080 Bijl08 BP toelichting_Bijlage 7 Verkennend booronderzoek archeologie.pdf
Tekst van het document
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 27 van 70 boring
laag 1: Ap
laag 2: B(w)
1-2
x
x
3
x
4
x
5
x
6-7
x
8-9
x
10-12
x
13
x
14
x
15
x
16-17
x
18
x
laag 3: AC
laag 5: X
laag 4: C
laag 6: C
x
x
x
x
x
x
x
x x x
x x
x x
x x x
x
x
x x
x
x x
19 x x Tabel 4. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 1-19.
x x
4.4.2 Boringen 20 tot en met 44 Deze reeks boringen is samen genomen, omdat deze door een lage terrasvlakte en Maasgeul uit de Jonge Dryas (12.850-11.650 jaar geleden) snijden (Figuur 10 en Tabel 5). Boringen 20 tot en met 22 bestaan uit een 10 tot 20 centimeter dikke humeuze bovengrond van donkerbruin, matig humeus, sterk siltig zand (laag 1). Hieronder bevindt zich een laag van hetzelfde sediment als de hiervoor genoemde laag, welke hier bruinrood is en weinig tot geen humus bevat (laag 2). Deze laag van 50 (boring 20) tot 75 (boring 22) centimeter dikte gaat over in lichtgrijs, matig grof, uiterst siltig zand dat slecht gesorteerd is (laag 3). In boringen 20 en 21 heeft deze laag een dikte van circa 30 centimeter, waarna zij overgaat in lichtgrijs, uiterst grof, zwak siltig zand, dat slecht gesorteerd is (laag 4). In boring 22 gaat deze laag op een diepte van 140 centimeter onder maaiveld over in een laag welke bestaat uit lichtgrijs blauw, uiterst siltig zand (laag 5). In boringen 23 en 24 is een vergelijkbare bodemopbouw aangetroffen als in 20 en 21, alleen is hier de laag 2 licht humeus, en laag 3 hieronder sterk humeus. De volgende reeks boringen (26 tot en met 44) is grotendeels vergelijkbaar met boring 20-22.
Hier is een humeuze bovengrond van 10 tot 30 centimeter dikte aanwezig, die bestaat uit (donker)bruingrijs, matig tot sterk humeus, zwak tot sterk siltig zand (laag 1). Hieronder bevindt zich een laag, variërend in dikte van 40 tot 80 centimeter, bestaande uit (donker)bruinrood, matig tot sterk siltig zand (laag 2). Dit gaat over in een laag van lichtgrijs, zwak tot matig siltig zand (laag 4). Boring 44 wijkt enigszins af; hier is de humeuze bovengrond (laag 1) 50 centimeter dik en de onderliggende laag (laag 2) 30 centimeter dik. Boringen 35 en 41 zijn verstoord en stuiten respectievelijk op 60 en 100 centimeter op een ondoordringbare laag (laag 6). Ook boring 42 wijkt af; hier is de tweede bruinrode laag (laag 2) afwezig en gaat de 20 centimeter dikke humeuze bovengrond (laag 1) direct over in de lichtgrijze laag (laag 4). Boring 25 is afwijkend en wordt gekenmerkt door een dunne (10 centimeter) humeuze bovengrond (laag 1), bestaande uit donkerbruingrijs, sterk humeus, sterk siltig zand. Hieronder bevindt zich een lichtbruin rode laag van sterk siltig zand (laag 2) met een dikte van 75 centimeter. Dit gaat over een geheel gereduceerde, lichtgrijs, zwak siltig, matig grof zand (laag 4) van circa 15 centimeter dik. Hieronder zit een 10 centimeter dikke laag zwart, mineraalarm veen, welke lithogenetisch tot verlandingsafzettingen (restgeul) gerekend wordt (laag 7).
De laatst geregistreerde laag in deze boring bevindt zich op een diepte van 110 centimeter onder maaiveld en bestaat uit een C-horizont met kenmerken van ontijzering (laag 4). Hier bestaat het sediment uit lichtgrijs, uiterst grof, zwak siltig zand dat slecht gesorteerd en niet afgerond is. Lithogenetisch behoren deze tot beddingafzettingen.
Deze reeks boringen heeft een A-Bw-C profiel en kan op basis van de lithologische kenmerken, in combinatie met de hoogteligging geïnterpreteerd worden als een lager gelegen zone waar fluviatiele afzettingen zijn vastgesteld. Specifiek komt dit overeen met de zone die op de Geomorfogenetisch kaart van het Maasdal is aangegeven als lage Dryas terrasvlakte. In drie boringen (23-25) is waarschijnlijk een restgeul aangeboord, www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 28 van 70 gezien de aanwezigheid van humeus sterk siltig zand en veen. Op basis van de locatie betreft dit mogelijk de iets verderop verwachte Dryas terrasgeul, maar dit is zonder datering niet met zekerheid te zeggen. De overgang van het in de vorige paragraaf besproken hogergelegen interstadiale terras naar deze laagte uit het Dryas, alsook de ligging van de (rest)geul, is duidelijk zichtbaar in het op basis van deze boringen gegenereerde profiel (Figuur 11).
boring
laag 1: Ap
laag 2: Bw
laag 3: C
laag 4: C
20-21
x
x
x
x
22
x
x
x
23-24
x
x
x
laag 7: C
laag 6: X
x x
25
x
x
26-27
x
x
x
x
28-29
x
x
x
31-32
x
x
x
33
x
x
34
x
x
35
x
36
x
x
37
x
x
38
x
41
x
42
x
43
x
x
laag 5: C
x x
x x x
x
x x x x
x x
x
44 x x x Tabel 5. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 20-44. Boringen 30, 39 en 40 zijn niet uitgevoerd.
4.4.3 Boringen 45 tot en met 69 Deze reeks boringen is samen genomen, omdat zij op een interstadiaal terras zijn gezet Figuur 10 en Tabel 6). De meeste van deze boringen (45-49, 51-59, 61-68) hebben een zeer homogene opbouw. De humeuze bovengrond bestaat uit (donker)bruingrijs, matig humeus, matig fijn, matig tot sterk siltig zand, dat matig goed gesorteerd en niet afgerond is (laag 1). Dit pakket is 20 tot 40 centimeter dik en gaat over in een laag van 30 tot 80 centimeter dikte. Deze bestaat uit bruinrood, matig tot sterk siltig zand (laag 2). Hieronder bevindt zich in boringen 46, 48, 49, 51, 53, 54, 56, 57, 65 en 66 een laag gekenmerkt door lichtbruin, matig siltig zand (laag 3). De laatst aangeboorde laag bestaat uit oranje tot witgrijs zwak tot matig siltig zand met ijzervlekken, dat matig fijn tot matig grof is (laag 4). De sedimenten in laag 4 vertonen een fining upwards sequentie en worden naarmate dieper geboord wordt lichter van kleur.
In boringen 45, 47, 52, 55, 58-64, 67 en 68 is bodemkundig sprake van een A-Bw-C profiel. Boringen 46, 48, 49, 51, 53, 54, 56, 57, 65 en 66 hebben een A-Bw-BC-C profiel. Alle aangetroffen sedimenten hebben op basis van hun lithologische kenmerken en locatie een fluviatiele genese. De conform de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal hier verwachte aanwezigheid van een interstadiaal terras lijkt dan ook bevestigd te worden door de boringen. Boringen 50, 60 en 69 wijken af van het hierboven geschetste patroon. In boringen 50 en 69 zijn laag 1 en laag 4 vergelijkbaar, maar hier zijn geen tussenliggende lagen aanwezig. Boring 60 bestaat tot een diepte van 65 centimeter uit geroerde grond, welke uit bruingrijs, zwak humeus, sterk siltig zand bestaat (laag 1). Deze laag bevat enkele kleine fragmenten puin en leisteen. Op een diepte van 65 centimeter stuit deze boring op een ondoordringbare laag, waaruit met schrapen enkele kleine fragmenten lei en ijzeroer opgeboord zijn.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 29 van 70 boring
laag 1: Ap
laag 2: Bw
45
x
x
46
x
x
laag 3: BC
laag 4: C x
x
47
x
x
48-49
x
x
x
50
x
51
x
x
x
52
x
x
53-54
x
x
55
x
x
56-57
x
x
58-59
x
x
x x x x
60
x (gestuit)
61-64
x
x
65-66
x
x
67-68
x
x
x x
x
x x
x
x x x
x
69 x Tabel 6. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 45-69.
