CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

080 Bijl01 BP toelichting.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 6.5: Vaststellen bestemmingsplan Dijkversterking -verlegging Arcen (RV080)29.065 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

36

fietspad.

Figuur 18: Impressie van het dwarsprofiel van dijkvak 2.

Arcen-Zuid, dijkvak 3

Figuur 19: Inrichtingsplan van dijkvak 3. De op de afbeelding weergegeven vispassage maakt thans geen onderdeel uit van het planvoornemen. Hiervoor wordt te zijner tijd een nieuwe procedure doorlopen.

Dijkvak 3 begint in Barbara's Weerd, daar waar de Lommerbroeklossing onder de Schans doorstroomt. Vanaf hier begint het tracé namelijk niet meer de Schans te volgen, maar de lossing. In het tracéontwerp is rekening gehouden met het behoud van de binnendijks gelegen, voormalige molenvijver. Dijkvak 3 begint als groene kering, een voortzetting van de groene kering van dijkvak 2 (zie voor toelichting hierboven). Net zuidelijk van de aansluiting van de Lommerbroeklossing op de Lingsforterbeek wordt kerende functie overgenomen door een kistdam. De kistdam is nodig vanwege het grote hoogte verschil op dit traject. De maaiveldhoogte in Barbara's Weerd is circa NAP +15,60 meter. Rondom de Lingsforterbeek (die hier uitstroomt in de Maas) is het maaiveld circa NAP +12,4 meter. Er is dus sprake van meer dan 3 meter hoogteverschil. Bij een groene dijk zou vanwege de taluds het ruimtebeslag ter hoogte van de Wijmarsche Molen te groot worden om de Wijmarsche Watermolen te kunnen behouden. Daarom is gekozen voor de realisatie van een verticale, compacte kistdam. Deze kistdam heeft een ontwerphoogte van NAP +18 meter, met als levensduur 100 jaar. Het ontwerp van de kistdam wordt nog nader uitgewerkt. Wel wordt de kistdam voorzien van een gemaal om de afvoer van oppervlaktewater voorzien van een onderdoorgang voor de Lingsforterbeek. Deze onderdoorgang krijgt een T-vorm.

Zo ontstaat een kleine, vispasseerbare geul voor lage afvoeren en een hogere doorlaat die de piekafvoeren van de gecombineerde Lingsforterbeek en Lommerbroeklossing kan verwerken. De hogere doorlaat dient ook als fauna passage.

37

De doorlaat wordt voorzien van een dubbele afsluiter die bij hoogwater het Maaswater kan keren. Bij de doorlaat wordt een gemaal met pompopstelplaats gerealiseerd die het water uit de beek de Maas kan in pompen. Arcen-Zuid, dijkvak 4

Figuur 20: Inrichtingstekeningvan dijkvak 4. De op de afbeelding weergegeven vispassage maakt thans geen onderdeel uit van het planvoornemen. Hiervoor wordt te zijner tijd een nieuwe procedure doorlopen.

Ter hoogte van Schans 20 (de woning noordelijk van de watermolen, zie figuur 19) gaat dijkvak 3 over in dijkvak 4 (zie figuur 20). Ten opzichte van het huidige dijktraject wordt de kering landinwaarts verlegd. De oude kering komt te vervallen. Het tracé van de nieuwe groene kering volgt strak de contour van de parkeerplaats en eindigt in een geleidelijk, flauw verlopend talud naar de Maasoever, waarin het vervolg van de Burgemeester Linderspromenade vloeiend aansluit op de as van de kruin van de kering (het profiel van dijktraject 4 is vergelijkbaar met figuur 17). Hier is sprake van een monumentale overgang van de groene kering naar de constructieve oplossing rond de Schanstoren. Dijkvak 4 krijgt een kerende hoogte van NAP +18,0 meter (levensduur 50 jaar). Arcen-Zuid, dijkvak 5

Figuur 21: Inrichtingsplan van dijkvak 5.

Met het ontwerp van de kering over het Schanstorenplein wordt de kans benut om de historische toegang tot de ommuurde vesting Arcen te benadrukken (zie figuur 21). Vanaf de groene kering loopt een keermuur door tot de leuninghoogte van de toegangsweg naar Arcen. Deze muur is bovengronds gedimensioneerd op het zichtjaar 2075 (levensduur van 50 jaar), en krijgt daarmee een ontwerphoogte NAP + 18,3 meter. De ondergrondse constructie wordt gedimensioneerd voor het zichtjaar 2125 (levensduur van 100 jaar). De toegangsweg Schans wordt als een smalle, markante dam door de herstelde droge gracht aangelegd, als verwijzing naar een historische ophaalbrug. Aan de buitendijkse zijde van deze dam kan een demontabele kering worden aangebracht. Vanaf de dorpskernzijde van deze toegang, loopt over het plein vervolgens een demontabele kering naar het terras van het appartementencomplex 'la Tour Meuse' (dijkvak 6). Deze demontabele kering en de

38

deels demontabele kering ter plaatse van de dam is bovengronds gedimensioneerd voor het zichtjaar 2075 (levensduur 50 jaar), met een ontwerphoogte van NAP + 18,0 meter.

2.3.2 Arcen-Midden Het gebied Arcen-Midden met dijkvakken 6 en 7 ligt ten westen van het centrum van Arcen. De volgende wijzigingen zijn hier voorzien: Versterken huidige kering bij het appartementencomplex 'la Tour Meuse'; Realisatie glazen kering vanaf het appartementencomplex 'la Tour Meuse' tot en met Schans 10; Realiseren van een zelfsluitende kering met coupures; Versterken huidige kering bij Brasserie Alt Arce; Realisatie glazenkering bij parkeerplaats Spar; Realiseren van een bergingssysteem. Het doel van deze aanpassingen zijn als volgt: Het inpassen en toekomstbestendig maken van de maatwerkoplossing rondom het appartementencomplex 'la Tour Meuse' tot aan Schans 10, Brasserie Alt Arce en de parkeerplaats van de Spar. Het realiseren van zelfsluitende kering zorgt voor een versterking van de veiligheidsnormen. Daarnaast zorgt deze kering voor een blijvende verbinding van Arcen met de Maas. In figuur 23 is het inrichtingsplan getoond van dijkvakken 6 en 7. In het figuur van dijkvak 6 is tevens de legenda voor beiden figuren getoond.

39

Figuur 22: Inrichtingsplan van dijkvak 6 (links) en 7 (rechts).

Dijkvak 6: Appartementencomplex 'la Tour Meuse' Ter plaatse van het zuidelijke deel van Arcen Midden (dijkvak 6) bevindt zich het appartementencomplex (zie figuur 22 en figuur 23). Momenteel maakt de kelderwand van de parkeergarage onder het appartementencomplex onderdeel uit van de bestaande waterkering. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de bestaande kering niet meer voldoet aan de nieuwe ontwerpeisen.

40

Figuur 23: Overzichtstekeningvan appartementencomplex 'la Tour Meuse', bestaande uit een hoog gedeelte van 6 woonlagen en een laag gedeelte van 4 woonlagen.

