CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

067 Bijl01 correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek toelichting.pdf

Raadsvergadering 25 september 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.1: Vaststellen bestemmingsplan Correctieve Herziening Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek (Belfeld) (RV067)19.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het behouden en versterken van aantrekkelijke landschappen in het landelijk gebied is een belangrijke opgave in de regionale visies voor o.a. wonen, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie. Middels het Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader wordt de regionale kracht in beeld gebracht op basis van de regionale karakteristieken en waarden. Het Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader: 

Is een instrument om een afweging te maken of een ontwikkeling (energie, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie) een bijdrage kan leveren aan het versterken van ons DNA;

Geeft de kaders weer om bij deze afweging op regionaal niveau lokaal dezelfde uitgangspunten te hanteren;

Wil bewustwording creëren over onze gedeelde kwaliteiten en de kansen hierbinnen voor ontwikkelingen.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 27

Het grondgebied van de regio is ingedeeld in deelgebieden, met elk hun eigen kenmerken en kwaliteiten. Het voorliggende plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Oostflank’. Dit betreft het gebied ten oosten van de Maasvallei. Op de Oostflank bevinden zich uitgestrekte natuurgebieden en relatief open, jonge landbouwontginningen, dooraderd door snelstromende beekjes en het Niersdal in een oude Rijnbedding. Binnen het ontginningsgebied is een brede variëteit aan land- en tuinbouwactiviteiten aanwezig, die qua bebouwing of activiteiten een stempel drukken op het landschap. Doel voor dit gebied is het behouden en versterken van het typerende afwisselende en soms grootschalige karakter van de Oostflank van de Maasvallei. Hierbij is ruimte voor de doorontwikkeling van land- en tuinbouw in de ontginningsgebieden. In het Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader is een stappenplan opgenomen hoe ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van hun omgeving. De volgende stappen dienen te worden doorlopen: 1. Beschrijf het initiatief; 2. Analyseer de omgeving; 3. Wat zegt het beleid; 4. Bepaal samen met de omgeving de ontwerpopgave; 5. Zoek samen kwaliteit, vraag eventueel advies. In hoofdstuk 2 van de voorliggende toelichting zijn beschrijvingen opgenomen van de beoogde ontwikkelingen (stap 1).

Voor een beschrijving van de landschappelijke kenmerken en kwaliteiten van de omgeving (stap 2) wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan5. De beleidsuitgangspunten op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau (stap 3) zijn beschreven in hoofdstuk 3 van deze toelichting. Ten aanzien van de ontwerpopgave (stap 4) zijn in het kader van het landschappelijk inpassingsplan de kenmerken en kwaliteiten van het landschap in beeld gebracht en is onderzocht hoe deze versterkt kunnen worden. Het plangebied ligt op de overgang van de Maas aan de noordzijde naar de hoger gelegen bosgebieden ten zuiden van het plangebied. Het landschap is vlak, open en rationeel verkaveld met als meest kenmerkende landschapselementen bomenrijen, houtwallen en hagen. In en rond het gebied zijn enkele watergangen gelegen. De landschappelijke inpassing richt zich niet alleen op het inpassen van het nieuwe glastuinbouwbedrijf in de omgeving, maar ook op het versterken van de aanwezige landschapselementen. De karakteristieken van de Oostflank, zoals de open en rationele verkaveling van het ontginningslandschap, worden hierbij gerespecteerd en de kenmerkende landschapselementen in het gebied blijven behouden en worden aangevuld en versterkt. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd, aansluitend op en passend bij de aanwezige landschapsstructuren (stap 5).

Conclusie Omgevingsverordening Limburg 2014 en Omgevingsverordening Limburg 2021 Op basis van recente rechtspraak is duidelijk geworden dat, indien een ontwerpbestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage is gelegd, de Omgevingsverordening Limburg 2014 tóch nog van toepassing is. Artikel 4.6. lid 2 sub a onder 1 Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) bepaalt dat als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een ontwerp ter inzage is gelegd van een bestemmingsplan, het oude recht van toepassing blijft tot het bestemmingsplan van kracht is. Na een algehele beschouwing van beide verordeningen in relatie tot onderhavig initiatief, kan geconcludeerd worden dat nieuwvestiging van glastuinbouw buiten de concentratiegebieden glastuinbouw niet mogelijk is

5

BRO, Landschappelijk inpassingsplan Brookberries B.V. Belfeld, projectnummer M184496, 26 oktober 2023

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 28

op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Door Gedeputeerde Staten is in lijn met de Omgevingsverordening Limburg 2021 ontheffing verleend op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 voor nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf buiten een op de kaarten behorende bij de verordening als ontwikkelingsgebied glastuinbouw aangewezen gebied. Hiermee bestaat er geen strijdigheid met zowel de Omgevingsverordening Limburg 2014 als de Omgevingsverordening Limburg 2021. 3.2.4

