080 Bijl01 BP toelichting.pdf
Tekst van het document
Daarnaast wordt over de gehele lengte van het dijktraject een ondergrondse kwelscherm aangelegd waarvoor tevens grond moet worden geroerd dieper dan 3
63
meter beneden maaiveld en 5 meter beneden NAP. Voor deze werkzaamheden is dan ook een ontheffing Milieubeschermingsgebieden noodzakelijk. Conclusie Met inachtneming van de verplichtingen die volgen uit de Omgevingsverordening Limburg, zijnde een ontheffingsplicht en een compensatieplicht, voldoet het planvoornemen aan de regels van de Omgevingsverordening Limburg 2014.
3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 21 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg 2021 vastgesteld als opvolger van de Omgevingsverordening Limburg 2014. De nieuwe omgevingsverordening treedt echter pas in werking op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt (d.d. 1 januari 2024). Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 van kracht. Desalniettemin wordt onderstaand alvast kort ingegaan op de Omgevingsverordening Limburg 2021. De Omgevingsverordening Limburg 2021 is daar waar het plangebied en het planvoornemen raakt aan de in de verordening opgenomen regels inzake de thema's natuur en landschap en milieu een voortzetting van hetgeen in het huidig vigerende Omgevingsverordening Limburg 2014 is opgenomen en uiteengezet in voorgaande paragraaf. Conclusie Gelezen het voorgaande is het planvoornemen in lijn met het gestelde in de Omgevingsverordening Limburg 2021.
3.2.4 Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 Op 17 december 2021 heeft de Provinciale Staten van Limburg het Waterprogramma 2022-2027 vastgesteld. Dit programma is een uitwerking van het waterbeleid uit de Omgevingsvisie Limburg en geeft richting aan het waterbeleid in de provincie. Ten aanzien van de Maasvallei beschrijft het waterprogramma de opgave om het gebied te beschermen tegen hoogwater door maatregelen als rivierverruiming en/of dijkversterkingen om respectievelijk de waterstanden in de Maasvallei bij hoogwater zo laag mogelijk te houden en in 2050 aan de veiligheidsnormen uit de Waterwet te voldoen. Hierbij wordt ook de uitdaging geschetst om de negatieve impact van bijvoorbeeld dijkversterkingen op de omgevingskwaliteit zo beperkt mogelijk te houden door te kijken naar ontwerpoptimalisaties, maatwerk en innovatieve oplossingen. De provincie participeert in een aantal 'hoogwater' gerelateerde gebiedsprojecten met het doel om in deze gebieden de gebiedskwaliteiten te versterken, waaronder in voorliggend dijkversterkingsproject in Arcen. Dit vanuit de rol als middenbestuur en hoeder van ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Met voorliggend planvoornemen is sprake van een dijkversterking door middel van een dijkverlegging waarbij de nieuwe kering voldoet aan de veiligheidsnormen, zonder dat dit ten koste gaat van de (rivier)ruimte van de Maas.
In samenhang wordt ook de benedenloop van de Lingsforterbeek verbetert om te voldoen aan de KRW-doelstelling. Deze maatregelen worden met de nodige zorg en door middel van maatwerk in de omgeving ingepast om de negatieve impact van dit project zo minimaal mogelijk te houden en plaatselijk zelfs te verbeteren. Het voorgenomen plan is kortom in lijn met het Provinciaal Waterprogramma.
3.3 Beleid waterschap 3.3.1 Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Limburg heeft met het Waterbeheerplan 2016 – 2021 een integraal beleids- en uitvoeringsplan dat moet zorgen voor toekomstbestendig waterbeheer. Het beschrijft daarbij ook welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water. In het Waterbeheerplan benoemt Waterschap Limburg hoogwaterbescherming als belangrijkste taak voor het Maasdal. Anticiperen op klimaatverandering en het voorkomen van onveilige situaties zijn de opgaven voor de toekomst. Het Waterschap wil bebouwde gebieden beschermen door dijken of andere waterkeringen volgens de norm te versterken.
64
Het waterschap moet zorgen voor hoogwaterbescherming langs de Maas in Limburg conform de overstromingsrisicobenadering en de daarvoor geldende normen en uitgangspunten. Het wettelijke beschermingsniveau dat geldt voor bescherming tegen hoogwater Maas in Limburg is in 2017 vastgesteld. De gevraagde hoogwaterveiligheid wordt sober, doelmatig en omgevingsgericht gerealiseerd, waarbij nauw wordt samengewerkt met partners in het stroomgebied van de Maas (nationale, regionale en lokale overheden, land- en tuinbouwsector, veiligheidsregio's, natuur- en terreinbeherende organisaties en belangenverenigingen van inwoners) en staan open voor innovatieve methoden van dijkversterking. Conclusie Met voorgenomen plan wordt de dijkversterkingsopgave voor het dijktraject Arcen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt waarmee het huidige wettelijke beschermingsniveau aldaar wordt verwezenlijkt. Het plan is hiermee in lijn met het Waterbeheerplan.
3.3.2 Beheerplan Waterkeringen 2017-2022 Het beheerplan waterkeringen is een uitwerking van het Waterbeheerplan 2016-2021, met als doel het vastleggen van de uitgangspunten op basis waarvan het waterschap invulling geeft aan de zorgplicht voor de waterkeringen. Voor het afwegingskader van het type waterkeringen zijn de volgende uitgangspunten uit het beheerplan van toepassing: Veilig en risicogestuurd: Een algemeen geldend uitgangspunt is dat de landelijke voorschriften de leidraad zijn in de realisatie van hoogwaterbescherming. Doelmatig: Doelmatig houdt in dat gezocht wordt naar oplossingen met de laagste kosten, gerekend over de gehele levensduur van de primaire waterkering (“Life Cycle Costing” of LCC). Dit betreft dus zowel de investering als de instandhoudingskosten. Toekomstbestendig: We anticiperen bij het ontwerpen van waterkeringen op toekomstige ontwikkelingen en onzekerheden. Doelstelling hierbij is dat het uitgevoerde ontwerp tijdens zijn beoogde levensduur aan de vigerende wettelijke eisen blijft voldoen, redelijkerwijs blijft functioneren en doelmatig kan worden beheerd zonder dat ingrijpende en kostbare aanpassingen tussentijds noodzakelijk zijn en dat het ontwerp uit te breiden is indien dat economisch verantwoord is. Duurzaam: We streven duurzaamheid na, zowel bij aanleg, in de gebruiksfase, als ook na einde levensduur.