Vanuit het Esthetisch Plan van Eisen zijn er doelen gesteld met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit en vormgeving en zijn deze vertaald naar esthetische eisen. Hieruit volgt dat het beeld als vestingmuur terug moet komen met de naar achter hellende wand, herkenbare bogen en het donkere metselwerk. De muur wordt daarom afgebroken en dusdanig opnieuw opgebouwd dat deze voldoet aan de nieuwe keringseisen. De belangrijkste kenmerken zijn: De muur wordt een op zichzelf staande constructie, zodat de stabiliteit van zowel het appartementen complex als de kering niet afhankelijk van elkaar zijn; Aan de zuidzijde, bij het terras, komt aansluitend op de demontabele kering van dijkvak 5 een glazenkering bovenop de waterkerende muur. Het zelfde geldt voor de balkons. Zo wordt het tracé op waterkerende hoogte te brengen. De bovenkant van deze glazen kering komt op NAP +18,1 meter te liggen. Voor de balkons geldt dat er een valbeveiliging komt boven de glazenkering op een hoogte van NAP +18,35 meter (om te kunnen voldoen aan het bouwbesluit). De balkons komen 0,85 meter verder naar voren te liggen omdat de kering voor het pand komt te liggen. Gezien het integrale karakter van deze kering (appartementencomplex en kering hangen nauw samen) zijn verschillende zichtjaren gehanteerd voor het ontwerp. Dit om rekening te houden met mogelijke toekomstige ontwikkelingen.

De constructie onder het frame waarin de glazen panelen is bevestigd wordt ontworpen en gerealiseerd op een levensduur van 100 jaar, met het zichtjaar 2125, waar de ontwerphoogte NAP +18,40 meter is. De glazen panelen en het frame wordt ontworpen en gerealiseerd op een levensduur van 50 jaar, met het zichtjaar 2075. Voor de overige kering zonder glazen wand geldt dat deze ontworpen worden op een levensduur van 100 jaar en gerealiseerd worden tot een hoogte behorend bij de 50 jaar levensduur. De kering dient wel geschikt te zijn voor een verhoging tot de ontwerphoogte horend bij 100 jaar. Dijkvak 6: van La Tour appartementencomplex 'la Tour Meuse' tot en met Schans 10 Vanaf het appartementencomplex tot en met de achterkant van Schans 10 is een glazen kering voorzien. Dit betreft een glazen topsegment bovenop een muurelement. Effectief wordt hier de vestigingsmuur van het appartementencomplex doorgetrokken. Daarnaast is op dit traject maar beperkt ruimte beschikbaar voor de realisatie van een kering. Een glazen kering neemt ten opzichte van een zelfsluitende kering minder ruimte in. De glazenkering wordt hier op vergelijkbare wijze gerealiseerd als bij het appartementencomplex (zichtjaar onderbouw 2125, en zichtjaar bovenbouw 2075).

Dijkvak 6 en 7: Bergingsysteem Aan de binnendijkse zijde van de zelfsluitende kering wordt een bergingssysteem gerealiseerd die afstromend regen- en kwelwater tijdens een Maashoogwater (bij gesloten keringen dus) op kan vangen en wegleiden. Dit bergingssysteem komt over een lengte van circa 685 meter te liggen en krijgt een inhoudt van circa 840 m3 . Bij volledige vulling kan de voorziening leeggepompt worden met een vijftal pompen. Dijkvak 6: Brasserie Alt Arce Bij het terras van Brasserie Alt Arce is momenteel een demontabele kering aanwezig. In de nieuwe situatie zal een geïntegreerde inpandige glazen kering met coupure worden gerealiseerd. Net zoals bij het appartementencomplex 'la Toure Meuse' zal deze kering als losstaande constructie worden geschouwd. Voortschrijdende instorting wordt op deze manier voorkomen. Dat wil zeggen dat door het bezwijken van of het pand, of kering de andere constructie hierdoor niet bezwijkt. De glazen panelen zullen vervangen moeten kunnen worden. Daarom wordt in het ontwerp van de nieuwbouw van de brasserie rekening gehouden met een demontabel dak, zodat glazen panelen van bovenaf in gehesen kunnen worden. De constructie onder het frame waarin de glazen panelen is bevestigd dient te worden ontworpen en gerealiseerd op een levensduur van 100 jaar, met het zichtjaar 2125.

De glazen panelen en het frame dienen te worden ontworpen en gerealiseerd op een levensduur van 100 jaar, met het zichtjaar 2125. Voor de poeren geldt dat deze ontworpen dienen te worden op een levensduur van 100 jaar.

41

De coupure wordt uitgevoerd als een sluitbare deur en heeft een drempelhoogte van NAP +14,75 meter. Zowel de ondergrondse constructie als de deur dienen te worden ontworpen en gerealiseerd op een levensduur van 100 jaar, met het zichtjaar 2125. De deur wordt verwerkt in de wand van het pand Alt Arce. De funderingsplaat onder de coupure en de wand dienen als geheel om de kantelveiligheid te waarborgen. Dijkvak 7: parkeerplaats Spar Het keringstraject komt over de parkeerplaats van de Spar te lopen. Vanwege de beschikbare ruimte is hier gekozen voor de realisatie van een glazen kering met coupure. Hier geldt dat de onderbouw van de constructie een levensduur van 100 jaar krijgt (zichtjaar 2125) en de bovenbouw (glas) een levensduur van 50 jaar (zichtjaar 2075). In figuur 24 is een voorbeeld weergegeven van een dwarsprofiel van een glazenkering.

Figuur 24: Voorbeeld dwarsprofiel van een glazenkering.

Dijkvak 6 en 7: Zelfsluitende kering De kering loopt door de achtertuinen van de bewoners van de Maasstraat. Hier is een zelfsluitende kering voorzien die bij normale omstandigheden verzonken ligt in het maaiveld. Voor de realisatie van een zelfsluitende kering wordt afhankelijk van de plek het maaiveld binnendijks verhoogd tot NAP +16,2 of +16,5 meter. Dit verschil in hoogte is onder andere afhankelijk voor de gevoeligheid van de percelen voor waterhuishoudkundige problemen. De kerende hoogte van de zelfsluitende kering wordt NAP +18,4 meter. Inclusief een 1 meter breed beheerpad aan beiden zijden, is een ruimtebeslag van 6 meter nodig. In figuur 25 is een voorbeeld te zien van een dwarsdoorsnede van de kering, in geval van een hoogte verschil in het maaiveld. Over deze zes meter wordt een zakelijk recht gevestigd. Aansluitend aan de binnenzijde van deze zone komt aan de binnendijkse zijde een obstakelvrije zone van 3 meter.

Figuur 25: Voorbeeld van een dwarsdoorsnede van de harde kering in geval van een hoogteverschilin het maaiveld.

