080 Bijl08 BP toelichting_Bijlage 7 Verkennend booronderzoek archeologie.pdf
Tekst van het document
Your safety is our concern
Verkennend booronderzoek archeologie A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo Kennis- en adviescentrum
Detectie
Vliegtuigberging
Historisch vooronderzoek
Benaderen en veiligstellen
Archeologie
Risicoanalyse
Offshore
Sanering
rapportnummer
A22021
titel
Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
versienummer
2.0
status
concept
datum
7 februari 2023
vestiging
Hermalen 7 5481 XX Schijndel 073-5431010 info@bodac.nl / n.sommers@bodac.nl
auteurs
N.J.H. Sommers & Y. Raczynski-Henk
autorisatie paraaf
Y. Raczynski-Henk (senior KNA archeoloog/senior KNA prospector)
© Bodac bv, Schijndel Foto’s en tekeningen: Bodac bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Bodac bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2452-2074 (Analoog rapport) ISSN: 2452-2066 (Digitaal rapport E-depot) Kwaliteitszorg Bodac bv beschikt over alle kwaliteitscertificaten voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek, afgegeven door de SIKB. Het certificaat geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de RCE stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving.
Pagina 2 van 282
Inhoudsopgave Administratieve gegevens
3
Samenvatting
4
1.1 1.2 1.3 1.4
2
Inleiding 2.1 2.2 2.3
3
Aanleiding voor het onderzoek Juridisch en methodologisch kader Overzicht van de geplande ingrepen
Conclusie bureauonderzoek 3.1 3.2
4
Aanleiding en vraagstelling Resultaten Conclusie en aanbevelingen Aanvulling februari 2022 met betrekking tot het nieuwe ontwerp
10 10 10 11
16
Conclusie Gespecificeerde archeologische verwachting
16 16
Verkennend archeologisch booronderzoek
18
4.1 Uitvoering veldwerk 4.2 Doelstelling en vraagstelling onderzoek 4.2.1 Sediment en landschap 4.2.2 Archeologie 4.2.3 Evaluatie 4.3 Methode 4.3.1 Algemene methodiek 4.3.2 Diepte van de boringen 4.4 Resultaten van het onderzoek 4.4.1 Boringen 1 tot en met 19 4.4.2 Boringen 20 tot en met 44 4.4.3 Boringen 45 tot en met 69 4.4.4 Boringen 70, 71 en 72 4.4.5 Boringen 73 tot en met 98 4.4.6 Boringen 100 tot en met 127 4.4.7 Boringen 128-133, 165, 169, 193 tot en met 213, 250 en 251 4.4.8 Boringen 170 tot en met 192 4.4.9 Boringen 252 tot en met 260 4.4.10 Boringen 237 tot en met 247 en 261 tot en met 290 4.4.11 Boringen 298 tot en met 302 4.5 Synthese verkennend archeologisch booronderzoek 4.6 Beantwoording onderzoeksvragen 4.7 Gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het booronderzoek
5
4 4 6 8
Conclusie 5.1 5.2 5.3
Conclusie Aanbevelingen Aanvulling februari 2022 met betrekking tot het nieuwe ontwerp
18 18 18 19 20 20 20 21 26 26 27 28 29 31 31 33 34 35 37 39 40 42 51
58 58 58 59
Literatuurlijst
62
Lijst van figuren en tabellen
63
Bijlage 1. Boorbeschrijvingen
65
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 3 van 282
Administratieve gegevens projectcode toponiem adres/locatie plaats gemeente provincie omvang plangebied omvang onderzoeksgebied coördinaten projectgebied
(RO) kader onderzoek opdrachtgever
bevoegde overheid
adviseur archeologie namens bevoegde overheid
ARCHIS3 zaakidentificatienummer archeoregio NOaA beheer en plaats documentatie uitvoerder uitvoeringsperiode medewerkers
A22021 Dijkring 65 niet van toepassing Arcen gemeente Venlo Limburg 78 hectare 16,4 hectare NW: 209.459 / 389.118 NO: 210.261 / 389.384 ZW: 210.220 / 386.484 ZO: 210.837 / 386.731 centrum: 209.871 / 387.909 omgevingsvergunningen voor dijkverhoging/versteviging te Arcen Waterschap Limburg dhr. M. Ridderhof Postbus 2207 6040 CC Roermond m.ridderhof@waterschaplimburg.nl 06-21227080 Gemeente Venlo dhr. J. Schotten Postbus 3434 5902 RK Venlo j.schotten@venlo.nl 077-3596363 Provincie Limburg dhr. B. Moonen Limburglaan 10 6229 GA Maastricht bj.moonen@prvlimburg.nl 06-15090057 Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed mevr. E. Vreenegoor Smallepad 5 3811 MG Amersfoort e.vreenegoor@cultureelerfgoed.nl 033-4217777 5280417100 Limburgs zandgebied Bodac B.V. Schijndel / e-depot Bodac B.V. veldwerk: 6-8-2022 tot 11-11-2022 uitwerking en rapportage: 1-12-2022 tot 20-1-2023 dhr. drs. Y. Raczynski-Henk senior KNA prospector 33415029 dhr. drs. R.P.A. Paulussen senior KNA prospector 98005942 dhr. N.J.H. Sommers MSc KNA-prospector 33078871 dhr. W.W. Groenendijk Ma archeoloog dhr. J.A.J. van Beers BSc archeoloog
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 4 van 282
Samenvatting 1.1
Aanleiding en vraagstelling
In opdracht van Waterschap Limburg heeft Den Ouden Bodac B.V. een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) van Dijkring 65 te Arcen. De directe aanleiding is de aanleg en aanpassing van verschillende waterkerende werken, met name bestaande uit dijken en keermuren. Er bestaat een kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten in het onderzoeksgebied. Indien de bodem (grotendeels) verstoord blijkt te zijn, dan kan de archeologische verwachting voor het plangebied naar beneden worden bijgesteld. De centrale vraagstelling voor het onderzoek betrekt zich op de aard van de bodemopbouw, de aan- of afwezigheid van recente antropogene of natuurlijke verstoringen en de mate van intactheid van het bodemprofiel. Ten behoeve van het verkennend booronderzoek is deze hoofdvraag in een aantal onderzoeksvragen uitgesplitst.
In algemene zin wordt voor de methodiek verwezen naar de richtlijn voor verkennend archeologisch booronderzoek van de provincie Limburg: Verkenning PLUS, een verzwaring van de standaard richtlijnen in de KNA betreffende verkennend archeologisch booronderzoek. Vanwege de specifieke omstandigheden van het onderhavige plangebied is gedeeltelijk van deze richtlijnen afgeweken. In algemene zin geldt als uitgangspunt dat een afstand tussen de boringen van 20 meter is gehanteerd ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) haaks liggen op de oriëntatie van de geomorfologische eenheden. Ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) parallel aan de geomorfologische eenheden liggen, is een afstand tussen de boringen van 25 meter, lokaal meer, gehanteerd. De diepte van de boringen varieert doorheen het plangebied. Op basis van de werkzaamheden is in algemene zin uitgegaan van een boordiepte die tot 0,50 meter onder de maximale verstoring reikt. Voor de lijnelementen in het plangebied houdt dat een boordiepte in die tussen 1,00 en 2,00 meter onder maaiveld valt. In de zones waar een oeverdek verwacht werd, is iedere vijfde boring doorgezet tot tenminste 0,30 in de top van de onderliggende terrasafzettingen. Daar waar een Dryas (rest)geul werd verwacht, is tot 3,00 meter diep geboord.