Limburgs Kwaliteitsmenu

In januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) vastgesteld. In 2012 heeft een actualisatie van het LKM plaatsgevonden. Doel van het LKM is om ontwikkelingen in het buitengebied die een inbreuk op de waarden van het buitengebied betekenen te compenseren met een kwaliteitsverbetering die ten goede komt aan hetzelfde buitengebied, waarmee de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt verhoogd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Het LKM is hiermee op deze ontwikkeling van toepassing. In het LKM zijn modules opgenomen voor de nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven en de uitbreiding van glastuinbouw. Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding De module voor agrarische nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is van toepassing op agrarische bedrijven, agrarische hulp- en nevenbedrijven, boomkwekerijen, paardenhouderijen en hoveniersbedrijven e.d. Specifiek voor glastuinbouwbedrijven geldt aanvullend op deze module, de module uitbreiding glastuinbouw.

Nieuwvestiging en uitbreiding van agrarische bedrijven is alleen toegestaan na een positieve ruimtelijke afweging en onder voorwaarde dat de agrarische bedrijven een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving middels inpassing en kwaliteitsverbetering. Bij nieuwvestiging dient de agrariër aan te tonen dat zijn bedrijf – op (korte) termijn- volwaardig is. De kwaliteitsverbetering is maatwerk op basis van aard en omvang van de ontwikkeling en de waarde van de omgeving. Als basis geldt voor elke ontwikkeling met betrekking tot bouwen, bouwwerken en verharding van agrarische bedrijven dat: 

De ontwikkeling wordt ingepast op basis van een inrichtingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke en ruimtelijke inpassing);

Er ten aanzien van de nieuwe ontwikkeling voorzieningen worden getroffen voor de afkoppeling van hemelwater, waarbij afhankelijk van de situatie dit infiltratie of retentie kan zijn.

In geval van: 

Nieuwvestiging (inclusief omschakeling) of,

Overschrijding van de referentiemaat (zie de handreiking RO) of,

Ontwikkeling in gebieden met méér dan alleen agrarische waarde volgens het bestemmingsplan (landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarde),

geldt naast de basis ook een aanvullende kwaliteitsverbetering. Onderdeel van deze kwaliteitsverbetering is bijvoorbeeld sloop van bebouwing, aanleg van nieuwe natuur of landschap en andere kwaliteitsverbeterende maatregelen. Indien aanvullende kwaliteitsverbeterende maatregelen aan de orde zijn, dient in ieder geval

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 29

de volledige kavel te worden ingepast (bij het basispakket hoeft alleen de uitbreiding ingepast te worden). Bij nieuwvestiging zal er dus naast het basispakket (water) en een volledige inpassing ook altijd een kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop van bebouwing of aanleg van natuur of landschap aan de orde zijn. Uitbreiding glastuinbouw Nieuwvestiging van glastuinbouw is buiten de concentratiegebieden glastuinbouw niet mogelijk op basis van provinciaal beleid. Bij uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven buiten de concentratiegebieden is de module voor de uitbreiding van glastuinbouw aan de orde. Aanvullend op de toepassing van de module ‘agrarische nieuwvestiging en uitbreiding’ dient een extra kwaliteitsverbetering te worden gerealiseerd, bestaande uit de sloop van solitair gelegen glasopstanden. In het voorliggende geval is sprake van de herbegrenzing van een glastuinbouwconcentratiegebied, waarbij het areaal aan glastuinbouw met bijna 4 hectare afneemt. Uitgangspunt is dat de gronden waarop de nieuwvestiging van het glastuinbouwbedrijf is voorzien deel uitmaken van het glastuinbouwconcentratiegebied, zoals dit eruit ziet na herbegrenzing. Binnen het glastuinbouwconcentratiegebied is de beoogde ontwikkeling van glastuinbouw mogelijk, zonder dat hiervoor een aanvullende kwaliteitsbijdrage geldt op basis van de module ‘uitbreiding glastuinbouw’ van het LKM.

