057bijl4 Bestemmingsplan Zwembad Venlo toelichting.pdf
Tekst van het document
28
bestemmingsplan Zwembad Venlo
niet noodzakelijk is.
Daarbij kent Venlo geen knelpunten voor wat betreft de heersende achtergrondconcentraties (NO2, PM10 en PM2,5). Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook gewaarborgd en de uitvoerbaarheid van het plan is op dit punt niet in het geding.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1 Toetsing Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld aan de hand van twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en
bestemmingsplan Zwembad Venlo
29
bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten Uit de eerder genoemde AMvB's (Bevi, Bevt, Bevb) vloeit voort dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de plaatsgebonden risicocontouren in acht moeten worden genomen ten opzichte van zogenoemde kwetsbare objecten. Ten opzichte van zogenoemde beperkt kwetsbare objecten geldt dat die contouren als richtwaarde gelden. In het Bevi is benoemd welke objecten zijn aan te merken als kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object. Het Bevt en het bevb sluiten aan bij die indeling. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw overdekt zwembad. Een zwembad wordt in het Bevi aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Daarom wordt hierna getoetst op de externe veiligheidsrisico's. Ook wordt ingegaan op de vraag of het nieuwe overdekte zwembad zelf externe veiligheidsrisico met zich mee brengt. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven, op basis van gegevens in het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS).
Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Deze kaarten zijn raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.
Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van de locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot aan het plangebied reikt, met uitzondering van het spoorwegemplacement. Dat emplacement heeft een invloedsgebied van circa 3 kilometer (toxisch scenario), maar de plaatsgebonden risicocontour dient op basis van de voor de betreffende activiteiten verleende vergunning binnen de grens van het emplacement c.q. de inrichting te blijven. Het groepsrisico is blijkens eerder uitgevoerde QRA's erg laag en er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, zo
30
bestemmingsplan Zwembad Venlo
blijkt uit het gemeentelijk Beleidsplan Externe Veiligheid. Conform dit beleidsplan wordt voorzien in een standaard verantwoording groepsrisico. De meest nabijgelegen risicobron betreft een lpg-tankstation Lukoil aan de Pastoor Stassenstraat, ten zuidoosten van het plangebied. Het invloedsgebied (150 meter) en de effectafstand (160 meter)reiken echter niet tot aan het plangebied. Risicovol transport over de weg / het spoor Binnen 200 meter afstand van het plangebied liggen geen transportassen (weg of spoor) waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor plaats. Ook over de Rijksweg A73 (circa 460 meter afstand) vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Gelet op deze afstanden vormen plaatsgebonden risicocontouren of eventuele plasbrandaandachtsgebieden voor onderhavig planvoornemen geen belemmering. Wel wordt voorzien in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Risicovol transport over het water Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen het definitief ontwerp Basisnet Water is de Maas aangewezen als een categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen (categorieën LF1, LF2,LT1, GF3, GT3). De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) reikt niet tot buiten de oeverlijn van de Maas.
Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat, gelet op de relevante stofcategorieën, de grootste 1%-letaliteitsgrens (GT3) op 1.070 meter afstand van de Maas ligt. Daarmee ligt het plangebied buiten dit invloedsgebied. Langs de Maas is overigens nog veel ruimte voor de groei van transport van gevaarlijke stoffen voordat er een externe veiligheidsknelpunt ontstaat. Dit betekent dat er nu en in de toekomst (tot 2030) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkeling langs de vaarwegen nauwelijks beperkingen zijn. Risicovolle buisleidingen Er liggen in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen waarvan de de 1%-letaliteitsgrens reikt tot aan het plangebied. De meest nabij gelegen buisleidingen liggen ten westen van het plangebied, parallel aan de Napoleonsbaan (ca 670 meter afstand, ontwerpdruk 40 bar, diameter 12 inch) en ten oosten van het plangebied, parallel aan de Maas. Het betreffen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie met een diameter van respectievelijk 8 en 12 inch, beiden met een ontwerpdruk van 40 bar en waarvan de 1%-letaliteitsgrens op respectievelijk 100 en 140 meter afstand ligt. Die afstanden reiken dus niet tot aan het plangebied. Conclusie invloed omgeving op het planvoornemen Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron.
Ook zijn de locaties niet gelegen binnen een 1%-letaliteitsgrens van een buisleiding of binnen 200 meter van een transportas voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of het water. Nader onderzoek en/of het berekenen en het vervolgens 'volledig' verantwoorden van het groepsrisico (aan de hand van een QRA) is daarom niet aan de orde. Wel wordt hierna in paragraaf 4.5.2 conform het Besluit externe veiligheid transportroutes en op basis van het gemeentelijke Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 voorzien in een (standaard) verantwoording van het groepsrisico. Invloed planvoornemen op de omgeving Het zwembad zelf is geen risicovolle inrichting als bedoeld in het Bevi, maar indien gewerkt wordt met stoffen als bijvoorbeeld chloorbleekloog en zuren bestaan wel risico's op incidenten met deze stoffen, door bijvoorbeeld brand, of de vorming van chloorgas wanneer chloorbleekloog in contact komt met een zuur. Afhankelijk van de aard en het volume van de opslag van die stoffen worden in de Leidraad risico-inventarisatie gevaarlijke stoffen afstanden geadviseerd. In het nieuwe binnenbad zal echter behoudens eventueel de opstartfase - geen opslag van chloor plaatsvinden, omdat chloor wordt aangemaakt door toepassing van zoutelektrolyse en onmiddellijk zal worden gedoseerd. PH-correctie zal plaatsvinden
bestemmingsplan Zwembad Venlo
31
door middel van loog, dat ook wordt geproduceerd door de zoutelektrolyse-installatie. Ook de opslag van zuren is daarom niet aan de orde. Gezien het voorgaande zal het zwembad ook geen risico voor de omgeving met zich meebrengen vanwege de opslag van gevaarlijke stoffen. 4.5.2 Verantwoording groepsrisico Indien een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied, maar op een afstand van meer dan 200 meter van de betreffende transportas tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: 1. 2. 3.
de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert.
Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord De veiligheidsregio op 18 oktober 2022 advies uitgebracht over onderhavig planvoornemen. De veiligheidsregio beoordeeld de bereikbaarheid van het plangebied als goed, nu het plangebied vanuit zowel oostelijke, westelijk, noordelijke als zuidelijke richting te bereiken is via de bestaande wegenstructuur en er geen aanleiding is om aan te nemen dat niet aan de brandweerzorgnorm kan worden voldaan. Wel worden maatregelen geadviseerd in het kader van de bluswatervoorziening en de zelfredzaamheid:
32
bestemmingsplan Zwembad Venlo
Gifwolk (toxisch scenario): 1. 2.