1.2
Resultaten
De resultaten van het veldonderzoek komen grotendeels overeen met het beeld dat uit de aardkundige bronnen kan worden herleid. Het tracé van de toekomstige dijkversterking begint in het zuiden van het gebied relatief hoog aan de voet van de landduinen van het Nationaal Park De Maasduinen. Niet ver van deze duinen vallen enkele boringen in een restgeul van de Maas. Tussen deze oude Maasgeul en de huidige Maas loopt het tracé over een dalvlakteterras, om in het noorden weer te eindigen bij dezelfde strook landduinen als waar het tracé startte. In lithologische zin is het niet mogelijk om een verschil waar te nemen tussen de terrasafzettingen uit de verschillende perioden. Op basis van het booronderzoek kunnen enige nuanceringen in het kaartbeeld van de geomorfogenetische kaart worden voorgesteld. De in het zuiden verwachte Dryasgeul ligt zeer waarschijnlijk verder naar het oosten, ter plaatse van boringen 23, 24 en 25. In een aantal boorprofielen in de reeks 260-275 konden verschillende keren oeverafzettingen worden onderscheiden, terwijl op basis van de geomorfogenetische kaart geen oeverdek verwacht werd. Een van de boorraaien loopt over een rivierduin met oeverdek heen (boring 250-260). Dit duin komt echter niet naar voren in de geïnterpreteerde boringen.
De laagte ten oosten van boring 260 wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van het lage Dryasterras, niet door de flank van een eventueel aanwezige rivierduin. De Boerenhuizenlossing, een zeer smal gekanaliseerd beekje heeft ooit de natuurlijke laagte van de Dryasgeul ‘gevonden’ en deze als het ware overgenomen.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 5 van 282
Figuur 1. Een overzichtskaart van de verschillende verwachtingszones (zie Figuur 18 t/m 21 voor detailoverzichten per deelgebied, bron: ESRI Topo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 6 van 282
Twee boringen vallen binnen de op de geomorfogenetische kaart gekarteerde beekdalafzettingen gerelateerd aan dit beekje en zijn voorlopers. In deze boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van geulafzettingen, noch van een vroegholocene geul, noch van de Lingsforterbeek of Boerenhuizenlossing uit latere perioden. Bij het overgrote deel van de boringen is in afwijking van de bodemkundige verwachting (hoge bruine enkeerdgronden) een bodemprofiel beschreven dat bestaat uit een Ap-horizont van wisselende dikte, die is gevormd in de top van een dikke, (grijs)bruine zandlaag die is geïnterpreteerd als een Bw-horizont. Binnen deze laag zijn geen structuren of andere aanwijzingen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van een plaggendek. De aangetroffen bodemprofielen worden geïnterpreteerd als kalkarme ooi- of vorstvaaggronden, welke gekenmerkt worden door een relatief dunne A-horizont met een dikke Bw-horizont. In 56 van de 208 uitgevoerde boringen zijn (mogelijke) archeologische indicatoren gevonden. Soms zijn deze relatief geïsoleerd gevonden, zoals de puinbrokjes of houtskoolpuntjes in verschillende boringen. In boringen dichtbij de voormalige gracht rondom Arcen zijn houtskool en/of baksteen aangetroffen en zijn twee boringen gestuit.
In boringen 60 en 62 zijn tevens baksteenbrokjes gevonden, maar is de eerstgenoemde boring tevens gestuit op een ondoordringbare laag waar leisteen en ijzeroer uit komt. In de boringen dichtbij de kern van Arcen zijn houtskoolpuntjes en/of puinbrokjes aangetroffen, welke vrijwel zeker gerelateerd kunnen worden aan de bewoning aldaar vanaf de Middeleeuwen. Ook is het opvallend dat er juist op en in de omgeving van de niet aangetroffen rivierduin in het noorden van het onderzoeksgebied, en ten zuiden in het verlengde hiervan, houtskoolpuntjes en/of puinbrokjes zijn aangetroffen.
1.3
Conclusie en aanbevelingen
1.3.1 Inleiding De resultaten van het verkennend archeologisch onderzoek zijn afgezet tegen de gegevens uit de geomorfogenetische kaart van het Maasdal, het bureauonderzoek en aanvullende bronnen. Op basis van deze informatie is een gedetailleerd archeologisch verwachtingsmodel opgezet voor het gehele plangebied. Voor dit verwachtingsmodel is het plangebied opgedeeld in verschillende zones (A tot en met D). Voor elke zone is naar aanleiding van het verwachtingsmodel een advies geformuleerd voor het al dan niet uitvoeren van vervolgonderzoek, en de daarvoor meest geschikt geachte onderzoeksmethode(n). Deze verwachtingszones zijn weergegeven in Figuur 1, en in meer detail in Figuur 18 tot en met Figuur 21.
1.3.2 Zone A: verwachtingsmodel Dit zijn delen van het plangebied die in de hogere terrasafzettingen van het onderzoeksgebied vallen. Hier geldt een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Mesolithicum. Het kan daarbij gaan om artefactvindplaatsen die bestaan uit een losse strooiing van (voornamelijk) vuurstenen artefacten met geringe afmetingen van slechte enkele tientallen vierkante meters, tot grotere palimpsesten die de begrenzing van het onderzoeksgebied overschrijden. Vindplaatsen uit deze periode worden verwacht vanaf het maaiveld, in de bouwvoor en in de (top van de) natuurlijke afzettingen eronder. Voor zone A geldt tevens een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Neolithicum. Dergelijke vindplaatsen worden gekenmerkt door een sporenniveau en een vondstlaag. Voor het noordelijke deel van het plangebied geldt een specifieke hoge verwachting voor een Romeins villaterrein en een mogelijke Romeinse weg. Deze verwachting blijft onverkort gehandhaafd. Vondstmateriaal van vindplaatsen uit deze periode kan worden verwacht vanaf het maaiveld tot in de bouwvoor, het sporenniveau is zichtbaar vanaf de overgang van de bouwvoor naar de onderliggend afzettingen. Als gevolg van de verbruining van deze afzettingen is het mogelijk dat een eventueel sporenniveau moeilijk leesbaar is.
In zone A dient te worden gerekend met de aanwezigheid van grafvelden met crematies uit de late prehistorie. Deze kunnen in grootte variëren van losse begravingen, via kleine grafveldjes met minder dan tien graven, tot de ‘klassieke’ grotere urnenvelden met tientallen bijzettingen. Voor deze begravingen geldt dat zij zeer moeilijk waarneembaar zullen zijn, aangezien grafheuvels ontbreken en de grafkuilen als gevolg van verbruining niet of nauwelijks zichtbaar zullen zijn.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 7 van 282
1.3.3 Zone A: advies Voor artefactvindplaatsen uit het Mesolithicum wordt geadviseerd om deze op te sporen en te begrenzen door middel van een karterend booronderzoek. Hiervoor dienen de ‘Leidraad voor karterend booronderzoek’ én de ‘Code van Goede praktijk’ als richtsnoer. Gezien de kwetsbaarheid van de verwachte vindplaatsen adviseren wij om deze onderzoeksfase ook uit te voeren indien er enkel damwanden worden geplaatst. De vindplaatsen liggen zeer ondiep, en zullen ook door het aanleggen van bouwwegen en/of het manoeuvreren met zware machines zoals heistellingen, zwaar beschadigd worden. Nadat de onderzoeksfase voor artefactvindplaatsen (vuursteen) is afgerond, adviseren wij daarom om het gebied te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek bij ingrepen die verstoring van de bodem behelzen. Indien enkel damwanden worden geplaatst, komt het proefsleuvenonderzoek te vervallen, en adviseren wij om af te zien van vervolgonderzoek, zodra de ‘steentijdfase’ is afgerond.