x x x
4.4.4 Boringen 70, 71 en 72 Deze boringen zijn samen genomen, omdat deze ter hoogte van de, al dan niet antropogeen ontstane, monding van de Lingsforterbeek in de Maas zijn gelegen (Figuur 10). Boring 70 bestaat vanaf maaiveld uit een humeuze bovengrond van donkergrijze, sterk humeuze, sterk siltige klei, welke een stevige consistentie heeft en kalkloos is. Dit gaat op 60 centimeter diepte over in een bruingrijze, vergelijkbare kleilaag, maar zonder humusaanreiking. Op 140 centimeter diepte gaat deze laag over in lichtbruine, matig zandige klei. De andere twee boringen bestaan aan het maaiveld uit een laag mineraalarm veen, dat donkerbruin en veraard is. Hieronder bevindt zich een kleilaag die in boring 71 donkergrijs, matig humeus, matig zandig, kalkloos en 30 centimeter dik is. In boring 72 is deze laag donkergrijs, zwak humeus, sterk siltig, kalkloos en 25 centimeter dik. Hieronder bevindt zich in deze boringen een laag van geel, zwak siltig, zand, dat zeer grof, matig goed gesorteerd en niet afgerond is.
In deze boringen is bodemkundig gezien een A(b)-C profiel vastgesteld, waarbij de A-horizont hier uit klei of veen bestaat in tegenstelling tot de rest van het plangebied, waar zand aanwezig is. Onder het veen is een kleilaag aanwezig welke als vegetatiehorizont is geïnterpreteerd. Onder deze kleiige laag bevindt zich een zandige C-horizont die vergelijkbaar is met de C-horizonten zoals in andere boringen aangetroffen. De hier besproken boringen liggen beduidend lager ten opzichte van maaiveld dan de omliggende boringen, namelijk zo’n 2,80 meter. De in aangetroffen kleiafzettingen en veengroei zijn vrijwel zeker onder invloed van de aanwezige beek afgezet (klei) of ontstaan (veen). Gezien de dikte van de aangetroffen afzettingen bestaat het vermoeden dat de nu hier gelegen bedding van de Lingsforterbeek een (oude) natuurlijke voorloper volgt.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 30 van 70 A’
A
Figuur 11. Profiel 1, van boringen 1 tot en met 14 en 19 tot en met 45 (met uitzondering van niet uitgevoerde boringen), met beschrijvingen van de grondsoort met bijmengsel, humusgehalte en lithogenese (zie Figuur 9 voor de ligging van het profiel).
Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 31 van 70 4.4.5 Boringen 73 tot en met 98 Deze reeks boringen is samengenomen gezien deze allen op een hogergelegen Jong Dryasterras zijn gelegen (Figuur 10 en Tabel 7). De humeuze bovengrond bestaat hier uit bruingrijs, matig humeus, zwak tot sterk siltig zand en is over het algemeen 30 tot 40 centimeter dik (laag 1). In een groot gedeelte van de boringen (74, 86, 78, 86, 91-93, 9598) is direct hieronder sprake van een laag die over het algemeen bestaat uit bruingrijs, matig siltig zand dat matig fijn tot matig grof is, en naar beneden toe lichter van kleur wordt (laag 2). In boringen 75, 76, 86, 93, 95 en 97 is laag 2 vergelijkbaar, maar zijn in (delen van) deze laag grindige bijmengingen gevonden. Enkele boringen zijn afwijkend. In enkele boringen is een dunner humeus dek van 10 tot 20 (boringen 73, 75, 78) of dikker dek van 60 tot 65 (boring 95 en 98) centimeter aanwezig (laag 1). In boringen 73, 75 en 79 is tussen laag 1 en 2 een laag aangetroffen van 30 tot 70 centimeter dikte, en deze bestaat uit bruinrood, matig tot sterk siltig zand (laag 3). In boringen 73 en 75 is onder laag 3 nog een laag aanwezig van circa 20 centimeter dikte, bestaande uit lichtbruinrood/oranje, matig siltig zand (laag 4).
In het grootste gedeelte van de boringen is bodemkundig sprake van een A-C profiel. In de afwijkende boringen 73, 75 en 79 zijn een A-Bw-C profiel of A-Bw-BC-C profiel aangetroffen. Alle aangetroffen sedimenten hebben op basis van hun lithologische kenmerken en locatie een fluviatiele genese, wat overeenkomt met de verwachting dat deze op een Dryasterras gelegen zijn. Ook de aanwezigheid van een variërende korrelgrootte en grindjes past binnen dit beeld. Een (dikke) B-horizont met verweringskenmerken is in deze zone vrijwel niet aangetroffen, met uitzondering van enkele boringen. Boringen 94 en 98 wijken volledig af van de hiervoor besproken boringen. In deze boringen is sprake van een donkergrijs bruine humeuze bovengrond (A-horizont) van matig siltig zand met puin, welke op een diepte van circa 60-65 centimeter stuit op ondoordringbaar puin. boring
laag 1: Ap
laag 3: Bw
laag 4: BC
laag 2: C
73
x
x
x
x
74
x
75
x
x
x
76-78
x
79
x
x x x x
x
80-98 x x Tabel 7. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 73-98. De boringen 77, 79-85, 87-90 en 96 zijn niet uitgevoerd.
4.4.6 Boringen 100 tot en met 127 Deze reeks boringen is samengenomen omdat deze allen op een hogergelegen Jong Dryasterras met oeverdek zijn gelegen, binnen de kern van Arcen (Figuur 12 en Tabel 8). De groep boringen is gezet in de tuinen achter de huizen aan de Maasstraat te Arcen. De boringen worden gekenmerkt door een 40 tot 120 centimeter dikke, humeuze toplaag van donkerbruingrijs, matig siltig zand dat matig fijn en vaak matig grindig is (laag 1). Dit gaat geleidelijk over in een lichtbruine laag van een vergelijkbaar sediment en bijmenging, maar zonder de humusaanreiking (laag 2). Naarmate deze laag dieper gevolgd wordt, wordt het opgeboorde sediment bruingeel tot geel, minder siltig en grover van mediaanklasse. In een reeks boringen (104-106, 108, 118, 123 en 124) is een vergelijkbare humeuze bovengrond als hierboven beschreven aanwezig, met een dikte van 30 tot 60 centimeter dikte (laag 1). Hieronder bevindt zich een verrommelde laag zand met een dikte van circa 30 tot 100 centimeter (laag 3). Onder deze verrommelde laag bevindt zich lichtbruin matig siltig zand dat matig fijn is (laag 2). Boringen 101, 113, 118 en 126 zijn dieper doorgezet om de onderkant van het oeverdek vast te stellen.
Hier is op 120 tot 130 centimeter onder maaiveld een geleidelijke overgang naar (licht) bruingrijs, zwak tot sterk siltig zand, dat matig fijn tot matig grof en goed gesorteerd is (laag 4).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 32 van 70
Figuur 12. Indeling van de paragrafen waarin de in het midden gelegen boringen besproken worden, ingedeeld op basis van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal (achtergrond: BRT Achtergrondkaart).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 33 van 70 Binnen deze groep komen zijn boringen aangetroffen met een AC-profiel (102, 103, 107, 109-117, 120-122, 125 en 126) en een AXC-profiel (104-106, 108, 118, 123 en 124). In deze boringen is een A-horizont van gemiddeld 40 tot 80 centimeter (laag 1). Daarnaast zijn er enkele uitschieters naar boven (90-120 centimeter) en beneden (10-30 centimeter). De dikte van het als A-horizont geïdentificeerde pakket hangt hier in sterke mate af van de onderliggende laag, er is namelijk ofwel een dikkere relatief homogene A-horizont aanwezig, ofwel een relatief dunne A-horizont met een verstoorde laag (laag 3) eronder. In gehele reeks boringen is voor het overgrote deel sprake van ophoging ten behoeve van de egalisatie van de tuinen. Binnen deze reeks boringen wordt op het Dryas-terras een oeverdek verwacht (laag 4), daarom zijn conform het boorplan enkele boringen doorgezet tot onder het oeverdek. In boringen 101, 113, 118 en 126 is de onderkant van het oeverdek vastgesteld op 120 tot 130 centimeter onder maaiveld. Hieronder zijn geulafzettingen aanwezig, bestaande uit (licht) bruingrijs, zwak tot sterk siltig zand, dat matig fijn tot matig grof en goed gesorteerd is (laag 2). Eén boring binnen deze reeks is tot op heden niet besproken en wijkt dan ook af van het hier bovenstaande.