Zorg dat de aanwezige bouwwerken voldoende luchtdicht zijn af te sluiten door ramen en deuren te sluiten en ventilatie af te schakelen. Indien voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodschakelaar waarmee de installatie uit te schakelen is op een gemakkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodschakelaar kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden of in de nabijheid van de eventueel benodigde brandmeldcentrale.
Algemeen: 3. 4. 5.
Zorg dat het personeel en BHV-organisatie op de hoogte is van de aanwezige risico's uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in de bouwwerken, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident. Neem de EV scenario's op in het bedrijfsnoodplan en beoefen deze periodiek met personeel en BHV. Bepaal in overleg met de VRLN waar de brandweeringangen, opstelplaatsen en aanvullende bluswatervoorzieningen dienen te worden voorzien.
Toepassing Deze adviezen zullen worden opgevolgd door met maatregelen 1, 2 en 5 mee te nemen als ontwerpprincipe bij de verdere uitwerking van het bouwplan en maatregelen 3 en 4 mee te nemen in BHV-trainingen en -organisatie en personeelsinstructies.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige objecten (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. 2.
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf.
Werking handreiking op hoofdlijnen: functiescheiding of functiemenging? In de handreiking zijn bedrijven en bedrijfsactiviteiten ingedeeld in typen (milieubelastende) bedrijvigheid,
bestemmingsplan Zwembad Venlo
33
gerangschikt naar SBI-code. Dit betekent dat er is gestandaardiseerd en dat is uitgegaan van gemiddelde situaties. Deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten worden ingedeeld in een milieucateogrie variërend van 1 tot 6. De daarmee samenhangende milieubelasting dient vervolgens te worden afgezet tegen de belasting waarvan in de omgeving al sprake is. Ook dit is gestandaardiseerd, in dit geval in twee omgevingstypen: 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De hiervoor beschreven methode gaat echter uit van functiescheiding. De opgenomen richtafstanden gelden tussen tussen een gebied met milieubelastende acticviteiten enerzijds en voor milieugevoelige gebieden, zoals woonwijken, anderszijds. Deze methode is echter niet geschikt voor gebied waarin deze functies samen komen. Voor die gebieden introduceert de handreiking een andere systematiek, uitgaande van een drietal categorieën activiteiten: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen (vrijstaand van); Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Bij deze systematiek hoort ook een andere bedrijvenlijst dan wordt gehanteerd bij functiescheiding.
Invloed omgeving op het planvoornemen Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden om een nieuw overdekt zwembad te bouwen, ter vervanging van het bestaande zwembad De Wisselslag. Het zwembad zelf is niet aan te merken als een milieugevoelige functie. Wel zijn binnen het zwembad enkele kantoren voor personeel aanwezig. Daarom is c.q. wordt bij het ontwerp van het gebouw wel rekening gehouden met bescherming van deze ruimten tegen geluidhinder van buitenaf. Gelet op de aard van de ontwikkeling (niet milieugevoelig), de omgeving (geen milieuhinderlijke activiteiten met een grote impact op de omgeving) is geen sprake van een onaanvaardbaar verblijfsklimaat binnen het plangebied en is daarmee ook geen sprake van een strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening. Invloed planvoornemen op de omgeving De locatie van het nieuwe overdekte zwembad ligt niet - zoals het huidige overdekte zwembad - nabij de hoek Frederik van Eedenstraat en Drie Decembersingel, maar nabij de hoek Shakespearelaan en Pastoor Stassenstraat. Daarmee verandert ook de ruimtelijke uitstraling en de omgeving waarop het zwembad in beginsel effect kan hebben. Uitgaande van de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009) wordt een overdekt zwembad / binnenbad ingedeeld in milieucategorie 3.1, waarvoor in beginsel een richtafstand geldt van 50 meter.
De milieucategorie wordt ingegeven door de grootste richtafstand, die in dit geval wordt bepaald door de richtafstand van 50 meter voor geluid. Voor geur en stof gelden voor zwembaden richtafstanden van respectievelijk 10 en 0 meter. Ten opzichte van de woningen ten zuiden van het plangebied en de woningen en de zorgwoningen ten oosten van het nieuwe overdekte zwembad, wordt aan die afstand voldaan. Ten opzichte van de woningen ten westen van het nieuwe overdekte zwembad bedraagt de afstand tussen de meest nabij gelegen woningen en het bouwvlak niet overal 50 meter. De kleinste afstand bedraagt namelijk 48 meter. Zoals uit het voorgaande blijkt is geluid hier bepalende factor. Daarom is nader onderzoek verricht om te kunnen beoordelen of bij de realisatie van het overdekte zwembad ter plaatse van omliggende woningen sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn beschreven in paragraaf 4.2.2, blijkt dat het planvoornemen voorziet in een goede ruimtelijke ordening, nu ondanks het feit dat niet ten opzichte van alle omliggende woningen wordt voldaan aan de richtafstand, kan worden voldaan aan de relevante geluidnormen.
34
bestemmingsplan Zwembad Venlo
4.7
Kabels en leidingen
Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologische bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en elektra. De aanwezigheid van deze leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig planvoornemen.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen dient in de toelichting te worden voorzien in een beschrijving van de wijze waarop rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. 4.8.2 Archeologie De gemeente Venlo beschikt over een archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart van de gemeente laat zien dat voor onderhavig plangebied rekening moet worden gehouden met een archeologische (verwachtings)waarde.