Hierbij is er bij de keuze voor een type waterkering een voorkeur voor materialen die volledig herbruikbaar zijn. In het beheerplan wordt op hoofdlijnen ingegaan op de keuze voor verschillende typen waterkeringen. Hoewel in eerste instantie wordt gestreefd naar groene, stabiele en erosiebestendige waterkeringen zonder constructies kan uit ruimtelijke overwegingen worden gekozen voor een (gedeeltelijk) harde kering. Er wordt alleen voor volledig harde waterkeringen gekozen waar het echt niet anders kan. Nieuw te realiseren (permanent aanwezige) beweegbare keringen en coupures moeten in principe een maatschappelijk belang dienen. Conclusie Aan het beheerplan wordt invulling gegeven door, waar dat mogelijk is, een groene dijk aan te leggen (deelgebied Noord). Ten behoeve van het maatschappelijk belang en het behoud van waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische elementen en monumenten worden is voor de deelgebieden Midden (stedelijk gebied Arcen) en Zuid (Barbara's Weerd, Schanstoren, Weimarsche watermolen, Kasteeltuinen) gekozen voor respectievelijk een beweegbare kering en een volledig harde kering. Het plan past hiermee binnen de uitgangspunten van het beheerplan.
3.3.3 Afwegingskader type kering De keuze voor een zelfsluitende kering in het stedelijk gebied van Arcen (deelgebied Midden) past binnen de beleidsregels van Waterschap Limburg maar is niet vanzelfsprekend. In het vastgestelde beleid "Afwegingskader type kering" d.d. 11 maart 2020, is in lijn met het Beheerplan Waterkeringen 2017-2022 een groene dijk de eerste keuze. Indien in verband met te weinig ruimte, of andere omstandigheden, een groene dijk niet inpasbaar is, wordt een harde kering (een betonnen constructie), eventueel deels aangevuld met glazen vensters, overwogen. Een zelfsluitende kering is tot op heden nog steeds een van de kostbaarste keringen en past niet vanzelfsprekend in het financiële adagium van sober en doelmatig. In het beleid wordt voor bijvoorbeeld beschermde stads- en dorpsgezichten een uitzondering gemaakt. Analyse
65
In het geval van Arcen is geen sprake van een beschermd stads- en dorpsgezicht. Om de door de omgeving gewenste zelfsluitende kering alsnog mogelijk te maken hebben het waterschap, de gemeente Venlo en de provincie Limburg samen met de directe bewoners en ondernemers binnen het plangebied gewerkt aan een sluitende 'business case'. De gemeente Venlo, de provincie Limburg en het Nationaal Rampenfonds dragen (elk met €0,5 miljoen euro) bij aan het sluitend krijgen van de business case. De bowoners dragen het meest bij door de te ontvangen schadeloosstellingen volledig in te zetten voor de zelfsluitende kering. De herstelkosten voor de tuinen wordt voor eigen rekening van de bewoners genomen. Conclusie Door middel van de business case waar de betrokken partijen de extra kosten dragen als gevolg van de keuze voor de aanleg van een zelfsluitende kering in deelgebied Midden voldoet het plan aan de uitgangspunten van het afwegingskader.
3.3.4 Keur Waterschap Limburg Het waterschap heeft de zorg voor het watersysteem: de veiligheid tegen hoog water en het beheer van grond- en oppervlaktewater. Binnen het beheergebied is Waterschap Limburg bevoegd gezag voor integraal waterbeheer en voor het (laten) toepassen van nationale en Europese wetgeving voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. Omdat handelingen van derden in de leefomgeving, bijvoorbeeld: bouwwerken, werkzaamheden of activiteiten, daarvoor een risico’s met zich mee kunnen brengen, heeft het waterschap een verordenende bevoegdheid. De specifieke verordening voor regulering van handelingen door derden in de omgeving van of met invloed op water, heet Keur. De Keur Waterschap Limburg, vastgesteld op 1 april 2019, bevat in het belang van het waterbeheer, voor het overgrote deel beperkende regelgeving voor activiteiten door derden in de leefomgeving. Daarnaast biedt de Keur mogelijkheden hoe deze activiteiten door derden in de leefomgeving wel uitvoerbaar zijn en verenigbaar zijn of zijn te maken met het belang van water.
Conclusie Voor de aanleg van een nieuw dijktraject, waarbij diverse waterstaatswerken worden gewijzigd, en de werkzaamheden in het kader van de beekherstel van de Lingsforterbeek is geen sprake van een dergelijke vergunningplicht op grond van de Keur en de Waterwet, omdat deze werkzaamheden door of vanwege de waterbeheerder zelf worden uitgevoerd. Conform artikel 5.4 van de Waterwet is de waterbeheerder verplicht om voor de aanleg of wijziging van waterstaatswerken een projectplan op te stellen. Zo ook voor voorliggend planvoornemen.
3.3.5 Legger Het waterschap is op grond van verplicht artikel 5.1 van de Waterwet en artikel 78, lid 2 van de Waterschapswet verplicht leggers van waterstaatswerken op te stellen. Een legger is een openbaar register, waarin gegevens van waterstaatswerken zijn opgenomen, zoals de locatie, vorm en afmetingen, de onderhoudsverplichtingen en de onderhoudsplichtigen. Onder waterstaatswerken wordt begrepen: oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken, zoals gemalen en sluizen. Juridisch moet de legger op grond van de Waterwet worden onderscheiden van de ‘onderhoudslegger’ als bedoeld in de Waterschapswet. In de ‘Waterschapswetlegger’ worden de onderhoudsplichtigen of -verplichtingen aangewezen. In de praktijk worden beide leggers nogal eens in één document opgenomen. De functie van de legger is om inzage te geven in de beheer- en onderhoudstaken van het waterschap en derden van de in de legger opgenomen waterstaatswerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsverplichtingen van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Daarbij geeft de legger ook aan tot waar het regime van de keur van toepassing is. Door een duidelijke vastlegging van een waterstaatswerk in de legger wordt duidelijk waar (met name) de gedoogplichten gelden (hst.
5 Waterwet) en de voorschriften uit hoofdstuk 6 van de Waterwet alsook de keur van het waterschap. De legger is verder van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing is mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken.