Hier bestaat de bovengrond uit donkerbruingrijs zwak humeus matig siltig zand, dat matig fijn en matig grindig is. Deze laag is als A-horizont geïnterpreteerd. Hieronder bevindt op 40 centimeter diepte een laag bruin, zwak siltig zand dat matig fijn en zwak grindig is, deze is geïnterpreteerd als ophogingslaag. Op circa 60 centimeter is de boring gestuit op ondoordringbaar puin. Deze boring is daarom nog twee keer op circa 50 centimeter rondom het oorspronkelijke boorgat uitgevoerd, ook deze boringen stuiten op circa 60 centimeter onder maaiveld op een ondoordringbare laag. Het is mogelijk dat deze laag samenhangt met (de puinresten van) de voormalige vesting-/kademuur van Arcen. Dit zou afwijkend zijn van het verwachte verloop van deze muur zoals opgesteld in het bureauonderzoek. 15
boring
laag 1: Ap
laag 3: X
laag 4: C
100
x (gestuit)
?
101
x
102-103
x
104-106
x
107
x
108
x
109-112
x
x
laag 2: C/onderkant oeverdek
?
?
x
x
x x
x x
x
x
113
x
x
114-117
x
x
118
x
119-122
x
x
x
123-124
x
125
x
x
126
x
x
x x
x x
x x
127 x x Tabel 8. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 100-127. Boring 119 is niet uitgevoerd.
4.4.7 Boringen 128-133, 165, 169, 193 tot en met 213, 250 en 251 Deze reeks boringen is samengenomen omdat deze allen op een hogergelegen Jong Dryasterras met oeverdek zijn gelegen in het buitengebied van Arcen (Figuur 12, Figuur 13 en Tabel 9). De meeste van deze boringen hebben een zeer homogene opbouw. De humeuze bovengrond bestaat uit bruin tot bruin grijs, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand (laag 1). Dit pakket is 20 tot 30 centimeter dik en gaat over in een laag van 30 tot 95 centimeter dikte. Deze bestaat uit bruinrood tot bruingrijs, zwak humeus, grijs, zwak tot matig siltig zand (laag 2). De laatst aangeboorde laag bestaat uit bruingeel tot grijsgeel zwak tot matig siltig zand, dat matig fijn tot matig grof is (laag 4). In dit sediment is sprake van een fining upwards sequentie. In de meeste boringen (128, 133, 193-200, 203-206, 213, 250 en 251) is een vergelijkbare zandige laag op een diepte van circa 80 tot 160 centimeter onder maaiveld aangetroffen, maar hierin zijn ook grindjes waargenomen (laag 5). In boringen 128,
15
Sommers e.a. 2022, 28.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 34 van 70 193, 195-200, 203-205 en 250 is tussen laag 2 en 4 nog een laag aanwezig van bruingele, niet tot matig humeuze, sterk zandige, stevige klei of sterk kleiig zand van 20 tot 55 centimeter dikte (laag 3). Bodemkundig gezien is er in deze boringen sprake van een A-Bw-C profiel. De A-horizont (laag 1) is over het algemeen 20 tot 30 centimeter dik, met een enkele uitschieter naar 50 tot 60 centimeter (boring 213 en 251). De Bw-horizont (laag 2) heeft een dikte variërend tussen de 30 en 95 centimeter. Deze boringen zijn gezet op een locatie waar een Dryasterras met oeverdek verwacht wordt. Het oeverdek (laag 4) kon in de boringen onderscheiden worden van het oudere Dryasterras (laag 5), doordat er in een redelijk snelle overgang grindjes in het dieper gelegen sediment waargenomen zijn, terwijl het sediment zelf slechter gesorteerd is. In de top van het oeverdek is lokaal een humeuze kleiige laag vastgesteld (laag 3). Deze afzettingen maken waarschijnlijk deel uit van het oeverdek. Dit dek heeft binnen deze reeks boringen een dikte van 120 tot 160 centimeter. Daarnaast zijn er enkele afwijkingen op bovenstaande geconstateerd. Boring 128 bestaat uit een opeenvolging van verschillende lagen van zwak siltig zand.
De eerste laag is bruin, matig humeus en 30 centimeter dik, de tweede laag is bruingrijs, zwak humeus en 70 centimeter dik, de derde laag donkerbruin, sterk humeus en 40 centimeter dik en de laatst aangeboorde laag is donkerbruingeel en matig humeus.
boring
laag 1: Ap
laag 2: Bw
laag 3: C x
128
x
x
129-131
x
x
133
x
x
165 en 169
x
x
193
x
x
194
x
x
195-200
x
x
201-201
x
x
203-205
x
x
206
x
x
207-212
x
x
213
x
x
250
x
x
laag 4: C/basis oeverdek
laag 5: C/onderkant oeverdek x
x x x x
x x
x
x x
x
x x x x
x
251 x x Tabel 9. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 128-251.
x x
4.4.8 Boringen 170 tot en met 192 Deze reeks boringen is samengenomen omdat deze allen op een hogergelegen Jong Dryasterras zonder oeverdek zijn gelegen (Figuur 12, Figuur 13 en Tabel 10). Ook hier hebben de meeste boringen een zeer homogene opbouw. De humeuze bovengrond bestaat uit bruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand (laag 1). Dit pakket is 30 centimeter (boring 170-174 en 187) of 40 tot 70 centimeter dik (boring 181-186, 188-192) dik. In de boringen 170-174 gaat over in een laag van 40 tot 70 centimeter dikte, bestaande uit bruingrijs, zwak humeus, grijs, zwak tot matig siltig zand (laag 2). Hieronder, en in de andere boringen direct onder de humeuze bovengrond, bevindt zich de laatst aangeboorde laag, die bestaat uit bruingeel tot grijsgeel zwak tot sterk siltig zand, dat matig fijn tot matig grof is (laag 3). Vanaf een diepte van circa 80 tot 160 is deze laag zwak siltig en bevat in een groot deel van de boringen grindjes (laag 4). Hierbij is sprake van een fining upwards sequentie. In boringen 170 tot 174 is bodemkundig gezien sprake van een A-Bw-C profiel, waarbij de A-horizont (laag 1) 30 centimeter dik, en de Bw-horizont (laag 2) 40 tot 70 centimeter dik is. In de andere boringen is sprake van een A-C profiel, waarbij de A-horizont 30 tot 70 centimeter dik is.
De afzettingen van de C-horizont in de zuidelijke boringen worden geïnterpreteerd als terrasafzettingen (laag 3), terwijl de C-horizont in boringen 181 tot en met 192 is geïnterpreteerd als oeverdek (laag 4), op basis van de het lage siltgehalte en de aanwezigheid van grindjes, in vergelijking met de bovenliggende lagen. Deze interpretatie is in afwijking van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal, die hier geen oeverdek toont. Het oeverdek heeft hier een dikte van 80 tot 150 centimeter. www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 35 van 70
In boringen 170 tot 174 is bodemkundig gezien sprake van een A-Bw-C profiel, waarbij de A-horizont (laag 1) 30 centimeter dik, en de Bw-horizont (laag 2) 40 tot 70 centimeter dik is. In de andere boringen is sprake van een A-C profiel, waarbij de A-horizont 30 tot 70 centimeter dik is. De afzettingen van de C-horizont in de zuidelijke boringen worden geïnterpreteerd als terrasafzettingen (laag 3), terwijl de C-horizont in boringen 181 tot en met 192 is geïnterpreteerd als oeverdek (laag 4), op basis van de eerder genoemde kenmerken. Deze interpretatie is in afwijking van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal, die hier geen oeverdek toont. Het oeverdek heeft hier een dikte van 80 tot 150 centimeter.
boring
laag 1: Ap
laag 2: Bw
laag 3: C/terras
170-174
x
x
x
laag 4: C/oeverafzettingen
181-192 x x Tabel 10. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 170-192.