Aan het plangebied is een hoge/middelhoge verwachtingswaarde toegekend. Dat betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een oppervlakte van 500 m2 of meer archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Archeologisch onderzoek Gelet op het voorgaande is een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Econsultancy
bestemmingsplan Zwembad Venlo
35
(d.d. 2 december 2022, kenmerk 2072600.1). Het doel van het bureauonderzoek is de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied te bepalen Die verwachting is laag gebleken voor de periode Mesolithicum en hoog voor de perioden Laat-Paleolithicum en Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Daarom is ook een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen uitgevoerd. Daarmee wordt de bodemopbouw is binnen het plangebied onderzocht en er wordt beoordeeld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Onder het maaiveld zijn geroerde lagen aangetroffen, plaatselijk puinhoudend, met daaronder de C-horizont. De overgang tussen de C-horizont en de bovenliggende laag was vaak verrommeld. De diepte waarop de C-horizont is aangetroffen varieert maar ligt grotendeels tussen de 22 en 22,6 meter +NAP. De verwachtte enkeerdgrond is niet aangetroffen, waarschijnlijk omdat het plangebied is afgegraven tot op/in de top van de C-horizont en is het daarna weer opgehoogd, vermoedelijk (deels) met zand dat is vrijgekomen bij de aanleg van het zwembad. Hoeveel van de C-horizont is verdwenen is niet overal duidelijk, alleen bij boring 14 (tussen de twee buitenbaden) is aangetoond dat dit aanzienlijk is.
Uit de bouwdossiers blijkt dat de bodem ter plaatse van het zwembad tot wisselende diepten is verstoord. Ter plaatse van de zwembaden is de kans klein dat hier nog een onverstoorde bodem aanwezig is (mogelijk alleen onder een deel van het ondiepe bassin). Ter plaatse van de funderingen en de kruipruimtes is de kans ook klein dat hier nog een onverstoorde bodem aanwezig is. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, dient door resultaten van het booronderzoek deels te worden bijgesteld. De verwachting voor resten van jagers en verzamelaars dient te worden bijgesteld naar laag voor de perioden Laat-Paleolithicum (voor Mesolithicum was deze al laag) aangezien resten uit deze periode zullen zijn vergraven. De hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met Middeleeuwen wordt bijgesteld naar middelhoog aangezien verwacht wordt dat deze deels zullen zijn aangetast, maar diepe sporen kunnen nog aanwezig zijn. De hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de Nieuwe tijd blijft hoog met name voor resten uit de Tweede Wereldoorlog, loopgraven en tankgracht. Deze sporen kunnen dermate diep doorlopen dan resten hiervan nog verwacht kunnen worden in het plangebied. Deze verwachting geldt voor het zuidelijk deel van het plangebied.
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing en zwembaden in het noordelijke deel van het plangebied wordt geconcludeerd dat behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in dit deel van het plangebied niet meer verwacht worden. Mogelijk zijn er nog archeologische resten aanwezig maar door de bebouwing en de zwembaden wordt niet verwacht dat deze behoudenswaardig zijn. Gezien de in het onderzoek opgestelde archeologische verwachting wordt binnen het zuidelijk deel van het plangebied vervolgonderzoek geadviseerd om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek zou het beste kunnen worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Binnen het noordelijke deel van het plangebied, waar het bodemprofiel is verstoord door de bebouwing en de zwembaden en waar dus geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Toepassingplanvoornemen Gelet op het voorgaande kan het noordelijk deel van het plangebied worden vrijgegeven. Voor het zuidelijk wordt door Econsultancy een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Dit advies wordt echter niet overgenomen. Gezien de mate van bodemverstoring van 55 tot 120 cm en gemiddeld 86 cm onder maaiveld kan de verwachting voor (resten van) diepere grondsporen als laag worden beschouwd. De kans op zinvol onderzoek is daarom klein of nihil. Verder heeft archeologisch
36
bestemmingsplan Zwembad Venlo
onderzoek naar resten uit de Tweede Wereldoorlog in dit geval geen meerwaarde. De tankgracht is reeds bekend en door middel van bureauonderzoek in kaart gebracht. Vervolgonderzoek is daarom disproportioneel en het gemeentelijke selectiebesluit luidt dan ook dat het plangebied archeologisch kan worden vrijgegeven. Gezien het voorgaande is - nu het gebied geheel is vrijgegeven - de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding en wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. 4.8.3 Cultuurhistorie De gemeente Venlo beschikt over een cultuurhistorische inventarisatiekaart. Daarvan kan worden opgemaakt datbinnen het plangebied geen monumenten of panden zijn gelegen zijn opgenomen in de inventarisatie van het Monumenten Inventaristie Project (MIP, maar die niet daadwerkelijk als monument zijn aangewezen.
Voorgaande uitsnede van de inventarisatiekaart laat zien dat het plangebied in het verleden is doorkruist door inmiddels verdwenen wegen en in en rond het plangebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog (vermoedelijk) tankgrachten en loopgraven aanwezig waren. Gelet op de huidige inrichting en het huidige gebruik van het plangebied zijn die niet meer aanwezig dan wel als zodanig herkenbaar. Het de (her)inrichting van het plangebied daarom geen afbreuk gedaan aan eventuele cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan Zwembad Venlo
37
4.9
Flora en Fauna
4.9.1 Inleiding In de Wet natuurbescherming is de soortenbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN), dat een verdere vertaling heeft gekregen in de provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.9.2 Gebiedsbescherming De Europese Unie (EU) wil de biodiversiteit in Europa beschermen met Natura 2000. Dat is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Nederland zijn meer dan 160 natuurgebieden aangewezen. Deze liggen hoodzakelijk binnen het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur). Oorspronkelijk zijn deze gebieden aangewezen als Habitat- of Vogelrichtlijngebied.
Al deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van planten- en diersoorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In Nederland zijn de Europese regels voor gebiedsbescherming (net als de regels voor soortenbescherming) vertaald in de Wet natuurbescherming. In het aanwijzingsbesluit van het betreffende Natura 2000-gebied wordt de exacte ligging aangegeven, evenals de soorten en habitattypen die in het gebied moeten worden beschermd. De provincies werken vervolgens in beheerplannen uit welke maatregelen worden getroffen om de door de minister opgestelde instandhoudingsdoelstellingen te bereiken. In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt over de grens met Duitsland en betreft het "Vogelschutzgebiet Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg" op circa 5 km afstand van het plangebied. Op circa 8 km afstand ten noorden van de projectlocatie bevindt zich tevens het Natura 2000-gebied "Maasduinen". Onderstaand kaartje laat de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden zien.
38
bestemmingsplan Zwembad Venlo
Het plangebied is gezien het voorgaande niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit daarom een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als gevolg van het planvoornemen zijn, gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, redelijkerwijs niet te verwachten. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van het NNN. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de omvang van de voorgenomen plannen en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof is daarom noodzakelijk. Om deze reden wordt middels een Aeriusberekening de eventuele stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Door Peutz is de stikstofstofdepositie voor zowel de sloopfase als de aanleg/bouwfase als de gebruiksfase in beeld gebracht door middel van de Aerius Calculator (versie 2022). De resultaten zijn beschreven in een rapport d.d. 10 maart 2023, met kenmerk J 481-16-RA-002, dat als Bijlage 4 bij deze toelichting is gevoegd.
