CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

055bijl 2 Bp Tiendstraat te Blerick - toelichting.pdf

Oordeelsvormende raadsbijeenkomst 12 oktober 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4b: Vaststelling bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick (RV 2022-55)22.593 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dat betekent dat, naar boven afgerond, in totaal 7 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd wanner er 3 woningen worden opgericht. In haar besluit van 27 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders aangegeven dat parkeren volledig op eigen terrein dient te worden opgelost. Dit kan aan de voorzijde van de woning en/of op een deel van het achterterrein dat bijgekocht kan worden. Hiervoor is een ruimtereservering opgenomen op de verbeelding, namelijk ter plaatse van de bestemming ‘Verkeer’ aan de achterzijde van het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’. Gelet op de hoeveelheid ruimte die aan de voorzijde van de woningen en op het achterterrein beschikbaar is kunnen naar verwachting voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. 4.1.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect verkeer en parkeren.

4.2 Geluid wegverkeerslawaai 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

Hoofdstuk 4

27

Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2 Onderzoek Woningen zijn geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Indien een ruimtelijk plan voorziet in woningen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een een- of tweebaansweg binnen stedelijk gebied, dan dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd8. In onderhavig geval is sprake van ligging binnen de geluidszone van de Ruijsstraat. Om die reden is door Econsultancy een akoestisch onderzoek naar te verwachten optredende gevelbelastingen ten gevolge van wegverkeer uitgevoerd9. Hierbij zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook nabijgelegen niet-gezoneerde wegen meegenomen, te weten: Alberdingk Thijmstraat, Frans Eransstraat, Laurentiusstraat, Tiendstraat, Witherenstraat, Averbodestraat, Maasbreesestraat en Moeskampstraat. De gegevens van de Ruijsstraat zijn aangeleverd door de gemeente Venlo. In overleg met de gemeente zijn voor de overige wegen de intensiteitsgegevens uit het regionaal verkeersmodel Noord-

8

9

Uitgezonderd wanneer er sprake is van een woonerf of van een weg waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur (zie artikel 74, tweede lid, onderdelen a en b, Wgh). Econsultancy, ‘Onderzoek wegverkeerslawaai – Tiendstraat te Blerick’, rapportnr. 17796.001,

Hoofdstuk 4

28

Limburg gehanteerd. Dit verkeersmodel heeft als prognosejaar 2030. Voor het akoestisch onderzoek met toekomstig peiljaar 2032 is in overleg met de gemeente Venlo een jaarlijks groeipercentage van 1% gehanteerd. Van de Averbodestraat, Maasbreesestraat en Moeskampstraat zijn in het verkeersmodel geen gegevens bekend, daarom is, in overleg met de gemeente, voor deze wegen een intensiteit van 250 motorvoertuigen per etmaal gehanteerd. De etmaal- en voertuigcategorieverdelingen zijn gebaseerd op de standaardverdeling wijkontsluitingsweg. In het akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is een voorgevelrooilijn gehanteerd die circa 2,15 meter achter de bestaande voorgevelrooilijn ligt. Er is specifiek voor deze situering van de voorgevelrooilijn gekozen, omdat uit eerdere, voorlopige berekeningen is gebleken dat bij een situering van de voorgevelrooilijn op een kleinere afstand achter de bestaande voorgevelrooilijn een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde zou optreden. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt blijkens de uitgevoerde berekeningen ten hoogste 48 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Een overzicht van een en ander is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel: Geluidsbelasting t.g.v. het wegverkeer (LDEN [dB])

4.2.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect geluid. Het bouwvlak is op zodanige wijze gesitueerd dat de voorgevel van de te realiseren woningen op ten minste 2,15 meter afstand achter de bestaande voorgevelrooilijn komt te liggen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan (minstens) één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt op zichzelf niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Hoofdstuk 4

29

Om te bepalen of een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project zorgt voor een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek NIBM Het voorziene project is een project als bedoeld in de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in Bijlage 3a van de Regeling NIBM. Het aantal te realiseren woningen (3) ligt namelijk ver beneden de grenzen voor aantallen voor woningbouwlocaties die genoemd worden in Bijlage 3a. Dat houdt in dat het project in kwestie niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Om die reden is het niet noodzakelijk om ten behoeve van vaststelling van het bestemmingsplan eerst te bepalen of voldaan wordt aan de gestelde norm voor de toename van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 van 3%. De NIBM-tool wordt dan ook buiten toepassing gelaten.