x
4.4.9 Boringen 252 tot en met 260 Deze reeks boringen is samengenomen gezien deze allen op een rivierduin met oeverdek op de Jonge Dryasterrasvlakte zijn gelegen (Figuur 13 en Tabel 11). De boringen in deze reeks hebben een (donker)bruingrijze, zwak tot matig siltige, matig humeuze bovengrond van zand (laag 1). Deze laag heeft een dikte van 30 tot 70 centimeter en gaat geleidelijk over in bruin tot bruingeel zand dat zwak tot matig siltig is, in boring 252 is dit sediment zeer fijn, in de andere boringen (253, 257-259) is het matig fijn (laag 2). Onder dit pakket van 40 tot 100 bevindt zich een pakket bruin tot bruingeel, zwak tot uiterst siltig zand dat zwak tot matig grindig is (laag 3). In boringen 253 tot en met 256 is laag 2 niet aanwezig en gaat laag 1 op een diepte van 30 tot 50 centimeter direct over in laag 3. In boringen 252, 256, 257 en 260 zijn enkele kleine puinbrokjes aangetroffen, in boringen 255 en 259 zijn houtskoolpuntjes aangetroffen. In deze boringen is bodemkundig gezien sprake van een A-C profiel, waarbij de A-horizont circa 30 tot 70 centimeter dik is (laag 1). De C-horizont (laag 2 en 3) heeft een gevarieerde samenstelling, waarbij met name dieper gelegen grindjes waargenomen van belang zijn, wat een kenmerk lijkt voor het aanboren van het Dryas terras. De hierboven sedimenten zijn niet duidelijk toe te schrijven aan het verwachte rivierduin.
Wel zijn twee zaken duidelijk. Ten eerste is duidelijk dat de hier besproken boringen relatief gezien hoger liggen dan de direct aangrenzende boringen (Figuur 14). Ten tweede maken de terrasafzettingen een lichte opduiking in boringen 253-256. Dit maakt deze locatie al vanaf het Pleistoceen een hogergelegen plek dichtbij de rivier.
boring
laag 1: Ap
252
x
253-256
x
laag 2: C/oeverafzettingen of rivierduin x
laag 3: C/terras x x
257-259 x x x Tabel 11. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 252-260.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 36 van 70
Figuur 13. Indeling van de paragrafen waarin de noordelijke boringen besproken worden, ingedeeld op basis van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal (achtergrond: OpenStreetmap).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 37 van 70 4.4.10 Boringen 237 tot en met 247 en 261 tot en met 290 Deze reeks boringen is samengenomen omdat deze allen op een lager gelegen Jong Dryasterras zijn gelegen, waarbij de meest noordelijke boringen een Holoceen beekdal aan zou moeten snijden (boringen 289 en 290, (Figuur 13 en Tabel 14). Deze boringen hebben over het algemeen een humeuze bovengrond van circa 30 tot 70 centimeter dikte (laag 1). Deze laag bestaat over het algemeen uit (donker)bruingrijs, matig humeus, zwak siltig zand, dat matig fijn is. Dit gaat over in een donkerbruine laag die naarmate dieper geboord wordt steeds lichter wordt, om uiteindelijk bruingeel van kleur te worden (laag 2). Deze laag bestaat uit zwak tot sterk siltig zand, met in verschillende boringen op grotere diepte grindjes. In boringen 240, 245-247, 263, 277, 285, 286 zijn brokjes baksteen aangetroffen. In boringen 264, 268, 278 en 286 zijn houtskoolpuntjes aangetroffen. Bodemkundig gezien is bij alle boringen sprake van een A-C profiel, waarbij de A-horizont (laag 1) 30 tot 70 centimeter dik is. De C-horizont (laag 2) heeft een gevarieerde samenstelling, waarbij met name dieper gelegen grindjes waargenomen zijn, wat een kenmerk lijkt voor het aanboren van het Dryas terras.
Voor de boringen waar dit wel onderscheiden is (boringen 262-266 en 268-275), is duidelijk dat het oeverdek (laag 4) een dikte heeft van circa 70 tot 120 centimeter. Naast het bovenstaande algemene beeld, zijn er ook enkele afwijkingen. Boring 284 bestaat tot een diepte van 100 centimeter uit donkerbruingrijs tot bruingeel zand dat geïnterpreteerd is als verstoord, om onder deze verstoring over te gaan in het natuurlijke zand (laag 3). Daarnaast is boring 267 op een diepte van 120 centimeter gestuit op ondoordringbaar grind.
boring
laag 1: Ap
laag 2: Bw
237-239
x
x
laag 3: C/oeverdek
laag 3: C/terras x
240
x
xb
x
241-244
x
x
x
245-247
x
xb
x
261-263
x
x
264
x
xh
x
265-266
x
x
x
276
x
x x x
x
x
268
x
xh
269-275
x
x
276
x
x
x
277
x
xb
x
278
x
xh
x
279-283
x
x
284
x
?
285
x
xb
x
286
x
xbh
x
x ?
?
287-290 x x Tabel 12. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 237-247 en 261-290, de b en de h staan voor baksteen en houtskool.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 38 van 70 B
Figuur 14. Profiel 2, van boringen 250 tot en met 274, 246 en 247, met beschrijvingen van de grondsoort met bijmengsel, humusgehalte en lithogenese.
Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
B’
Pagina 39 van 70 4.4.11 Boringen 298 tot en met 302 Deze reeks boringen is samengenomen, gezien deze allen op een interstadiaal terras zijn gelegen (Figuur 15 en Tabel 13). In boring 298 bestaat de top van het bodemprofiel uit een 10 centimeter dunne, bruingrijze, zwak humeuze, matig fijne, zwak siltige zandlaag (laag 1). Deze gaat geleidelijk over in geel, zwak siltig zand, dat op een diepte van 80 centimeter tevens grindjes bevat (laag 2).
Boringen 299 tot en met 302 bevatten allen een laag verrommelde grond met veel grind en puin, variërend in dikte van 50 centimeter (boring 300) tot ten minste 120 centimeter (boringen 299 en 301) onder maaiveld (laag 3). Deze is als opgebrachte laag geïnterpreteerd. In boringen 299 en 302 is een onderliggende, niet verrommelde, laag aangeboord (laag 4). In beide boringen bestaat deze uit (donker)geelgrijs, zwak siltig zand, dat matig grof en matig grindig is. boring
laag 1: Ap
laag 2: C
298
x
x
laag 3: X
laag 4: C
299-302 x x x Tabel 13. Schematische weergave van de stratigrafische opbouw van boring 298-302.
Figuur 15. Indeling van de paragraaf waarin de boringen bij Hotel Rooland besproken worden, ingedeeld op basis van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal (achtergrond: OpenStreetmap).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 40 van 70
4.5
Synthese verkennend archeologisch booronderzoek
4.5.1 Geomorfologie en geomorfogenese De resultaten van het veldonderzoek komen grotendeels overeen met het beeld dat uit de aardkundige bronnen kan worden herleid. Het tracé van de toekomstige dijkversterking begint in het zuiden van het gebied relatief hoog aan de voet van de landduinen van het Nationaal Park De Maasduinen. Niet ver van deze duinen vallen enkele boringen in een restgeul van de Maas. Tussen deze oude Maasgeul en de huidige Maas loopt het tracé over een dalvlakteterras, om in het noorden weer te eindigen bij dezelfde landduinen als waar het tracé startte. In lithologische zin is het niet mogelijk om een verschilt waar te nemen tussen de terrasafzettingen uit de verschillende perioden. De samenstelling van de sedimenten is daarvoor, in ieder geval op macroscopisch niveau, te eenvormig. Tussen bedding-, geul- en oeverafzettingen kan wel onderscheid worden gemaakt op grond van korrelgrootte, sortering, bijmenging en profielverloop. De maaiveldhoogte ten opzichte van NAP van de boorpunten is beperkt bruikbaar voor het onderscheiden van deze eenheden, maar de informatiewaarde daarvan is beperkt voor grote delen van het gebied, omdat de boorraaien daar parallel op de geomofologische eenheden lopen. In Profiel 1 en Profiel 2 (Figuur 11 en Figuur 14) zijn wel relevante hoogteverschillen waarneembaar.