De module ‘Agrarische nieuwvestiging en uitbreiding’ is wel van toepassing. Doorwerking plangebied Het LKM is nader uitgewerkt in gemeentelijk beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Strategische visie Venlo 2040

Met de Strategische Visie Venlo 2040 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2040 zal moeten ontwikkelen. De Strategische Visie Venlo 2040 betreft een strategisch perspectief voor 2040 dat iets is bijgesteld ten opzichte van de vorige visie ‘Strategische Visie Venlo 2030’. De Strategische Visie Venlo 2040 omvat vijf thema’s waarvoor de ambities voor het jaar 2040 zijn geformuleerd. Het betreft de volgende thema’s: 

Gezondste regio

Een (t)huis om van te houden

Ruimte voor ontwikkeling

Werken in venlo

Grenzeloos

Voor wat betreft onderhavige ontwikkeling zal voornamelijk ‘Werken in Venlo’ van belang zijn. Het streven is om het economisch fundament uit te breiden ondanks de sterke basis die er al ligt; mede vanwege de maakindustrie, logistiek en agribusiness. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. De gemeente wil de bewoners dan ook zoveel mogelijk kansen bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel werkgever als werknemer. Doorwerking plangebied

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 30

De beoogde herbegrenzing van het glastuinbouwconcentratiegebied draagt bij aan het toekomstbestendig maken van glastuinbouw in het gebied Meelderbroek. Een deel van het concentratiegebied dat in werkelijkheid nauwelijks meer in gebruik is voor glastuinbouw, wordt onttrokken aan het concentratiegebied. In plaats hiervan wordt de ontwikkeling van glastuinbouw mogelijk gemaakt aansluitend op dit glastuinbouwconcentratiegebied, doordat de percelen ten zuiden hiervan worden toegevoegd aan het concentratiegebied. Hierdoor wordt de nieuwvestiging van het glastuinbouwbedrijf mogelijk gemaakt. Daarmee draagt het plan bij aan de verdere ontwikkeling van het aanbod in werkgelegenheid in de regio en versterking van het economisch fundament. De ontwikkeling past hierdoor binnen de Strategische Visie Venlo 2040. 3.3.2

Ruimtelijke Structuurvisie Venlo

Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de ‘Ruimtelijke Structuurvisie Venlo’ vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2040. De kernopgave van de ruimtelijke structuurvisie is onderverdeeld in het verleden, heden, toekomst: ruimtelijke kernopgave en basisprincipes. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema’s, de zogenaamde ‘majeure opgaven’: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2.

Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Onderhavig bestemmingsplan heeft met name betrekking tot de ‘majeure opgaven’ drukte in het ommeland. De opgave die hier staat beschreven heeft voornamelijk betrekking op het gegeven dat het contrast tussen stedelijk gebied en buitengebied sterk is afgenomen. Middels de structuurvisie wil de gemeente Venlo dit contrast juist weer verscherpen en de kansen die dit biedt maximaal benutten. Zo biedt het bestaand stedelijk gebied ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. In het buitengebied is de druk op de ruimte juist hoger geworden door een steeds groter beslag op de ruimte voor water, natuur, toerisme en recreatie.

Daarnaast legt de productie van voeding en planten (land- en tuinbouw) nog steeds een grote ruimteclaim op het buitengebied, ondanks de verdere intensivering van de sector. Met het versterken van het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied profiteert de gemeente van het beste van twee werelden. Door het verscherpen van de tegenstelling ontstaat immers een grotere diversiteit. Dit vraagt om het combineren van meerdere functies in het buitengebied, maar ook om zuinig ruimtegebruik. De gemeente kiest daarbij in het buitengebied voor een mix van aan het buitengebied gebonden functies, waarbij de glastuinbouw specifieke gebieden toegewezen heeft gekregen.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 31

Naast de ‘majeure opgaven’ wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: 

Het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert.

De vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen.

Het zelf georganiseerd draagvlak geniet.

Doorwerking plangebied Volgens de kaart ‘drukte in het ommeland’ maakt de planlocatie deel uit van een bestaand glastuinbouwconcentratiegebied. Er is geen fysieke uitbreidingsruimte om het concentratiegebied uit te breiden. Het gebied Meelderbroek is tevens aangewezen voor de optimalisatie van dit bestaande glastuinbouwconcentratiegebied, door middel van herverkaveling/-ordening, verbeteren ontsluiting, terugdringen burgerwoningen, ruimte voor verbreden met biobased bedrijfsonderdelen. De zuidelijk gelegen percelen (deelgebied 2) maken geen deel uit het glastuinbouwconcentratiegebied, maar behoren tot het cultuurlandschap. Binnen het cultuurlandschap dienen ontwikkelingen bij te dragen aan een goede balans tussen agrarische productie, natuur, water, recreatie en cultuurhistorie. De toeristisch-recreatieve hoofdstructuur voor langzaam verkeer doorkruist het plangebied. Beleidsmatig wordt langs de hoofstructuur ruimte geboden voor initiatieven, mits sprake is van behoud van de aanwezige cultuurhistorische waarden en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast ligt er een kwelzone over de rand van het zuidelijke deelgebied. Hier is sprake van hoge ecologische en waterhuishoudkundige waarden. Wat betreft glastuinbouw krijgen initiatieven in de bestaande glastuinbouwconcentratiegebieden de ruimte. Hier is nog voldoende ruimte voor optimalisatie van ruimtegebruik.