Uit dat rapport blijkt dat tijdens de sloop-, aanleg- en bouwfase en ook tijdens de gebruiksfase géén deposities optreden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee vormt (de toename van) de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als gevolg van het planvoornemen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
bestemmingsplan Zwembad Venlo
39
4.9.3 Soortenbescherming In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met de bescherming van flora en fauna en met name de aanwezigheid van (verblijfplaatsen) van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat bij voorgenomen nieuwe ontwikkelingen op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten. Toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen hiermee in sommige situaties strijdig zijn. De werkzaamheden kunnen immers leiden tot verstoring en/of vernietiging van leefgebieden van dieren en groeiplaatsen van planten. Ook de afzonderlijke plant- en diersoorten kunnen als gevolg van de werkzaamheden (onopzettelijk) gedood, verontrust en/of verjaagd worden. In sommige gevallen kan het noodzakelijk zijn een ontheffing aan te vragen. Een aanvraag van een ontheffing is enkel noodzakelijk indien de voorgenomen activiteiten een schadelijk effect zullen hebben op de aanwezige beschermde soorten of zorgen voor een vermindering van de ecologische functionaliteit voor deze soorten. Een aanvraag is niet noodzakelijk indien de werkzaamheden dusdanig worden ingericht dat geen schade wordt toegebracht aan de beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming is ook een algemene zorgplicht opgenomen.
Deze zorgplicht houdt in dat voorafgaand aan een ingreep alle maatregelen genomen dienen te worden om nadelige gevolgen op flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Bovendien moeten de handelingen in logisch verband staan met het plan en geen doel op zich vormen. Deze zorgplicht geldt te allen tijde, ook indien een ontheffing of vrijstelling is verleend. Verkennend onderzoek Om eventuele belemmeringen voor het uitvoerbaarheid van het plan vanwege strijdigheden met de Wet natuurbescherming te kunnen uitsluiten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Nipa, die als bij Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd (d.d. 25 mei 2022, nr N222416.1). Kort samengevat zijn de bevindingen als volgt: Het te slopen bestaande overdekte zwembad, één van de op het terrein aanwezige clublokalen en de bestaande horecavoorziening nabij de Shakespearelaan bieden mogelijk verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Het oude, buiten gebruik gestelde peuterbadje dat ten westen van het huidige overdekte zwembad is gesitueerd wordt gebruikt als voortplantingswater door algemene amfibieënsoorten zoals de bruine kikker en kleine watersalamander. Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en de bastaardkikker (middelste groene kikker) vrijgesteld.
Echter dient men hier wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht indien besloten wordt dit bad te slopen. Daarbij is de alpenwatersalamander hier niet uit te sluiten. Er kan hier spraken zijn van voortplantingswater wat verdwijnt door het slopen van het peuterbadje. De oude bomen op de huidige ligweide, de tamme kastanjes ten westen van het te slopen zwembad en het bosschage rondom de onderzoekslocatie bieden mogelijke verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In deze bomen zijn (specht)gaten en scheuren aangetroffen. Indien deze oude bomen of de bomen met spechtgaten gekapt worden gaan deze mogelijke verblijfplaatsen verloren. De onderzoekslocatie dient mogelijk als foerageergebied voor vleermuizen, roofvogels en de huismus. Doordat het oude bad wordt gesloopt, de huidige buitenbaden behouden blijven en er een nieuw bad wordt gebouwd, zal er geen verlies van groen op de locatie zijn. Hierdoor zal er geen effect zijn op deze foerageergebieden. Daarbij is de bebouwing van het nieuwe overdekte zwembad natuurinclusief ontworpen. Daardoor is er mogelijk juist sprake van een verbeterde situatie ten opzichte van de huidige situatie. Het voornemen bestaat om zo min mogelijk bomen te rooien. De bomen kunnen nesten bevatten. De te rooien bomen dienen gecontroleerd te worden op mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen.
Daarbij dienen de bomen buiten het broedseizoen te worden gekapt. De bosschage rondom de onderzoekslocatie vormt een lijnvormig element wat door vleermuizen gebruikt kan worden als migratieroute. Indien het uitdunnen van de bosschage geen gaten van enkele meters veroorzaakt, zal dit geen effect hebben op deze
40
bestemmingsplan Zwembad Venlo
route. Conclusie en aanbevelingen Op basis van voorgaande resultaten trekt Nipa de volgende conclusies en geven ze de volgende aanbevelingen: Het te slopen overdekte zwembad, de noordelijke helft van de clublokalen en de horecagelegenheid bieden mogelijke verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Derhalve wordt er geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren naar kraam-, zomer- en paarverblijven voor deze soorten in de te slopen panden. Dit onderzoek bestaat uit meerdere veldbezoeken en dient uitgevoerd te worden tussen mei en september én ruimschoots voor aanvang van de sloopwerkzaamheden. De oude bomen met gaten en/of scheuren of bomen met spechtgaten in het bosschage bieden mogelijke verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. Indien het noodzakelijk blijkt dat een van de bomen met (specht)gaten en/of scheuren gerooid moet worden, dan wordt er geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren naar kraam-, zomer- en paarverblijven voor deze soorten. Dit onderzoek bestaat uit meerdere veldbezoeken en dient uitgevoerd te worden tussen mei en september én ruimschoots voor aanvang van de sloopwerkzaamheden. Dit onderzoek kan gecombineerd worden met het onderzoek naar de gebouwbewonende vleermuissoorten. De onderzoekslocatie is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen.