66
Tot slot is de legger van belang voor het aangegeven van de ruimtelijke reikwijdte waarop het regime van de keur van toepassing is. Conclusie Waterschap Limburg heeft de 'Waterwetlegger' en de 'Waterschapswetlegger' in een document opgenomen, waarin de gegevens met betrekking tot de huidige primaire waterkering binnen het plangebied is vastgelegd. Gezien de aard van voorliggend planvoornemen waarbij sprake is van de aanleg van een nieuw dijktracé ten faveure van het huidige dijktracé is ook een leggerwijziging nodig. De leggerwijziging is een specifieke besluitvorming dat parallel loopt met het door het waterschap op te stellen projectplan. De procedure met betrekking tot de voogenomen leggerwijziging is per 1 januari 2024 vervangen door de procedure met betrekking tot de wijziging van de werkingsgebieden van de Waterschapsverordening Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Venlo 2040 - Strategische visie gemeente Venlo Met de strategische Visie 'Venlo 2040', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 26 mei 2021, is de hoofdrichting beschreven van de toekomstige ontwikkeling van Venlo. Deze hoofdrichting heeft een abstract karakter en wordt nader geconcretiseerd in onderliggende beleidsdocumenten. Feitelijk is sprake van een actualisatie van de Strategische visie 2030. In de nieuwe strategische visie zijn nieuwe opgaven toegevoegd zoals (de voortgaande) digitalisering, duurzaamheid, energie en klimaat. Als leidraad voor het bestaande 'stedelijk' beleid staat de strategische koers echter nog steeds recht overeind: het zijn van een vitale (in omvang) licht groeiende gemeenschap met voldoende koopkracht om de voorzieningen in stand te houden, om de economie draaiende te houden. Naast een bescheiden groei van het aantal inwoners wordt ook gekeken naar een versterking van natuurwaarden van het gebied waarin ook de opwekking van energie en klimaatadaptatie een plek heeft gekregen. Bij de inpassing van alle functies wordt niet alleen gekeken naar de schaal van Venlo, maar ook naar de regionale schaal. Bij ingrepen ten behoeve van natuurontwikkeling en hoogwaterbeveiliging wordt gekozen voor een robuuste aanpak, waarbij functievermenging (met o.a.
vrijetijd, toerisme en agrarische bedrijvigheid) en kwaliteit belangrijke uitgangspunten zijn. Samen met de inwoners van Arcen is gezocht naar creatieve oplossingen die bijdragen aan de kwaliteit van hun woonomgeving. Afweging De voorgenomen ontwikkeling past binnen de algemene kaders van de strategische visie 'Venlo 2040'. Zo wordt invulling gegeven aan de doelstelling om de ingreep ten behoeve van hoogwaterveiligheid zoveel mogelijk te combineren met andere functies dan wel bij het planontwerp rekening te houden met andere functies, zoals vrijetijd en toerisme, alsmede de wensen van de direct omwonenden om zodoende de kwaliteit van de woon- en leefomgeving in stand te houden en/of te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is de zelfsluitende kering in de tuinen in deelgebied midden, waarbij alleen tijdens hoogwater de kering zichtbaar/aanwezig is.
3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie Venlo 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo vastgesteld. In de structuurvisie staan de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030, die inmiddels is opgevolgd door de in de voorgaande paragraaf beschreven visie 'Venlo 2040 – Strategische visie gemeente Venlo'. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. Majeure opgaven: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen het buitengebied en het stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere
67
2. 3. 4. 5.
functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. Ruimte in de stad: het contrast tussen het buitengebied en het stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht.
Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; hetzelfde georganiseerd draagvlak geniet. Een belangrijke opgave is Leven met de Maas (nummer 3.). Voor de gemeente Venlo is de noodzaak om zich voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Venlo krijgt te maken met grotere hoogwaterpieken in beken en in de Maas door extremere neerslagmomenten en langere perioden van droogte. Er moeten maatregelen worden getroffen en door middel van slimme oplossingen moet de gemeente zich aanpassen aan de toenemende onzekerheid en onvoorspelbaarheid van het klimaat. Tegelijkertijd wil de gemeente de Maasvallei koesteren als natuurlijke, authentieke en langzame tegenhanger van het zich dynamisch en grootschalig ontwikkelende Noord-Limburg als agrologistieke hotspot. De ‘levende rivier’ moet de ruimte worden gegeven, waarbij het principe ‘ruimte waar het kan, dijken waar het moet’, wordt gehanteerd. Het wettelijke beschermingsniveau tegen hoogwater in de regio Venlo is nog niet op orde.
De gemeente wil waterveiligheidsmaatregelen tot 2024 aanpassen aan de opgave voor de nog langere termijn, zodat de dijkaanpassingen in één keer goed kunnen worden uitgevoerd. Hierbij streeft de gemeente naar win-win-situaties met andere functies in een gebied. Conclusie De doelstelling van het dijkversterkingsprogramma is primair: het verbeteren van de waterveiligheid in de Maasvallei (versterkingsopgave). De dijkversterking Arcen is noodzakelijk om bescherming te bieden tegen hoogwater. Tegelijkertijd wordt met het dijkversterkingsproject het tracé van de kering daar waar dat mogelijk is zodanig aangepast c.q. verlegd dat ook rekening wordt gehouden met de noodzakelijke ruimte voor de rivier de Maas. Daarnaast wordt rekening gehouden met de noodzakelijke ruimte voor de Lingsforterbeek ter plaatse van het te kruisen dijktraject. Het planvoornemen voldoet hiermee aan het uitgangspunt 'ruimte waar het kan, dijken waar het moet' van het thema 'Leven met de Maas'. De dijkversterking Arcen voldoet daarmee aan de structuurvisie.
68
Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden en onderzoek 4.1 Milieu Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
4.1.1 Bodemkwaliteit 4.1.1.1
Inleiding
Bij een wijziging van een bestemming dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht te worden besteed aan de kwaliteit van bodem en grondwater. In beschouwing dient te worden genomen of er sprake is van gebruik dat gevoeliger is voor eventueel aanwezige bodemverontreinigingen dan het gebruik dat ingevolge de vigerende bestemmingsregelingen is toegestaan. In verband met de nu voorliggende beoogde inrichting van het plangebied is een verkennend (water)bodemonderzoek en een aanvulend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van de onderzoeken. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapporten welke zijn te raadplegen in respectievelijk bijlage 2, 3 en 4 bij voorliggende toelichting
4.1.1.2
Analyse
Op basis van voornoemde onderzoeken blijkt dat op een vijftal locaties ter plaatse van het plangebied sprake is van gevallen van bodemverontreiniging (landbodem) of een waterbodemverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarde. Deze zijn in onderstaand tabel (figuur 42) beschreven.
Figuur 42: Locaties met verontreinigingen.
De globale situering van deze locatie is in onderstaande afbeelding (figuur 43) weergegeven.
69
Figuur43: Locaties met verontreinigingen.
Daarnaast is van een aantal locaties onbekend of sprake is van ernstige verontreiniging en of een eventuele verontreiniging ook als zodanig gekwalificeerd wordt na realisatie van het plan, als de grens tussen waterbodem en landbodem als gevolg van het ontwerp van de nieuwe waterkerende constructie is verlegd. Het betreft vijf locaties die potentieel verontreinigd kunnen zijn (zie figuur 44).