Onder andere in Meelderbroek wordt ruimte geboden door middel van herordening/herverkaveling ter versterking en revitalisering van dit gebied. Denk hierbij aan het verbeteren van de ontsluiting en het terugdringen van burgerwoningen. Dit alles op voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing van deze ‘glazen bedrijventerreinen’. Meelderbroek biedt daarnaast kansen voor experimenten onder de noemer van ‘biobased economy’. Initiatieven voor uitbreiding van solitaire glastuinbouwbedrijven buiten de glastuinbouwconcentratiegebieden zijn onderhevig aan het ‘glas voor glas principe’ (glasbankregeling).

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 32

Figuur 3.3: Uitsnede Ruimtelijke Structuurvisie Venlo met ligging te onttrekken deel (rood omlijnd) en toe te voegen deel (blauw omlijnd) aan glastuinbouwconcentratiegebied (bron: ruimtelijkeplannen) Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt bijgedragen aan de optimalisatie van het glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek. Het noordwestelijke deel van het concentratiegebied, waar feitelijk nauwelijks glastuinbouw meer plaatsvindt, wordt aan het concentratiegebied onttrokken. Vanwege de ligging van dit deelgebied binnen de invloedssfeer van de A73, de kleinschalige verkaveling en de ligging van enkele aardgasleidingen in dit deelgebied, is de kans klein dat in dit gebied nog glastuinbouw ontwikkeld zal worden. In plaats daarvan worden enkele percelen aan de zuidzijde aan het concentratiegebied toegevoegd. De totale oppervlakte van het glastuinbouwconcentratiegebied neemt met bijna 4 hectare af. Hierdoor is er geen sprake van uitbreiding van het glastuinbouwconcentratiegebied. Middels de herbegrenzing worden tevens enkele burgerwoningen uit het concentratiegebied gehaald. Daarnaast wordt de ruimte binnen de nieuwe begrenzing van het concentratiegebied efficiënter benut voor glastuinbouw. Tot slot wordt de ontsluitingsweg Elshoutweg in het gebied verbreed en opgewaardeerd, om het verkeer van en naar het glastuinbouwgebied beter te kunnen verwerken.

Het initiatief is passend binnen de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo. Tevens is de herbegrenzing van het glastuinbouwconcentratiegebied reeds verwerkt in de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2021.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 33

4

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en verantwoord, waarbij toetsing plaatsvindt aan de relevante wettelijke kaders en beleidskaders. De feitelijke realisatie van het glastuinbouwbedrijf is reeds mogelijk gemaakt middels een tweetal onherroepelijke omgevingsvergunningen. De voor de bedrijfsvoering noodzakelijke bebouwing is op grond van die twee vergunningen ook reeds gerealiseerd. Dit is dus zowel feitelijk als juridisch gezien een bestaande situatie.

4.1

Verkeer en parkeren

Een toevoeging of wijziging van functies zorgt vaak voor een verandering van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van een gebied. Het is daarom in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de verkeersveiligheid, verkeersgeneratie en parkeerbehoefte. 4.1.1

Verkeer

Het glastuinbouwbedrijf in deelgebied 2 wordt ontsloten via een in- en uitrit op de Elshoutweg, aan de noordwestzijde van dit deelgebied. Op basis van ervaringscijfers van Brookberries bij het naastgelegen glastuinbouwbedrijf en de beoogde bedrijfsvoering bij het beoogde glastuinbouwbedrijf is een inschatting gemaakt van het maximum aantal verkeersbewegingen dat deze ontwikkeling in deelgebied tot gevolg zal hebben. Voor het glastuinbouwbedrijf worden gemiddeld 61 personenautobewegingen per etmaal van verwacht. Daarnaast zullen gemiddeld 29 vervoersbewegingen per etmaal met personeelsbusjes en/of kleinere vrachtwagens plaatsvinden van en naar het bedrijf. Tot slot worden gemiddeld 24 vrachtwagenbewegingen per etmaal verwacht. In totaal wordt de gemiddelde verkeersgeneratie van het glastuinbouwbedrijf hiermee ingeschat op 114 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Gezien de huidige capaciteit van de wegen in het glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek en de mogelijke verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van het glastuinbouwbedrijf, is een verbreding/aanpassing van de Elshoutweg noodzakelijk. Deze wegaanpassingen zijn grotendeels passend binnen de huidige verkeersbestemming van de Elshoutweg. 4.1.2