Zoals te zien in zullen de tuinen door de kering een hoogteverschil krijgen. Er zal daarom aan de buitendijkse zijde – afhankelijk van het hoogteverschil en breedte van de tuin - een trap of hellingbaan gemaakt worden, zodat de hele tuin bereikbaar blijft. In het Esthetisch Programma van Eisen wordt per locatie beschreven hoe dit opgelost moet worden. De Burgemeester Linders-Promenade langs de Maas, wordt bereikbaar gehouden door de kruising van de openbare wegen met de kering te voorzien van coupures. Dit betreft de volgende toegangswegen: De toegangsweg tussen Schans 10 en 8, uitgevoerd als trap; De toegangsweg tussen Raadhuisplein 15 en Brasserie Alt Arce, uitgevoerd als hellingbaan om de Burgemeester Linders-Promenade bereikbaar te houden voor onder andere invaliden, buggy's en fietsers; Het toegangspad naar de Burgemeester Linders-Promenade tussen Maasstraat 21 en 23, uitgevoerd als trap; De toegangsweg tussen Maasstraat 27 en 29, uitgevoerd als trap.

42

2.3.3 Arcen-Noord Het gebied Arcen-Zuid met dijkvakken 8 en 9 ligt ten noord/westen van het centrum van Arcen. De volgende wijzigingen zijn hier voorzien: Verplaatsen dijktraject; Aanpassingen aan de Laaklossing en Boerenhuizenlossing; Realisatie dubbele afsluiters en pompopstellocatie; Op hoogte brengen N271 als maatwerkoplossing voor Hotel Rooland. Het doel van deze aanpassingen zijn als volgt: Het versterken van dijkring 65 Arcen zodat deze voldoet aan de huidige normering; Garanderen van de afvoercapaciteit van de Laak- en Boerenhuizenlossing in reguliere situaties en gedurende Maashoogwaters. Arcen-Noord, dijkvak 8a

Figuur 26: Inrichtingsplan van dijkvak 8a.

Dijkvak 8 loopt vanaf de harde kering in dijkvak 7 om de woning van Maasstraat 79 (zie figuur 22 en figuur 26). Hierbij wordt de Broekhuizerweg in het flauwe binnentalud gelegd, zodat deze in een doorgaande lijn het dijklichaam kan kruisen. Het dijktraject loopt vervolgens om Maasstraat 79, waar deze de Wellerveldweg passeert. De Wellerveldweg zal dus op deze locatie niet meer passeerbaar zijn voor voertuigen. Voor voetgangers zal echter een trap aan weerszijden van de kering gerealiseerd worden. Landbouwvoertuigen kunnen de Wellerveldweg bereiken door een nieuw aan te leggen verbinding tussen Boerenhuizenweg en Wellerveldweg, aan de buitendijkse zijde van het nieuwe dijktracé. Dijktraject 8a ligt vervolgens op de kortst mogelijke afstand van, en parallel aan de westzijde van de Maasstraat, die opnieuw wordt beplant. De kering komt op een hoogte van NAP +17,65 meter te liggen (zie ook figuur 27), aflopende naar NAP +17,45 meter op het einde van het tracé. Dit komt overeen met een levensduur van 50 jaar.

43

Figuur 27: Dwarsprofiel dijktrject 8a langs de Maasstraat.

Arcen-Noord, dijkvak 8b

Figuur 29: Inrichtingsplan van dijkvak 8b.

Ter hoogt van Maasstraat 140 loopt het dijktraject over een oost-west lijn richting de Maas (zie figuur 29). Hierbij zal de kering langs het perceel van De Hertog Jan Proeverij lopen en vlak achter (westelijk) de huidige Broekhuizerweg haaks richting het noorden afbuigen. De groene kering krijgt een levensduur van 50 jaar, met bijbehorende hoogte van NAP +17,65 meter (zie figuur 30).

Figuur 30: Dwarsprofiel dijktraject 8b.

Arcen-Noord, dijkvak 8c

44

Figuur 31: Inrichtingsplan van dijkvak 8c.

Dijkvak 8c begint nabij de Broekhuizerweg en loopt richting het noorden in de vorm van een groene kering (zie figuur 31). Ter hoogte van de Kruisweg wordt een coupure aangelegd die de verbinding met het veer naar Broekhuizen garandeert. De weg wordt ter plaatse van de coupure opgehoogd naar 16,50 meter boven NAP. Dit zorgt ervoor dat de coupure later gesloten kan worden bij aankomend hoogwater, en dat de verbinding met het veer in een dergelijke situatie langer intact blijft. Na de coupure vervolgt het tracé van de groene kering naar het noorden, om ter plaatse van de manege achterlangs de Hertog Jan Brouwerij naar het oosten te buigen naar de Maasstraat. De Maasstraat wordt ter plaatse van het dijktraject op kerende hoogte gebracht. Zo hoeft hier geen coupure gemaakt te worden. De kering krijgt een hoogte van NAP +17,55 meter, aflopende naar NAP +17,45 meter (zie figuur 32) op het einde van het tracé (levensduur van 50 jaar).

Figuur 32: Dwarsrpfiel dijktraject 8c.

De bestaande dijk lopende vanaf kern Arcen (Maasstraat 79), langs de Broekhuizerweg naar de Maasstraat, wordt afgegraven.

45

Arcen-Noord, dijkvak 9

Figuur 33: Inrichtingsplan van dijkvak 9.

Dijkvak 9 loopt vanaf de Maasstraat door het dal van de Laak- en Boerenhuizenlossing naar de N271. De huidige Bruggerweg zal op de dijk gelegd worden. Daar waar het dijktraject een afslag naar het noorden neemt, zal de Bruggerweg met een flauwe talud aansluiten op het bestaande tracé van deze weg. Het dijktracé zal richting het noorden lopen over de landbouwweg 'Verlengde Leeberg'. Deze weg komt ook over het dijktracé te liggen. Na ongeveer 180 meter zal het dijktracé afslaan richting de N271, om vervolgens op deze weg haaks aan te sluiten. De kering krijgt een waterkerende hoogte van NAP +17,45 meter (zie figuur 34), aflopende naar NAP +17,4 meter op het einde van het tracé (levensduur van 50 jaar).

Figuur 34: Dwarsprofiel dijktraject 9.

Dijkvak 9 zal zowel de Laaklossing als de Boerenhuizenlossing gaan kruisen. Voor beiden geldt dat de duiker waarmee het dijktraject gekruist gaat worden, een diameter krijgt van 800 millimeter. De duikers worden voorzien van een dubbele afsluiter, die ervoor zorgt dat de lossingen afgesloten kunnen worden bij een hoogwater. Bovenop de kering komt ter hoogte van de kruising een pompopstelplaats. Bij de opstelplaats worden twee betonnen toegangskokers geplaatst die ongeveer één meter boven maaiveld uitsteken en toegang verschaffen tot de er onderliggende duiker (zie figuur 35 voor een voorbeeld hiervan)

46

Figuur 35: Voorbeeld van toegangskokersbij Beesel voor een kruising van de beek met de dijk, inclusief een pompopstelplaats.

Als gevolg van het nieuwe en verhoogde traject komt Hotel Rooland aan de N271 buitendijks te liggen. De N271 dient nu nog als primaire kering, maar deze status zal op deze locatie komen te vervallen. Als maatwerkoplossing wordt daarom de N271 met naastliggende bermen bij Hotel Rooland 1 à 2 decimeter opgehoogd. Daardoor blijft het hotel beschermd met een overstromingskans van 1:50 per jaar, conform de nieuwe normering voor waterkeringen uit 2017. Het hoogwaterbeschermingsniveau wordt daarmee beter dan van de huidige situatie.