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Ook wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden bekeken of er ter plaatse van het projectgebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Over luchtkwaliteit kunnen uitspraken gedaan worden aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5. Die waarden kunnen worden bepaald middels de NSL-monitoringstool. In dit geval is uitgegaan van de achtergrondwaarden voor vier van de meest dichtstbijzijnde rekenpunten. Deze zijn bevinden zich aan weerszijden van de Ruijsstraat te Blerick. Deze rekenpunten liggen op ten hoogste circa 52 meter van het plangebied. Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM2.5 μg/m3

16.5

PM10 overschrijdingsdagen 6.0

79905

16.4

79906

16.1

16.5

6.0

9.5

79929

16.2

16.5

6.0

9.5

79930

16.4

16.5

6.0

9.5

Norm

40

40

35

25

9.5

Uit voorgaande tabel kan worden opgemaakt dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hiermee is aannemelijk gemaakt dat er in het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De toename is verkeersbewegingen zal, mede gelet op de beperkte omvang van het voorziene project, dusdanig klein zijn dat de geldende normen niet overschreden zullen worden wanneer het project gerealiseerd is.

Hoofdstuk 4

30

4.3.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur agrarisch.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Milieuzonering is het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling moet rekening gehouden worden met milieuzonering om zo de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Daarnaast moeten bedrijven echter ook voldoende zekerheid hebben dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 10. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Effecten plangebied op omgeving De reden om milieuzonering toe te passen is om een voldoende grote ruimtelijke scheiding aan te houden tussen functies die zich niet verdragen. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt allereerst voorzien in woningen in een omgeving waarin woningen behoren tot de meest voorkomende functies.

De beoogde woonfuncties zijn hiermee verdraagzaam met de functies in de omgeving.

10

Bedrijven en Milieuzonering, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

31

Effecten omgeving op plangebied In de omgeving van het plangebied liggen een aantal milieubelastende bestemming die in meer of mindere mate milieubelastend zijn. Het gaat hierbij om de volgende functies, waarbij de vermelde afstand hemelsbreeds en van de grens van het plangebied tot de bestemming die de milieubelastende functie toelaat gemeten is en waarvoor de volgende milieucategorieën van toepassing zijn 11:  Een verloskundigenpraktijk (op circa 50 meter; aan de Averbodestraat 54; milieucategorie 1);  Een tandartsenpraktijk (op circa 45 meter; aan de Tiendstraat 2; milieucategorie 1);  Een cafézaal (op circa 170 meter, aan de Maasbreesestraat 49; milieucategorie 1 of 2);  Een zonweringsbedrijf (op circa 280 meter; aan de Vliegenkampstraat 10A; milieucategorie 2);  Een dierenuitvaartcentrum (op circa 160 meter; aan de Guido Gezellestraat 36, milieucategorie 1);  Een gezondheidscentrum (op circa 130 meter, aan de Averbodestraat 2; milieucategorie 1);  Verschillende bedrijven in de Wieënpassage (op circa 160 meter; milieucategorie 1);  Twee pizzeria’s (op circa 260 en 270 meter, aan de Baarlosestraat 18 en de Witherenstraat 2; milieucategorie 1). Ondanks de grote hoeveelheid bedrijven in de omgeving van het plangebied is niet zonder meer sprake van gemengd gebied. Een dergelijk gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen hier andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Aangezien in de meest directe omgeving van het plangebied echter hoofdzakelijk woonfuncties voorkomen, wordt zorgvuldigheidshalve niet de conclusie getrokken dat sprake is van gemengd gebied. De richtafstanden uit de VNG-publicatie worden daarom niet met één afstandsstap verlaagd. Alle bedrijven in de omgeving van het plangebied behoren tot milieucategorie 1 of 2. Ten aanzien van bedrijven behorende tot milieucategorie 1 geldt een richtafstand van maximaal 10 meter. Hieraan wordt in alle gevallen voldaan. Voor bedrijven van milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter. Ook hieraan wordt in alle gevallen voldaan. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de beoogde woningen geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot milieuhinder afkomstig van omliggende milieubelastende functies. 4.4.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.5 Kabels en leidingen Aan de hand van de Netkaart12 van het RIVM kan achterhaald worden of het plangebied zich bevindt in een magneetveldzone13 van hoogspanningslijnen. Een uitsnede van het voor het plangebied relevante deel van deze kaart is weergegeven in navolgende figuur.

Indien voor een specifiek voorkomend bedrijf geen milieucategorie wordt benoemd in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, is gekozen voor een categorie die, gelet op de hoeveelheid te verwachten milieubelasting van betreffend bedrijf, het meest passend wordt bevonden. 12 https://geodata.rivm.nl/netkaart.html. 13 Een magneetveldzone is het gebied waar het magneetveld van een hoogspanningslijn waar het magneetveld over een jaar gemiddeld sterker is dan 0,4 microtesla. 11

Hoofdstuk 4

32

Figuur 7: Uitsnede Netkaart (ligging plangebied indicatief aangegeven middels rode stip; bron: RIVM).

