055bijl 2 Bp Tiendstraat te Blerick - toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick Gemeente Venlo Vastgesteld
Bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick Gemeente Venlo Vastgesteld
Rapportnummer:
P05054
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0983.BP202113TIENDSTR-VA01
Datum:
19 oktober 2022
Projectteam BRO:
SSh en JEr
Concept:
28 januari 2022
Ontwerp:
8 april 2022
Vaststelling:
19 oktober 2022
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 6
64
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 9
2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 11
3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
14 14
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
14 15 16
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg (2021) 3.3 Regionaal beleid
16 17 17 18
3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.4 Gemeentelijk beleid
18 19
3.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 3.4.3 Woonvisie Venlo 2021-2026 3.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering 3.4.5 Natuurinclusief bouwen
19 21 22 24 24
4.OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
26 26
4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.1.3 Conclusie 4.2 Geluid wegverkeerslawaai
26 26 27 27
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
27 28 29 29
Inhoudsopgave
1
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
29 30 31 31
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Kabels en leidingen 4.6 Externe veiligheid
31 31 32 32 33
4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Beknopte verantwoording groepsrisico 4.6.4 Conclusie 4.7 Ecologie
33 34 36 37 37
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Bodem
37 39 44 44
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Water
44 44 47 48
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Archeologie
48 49 50 51
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Cultuurhistorie
51 51 53 53
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 M.e.r.-plicht
53 54 55 55
5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen
57 57 57 58
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels
58 58 59
Inhoudsopgave
2
5.3.4 Overgangs- en slotregels
60
6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
61 61
6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
61 61
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Vaststellingsprocedure
61 62
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofonderzoek Bijlage 2: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Verkennend en nader bodemonderzoek
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Op dit moment ligt het voormalige Covéterrein aan de Tiendstraat te Blerick braak. De locatie behoeft een opwaardering en een kwaliteitsimpuls. De gemeente Venlo is voornemens om deze opwaardering integraal aan te pakken. In dit kader zullen op het perceel 3 à 4 levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen worden gerealiseerd. Het binnenterrein zal worden ingevuld met een gemeenschappelijk groen binnenterrein. Onderdeel hiervan is onder meer een speelvoorziening voor kinderen. Een deel van het binnenterrein zal tevens worden ingezet om (op eigen terrein) te voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor de beoogde woningen. Het binnenterrein zal (in elk geval) toegankelijk zijn vanaf de Tiendstraat. Voor de op het voormalige Covéterrein beoogde woningbouwontwikkeling zijn stedenbouwkundige en ruimtelijke voorwaarden opgesteld. Deze zijn vastgelegd in een collegebesluit van 27 juli 2021 waarin het college van burgemeester en wethouders heeft aangegeven onder welke voorwaarden in beginsel medewerking verleend wordt aan de woningbouwontwikkeling. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op de situering van de woningen binnen het bouwvlak, de maximaal toegestane gooten bouwhoogte en beeldkwaliteit. Op deze voorwaarden zal nader worden ingegaan in paragraaf 2.2.
De door de gemeente Venlo gewenste opwaardering van het plangebied past niet geheel binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’. Op welke punten sprake is van strijdigheid met dit vigerende bestemmingsplan komt nader aan bod in paragraaf 1.3. Om de voorgenomen ontwikkelingen toch mogelijk te maken, is ervoor gekozen om over te gaan tot een partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan is de concrete uitwerking van dit voornemen.
1.2 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van de plaats Blerick, gelegen binnen de gemeente Venlo. De ligging van het plangebied binnen de kern Blerick is weergegeven op de volgende pagina in figuur 1.
Hoofdstuk 1
4
Figuur 1: Indicatieve aanduiding ligging plangebied (binnen rode cirkel: bron: PDOK/OpenTopo).
Figuur 2: Luchtfoto met indicatieve aanduiding plangebied (bron: PDOK).