2.3.4 Geheel traject: kwelschermen Een belangrijk faalmechanisme van waterkeringen is piping. Bij piping ontstaat ondergronds een lokale waterstroom van buiten- naar binnendijks gebied. Dit kan gebeuren wanneer het waterniveau aan de buitendijkse zijde hoger is dan het maaiveldniveau aan de binnendijkse zijde. Deze waterstroom kan het fundament van de dijk verzwakken, met bezwijken van de dijk als gevolg. Om dit tegen te gaan worden kwelschermen aangebracht onder het keringstraject. In figuur 36 is getoond waar de kwelschermen komen. Deze schermen worden tot een diepte gezet die in figuur 36 wordt getoond in meter boven NAP (in zowel het plaatje als in de legenda). Ter plaatse van de hoge gronden – die gebieden die van nature sowieso hoger zijn dan het maatgevende hoogwater – kan piping niet optreden. Het gehele maaiveld ligt namelijk per definitie hoger dan het maatgevende hoogwater, waardoor grondwater zich bij hoogwater dus niet door het maaiveld omhoog kan drukken. De kwelschermen reiken slechts tot een beperkte diepte in het watervoerende pakket dat boven de Venloklei (Venloschol) ligt. Dit watervoerende pakket is 15 tot 20 meter dik. De kwelschermen zullen dus niet het volledige watervoerende pakket afsluiten (ze reiken niet tot in de Venloklei). Grondwater kan daarom ongehinderd onder de kwelschermen doorstromen.

47

Figuur 36: Liggingvan de kwelschermenmet daarin aangegeven de globale diepten ten opzichte van NAP.

2.3.5 Geheel traject: aanleghoogte Voor de aanleg van de groene dijken moet er rekening gehouden worden met klink van het ophoogmateriaal en mogelijke zettingen in de ondergrond. De dijk wordt als gevolg hiervan lager dan deze aangelegd is. Om ervoor te zorgen dat de dijk zijn ontwerphoogte krijgt – de hoogte die nodig is voor de hoogwaterveiligheid - zullen ze hoger aangelegd moeten worden dan ontworpen. Deze overhoogte mag maximaal 20 centimeter bedragen. Deze hoogte komt bovenop de ontwerphoogte van de groene dijken hierboven genoemd in paragraaf 2.3.1 en 2.3.3. Deze hoogte klinkt in binnen de contractperiode. Als eis wordt meegenomen dat de aannemer bij oplevering (verwachting eind 2027) moet aantonen dat de restzetting en klink gezamenlijk één jaar na oplevering leiden tot een maximale overhoogte van 5 centimeter. De harde keringen worden direct op ontwerphoogte aangelegd. Deze kunnen dusdanig aangelegd worden dat inklinking en zetting geen rol speelt.

2.3.6 Geheel traject: ruimtelijke kwaliteit Landschappelijke kernkwaliteiten in het provinciaal beleid Een groot deel van het dijktraceì is in het Provinciaal Omgevingsplan 2014 aangewezen als Goudgroene en/of Zilvergroene natuurzone en/of Bronsgroene landschapszone. Het beleid binnen de Bronsgroene landschapszone is erop gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. In de Omgevingsverordening is bepaald dat bij activiteiten binnen de Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone aangegeven moet worden op welke wijze met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe eventuele negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de Zilvergroene en Bronsgroene natuurzone zijn: het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het relie¨f. Indien een activiteit met een negatief effect plaatsvindt vindt compensatie in natura plaats. Karakteristieke landschapstypen die voor dit gebied genoemd worden in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg zijn 'Beekdal', 'Rivierdal' met openheid als belangrijke kernwaarde. Ook de groenelementen worden beschouwd als kernwaarden. De dijk zelf is niet aangemerkt als van cultuurhistorisch belang.

48

Figuur 37: Liggingplangebied (rode belijning) ten opzichte van Goud-, Zilver- en Bronsgroenenatuurzone.

Omgang met de landschappelijke kernkwaliteiten in het HWBP-project Arcen In het planproces van het HWBP-project Arcen zijn de uitgangspunten en ontwerpeisen m.b.t. ruimtelijke kwaliteit en de omgang met het landschap beschreven en vastgelegd in het Esthetisch Programma van Eisen, het EPvE. Het EPvE is gebaseerd op het uitgangspunt dat de tracering en inpassing van de nieuwe keringen in het landschap een bijdrage dienen te leveren aan het behoud c.q. de versterking van de kernkwaliteiten van het landschap. Daarom worden in het EPvE per deelgebied deze kernkwaliteiten concreet benoemd en worden ambities geformuleerd hoe deze kernkwaliteiten kunnen worden behouden cq, versterkt, uit te werken in een integraal inrichtingsplan waarin op een overtuigende wijze techniek en ruimtelijke kwaliteit zijn geïntegreerd (= topeis) Verantwoording omgang met de kernkwaliteiten van het landschap in de omgeving van het dijktracé, waarbij onderscheid wordt gemaakt in 3 deelgebieden: Arcen-Noord, -Midden en -Zuid. Deelgebied 1: Arcen-Noord Dijkvak 8 - Het Schiereiland 'Hertog Jan'

49

Op een bescheiden verhoging in het Maasdal is in het verleden een bebouwingscluster ontstaan, waarvan nu de brouwerij 'Hertog Jan' het centrum vormt. Rond dit cluster is in 1996 een kade aangelegd waarvan het tracé vooral reageerde op eigendomsgrenzen en minder op landschappelijke kenmerken. De Kruisstraat, de ontsluitingsweg van/naar deze cluster, is tevens de toegangsweg naar het veer Arcen-Broekhuizen. Hoewel enigszins verrommeld wordt de landschappelijke kernkwaliteit bepaald door het open rivierdal van de Maas en het aanwezige reliëf. De aanleg van een nieuwe, hogere dijk in een open landschap moet gezien worden als een aantasting van de kwaliteiten visueel-ruimtelijk karakter en reliëf, maar biedt ook kansen om nieuwe kwaliteiten toe te voegen. Zo wordt de nieuwe dijkring krapper rond de brouwerij gelegd zodat nu veel meer een 'eiland' karakter ontstaat, ook al omdat de bebouwing in de randzone wordt gesloopt. Een belangrijke kwaliteitsverbetering is het verwijderen van het dijktracé dat in 1996 is gerealiseerd, waarbij ook weer het oorspronkelijk reliëf onder het dijktracé zal worden hersteld. De Kruisstraat passeert via een coupure de dijk richting de veerstoep naar Broekhuizen waardoor het oorspronkelijke wegtracé behouden kan blijven.