Geadviseerd wordt om met het plaatsen van de nieuwe straatverlichting te kijken naar vleermuisvriendelijke verlichting. Daarbij dient tijdens de bouw rekening gehouden te worden met het verstorende effect van bouwlampen op foeragerende vleermuizen. Dit betekent dat in het voorjaar en de zomer de bouwlampen niet in de donkere uren van het bouw terrein af of omhoog mogen schijnen. Het oude peuterbadje biedt mogelijk voortplantingswater voor de alpenwatersalamander. Indien besloten wordt om het oude badje te slopen, dan wordt geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren naar deze soort. Dit onderzoek bestaat uit twee veldbezoeken in de periode maart-augustus. Daarbij dient bij de sloop in het kader van de zorgplicht rekening gehouden te worden met de amfibieën die er momenteel in huizen. Geadviseerd word om dit badje ten tijde van de winter of herfst te dempen. Indien dit niet mogelijk blijkt wordt er geadviseerd voor het dempen onder ecologische begeleiding de aanwezige amfibieën weg te vangen en/of om tijdens het dempen van het badje in één richting te werken. Dit voorkomt insluiting van dieren, die hierdoor een mogelijkheid krijgen om weg te komen. Tevens dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen als er bomen of struiken gerooid worden. Het is namelijk niet uit te sluiten dat hierin (niet jaarrond beschermde) nesten aanwezig zijn.
De bomen en struiken dienen buiten het broedseizoen (circa half maart half augustus) verwijderd te worden. Betekenis voor het planvoornemen De bouw van het nieuwe zwembad is voorzien op een locatie waar op dit moment geen bebouwing aanwezig is waarvan is geconstateerd dat die geschikt is voor het verblijf van beschermde vleermuizen. De uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot de bescherming van de verblijfplaatsen is op dat punt daarom niet in het geding. Wel is het zo dat in ieder geval het huidige overdekte zwembad zal worden gesloopt. Dat zal echter pas over enkele jaren het geval zijn, na realisatie en ingebruikname van het nieuwe overdekte zwembad. Om die reden is het nog niet opportuun in dit stadium reeds nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van vleermuizen in dat zwembad. Dat zal alsnog worden uitgevoerd alvorens sloop van dat zwembad aan de orde is. gelet op de aard en omvang van het plangebied is redelijkerwijs voldoende ruimte om te voorzien in eventuele mitigerende en compenserende maatregelen, ongeacht de aard, de omvang en het aantal verblijfplaatsen dat mogelijk wordt aangetroffen. Voor de overige gebouwen waarvan is geconstateerd dat ze mogelijk en slechts deels onderdak bieden aan gebouwbewonende vleermuizen (huidige horecavoorziening en noordelijk deel clubgebouwen) geldt dat deze vooralsnog behouden blijven.
Er worden ten aanzien van het buitenbad immers nog geen
bestemmingsplan Zwembad Venlo
41
concrete ontwikkelingen voorzien. Bij een voortzetting van het huidige gebruik is daarom geen aanleiding om aan te nemen dat dat verstorend werkt voor eventuele aanwezige vleermuisverblijven.
Het buiten gebruik gestelde peuterbad in het noordwestelijk deel van het plangebied ligt ook niet in een gebied waar op korte termijn een herinrichting wordt voorzien. Daarvoor geldt dat wanneer op termijn
42
bestemmingsplan Zwembad Venlo
het verwijderen daarvan in beeld komt, dat invulling zal worden gegeven aan de aanbevelingen van Nipa. Voor wat betreft eventuele bomen met holtes rond de locatie van het nieuwe overdekte zwembad is van belang dat het overgrote deel van de bomen behouden kan en zal blijven, zo blijkt ook uit een ten behoeve van de ontwikkeling uitgevoerde bomeneffectanalyse die als Bijlage 6 bij deze toelichting is gevoegd. Vervolgonderzoek Aangezien is geconstateerd dat binnen het plangebied oude bomen met gaten en/of scheuren of bomen met spechtgaten aanwezig zijn die mogelijk verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen bieden, is door Nipa nog nader geïnventariseerd of dit ook geldt voor het beperkt aantal te rooien bomen. Uit die inspectie (waarvan het verslag d.d. 14 juli 2023 met kenmerk N222416.001 als Bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd) blijkt dat dat niet het geval is. Er zijn weliswaar gaten aangetroffen in enkele van de te rooien bomen, maar die zijn niet geschikt gebleken voor vleermuizen om dat ze of wel te ondiep zijn, of wel onvoldoende naar boven toe zijn uitgehold, waardoor de gaten te veel worden blootgesteld aan weer en wind. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor het rooien van de bomen en voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt.
Conclusie Gelet op het voorgaande is de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in het geding en wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening.
4.10
Verkeersaspecten
Als gevolg van het planvoornemen zal het bestaande overdekte zwembad op de hoek van de Frederik van Eedenstraat en de Drie Decembersingel worden gesloopt en zal ter vervanging daarvan een nieuw overdekt zwembad worden gebouwd nabij de hoek Shakespearelaan en de Pastoor Stassenstraat. Door Royal Haskoning DHV (RHDHV) zijn de daarmee samenhangende verkeerseffecten onderzocht, waarbij is ingegaan op de verkeersproductie, de beoogde nieuwe ontsluiting en de parkeerbehoefte en de opvang daarvan. De resultaten zijn opgenomen in de als Bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen rapportage (d.d. 10 november 2022, nr BI8629-MI-NT-221110-0933). Verkeersproductie De verkeersproductie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (december 2018), uitgaande van een ligging van het plangebied in een 'zeer stedelijk gebied' en in een deel van Blerick dat is aan te merken als 'rest bebouwde kom'. De kencijfers uit voornoemde uitgave gaan uit van een minimale en maximale verkeersproductie per 100 m2 aan bassin. Voornoemde publicatie gaat uit van een weekdaggemiddelde (evenredige verdeling motorvoertuigbewegingen over alle weekdagen). Het werkdaggemiddelde ligt iets hoger en wordt verkregen door het weekdaggemiddelde te vermenigvuldigen met een omrekenfactor van 1,11.
Op basis van ervaringscijfers van de gemeente Venlo blijkt dat de verkeersgeneratie in de stad op een gemiddeld niveau ligt. Om die reden is ook uitgegaan van een gemiddelde verkeersproductie, aan de hand waarvan de bestaande situatie als de nieuwe situatie in beeld is gebracht. Aangezien de oppervlakte aan bassin voor het binnenbad in de nieuwe situatie groter is dan de bestaande situatie, neemt de verkeersproductie als gevolg van het nieuwe binnenbad toe van 252 naar 295 verkeersbewegingen per werkdagetmaal (+43). De situatie ten aanzien van het bestaande buitenbad verandert niet. Onderstaande tabel - afkomstig uit het rapport van RHDHV - geeft de beide situaties weer voor zowel als weekdaggemiddelde als werkdaggemiddelde.