In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee 150 kV-hoogspanningslijnen. Ten eerste betreft het hierbij de lijn met de lijnnaam ‘Knooppunt Koesdonk – Blerick’. Aan de hand van de Netkaart van het wordt ten aanzien hiervan uitgegaan van een indicatieve magneetveldzone van 65 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. De feitelijke afstand tot deze hoogspanningslijn is ten minste circa 1.400 meter. Hiermee ligt het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone. Een tweede hoogspanningslijn in de omgeving van het plangebied is de lijn met lijnnaam ‘Boekend – Blerick’. Aan de hand van de Netkaart van het wordt ten aanzien hiervan uitgegaan van een indicatieve magneetveldzone van 55 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. De feitelijke afstand tot deze hoogspanningslijn is ten minste circa 1.250 meter. Hiermee ligt het plangebied ruim buiten de indicatieve magneetveldzone. Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect kabels en leidingen. Eventueel aanwezige gas- en olieleidingen en daarmee samenhangende belemmeringen worden in kaart gebracht bij het aspect externe veiligheid (paragraaf 4.7).

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.

Hoofdstuk 4

33

In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.

Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.6.2 Onderzoek Er is onderzocht of er eventueel sprake kan zijn van externe veiligheidsrisico’s. Dat is noodzakelijk in het kader van een goede ruimtelijke ordening, aangezien woningen worden aangemerkt als een kwetsbare objecten in de zin van het Besluit externe veiligheid (Bevi). De resultaten daarvan worden omschreven in deze paragraaf. De locatie van risicovolle inrichtingen en transportroutes kan worden achterhaald middels de zogenoemde ‘Risicokaart’14. Een uitsnede van de Risicokaart voor het plangebied en omgeving is in navolgende figuur weergegeven. De met betrekking tot het plangebied relevante risicovolle inrichtingen en transportroutes worden in het vervolg van deze paragraaf besproken.

14

Zie https://www.risicokaart.nl/.

Hoofdstuk 4

34

Figuur 8: Uitsnede ‘Risicokaart’ (ligging plangebied indicatief aangeduid middels blauwe ster; bron: risicokaart.nl)

Ten noorden van het plangebied, op een afstand van ten minste circa 830 meter van het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’, bevindt zich een spoorlijn (spoortrajectnummers 12BP.4 en 12BQ.4). Hierover worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van categorie A, B2 en D4, waarvoor een maximaal invloedsgebied van 4000 meter geldt. Het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’ ligt binnen dit invloedsgebied. Daarom dient ten aanzien hiervan een verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van ten minste circa 900 meter van het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’, bevindt zich de Rijksweg A73 (wegvak L13: A73: afrit 14 (Maasbree) - afrit 16 (Venlo-Zuid)). Hierover worden gevaarlijke stoffen getransporteerd van de categorieën LF1, LF2, LT1, LT2 en GF2, waarvoor een maximaal invloedsgebied geldt van 880 meter. Het bestemmingsvlak voor ‘Wonen’ ligt buiten dit invloedsgebied. Daarom hoeft ten aanzien hiervan geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Ten oosten van het plangebied, namelijk op circa 450 meter, bevindt zich een scheepvaartroute (Maascorridor). Over de Maascorridor worden gevaarlijke stoffen van de categorieën LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3 getransporteerd. Hiervoor geldt een maximaal invloedsgebied van 1.070 meter.

Het plangebied is gelegen binnen dit invloedsgebied maar buiten de zogenoemde 200-meterzone van deze scheepvaartroute. Derhalve dient een verantwoording van het groepsrisico te worden gegeven. Ten oosten van het plangebied loopt een leiding waardoorheen aardgas wordt getransporteerd (Z513-22). Deze leiding ligt circa 400 meter van het plangebied verwijderd. Gelet op de diameter van deze leiding en de maximale werkdruk geldt hiervoor een invloedsgebied van tussen de 310 meter en 360 meter (1%-legaliteitsafstand). Het plangebied ligt buiten dit invloedsgebied. Daarom hoeft ten aanzien hiervan geen verantwoording van het groepsrisico te worden opgesteld. Ten westen van het plangebied, op een afstand van ten minste circa 1.490 meter, bevindt zich een tweede gasleiding waardoorheen aardgas wordt getransporteerd (Z-513-07). Aangezien voor aardgasleidingen een maximaal invloedsgebied kan gelden van 580 meter, ligt het plangebied per definitie

Hoofdstuk 4

35

niet binnen het invloedsgebied van betreffende gasleiding. Ook op dit punt hoeft daarom geen verantwoording van het groepsrisico te volgen. Inrichtingen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen zijn weliswaar aanwezig in de omgeving van het plangebied, maar de afstand tot het plangebied is dusdanig groot dat het plangebied niet binnen de PR-6-contouren of de invloedsgebieden betreffende het groepsrisico ligt. Daarom geldt ook hier dat geen verantwoording van het groepsrisico hoeft te volgen. 4.6.3 Beknopte verantwoording groepsrisico Toxisch scenario Het relevante scenario is in dit geval het vrijkomen van toxische stoffen in de vorm van een plas (bij vloeistoffen) of een wolk (bij gas). Deze toxische vloeistoffen en/of gassen kunnen vrijkomen ten gevolge van een incident waarbij een tankwagen, -wagon of -container beschadigd raakt. Bij een toxische plas bestaan een risico op verdamping, met als gevolg de vorming van een toxische (gas)wolk. Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan een dergelijke gaswolk richting het plangebied drijven. Ingeval van een toxische wolk kunnen mensen potentieel komen te overlijden ten gevolge van de blootstelling aan de vrijgekomen toxische stof. Afhankelijk van de windrichting kan de toxische wolk al dan niet richting het besluitgebied bewegen.

Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden ten gevolge van blootstelling aan een toxische wolk is afhankelijk van de dosis van de toxische stof waaraan ze blootgesteld worden. Deze dosis is afhankelijk van de blootstellingsduur en de concentratie van de stof. Personen die zich in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden hebben naar verwachting een ongeveer 10 keer zo lage kans om daadwerkelijk te overlijden als personen die zich in de buitenlucht bevinden. Bestrijdbaarheid In geval van een calamiteit zal de brandweer ingezet worden ter beperking van de effecten van de calamiteit. Afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario kan de brandweer optreden door een gaswolk neer te slaan of te verdunnen. Hiervoor is het belangrijk dat er voldoende bluswatervoorzieningen in de buurt van risicobronnen aanwezig zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op het toxische scenario niet relevant. Zelfredzaamheid Gezien de aard van de ontwikkeling kan aangenomen worden dat de zelfredzaamheid goed is en de aanwezige personen in staat zijn om zelfstandig op een dreiging te reageren. Er bestaan voldoende mogelijkheden om van risicobronnen af te vluchten.

Advies De Veiligheidsregio Limburg-Noord is om advies gevraagd ten aanzien de beheersmaatregelen voor de verbetering van de bestrijdbaarheid van het calamiteiten en de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied.

Hoofdstuk 4

36

Ten aanzien van de initiatiefnemer wordt het volgende geadviseerd:  Pas de beleidsregels bluswater en bereikbaarheid die door de gemeente zijn vastgesteld toe. Wanneer het initiatief aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt15.  Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Met betrekking tot de gebruikers van de te realiseren bebouwing wordt het volgende geadviseerd:  Zorg dat de gebruikers en BHV organisatie (indien wettelijk noodzakelijk) op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: "binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten" en hiernaar wordt gehandeld.  Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.

 Indien sprake is van een BHV organisatie dan dient het toxisch scenario en handelwijze te worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Tot slot wordt de gemeente geadviseerd om over te gaan tot het volgende:  Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. 4.6.4 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect externe veiligheid. Het advies van de veiligheidsregio wordt meegenomen in de verdere uitwerking.

4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

15

https://www.vrln.nl.

Hoofdstuk 4

37

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven

Hoofdstuk 4

38

in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’, is gelegen op circa 4,3 kilometer ten oosten van het plangebied. In navolgende figuur is de ligging van het deel van het plangebied waar de 3 à 4 woningen gerealiseerd zullen worden ten opzichte van betreffend Natura 2000-gebied aangegeven.

Figuur 9: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Natura 2000 Network Viewer).

De effecten die eventueel in het genoemde gebied zouden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Gelet op de afstand tussen het plangebied en betreffend Natura 2000-gebied is het echter geheel onwaarschijnlijk dat er een toename in licht en geluid is in het Natura 2000-gebied. Een significante toename van stikstofdepositie in dit gebied als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening met AERIUS worden uitgesloten. Vanwege de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 is, waarin een partiële vrijstelling is opgenomen voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten, hoeft deze berekening in beginsel alleen voor de gebruiksfase te worden uitgevoerd. BRO heeft deze berekening uitgevoerd16. Voor de berekening en bijbehorende toelichting wordt verwezen

16

BRO, ‘AERIUS berekening Tiendstraat Blerick’ (berekening), projectnr. P05054, d.d. 26 januari 2022; BRO ‘AERIUS-berekening Tiendstraat Blerick’ (toelichting), projectnr. P05054, d.d. 26 januari 2022.

Hoofdstuk 4

39

naar de separate bijlagen. In onderstaande alinea’s is een beschrijving gegeven van de belangrijkste uitgangspunten en conclusies uit deze toelichting. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH 3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Aangezien de beoogde woningen gasloos worden opgeleverd, zal geen sprake zijn van relevante emissies vanuit deze woningen De verkeersgeneratie van de beoogde huisvesting is berekend op basis van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Voor deze berekening wordt verwezen naar paragraaf 4.1. Deze verkeersgeneratie bedraagt maximaal 25 mvt/etmaal. Dit betreft het totale aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal in beide richtingen. Voor de volledigheid zijn eveneens 16 zware vrachtbewegingen (bewegingen voor bijvoorbeeld een ophaaldiensten en vuilniswagens) meegenomen in de berekening. De bewegingen zijn over de aanliggende wegen gemodelleerd, waarbij 100% van de bewegingen in twee richtingen is ingevoerd. Hiermee zijn meer bewegingen gemodelleerd dan waar naar verwachting sprake van zal zijn, waardoor onzekerheid over de richting van de bewegingen wordt opgevangen. Omdat het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied (‘Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u.