Vanaf de coupure wordt wandelen op dijk mogelijk gemaakt zodat via/langs de Proeverij weer aangesloten kan worden op de wandelroute 'Wellerveldweg'. Dijkvak 9 - Provinciale weg (N271) tot aan de Maasstraat De provinciale weg is aangelegd op de terrasrand (hoge grond) en benadrukt daarmee de markante grens tussen de hoger gelegen boszone en het open Maasdal. De kernkwaliteit van het landschap is het open agrarisch karakter en de parallel aan de provinciale weg gelegen dalvormige laagte van de Boerenlossing, een potentieel kansrijke kwelzone. Het nieuwe dijktracé tast de kernkwaliteiten, visueel-ruimtelijk karakter en reliëf van het bestaande landschap aan, maar creëert tegelijkertijd de condities voor nieuwe kwaliteiten van het toekomstige landschap. Zo volgt het dijktracé het huidige ontsluitings- en verkavelingspatroon, zodat perceel doorsnijdingen worden voorkomen en de historische structuur leesbaar blijft. De slanke, haakse dijkkruising met het beekdal leidt weliswaar tot een tweedeling in het dal, maar benadrukt ook de nieuwe grens in het Maasdal tussen het beschermde binnendijks gebied en het buitendijks gebied dat onder invloed blijft staan van de Maasdynamiek en waar direct tegen de dijkzone sprake zal zijn natuurontwikkeling (aanleg kwelgeul als uitwerking van de KRW opgave). De nieuwe dijk kruist de Maasstraat die wordt verhoogd.

De aansluiting van de wegen verandert hierbij. De Bruggerweg wordt zuidelijk verlegd naar de dijk. De vervallen weg wordt verwijderd en wordt deel van het agrarisch perceel. De landschappelijke compensatie wordt gerealiseerd door het verbeteren van de leesbaarheid van de landschappelijke (verkavelings)structuren. Beleefbaarheid neemt toe omdat de bestaande wandelroute deels dijk wordt met meer zicht op het Maasdal. Deelgebied 2, Arcen-Midden De ontwerpopgave voor Arcen-Midden wordt naast de hoogwaterbeschermingsopgave vooral bepaald door de wijze waarop wordt omgegaan met de aanwezige kernkwaliteiten van dit gebied. Deze zijn in eerste instantie onlosmakelijk verbonden met de beleving en het zicht vanaf de tuinen, publieke terrassen en coupures/oorspronkelijke vestingmuur richting de Maas, en de beleving vanaf de Maaszijde van de kern Arcen. Het binnen- en buitengevoel behorende bij een vesting en de groene landschappelijke uitstraling van het Maasfront zijn de meest wezenlijke kernkwaliteiten die bepalend dienen te zijn voor het ontwerp van de waterkering. Op basis van het voorliggende referentieontwerp (zelfsluitende kering) en de ambities/eisen verwoord in het Esthetisch Programma van Eisen (EPvE) mag geconcludeerd worden dat de benoemde kernkwaliteiten niet worden aangetast maar juist worden versterkt.

Deelgebied 3, Arcen-Zuid Dijkvak 4 - van Schanstoren tot Watermolen De dijk wordt teruggelegd richting parkeerplaats bij het Gemeenschapshuis MFA de Schans, waardoor weer een groter gebied buitendijks komt te liggen en deel wordt van het natuurgebied Barbara's Weerd. De kernkwaliteiten worden hier bepaald door het visueel ruimtelijk karakter van het rivierdal van de Maas en het reliëf. De nieuwe dijk vormt een aantasting van deze waarden, maar die worden ruimschoots gecompenseerd door het verwijderen van de recent aangebrachte dijken en het terugbrengen van het oorspronkelijke reliëf. Dijkvak 3 - Watermolen Voor de buitendijks gelegen watermolen (rijksmonument) kon geen oplossing gevonden worden waarbij de buitendijkse ligging in de toekomst gehandhaafd zou kunnen blijven. Bovendien werd duidelijk dat met een binnendijkse ligging, de molen als gebouwd object beter beschermd kon worden. Op basis van deze inzichten is besloten dat uitgaande van de kernwaarden op deze locatie; een bijzonder cultuurhistorisch object, gelegen in het rivierdal van de Maas, met bijzondere reliëf kenmerken, deze kernwaarden worden aangetast maar dat er meer kwaliteitswinst valt te behalen met het uitgewerkte ontwerpvoorstel. Met de aanleg van een kistdam i.p.v.

een dijklichaam is het mogelijk voldoende ruimte rond de watermolen en directe omgeving te creëren, zodat de kwaliteit van het ensemble behouden blijft. Met de aanleg van de kistdam ontstaat er bovendien buitendijks meer ruimte zodat daardoor een deel van de oorspronkelijke steilranden langs de beekmonding weer hersteld kunnen worden.

50

Dijkvak 2 - van Watermolen tot werkplaats stichting het Limburgs Landschap Het nieuwe dijktracé wordt ruimtelijk gekoppeld aan de monumentale laanbeplanting van de schans en loopt in zuidelijke richting tot de coupure waar het dijktracé de weg oversteekt om daarna in een groene muurconstructie de buitengrens van de kasteeltuinen te volgen. Kernkwaliteiten zijn hier het zicht op de visueel ruimtelijke opbouw van het rivierdal van de Maas en de cultuurhistorische betekenis van de beplantingsstructuren. Het nieuwe dijktracé tast het vrije zicht vanaf de Schans aan, maar daar staat tegenover dat de monumentale beplantingsstuctuur met de gekozen ontwerpoplossing wordt behouden en versterkt. De muurconstructie rond de kasteeltuin krijgt een groene uitstraling waarmee recht wordt gedaan aan de aard van de historische begrenzing van de tuin. Dijkvak 1 - Provinciale weg N271 tot en met Maasduinen De kernkwaliteiten op deze locatie zijn het bijzondere reliëf van het Maasduinenlandschap en het aaneengesloten bosgebied, waarvan de vitaliteit en het bosbeeld lokaal is aangetast door activiteit van de 'letterzetter'. De aanleg van een zelfstandig dijktracé als koppelstuk tussen N 271 en hoge grond zou een onaanvaardbare aantasting van deze kernkwaliteiten betekenen.

Daarom wordt hier gekozen voor een verholen dijkoplossing die aansluit op het relie¨f in de omgeving en weer integraal kan worden beplant. Om dit te kunnen realiseren wordt de kering als een hoge grondoplossing ontworpen met een minimale overhoogte van 1,00 meter ten opzichte van de berekende, kerende hoogte. Met deze oplossing wordt de aantasting van het reliëf (kernwaarde) royaal gecompenseerd en de boskwaliteit behouden en versterkt. Samenvattend: Arcen-Noord Aantasting kernkwaliteiten visueel-ruimtelijk karakter en reliëf door realisatie nieuwe en hogere dijk in het landschap. Compensatie: versterking landschapsstructuur, verwijderen huidige dijk, terugbrengen reliëf, beleefbaarheid landschap door meer mogelijkheden wandelen op de dijk. Arcen-Midden Geen aantasting kernkwaliteiten vanwege realisatie van zelfsluitende kering. Arcen-Zuid Aantasting kernkwaliteiten visueel-ruimtelijk karakter door nieuwe dijk nabij de Schans en aantasting van reliëf en cultuurhistorisch karakter door kistdam bij watermolen. Compensatie: verwijderen huidige dijk door Barbara's Weerd en terugbrengen reliëf bij beekmonding.