Op basis van het booronderzoek kunnen enige nuanceringen in het kaartbeeld van de geomorfogenetische kaart worden voorgesteld. 4.5.1.1 De Dryasgeul in het zuiden van het plangebied In het begin van de boorreeks zijn een aantal boringen gezet in het lage Dryasterras tussen twee interstadiale terrassen. In deze laagte werd volgens de kaart ter hoogte van de boringen 29-31 een Dryas geul verwacht. In deze boringen zijn echter geen aanwijzingen voor (rest)geulafzettingen aangetroffen. In boringen 23 en 24 is op een diepte van circa 80-90 centimeter onder maaiveld een sterk humeuze en uiterst siltige zandlaag aangetroffen. Deze laag is niet aanwezig in de omliggende boringen. In boring 25 is bovendien op een diepte van 110 centimeter een veenlaag aangetroffen. In Profiel 1 (Figuur 11) is te zien dat boring 25 zich op het laagste punt van de raai bevindt, terwijl boring 29-31 juist op de hogere rand van deze laagte liggen. Op basis hiervan is het aannemelijk dat de Dryas geul in dit deel van het plangebied verder naar het oosten ligt dan deze nu gekarteerd is, ter hoogte van boring 23-25. Zonder datering van het sediment of organisch materiaal is dit echter niet met volledige zekerheid te zeggen.
4.5.1.2 Oeverafzettingen in het Dryasterras laag Vanaf de hierop aansluitende interstadiale terrasvlakte gaat het onderzoeksgebied iets ten zuiden van Arcen over in een Dryas terrasvlakte, al dan niet met oeverdek. Het oeverdek wordt onderscheiden van de terrasvlakte door de aanwezigheid van grindjes in het sediment, alsook de aanwezigheid van een fining upwards sequentie. Doordat de grindjes niet altijd aanwezig zijn, en de sequentie niet altijd waarneembaar, is niet in alle boringen een duidelijk onderscheid te maken. In een aantal boorprofielen in de reeks 260-275, op de lage Dryas terrasvlakte in het noorden van het onderzoeksgebied, is verschillende keren onderscheid gemaakt tussen oeverafzettingen en terrasafzettingen, op basis van lithologische kenmerken. Deze boringen liggen in een zone die is gekarteerd als Dryasterras laag (DL), en in Profiel 2 (Figuur 14) is goed te zien dat deze reeks boringen relatief laaggelegen is ten opzichte van NAP in vergelijking met de boringen ten westen en oosten ervan. Zij liggen echter ook in de overgangszone van het Dryasterras laag naar het ten zuiden daarvan gekarteerde Dryasterras hoog (DH), alhoewel hierin geen oeverdek wordt verwacht (DH-o). In deze context ligt de aanwezigheid van een oeverdek niet voor de hand.
De geconcludeerde aanwezigheid van oeverafzettingen in enkele van deze boringen kan tot enkele uiteenlopende conclusies leiden: − de oeverafzettingen die zijn waargenomen maken deel uit van het Dryasterras hoog, en er is wel een oeverdek aanwezig; − de boringen zijn gezet in het Dryasterras laag, en er is een oeverdek aanwezig; − de interpretatie van de boorbeschrijvingen is onjuist. Op basis van de beschikbare gegevens is het waarschijnlijk niet mogelijk om een eenduidige keuze te kunnen maken tussen de drie opties. Gezien de relatief lage ligging van de betreffende boorpunten is het onwaarschijnlijk dat zij in deel uitmaken van het hoge Dryasterras. Hoewel in het lage Dryasterras binnen de grenzen van het plangebied op de geomorfogenetische kaart nergens oeverafzettingen zijn gekarteerd, kan dit op basis van de genese van de afzettingen niet worden uitgesloten. De relatief eenvormige lithologische samenstelling van de afzettingen in het gebied sluiten een misinterpretatie door het veldteam ook niet uit. www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 41 van 70 4.5.1.3 Het rivierduin in het noordwesten van het plangebied In het noordwesten van het plangebied staat op de geomorfogenetische kaart een rivierduin gekarteerd. Een van de boorraaien loopt over deze kaarteenheid heen (boring 250-260) In de beschrijvingen van deze boringen zijn nergens eolische sedimenten onderscheiden. De lithologische samenstelling van de afzettingen is vergelijkbaar met de omringende boringen in de terrasafzettingen (Figuur 14). De NAP-hoogtes van de boorpunten laten zien dat ter plaatse van het vermoede rivierduin geen duidelijke verschillen in hoogte ten opzichte van de hoger terrasafzettingen in de omliggende gebieden te zien zijn. De laagte ten oosten van boring 160 wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van het lage Dryasterras, niet door de flank van een eventueel aanwezige rivierduin. Ten opzichte van het lage terras, waarin een beekdal gelegen is, is de relatief hoog gelegen omgeving desalniettemin een zeer interessante vestigingslocatie. Mogelijk dient de zuidelijke begrenzing van het gekarteerde duin ten noorden van de boorraai te worden gezocht.
4.5.1.4
Het dal van de Boerenhuizenlossing Min of meer parallel aan de N271 liggend, stroomt de Boerenhuizenlossing door het plangebied. Tot 1677 was dit het dal van de Lingsforterbeek. Op basis van de geomorfogenetische kaart lijkt het er sterk op dat de Dryasgeul uit het zuiden van het plangebied in het noordelijke deel wordt oversneden door Lingsforterbeekdal. Waarschijnlijk heeft deze beek ooit de natuurlijke laagte van de Dryasgeul ‘gevonden’ en deze als het ware overgenomen. Een van de boorraaien oversnijdt dit dal in oost-westelijke richting, maar voor het perceel ten oosten van het beekdal was geen betredingstoestemming verleend. De huidige Boerenhuizenlossing, een zeer klein stroompje, stroomde wel onmiddellijk langs de perceelgrens die het onderzoeksgebied als gevolg van deze beslissing begrensde. Op grond daarvan vallen slechts twee boringen binnen de op de geomorfogenetische kaart gekarteerde eenheid. In deze boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van geulafzettingen, noch van een vroegholocene geul, noch van de Lingsforterbeek uit latere perioden. Mogelijk kunnen die ten oosten van de Boerenhuizenlossing nog worden verwacht.
4.5.2 Bodemkunde Het merendeel van de boringen is gezet in gebieden zie op de bodemkaart zijn gekarteerd als hoge bruine enkeerdgronden, grof zand. 16 Een reeks boringen in de bebouwde kom van Arcen, die niet gekarteerd is op de bodemkaart, is gezien de gegevens uit de omliggende gebieden, waarschijnlijk eveneens in een zone met deze bodemkundige eenheid gezet. 17 Een hoge bruine enkeerdgrond ontstaat door het gebruik van bosstrooisel en graszoden om de bodem mee te verrijken. De Aa-horizont van een hoge bruine enkeerdgrond heeft een dikte van tenminste 50 centimeter. Bij al deze boringen is in afwijking van de bodemkundige verwachting een bodemprofiel beschreven dat bestaat uit een Ap-horizont van wisselende dikte (gemiddeld circa 30 centimeter), die is gevormd in de top van een dikke, (grijs)bruine zandlaag die is geïnterpreteerd als een Bw-horizont. Een Bw-horizont ontstaat doordat materiaal lokaal verweert, zonder (veel) aan verticaal transport te zijn blootgesteld. Binnen deze laag zijn geen structuren of andere aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van een plaggendek. De in plaggendekken veel voorkomende ‘ruis’ in de vorm van scherfjes en andere indicatoren die met nest in het dek zijn beland, ontbreken eveneens. De overgang van deze Bw-horizont naar de onderliggende afzettingen verloopt te allen tijde geleidelijk.
Hoewel kleur en lithologische samenstelling van deze onderliggende afzettingen doorheen het plangebied varieert, zijn deze in alle gevallen geïnterpreteerd als C-horizont. Op basis daarvan concluderen wij dat er in het onderzoeksgebied geen sprake is van hoge bruine enkeerdgronden. De aangetroffen bodemprofielen worden geïnterpreteerd als kalkarme ooi- of vorstvaaggronden, welke gekenmerkt worden door een relatief dunne A-horizont met een dikke Bw-horizont. Noemenswaardig is het feit dat er geen begraven bodems zijn aangetroffen. In geen van de locaties met een oeverdek is een begraven bodem aangetroffen. De enige locatie waar dit wel het geval lijkt, is binnen de lage Dryas terrasvlakte ten zuiden van Arcen (boringen 20-44), waar in boringen 23 tot en met 25 een humeuze tot venige horizont is aangetroffen. Deze laag is echter geïnterpreteerd als verlandingsafzettingen resten van een oude geul in het lage Dryas terras.