Figuur 44: Locaties met potentiële verontreinigingen.
Uit bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat sprake is van meerdere sterk verontreinigde locaties. De aangetroffen bodemverontreinigingen zijn na aanleg van en (deel)sanering door het plan opgelost.
4.1.1.3
Conclusie
Op basis van het onderzoek is sprake van meerdere sterk verontreinigde locaties binnen het projectgebied. De aangetroffen verontreinigingen zijn na aanleg van, en (deel)sanering door het plan, opgelost. De effecten voor de bodem ten aanzien van de referentiesituatie zijn daarmee positief voor deelgebied Zuid en Noord en neutraal voor deelgebied Midden. Het aspect bodemkwaliteit vormt dan ook geen planologische belemmering voor het plan.
4.1.2 Bedrijven en milieuzonering 4.1.2.1
Inleiding
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
70
de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen; bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
4.1.2.2
Analyse
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe milieugevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarnaast worden geen nieuwe bedrijven opgericht of uitgebreid die hun weerslag hebben op milieugevoelige functies.
4.1.2.3
Conclusie
Met dit plan worden geen milieugevoelige bestemmingen en milieubelastende functies mogelijk gemaakt. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen planologische belemmering voor het plan.
4.1.3 Externe veiligheid 4.1.3.1
Inleiding
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
4.1.3.2
Beoordelingskader
Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Groepsrisico: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1').
Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Bron Inrichtingen (Bevi)
Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.
71
Buisleidingen (Bevb)
Transportroutes (Bevt)
Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
4.1.3.3
Analyse
In het plangebied worden geen kwaetsbare of beperkt kwetsbare activiteiten gerealiseerd en dientengevolge is er geen nadere analyse nodig ten aanzien van dit aspect.
4.1.3.4
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
4.1.4 Geluid 4.1.4.1
Inleiding
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd. Wijzigingen aan bestaande wegen kunnen invloed hebben op het akoestische klimaat van bestaande geluidgevoelige objecten/bestemmingen. Deze bescherming wordt geregeld in afdeling 4 "Reconstructies" van hoofdstuk VI "Zones langs wegen" uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder treedt bij wijzigingen aan bestaande verkeerswegen onder twee voorwaarden in werking: het betreft een fysieke wijziging aan de weg; door de wijziging is er in het toekomstig maatgevende jaar zonder het treffen van maatregelen een significante toename is van de geluidsbelasting (2 dB toename). Deze laatste voorwaarde geldt per geluidsgevoelige bestemming. Wordt aan deze voorwaarden voldaan dan is er sprake reconstructie in het kader van de Wet geluidhinder en zal de geluidsbelasting op de woningen getoetst moeten worden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Door middel van een akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai is onderzoek gedaan of ten aanzien van voorliggend planvoornemen sprake is va neen reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van dit onderzoek.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport welke is te raadplegen in bijlage 5 bij voorliggende toelichting
4.1.4.2
Analyse
Wegen met fysieke wijzigingen De geluidbelastingen in de situatie vóór (2024) en na de herinrichting (2035) zijn inzichtelijk gemaakt voor de eerstelijnsbebouwing (worst-case). De geluidbelasting (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh) ter plaatse van de maatgevende/relevante woning (i.e. woning met de hoogste geluidbelasting) is in navolgende tabel weergegeven.
72
De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Bruggerweg en de Broekhuizerweg bedraagt in 2035 minder dan of in elk geval ten hoogste de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is voor deze wegen geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Kruisweg en de Maasstraat bedraagt in 2035 meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De grootste toename ten opzichte van de geluidbelasting in 2024 bedraagt echter voor beide wegen minder dan 2 dB. Er is voor deze wegen geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Voor de wijzigingen aan de wegen is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Broekhuizerweg (30 km/uur) Het zuidelijke deel van de Broekhuizerweg heeft na verplaatsing een snelheid van 30 km/uur. Dit deel van de weg hoeft niet getoetst te worden in het kader van de Wet geluidhinder. Voor de volledigheid is de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over dit deel van de weg wel berekend. De geluidbelasting bedraagt 48 dB ter plaatse van de woning Maasstraat 65 in het toekomstige maatgevende jaar (2035) . De geluidbelasting (exclusief aftrek ex art. 110g Wgh) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde; daarmee is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Overige wegen zonder fysieke wijzigingen Voor wegen waar geen sprake is van een fysieke wijziging, maar waar door het planvoornemen wel een toename van 2 dB of meer te verwachten is, dienen ook in het onderzoek betrokken te worden. Vanwege de wijzigingen aan de wegen is er geen sprake van een verkeersaantrekkende werking voor onderhavige wegen. De toename van de verkeersintensiteit op overige wegen zal dus ten hoogste enkel bestaan uit de door de gemeente aangegeven groei. De toename van de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op deze wegen zal derhalve minder dan 2 dB bedragen. Maatregelen Omdat uit voorliggend onderzoek blijkt dat geen sprake is van een reconstuctie in de zin van de Wet geluidhinder is een onderzoek naar maatregelen niet noodzakelijk. Hogere waarde Er is geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en het vaststellen van een hogere waarde is niet noodzakelijk.
4.1.4.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
4.1.5 Luchtkwaliteit 4.1.5.1
Inleiding
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De Nederlandse wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit Europese richtlijnen en is vastgelegd in titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Artikel 5.16, 1ste lid geeft de grondslagen waarmee kan worden onderbouwd dat een plan aan de eisen met betrekking tot luchtkwaliteit voldoet: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; ten gevolge van het project is sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of de
73
concentratie blijft gelijk; het plan draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat de projectbijdragen NO2 en PM10 maximaal 3 % van de jaargemiddelde grenswaarde bedragen, oftewel maximaal 1,2 µg/m3. Wanneer een plan voldoet aan één of meerdere van de bovenstaande grondslagen, vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor realisatie van het plan.
4.1.5.2
Analyse
Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase (tijdelijke effecten) en de gebruiksfase (definitieve effecten). In dit dijkversterkingsproject is voor luchtkwaliteit enkel het aspect verkeer relevant. In de regel is het van belang om na te gaan of de realisatie van het project gevolgen heeft voor de hoeveelheid (motorisch) verkeer in het projectgebied en dientengevolge voor de luchtconcentraties van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Het aantal verkeersbewegingen blijft in de nieuwe gebruiksfase gelijk aan de huidige situatie (de autonome verkeersgroei buiten beschouwing latende). De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook geen gevolgen voor de luchtkwaliteit in de gebruiksfase. Tijdelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit vinden plaats in de aanlegfase van het project door transport en uitvoering van grondwerkzaamheden. Hoewel de werkzaamheden grootschalig van aard zijn, kan redelijkerwijs verwacht worden dat de belasting lokaal beperkt is en dat geen belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de jaargemiddelde concentraties PM10 en NO2. Door de fasering van werkzaamheden, het gebruik van ‘schoon’ materieel en omdat de werkzaamheden zich verplaatsen over het totale dijktraject is de belasting lokaal beperkt en slechts van tijdelijke aard.