51

52

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, heeft de rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. In de NOVI wordt een toekomstbeeld geschetst van een Nederland: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving.

Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. In totaal zijn er 21 nationale belangen geformuleerd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeemverantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. In de NOVI zijn bijvoorbeeld het waarborgen van de waterveiligheid, de klimaatbestendigheid en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige leefomgeving als nationale belangen benoemd. Met betrekking tot het realiseren van waterveiligheid staat preventie voorop door primaire waterkeringen te onderhouden en te versterken. Met de term leefomgeving wordt zowel de ruimtelijke kwaliteit als de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit komen de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde samen. Milieukwaliteit heeft betrekking op waarden die wij toekennen aan een gezonde en veilige woon-, werk- en leefomgeving. Het gaat dan om concrete onderwerpen als luchtkwaliteit, geluidhinder, geur, omgevingsveiligheid, bodem- en waterkwaliteit.

Ook sociale samenhang en economische vitaliteit zijn onderdeel van een te realiseren goede leefomgevingskwaliteit. Analyse Met voorliggend bestemmingsplan wordt het nationaal belang 'waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid' mogelijk gemaakt. Het Rijk is samen met de waterschappen verantwoordelijk . Het Rijk is verantwoordelijk voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem en is, samen met de waterschappen, verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Het is belangrijk dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige eisen. Naast preventie als primaire pijler bij de bescherming tegen overstromingen, is het waterveiligheidsbeleid ook gericht op het beperken van de gevolgen van een overstroming door keuzes in de ruimtelijke planning en het op orde krijgen en houden van de rampenbeheersing (meerlaagse veiligheid). De voorgenomen maatregelen voor de dijkversterking bij Arcen dragen primair bij aan de waterveiligheid en de bescherming van Arcen tegen overstromingen als gevolg van hoogwater van de Maas. Daarnaast zijn, ter bescherming van de leefomgeving, in dit bestemmingsplan een goede ruimtelijke kwaliteit en een goede milieukwaliteit geborgd. Effecten van zowel het plan als de uitvoering zijn onderzocht en worden, waar nodig, gemitigeerd of gecompenseerd.

53

Conclusie Het voorliggend bestemmingsplan maakt de noodzakelijk gebleken dijkversterking mogelijk en waarborgt de kwaliteit van de leefomgeving als gevolg van het plan. De beoogde ontwikkeling wordt vanuit de beleidskaders zoals opgenomen in de NOVI kortom inpasbaar geacht.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. Het Barro blijft ook onder de NOVI van kracht. Door de nationale belangen vooraf in ruimtelijke plannen (zoals een bestemmingsplan) te borgen, draagt het Barro bij aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Het plangebied ligt met uitzondering van het nationale belang 'Grote Rivieren' niet binnen de invloedssfeer van reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones volgend uit het Barro dan wel de ministeriële uitwerking hiervan in de 'Regeling algemene regels ruimtelijke ordening' (Rarro).

Onderstaand wordt nader ingegaan op het nationale belang 'Grote Rivieren'. Grote Rivieren Op 14 juli 2006 zijn de Beleidsregels grote rivieren in werking getreden. De beleidsregels zijn onder de titel 'Grote rivieren' doorvertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. In de Beleidsregels grote rivieren wordt voor de gebieden rond de grote rivieren aangegeven welke activiteiten toegestaan zijn. Deze regels gelden in het gebied van oppervlaktewateren die in het beheer zijn van het Rijk. De regels gelden in de bedijkte gebieden en in de gebieden die begrensd worden door hoogwaterkerende gronden. Bij deze beleidsregels horen kaarten waarop staat aangegeven waar het zogenaamde stroomvoerend regime of het bergend regime geldt. Wanneer ingrepen plaatsvinden in het stroomvoerend- of bergend regime dient aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten voor de rivier plaatsvinden. Zo mogen ingrepen bijvoorbeeld niet leiden tot extra opstuwing in de rivier. Daarnaast mag een ontwikkeling in principe niet ten koste gaan van het bergend vermogen. Dat wil zeggen, als vanwege een ingreep het water uit de rivier daar niet meer kan komen ten tijde van hoogwater, dan zal ervoor gezorgd moeten worden dat dezelfde hoeveelheid water wel ergens anders geborgen kan worden, in een soortgelijke situatie.

Zoals is af te leiden uit de uitsnede van de kaart behorende bij de Beleidsregels grote rivieren, doorkruist de voorgenomen dijkversterkingsmaatregelen delen van het rivierbed waar het stroomvoerend regime en bergend regime van de Maas van toepassing is (zie figuur 38).

54

Figuur 38: uitsnede kaart behorende bij de beledsregels Grote Rivieren, met de globale liggingvan het dijktraject (paars gestippelde lijn).

In delen van het rivierbed met stroomvoerend regime zijn in principe alleen specifiek omschreven 'riviergebonden' activiteiten toegestaan ('Ja, mits'). Niet-riviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan; alleen voor specifiek omschreven activiteiten zijn uitzonderingen mogelijk ('Nee, tenzij'). Alle activiteiten moeten voldoen aan rivierkundige voorwaarden. In delen van het rivierbed met bergend regime kunnen in principe alle activiteiten worden toegestaan, mits deze voldoen aan de gestelde rivierkundige voorwaarden ('Ja, mits'). Naar aanleiding van de toekenning van de status primaire kering aan dijken langs de Maas en (toekomstige) dijkversterkingen, zullen de contouren van het stroomvoerend en bergend regime in de toekomst worden aangepast aan de hand van de contouren van de nieuwe waterkering door de minister van Infrastructuur en Waterstaat.

55

Algemene regels primaire waterkering buiten het kustfundament In de NOVI is tevens vastgesteld dat voor een aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen wordt ingezet. In artikel 2.11.3 van het Barro staan de algemene regels betreffende de primaire waterkeringen buiten het kustfundament, inclusief beschermingszones. Dit artikel bepaalt dat met betrekking tot gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, of een beschermingszone, een bestemmingsplan kan worden vastgesteld dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan. Deze wijziging kan alleen worden verwezenlijkt wanneer daardoor geen belemmeringen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering.

Tevens bepaalt het Barro de manier waarop een dijk bestemd dient te worden in een bestemmingsplan: bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, wordt voor die gronden de bestemming «waterkering» opgenomen (artikel 2.11.2 lid 1 van het Barro); bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die deel uitmaken van een beschermingszone wordt voor die gronden de gebiedsaanduiding «vrijwaringszone – dijk» opgenomen, indien de primaire waterkering een dijk is en wordt voor de overige gevallen de gebiedsaanduiding «vrijwaringszone – waterstaatswerk» (artikel 2.11.2 lid 2 Barro). Conclusie Gezien de aard van het planvoornemen, zijnde maatregelen ten behoeve van de dijksversterking, is het Barro van toepassing. Met het tezijnertijd aanpassen van de contouren van het stroomvoerend en bergend regime aan de hand van het nieuwe dijktraject, is nadere toetsing aan de beleidsregels niet noodzakelijk. De voorgeschreven manier van bestemmen van de waterkering, inclusief de beschermingszones, uit het Barro is toegepast in dit bestemmingsplan.