Parkeren

De parkeerbehoefte voor nieuwe functies wordt normaliter bepaald op basis van de CROW-rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’. De rekentool bevat echter geen parkeernormen voor agrarische bedrijven. Daarom is bij het bepalen van de parkeerbehoefte uitgegaan van ervaringscijfers van het glastuinbouwbedrijf Brookberries bij hun huidige vestigingen. Op basis van ervaringscijfers zullen tussen de 16 en 20 parkeerplaatsen voor personenauto’s nodig zijn bij het nieuwe glastuinbouwbedrijf. De meeste personeelsleden worden vervoerd met personenbusjes, die na het halen en brengen van de medewerkers direct weer vertrekken. Ten behoeve van laden en lossen worden laaddocks gerealiseerd. Het glastuinbouwbedrijf heeft zelf geen vrachtwagens die permanent of met regelmaat geparkeerd moeten staan op het terrein. Vrachtwagens van leveranciers of afnemers staan alleen op het terrein indien ze wegens rusttijden tijdelijk daar moeten blijven staan, nadat het product is geladen en/of gelost. Deze zullen dan in de laaddocks of op het eigen terrein blijven staan. Indien dit aan de orde is, gaat het om maximaal 2 vrachtwagens.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 34

In het inmiddels uitgevoerde inrichtingsplan is voldoende ruimte om in het benodigde aantal parkeerplaatsen en in laad- en losruimte voor vrachtwagens te kunnen voorzien. Er is sprake van regelmatige aan- en afvoer van producten, er zijn geen piekmomenten in bepaalde perioden in het jaar. Er worden dan ook geen parkeerproblemen verwacht als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. 4.1.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2

Bodem

4.2.1

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.2.2

Onderzoek

Ten behoeve van het eerder opgestelde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ is reeds onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit. Middels dit onderzoek is onderzocht of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit onderzoek is bij bovengenoemd bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 2 ‘Bodemonderzoek’ en te raadplegen via Ruimtelijkeplannen onder: NL.IMRO.0983.BP201904MEELDERBR-VA01. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat de bodemkwaliteit voor beide deelgebieden geschikt is bevonden voor het beoogde gebruik. Een aanvullend bodemonderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van deelgebied 1 hebben in de tussentijd geen veranderingen plaatsgevonden. Derhalve kan worden aangenomen dat de bodemkwaliteit niet dusdanig is verslechterd dat dit een belemmering vormt voor het planvoornemen. Ter plaatse van deelgebied 2 is het met het bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ voorziene glastuinbouwbedrijf is inmiddels met een onherroepelijke omgevingsvergunning gerealiseerd. Derhalve is de bodemkwaliteit voor dit deelgebied in het kader van voorliggend bestemmingsplan niet meer relevant. 4.2.3

Conclusie

De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt op basis van de beschikbare onderzoeksresultaten geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.3

Geluid

4.3.1

Toetsingskader

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer,

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 35

industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. 4.3.2

Onderzoek

Ten behoeven van onderhavig bestemmingsplan is door M-tech een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies uit dit onderzoek staan hier onder beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in de bijlage van onderhavig bestemmingsplan. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Onderstaande tabel geeft een overzicht van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT).

Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 34, 34 en 32 dB(A) tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Dit valt ruim binnen het toetsingskader conform AB artikel 2.17 lid 6 en de VNG-brochure van 50 dB(A) etmaalwaarde. Maximaal geluidniveau In onderstaande tabel is een overzicht weergeven van de berekende maximale geluidniveaus (LAmax) op de emissiepunten voor de dag-, avond- en nachtperiode.

Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 52, 54 en 54 dB(A) tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan het toetsingskader conform AB artikel 2.17 lid 6 en de VNG-brochure van 70 dB(A) etmaalwaarde. Verkeersaantrekkende werking In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten voor wat betreft de verkeersaantrekkende werking weergeven.

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de verkeer aantrekkende werking ten hoogste 48 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) gerespecteerd.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 36

Conclusie Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ten hoogste 34, 34 en 32 dB(A) tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ten hoogste 52, 54 en 54 dB(A) tijdens respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Daarmee wordt voldaan aan het toetsingskader conform Activiteitenbesluit artikel 2.17 lid 6 en de VNG-brochure van 50 danwel 70 dB(A) etmaalwaarde. De verkeersaantrekkende werking over de Elshoutweg bedraagt ten hoogste 48 dB(A) etmaalwaarde. Hiermee wordt de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) gerespecteerd. 4.3.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

4.4.1

Toetsingskader

Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 6. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2

Onderzoek

Ten behoeve van het eerder opgestelde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ is reeds onderzoek gedaan naar het mogelijk voorkomen van (geluid)hinder en gevaar van