bestemmingsplan Zwembad Venlo
43
Om inzicht te krijgen in de intensiteiten van de wegen rondom zwembad De Wisselslag, is gebruik gemaakt van het verkeersmodel Noord-Limburg_2018, prognosejaar 2030. De Shakespearlaan en Pastoor Stassenstraat betreffen gebiedsontsluitingswegen en kunnen normaliter 10.000-15.000 mvt/etmaal verwerken. Van de Shakespearlaan maken circa 7.200 mvt/etmaal gebruik en van de Pastoor Stassenstraat circa 3.500. Op beide wegen is nog voldoende restcapaciteit aanwezig om de circa 45 motorvoertuigen die het zwembad extra gaat genereren op te vangen. De Frederik van Eedenstraat en Drie Decembersingel betreffen erftoegangswegen, hiervoor geldt een capaciteit van 1.500-6.000 mvt/etmaal. Conform het verkeersmodel rijden er circa 1.000 mvt/etmaal, dus ook hier is voldoende restcapaciteit aanwezig. Gezien het voorgaande blijkt dat de wegen rond het plangebied de verkeersproductie in zowel de huidige als toekomstige situatie goed kunnen afhandelen en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op dit punt niet in het geding is.
Parkeervoorzieningen motorvoertuigen Voorzieningen trekken verkeer aan, zowel langzaam- als gemotoriseerd verkeer. Om bezoekers van zwembad De Wisselslag en het buitenzwembad te kunnen ontvangen, zijn zowel (brom)fiets- als autoparkeerplaatsen benodigd. Op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” (1 december 2018) is de parkeerbehoefte van zowel het binnenbad als het buitenbad inzichtelijk gemaakt. Naast de benodigde parkeercapaciteit, is ook gekeken naar de mogelijkheid van deelgebruik van de parkeerplaatsen door de omwonenden. Net als voor de verkeersgeneratie gaat de genoemde CROW-publicatie uit van een onderscheid tussen binnenen buitenbaden en wordt ook de parkeernorm bepaald per 100 m2 oppervlakte aan bassin. Daarbij wordt een minimum- en maximumnorm gegeven. Net als voor de verkeersproductie wordt - op basis van ervaringscijfers van de gemeente Venlo - uitgegaan van een gemiddelde parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte in zowel de bestaande als toekomstige situatie ziet er dan als volgt uit:
44
bestemmingsplan Zwembad Venlo
Als gevolg van de toename aan oppervlakte bassin binnenbad neemt de parkeerbehoefte ten opzichte van de huidige situatie toe met 14 parkeerplaatsen. Rekeninghoudend met de toename van het aandeel elektrische voertuigen adviseert CROW een aantal parkeerplaatsen met een laadpunt van 2,5-3% van het totale aantal parkeerplaatsen. In dit geval dus circa 3 parkeerplaatsen. Huidige situatie In de huidige situatie wordt het auto parkeren voor zowel het binnen- als buiten zwembad volledig opgevangen in de openbare ruimte aan de Drie Decembersingel. Deze vakken worden ook gebruikt door bewoners van de naastgelegen woningen. Aan de zijde van de woningen liggen 13 schuine parkeervakken en aan de zijde van de zwembaden 36 schuine parkeervakken, waarvan 2 parkeerplaatsen voor mindervaliden. In het totaal zijn er dus 49 openbare parkeerplaatsen beschikbaar. Daarnaast is het toegestaan op de rijbaan te parkeren, hier zijn geen vakken aangegeven. Voor het buitenbad geldt dat de theoretische parkeervraag 218 parkeerplaatsen betreft. Echter wordt het buitenbad veel bezocht door inwoners van Blerick, die op korte afstand wonen. De gemeente Venlo is in gesprek gegaan met de beherende stichting, hieruit blijkt dat het huidige aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voldoende zijn om aan de parkeervraag te voldoen. Het buitenbad is in het hoogseizoen (juli-augustus) dagelijks geopend.
Vanaf mei is het terrein geopend voor evenementen zoals de jaarlijkse zwemvierdaagse. Zowel bezoekers van het binnen- als buiten zwembad maken gebruik van de openbare parkeerplaatsen aan de Drie Decembersingel. De piek van de parkeervraag voor het buitenbad ligt in de maanden juli en augustus, terwijl de activiteiten in het binnenbad dan minimaal zijn. Hierdoor is dubbelgebruik van de parkeerplaatsen door de beide zwembaden mogelijk. Op basis van ervaringen van de gemeente Venlo en Stichting Buitenbad Groot Venlo, die het buitenbad exploiteert, zijn er geen structurele parkeerproblemen in de omgeving. Het huidige aantal parkeerplaatsen is voldoende om de vraag van het binnenbad, buitenbad en omwonenden op te vangen. Naast bezoekers van het zwembad, parkeren ook bewoners op de openbare parkeerplaatsen. Uit nachtelijk onderzoek van de gemeente Venlo is gebleken dat de parkeerbehoefte voor bewoners aan de Drie Decembersingel gedurende de nacht 15 parkeerplaatsen bedraagt.
Toekomstige situatie In het toekomstige situatie rond het nieuwe binnenbad is een parkeerterrein voorzien dat conform de eerder genoemde parkeernorm kan voorzien in de parkeerbehoefte die het binnenbad genereert: 98 parkeerplaatsen. Het parkeerterrein is voorzien van een slagboom. Tijdens de openingstijden van het binnenzwembad is de slagboom geopend en kunnen bezoekers hier parkeren. Buiten de openingstijden is de slagboom gesloten. Het binnen zwembad kent ruime openingstijden, zowel op weekdagen als weekenddagen. Dit betekent dat het binnenzwembad geopend is tijdens de openingstijden van het buitenbad en dat dubbelgebruik van de parkeerplaatsen mogelijk is voor bezoekers van beide zwembaden. In het ontwerp is voorzien in een looproute van parkeerterrein (dat ligt bij het binnenbad) naar de ingang van het buitenbad. Het nieuwe parkeerterrein is voorzien van 10 parkeerplaatsen voor elektrisch laden, waarmee ruim wordt voldaan aan het door CROW geadviseerde aandeel van parkeerplaatsen met een laadpaal van 2,5 à 3%. Daarnaast worden 2 mindervalidenparkeerplaatsen aangelegd nabij de ingang van het binnen zwembad. Verder is van belang dat teams voor zwemwedstrijden regelmatig per touringcar naar zwembad De Wisselslag komen. De parkeervoorziening voor de bus zal in de toekomstige plan worden gesitueerd aan de Drie Decembersingel.