16 17
Niet gezet in zones gekarteerd als hoge bruine enkeerdgronden: boring 1-44 en 297-298. Boring 100-123.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 42 van 70 4.5.3 Archeologie Er moet vooropgesteld worden dat een verkennend booronderzoek, ook in deze intensiteit, niet de geschikte methode is om vindplaatsen te lokaliseren. Desalniettemin zijn er in 56 van de 208 uitgevoerde boringen (mogelijke) archeologische indicatoren gevonden. Soms zijn deze relatief geïsoleerd gevonden, zoals de puinbrokjes of houtskoolpuntjes in verschillende boringen. 18 Boringen 91, 92, 94, 97 en 98 bevatten houtskool en/of baksteen, waarbij het opvallend is dat twee boringen (94 en 98) gestuit zijn op een ondoordringbare puinlaag. Daarnaast zijn deze boringen dichtbij de voormalige gracht rondom Arcen gelegen. In boringen 60 en 62 zijn tevens baksteenbrokjes gevonden, maar is de eerstgenoemde boring tevens gestuit op een ondoordringbare laag waar leisteen en ijzeroer uit komt. Deze ondoordringbare laag is op basis van dit onderzoek niet nader te verklaren. Direct ten westen en noorden van de kern van Arcen zijn houtskoolpuntjes en/of puinbrokjes aangetroffen, welke vrijwel zeker gerelateerd kunnen worden aan de bewoning aldaar vanaf de Middeleeuwen. 19 Ook is het opvallend dat er juist op en in de omgeving van de niet aangetroffen rivierduin in het noorden van het onderzoeksgebied, en ten zuiden in het verlengde hiervan, archeologische indicatoren zijn aangetroffen. 20 In deze boringen zijn houtskoolpuntjes en/of puinbrokjes aangetroffen.
4.6
Beantwoording onderzoeksvragen
Op basis van de resultaten is het nu mogelijk om een antwoord te formuleren op de voor het booronderzoek onderzoek geformuleerde onderzoeksvragen. 4.6.1 Sediment en landschap 1. Wat is de landschappelijke context van het onderzoeksgebied? Het onderzoeksgebied doorsnijdt een interstadiale terrasvlakte door een lage Dryas terrasvlakte met ten minste één restgeul, om vervolgens weer een interstadiale terrasvlakte te volgen. Iets ten zuiden van Arcen gaat dit over in een hoger gelegen Dryas terrasvlakte, al dan niet met oeverdek. Ten noorden van de Kruisweg en de Hertog Jan brouwerij bevindt zou zich een rivierduin moeten bevinden. Dit gaat naar het oosten toe over in een laag Dryas terrasvlakte, om weer over te gaan in een interstadiale terrasvlakte. Dit beeld is voor het overgrote deel bevestigd door het uitgevoerde booronderzoek. De restgeul ligt waarschijnlijk iets verder naar het oosten dan nu gekarteerd, en voor de aanwezigheid van een eolisch rivierduin zijn geen eenduidige aanwijzingen gevonden. Waarschijnlijk ligt de zuidelijke begrenzing van dit duin ten noorden van de meest noordelijke boorraai. Daarnaast is in de reeks boringen 181 tot en met 191 en 262 tot en met 275 een oeverdek aangetroffen waar niet verwacht zou worden.
2.
Welke lithogenetische eenheden kunnen worden onderscheiden? Wat zijn hun lithologische karakteristieken? Het gaat dan om textuur, korrelgrootte, sortering, afronding en kleur. Wat zijn hun sedimentaire structuren? Het gaat dan om gelaagdheid, overgangen tussen lithologische pakketten (gradueel, abrupt), dikte van de sets, fining upward sequenties, periglaciale en andere post-sedimentaire verschijnselen. Het opgeboorde sediment bestaat over het overgrote deel uit matig fijn tot matig grof zand, dat varieert van zwak tot sterk siltig. De afzettingen die worden geïnterpreteerd als oeverafzettingen vertonen regelmatig een fining upwards sequentie, en wanneer het terrasafzettingen betreft worden vrijwel altijd in enige mate kleine grindjes aangetroffen. De overgangen tussen de eenheden zijn te allen geleidelijk (0,3 tot 3 centimeter), met uitzondering van de overgangen van recente verstoringen naar de onderliggende afzettingen. Het zand is onder fluviatiele omstandigheden afgezet, waarbij op een aantal locaties onderscheid gemaakt kon worden tussen het relatief jonge oeverdek en de oude terrasafzettingen. Ook deze oudere terrasafzettingen konden soms nader onderverdeeld worden, zoals beddingafzettingen of geulafzettingen. Uitzondering op dit beeld zijn de eerste drie boringen waar eolische afzettingen zijn aangeboord.
De hier aangetroffen sedimenten zijn geïnterpreteerd als holoceen stuifzand.
Boringen 19, 34-36, 74, 76, 78, 240, 245-247, 263, 264, 268, 277, 278, 284-286. Boringen 101-118, 120-126, 128-130 en 165. 20 Boringen 190, 193, 195, 199, 213, 251, 252, 255-257, 259, 260. 18 19
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 43 van 70 3.
Hoe kunnen de lithogenetische eenheden vertaald worden naar afzettingsmilieu, proces, transportkracht, seizoenale variatie en dynamiek? Het onderhavige booronderzoek heeft geen gegevens opgeleverd waarmee deze vraag kan worden beantwoord.
4.
Wat zeggen de sedimenten over de waterhuishouding (oxidatie, oxidatie-reductie en reductiezone)? Enkel in de boorreeksen 15-36 en 70-72 is in de meeste boringen het grondwaterniveau bereikt. In de eerste reeks bevindt de grondwaterstand zich op circa 150 tot 200 centimeter onder maaiveld, wat zich naar rond de 15 meter boven NAP vertaald. In de tweede reeks, lager gelegen en dichter bij de Maas, bevindt dit niveau zich op circa 100 tot 200 centimeter onder maaiveld, wat circa 12,50 tot 13,00 meter boven NAP betekent. Hierbij moet echter wel de kanttekening geplaatst worden dat dit onderzoek in de zomer en het najaar van 2022 is uitgevoerd, een periode die door ernstige droogte gekarakteriseerd werd. Hierdoor moet aangenomen worden dat het beeld van de waterhuishouding niet de standaard vertegenwoordigd.
5.
Welke fenomenen wijzen op stilstandfasen in de sedimentatie en waar zijn deze aangetroffen? Beschrijf de kenmerken waaronder diepteligging ten opzichte van maaiveld , ligging ten opzichte van NAP, aard van het moedermateriaal en lithogenetische eenheid, kleur en dikte. Deze fenomenen zijn op basis van dit booronderzoek niet te onderscheiden.
6.
Waar is sprake van verbruining en wat zijn hiervan de kernmerken? Het betreft hier bijvoorbeeld aard moedermateriaal en genetische eenheid, kleur, dikte en de positie van de bodem ten opzichte van NAP en diepte onder maaiveld. Binnen een groot gedeelte van het plangebied is een Bw-horizont aangetroffen. Deze laag is gemiddeld circa 60 centimeter dik en bestaat uit roodbruin tot grijsbruin, niet tot zwak humeus, zwak tot sterk siltig zand, dat over het algemeen matig fijn is. De laag bevindt zich onder de bouwvoor van gemiddeld 25 centimeter dikte, wat een diepteligging van grofweg 25 tot 85 centimeter onder maaiveld betekent. Afhankelijk van de NAP-hoogte van de boorlocatie betekent dit aan de basis van de laag een NAP-waarde van 14,00 tot 16,30 meter +NAP. Het is deze Bw-horizont die op de bodemkaart van Nederland de aanleiding is geweest om grote delen van het plangebied te karteren als hoge bruine enkeerdgronden.
7.
