus eauropaeus
Beekprik
Lampetra planeri
Hermelijn
Mustela erminea
Elrits
Phoxinus phoxinus
Huisspitsmuis
Crocidura russula
Gestippelde alver
Alburnoides bipunctatus
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Grote modderkruiper
Misgurus fossilis
Molmuis
Arvicola scherman
Kwabaal
Lota lota
Ondergrondse woelmuis
Microtus subterraneus
Dagvlinders
Ree
Capreolus capreolus
Aardbeivlinder
Pyrgus malvae
Rosse woelmuis
Myodes glareolus
Bosparelmoervlinder
Melitaea athalia
Steenmarter
Martes foina
Bruin dikkopje
Erynnis tages
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Bruine eikenpage
Satyrium ilicis
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Veldmuis
Microtus arvalis
Donker pimpernelblauwtje
Phengaris nausithous
Veldspitsmuis
Crocidura leucodon
Duinparelmoervlinder
Argynnis niobe
Vos
Vulpes vulpes
Gentiaanblauwtje
Phengaris alcon
Waterspitsmuis
Neomys fodiens
Grote parelmoervlinder
Argynnis aglaja
Wezel
Mustela nivalis
Grote vos
Nymphalis polychloris
Wild zwijn
Sus scrofa
Grote vuurvlinder
Lycaena dispar
Grote weerschijnvlinder
Apatura iris
Groensteel
Asplenium viride
Iepenpage
Satyrium w-album
Groot spiegelklokje
Legousia speculum-veneris
Kleine heivlinder
Hipparchia statilinus
Grote bosaardbei
Fragaria moschata
Kleine ijsvogelvlinder
Limenitis camilla
Grote leeuwenklauw
Aphanes arvensis
Kommavlinder
Hesperia comma
Honingorchis
Herminium monorchis
Pimpernelblauwtje
Phengaris teleius
Kalkboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Sleedoornpage
Thecla betulea
Kalketrip
Centaurea calcitrapa
Spiegeldikkopje
Heteropterus morpheus
Karthuizer anjer
Dianthus carthusianorum
Veenbesblauwtje
Plebejus optilete
Karwijselie
Selinum carvifolia
Veenbesparelmoervlinder
Boloria aquilonaris
Kleine ereprijs
Veronica verna
Zilveren maan
Boloria selene
Kleine schorseneer
Scorzonera humilis
Kleine wolfsmelk
Euphorbia exigua
Beekrombout
Gomphus vulgatissimus
Kluwenklokje
Campanula glomerata
Bosbeekjuffer
Calopteryx virgo
Knollathyrus
Lathyrus linifolius
Donkere waterjuffer
Coenagrion armatum
Knolspirea
Filipendula vulgaris
Gevlekte glanslibel
Somatochlora flavomaculata
Korensla
Arnoseris minima
Gewone bronlibel
Cordulegaster boltonii
Kranskarwij
Carum verticillatum
Hoogveenglanslibel
Somatochlora arctica
Kruiptijm
Thymus serphyllum
Kempische heidelibel
Sympetrum depressiusculum
Lange zonnedauw
Drosera anglica
Speerwaterjuffer
Coenagrion hastulatum
Liggende ereprijs
Veronica prostrata
Moerasgamander
Teucrium scordium
Muurbloem
Erysimum cheiri
Naakte lathyrus
Lathyrus aphaca
Libellen
Kevers Vliegend hert
Lucanus cervus
Planten Akkerboterbloem
Ranunculus arvensis
Naaldenkervel
Scanix pecten-veneris
Akkerdoornzaad
Torilis arvensis
Pijlscheefkelk
Arabis hirsuta
Akkerogentroost
Odentites vernus
Roggelelie
Lilium bulbiferum
Beklierde ogentroost
Euphrasia officinalis
Rood peperboompje
Daphne mezereum
Berggamader
Teucrium montanum
Rozenkransje
Antennaria dioica
Bergnachtorchis
Platanthera montana
Ruw parelzaad
Lithospermum arvense
Blaasvaren
Cystopteris fragilis
Scherpkruid
Asperugo procumbens
Blauw guichelheil
Anagallis arvensis
Schubvaren
Asplenium ceterach
Bokkenorchis
Himantoglossum hircinum
Schubzegge
Carex lepidocarpa
Bosboterbloem
Ranunculus polyanthemos
Smalle raai
Galeopsis angustifolia
Bosdravik
Bromopsis ramosa
Spits havikskruid
Hieracium lactucella
Brave hendrik
Chenopodium bonus-henricus
Steenbraam
Rubus saxatilis
Brede wolfsmelk
Euphorbia platyphyllos
Stijve wolfsmelk
Euphorbia stricta
Breed wollegras
Eriophorum latifolium
Stofzaad
Monotropa hypopitys
Bruinrode wespenorchis
Epipactis atrorubens
Tengere distel
Carduus tenuiflorus
Dennenorchis
Goodyera repens
Tengere veldmuur
Minuartia hybrida