3.1.3 Nationaal Waterplan 2016-2021 Het 2e Nationaal Waterplan (NWP) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zo maar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. Wat de belangrijkste punten zijn, staat omschreven in het 2e lid van artikel 4.1 Waterwet. Ook de stroomgebiedbeheerplannen, de overstromingsbeheerplannen, het Noordzeebeleid alsook de functies van de Rijkswateren maken onderdeel uit van het Nationaal waterplan.

Het plan is voor de ruimtelijke aspecten ook een structuurvisie, als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 4.1, 1e lid Waterwet). In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan: hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid; gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland; benodigde maatregelen en ontwikkelingen; beheerplannen voor de stroomgebieden; beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico; mariene strategie; beleidsnota Noordzee; functies van de Rijkswateren. Analyse Voor het waterveiligheidsbeleid zijn door het kabinet doelen geformuleerd in het Nationaal Waterplan: iedereen die in Nederland achter de dijk woont wordt ten minste een beschermingsniveau van 1/100.000 per jaar geboden. Dat wil zeggen dat de kans voor een individu om te overlijden als gevolg van een overstroming niet groter mag zijn dan 0,001% per jaar: er geldt extra bescherming op plaatsen waar kans is op: 1. grote groepen slachtoffers, 2. en/of grote economische schade 3. en/of ernstige schade door uitval van vitale en kwetsbare infrastructuur van nationaal belang.

56

Het beschermingsniveau is verder uitgedrukt in normspecificaties. Elk dijktraject krijgt een normspecificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar Deze normspecificaties vormen de basis voor de vast te leggen wettelijke normen en het toetsinstrumentarium. Uit het Nationaal Waterplan blijkt dat voor het dijktraject bij Arcen een normspecificatie van 1/300 per jaar geldt. Bij het realiseren van het beschermingsniveau blijft preventie voorop staan. Dat kan door dijken, duinen en stormvloedkeringen te versterken en rivierverruimende maatregelen te nemen. Er zijn verschillende mogelijkheden om de veiligheid te verbeteren. Het kabinet bevordert daar waar mogelijk een integrale uitvoering, rekening houdend met gebiedsontwikkeling en een tijdige aanpak van het veiligheidsrisico. De uitwerking van de waterveiligheidsopgave vergt altijd een goede ruimtelijke inpassing. De centrale opgaven voor het plangebied zijn afgebeeld op figuur 39.

Figuur 39: uitsnede kaart opgaven waterveiligheid (Nationaal Waterplan). Het plangebied is globaal weergegeven (rood omlijnd).

Conclusie De dijkversterking Arcen draagt bij aan de doelen die zijn geformuleerd in het NWP met betrekking tot hoogwaterbeschermingsmaatregelen en voldoet daarmee aan het Nationaal Waterplan 2016-2021.

57

3.2 Provinciaal beleid Onderstaand wordt ingegaan op de voor het planvoornemen relevant zijnde provinciaal beleid. Dit betreft het vigerend beleid ten tijde van de terinzageligging van het ontwerpbestemmingsplan van voor 1 januari 2024. Per 1 januari 2024 is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet ook sprake van nieuw vigerend provinciaal beleid. Omdat met voorliggend planvoornemen gebruik wordt gemaakt van het overgangsrecht (onder Wro) is het plan niet getoetst aan dit nieuwe beleid.

3.2.1 Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Op grond van de kaart 'Limburgse principes' is het plangebied gesitueerd in de volgende indicatieve zoneringen 'Groenblauwe mantel', 'Natuurnetwerk Limburg', 'Landelijke kern' en 'Buitengebied'.

Figuur 40: uitsnede kaart 'zonering Limburg' voor het plangebied en de directe omgeving.

Groenblauwe mantel Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar

58

we goede combinatiemogelijkheden zien voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. In de Groenblauwe mantel blijft de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie en is de agrarische sector tevens de belangrijkste beheerder. Wij bieden mogelijkheden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer die bijdragen aan de instandhouding en versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Op veel plekken zijn in de rivier- en beekdalen in de loop der tijd steden en dorpen tot ontwikkeling gekomen. Die bebouwde gebieden maken geen deel uit van de groenblauwe mantel, maar staan er wel mee in verband. Gemeenten hebben de motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan. Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie.

Analyse De dijkverlegging in de deelgebieden noord, midden en zuid vindt plaats binnen de met Groenblauwe mantel aangewezen zone. Als gevolg van voorliggend planvoornemen is sprake van een netto oppervlakteverlies van de Groenblauwe mantel dat gecompenseerd dient te worden. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld waarin inzichtelijk is gemaakt wat de effecten van het planvoornemen op de wezenlijke kenmerken en waarden en kernkwaliteiten zijn, inclusief de bijbehorende uitwerking van de compensatieopgave. Dit plan is te raadplegen als bijlage 1 bij voorliggende toelichting. NatuurnetwerkLimburg De Limburgse natuurgebieden, waaronder ook de Natura 2000-gebieden, vormen samen het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Limburg beslaat circa 53.000 hectaren. Het Natuurnetwerk Limburg is gelegen in delen van beekdalen, op hellingen en op veen- en stuifzandgebieden van de hoger gelegen gebieden. Binnen het Natuurnetwerk Limburg wordt ingezet op een goede kwaliteit en bescherming van de natuur met een bijzonder accent op bedreigde Limburgse dier- en plantensoorten. Daarnaast is het bieden van mogelijkheden voor natuurbeleving belangrijk. De Natura 2000-gebieden (circa 17.000 hectaren) vormen een selectie binnen het Natuurnetwerk Limburg.

Hier ligt de absolute nadruk op de natuurwaarden: het zo spoedig mogelijk en verantwoord bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitats, waarop de aanwijzing als Natura2000-gebied is gebaseerd. De Natuurbeheerplannen van de 23 Natura 2000-gebieden in Limburg beschrijven wat daarvoor nodig is. Vanuit de Europa geldt een strenge wet- en regelgeving die gericht is op beheer en bescherming van de natuurwaarden. Gewerkt wordt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit van de Natura 2000-gebieden (o.a. via het Aanvalsplan Stikstof). Analyse De dijkverlegging en beekherstel in het deelgebied zuid vindt hoofdzakelijk plaats binnen de met Natuurnetwerk Limburg aangewezen zone (waaronder Barbara's Weerd en Maasduinen). Ook hiervoor geldt dat als gevolg van voorliggend planvoornemen er sprake is van een netto oppervlakteverlies van de Groenblauwe mantel dat gecompenseerd dient te worden. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld waarin inzichtelijk is gemaakt wat de effecten van het planvoornemen op de wezenlijke kenmerken en waarden en kernkwaliteiten zijn, inclusief de bijbehorende uitwerking van de compensatieopgave. Dit plan is te raadplegen als bijlage 1 bij voorliggende toelichting. Aanvullend is in reactie op de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) het compensensatieplan nader uitgewerkt.