6

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 37

het planvoornemen. Dit onderzoek is bij het bestemmingsplan toegevoegd als bijlage ‘Akoestisch onderzoek’ en is te raadplegen via Ruimtelijkeplannen onder: NL.IMRO.0983.BP201904MEELDERBR-VA01. Uit dit onderzoek is geconcludeerd dat er wordt voldaan aan de richtafstanden van nabij gelegen gevoelige objecten en daarmee ook de geluidnormen conform artikel 2.17, lid 5, van het Activiteitenbesluit. Een aanvullend onderzoek werd niet noodzakelijk geacht. Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering werden geen belemmeringen verwacht. Voor de omliggende gevoelige objecten zou sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat en werden er geen omliggende bedrijven in hun mogelijkheden beperkt. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is bij het desbetreffende onderzoeksbureau nagegaan of bovengenoemde conclusies nog steeds aan de orde zijn. Het onderzoeksbureau heeft schriftelijk bevestigd dat ten aanzien van het akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd, dat dit onderzoek uit 2020 nog steeds actueel en bruikbaar is. De schriftelijke bevestiging is als bijlage van voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. 4.4.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.5

Luchtkwaliteit

4.5.1

Toetsingskader

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag geen inbreuk ontstaan op de milieuruimte van omliggende veehouderijen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. stof

toetsing van

grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wk

4.5.2

Onderzoek

Zoals reeds onderzocht ten behoeven van het eerder opgestelde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor het planvoornemen. Ten behoeven van voorliggend bestemmingsplan is bij het desbetreffende onderzoeksbureau nagegaan of bovengenoemde conclusie nog steeds aan de orde is. Het onderzoeksbureau heeft geconcludeerd dat het eerder uitgevoerde onderzoek niet meer bruikbaar is. Derhalve is het onderzoek geactualiseerd.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 38

Voor het geactualiseerde onderzoek zijn de emissies vanwege de inrichting in de beoogde situatie berekend aan de hand van emissiefactoren uit de literatuur en specifieke bedrijfsgegevens. Middels een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de locatie inzichtelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstof (NO2) wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Blijkens bovenstaande vormen de emissies naar de lucht als gevolg van de aangevraagde activiteiten geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Het volledige onderzoek is als bijlage van voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. 4.5.3

Conclusie

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Derhalve wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.6

Externe veiligheid

4.6.1

Toetsingskader

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;

transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een orientatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 39

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.6.2

Onderzoek

Inrichtingen In de directe omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Op grotere afstand van het plangebied liggen twee bovengrondse propaantanks bij Centrum de Leonardushoeve aan de Hoverheideweg 2. De terreingrens hiervan ligt op circa 570 meter ten westen van deelgebied 2. De plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van deze tanks zijn 25 meter en reiken niet tot het plangebied. Gezien de tussenliggende afstand ligt het plangebied ook niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Daarnaast zijn op circa 11 kilometer ten noordwesten en circa 1,6 kilometer ten noordoosten van het plangebied enkele bedrijven gelegen waarbij een bovengrondse propaantank aanwezig is. Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontouren 10-6 van deze tanks en evenmin binnen het invloedsgebied. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen Over de A73, die op circa 830 meter ten noordwesten van het plangebied is gelegen, vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg is 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van de A73 levert hiermee geen directe belemmeringen op.

Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg. Vanwege de ligging binnen het invloedgebied van deze transportroute is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico nodig. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van deze weg ligt, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’. Voor het overige zijn er geen wegen in de omgeving van het plangebied gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 40

Uitsnede risicokaart met ligging deelgebied 2 (blauw omlijnd)

Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving rond het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen.

Uitsnede belemmeringskaart externe veiligheid Venlo met ligging deelgebied 2 (blauw omlijnd)

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 41

Risicovol transport over vaarwegen In de omgeving rond het plangebied zijn geen vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen Ten zuidoosten van het plangebied, aan de overzijde van de Koelesweg, ligt een brandstof (DPO) leiding van Defensie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze leiding is 0 meter. De leiding heeft een uitwendige diameter van 273 mm en een maximale werkdruk van 80 bar. Het plangebied ligt op circa 21 meter afstand van de leiding. Blijkens het gemeentelijke Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo is er geen sprake van een groepsrisico voor deze leiding, indien de personendichtheid minder is dan 255 personen per hectare. De personendichtheid in het plangebied en de omgeving is lager. Hierdoor zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van de DPO-leiding. Op circa 780 meter ten zuidwesten van het plangebied, liggen drie hogedruk aardgastransportleidingen van Gasunie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze leidingen is circa 170 meter. In de navolgende tabel zijn per leiding de uitwendige diameter, maximale werkdruk en 1%- en 100%-letaliteitgrenzen weergegeven. Leiding