Dreps
Bromus secalinus
Trosgamander
Teucrium botrys
Echte gamander
Teucrium chamaedrys
Veenbloembies
Scheuchzeria palustris
Franjegentiaan
Gentianopsis ciliata
Vliegenorchis
Ophrys insectifera
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Geelgroene wespenorchis
Epipactis muelleri
Vroege ereprijs
Veronica praecox
Geplooide vrouwenmantel
Alchemilla subcrenata
Wilde averuit
Artemisia campestris
Getande veldsla
Valerianella dentata
Wilde ridderspoor
Consolida regalis
Gevlekt zonneroosje
Tuberaria guttata
Wilde weit
Melampyrum arvense
Glad biggenkruid
Hypochaeris glabra
Wolfskers
Atropa belladonna
Gladde zegge
Carex laevigata
Zandwolfsmelk
Euphorbia seguieriana
Groene nachtorchis
Dactylorhiza viridis
Zinkviooltje
Viola lutea calaminaria
Zweedse kornoelje
Cornus suecica
Overige soorten Europese rivierkreeft
Astacus astacus
Tabel 7. Jaarrond beschermde vogelnesten Limburg. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Categorie vaste nesten
Boerenzwaluw
Hirundo rustica
2
Boomvalk
Falco subbuteo
3
Bosuil
Strix aluco
2
Gierzwaluw
Apus apus
2
Grote gele kwikstaart
Motacilla cinerea
2
Havik
Accipiter gentilis
3
Huismus
Psser domesticus
2
Huiszwaluw
Delichon urbicum
2
Kerkuil
Tyto alba
1
Oehoe
Bubo bubo
1
Ooievaar
Ciconia ciconia
2
Ransuil
Asio otis
3
Raaf
Corvus corax
3
Rode wouw
Milvus milvus
3
Roek
Corvus frugilegus
1
Slechtvalk
Falco peregrinus
2
Steenuil
Athene noctua
1
Torenvalk
Falco tinnunculus
3
Wespendief
Pernis apivorus
3
Zwarte wouw
Milvus migrans
3
Blauwe reiger
Ardea cinerea
4
Buizerd
Buteo buteo
4
Draaihals
Jynx torquilla
4
IJsvogel
Alceto atthis
4
Oeverzwaluw
Riparia riparia
4
Sperwer
Accipiter nisus
4
Zwarte specht
Dryocopus martius
4
Grauwe klauwier
Lanius collurio
4
Grutto
Limosa limosa
4
Kramsvogel
Turdus pilaris
4
Kwartelkoning
Crex crex
4
Paapje
Saxicola rubetra
4
Roerdomp
Botaurus stellaris
4
Visdief
Sterna hirundo
4
Zomertortel
Streptopelia turtur
4
Bijeneter
Merops apiaster
4
Wulp
Numenius arquata
4
Spotvogel
Hippolais icterina
4
Ringmus
Passer montanus
4
B3 PROVINCIALE VRIJSTELLING Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud heeft de provincie Limburg een vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de onderstaande tabel. Tabel 8. Vrijgestelde soorten binnen de provincie Limburg Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Periode vrijstelling
Aardmuis
Microtus agrestis
Gehele jaar
Bosmuis
Apodemus sylvaticus
Gehele jaar
Bunzing
Mustela putorius
Gehele jaar
Dwergmuis
Micromys minutus
Gehele jaar
Dwergspitsmuis
Sorex minutus
Gehele jaar
Eekhoorn
Sciurus vulgaris
Maart-april en juli t/m november
Egel
Erinaceus europaeus
Gehele jaar
Gewone bosspitsmuis
Sorex araneus
Gehele jaar
Haas
Lepus eauropaeus
Gehele jaar
Hermelijn
Mustela erminea
Gehele jaar
Huisspitsmuis
Crocidura russula
Gehele jaar
Konijn
Oryctolagus cuniculus
Gehele jaar
Ondergrondse woelmuis
Microtus subterraneus
Gehele jaar
Ree
Capreolus capreolus
Gehele jaar
Rosse woelmuis
Myodes glareolus
Gehele jaar
Steenmarter
Martes foina
15 augustus t/m februari
Tweekleurige bosspitsmuis
Sorex coronatus
Gehele jaar
Veldmuis
Microtus arvalis
Gehele jaar
Vos
Vulpes vulpes
Gehele jaar
Wezel
Mustela nivalis
Gehele jaar
Woelrat
Arvicola amphibius
Gehele jaar
Bruine kikker
Rana temporaria
Gehele jaar
Gewone pad
Bufo bufo
Gehele jaar
Kleine watersalamander
Lissotriton vulgaris
Gehele jaar
Meerkikker
Rana ridibunda
Gehele jaar
Middelste groene kikker
Rana esculenta
Gehele jaar
Hazelworm
Anguis fragilis
Juli, augustus en september
Levendbarende hagedis
Zootoca vivipara
15 augustus t/m 15 oktober
Zoogdieren
Amfibieën
Reptielen
B4 DIJKVERSTERKING ARCEN GEKOZEN ALTERNATIEVEN
\
B5 KAARTEN RUIMTEBESLAG DIJKTRACÉ