Beschrijf per lithogenetische eenheid per onderzoeksgebied het referentie bodemprofiel. Interstadiale terrasafzettingen afgedekt met dekzand: A-horizont: donkerbruin grijs, zwak tot matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-20 centimeter dikte. B-horizont: bruinrood, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-15 centimeter dikte. C-horizont: lichtbruin tot geel, zwak siltig zand. Interstadiale terrasafzettingen: A-horizont: donkerbruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-20 centimeter dikte. Bw-horizont: bruinrood, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-15 centimeter dikte. C-horizont: lichtbruin tot geel, zwak grindig, zwak siltig zand. Deze laag wordt naarmate dieper geboord grijzer. Dryas terrasafzettingen: A-horizont: donkerbruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-20 centimeter dikte. Bw-horizont: bruinrood, matig fijn, zwak siltig zand van circa 50-75 centimeter dikte. C-horizont: lichtbruin tot geel, zwak grindig, zwak siltig zand met een fining upwards sequentie. Deze laag wordt naarmate dieper geboord grijzer.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 44 van 70 Dryas terrasafzettingen met oeverdek: A-horizont: donkerbruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-20 centimeter dikte. Bw-horizont: bruinrood, matig fijn, zwak siltig zand van circa 50-75 centimeter dikte. C-horizont: lichtbruin tot geel, zwak siltig zand (oeverdek). C-horizont: geel tot grijs, zwak grindig, zwak siltig zand met een fining upwards sequentie (terrasafzettingen). Dryas (rest)geul: A-horizont: donkerbruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand van circa 10-20 centimeter dikte. Bw-horizont: bruinrood, matig fijn, zwak humeus, zwak siltig zand van circa 50-75 centimeter dikte. C-horizont: donkerbruin, matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand of zwart mineraalarm veen van 10 centimeter dikte. C-horizont: geelgrijs, zwak grindig, zwak siltig zand met een fining upwards sequentie.
8.
Zijn de (eventueel) op de bodemkaart aangegeven enkeerdgronden opgebouwd uit een plaggendek of hebben deze gronden een andere genese? Zo ja, welke? Er zijn geen aanwijzingen voor plaggendekken aangetroffen. De dikke laag onder de A-horizont is geïnterpreteerd als een Bw-horizont die te allen tijde geleidelijk overgaat in de onderliggende afzettingen. Binnen deze laag zijn geen interne structuren aangetroffen die zouden kunnen wijzen op een plaggendek, en de overgang naar de onderliggende afzettingen verloopt in alle gevallen geleidelijk, waar bij een plaggendek eerder een scherpe overgang verwacht wordt.
9.
Is er sprake van verstoring van het bodemprofiel en daarmee afwijking van het verwachte referentieprofiel. Zo ja, waar en tot welke diepte is hier sprake van? Om welke ingrepen gaat het hier? Is er een natuurlijke verklaring voor afwijking van het referentieprofiel? Er is buiten de kern van Arcen op een enkele locatie sprake van verstoring van het bodemprofiel. Boringen 6, 7, 10-12, 14, 15, 18, 35, 41 en 299-302 vertonen enige mate van verstoring. Deze verstoringen gaat doorgaans niet dieper dan 1 meter onder maaiveld en zijn, zoals de reeks boringen laat zien, vaak klein in ruimtelijke omvang. Over de aard van deze verstoringen is in de meeste gevallen geen verklaring te geven. Ter plaatse van boringen 7 en 10-12 kan wel een verklaring gegeven worden, hier leek een oude laan aanwezig te zijn, waarbij tijdens de aanleg hiervan de bodem verstoord kan zijn. De verstoring in boringen 299 tot en met 302, ter plaatse van Hotel Rooland, kan verklaard worden door de aanleg van de Roobeekweg en/of het hotel zelf. Binnen de kern van Arcen zijn ook een aantal verstoringen aangetroffen. Het betreft boringen 104-106, 108, 118, 123 en 124 waar tevens tot circa 1 meter onder maaiveld geen natuurlijke bodemopbouw is waargenomen.
De terreinen waar deze boringen zijn gezet maken onderdeel uit van de Middeleeuwse kern van Arcen, en de verstoringen van het bodemprofiel kunnen dan ook vrij zeker toegeschreven worden aan het eeuwenlange intensieve gebruik van deze gronden.
10. Welke terreindelen (in termen van lithogenese) hebben langere tijd dermate droog gelegen dat er voor langere tijd activiteiten, zoals bewoning konden plaatsvinden? Waar was sprake van goede mogelijkheden voor seizoenale activiteiten? Koppel deze aan NAP hoogten, zo dat een indicatie van posities ten opzichte van gemiddeld en hoge waterstanden kan worden verkregen. Voor Arcen zijn geen gegevens beschikbaar. De dichtstbijzijnde locaties boven- en benedenstrooms waar dat wel voor geldt zijn Venlo en Well. De Maas heeft tegenwoordig bij Venlo een gemiddelde waterstand van circa 11,05 tot 13,15 meter boven NAP. Hier is sprake van hoogwater vanaf 16,40 meter +NAP. Bij Well is de gemiddelde waterstand 11,05 tot 11,90 meter, vanaf 14,30 meter +NAP is hier sprake van hoogwater. De gemiddelde maaiveldhoogte van de uitgevoerde boringen is 15,83 meter boven NAP. De hoogte van de boringen verschilt per geomorfogenetische eenheid, in Tabel 14 is dit uitgesplitst. Op basis van deze gegevens lijkt vrijwel het gehele onderzoeksgebied langere tijd droog te zijn geweest, ook bij hoogwater. Enkel ter plaatse van de Lingsforterbeek is dit niet geval. www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 45 van 70 geomorfogenetische eenheid interstadiale terrasvlakte
boorreeks 1-19
gemiddelde hoogte +NAP 17,20 meter
lage Dryas terrasvlakte
20-44
16,44 meter
interstadiale terrasvlakte
45-68
16,30 meter
beekdal Lingsforterbeek
69-72
12,87 meter
hoge Dryas terrasvlakte
73-98
15,79 meter
hoge Dryas terrasvlakte met oeverdek
100-133, 165, 169
15,65 meter
hoge Dryas terrasvlakte
170-192
15,47 meter
hoge Dryas terrasvlakte met oeverdek
193-206, 212, 213, 250, 251
15,59 meter
Dryas terrasvlakte met rivierduin, met oeverdek
252-260
15,46 meter
lage Dryas terrasvlakte
237-247, 260-290
15,28 meter
interstadiale terrasvlakte 298-302 16,98 meter Tabel 14. De gemiddelde hoogte van de gezette boringen, uitgesplitst per geomorfogenetische eenheid.
11. Wat is de landschapsdynamiek in de in het tijdbereik voorkomende archeologische perioden in termen van risico voor bewoning en andere vormen van landgebruik? Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan deze vraag niet worden beantwoord. Omdat het booronderzoek lijnelementen volgt, die voor een groot deel evenwijdig lopen met de aanwezige landschappelijke eenheden, gecombineerd met een relatief geringe boordiepte, is het niet mogelijk om de opeenvolging in tijd en ruimte van de verschillende eenheden inzichtelijker te maken dan op grond van de geomorfogenetische kaart reeds gedaan is.
12. Wat is de landschappelijke gaafheid en wat betekent deze in termen van archeologische verwachting? Zijn er locaties in het onderzoeksgebied die voor paleo-ecologisch of chronologisch onderzoek geschikt zijn? Zo ja, geef deze op een kaart aan met de beoogde vraagstelling in een apart document. Zo nee, wat is hiervoor de reden? In algemene zin is de landschappelijke gaafheid hoog. Er zijn relatief weinig recente verstoringen aangetroffen, en het feit dat in de terrasafzettingen vrijwel overal een redelijk dikke B-horizont is aangetroffen, duidt er op dat sinds het begin van de bodemvorming in het Holoceen weinig tot geen natuurlijke erosie heeft opgetreden. Dat gezegd hebbende, zijn er, op één uitzondering na, naar aanleiding van het booronderzoek geen locaties aan te wijzen voor paleo-ecologisch of chronologisch onderzoek. Voor de algemene archeologische verwachting betekent dit dat eventueel aanwezige archeologische resten en sporen goed geconserveerd zullen zijn. Gezien de relatief lage grondwaterstanden in het gebied geldt dit in mindere mate voor organische resten die zich boven de hoogste grondwaterspiegel bevinden. Deze uitzondering betreft de restgeulafzettingen die in het zuiden van het plangebied zijn aangetroffen. Zoals eerder beschreven, liggen deze verder naar het oosten dan de op de geomorfogenetische kaart gekarteerde restgeul uit het Dryas.