Uitwendige dia-

Maximale werk-

1%-letaliteits-

100%-letaliteits-

meter

druk

grens

grens

A-578

42 inch

66,2 bar

490 m

190 m

A-520

24 inch

66,2 bar

310 m

140 m

A-665

48 inch

80 bar

580 m

220 m

Gezien de afstand van de aardgasleidingen tot het plangebied en de bovengenoemde letaliteitsgrenzen, ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze leidingen. Er zijn dan ook geen belemmeringen ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van de aardgasleidingen.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 42

Verantwoording groepsrisico Zoals reeds is beschreven, is vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A73 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de navolgende tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven. Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorbe-

Voor wat betreft de weg A73 bestaan er met name risico’s in ver-

reiding van bestrijding en be-

band met ongelukken met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch

perking van de omvang van

scenario). Ongevallen met brandbare vloeistoffen en gassen op

een ramp of zwaar ongeval.

de A73 zullen, gezien de tussenliggende afstand, niet tot het plangebied reiken. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

De mogelijkheden voor perso-

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is

nen om zich in veiligheid te

het van belang om in te gaan op de relevante soorten calamitei-

brengen indien zich op de weg

ten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch

een ramp voordoet (zelfred-

scenario).

zaamheid). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 43

Aspect

Verantwoording Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

4.6.3

Conclusie

Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Wel is de locatie gelegen binnen het invloedsgebied van de weg A73. In verband hiermee is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied. Tevens is in het kader van dit plan advies7 gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De veiligheidsregio adviseert om bij de ontwikkeling in het plangebied te zorgen voor voldoende bluswater conform het gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid. In de toenmalige situatie was namelijk onvoldoende bluswater aanwezig voor de bestrijding van een (industrie)brand. In overleg met de brandweer is bekeken op welke wijze voorzien kan worden in voldoende bluswater.

4.7

Water

4.7.1

Toetsingskader

Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. 4.7.2

Onderzoek

De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater.

7

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies bestemmingsplan herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’, kenmerk Z032621/UIT044784, 20 september 2019

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 44

Oppervlaktewater In het plangebied zijn diverse watergangen aanwezig, waaronder primaire watergangen die in het beheer zijn bij het Waterschap Limburg. Het voorliggende bestemmingsplan maakt uitsluitend in deelgebied 2 nieuwe ontwikkelingen mogelijk, die effect kunnen hebben op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. De primaire waterloop ‘Gansbeek’ begrenst dit deelgebied aan de west- en zuidzijde. Een aftakking van deze waterloop doorkruist deze percelen. Deze aftakking betreft een tertiaire watergang, die niet in beheer is bij het Waterschap Limburg. Het waterschap heeft aangegeven dat de primaire watergang in ieder geval behouden dient te blijven. In het voorliggende bestemmingsplan wordt deze waterloop bestemd tot ‘Water’. De regels van de Keur zijn hierop van toepassing. De aftakking (tertiaire waterloop) komt als gevolg van de beoogde ontwikkeling te vervallen en zal worden gedempt. Aan de oostzijde van dit deelgebied, aan de overzijde van de Koelesweg, ligt de primaire waterloop ‘2 e Zijtak Paterslossing’. Op deze waterloop wordt geen invloed uitgeoefend als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. In het plangebied zelf wordt geen primair oppervlaktewater gecreëerd. Wel wordt een waterbassin aangelegd ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf en waar nodig waterhuishoudkundige voorzieningen.

Grondwater Op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2021 ligt het plangebied niet binnen grondwaterbeschermingsgebieden, waterwingebieden of een boringsvrije zone. Hemelwater Op eigen terrein zullen voorzieningen worden gerealiseerd voor de berging, transport en infiltratie van hemelwater. Voor de berging van hemelwater dat op de kassen valt, wordt voorzien in een waterbassin. Dit regenwater zal worden hergebruikt in het productieproces in de kas. Het regenwater dat op de parkeerplaats valt, wordt opgevangen in een zaksloot, die gegraven wordt in het verlengde van de parkeerplaats. Deze sloot staat niet in directe verbinding met de beek, maar er zal wel een overlaat/overloopleiding vanuit de sloot op de beek gerealiseerd worden. In het landschappelijk inpassingsplan zijn de ligging van het waterbassin en de zaksloot weergegeven (zie ook de afbeelding in paragraaf 2.2). Afvalwater Bij het glastuinbouwbedrijf is uitsluitend sprake van huishoudelijk afvalwater vanuit de kantine en sanitaire ruimten. Dit afvalwater zal worden afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. In de omgeving van het plangebied is een drukriool aanwezig, waarop het bedrijf zal worden aangesloten. Er zullen ongeveer 15 toiletten en 12 kranen bij de wasbakken worden gerealiseerd in de bedrijfsbebouwing. Deze zullen met name tijdens de pauzes in gebruik zijn. Het pauzeren vindt plaats in groepen.