Deze bushalte wordt ingericht conform de normen van het ASVV 2021 en is ontworpen op een bus van 15 meter. Om deze bushaven te kunnen realiseren, komen 13 openbare parkeerplaatsen aan de Drie Decembersingel te vervallen. Dat geeft de volgende balans:
bestemmingsplan Zwembad Venlo
45
Aantal parkeerplaatsen Parkeerterrein nieuwe binnenbad
98
Drie Decembersingel
49
Realisatie bushaven
- 13
Totaal beschikbaar
134
Na ontwikkeling van het binnenbad zijn 134 parkeerplaatsen aanwezig in de directe omgeving en dit is gelet op het voorgaande ruim voldoende om de vraag te kunnen opvangen. Op dit punt is er dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en voorziet het planvoornemen in een goede ruimtelijke ordening.
Parkeerbalans fietsparkeren Op basis van de grootte van de zwembadbassins, is door RHDHV ook een parkeerbalans voor fietsparkeren opgesteld. Het CROW heeft ook daarvoor aparte normen voor binnenzwembaden en buitenzwembaden en maakt daarbij ook onderscheid in een minimale en een maximale norm opgenomen. Deze normen lopen ver uiteen. Er is geen referentie beschikbaar welke norm het beste bij de gemeente Venlo past. Gekozen is om te rekenen met de minimale norm. Navolgende tabel geeft op basis daarvan inzicht in de huidige situatie en de toekomstige situatie:
Daaruit volgt dat in de toekomstige situatie de behoefte als gevolg van de toename aan oppervlakte bassin van het binnenbad de behoefte met 15 plaatsen toeneemt. Huidige situatie In de huidige situatie is sprake van een fietsenstalling met 112 plaatsen. Ook naast de aanwezige rekken is ruimte om fietsen te stallen. Zichtbaar is dat mensen de fiets zo dicht mogelijk bij de ingang willen plaatsen. Geschat wordt dat er circa 202 tot 30 fietsen buiten de rekken worden geplaatst. In de huidige situatie worden echter geen knelpunten ervaren en voorziet de beschikbare ruimte in de vraag, voor zowel het binnen- als het buitenbad. Toekomstige situatie Met de nieuwbouw van het binnenzwembad, wordt het aantal m2 bassin (beperkt) vergroot. Deze toename levert een extra parkeervraag op van 15 fietsparkeerplaatsen. De totale vraag in het gebied komt daarmee op 112 (bestaande voorziening) + 30 (fietsen buiten de rekken) + 15 (toename conform norm) = 157
46
bestemmingsplan Zwembad Venlo
fietsparkeerplaatsen. In het ontwikkelingsplan zijn twee fietsparkeerplaatsen voorzien. Het binnenbad wordt voorzien van 140 fietsparkeerplaatsen en het buitenbad van 280 fietsparkeerplaatsen. In het totaal is er ruimte voor 420 fietsen. De totale parkeervraag voor fietsers bedraagt bij gelijktijdige opening van binnen en buiten zwembad 385 fietsparkeerplaatsen. Daarmee voldoet het plan dan ook ruim aan de normen voor fietsparkeren. Op basis van ervaringscijfers, is het huidige aantal fietsparkeerplaatsen voldoende. Ter hoogte van het binnenzwembad worden 140 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Dit is een uitbreiding ten opzichte van de huidige situatie en passend bij zowel de normering als de ervaring. Echter is het aantal fietsparkeerplaatsen bij het buitenzwembad op basis van de normering groter dan de praktijk en de ervaring leert. Momenteel zijn er geen (eigen) fietsparkeerplaatsen bij de entree van het buitenzwembad. Bezoekers aan het buitenbad maken op dit moment gebruik van de fietsenrekken bij het binnenzwembad. Er zijn geen structurele problemen bekend bij de exploitant van het buiten zwembad. De gemeente Venlo heeft in haar ruimtelijke beleid opgenomen om de openbare ruimte waar mogelijk te “vergroenen” om de impact van hittestress te verminderen. Dit betekent dat waar mogelijk verhard oppervlak wordt omgezet in “groen”.
Op basis van de parkeerbalans is het eventueel mogelijk om fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte te laten vervallen of deze ruimte op een andere manier in te richten. Naast het vergroenen van de openbare ruimte zet de gemeente Venlo ook in op fietsstimulering. Aangezien fietsers de eigenschap hebben graag dicht bij de bestemming hun fiets te parkeren is het te overwegen om circa 50 parkeerplaatsen ter hoogte van de ingang van het buitenbad aan te brengen en niet de 280 fietsparkeerplaatsen die nu zijn voorzien. De ruimte die hiermee wordt gespaard kan bijvoorbeeld groen (grasveld) ingericht worden als overloopgebied voor fietsparkeren voor gebruik op (uitzonderlijke) piekmomenten. Daarnaast is het dubbelgebruik van de fietsparkeerplaatsen bij het binnenbad ook mogelijk. Op deze manier wordt de omgeving groener ingericht wat positief werkt ten aanzien van eventuele hittestress en op het gebied van afwatering. Anderzijds zijn er voldoende fietsparkeerplaatsen aanwezig in het gebied en is voor het opvangen van piekmomenten extra ruimte beschikbaar. Conclusie Op dit punt is er dus geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan en voorziet het planvoornemen in een goede ruimtelijke ordening.
Bij de verdere uitwerking van de terreininrichting zal worden bezien in hoeverre invulling kan worden gegeven aan het (extra) vergroenen van de fietsparkeerplaats voor het buitenbad.
4.11
Niet gesprongen explosieven
De gemeente Venlo beschikt over een Conventionele Explosieven (CE-)bodembelastingskaart. Daaruit blijkt dat de bodem van een groot deel van het centrum van Venlo en ook een groot deel van Blerick verdacht is op geschutsmunitie. Voor dit gebied - op de kaart aangeduid als verdacht gebied "VGI_004" is door Bombs Away is de status 'verdacht' verder onderbouwd in een deelrapportage " VGI_004 Artilleriebeschietingen Centrum" (d.d. 28 april 2017, nr 16P080 VGI_004). Onderstaande afbeelding is - met toegevoegde inzet legenda afkomstig uit die deelrapportage. Daaruit blijkt dat voor het plangebied een verhoogde kans op het aantreffen van conventionele explosieven geldt.
bestemmingsplan Zwembad Venlo
47
Bombs Away adviseert om bij voorgenomen grond- en/of baggerwerkzaamheden in dit verdacht gebied vervolgstappen te ondernemen in de explosievenopsporing, voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden. Daarvoor bestaan twee mogelijkheden: 1.