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren op dit moment een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten: bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Venlo op 25 september 2013; ‘Parapluplan plattelandswoningen Venlo’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Venlo op 21 december 2016; ‘Paraplubestemmingsplan kamerbewoning’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Venlo op 25 november 2020; ‘Paraplubestemmingsplan reguleren onbenutte plancapaciteit wonen’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Venlo op 25 november 2020. Op grond van bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ geldt voor een groot deel van het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’. Gronden met deze bestemming zijn, zoals blijkt uit de bestemmingsomschrijving uit artikel 4.1 van dit vigerende bestemmingsplan, aangewezen voor diverse soorten bedrijven en andere functies: 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ' Bedrijf ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in Bijlage 1 Lijst van Bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen; b.
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf van categorie 3', mede voor bedrijfsmatige activiteiten als onderstaand bij dat adres is vermeld: 2e Maasveldstraat 15 grafmonumenten-, terrazzobedrijf; Baarlosestraat 281 goederentransport en sleepbedrijf; Diependijkstraat 37 gasdistributie en gas-meet/regelstation; Molenbossen 622 kaashandel; c. ondergeschikte productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedingsen genotmiddelen tot een maximum van 10 % van het bedrijfsvloeroppervlak, met een maximum van 300 m²; d. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', mede detailhandel, met dien verstande dat ter plaatse van de locatie Molenbossen 622 het bedrijfsvloeroppervlak aan detailhandel, inclusief detailhandel ondergeschikt en verbonden aan het betreffende bedrijf, maximaal 300 m² mag bedragen; e. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening', mede dienstverlening; f. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg', een verkooppunt voor motorbrandstoffen met lpg; g. ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg', een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg; h. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', mede een bedrijfswoning; i. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan; j.
ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening', mede een voorziening voor een nutsvoorziening; k. ter plaatse van de aanduiding 'wonen', mede een woning; l. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gasontvangststation', mede een gasontvangststation;
Hoofdstuk 1
6
m. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - rijkswaterstaat', mede een hoofdsteunpunt voor het wegbeheer; n. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - service shop', mede maximaal 50 m² aan detailhandel is toegestaan; o. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - garagebox', garageboxen; p. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: q. tuinen, erven en terreinen; r. parkeervoorzieningen. Er dient overwegend te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; s. groenvoorzieningen. Binnen de geldende bedrijfsbestemming is wonen niet toegestaan, uitgezonderd wanneer sprake is van de aanduiding ‘wonen’. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake. Het bouwvlak ligt daarnaast niet op de plek waar de 3 à 4 woningen beoogd worden. Groenvoorzieningen zijn enkel toegestaan indien ze ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming. In onderhavig geval zullen de groenvoorzieningen niet ondergeschikt zijn aan de geldende bedrijfsbestemming. Voor een deel van het plangebied geldt de bestemming ‘Wonen’. Het gaat hierbij om het zuidwestelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied.
Gronden met deze bestemming zijn, zoals blijkt uit de bestemmingsomschrijving uit artikel 18.1 van dit vigerende bestemmingsplan, aangewezen voor diverse soorten bedrijven en andere functies: 18.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, in grondgebonden woningen, gestapelde woningen, boven- en benedenwoningen en waaronder tevens begrepen kamerbewoning (maximaal 4 personen); b. ter plaatse van de aanduiding 'kamerverhuur', mede kamerverhuur; c. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten, zoals vermeld in Bijlage 2 Lijst aan huis gebonden bedrijven, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats'; d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' en uitsluitend op de begane grond, mede bedrijvigheid; e. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' en uitsluitend op de begane grond, mede detailhandel; f. ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening' en uitsluitend op de begane grond, mede dienstverlening; g. ter plaatse van de aanduiding 'gezondheidszorg' en uitsluitend op de begane grond, mede ten behoeve van gezondheidszorg; h. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang', mede een onderdoorgang; i. ter plaatse van de aanduiding 'woonwagenstandplaats', mede woonwagenstandplaatsen; j. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - dakdekker', mede een dakdekkersbedrijf; k.