1.3.4 Zone B: verwachtingsmodel Voor zone B geldt een hoge verwachting voor behoudenswaardige vindplaatsen vanaf het Neolithicum. Dergelijke vindplaatsen worden gekenmerkt door een sporenniveau en een vondstlaag. Vondstmateriaal van vindplaatsen uit deze periode kan worden verwacht vanaf het maaiveld tot in de bouwvoor, het sporenniveau is zichtbaar vanaf de overgang van de bouwvoor naar de onderliggend afzettingen. Als gevolg van de verbruining van deze afzettingen is het mogelijk dat een eventueel sporenniveau moeilijk leesbaar is. In zone B dient te worden gerekend met de aanwezigheid van grafvelden met crematies uit de late prehistorie. Deze kunnen in grootte variëren van losse begravingen, via kleine grafveldjes met minder dan tien graven, tot de ‘klassieke’ grotere urnenvelden met tientallen bijzettingen. Voor deze begravingen geldt dat zij zeer moeilijk waarneembaar zullen zijn, aangezien grafheuvels ontbreken en de grafkuilen als gevolg van verbruining niet of nauwelijks zichtbaar zullen zijn.
1.3.5 Zone B: advies Het advies is om het gebied te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek bij ingrepen die verstoring van de bodem behelzen. Indien enkel damwanden worden geplaatst, komt het proefsleuvenonderzoek te vervallen, en adviseren wij om af te zien van vervolgonderzoek.
1.3.6 Zone C: verwachtingsmodel Zone C omvat het Dryasterras laag, waar geen vindplaatsen verwacht worden. Voor deze gebieden geldt een lage verwachting voor alle perioden. Het gebied rondom hotel Rooland, waar het bodemprofiel ernstig verstoord is, valt ook binnen zone C.
1.3.7 Zone C: advies Wij adviseren dan ook om dit gebied vrij te stellen van vervolgonderzoek.
1.3.8 Zone D: verwachtingsmodel Zone D ligt in zone C, maar kent een afwijkende archeologische verwachting, omdat deze twee gebieden over de (Dryas) restgeul van de Maas heen liggen. Voor zone D geldt een hoge verwachting voor sedimenten die geschikt zijn voor datering en paleo-ecologisch onderzoek.
1.3.9 Zone D: advies Deze geul kan het beste worden onderzocht door middel van boringen. In het noordelijke deel dient de (waarschijnlijk) aanwezige geul nog te worden opgespoord en begrensd door middel van een booronderzoek. Doel van dat onderzoek is ook om vast te stellen of zich in dit deel van het gebied, net zoals in het zuiden, lagen in de bodem bevinden die geschikt zijn voor het dateren van de (verlanding van) de restgeul en voor paleowww.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 8 van 282
ecologisch onderzoek. Lagen die voor deze doeleinden geschikt lijken, dienen te worden bemonsterd om deze onderzoeken mogelijk te maken. Gezien de zeldzaamheid van ontsluitingen van dit soort fenomenen, en de relatief geringe inspanning van het voorgestelde onderzoek, adviseren wij om deze onderzoeken te allen tijde uit te voeren.
1.4
Aanvulling februari 2022 met betrekking tot het nieuwe ontwerp
Na de eerste oplevering van deze rapportage is door de opdrachtgever aangegeven dat er een aantal wijzigingen in het ontwerp zijn aangebracht. Deze wijzigingen bevinden zich buiten het huidige plan- en onderzoeksgebied en worden hier kort besproken. Ter plaatse van het Hotel Rooland (Figuur 3 en Figuur 22) wordt geen keermuur meer aangelegd, maar wordt de ervoor liggende N271 verhoogd. Hiervoor wordt niet meer ontgraven dan voor de bestaande weg reeds heeft plaatsgevonden. Het advies om hier geen vervolgonderzoek uit te laten voeren blijft gehandhaafd. In het zuiden van het onderzoeksgebied wordt het stuk dijk dat aansluiting op de hogere gronden moet verzorgen circa 90 tot 140 meter naar het zuiden verplaatst (Figuur 5 en Figuur 23). Aangezien de nieuwe locatie in landschappelijke zin vergelijkbaar is met de oude locatie, wordt het advies dat voor het huidige deel van het plangebied geldt geëxtrapoleerd naar het nieuwe tracédeel: het uitvoeren van een karterend booronderzoek ten behoeve van het opsporen van artefactvindplaatsen, met aansluitend een proefsleuvenonderzoek.
Het rapport en bovenstaand advies dienen beoordeeld te worden door de adviseur archeologie van de gemeente Arcen. Op basis van dit rapport wordt het selectieadvies omgezet in een selectiebesluit.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 9 van 282
Figuur 2. Plan- en onderzoeksgebied op de topografische kaart (bron: ESRI Topo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 10 van 282
2 Inleiding 2.1
Aanleiding voor het onderzoek
In opdracht van Waterschap Limburg heeft Bodac B.V. een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) van Dijkring 65 te Arcen. De directe aanleiding is de aanleg en aanpassing van verschillende waterkerende werken, met name bestaande uit dijken en keermuren (Figuur 2). In de periode september 2021 tot februari 2022 is door Bodac een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor dit plangebied. 1 Onderhavig onderzoek heeft dan ook betrekking op de delen van het toenmalige plangebied welke geselecteerd zijn voor het verkennend booronderzoek. Daarnaast zijn er gedeeltes vrijgegeven op basis van een lage archeologische verwachting. Een zone rondom de Schanstoren is geselecteerd voor geofysisch onderzoek, en wordt apart gerapporteerd. Op basis van gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel, in combinatie met de verwachte verstoringen als gevolg van de voorgenomen bodemingrepen, kan na afloop van het bureauonderzoek worden gesteld dat het plangebied archeologisch gezien onvoldoende is onderzocht. Er bestaat een kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten in het onderzoeksgebied. Deze kans hangt echter in grote mate samen met de intactheid van het oorspronkelijke bodemprofiel en de diepteligging van bepaalde lagen die archeologisch relevant kunnen zijn.
Indien de bodem (grotendeels) verstoord blijkt te zijn, dan kan de archeologische verwachting voor het plangebied naar beneden worden bijgesteld. De beschikbare gegevens over verstoringen zijn onvoldoende om hier uitsluitsel over te geven. Daarom dient de staat van het bodemprofiel te worden vastgesteld door middel van een verkennend archeologisch onderzoek. Verkennend archeologisch onderzoek is niet bedoeld om archeologische vindplaatsen op te sporen en/of te begrenzen, maar heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en de stratigrafische positie en de intactheid van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen. 2 Gezien de aardkundige situatie in het plangebied kan deze verkenning het beste worden uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit archeologisch booronderzoek wordt het archeologische verwachtingsmodel aangepast, en volgt daaruit een nieuw selectieadvies met betrekking tot het al dan niet uitvoeren van een volgende onderzoeksfase.
2.2
Juridisch en methodologisch kader
Sinds 2010 zijn gemeenten in het kader van de Modernisering Monumentenzorg verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen, naast archeologische waarden, ook het bovengronds erfgoed hier in op te nemen. Binnen de geldende ruimtelijke plannen binnen het gebied, ‘bestemmingsplan buitengebied’ van 2009 en ‘Beheersverordening Arcen Dorp ‘van 2016 zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen. 3 Sinds 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het beleid gehanteerd door de provincie is vormgegeven in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). 4 Hierin is een visie, voor onder andere erfgoed, vastgelegd voor een periode van tien jaar. De hierin beschreven Limburgse ambitie luid als volgt: ‘De archeologische waarden in de Limburgse ondergrond blijven behouden, waar mogelijk onverstoord op de vindplek zelf (in situ).