Gezien de landschappelijke ligging gaat het bij de nu aangetroffen geul vrijwel zeker om de geul op de kaart, maar zonder een datering kan niet worden uitgesloten dat het om aan geul uit een latere periode gaat. Om die reden adviseren wij om in het geval van vervolgonderzoek deze geul, meer specifiek de ter hoogte van boring 25 aangetroffen veenlaag, te bemonsteren op een dusdanige manier dat een datering door middel van 14C-analyse en paleo-ecologisch onderzoek mogelijk is. Aangezien het om één puntlocatie gaat, voegen wij hier in afwijking van de vraagstelling geen aparte kaart toe, maar verwijzen wij naar Figuur 10 en Figuur 11 en naar de boorstaat in Bijlage 1, voor ruimtelijke en stratigrafische informatie over de betreffende boring. De RD-coördinaten van het boorpunt zijn: X: 386.697,42 Y: 210.507,98 Z: 16,14
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 46 van 70 Eveneens in afwijking van de vraagstelling presenteren wij de hieruit voortvloeiende onderzoeksvraag niet in een apart document: Wat is de datering van de in boring 25 aangetroffen restgeul, en wat kan er op basis van het paleo-ecologisch onderzoek worden gezegd over het landschap in de (onmiddellijke) omgeving ten tijde van de activiteit van de geul?
13. Hoe was de waterhuishouding voordat het gebied in de middeleeuwen door de mens werd ontwaterd? Op welke wijze is de waterhuishouding van invloed geweest op de locatiekeuze en het landgebruik in het verleden? Op basis van dit onderzoek is op deze vraag geen antwoord gegeven worden. Wel kan geconcludeerd worden dat het gebied dermate hooggelegen is, dat structurele ontwatering niet van cruciaal belang lijkt te zijn geweest.
14. Zijn er verschillende fasen van rivieractiviteit te onderscheiden (verschillende generaties van kronkelwaardvorming) en zo ja, hoe zijn deze te onderscheiden en op welke diepte ten opzichte van maaiveld en hoogte ten opzichte van NAP komen deze voor? Afgezien van de reeds bekende fases (interstadiaal, Dryas en Holoceen) zijn op basis van het huidige onderzoek geen fases in rivieractiviteit te onderscheiden.
15. Wat is de ouderdom van de waargenomen generaties? Afgezien van de reeds bekende ouderdom (interstadiaal, Dryas en Holoceen) zijn op basis van het huidige onderzoek generaties niet nader te dateren.
16. Zijn er verschillende fasen van kom- of oeverafzettingen te onderscheiden en zo ja, kunnen deze en hoe gekoppeld worden aan fasen/generaties van rivieractiviteit? Nee, deze zijn niet te onderscheiden.
4.6.2 Archeologie 17. Zijn er, ondanks dat het onderzoek primair verkennend en landschap georiënteerd van aard is, archeologische resten aangetroffen? Zo ja, waaruit bestaan deze en wat is de ouderdom ervan? Zo nee, hoe kan de afwezigheid van vondsten worden verklaard? In een aantal boringen zijn potentiële archeologische indicatoren aangetroffen, die bestaan uit kleine baksteenbrokjes en houtskool. Verschillende boringen zijn gestuit. Enkel bij boring 100 is mogelijk te verklaren wat de verstoorde laag is, namelijk (puinresten van) de vestingmuur van Arcen.
18. Welke oppervlaktevondsten zijn gedaan? Er zijn geen oppervlaktevondsten gedaan. Op veel locaties was het ook niet mogelijk om oppervlaktevondsten te doen door de begroeiing.
19. Is er sprake van clustering of een anderszins verklaarbare verspreiding van vondstmateriaal? Zo ja, welke? Er zijn verschillende locaties waar twee of meer opvolgende boringen archeologische indicatoren bevatten. Buiten de kern van Arcen zijn dit reeksen 34-36, 245-247, 255-257, 259-260 en 284-286. Bij boringen 60 en 62 zijn tevens baksteenbrokjes gevonden, maar is de eerstgenoemde boring tevens gestuit op een ondoordringbare laag waar leisteen en ijzeroer uit komt. Het is opvallend dat er juist op en in de omgeving van het verwachte rivierduin in het noorden van het onderzoeksgebied, en ten zuiden in het verlengde hiervan, archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Ondanks het ontbreken van eolische afzettingen in de boringen is de ietwat verhoogde ligging van het terrein hier ter plaatse mogelijk toch een preferente locatie voor gebruik. Binnen de kern van Arcen bevatten praktisch alle boringen houtskool www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 47 van 70 en/of baksteenpuntjes, waarbij het opvallend is dat drie boringen (94, 98 en 100) gestuit zijn op een ondoordringbare puinlaag. Van de eerste twee boringen is het gezien de locatie onbekend wat de ondoordringbare laag is, in de laatstgenoemde boring is kan het op basis van de ligging mogelijk gaan om (puinfragmenten van) de voormalige vestingmuur van de plaats. Deze ondoordringbare laag is op basis van dit onderzoek niet nader te verklaren.
20. Is er een relatie tussen eventuele oppervlaktevondsten, eventueel in de boorkernen aangetroffen archeologische indicatoren en middels proefputten verkregen vindplaats en lithogenetische informatie? Er zijn geen oppervlaktevondsten, dus er zijn ook geen relaties te leggen met de archeologische indicatoren.
21. Wat zijn de locaties, de diepteligging ten opzichte van het huidige maaiveld en NAP en de horizontale en verticale verspreiding van archeologische resten? De baksteenbrokjes zijn aangetroffen op een van 0 tot 1,30 meter vanaf maaiveld, wat tussen de 13,42 tot 16,10 meter +NAP betekent. De houtskool is tevens op een diepte van 0 tot 1,3 meter onder maaiveld aangetroffen, wat overeenkomt met 13,42 tot 15,66 meter +NAP. De resten zijn vrijwel altijd in de humeuze A-horizont, of in de top van het onderliggende pakket sediment (Bw- of C-horizont).
22. Zijn de vondsten te koppelen aan een specifieke lithogenetische eenheid en zo ja, welke? Zo nee, welk verband is er dan tussen de vondsten/indicatoren en de stratigrafie? De vondsten zijn op alle lithogenetische eenheden gedaan. Wel is duidelijk dat de bij vraag 19 genoemde clusters zich bevinden op een laag Dryas terras nabij een Dryas geul (34-36), een holoceen beekdal (284284), een interstadiaal terras (60-62) en de locatie van het vermeende rivierduin (245-247, 255-257, 259-260).
23. Is een archeologische stratigrafie aanwezig en zo ja, welke? Zo nee, verklaar dan het ontbreken van deze stratigrafie. De bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied is als intact te beschouwen, wat betekent dat er weinig verstoring van het potentiële archeologisch vlak heeft plaatsgevonden. Er is binnen het gehele onderzoeksgebied sprake van één archeologisch niveau, dat zich in en direct onder de Ap-horizont bevindt.
24. Kunnen er vindplaatsen worden begrensd? Zo ja, welke en wat is de omvang ervan? Er zijn geen vindplaatsen aangetroffen tijdens het onderzoek.
25. Welke complextypen zijn aanwezig of voor welke complextypen bestaan sterke aanwijzingen? Er zijn geen vindplaatsen aangetroffen tijdens dit onderzoek.
26. Wat zijn de verwachte conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten, gelet op de waterhuishouding (zones van oxidatie, oxidatie & reductie, alsmede reductie) het voormalig grondgebruik, natuurlijke processen van erosie en verspoeling en de aard van de ondergrond? Op basis van dit onderzoek kan geen sluitend antwoord gegeven worden, gezien er geen echt vondstmateriaal aangetroffen is. Wel kan op basis van de lage grondwaterstand met vrij grote zekerheid gesteld worden dat organisch materiaal een slechte conserveringsgraad zal hebben. Ook bestaat er een grote kans dat de aanwezigheid van de bruine Bw-horizont zorgt voor een slechte leesbaarheid van het archeologisch vlak.