tuinen, erven en onbebouwde erven. l. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met de daarbijbehorende: m. hoofd- en bijgebouwen, aan- en uitbouwen;
Hoofdstuk 1
7
n.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Op de gronden met de bestemming ‘Wonen’ wordt beoogd een deel van het groene binnenterrein te realiseren. Dit is niet mogelijk binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan, aangezien groenvoorzieningen niet zijn toegestaan, behoudens wanneer ze zich bevinden in tuinen 1. Ook speelvoorzieningen zijn niet toegestaan. Hoewel een speelvoorziening aan te merken is als bouwwerk 2, zijn bouwwerken enkel toegestaan wanneer ze ondergeschikt zijn aan de geldende woonbestemming. Hiervan is in onderhavig geval geen sprake. Voor het overgrote deel van het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie vindplaats’. Ter plaatse van het overige deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie zeer hoog’. Gronden met deze archeologische dubbelbestemmingen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende cultuurhistorische en archeologische waarden. Derhalve diende archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden indien de geplande bodemingrepen dieper dan 40 cm reiken en/of een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan. Ter plaatse van het deel van het plangebied waar de bestemming ‘Bedrijf’ van toepassing is geldt ook een gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’.
Het college van burgemeester en wethouders is onder voorwaarden bevoegd om ter plaatse van deze aanduiding de bestemming ‘Bedrijf’ te wijzigen in ‘Wonen’, ‘Groen’ en ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Van deze wijzigingsbevoegdheid wordt in onderhavig geval geen gebruik gemaakt, omdat het plangebied een groter gebied beslaat dan het wijzigingsgebied. Verder geldt voor het noordwestelijke deel van het plangebied de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’. Op grond van artikel 34.4 van bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ geldt dat voor zover bouwwerken die zijn toegestaan op grond van de bestemmingsregels zijn gelegen binnen het aangegeven straalpad, de hoogte van de betreffende gebouwen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan de aangegeven hoogte. Voor het deel van het plangebied waarop deze gebiedsaanduiding van toepassing is, is op dit moment geen maximale bouwhoogte aangegeven op de verbeelding. Op andere locaties waar deze gebiedsaanduiding geldt, is een maximale bouwhoogte van 9 meter (en een maximale goothoogte van 6 meter) toegestaan. Ter plaatse van de gronden met de bestemming ‘Wonen’ geldt een bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – grondgebonden’. Daar waar deze aanduiding van toepassing is zijn grondgebonden woningen toegestaan.
Tot slot geldt voor een deel van het plangebied een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale bouwhoogte van 9 meter. Het betreft hier de gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ waarvoor een bouwvlak is opgenomen en de gronden met de bestemming ‘Wonen’.
1
2
Op basis van artikel 1,92 van bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick wordt het begrip ‘tuin’ gedefinieerd als: “gronden gelegen tussen de (voor)gevelrooilijn dan wel bijgebouwenlijn en het openbare gebied bestaande uit verkeersontsluiting(en), groenvoorzieningen en/of pleinvormige ruimten”. Op basis van artikel 1,31 van bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick wordt het begrip ‘bouwwerk’ gedefinieerd als: “elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond”.
Hoofdstuk 1
8
In onderstaande figuur is een uitsnede uit de verbeelding van bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ opgenomen. Hierin is een en ander zichtbaar.
Figuur 3: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ (plangebied indicatief rood omlijnd; bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Zoals eerder aangegeven vigeren ter plaatse van het plangebied ook nog het ‘Parapluplan plattelandswoningen Venlo’, het ‘Paraplubestemmingsplan kamerbewoning’ en het ‘Paraplubestemmingsplan reguleren onbenutte plancapaciteit wonen’. Middels deze paraplubestemmingsplannen zijn een aantal planregels van onder andere bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’ gewijzigd of aangevuld. Deze wijzigingen zijn van ondergeschikt belang in het kader van de voorgenomen ontwikkelingen. Wel is in de planregels rekening gehouden met hetgeen in betreffende paraplubestemmingsplannen is opgenomen.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. De onderzoeksrapporten van de uitgevoerde onderzoeken zijn als aparte bijlagen toegevoegd
Hoofdstuk 1
9
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Tiendstraat te Blerick. Het centrum van Blerick bevindt zich op een afstand van enkele honderden meters van het plangebied. Aan alle zijden wordt het plangebied omgeven door grondgebonden woningen. Deze woningen zijn opgericht in de periode die grofweg loopt van de jaren 10 van de vorige eeuw tot en met het begin van de jaren 2000. Verder bevinden zich in de omgeving van het plangebied gestapelde woningen en niet-woonfuncties. Bij de niet-woonfuncties gaat het overwegend om detailhandel en maatschappelijke functies. Enkele impressies van de omgeving van het plangebied is weergegeven in navolgende figuren.