Meinweg') gelegen is op Duits grondgebied, hebben de ingevoerde lijnbronnen geen effect op de stikstofgevoelige habitattypen in het Natura-2000 gebied. Daarom is er een extra puntbron ingevoerd op een locatie binnen het Duitse Natura 2000-gebied om zo de stikstofdepositie op het gebied te berekenen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er voor de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.

Hoofdstuk 4

40

Planologische gebiedsbescherming Op grond van artikel 1.12, tweede lid, Wnb wijzen gedeputeerde staten van de provincie gebieden in hun provincie aan die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Limburg heeft dit gedaan in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Het NNN is in deze provinciale omgevingsverordening aangewezen onder de noemer ‘Goudgroene natuurzone’17. Om welke gebieden het hierbij gaat is zichtbaar op de bij de verordening horende kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’. Een voor het plangebied relevante uitsnede van deze kaart is weergegeven in onderstaande figuur.

Figuur 10: Uitsnede kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’, behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 (ligging plangebied aangeduid met rode marker; bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Voor planvorming en aanzien van gronden die op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn aangewezen als ‘Goudgroene natuurzone’ geldt op grond van artikel 2.6.2 de volgende verplichting: Artikel 2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Uit het hiervoor weergegeven artikel 2.6.2, en ook uit andere artikelen uit de provinciale omgevingsverordening die betrekking hebben op de ‘Goudgroene natuurzone’, blijkt niet dat er een externe werking uitgaat van deze zone. Gelet op de ligging van het besluitgebied buiten de ‘Goudgroene natuurzone’ behoeft bovenstaand artikel 2.6.2 uit de provinciale omgevingsverordening geen doorwerking te vinden in onderhavig bestemmingsplan.

17

Zie paragraaf 2.6 van de toelichting van de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Hoofdstuk 4

41

Soortenbescherming BNL advies heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een verkennend veldbezoek18, waarbij het verkennend veldonderzoek heeft plaatsgevonden op 30 juni 2021. Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen. Voorafgaand aan het bezoek aan het plangebied is de NDFF geraadpleegd om te bekijken welke soorten aanwezig zijn in het gebied, om daarop de quickscan aan te passen. De projectlocatie valt binnen de kilometerhokken 207-375 en 208-375. Het meest opvallende is dat in de directe omgeving (atlasblok van 5x5 km) diverse beschermde soorten flora en fauna voorkomen. Om welke soorten het gaat blijkt uit tabel 2, 3 en 4 van rapport betreffende de quickscan flora en fauna. Op 30 juni 2021 is het plangebied visueel geïnspecteerd en gecontroleerd op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten of de nesten/ verblijfslocaties daarvan.

Hierbij is voornamelijk gelet op:  nesten in bomen/ beplantingen van vogels in de directe omgeving van het plangebied;  holtes en spleten/ scheuren in bomen welke door vogels en vleermuizen gebruikt worden;  holtes en spleten/ scheuren in bebouwingen welke door vogels en vleermuizen gebruikt worden;  mogelijke verblijfplaatsen en holen van marterachtigen;  groeiplaatsen van beschermde soorten flora. Vogels met jaarrond beschermde nesten Het plangebied is niet geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten in de bouwwerken, beplantingen en bomen binnen het plangebied aangetroffen. Aanvullend onderzoek naar soorten met jaarrond beschermde nesten en het essentieel leefgebied wordt dan ook niet nodig geacht. Vogels met niet-jaarrond beschermde nesten Het plangebied is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen vogels met niet-jaarrond beschermde nesten, zoals de spreeuw, koolmees en pimpelmees. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten, nestlocaties en holtes aangetroffen in de bouwwerken en bomen.

Vogels met niet jaarrond beschermde nesten (Categorie 0) zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 0-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In dezen zijn er geen ecologische omstandigheden waardoor categorie 0 soorten in het plangebied jaarrond beschermd dienen te zijn. Het betreft een lokaal en regionaal algemene vogels. In de directe omgeving zijn voldoende geschikte structuren die als alternatief gebruikt kunnen worden. Tijdelijke schadelijke effecten op Categorie 0 soorten vogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog.

18

BNL advies, ‘Quickscan flora en fauna – Tiendstraat ong Blerick’, versie 21144.QFF01, d.d. 10 juli 2021.