Bovendien zijn er reeds lage achtergrondconcentraties in en rondom het plangebied, zie onderstaande figuren 50 en 51. Op de afbeeldingen is de omgeving van Arcen weergegeven. Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m³ als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. Op basis hiervan kan gesteld worden dat het voornemen realiseerbaar is binnen de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
74
Figuur 50: concenstratiesNO2 2020, meest actuele jaargemiddelden (www.atlasleefomgeving.nl).
75
Figuur 51: concenstratiesPM10 2020, meest actuele jaargemiddelden (www.atlasleefomgeving.nl).
4.1.5.3
Conclusie
De dijkversterking zorgt niet voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in de Wet milieubeheer. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
76
4.1.6 Milieueffectrapportage 4.1.6.1
Inleiding
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
4.1.6.2
Analyse
De dijkversterkingsopgave en de systeemopgave binnen het dijktraject Arcen vallen onder categorie D3.2 van het Besluit milieueffectrapportage: de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire keringen en rivierdijken. Op basis hiervan is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Waterschap Limburg heeft voor het dijktraject Arcen gekozen om direct een m.e.r.-procedure te doorlopen, vanwege de aard van de ingreep en het voordeel van het inzetten van een objectief instrumentarium voor het meenemen van de karakteristieke gebiedskenmerken in het ontwerpproces en een goed omgevings- en participatieproces (MER Fase 1 Dijktraject Arcen d.d. 28 mei 2020). Het voornemen om een m.e.r.-procedure te doorlopen is uitgebreider toegelicht in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (Notitie reikwijdte en detailniveau MER Projectplan dijktraject Arcen, Hoogwaterbeschermingsprogramma Noordelijke Maasvallei, Waterschap Limburg d.d. 23 februari 2018). Beiden zijn te raadplegen via: https://www.waterschaplimburg.nl/projectinformatie/dijkversterking-2/). In de verkenningsfase van het project is MER Fase 1 opgesteld, waarin de milieueffecten van verschillende oplossingen voor de dijkversterkingsopgave, systeemopgave en de beekherstelopgave (alternatieven) zijn beschreven.
MER Fase 1 is gebruikt voor de afweging van alternatieven en de bestuurlijke vaststelling van het voorkeursalternatief, zoals beschreven in 'Nota dijkverbetering, systeemmaatregel en beekherstel Voorkeursalternatief DT65 Arcen'. In MER Fase 2 worden de milieueffecten van het uitgewerkte voorkeursalternatief beschreven. MER Fase 1 en MER Fase 2 zijn daarmee belangrijke bijlagen bij het projectplan Waterwet en voorliggend bestemmingsplan. MER Fase 2 wordt gelijktijdig met voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
4.1.6.3
Conclusie
In het kader van voorliggend planvoornemen wordt een m.e.r.-procedure doorlopen.
4.2 Waarden 4.2.1 Archeologie 4.2.1.1
Inleiding
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
4.2.1.2
Analyse
Bureauonderzoek Het bureauonderzoek (bijlage 6) heeft duidelijk gemaakt dat er een kans is op archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied. Hierbij geldt over het algemeen een middelhoge tot zeer hoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum t/m Nieuwe Tijd. Specifiek worden resten verwacht van een Romeinse weg (die het onderzoeksgebied mogelijk meerdere keren kruist), van de verdedigingswerken (poortgebouw, muur, gracht en/of wal) uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd en van (de voorgangers van) de Wijmarsche Watermolen. Enkele locaties hebben een lage verwachting, een zone grenst direct aan de huidige Maas, de andere zone betreft het dal van een oude Maasgeul. Voor deze laatste zone geldt nog wel dat ter plaatse van de voormalige waterloop mogelijk resten aanwezig zijn van archeologische hotspots in natte context, zoals visfuiken of geofferde objecten, en daarbuiten kunnen lokale verhogingen aanwezig zijn die aantrekkelijk waren voor bewoning. Het wordt aanbevolen om een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren binnen de zones met een middelhoge tot zeer hoge verwachting, alsmede op de locaties waar kans is op het aantreffen van lokale hoogtes in het gebied met lage verwachting.
Ter plaatse van de locaties waar muurwerk verwacht wordt, bij de stadsmuur en Wijmarsche Watermolen, kan een geofysisch onderzoek uitkomst bieden om
77
eventueel muurwerk of puinbanen vast te stellen. Verkennend booronderzoek Uit het verkennende booronderzoek (bijlage 7) blijkt dat het geschetste beeld uit het bureauonderzoek op grote lijnen bevestigd wordt door de bevindingen in het veld. Op een enkele specifieke locatie, zoals bij de op een andere locatie aangetroffen Dryas geul en de niet aangetroffen rivierduin, wijkt het verwachte beeld af. In het algemeen kan gesteld worden dat de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied voor het overgrote deel intact is. Daarmee kan gesteld worden dat ook het potentiële archeologische vlak voor het overgrote deel intact is. Het advies van Bodac is om binnen de meeste delen van het onderzoeksgebied vervolgonderzoek uit te voeren. In onderstaande afbeelding zijn de verschillende verwachtingszones gedefinieerd op basis van de onderzoeksresultaten.
Zone A In zone A geldt een hoge kans op het aantreffen van artefactvindplaatsen vanaf het Mesolithicum. Voor vindplaatsen uit deze periode wordt geadviseerd om deze op te sporen en te begrenzen aan de hand van de richtlijnen uit de door SIKB uitgegeven leidraad voor karterend booronderzoek. Omdat de aard en afmeting van de te verwachten vindplaatsen onbekend is, en omdat het plangebied voor het overgrote deel uit smalle lijnelementen bestaat, adviseren wij om daarbij uit te gaan voor de zoekoptie voor kleine vindplaatsen met aan lage vondstdichtheid. In afwijking van de leidraad wordt geadviseerd om voor de maaswijdte ten behoeve van het zeven van de opgeboorde residuen, de richtlijn uit de Code van Goede praktijk te volgen. Deze Vlaamse equivalent van de KNA beveelt een maaswijdte van maximaal 2 millimeter aan, om de pakkans voor de vaak kleine artefacten te vergroten. Indien vuursteenvindplaatsen worden aangetroffen, dienen deze, voorafgaande aan het proefsleuvenonderzoek, verder te worden onderzocht.