Figuur 4: Plangebied (rechts), bezien vanuit de Tiendstraat (bron: Google Street View).
Figuur 5: Tiendstraat, bezien vanuit de zijde van de Ruijsstraat. Het plangebied bevindt zich achter de tweede woning aan de rechterzijde (bron: Google Street View).
Hoofdstuk 2
10
Binnen het plangebied bevond zich in het verleden een bedrijfsgebouw van fietsenfabrikant Cové. Zoals onder andere uit historische luchtfoto’s en kaartmateriaal 3 blijkt is dit bedrijfsgebouw gesloopt in 2012 (zie onderstaande figuur 6). Sindsdien is het terrein braakliggend.
Figuur 6: Luchtfoto plangebied in en omgeving 2012 (links) en in 2013 (rechts; bron: topotijdreis.nl).
2.2 Toekomstige situatie De gemeente Venlo heeft de wens om te komen tot een opwaardering en een kwaliteitsimpuls voor het voormalige Covéterrein aan de Tiendstraat te Blerick. Hierbij moeten zowel wonen als groen een plaats krijgen. Aan de straatzijde van het plangebied wordt voorzien in een 3 à 4 bouwkavels voor woningen. Op het binnenterrein wordt gemeenschappelijk groen gerealiseerd. Ook zal op het binnenterrein een speelvoorziening gerealiseerd worden. Tevens is op het binnenterrein ruimte gereserveerd om te voorzien in de parkeerbehoefte met betrekking tot de beoogde woningen. Op 27 juli 2021 hebben burgemeester en wethouders besloten onderhavige woningbouwontwikkeling onder voorwaarden ter hand te nemen. Daarbij zijn de volgende voorwaarden gesteld: 1. Er dienen tenminste 3 grondgebonden woningen te worden gebouwd; 2. Er moet sprake zijn van levensloopbestendige of levensloopgeschikte woningen, wat wil zeggen dat de plattegrond van de begane grond flexibel moet zijn en in de toekomst makkelijk te transformeren dient te zijn naar een levensloopbestendige woning; 3. De woningen moeten binnen het aangegeven bouwvlak worden gerealiseerd; 4. De woningen staan evenwijdig aan de weg en begeleiden de straat; 5. De woningen staan alle in de gevelrooilijn of alle iets naar achteren. Bij die laatste optie ontstaat ruimte voor voortuinen.
Die optie draagt bij aan een minder verhard beeld in de straat. Daarnaast maakt dit de toegang naar het achterterrein zichtbaarder; 6. De bebouwing is compact en heeft een oriëntatie op de Tienstraat. De woning die komt te liggen direct naast de toegang naar het achterterrein, heeft ook aan die zijde een passende uitstraling. Dat wil zeggen: architectuur aangepast aan de hoeksituering, geen blinde gevels, etc.; 7. Woningen hebben een kap. Bestaande bebouwing heeft voornamelijk de kap evenwijdig aan de straat. Incidenteel een kopgevel, zoals nummer 11, zou ook voor een enkele woning in deze strook kunnen gelden; 8. Woningen zijn 1,5 - 2 lagen met een kap, aansluitend bij de bestaande bouwhoogtes in de straat. Dat wil zeggen een goothoogte van 4,5 m – 6 m en een nokhoogte van maximaal 9 m; 3
Te raadplegen via https://www.topotijdreis.nl.