Hoofdstuk 4

42

Algemene broedvogels Het plangebied is potentieel geschikt voor algemene broedvogels om te broeden. Zij kunnen nestelen in de bouwwerken, beplantingen en bomen welke aanwezig zijn op de kavels. Tijdelijke schadelijke effecten op algemene broedvogels door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een extra controle op aanwezige nesten noodzakelijk. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen kunnen niet leiden tot een negatief effect op vleermuizen. Hierdoor kunnen ook de verbodsbepalingen Art 3.5, leden 2 en 4, van de Wnb niet worden overtreden. Wel is het belangrijk om, wanneer gewerkt wordt na zonsondergang en voor zonsopkomst, dat werklicht afgewend wordt van bestaande bebouwingen en groenstructuren. Dit om eventueel aanwezige vleermuizen/verblijfslocaties niet te verstoren. Overige habitatrichtlijnsoorten Voor overige habitatrichtlijnsoorten is het plangebied (redelijkerwijs) ongeschikt door het ontbreken van een geschikt habitat. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

Nationaal beschermde soorten In het plangebied bestaat geen potentie voor nationaal beschermde soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden. Het plangebied is potentieel geschikt voor nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Limburg een vrijstelling geldt als egel, konijn (spits)muizen. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk gezien de geplande werkzaamheden. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijke schadelijke effecten op de egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden. Algemene opmerkingen en aanbevelingen Het verdient opmerking dat te allen tijde rekening gehouden dient te worden met zorgplicht die is neergelegd in artikel 1.11 Wnb. Op grond van dit artikel zijn niet alleen planten en dieren waarvoor in de Wet Natuurbescherming specifieke beschermingsmaatregelen geëist worden beschermd 19 maar alle in het wild levende planten en dieren beschermd.

Deze plicht houdt in dat het noodzakelijk is om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke wordt gedaan om het doden van individuen te voorkomen. Tot slot wordt vermeld dat het (eventueel) verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd of om middels een controle de aanwezigheid van een broedgeval uit te sluiten, om zo overtreding van de regels uit de Wnb redelijkerwijs te voorkomen.

19

Deze beschermingseisen vloeien voort uit de Habitatirichtlijn en de Vogelrichtlijn. Beide richtlijnen zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming.

Hoofdstuk 4

43

4.7.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect ecologie.

4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.8.2 Onderzoek Geonius Milieu B.V. heeft een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd20. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017) en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). In navolgende alinea’s worden de aspecten conclusies uit het bodemonderzoek beschreven.

Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie eerst een vooronderzoek uitgevoerd. Uit het vooronderzoek is gebleken dat er binnen de onderzoekslocatie bodemverontreinigende (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden, met bekende liggingen. Daarom is specifiek onderzoek naar een te verwachten bodemverontreiniging noodzakelijk. Binnen de onderzoekslocatie worden de volgende deellocaties als verdacht aangemerkt:  het zuidelijk achterterrein is verdacht voor PAK en zware metalen;  de grond aan de onderzijde van het riooltracé is verdacht voor VOCL;  het grondwater is verdacht voor zware metalen en VOCL. Voor de resterende bodem binnen de onderzoekslocatie wordt uitgegaan van een ‘heterogeen verdachte locatie’, aangezien het in de verwachting ligt om onder de aanwezige verhardingslagen puinfunderingen aan te treffen, die tevens als verdacht voor de aanwezigheid van asbest kunnen worden beschouwd.

20

‘Geonius Milieu B.V., ‘Verkennend en nader bodemonderzoek Tiendstraat (voorheen) 17 Blerick’, documentnr. MA180011.014.R01.V1.2, d.d. 6 juli 2020.

Hoofdstuk 4

44

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat de gehele onderzoekslocatie verdacht is voor bodemverontreiniging. Daarom is besloten het bodemonderzoek als volgt op te zetten:  De gehele locatie wordt onderzocht conform strategie de ‘heterogeen verdacht nietlijnvormig’ (VED-HE-NL) uit de NEN 5740. Het zuidelijk achterterrein wordt aanvullend onderzocht (als aparte deellocatie) op PAK en metalen door middel van 9 boringen tot 1,5 m-mv;  De 3 gronddepots zullen indicatief bemonsterd worden conform de norm NVN 5860;  In het kader van het onderzoek van de ondergrond tot aanlegdiepte riolering, worden 6 boringen doorgezet tot circa 3,5 m-mv. Daarnaast worden vervolgens 5 boringen doorgezet tot 5,0 meter (tot in de plaatselijke grondwaterstand). Van de verdachte bodemlagen worden steekbussen genomen voor analytisch onderzoek op VOCL;  Een drietal boringen binnen het heterogeen verdachte perceel worden doorgezet in het freatisch grondwater en afgewerkt tot peilbuis. Op dezelfde locatie wordt een diepe peilbuis geplaatst met behulp van een mechanische boorstelling;  Gezien de aanleiding van onderhavig onderzoek wordt het stoffenpakket uitgebreid met de stofgroep PFAS. Omdat de locatie onverdacht is ten aanzien van GenX wordt deze niet op deze parameter onderzocht.