Gedurende de rest van de dag zullen deze voorzieningen slechts in beperkte mate worden gebruikt. De hoeveelheid afvalwater van het bedrijf is hierdoor beperkt. Naar verwachting is de capaciteit van het huidige drukriool voldoende om dit te kunnen verwerken. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een droog of nat ecosysteem. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. De watergang Gansbeek is in het POL2014 aangewezen als een beek met een algemene ecologische functie. Op deze beek wordt geen negatieve invloed uitgeoefend.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 45

Afkoppel beslisboom Het Waterschap Limburg heeft besloten dat kleine ruimtelijke plannen niet meer voor een wateradvies naar het watertoetsloket hoeven te worden verstuurd (brief waterschap 18 oktober 2006). Hiervoor is een bovengrens ingesteld van 2.000 m² nieuw verhard oppervlak. Dit geldt voor zowel bestemmingsplannen als ruimtelijke onderbouwingen, mits het plangebied niet binnen een (door het waterschap aangegeven) speciaal aandachtsgebied valt. De toename van het verhard oppervlak zal meer dan 2.000 m² bedragen, waardoor vooroverleg met het waterschap noodzakelijk is. Daarnaast is vanwege de ligging ten opzichte van de Gansbeek vooroverleg nodig. Ten behoeve van het eerder opgestelde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ zijn de plannen reeds in een vroeg stadium informeel besproken met het Waterschap Limburg. Hierin heeft het waterschap onder andere de uitgangspunten met betrekking tot de waterloop de Gansbeek aangegeven. Voor de bergingseis wordt getoetst aan de afkoppel beslisboom van de gemeente Venlo. Aangezien er sprake is van een verhard oppervlak van meer dan 2.000 m2 geldt een bergingseis van T=100 (100 mm in 24 uur). De exacte uitwerking zal nader worden uitgewerkt ten tijde van de vergunningprocedure. 4.7.3

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Ecologie en stikstof

4.8.1

Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. 4.8.2

Toetsing Wettelijke gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden. De meest dichtstbijzijnde, Natura 2000-gebieden zijn ‘Vogelschutszgebiet Schwalmnetteplatte Mit Grenzald u. Meinweg (DE)’ en ‘Wälder und Heiden bei Brüggenbracht (DE)’. Onderhavig bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van enige nieuwbouw. Derhalve kunnen directe negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000gebieden worden uitgesloten.

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 46

4.8.3

Toetsing gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied bevindt zich buiten het Nationaal NatuurNetwerk,. Gezien de locatie van het plangebied en de afstand tot NNN-gebieden kunnen de negatieve gevolgen op NNN-gebieden worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wnb ten aanzien van de bouwwerkzaamheden, gebruiksfase en NNN-gebieden is niet nodig. Hierdoor is een vergunning van de Wnb niet aan de orde. 4.8.4

Soortenbescherming

De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; 

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);

soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);

andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Ten behoeve van het eerder opgestelde bestemmingsplan ‘Herbegrenzing Glastuinbouwconcentratiegebied Meelderbroek’ is reeds een quickscan flora en fauna gedaan. Voor onderhavig bestemmingsplan is de quickscan flora en fauna geactualiseerd. De belangrijkste conclusies zijn hieronder samengevat. Het volledige onderzoek is als bijlage toegevoegd van voorliggend bestemmingsplan. Plangebied Het plangebied is gelegen in glastuinbouwgebied de Meeldersbroek en is gelegen tussen Belfeld en Reuver, tussen de A73 en de Duitse grens. Het plangebied is gelegen in een agrarisch landschap en wordt omgeven door weilanden, akkerlanden en boomkwekerijen. Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.

Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In

Meelderbroek

Correctieve herziening herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied 47

de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het gebouw bevat geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen of foerageergebied voor vleermuizen. De bomenrijen die het plangebied omgeven kunnen mogelijk dienen als vliegroute voor vleermuizen. Volgens het planvoornemen zullen deze structuren behouden blijven. Indien deze structuren worden gerooid of niet meer de functionaliteit kunnen behouden dient er nader onderzoek te worden gedaan naar vliegroutes. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren.

Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De poel en sloten binnen het plangebied zullen naar aanleiding van het planvoornemen behouden blijven. De voorgenomen plannen zullen daardoor geen afname van mogelijk geschikt essentieel habitat van de rugstreeppad of alpenwatersalamander veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. Indien dit oppervlaktewater zal verdwijnen dient er nader onderzoek plaats te vinden om vast te stellen of uit te sluiten of er voortplantingshabitat van voornoemde soorten aanwezig is. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/307/documents/20164