Hoofdstuk 2
11
9. Bebouwing dient qua stijl en architectuur aan te sluiten bij de bestaande bebouwing. Qua beeldkwaliteit betekent dit voor de te ontwikkelen woningen dat kleur, architectuur en materialisatie op elkaar zijn afgestemd; 10. Parkeren dient op eigen terrein te geschieden. Dat kan aan de voorzijde van de woning zijn of er kan een deel van het achterterrein bij gekocht worden ten behoeve van het parkeren op eigen terrein (zie afbeelding voor het zoekgebied voor het parkeren); 11. Achter het woonvlak dient ruimte vrij te blijven ten behoeve van een achterpad van 1,5 m breed; 12. Het bouwvlak ligt aan de oostzijde 5 m uit de erfgrens. Deze strook van 5 m is nodig als rijbaan en loopstrook naar het achter terrein en om een groenstructuur door te kunnen doortrekken tot aan de Tiendstraat en op deze manier het achterterrein ook enigszins zichtbaar te maken aan de weg; 13. Het binnenterrein wordt ingericht met een speelvoorziening en eventuele andere groenvoorzieningen/parkeren in overleg en afstemming met de buurt. De toegang naar het binnenterrein dient vanuit de Tiendstraat duidelijk zichtbaar te zijn. Bijvoorbeeld door een strook groen die vanuit het achterterrein tot aan de Tiendstraat wordt doorgetrokken. Een en ander is weergegeven in het hieronder weergegeven ontwikkelscenario.
Figuur 7: Ontwikkelscenario plangebied (bron: gemeente Venlo).
Hoofdstuk 2
12
Eén van de door het college gesteld voorwaarden is dat de toegang naar het binnenterrein duidelijk zichtbaar dient te zijn vanuit de Tiendstraat, bijvoorbeeld door een strook groen die vanuit het achterterrein tot aan de Tiendstraat wordt doorgetrokken. Door het creëren van een zichtas richting het achterterrein wordt het gemeenschappelijke, publieke karakter ervan benadrukt. Het creëren van deze zichtlijn werkt uitnodigend voor wat betreft het gebruikmaken van het gemeenschappelijke binnenterrein. Het toepassen van een groenstrook vanuit de Tiendstraat richting het achterterrein is kan hierbij worden gezien als een effectieve manier om de toegang tot het achterterrein te markeren en te begeleiden. Ook in het kader van sociale veiligheid is het wenselijk om te zorgen voor zichtbaarheid op het achterterrein vanuit de Tiendstraat. Verder komt het de verkeersveiligheid naar verwachting ten goede wanneer de toegang tot het binnenterrein duidelijk zichtbaar is. In onderhavig bestemmingsplan is rekening gehouden met de door het college gestelde voorwaarden en het door de gemeente opgestelde ontwikkelscenario.
Hoofdstuk 2
13
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in artikel 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio’s; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
Hoofdstuk 3
14
5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21.
ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. Het realiseren van nieuwe woningen past tevens binnen het nationale belang van het zorg dragen voor voldoende woningen. De taak voor het vormen van beleid inzake de planologische ruimte voor het realiseren van nieuwe woningen wordt neergelegd bij de decentrale overheden. Gemeenten vormen ook beleid over aansluiting op woonbehoeften. Om die reden dient de realisatie van 3 à 4 woningen voornamelijk te worden getoetst aan gemeentelijk beleid. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Het is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1.1.1 Bro “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.
Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn4. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan 4
O.a. ABRvS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRvS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRvS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
15
dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Afweging Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wanneer een bestemmingsplan voorziet in meer dan 11 woningen die, gelet op hun onderlinge afstand, als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening kunnen worden aangemerkt5. In onderhavig geval wordt voorzien in 3 à 4 woningen. Om die reden is er geen sprake van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Daarom is het niet noodzakelijk om te toetsen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een langetermijnvisie die is opgesteld met als doelstelling het geven van een invulling van hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, wat betekent dat er kansen zijn om het document te actualiseren. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 juli 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijkals in het bebouwde gebied; een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die in de gehele provincie Limburg van relevantie zijn, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie speelt hierbij een belangrijke rol. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
5
Zie overzichtsuitspraak ABRvS, 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724).