78
Gezien de kwetsbaarheid van de verwachte vindplaatsen wordt geadviseerd om deze onderzoeksfase ook uit te voeren indien er enkel damwanden worden geplaatst. De vindplaatsen liggen zeer ondiep, en zullen ook door het aanleggen van bouwwegen en/of het manoeuvreren met zware machines zoals heistellingen, zwaar beschadigd worden. In zone A geldt een hoge kans op het aantreffen van nederzettingsterreinen vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd, en een hoge kans op het aantreffen van grafvelden uit de late prehistorie. Nadat de onderzoeksfase voor artefactvindplaatsen is afgerond, adviseren wij daarom om het gebied te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek bij ingrepen die verstoring van de bodem behelzen. Het is daarbij van groot belang dat bij het schavend verdiepen gelet wordt op de aanwezigheid van crematieresten (die mogelijk reeds deels aangeploegd zijn). Als gevolg van verbruining zijn de grafkuilen niet of nauwelijks waarneembaar.Indien enkel damwanden worden geplaatst, komt het proefsleuvenonderzoek te vervallen, en wordt geadiseerd om af te zien van vervolgonderzoek, zodra de ‘steentijdfase’ is afgerond. Zone B In zone B geldt een hoge kans op het aantreffen van nederzettingsterreinen vanaf het Neolithicum, maar vooral vanaf de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.
Geadviseerd wordt daarom om het gebied te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek bij ingrepen die verstoring van de bodem behelzen. Het is daarbij van groot belang dat bij het schavend verdiepen gelet wordt op de aanwezigheid van crematieresten (die mogelijk reeds deels aangeploegd zijn). Als gevolg van verbruining zijn de grafkuilen niet of nauwelijks waarneembaar. Indien enkel damwanden worden geplaatst, komt het proefsleuvenonderzoek te vervallen, en wordt geadiseerd om af te zien van vervolgonderzoek. Zone C Voor zone C geldt een lage verwachting voor alle perioden. Geadviseerd wordt om dit gebied vrij te stellen. Zone D Zone D kan het beste worden onderzocht door middel van boringen. In het noordelijke deel dient de (waarschijnlijk) aanwezige geul nog te worden opgespoord en begrensd door middel van een booronderzoek. Doel van dat onderzoek is ook om vast te stellen of zich in dit deel van het gebied, net zoals in het zuiden, lagen in de bodem bevinden die geschikt zijn voor het dateren van de (verlanding van) de restgeul en voor paleo-ecologisch onderzoek. Lagen die voor deze doeleinden geschikt lijken, dienen te worden bemonsterd om deze onderzoeken mogelijk te maken. Dit kan worden gedaan door middel van een mechanische boring met gesloten liners, of door het slaan van pollenbakken in blootliggende profielen.
Gezien de zeldzaamheid van ontsluitingen van dit soort fenomenen, en de relatief geringe inspanning van het voorgestelde onderzoek, wordt geadviseerd om deze onderzoeken te allen tijde uit te voeren.van vervolgonderzoek. PvE Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld en dit dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag, de gemeente Venlo. Gezien de aard van het onderzoek wordt geadviseerd om ook het booronderzoek op te nemen in het Programma van Eisen. Aanvullend advies Op basis van doorgevoerde wijzigingen in het ontwerp van de dijkversterking en -verlegging is in het rapport het volgende aanvullend geadviseerd: Ter plaatse van Hotel Rooland wordt geen keermuur meer aangelegd, maar wordt de ervoor liggende N271 verhoogd. Hiervoor wordt het bestaande wegdek verwijderd, opgehoogd en weer aangelegd. Hiervoor wordt niet meer ontgraven dan voor de bestaande weg reeds heeft plaatsgevonden. Geadviseerd wordt om hier geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. In het zuiden van het onderzoeksgebied wordt het stuk dijk dat aansluiting op de hogere gronden moet verzorgen circa 90 tot 140 meter naar het zuiden verplaatst.
Aangezien de nieuwe locatie in landschappelijke zin vergelijkbaar is met de oude locatie, wordt het advies dat voor het huidige deel van het plangebied geldt geëxtrapoleerd naar het nieuwe tracédeel: het uitvoeren van een karterend booronderzoek ten behoeve van het opsporen van artefactvindplaatsen, met aansluitend een proefsleuvenonderzoek. Inventariserend veldonderzoek zone A Op basis van voorgaande onderzoeken is een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O karterende en waarderende fase, bijlage 8) uitgevoerd in de gebieden die in het voorgaande verkennend
79
booronderzoek is geidentificeerd als 'zone A'. Geconcludeerd wordt dat de ondergrond van het plangebied bestaat uit verschillende afzettingen van de Maas (laatglaciaal en/of interstadiaal terras). De meeste boringen laten een intacte bodemvorming zien. De bodemopbouw past goed bij de ligging op een rivierterras dat niet langer actief overstroomd wordt. Het overige deel van de boringen ligt in de huidige overstromingsvlakte van de Maas, in oude restgeulen of in het stuifduin landschap. In dit grotendeels intacte terrassenlandschap zijn 14 steentijd vondstlocaties vastgesteld, waarmee de hoge verwachting voor vindplaatsen vanaf het Mesolithicum wordt bevestigd. De locatie van deze vondstlocaties is gebaseerd op het voorkomen van een of meerdere fragmenten antropogeen bewerkte vuursteen. De diepte van de vindplaatsen is relatief beperkt, veelal van 40 cm -mv t/m 100 cm -mv. Sommige vondstlocaties kunnen al voorkomen vanaf 30 cm -mv. De meeste vondstlocaties konden begrensd worden aan de hand van het karterende of waarderende booronderzoek. De combinatie van archeologische indicatoren en de gaafheid van het bodemprofiel zijn maatgevend voor de behoudenswaardigheid van deze vondstlocaties.
Het vaststellen van ook de informatiewaarde (waardering) van deze vondstlocaties vormde evenwel geen onderdeel van dit onderzoek en is met de toegepaste methodiek (alleen boringen) ook niet mogelijk. Ook is het met uitgevoerde onderzoek niet mogelijk om te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van vindplaatsen, grondsporen kunnen niet met booronderzoek worden opgespoord danwel vastgesteld. Gelet op de resultaten van het booronderzoek en de reikwijdte van de waardestelling, wordt geadviseerd om de aangetroffen vondstlocaties in situ te behouden. Indien dit niet mogelijk is, vanwege bodemverstorende activiteiten (vanaf maaiveld), dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Gezien de geringe diepte van het archeologische niveau (vanaf 40 cm -mv) en gezien er reeds karterend en waarderend booronderzoek heeft plaatsgevonden, kan dit uitgevoerd worden in de vorm van proefsleuven met zeefvakken (IVO-P, KNA 4.1 protocol 4003), gericht op het gravend waarderen van artefactconcentraties/-vindplaatsen. Daarbij is het advies om op basis van het soort vondstlocatie (clustering of geïsoleerde vondstlocatie) een selectie te maken van vondstlocaties waarvoor een vervolgonderzoek wordt geadviseerd.