De Limburgers zijn zich bewust van deze waarden en de betekenis ervan.’ De richtlijn voor de omgang met archeologie komt daarmee overeen met de Erfgoedwet, met extra nadruk op het bemiddelen van bewustwording van de archeologische waarden bij de inwoners van Limburg, en de plaats van archeologie binnen de vorming van de geschiedenis van Limburg. Het POL vormt ook de basis Sommers e.a. 2022. CCvD 2018. 3 Bestemmingsplan Buitengebied (NL.IMRO.09830000BP200904BUITAV) en Beheersverordening Arcen Dorp (NL.IMRO.0983.BV201501ARCENDORP-VA01) via www.ruimtelijkeplannen.nl. 4 Provinciale Staten van Limburg, 2014. 1 2
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 11 van 282
voor het gemeentelijk beleid. Provincie Limburg heeft eveneens archeologische aandachtsgebieden aangewezen, deze gebieden hebben echter geen juridische status. Doel van deze aanwijzing is vooral het vroegtijdig opstarten van archeologisch onderzoek bij ontwikkelingen in deze gebieden. De archeologische potentie en de daaraan verbonden consequenties met betrekking tot het plangebied zijn vastgelegd in een erfgoedverordening uit 2010 van gemeente Venlo 5 en een in 2015 door RAAP geactualiseerde archeologische beleidskaart. 6 Op de beleidskaart is het onderzoeksgebied gelegen in zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting, alsmede zones met een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen in natte context. Ook zijn in, of direct grenzend aan, het onderzoeksgebied bekende vindplaatsen en terreinen met een zeer hoge verwachting aanwezig. Tevens kruist het plangebied het AMK-terrein dat de oude kern van Arcen omvat. Voor de verschillende zones in het onderzoeksgebied geldt een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij voorgenomen ingrepen groter dan 100 vierkante meter (AMK-terrein en zeer hoge archeologische verwachting), 500 vierkante meter (hoge/middelhoge verwachting en hoge verwachting voor natte gebieden) en 5.000 vierkante meter (middelhoge verwachting voor natte gebieden).
Voor alle zones (ook voor bekende archeologische vindplaatsen) geldt een vrije verstoringsgrens tot 0,40 meter beneden het maaiveld. Op de verwachtingskaart is ook is de verwachte ligging van een Romeinse weg aangegeven; deze doorkruist het onderzoeksgebied verschillende keren. Als laatste valt een groot gedeelte van het noordelijk deel van het onderzoeksgebied binnen het provinciale aandachtsgebied Maasdal. Deze status heeft geen juridische basis maar de provincie zet hier in op een hoge kwaliteit archeologisch onderzoek, waarvoor de het wetenschappelijke kaders heeft geschetst. 7 Het onderzoeksgebied valt eveneens binnen de Archeologische Verwachtingskaart Maasdal (AVM), opgesteld voor het Maasdal tussen Mook en Eijsden. 8 Dit wordt in paragraaf 2.5 verder besproken. De locaties van de diverse werkzaamheden zijn vastgesteld, ook zijn conceptversies van de civieltechnische tekeningen beschikbaar. Op deze tekeningen zijn de verstoringsdieptes en breedtes nog niet volledig uitgetekend. Aangenomen wordt dat de voorgenomen plannen een verstoring veroorzaken die de ondergrens van 0,40 meter onder maaiveld overschrijdt.
Op basis daarvan is de initiatiefnemer verplicht om onderzoek te doen uitvoeren naar de aan- of afwezigheid van archeologische resten of sporen in het plangebied, de gaafheid en conservering daarvan en het effect van de voorgenomen ingrepen op deze archeologische waarden. Dit onderzoek dient te resulteren in een uitspraak over de archeologische potentie van het plangebied (zijn archeologische resten in het plangebied aanwezig, en zo ja, zijn ze behoudenswaardig) en een selectieadvies over de aard van het eventueel uit te voeren vervolgonderzoek. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1). 9
2.3
Overzicht van de geplande ingrepen
In het plangebied zijn de vele verschillende ingrepen gepland ten behoeve van de dijkversterking van Dijkring 65 bij Arcen, als onderdeel van Hoogwater Beschermingsprogramma (HWBP) Noordelijke Maasvallei. De aard van deze ingrepen verschilt echter sterk per locatie, hetgeen visueel weergegeven is in Figuur 3, Figuur 4 en Figuur 5. Daarnaast is dit schematisch omschreven in Tabel 1. Het grootste gedeelte van de werkzaamheden houdt in dat er een nieuwe dijk aangelegd wordt. Deze dijk heeft een breedte van circa 17,1 tot 25,7 meter, waarbij de bovenzijde van de dijk een horizontale breedte heeft van 4,5 meter (secties 1, 2, 4, 8 en 9 van Dijkring 65). De flanken lopen onder een talud van 1:3 naar het huidige maaiveld, waaronder nog klei-inkassing van circa 5 meter breed aan beide zijden van de nieuwe dijk plaatsvindt. De diepte die ontgraven moet worden voor deze inkassing is op dit moment niet bekend, deze maatvoering ontbreekt op de huidige tekeningen. Een schatting op basis van de schaal van de tekening levert een verstoringsdiepte van circa 1,5 meter op. Daarnaast wordt aan de landzijde van de dijk, meestal in het oosten, vrijwel https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR56152/1?&show-wti=false. Peeters 2015. 7 Peeters 2015. 8 Isarin e.a. 2015. 9 SIKB 2018. 5 6
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 12 van 282
overal een damwand van circa 2 tot 3,5 meter hoog in de grond gewerkt. Ten noorden van Arcen wordt tevens een groot gedeelte bestaande dijk verwijderd, waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden. Ten zuiden van Arcen, parallel aan de N271, is nog niet bekend of een keermuur of een dijk aangelegd (een gedeelte van sectie 2). Ter plaatse van de dijkversterking direct ten westen van het dorp Arcen, vanaf de achterkant van Schans 10b/c, is het ook mogelijk dat een zelfsluitende kering wordt aangebracht, die qua constructie sterk verschilt van de hiervoor genoemde keermuur (secties 6 en 7). Bij een zelfsluitende kering wordt namelijk een kering van circa 2,2 meter de grond in gewerkt die omhoog komt wanneer hoogwater dreigt. Hierbij is een bodemverstoring gemoeid van circa 4 meter breed en 2,5 meter diep. Bij de Wijmarsche Watermolen wordt, naast een waterkerend kunstwerk over de Lingsforterbeek, ten noorden en westen van deze watermolen een vistrap aangelegd (sectie 3). Daarnaast wordt ten noorden ervan de molenvijver uitgebreid. Van beide werkzaamheden zijn enkel grofweg de oppervlaktes bekend, respectievelijk 1.800 en 2.100 vierkante meter. Er zijn geen profielen of ontgravingsdieptes bekend. Ter plaatse van Hotel Rooland, het dorp Arcen, de kruising N271-Schans en kruising hoogwaterbescherming met Lingsforterbeek wordt een keermuur aangelegd (sectie 9).
Hierbij wordt een damwand van circa 3 tot 4 meter de grond ingebracht, waarbij geen ontgravingen plaatsvinden. Deze damwand steekt een gedeelte boven de grond uit, wat afgewerkt wordt met metselwerk. Op een aantal locaties wordt hier nog glas op geplaatst om het uitzicht te behouden.
Figuur 3. Locaties van de werkzaamheden bij hotel Rooland (achtergrond: ESRI Topo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma
Pagina 13 van 70 locatie gedeelte plangebied
sectie
lengte tracé (m) soort dijkversterking
grondroerende werkzaamheden
ten oosten van N271
1
275
aanleg dijk
klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend
parallel aan N271
1
537
aanleg keermuur of dijk
inbrengen damwand OF klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend, aan landzijde inbrengen pipingscherm
kruising N271-Schans (straat)
2
95
aanleg keermuur
inbrengen damwand
Schans (straat) t/m Watermolen
2 en 3
533
aanleg dijk
klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend, aan landzijde inbrengen pipingscherm
Wijmarsche Watermolen, kruising met Lingsforterbeek
3
93
aanleg waterkerend kunstwerk, vistrap en uitbreiding molenvijver
inbrengen twee damwanden en ontgravingen ten behoeve van een vistrap van molenvijver ten noorden van de Watermolen naar de uitmonding van de beek in de Maas, ook wordt de molenvijver circa 30 meter verbreed, diepte onbekend.