Hoofdstuk 3
16
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Daarnaast is er behoefte aan passende, en mogelijk tijdelijke, huisvesting voor bijvoorbeeld internationale werknemers, vluchtelingen, statushouders en woonurgenten. Afweging Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een opwaardering van het voormalige Covéterrein aan de Tiendstraat te Blerick. Hierbij wordt mede voorzien in de realisatie van 3 à 4 woningen. In lijn met de uitgangspunten van de ontwerp POVI Limburg draagt deze ontwikkeling bij aan het creëren van een aantrekkelijke en duurzame leefomgeving. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld.
Deze verordening vormt het provinciale toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Limburg. Sinds het moment van vaststelling hebben er een aantal wijzigingen plaatsgevonden. Met vaststelling van dit document zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Afweging Uit de kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’ behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 volgt dat het projectgebied niet gelegen is in een natuur- en landschapsbeschermingszone. Derhalve zijn de voorgenomen ontwikkelingen niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening Limburg (2021) Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het College van Gedeputeerde Staten daarom het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze ontwerpomgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en wordt naar verwachting in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op 1 juli 2022, wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden.
Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied
Hoofdstuk 3
17
van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Afweging Omdat de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg nog niet in werking is getreden, hoeft in onderhavig geval formeel gezien niet getoetst te worden aan deze verordening. Anticiperend op de inwerkingtreding van deze verordening is wel gekeken naar de betekenis ervan voor onderhavig bestemmingsplan. Uit de kaart ‘Natuur’ behorende bij het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het projectgebied niet gelegen is in een natuur- en landschapsbeschermingszone. Daarom zijn de voorgenomen ontwikkelingen niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg (ontwerp).
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale Woonvisie geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Deze Regionale Woonvisie is de opvolger van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg uit 2016 en is in de gemeente Peel en Maas vastgesteld op 22 september 2020. In de regionale woonvisie worden verschillende opgaven benoemd: Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad. De regio ziet de woonbehoefte kwalitatief veranderen. Als uitgangspunten voor de kwalitatieve richtlijn gelden: o toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; o koppelkansen gebruiken om andere opgaven aan te pakken; o toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; o het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte. Door de veranderende samenstelling van huishoudens ontstaat een stijgende woonbehoefte aan nultredenwoningen en appartementen en een afnemende woonbehoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zowel in de huur- als koopsector; o nastreven van sociaal duurzame woonconcepten; o aansluiting zoeken bij de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn. Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen de woningmarkt. Denk hierbij o.a.
aan zorgdoelgroepen, internationale werknemers en woonwagenbewoners. De regio heeft de ambitie om de doelgroep internationale werknemers te binden en te boeien voor een langere periode. Gemeenten hebben de mogelijkheid om het regionale beleid te vertalen in lokaal beleid. Hierbij wordt niet alleen de volkshuisvestelijke uitdaging meegenomen, maar wordt ook rekening gehouden met de sociale kant van het vraagstuk (onder andere integratie). Regionaal worden ervaringen en goede praktijkvoorbeelden uitgewisseld in de daarvoor opgerichte ambtelijke werkgroep. Afweging De beoogde ontwikkeling zorgt voor een kwantitatieve toename van 3 à 4 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Hierbij wordt voorzien in de realisatie van zes levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen gelegen in Blerick, in de nabijheid van diverse voorzieningen en het centrum van Blerick, hetgeen overeenkomt met de gesignaleerde kansrijke segmenten uit de regionale structuurvisie. Gezien de levensloopbestendigheid dan wel levensloopgeschiktheid van de woningen wordt
Hoofdstuk 3
18
aangesloten bij de pijler ‘Een levensloopvriendelijke en duurzame regio’ uit de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Venlo 2040 De gemeente Venlo heeft in april 2021 de ‘Strategische Visie Venlo 2040’ vastgesteld. Deze strategische visie vormt een leidraad voor het bestaande stedelijke beleid. Ten opzichte van de vorige strategische visie zijn nieuwe opgaven toegevoegd, bijvoorbeeld met betrekking tot de (voortgaande) digitalisering, duurzaamheid, energie en klimaat. Thuis in Venlo Er wordt ingezet op bescheiden groei van het aantal inwoners. Het aantal Venlonaren met een nietVenlose oorsprong zal toenemen vanwege de aantrekkingskracht van onze economie. Internationale medewerkers, kenniswerkers en studenten vragen om aantrekkelijke woonmilieus en voorzieningen. Door de toename van het aantal huishoudens vraagt dit om passende woonruimte voor alle doelgroepen, met name de doelgroepen die ondervertegenwoordigd zijn. Woningbouw vindt vooral plaats binnen de huidige stedelijke contouren. De woningvoorraad zal een kwaliteitsslag moeten maken gelet op de noodzakelijke verduurzaming. Verdergaande informatisering zorgt voor grotere verschillen binnen de gemeenschap. Elkaar ontmoeten krijgt andere vormen. De openbare ruimte en onze voorzieningen vervullen daarin een belangrijke rol. Digitalisering en domotica zal een belangrijke rol vervullen bij het langer dan voorheen thuis wonen van inwoners die zorg nodig hebben.