Daarbij is tevens rekening gehouden met de aard van de geplande ingrepen en is in overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag een verticale bufferzone van 20 cm boven de diepteligging van aangetroffen vondsten gehanteerd en een horizontale bufferzone van 5 meter rondom elke vondstlocatie gehanteerd. Dit resulteert in het advies om bij vondstlocaties 1, 4, 5 en 8-13 vervolgonderzoek uit te voeren en vondstlocaties 2, 3, 6, 7 en 14 niet nader te onderzoeken op de aanwezigheid van vuursteenvindplaatsen.
80
Figuur 52a: Locaties vervolgonderzoek noordelijke deelgebieden.
81
82
83
Figuren 52b: advies vondstlocaties 1 tot en met 9.
84
Figuur 53a: Locaties vervolgonderzoek zuidelijke deelgebieden.
85
86
87
Figuren 53b: advies vondstlocaties 10 tot en met 14.
Het archeologisch selectieadvies heeft betrekking op de vuursteen vondstlocaties. In overige boringen zijn binnen onderhavig onderzoek eveneens archeologische waarden aangetroffen en hiervoor kunnen eveneens archeologische beperkingen gelden. In overleg met het bevoegd gezag heeft het advies van onderhavig onderzoek zich uitsluitend toegelegd op de vuursteen vindplaatsen. In aanvulling op bovenstaand selectieadvies is het aanbevelingswaardig om bij het geval van inpassing van de archeologische waarden in planvorming voor het plangebied de aanplant van diep wortelende vegetatie te vermijden. Deze zaken kunnen mogelijk resulteren in degradatie van de archeologische waarden, hetgeen in strijd is met behoud in situ. Op basis van dit onderzoek neemt de bevoegde overheid, de gemeente Venlo, samen met de Provincie Limburg een selectiebesluit voor het plangebied. Indien tijdens de uitvoering van grondwerk buiten de zones met archeologische waarden uit de steentijd toch archeologische (toevals)vondsten worden gedaan, geldt nog wel de wettelijke plicht om deze te melden bij de bevoegde overheid, zoals staat aangegeven in de Erfgoedwet (Art. 5.10). Daar waar bij de boorlocaties antropogeen vuursteen is aangetroffen zijn deze aangewezen voor vervolgonderzoek met als doel de vermoedelijke vindplaatsen nader te begrezen en te waarderen,
88
4.2.1.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande dient voor enkele daartoe aangewezen gebieden vervolgonderzoek plaats te vinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (protocol archeologische begeleiding) en/of een karterend en waarderend onderzoek alvorens met de aanlegfase van het planvoornemen wordt aangevangen. Onder de daartoe aangewezen gebieden vallen ondermeer de uit het archeologisch bureauonderzoek en het cultuurhistorisch onderzoek (zie 4.2.2) genoemde locaties ter plaatse van de Schans (oude omwalling en oude stadspoort), het tracé tussen de Schans - Raadhuisplein - Maasstraat en de Eikenweerd (westelijke stadsmuur) en langs de Maas aan de schanstoren (laad- en losplaats). Hiertoe dient een Programma van Eisen te worden opgesteld en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het aspect archeologie vormt met inachtneming van de hiervoor genoemde vervolgstappen en in dat kader eventueel te nemen maatregelen geen planologische belemmering voor het plan.
4.2.2 Cultuurhistorie 4.2.2.1
Inleiding
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
4.2.2.2
Analyse
In opdracht van Waterschap Limburg is cultuurhistorisch bureauonderzoek uitgevoerd naar de projectlocatie ‘dijkring 65’ (bijlage 9). Hieruit is gebleken dat historisch gezien Arcen een relatief beknopte geschiedenis kent. Van de Vroege Middeleeuwen is niks bekend van de plaats. Nadat het in 1330 een vrije heerlijkheid werd, was het een belangrijke plaats aan de Maas vanwege het verworven stapelrecht, resulterend in een aantal eeuwen economische voorspoed. In de 16e en 17e eeuw wordt Arcen een aantal keren ingenomen en worden zowel de verdedigingswerken als het kasteel diverse keren verwoest, hersteld of herbouwd. Naast de schanstoren en vesting, zijn er nog twee cultuurhistorisch waardevolle locaties binnen het plangebied gelegen die verband houden tot de Maashandel en de periode dat Arcen een versterkte nederzetting was. Het betreft twee laad- en loskades, aan de schanstoren en nabij de aanzet van de Eikenweerd. Hier is een grote kans op vondsten uit de veertiende eeuw en later. Dat geldt ook voor de oversteek naar Broekhuizen en in het bijzonder de locatie van het oude veerhuis aan de Kruisweg. Kasteel Arcen ligt grotendeels buiten het plangebied. Op de huidige locatie was al aan het eind van de vijftiende eeuw sprake van bebouwing. Een nieuw kasteel werd in 1511 gebouwd om in 1646 weer te worden verwoest. Vanaf 1653 wordt begonnen aan het huidige complex.
Tot het in een periode van ruim honderd jaar ontstane complex horen zowel de grachten, als ook het tracé van de Schans (als weg en dijklichaam). Het zeventiende-eeuwse complex reikte tot ver in de Maasduinen. De Lange Hek, een voormalige maliebaan die deels binnen het plangebied ligt, en de doolhoven getuigen hier nog van. Deze structuren zijn fysieke herinneringen aan de omvang van het oorspronkelijke aangelegde kasteeldomein. De Wymarsche watermolen dateert uit het derde kwart van de zeventiende eeuw (nadien meerdere malen verbouwd). Net vóór de samenkomst van Voortbeek en Lingsforterbeek zijn de fundamenten van de oude watermolen nog onder het wegtracé van de Schans aanwezig. Ten noorden van Arcen liggen (delen van) wegen die zijn terug te voeren tot ten minste 1830 en vermoedelijk al beduidend ouder zijn. Het betreft de Eikenweerd (Mergelsteeg), het zuidelijke deel van de Broekhuizerweg en het zuidelijke deel van de Wellerveldweg. Deze wegen liepen vanuit Arcen over en tussen de glooiingen van de voormalige velden. In oost-west richting werden deze doorsneden door de Kruisweg-Veldweg (weg van het veer en Broekhuizen naar Walbeck), de Derckxweg-Steeg (de oude weg die vrij van tol was naar Walbeck, Straelen en Geldern) en de Bruggerweg. Binnen het plangebied liggen delen van deze eeuwenoude oost-westelijke wegen.