Voor onderzoek op PFAS wordt gebruik gemaakt van de strategie VED-HE-NL waarbij alle verdachte deellocaties op PFAS worden onderzocht;  Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat voor de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem/puin de hypothese “verdacht” (VED-HE) van toepassing is, vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudend plaatmateriaal in de bodem. Het verkennend onderzoek naar asbest in bodem/puin wordt uitgevoerd volgens de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017);  Om de hergebruikmogelijkheden van het asfalt vast te stellen, dient te worden vastgesteld of het asfalt teerhoudend is. Hiertoe wordt het PAK-gehalte van het asfalt bepaald en getoetst aan de maximale samenstellingswaarde uit het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek wordt uitgevoerd volgens CROW publicatie 210 (Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt, juni 2015) en BRL 9320 (Bitumineus gebonden mengsels). In deze richtlijnen zijn eisen aangegeven voor de acceptatie van asfaltgranulaat.

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode 11 maart tot en met 31 maart 2020 en 27 mei 2020 (aanvullende boringen rondom boring 117) conform BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, 1 februari 2018). Tijdens de werkzaamheden zijn voor wat betreft de parameter PFAS maatregelen getroffen om contaminatie zoveel als mogelijk te voorkomen, zoals staat omschreven in het ‘Kennisdocument voor Bemonstering en analyse van PFAS-verbindingen in grond- en grondwater’. Het mechanisch veldwerk is conform BRL SIKB 2100 en de daarbij behorend protocol 2101 (Mechanisch boren versie 4.0, 1 februari 2018) uitgevoerd. Enkel boring 117A is gestaakt op ca. 0,4 m-mv vanwege het voorkomen van grind in de bodemlaag. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld gedeeltelijk verhard is met beton, asfalt, baksteen, klinkers en tegels en grotendeels braak ligt. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt tot de maximaal geboorde diepte (14,0 m-mv) overwegend zand en grind aangetroffen. Plaatselijk (met name als fundatiemateriaal) worden een laag met baksteen aangetroffen.

De laag asfalt ter plaatse van boring 114 en het aanwezige maaiveld ter plaatse van boring 205 betreft een plaatselijk aanwezige restant aan asfaltverharding. Met name in de bovengrond (lees geroerde

Hoofdstuk 4

45

bodemlagen) worden bodemvreemde bijmengingen met baksteen, beton, glas, dakpan, kolen waargenomen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen. Op 31 maart 2020 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, 1 februari 2018). Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. De veldwerkzaamheden in het kader van het verkennend asbestonderzoek zijn uitgevoerd in de periode 11 maart tot en met 17 maart 2020 conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, 1 februari 2018). De uit het proefgaten vrijgekomen materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van het uitgekomen materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. In het opgegraven materiaal van alle proefgaten is géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Op basis van uitgevoerde verkennend en aanvullend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek kunnen ten aanzien van het gehele terrein de volgende conclusies worden getrokken: Het asfalt dat momenteel in gebruik is als parkeerterrein is niet teerhoudend.

 De bovengrond (0,08-0,50 m-mv) ter plaatse boringen 117 en 118 is matig verontreinigd met koper en zink. Na uitsplitsing blijkt dat de bodem rondom boring 117 (ter plaatse van boring 117A) sterk verontreinigd is met koper en zink en ter plaatse van boring 118 matig verontreinigd is met zink en licht verontreinigd met koper.  Boring 117 is ingekaderd met 3 aanvullende boringen (2,0 m-mv) om de verontreiniging horizontaal en verticaal in te perken. Vervolgens zijn 6 monsters geanalyseerd op de parameters koper en zink. Hieruit is gebleken dat de bodemlaag in boring 117C (0,15-0,5 m-mv) sterk verontreinigd is met koper en zink. De overige bodemlagen zijn niet tot maximaal licht verontreinigd met koper en zink. De omvang wordt geschat op 9 m 3 (26 m2 * 0,35 m). Vermoedelijk is de verontreiniging ontstaan voor 1987. Geconcludeerd kan worden dat hier geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.  De bovengrond (0,00-0,50 m-mv) ter plaatse van boring 113 is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en PCB. De overige bodemlagen (zijnde bovengrond) zijn maximaal licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en PCB.

 De fundatielaag (0,00-0,50 m-mv), bestaande uit een laag bakstenen, welke gezien moet worden als een niet-vormgegeven bouwstof, is indicatief toepasbaar (herbruikbaar in het kader van het Besluit bodemkwaliteit).  De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.  Asbest is niet aangetroffen boven de detectielimiet. Ten aanzien van PFAS kan de volgende conclusie worden getrokken:  Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de toepassingsnormen (voor het toepassen van grond en baggerspecie) uit het Tijdelijk handelingskader blijkt dat de kwaliteit van de onderzochte bodem voor de stofgroep PFAS indicatief voldoet aan de achtergrondwaarde. Met betrekking tot het zuidelijke achterterrein worden de volgende conclusies getrokken:  De bodem rondom boringen 205, 206, 207, 208 en 210 (0,0-1,0 m-mv) is licht tot sterk verontreinigd met diverse zware metalen en licht tot matig verontreinigd met PAK. De overige boringen en bodemlagen zijn maximaal licht verontreinigd;