Schans (straat) tot de Schanstoren
4
326
aanleg dijk
klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend, aan landzijde inbrengen pipingscherm
Schans (straat) tot de Schanstoren
4
233
verwijderen huidige dijk
Geen, enkel bovengrondse verwijdering van dijklichaam
gebied rond de Schanstoren
5
83
aanleg keermuur
ten oosten van Schanstoren: inbrengen damwand
keermuur centrum Arcen
6 en 7
683
aanleg (zelfsluitende) keermuur
inbrengen damwand OF aanleg zelfsluitende constructie, waarbij 2 meter diep en 4 meter breed ontgraven wordt
parallel aan Maasstraat en Kruisweg, om Hertog Jan-brouwerij naar Maasstraat
8
1.700
aanleg dijk
klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend, aan landzijde inbrengen pipingscherm, de hier aanwezige kassen worden gesloopt
Parallel aan Broekhuizerweg, Steeningschenweg en Boerenweg naar Maasstraat
8
1.610
verwijderen huidige dijk
Geen, enkel bovengrondse verwijdering van dijklichaam
Boerenweg ten oosten van Maasstraat naar Zwarte Bergweg/N271
9
623
aanleg dijk
klei-inkassing aan beide zijde nieuwe dijk, circa 5 meter breed, diepte onbekend, aan landzijde inbrengen pipingscherm
Ter plaatse van hotel Rooland
9
121
aanleg keermuur
inbrengen damwand
Tabel 1. Overzicht van de locaties waar verschillende dijkversterkingen plaatsvinden en de hiermee gemoeide grondroerende werkzaamheden. Hierbij is de sectievolgorde van de dijkring aangehouden, hierdoor staan de werkzaamheden van zuid naar noord beschreven.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijki l
Pagina 14 van 70
Figuur 4. Locaties van de werkzaamheden binnen het noordelijk gedeelte van het plangebied.(achtergrond: ESRI Topo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 15 van 70
Figuur 5. Locaties van de werkzaamheden binnen het zuidelijke gedeelte van het plangebied, waarbij bij de N271 een dijk of keermuur aangelegd wordt (achtergrond: ESRI Topo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 16 van 70
3 Conclusie bureauonderzoek10 3.1
Conclusie
Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er binnen het plangebied over het algemeen een middelhoge tot hoge kans is op archeologische waarden uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de nieuwe tijd. Op twee locaties geldt een zeer hoge archeologische verwachting. Op één locatie in verband met de aldaar aanwezige Schanstoren, en het voormalige poortgebouw/tolhuis en gracht. Op de andere locatie in verband met een rivierduin waar een Romeinse villa op gevestigd is geweest. In een voormalige Maasgeul ten oosten van Arcen geldt een lage verwachting voor nederzettingsresten, wel kunnen archeologische hotspots aanwezig zijn. Een zone direct genzend aan de huidige Maas heeft een lage verwachting. Voor deze laatste zone geldt nog wel dat ter plaatse van de voormalige waterloop mogelijk resten aanwezig zijn van archeologische hotspots in natte context, zoals visfuiken of geofferde objecten, en daarbuiten kunnen lokale verhogingen aanwezig zijn die aantrekkelijk waren voor bewoning.
3.2
Gespecificeerde archeologische verwachting
Over het algemeen geldt binnen het grootste gedeelte van het plangebied een middelhoge of hoge verwachting op resten uit alle archeologische periodes (Tabel 2). Daarnaast geldt voor het gebied direct grenzend aan de huidige Maas een lage verwachting, omdat de Maas hier eventuele vindplaatsen zal hebben weg geërodeerd. Wel zijn er enkele nuances aanwezig. In het plangebied ten westen van de Dercksweg geldt een hoge verwachting op archeologische resten van een voormalige haven. Voor de oude Maasgeul ten oosten van Arcen geldt een lage archeologische verwachting voor resten van bewoning uit het Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd, wel kunnen hier archeologische hotspots in natte context niet uitgesloten worden binnen de voormalige waterloop. Binnen het omliggende gebied geldt ook een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode Neolithicum-Vroege Middeleeuwen, waarbij deze bewoning aanwezig zal zijn geweest op lokale verhogingen. Voor een strook direct grenzend aan de oostelijke oever van huidige Maas geldt een lage verwachting omdat de Maas hier eventuele resten weg zal hebben geërodeerd. Dit geldt ook voor de Maasoever bij de plaats Arcen, die tot in de nieuwe tijd enkel extensief gebruikt wordt, bijvoorbeeld als bleek. De vestingmuur die aanwezig is geweest aan de westzijde van Arcen ligt buiten het huidige plangebied.
Verder worden conform de archeologische beleidskaart mogelijk resten van een Romeinse weg verwacht. Er zijn twee locaties binnen het plangebied waar een zeer hoge archeologische verwachting geldt. Op één locatie ten noorden van Arcen geldt een zeer hoge verwachting vanwege de aanwezigheid van een rivierduin, welke waarschijnlijk een hogergelegen locatie in het landschap was. In het verlengde van deze verhoging is noordelijker een Romeinse villa aangetroffen. Hier geldt een zeer hoge verwachting voor alle archeologische periodes, behalve de Nieuwe Tijd. Uit het beschikbare kaartmateriaal zijn hier uit deze periode geen nederzettingen of andere archeologisch relevante objecten bekend. De andere locatie betreft het gebied rond de Schanstoren, waarvan bekend is dat er nog steeds muurwerk in de bodem aanwezig is. Ook is aan de overzijde van de weg Schans muurwerk gevonden bij een archeologische begeleiding ,dat mogelijk te koppelen is aan het poortgebouw/tolhuis. Ten zuiden van deze Schanstoren en het voormalige poortgebouw heeft een gracht gelegen die mogelijk in de loop van de tijd opgevuld is, ook hiervoor geldt een zeer hoge archeologische verwachting.
10 Naar Sommers e.a. 2022. Zie het bureauonderzoek voor meer (achtergrond)informatie, alsook de visuele weergave van de gespecificeerde archeologische verwachtingen.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 17 van 70 locatie
periode
verwachting
complextype
kenmerken
diepteligging
gaafheid
algemene hoge verwachtingen Jong-Paleolithicum t/m op verwachtingskaart Mesolithicum
hoog
incidentele bewoning, vondst- vuurstenen artefacten en orga- in de B-horizont strooiingen incidenteel sporen nische resten haardkuilen
onbekend
algemene hoge verwachtingen Neolithicum t/m op verwachtingskaart Nieuwe Tijd
hoog
nederzettingsresten
sporenniveau met organische en anorganische vondsten
direct onder de bouwvoor
onbekend
algemene middelhoge verwachtingen op verwachtingskaart
Jong-Paleolithicum t/m Mesolithicum
middelhoog
bewoning, vondststrooiingen incidenteel sporen
vuurstenen artefacten en orga- in de B-horizont nische resten haardkuilen
onbekend
algemene middelhoge verwachtingen op verwachtingskaart
Neolithicum t/m Nieuwe Tijd
middelhoog
nederzettingsresten
sporenniveau met organische en anorganische vondsten
direct onder de bouwvoor
onbekend
algemene lage verwachting op Jong-Paleolithicum t/m verwachtingskaart Nieuwe tijd
laag
n.v.t.
n.v.t
n.v.t.