Een andere tot de oorspronkelijke inrichting horende structuur, is het veldpad dat meteen ten oosten van de N271 loopt. Het verhaal van de bedijking in Arcen is (voor zover nu bekend is) relatief jong. Binnen het projectgebied is het laat-zeventiende-eeuwse dijklichaam waarop de Schans ligt, vermoedelijk het oudste relict. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw is op basis van oude kaarten inzichtelijk dat er wijzigingen worden doorgevoerd aan de steilranden/taluds van de Maasbedding, dat bepaalde wegen worden verhoogd en dat het beekdal van de Lingsforterbeek wordt gewijzigd. In de jaren 1920 vindt er een grotere wijzing plaats, waarbij de oostelijke oever
89
van de Maas wordt genormaliseerd, dijklichamen worden opgehoogd en er kribben worden geplaatst. In de jaren zeventig wordt de promenade aangelegd. De grootste ingreep vindt plaats na de watersnood van 1993 en 1995. Hierbij worden in het noordelijke gebied ringdijken opgeworpen. In de tuinen die aan de Maas grenzen zijn op diverse plaatsen keermuren en wallen zichtbaar en nabij de wegen en paadjes die vanaf de Maasstraat naar beneden lopen zijn constructies voor schotten geplaatst. Van noord naar zuid worden de volgende historische objecten onderscheiden en gewaardeerd.
90
Figuur 54: overzicht historischeobjecten en waardering.
Afgezien van het hierboven weergegeven overzicht dient te worden opgemerkt dat ter plaatse ook sprake is van aanwezige kleinere cultuurhistorische ojecten welke niet in het overzicht zijn opgenomen, zoals de 'luie peilschaal' ter plaatse van de Schanstoren. Ook deze kleinere, maar niet minder waardevolle, cultuurhistorische objecten worden bij de uitwerking c.q. herinrichting van het planvoornemen betrokken. Het effect van het planvoornemen op de onderscheiden cultuurhistorische waarden is bepaald aan de hand van de mate waarin zij de cultuurhistorie aantasten, behouden of herstellen. In zijn algemeenheid geldt voor bijna alle secties dat de bestaande dijklichamen uit 1996 worden afgegraven. Deze zijn niet nader gewaardeerd. Verholen kering Maasduinen, ophoging N271 en parallele keermuur t/m coupure Schans In het uiterste zuidoosten wordt een natuurlijk wallichaam geplaatst in de historische kasteeltuin. De zeer hoog gewaardeerde Maliebaan wordt door het wallichaam niet beïnvloed (deze ligt net iets oostelijker). Wel worden een greppel en een boslaan doorsneden die deel uitmaken van het zeer hoog gewaardeerde complex kasteel Arcen. Het ontwerp van het wallichaam wordt zoveel mogelijk “los gelegd” van de rechtlijnige tuinstructuren door een contrasterend natuurlijk ontwerp met verschillende hellingshoeken en aanplant. Historische bomen verdwijnen, maar worden teruggeplant.
Al met al wordt de referentiesituatie mild aangetast, al wordt dit zo veel mogelijk beperkt. Het is de minst schadelijke (en met Waterschap Limburg, Stichting Limburgs Landschap en gemeente Venlo overeengekomen) oplossing om hoogwaterbescherming en cultuurhistorie met elkaar te verenigen. Voorts wordt de N271 opgebroken en opgehoogd. Parallel hieraan wordt een keermuur aangebracht met een damwand tegen piping. Gezien de indifferente waarde van de N271 wordt dit noch als verslechtering noch als verbetering beoordeeld.
91
Gronddijk parallel aan de Schans In het uiterste zuiden maakt de keermuur een haakse hoek, daarbij wordt afstand gehouden van de min of meer west-oost lopende greppelsstructuren die deel zijn van het complex kasteel Arcen, zodat deze ongemoeid blijven. De hoog tot zeer hoog gewaardeerde Schans als laan met bomen blijft behouden. Eén boom wordt geofferd ten behoeve van een schotbalken systeem of deur als afsluitbare kering. Parallel aan de Schans wordt een dijklichaam aangelegd in een gebied zonder specifieke cultuurhistorische waarde. Tussen de dijk en de schans komt een vrij liggend fietspad. Dit tast de laan echter niet aan. Eén en ander wordt beoordeeld als geen relevante verandering voor de cultuurhistorie. Kistdam bij de Wijmarsche Watermolen Deze sectie heeft een zeer hoge cultuurhistorische waarde vanwege het ensemble van de Wijmarsche watermolen (Rijksmonument) en de samenvloeiing van diverse beken. Door de aanleg van een nieuwe waterkering komt de watermolen binnendijks te liggen. Daardoor verbetert weliswaar de hoogwaterbescherming (=behoud), maar de relatie tussen de watermolen en de (hoog gewaardeerde) beekarm naar de Maas raakt verstoord. De kering wordt uitgevoerd als een hoge kistdam en belemmert daardoor het zicht op de benedenloop van de beek. Er is dus geen sprake van behoud, maar aantasting van de beleving.
De waterloop (Lingsforterbeek) parallel aan de Schans dient om de watermolen te laten draaien en heeft daardoor een zeer hoge waarde. De waterloop kent echter een steil verhang, waardoor vissen niet kunnen migreren. Om dat mogelijk te maken wordt een vispasseerbare constructie onderzocht. Het slingerende verloop past misschien niet bij het door mensenhanden gemaakte rechtlijnige karakter van het watermolen-ensemble, maar door de toevoeging kan de Lingsforterbeek wel behouden blijven. Het één heft het ander op en dit wordt zodoende neutraal beoordeeld. Daarbij is watertoevoer naar de watermolen van belang, vanwege de cultuurhistorische waarde van het laten draaien van het bovenslagrad. Wel is in het ontwerp rekening gehouden met de wens van de uitbater van de IJsvogel om een per twee weken te stuwen en te malen. Als onderdeel van de herinrichting wordt het gemaal verplaatst, maar dit element is niet beoordeeld als een cultuurhistorische waarde. Oostelijker ligt het zeer hoog gewaardeerde complex kasteel Arcen, maar dat blijft door de plannen ongemoeid. Wel wijzigt de situatie rondom voeding van de kasteelgrachten. In de huidige situatie is de Lingsforterbeek namelijk een gestuwde beek, om op deze manier het waterpeil van de grachten in de kasteeltuinen te behouden zodat de fundering van het kasteel nat wordt gehouden.