2.
3.
Het laten uitvoeren van een Projectgebonden Risicoanalyse (PRA) voor het verdacht gebied, waarbij het vooronderzoek van Bombs Away als basis zal dienen. In de PRA zal worden vastgesteld waar en welke (grond- en bagger)werkzaamheden hebben plaatsgevonden binnen de grenzen van het verdachte gebied alsmede tot welke diepte de (water)bodem geroerd is geweest. Het uiteindelijke doel van de PRA is om te bepalen of het verdacht gebied door naoorlogse werkzaamheden of voor de uitvoer van de geplande werkzaamheden (nog) verdacht is. Beschikbare bodemkundige onderzoeken zullen worden gebruikt om de exacte maximale en minimale diepteligging van CE vast te stellen. Tevens wordt op basis van een analyse van de risico’s van CE voor de daadwerkelijke uitvoering van het project bepaald of detectie mogelijk is en welke detectietechniek het meest geschikt is. Het laten uitvoeren van detectiewerkzaamheden. De detectiemethode is afhankelijk van de diepteligging van de te verwachten CE. Afhankelijk van de uit te voeren grond- en baggerwerkzaamheden en de diepteligging van de verwachte CE zal een detectiemethode worden vastgesteld. Het verplaatsen van de voorgenomen werkzaamheden buiten het verdachte gebied, zowel in horizontale als in verticale zin.
Nader onderzoek Gezien het voorgaande is door Bombs Away een nader onderzoek uitgevoerd in de vorm van een vooronderzoek na-conflictperiode (VNC) en risicoanalyse ontplofbare oorlogsresten (RA OO) (d.d. 22 november 2022, kenmerk 22P175). Uit de resultaten van het VNC is gebleken dat er sprake is van bodemingrepen na-conflictperiode. Op basis hiervan is bepaald of, en zo ja tot welke diepte minus huidig maaiveld en ten opzichte van NAP de aanwezigheid van OO kan worden uitgesloten. Op basis daarvan is vervolgens voorzien in de eerder genoemde risicoanalyse, waarbij wordt ingegaan op: 1.
De kans dat OO ongewenst tot uitwerking komen ten gevolge van activiteiten/handelingen in het kader
48
bestemmingsplan Zwembad Venlo
2.
van (de aanleg/realisatie) van het toekomstige gebruik; De uitwerkingsfactoren ten gevolge daarvan (ondergrondse en bovengrondse explosies).
De conclusies van de risicoanalyse zijn als volgt Conclusie I: Er wordt vanwege de handelingen/activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik géén uitwerking van de (vermoede) OO verwacht. Er hoeven géén passende maatregelen te worden genomen. Conclusie II: Er wordt vanwege de handelingen/activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de (vermoede) OO verwacht, maar de uitwerkingsfactoren vormen géén gevaar voor mens en dier. Er hoeven géén passende maatregelen te worden genomen. Conclusie III: Er wordt vanwege de handelingen/activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de (vermoede) OO verwacht, maar de uitwerkingsfactoren zijn door het treffen van beheersmaatregelen beheersbaar. Uit het voorgaande blijkt dus dat vanwege de handelingen/activiteiten in het kader van het toekomstig gebruik wel uitwerking van de (vermoede) OO wordt verwacht, maar de uitwerkingsfactoren door het treffen van beheersmaatregelen beheersbaar zijn. Bij een ongecontroleerde detonatie zullen, afhankelijk van de diepteligging van het OO ten opzichte van het maaiveld, de effecten van scherfwerking, luchtdrukwerking en schokgolf wijzigen. Hoe dieper de ligging van OO, des te minder scherfwerking en luchtdruk aan het oppervlak ontstaat.
De door de explosie ontstane schokgolf verplaatst zich dan meer voort door de bodem en kan schade toebrengen aan bestaande ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, heipalen, funderingen et cetera. Er is bovendien sprake van een gevaar voor veiligheid of gezondheid van personeel en derden. Advies en maatregelen Bombs away geeft een advies gegeven ten aanzien van te nemen maatregelen die - in relatie met opsporingswerkzaamheden OO - tijdens de uit te voeren werkzaamheden toegepast kunnen worden:
Mbt Conclusie I en II (geen opsporingswerkzaamheden): Grondroerende werkzaamheden buiten het op OO verdachte gebied kunnen op reguliere wijze worden uitgevoerd; Bestaande kabels en leidingen kunnen op een reguliere wijze worden verwijderd, waarbij niet dieper moet worden gegraven dan tot de onderzijde van de bestaande kabel- of leidingsleuf; Bestaand straatwerk en straatmeubilair kan op een reguliere wijze worden verwijderd. Mbt Conclusie III (opsporingswerkzaamheden): Voordat grondroerende werkzaamheden plaats vinden binnen het op OO verdachte gebied moet detectie uitgevoerd worden. Conclusie Gelet op het voorgaande zijn de risico's als gevolg van niet gesprongen explosieven afdoende in beeld gebracht en blijkt dat eventuele risico's met maatregelen beheersbaar kunnen worden gehouden. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen c.q. strijdigheden met een goede ruimtelijke ordening.
bestemmingsplan Zwembad Venlo
49
4.12
Milieueffectrapportage
In de Wet milieubeheer (Wm) en het bijbehorende Besluit m.e.r. zijn activiteiten genoemd waarvoor een milieueffectrapportage (MER) dient te worden opgesteld. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in activiteiten waarvoor een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen (m.e.r.-plicht) en activiteiten waarvoor het bevoegd gezag dient te beoordelen of een m.e.r.-procedure al dan niet nodig is (m.e.r.-beoordelingsplicht). In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van planvorming plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onderdeel D wijst de activiteiten aan ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit zijn grotendeels dezelfde activiteiten als de activiteiten van onderdeel C, maar een belangrijk verschil zit in de gevallen (kolom 2) waarop de activiteit betrekking heeft: de drempelwaarden die in kolom 2 zijn aangegeven, zijn in onderdeel D lager dan in onderdeel C. Het navolgende heeft betrekking op onderdeel D: Indien de activiteit (kolom 1) aan de drempelwaarde uit kolom 2 voldoet en sprake is van een kaderstellend plan (kolom 3), dan geldt een directe plan-m.e.r.-plicht.