Hoofdstuk 4

46

De afperking van de verontreiniging van het zuidelijk terreindeel is in oostelijke richting gebaseerd op de aanwezige betonverharding (aanleg verharding/bouw fabriek dateert van voor 1976), de resultaten van onderhavig onderzoek: boringen 202, 203 (welke tevens verhard zijn met beton en onder de betonverharding zintuiglijk schone zand waarin maximaal lichte verontreinigingen zijn aangetroffen) en de resultaten in voorgaande onderzoeken (d.d. 1994 en 2001) waarin geen tot maximaal lichte verontreinigingen met zware metalen ter plaatse van de aanwezige betonverharding (lakspuiterij en framebouwerij) zijn aangetroffen. Zoals gesteld in voorgaande onderzoeken lijkt de sterke verontreiniging met zware metalen veroorzaakt door het voormalige productieproces (galvanische afdeling).

Ten aanzien van het deelgebied ‘riooltracé’ kan de volgende conclusie worden getrokken:  In geen van de boringen rondom het riooltracé is een verhoogde PID-meting waargenomen. Alle steekbussen zijn genomen rondom het grondwaterniveau. In geen van de geanalyseerde monsters is een verhoging met VOCL aangetroffen. Tot slot gelden ten aanzien van het grondwater de volgende conclusies:  Zowel het ondiepe als het diepe grondwater is maximaal licht verontreinigd met zware metalen, Per en/of 1,1-Dichlooretheen. De licht verhoogde concentraties met zware metalen in het grondwater kunnen over het algemeen worden beschouwd als verhoogde achtergrondwaarden. De licht verhoogde concentraties aan vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen zijn mogelijk te relateren aan de VOCL-verontreiniging afkomstig van drie wasserijen in de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat de VOCL-verontreiniging niet tot een sterke grondwaterverontreiniging geleid heeft op onderhavige locatie;  Geconcludeerd kan worden dat de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie niet hebben geleid tot een sterke grondwaterverontreiniging. Daarnaast heeft de grondwaterverontreiniging afkomstig van drie chemische wasserijen eveneens niet geleid tot een sterke grondwaterverontreiniging ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie.

In het kader van eventueel toekomstige graafwerkzaamheden op de locatie wordt geadviseerd de sterke verontreiniging met zware metalen ter plaatse van het zuidelijk achterterrein en boring 117 te verwijderen. De verontreiniging op het zuidelijk achterterrein heeft een geschatte omvang van circa 200 m3 (200 m2 * 1,0 m). De verontreiniging is vermoedelijk ontstaan voor 1987 (sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging). Alvorens de sterke verontreinigingen verwijderd kunnen worden, dient een BUS-melding (5 weken) opgesteld te worden, welke ingediend moet worden bij het bevoegd gezag. 4.8.3 Conclusie Er is, mits gevolg gegeven wordt aan de hierboven genoemde aanbevelingen, geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect bodem. De gemeente Venlo geeft verder aan dat indien bij de bouw of de inrichting van het terrein grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie wordt aan-/afgevoerd, rekening gehouden dient te worden met hetgeen bepaald in de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek komt reeds naar voren dat binnen het plangebied al verschillende bodemkwaliteiten aanwezig zijn. Hiermee dient gedurende de realisatie van de ontwikkelingen waarin onderhavig plan voorziet rekening gehouden te worden.

Hoofdstuk 4

47

4.9 Water 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Dat wordt gedaan middels een watertoets. De resultaten uit de watertoets landen vervolgens in een waterparagraaf. Verschillende overheden hebben beleidskaders opgesteld aan de hand waarvan ze streven naar een duurzaam watersysteem. Dat gebeurt op Europees, rijks- provinciaal, gemeentelijk en waterschapsniveau. De beleidskaders op waterschaps-, provinciaal en gemeentelijke niveau worden hieronder geschetst. Waterschap Limburg Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 8 december 2021 heeft het algemeen bestuur na een uitgebreid participatieproces het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP) vastgesteld. Met dit WBP geeft het Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De speerpunten van het Waterschap Limburg als geformuleerd in het WBP zijn de volgende:  hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas;  klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden;  waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlik ingericht;  zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

Keur Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de Keur. De Keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in zijn opgenomen. Deze regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de keur behorende legger als kaart. Ten gevolge van de verwachte klimaatverandering zal de neerslagintensiteit toenemen. Hierdoor neemt het risico op wateroverlast toe. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt (2 l/s/ha). Het lozen van hemelwater afkomstig van nieuwe verhard oppervlak is op grond van de uitvoeringsregel ‘lozen van hemelwater afkomstig van verhard oppervlak’ dan ook alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/57/documents/2480