verspoeld
voormalige Maasgeul ten oos- Jong-Paleolithicum t/m ten van Arcen Vroege Middeleeuwen
middelhoog
economische activiteiten en/of rituele deposities
losse en geïsoleerde vondsten van economische activiteiten, bijv. een visfuik, of ritueel gedeponeerde voorwerpen
in situ mogelijk direct onder de bouwvoor
onbekend
rivierduin ten noorden van Ar- Jong-Paleolithicum t/m cen Late Middeleeuwen
zeer hoog
incidentele bewoning, vondst- vuurstenen artefacten en orga- in de B-horizont strooiingen incidenteel sporen nische resten haardkuilen en/of direct onder en/of nederzettingsresten en/of sporenniveau met orga- de bouwvoor nische en anorganische vondsten
onbekend
gebied rond de Schanstoren
Late Middeleeuwen en 16de-17de eeuw
hoog
resten van verdedigingswerken
goed
diverse locaties (op basis van gemeentelijke verwachtingskaart)
Romeinse tijd
hoog
infrastructuur (Romeinse weg) verschillende verschijningsvor- direct onder de men in de vorm van een zand- bouwvoor pad met bermgreppel tot volledig onderheid wegdek op talud
aarden wallen en muurwerk, eventueel met afval(kuilen) rondom
direct onder de bouwvoor
Tabel 2. Archeologische verwachting per periode binnen het onderzoeksgebied, inclusief verwachte kenmerken, diepteligging en gaafheid van de eventuele vindplaats voor zover dit bekend is.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
onbekend
Pagina 18 van 70
4 Verkennend archeologisch booronderzoek 4.1
Uitvoering veldwerk
In de periode 6 augustus tot en met 11 november heeft Den Ouden Bodac B.V. een verkennend booronderzoek uitgevoerd in onderzoeksgebied. Hierbij zijn de boorpunten vrijgegeven door verschillende (senior) deskundigen OOO van hetzelfde bedrijf. Het onderzoeksteam bestond uit: − − − − −
drs. Y. Raczynski-Henk drs. R.P.A. Paulussen Niels Sommers MSc J.A.J. van Beers BSc W.W. Groenendijk Ma
senior KNA-prospector senior KNA-prospector KNA-prospector archeoloog archeoloog
Het was oorspronkelijk de bedoeling dat veldwerk voor het grootste deel in de eerste helft van augustus uitgevoerd zou worden. Tijdens veldonderzoek bleek echter dat de bodem als gevolg van de droogte van de lente en zomer van 2022 dermate ondoordringbaar en droog was, dat dit het zetten van de boringen sterk bemoeilijkte. Met name in gebieden waar bodemkundig gezien weinig activiteiten plaatsvinden, zoals (hogergelegen) graslanden, was de bovenlaag vrijwel ondoordringbaar. Vanaf boring 98 is daarom, in overleg met de opdrachtgever, besloten om de werkzaamheden op te schorten, waarbij boringen 74-97 al niet uitgevoerd kon worden door droogte en/of begroeiing. Enkele boringen op een pas geoogste akker zijn in deze fase wel nog gezet, in verband met een wintergewas dat gezaaid werd. Omdat de akker net geploegd was kon hier redelijk goed geboord worden. In oktober en november zijn de rest van de boringen gezet.
4.2
Doelstelling en vraagstelling onderzoek
Het verkennend archeologisch booronderzoek heeft als doel om door middel van boringen de ontstaansgeschiedenis, aard, topografie, morfologie en bodemvormende processen van de ondergrond in het plangebied in kaart te brengen. Aan de hand van de resultaten van het verkennend archeologisch booronderzoek wordt de mate van intactheid van de bodem en de daarmee samenhangende archeologische potentie van het plangebied bepaald. Ten behoeve van het verkennend booronderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: 11
4.2.1 Sediment en landschap 1. Wat is de landschappelijke context van het onderzoeksgebied?
11
2.
Welke lithogenetische eenheden kunnen worden onderscheiden? Wat zijn hun lithologische karakteristieken? Het gaat dan om textuur, korrelgrootte, sortering, afronding en kleur. Wat zijn hun sedimentaire structuren? Het gaat dan om gelaagdheid, overgangen tussen lithologische pakketten (gradueel, abrupt), dikte van de sets, fining upward sequenties, periglaciale en andere post-sedimentaire verschijnselen.
3.
Hoe kunnen de lithogenetische eenheden vertaald worden naar afzettingsmilieu, proces, transportkracht, seizoenale variatie en dynamiek?
4.
Wat zeggen de sedimenten over de waterhuishouding (oxidatie, oxidatie-reductie en reductiezone)?
5.
Welke fenomenen wijzen op stilstandfasen in de sedimentatie en waar zijn deze aangetroffen? Beschrijf de kenmerken waaronder diepteligging ten opzichte van maaiveld , ligging ten opzichte van NAP, aard van het moedermateriaal en lithogenetische eenheid, kleur en dikte.
Ontleend aan Van de Water 2022.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 19 van 70 6.
Waar is sprake van verbruining en wat zijn hiervan de kernmerken? Het betreft hier bijvoorbeeld aard moedermateriaal en genetische eenheid, kleur, dikte en de positie van de bodem ten opzichte van NAP en diepte onder maaiveld.
7.
Beschrijf per lithogenetische eenheid per onderzoeksgebied het referentie bodemprofiel.
8.
Zijn de (eventueel) op de bodemkaart aangegeven enkeerdgronden opgebouwd uit een plaggendek of hebben deze gronden een andere genese? Zo ja, welke?
9.
Is er sprake van verstoring van het bodemprofiel en daarmee afwijking van het verwachte referentieprofiel. Zo ja, waar en tot welke diepte is hier sprake van? Om welke ingrepen gaat het hier? Is er een natuurlijke verklaring voor afwijking van het referentieprofiel?
10. Welke terreindelen (in termen van lithogenese) hebben langere tijd dermate droog gelegen dat er voor langere tijd activiteiten, zoals bewoning konden plaatsvinden? Waar was sprake van goede mogelijkheden voor seizoenale activiteiten? Koppel deze aan NAP hoogten, zo dat een indicatie van posities ten opzichte van gemiddeld en hoge waterstanden kan worden verkregen. 11. Wat is de landschapsdynamiek in de in het tijdbereik voorkomende archeologische perioden in termen van risico voor bewoning en andere vormen van landgebruik? 12. Wat is de landschappelijke gaafheid en wat betekent deze in termen van archeologische verwachting? Zijn er locaties in het onderzoeksgebied die voor paleo-ecologisch of chronologisch onderzoek geschikt zijn? Zo ja, geef deze op een kaart aan met de beoogde vraagstelling in een apart document. Zo nee, wat is hiervoor de reden? 13. Hoe was de waterhuishouding voordat het gebied in de middeleeuwen door de mens werd ontwaterd? Op welke wijze is de waterhuishouding van invloed geweest op de locatiekeuze en het landgebruik in het verleden? 14. Zijn er verschillende fasen van rivieractiviteit te onderscheiden (verschillende generaties van kronkelwaardvorming) en zo ja, hoe zijn deze te onderscheiden en op welke diepte ten opzichte van maaiveld en hoogte ten opzichte van NAP komen deze voor? 15. Wat is de ouderdom van de waargenomen generaties? 16.
Zijn er verschillende fasen van kom- of oeverafzettingen te onderscheiden en zo ja, kunnen deze en hoe gekoppeld worden aan fasen/generaties van rivieractiviteit?
4.2.2 Archeologie 17. Zijn er, ondanks dat het onderzoek primair verkennend en landschap georiënteerd van aard is, archeologische resten aangetroffen? Zo ja, waaruit bestaan deze en wat is de ouderdom ervan? Zo nee, hoe kan de afwezigheid van vondsten worden verklaard? 18. Welke oppervlaktevondsten zijn gedaan? 19. Is er sprake van clustering of een anderszins verklaarbare verspreiding van vondstmateriaal? Zo ja, welke? 20. Is er een relatie tussen eventuele oppervlaktevondsten, eventueel in de boorkernen aangetroffen archeologische indicatoren en middels proefputten verkregen vindplaats en lithogenetische informatie? 21. Wat zijn de locaties, de diepteligging ten opzichte van het huidige maaiveld en NAP en de horizontale en verticale verspreiding van archeologische resten? 22. Zijn de vondsten te koppelen aan een specifieke lithogenetische eenheid en zo ja, welke? Zo nee, welk verband is er dan tussen de vondsten/indicatoren en de stratigrafie? 23. Is een archeologische stratigrafie aanwezig en zo ja, welke? Zo nee, verklaar dan het ontbreken van deze stratigrafie. 24. Kunnen er vindplaatsen worden begrensd? Zo ja, welke en wat is de omvang ervan? 25. Welke complextypen zijn aanwezig of voor welke complextypen bestaan sterke aanwijzingen? www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 20 van 70 26. Wat zijn de verwachte conservering en gaafheid van eventuele archeologische resten, gelet op de waterhuishouding (zones van oxidatie, oxidatie & reductie, alsmede reductie) het voormalig grondgebruik, natuurlijke processen van erosie en verspoeling en de aard van de ondergrond? 27. Kunnen er locaties gebieden worden begrensd waar zich intacte vuursteen vindplaatsen kunnen bevinden? Zo ja, welke en wat is de omvang ervan? 28. Wat zegt – op hoofdlijnen – de ligging van de vindplaatsen/complextypen over de locatiekeuze, gezien in een synchroon en diachroon perspectief?