Dit is opgenomen in de Aanvulling milieueffectrapport fase 2. Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige

59

omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. Analyse Het buitengebied in de directe omgeving van het plangebied omvat in hoofdzaak het Kasteel en de kasteeltuinen van Arcen, gesitueerd in deelgebied zuid. In het buitengebied zelf vinden geen werkzaamheden plaats, afgezien van een klein deel in het uiterste zuiden van deze zone. De dijkverlegging en het beekherstel zorgt hier niet voor een aantasting van de bestaande omgevingskwaliteiten. Kasteellandschap Ten aanzien van het Kasteel en de kasteeltuinen van Arcen dient te worden opgemerkt dat het kasteellandschap waarbinnen het kasteel en de kasteeltuinen zijn gesitueerd verder reikt dan de wegen die het complex omringen (Schans, Kasteellaan, Lingsforterweg, parallelweg N271), zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. De Wymarsche watermolen en de daarbij behorende oude molenvijvers maken ook onderdeel uit van het kasteellandschap en zijn de bossen in het omringend gebied onderdeel van de historische parkaanleg. Bezien vanuit dit oogpunt heeft de aanleg van de nieuwe kering wel degelijk invloed op het kasteellandschap.

Bij het ontwerp van de kering is zoveel mogelijk gekeken naar de voor het kasteellandschap minst schadelijke oplossing om hoogwaterberscherming en cultuurhistorie met elkaar te verenigen. De gekozen inpassing is met Stischting Limburgs Landschap en de gemeente Venlo overeengekomen. Landelijke kern De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hier belangrijke uitgangspunten. Analyse Met de landelijke kern wordt het stedelijk gebied van Arcen bedoeld. De dijkverlegging heeft geen directe raakvlak met de leefbaarheid en vitaliteit van de kern Arcen als bedoeld in dit kader. Wel zorgt de dijkverlegging ervoor dat nu en in de nabije toekomst het gebied veilig bewoonbaar blijft hetgeen een positief effect heeft op de leefbaarheid van de kern. Conclusie Gelezen het voorgaande past de ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Algemeen Op 12 december 2014 is de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die het omgevingsbeleid van de Omgevingsvisie Limburg juridische binding geven. De Omgevingsverordening Limburg 2014 komt in zijn geheel te verallen op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt. Op dat moment wordt deze vervangen door de Omgevingsverordening Limburg 2021 (zie paragraaf 3.2.3). In de Omgevingsverordening Limburg 2014 staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Kortom alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels: instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Het plangebied en het planvoornemen zijn gesitueerd binnen een aantal zoneringen van kaarten welke relevante onderwerpen van de Omgevingsverordening aansnijden. Hierna volgen de voor het voorgneomen planvoornemen meest relevante onderwerpen. Beschermingszones natuur en landschap Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied de bronsgroene landschapszone en de zilvergroene en goudgroene natuurzones doorkruist (zie figuur 41).

60

Figuur 41: uitsnede kaart 'Beschermingszonesnatuur en landschap' behorende bij de OmgevingsverordeningLimburg 2014.

Goudgroene natuurzone Ten aanzien van de Goudgroene natuurzone geeft de verordening (paragraaf 2.6) aan dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van deze natuurzone, geen nieuwe activiteiten of een wijziging van de bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit verbod is niet van toepassing op nieuwe activiteiten of de wijziging van bestaande activiteiten indien sprake is van een groot belang, er geen reële alternatieven zijn en uit het ruimtelijke plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd (een-op-een en op financiële wijze of in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone). Voor de wijze waarop invulling moet worden gegeven aan de compensatieverplichting heeft de provincie de 'Beleidsregel natuurcompensatie' vastgesteld. Analyse In paragraaf 3.2.1, onder Natuurnetwerk Limburg (waar de Goudgroene natuurzone onder valt), is reeds

61

geanalyseerd dat de dijkverlegging en beekherstel in het deelgebied zuid in hoofdzaak plaatsvindt binnen de met Natuurnetwerk Limburg aangewezen zone (waaronder Barbara's Weerd en Maasduinen) en dientengevolge de aantasting als gevolg van het planvoornemen gecompenseerd dient te worden. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld waarin inzichtelijk is gemaakt wat de effecten van het planvoornemen zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden en kernkwaliteiten, inclusief de bijbehorende uitwerking van de compensatieopgave. Dit plan is te raadplegen als bijlage 1 bij voorliggende toelichting. Bronsgroene landschapszone en Zilvergroene natuurzone Ten aanzien van de Bronsgroene landschapszone geeft de verordening in paragraaf 2.7 aan dat in de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone, een beschrijving moet worden opgenomen van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden. Voor de Zilvergroene natuurzone (paragraaf 2.13) geldt dat in de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene landschapszone, een beschrijving moet worden opgenomen van: a.

de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; b. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone; c. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder 1a en 1b en op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van bedoelde waarden; en tevens van: d. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; e. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; en f. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Analyse In paragraaf 3.2.1, onder Groenblauwe mantel (waar deze zones onder vallen), is reeds geanalyseerd dat de dijkverlegging in de deelgebieden noord, midden en zuid plaatsvindt binnen de met Groenblauwe mantel aangewezen zone. Als gevolg van voorliggend planvoornemen is sprake van een netto oppervlakteverlies van de Groenblauwe mantel dat gecompenseerd dient te worden. Hiervoor is een compensatieplan opgesteld waarin inzichtelijk is gemaakt wat de effecten van het planvoornemen zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden en kernkwaliteiten, inclusief de bijbehorende uitwerking van de compensatieopgave. Dit plan is te raadplegen als bijlage 1 bij voorliggende toelichting.

Milieubeschermingsgebieden Op basis van de kaart Milieubeschermingsgebieden van de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied is gelegen in de boringsvrije zone Venloschol (geheel) en een grondwaterbeschermingsgebied (gedeeltelijk).

62

Figuur 42: uitsnede kaart 'Milieubeschermingsgebieden'behorende bij de OmgevingsverordeningLimburg 2014.

Ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebieden is het onder andere verboden de grond dieper dan 3 meter beneden het maaiveld te roeren, werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten (artikel 4.3.1). Voor het uitvoeren van dergelijke werkzaamheden geldt een ontheffingsplicht. Ter plaatse van de boringsvrije zone Venloschol is het verboden beneden de 5 meter NAP grond te roeren, een boorput maken of te hebben, werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, etc. (artikel 4.4.2). Voor dergelijke werkzaamheden beneden 5 meter boven NAP geldt een ontheffingsplicht. Analyse Ten behoeve van de dijkverlegging is het noodzakelijk grond te roeren. De diepte is afhankelijk van de gekozen constructie van de kering. Met name voor de zelfsluitende kering in deelgebied midden en de kering ter hoogte van de Wymarsche Watermolen (deelgebied zuid), zijnde een kistdam, geldt dat hiervoor dieper dan 3 meter beneden maaiveld en 5 meter beneden NAP grond geroerd moet worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20261