4.2.3 Evaluatie 29. In hoeverre wijkt deze informatie af van datgene dat bij eerder onderzoek in of nabij (± 10 Maaskilometers) het plan/projectgebied is aangetroffen. Wat zijn mogelijke oorzaken van verschillen (b.v. interpretatie)? 30. In hoeverre kunnen, met enige betrouwbaarheid, aangetroffen sedimenten (b.v. top beddingafzettingen Late Dryas) op de bestaande verhanglijnen worden geplot? Indien dat niet het geval is, welke oorzaak is hiervoor aan te wijzen? 31. In hoeverre bevestigen de verkregen veldgegevens de data van de Geomorfogenetische Kaart Maasvallei (GKM)? Waar komen de gegevens overeen en waar wijken zij af? 32. Welke oorzaken zijn er voor de eventueel waargenomen discrepanties tussen bestaande GKM en de nieuwe veldgegevens? 33. Wat zijn de consequenties van eventuele discrepanties tussen veldgegevens en GKM in termen van landschapsgenese en daarmee archeologische verwachting? 34. Welke aspecten van de gevolgde werkwijze en methode zijn voor verbetering vatbaar en waarom? 35. Welke verbetering of optimalisering zouden moeten worden doorgevoerd en met welk doel?
4.3
Methode
4.3.1 Algemene methodiek In algemene zin wordt voor de methodiek verwezen naar de richtlijn voor verkennend archeologisch booronderzoek van de provincie Limburg: Verkenning PLUS. 12 Deze richtlijn is opgesteld ten behoeve van grootschalige onderzoeken in het stroomgebied van de Maas in Noord-Limburg in het kader van het zandmaasproject. Verkenning PLUS behelst een verzwaring van de standaard richtlijnen in de KNA betreffende verkennend archeologisch booronderzoek. Vanwege de specifieke omstandigheden van het onderhavige plangebied wordt gedeeltelijk van deze richtlijnen afgeweken. De afwijkingen hebben betrekking op de vorm van het plangebied en de daarvan afhankelijke plaatsing van de boorraaien en de afstand tussen de boringen, alsmede de voorgestelde boordiepte. De geo(morfo)logische structuren waarvan het karteren relevant is voor het archeologische verwachtingsmodel, liggen allemaal min of meer parallel aan de loop van de huidige geul van de Maas en haar voorlopers, grotendeels omdat zij onder invloed daarvan zijn ontstaan. Om het fijne reliëf in een dergelijk plangebied goed in kaart te brengen, verdient het in de regel aanbeveling om een booronderzoek uit te voeren in raaien haaks op deze structuren, vanaf de huidige maasgeul in de richting van de rand van het Maasdal.
Deze methodiek is bij verschillende booronderzoeken gehanteerd, die in het kader van het zandmaasproject zijn uitgevoerd in onderzoeksgebieden die in geomorfologische zin een grote gelijkenis met het plangebied vertonen. Het onderhavige plangebied bestaat hoofdzakelijk uit lijnelementen die een dergelijke aanpak slechts beperkt toelaten. Op basis van de hierboven beschreven methodiek kan worden gesteld dat de informatiewaarde van die delen van het plangebied die (min of meer) haaks op de geomorfologische structuren georiënteerd zijn, hoger is dan die van de min of meer parallel verlopende delen. Verder zijn er kleinere eenheden die mogelijk juist bij een 12
Ontleend aan Van de Water 2022.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 21 van 70 boorafstand van 20 meter gemist kunnen worden. Bij het opstellen van het boorgrid is hiermee rekening gehouden. Het totaal aantal boringen bedraagt 303. In algemene zin geldt als uitgangspunt dat een afstand tussen de boringen van 20 meter wordt gehanteerd ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) haaks liggen op de oriëntatie van de geomorfologische eenheden (Figuur 1-3). Waar de terreinomstandigheden en de begrenzing van het onderzoeksgebied dit toelaten, zijn boringen enigszins verlegd om voldoende dekking te realiseren ter plaatse van de overgangen tussen geomorfologische eenheden. Ter plaatse van lijnelementen die (min of meer) parallel aan de geomorfologische eenheden liggen, wordt een afstand tussen de boringen van 25 meter, lokaal meer, gehanteerd. De redenatie hierachter is, dan deze lijnelementen onder een zeer kleine hoek over de geomorfologische structuren heen lopen, hetgeen resulteert in een extreem ‘uitgerekt’ profiel van de dwarsdoorsnede. De geringe hoogteverschillen die door middel van het booronderzoek (onder andere) dienen te worden gekarteerd, zullen in een dergelijke projectie vrijwel geheel wegvallen. Het ‘comprimeren’ van deze raaien tot een haaks profiel doet geen recht aan de aardkundige variatie in het plangebied in noord-zuidelijke richting.
Uitzondering op de hierboven geschetste uitgangspunten zijn lokale fenomenen en enkele kleine gebieden waar poelen zijn geprojecteerd. De lokale fenomenen betreffen het rivierduin, de gepostuleerde Romeinse weg en een restgeul van de Maas. Ter plaatse van deze verschijnselen worden de boorlocaties dusdanig geplot, dat tenminste drie boringen binnen de gekarteerde eenheid vallen. Ter plaatse van de geplande poel worden de boringen vlakdekken, in een grind van 20 x 25 meter uitgevoerd, waarbij de afstand tussen de raaien 25 meter bedraagt. Naast deze uitzonderingen bevinden zich ten westen van Arcen (parallel aan de Maasstraat) veel smalle percelen. Om eventuele verschillen in grondbewerking in deze percelen in kaart te brengen wordt hier minstens één boring per perceel gezet. Hierdoor liggen twee reeksen van vijf boringen telkens 10 meter uit elkaar.
4.3.2 Diepte van de boringen De diepte van de boringen varieert doorheen het plangebied (Tabel 3). Waar de Verkenning PLUS uitgaat van diepe, vlakdekkende verstoring ten behoeve van de aanleg van nevengeulen van de Maas, blijft de verstoring in het plangebied in Arcen beperkt tot enkele smalle lijnelementen en een poel. Op basis daarvan wordt in algemene zin uitgegaan van een boordiepte die tot 0,50 meter onder de maximale verstoring reikt. Voor de lijnelementen in het plangebied houdt dat een boordiepte in die tussen 1,00 en 2,00 meter onder maaiveld valt. Uitzondering hierop zijn de tracédelen die in de zone vallen waar het Dryas-terras wordt afgedekt door jongere oeverafzettingen. In deze zone wordt iedere vijfde boring doorgezet tot tenminste 0,30 in de top van de terrasafzettingen. Een tweede uitzondering betreft de locatie waar het tracé de oude Maasgeul kruist. In de drie boringen die binnen de op de Geomorfogenetische Kaart van het Maasdal 13 geprojecteerde contour vallen, worden de boringen doorgezet tot een diepte van maximaal 3,00 meter onder maaiveld. Op basis van de boorprofielen uit het onderzoek van ADC in 2015 14, ten noorden van de hier beschreven locatie, wordt 3,00 meter diep genoeg geacht om eventueel aanwezige, humeuze restgeulafzettingen te documenteren.
De ontgravingsdiepte van de geplande poel in het tracé is ten tijde van het opstellen van dit plan niet bekend. Op basis daarvan wordt er van uitgegaan dat de boringen in het grid van deze locatie worden gezet tot een diepte van maximaal 2,00 meter onder maaiveld. De daadwerkelijke boordiepte wordt, wanneer mogelijk, voorafgaande aan het veldwerk bepaald. Voor de locatie waar een dijk verwijderd wordt, was ten tijde van het plan van aanpak nog niet duidelijk of hier grondroerende werkzaamheden plaats gingen vinden. Ten tijde van de uitvoering van de veldwerkzaamheden had de opdrachtgever duidelijk dat er bij deze werkzaamheden geen grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden. Het uitvoeren van een booronderzoek op deze locaties is dan ook niet noodzakelijk.
13 14
Isarin e.a. 2015. Zuidhoff & Huizer 2015.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 22 van 70 De reeks uitgevoerde boringen 45-67, 71-76, 78 en 91-97 zou tot een diepte van 2,00 meter uitgevoerd moeten worden. Tijdens het veldwerk is gebleken dat de bodemopbouw hier dermate homogeen is dat hier één per vijf boringen doorzetten tot deze diepte voldoende landschappelijke informatie opleverde. Daarbij zijn in deze reeks geen aanwijzingen voor (potentiële) archeologische niveaus op grotere diepte.
aantal max. boordiepte (m) opmerkingen 52 1,00 0,50 meter onder voorgenomen verstoring/ontgraving 152 2,00 0,50 meter onder voorgenomen ontgraving 16 2,00 (?) aanlegdiepte poel 18 0,30 onder oeverdek Dryas terras onder oeverdek 7 3,00 Oude Maasgeul 58 vervallen, geen grondroerende werkzaamheden bij verwijderen dijk. 303 totaal Tabel 3. Overzicht van de voorgenomen boordiepte bij het initieel aantal geplande boringen.
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 23 van 70
Figuur 6. De boringen in het zuiden van het onderzoeksgebied (achtergrond: OpenTopo).
Figuur 7. De boringen in het midden van het onderzoeksgebied (achtergrond: OpenTopo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 24 van 70
Figuur 8. De boringen in het onderzoeksgebied bij Hotel Rooland (achtergrond: OpenTopo).
Figuur 9. De boringen in het noorden van het onderzoeksgebied (achtergrond: OpenTopo).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 25 van 70
Figuur 10. Indeling van de paragrafen waarin de zuidelijke boringen besproken worden, ingedeeld op basis van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal (achtergrond: BRT Achtergrondkaart).
www.bodac.nl Verkennend booronderzoek archeologie - A22021 Hoogwaterbeschermingsprogramma Dijkring 65 te Arcen, gemeente Venlo
Pagina 26 van 70
4.4
Resultaten van het onderzoek
De resultaten van het veldwerk worden in deze paragraaf besproken. Voor de overzichtelijkheid worden de boringen in groepen besproken. Deze groepen zijn bepaald aan de hand van de Geomorfogenetische kaart van het Maasdal. Over het algemeen kan bij de uitgevoerde boringen gesproken worden over een relatief intacte bodemopbouw. De boorstaten van het onderzoek zijn toegevoegd in Bijlage 1. Onder elke groep beschrijvingen wordt de stratigrafische opbouw van de boringen schematisch weergegeven in een tabel. Deze tabellen geven enkel de opeenvolging van de aangetroffen lagen weer. Zij bevatten geen informatie over de dikte of de diepteligging van de lagen. Daarvoor verwijzen wij naar de boorstaten en, voor zover relevant, de afgebeelde profielen.
4.4.1 Boringen 1 tot en met 19 Deze reeks boringen is samen genomen, omdat zij op een (ouder) interstadiaal terras zijn gezet (Figuur 10 en Tabel 4). Boringen 1 tot en met 15 hebben een relatief gelijkaardige bodemopbouw, met een relatief dunne humeuze bovengrond van circa 10 tot 20 centimeter. Deze bestaat uit donkerbruingrijs, zwak tot matig humeus, matig fijn, zwak siltig zand, dat matig goed gesorteerd is (laag 1). In boring 1 en 2 is hieronder nog een daarop lijkende laag van 10-15 centimeter aangetroffen met vergelijkbare lithologische eigenschappen, maar nu bruinrood van kleur, en zonder humus (laag 2). In boring 3, 5, 8, 9, 14 is onder de humeuze bovengrond een laag aangetroffen welke gekenmerkt wordt door lichtbruingrijs, zwak siltig zand (laag 3). Hierna gaan de tot nu besproken boringen over in een pakket lichtbruin tot geel, zwak siltig zand (laag 4). In de overige boringen (4, 6, 7, 13, 15) gaat de humeuze bovengrond direct over in dit pakket lichtbruin tot geel, zwak siltig zand (laag 7). In boring 6 is de top van deze horizont voor circa 20 centimeter verrommeld. In boring 7, 11 en 12 is dit ook het geval, maar hier is de verrommelde laag tot een diepte van ten minste 90 tot 100 centimeter aanwezig (laag 5).
In boringen 10, 14 en 15 is onder laag 1 tevens sprake van een matig tot sterk humeuze laag van verrommeld, zwak siltig zand, variërend van dikte tussen de 60 en 80 centimeter (laag 5). Hieronder bevindt zich in alle boringen een laag van lichtgrijs, zwak siltig zand (laag 6). Vanaf boring 16 worden de aangetroffen sedimenten gevarieerder. De humeuze bovengrond bestaat doorgaans uit donkerbruin, zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand, dat matig slecht gesorteerd en niet afgerond is (laag 1). Hieronder bevindt zich in boring 16 en 17 een bruinrode, al dan niet zwak humeuze laag met vergelijkbare lithologische eigenschappen, met een dikte van circa 30 tot 40 centimeter (laag 2). Boring 18 bevat tot een diepte van 90 centimeter een opgebrachte laag (laag 5). Hieronder bevindt zich in alle boringen een laag van lichtgrijs, zwak siltig zand (laag 6). In boring 19 is deze op 200 centimeter gestuit op een onbekende ondoordringbare laag. In deze boringen zijn ook 15 van de 18 genomen grondwaterstanden vastgelegd, waaruit duidelijk wordt dat de grondwaterstand zich op circa 15 meter +NAP bevindt, variërend van 1,40 tot 2,00 meter onder maaiveld.
In boringen 1 en 2 is bodemkundig gezien een A-B-C profiel aangetroffen. In boringen 3, 5, 8, 9, 14 is een AAC-C profiel aangetroffen. In boringen 6, 7, 10-12, 14, 15, 18 is een A-X-C-profiel aangetroffen. Vanaf boring 16, 17 en 19 is bodemkundig gezien sprake van een A-Bw-C profiel. In de hierboven beschreven boringen lijkt sprake van een overgangszone van eolisch afgezette sedimenten (tot en met boring 12) naar fluviatiele afzettingen (vanaf boring 13, Figuur 11). Deze eerste afzettingen kunnen bestaan uit dekzand, maar gezien de locatie op een interstadiaal terras en de nabijgelegen Maasduinen, zal het hier eerder om rivierduinafzettingen gaan. In deze boringen heeft zich van nature een podzolbodem gevormd, welke in de eerste twee boringen nog (gedeeltelijk) aangetroffen is. In de andere boringen waarin rivierduinafzettingen zijn aangetroffen is deze bodemopbouw door menselijk handelen niet meer intact. Dit betekent niet direct dat de top van de C-horizont verstoord is. Dit is wel het geval in boringen 6, 7, 10-12, 14 en 15.