De overheid garandeert een fatsoenlijk basisniveau van voorzieningen. De overheid en inwoners moeten bescheiden zijn in hun verwachtingen over en weer. Ruimte voor initiatieven De binnenstad heeft in 2040 een andere aanblik. Deze is groener geworden, beken zijn zichtbaar en nog meer een aantrekkelijk woon- en verblijfsgebied met aantrekkelijke voorzieningen. Ook in de wijken en dorpen is ontsteend en is er werk gemaakt van de klimaatopgave gecombineerd met een impuls om een kwaliteitsslag in de openbare ruimte te maken. De klimaatopgaven hebben geleid tot een andere samenstelling van energiebronnen. Landbouwgrond heeft hierdoor deels een andere invulling gekregen, desondanks zijn de opbrengsten gegroeid. De ruimte tussen de kernen worden opengehouden en wordt gebruikt voor landbouw, recreatieve en toeristische functies. Natuurwaarden zijn versterkt in combinatie met energieopwekking en klimaatadapatie. Ruimtelijke ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat er aan de westoever een stadsdeel is ontstaan dat aanvullend is op de historische stadskern. In de dorpskernen hebben gerichte investeringen bijgedragen aan unieke en kwalitatieve hoogwaardige dorpse woonmilieus. Werken in Venlo In de toekomst bevindt Venlo zich op een sleutelpositie binnen het Europese economische kerngebied.
De opkomst van China als economische grootmacht en handelspartner heeft geleid tot een strategische heroriëntatie. Het logistieke belang van Venlo is gegroeid door digitalisering en robotsering. Er wordt binnen de logistiek ingezet op vergroting van de toegevoegde waarde.
Hoofdstuk 3
19
En dat geldt ook voor de toegevoegde waarde die Venlo biedt op het gebied van voedselproductie en gezonde voeding. De Brightlands Campus Greenport Venlo heeft haar vleugels uitgeslagen en er vindt fundamenteel en toegepast onderzoek plaats. Met een aanzienlijke economische spin-off als gevolg. Daarmee is het economisch fundament die dankzij de sterke basis op het gebied van de maakindustrie, logistiek en agribusiness verder is verbreed. Meer economie en minder beroepsbevolking biedt ook kansen voor diegenen die in het verleden minder gemakkelijk aan betaald werk konden komen. Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft de grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden. Gezondheid De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners hebben geprofiteerd.
De vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds. De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken. Afweging Onderhavig planvoornemen draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat binnen de gemeente Venlo, waarbij nieuwbouw plaatsvindt in een bestaand woongebied binnen Blerick. De beoogde nieuwe functionele indeling van het plangebied (woonkavels en groenzone/speeltuin draagt bij aan het waarborgen van een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Middels deze nieuwe functionele indeling wordt ook beter aangesloten bij de kenmerken van de omgeving van het plangebied.
Door het realiseren van woningen op braakliggende gronden wordt tevens een antwoord gegeven op de toegenomen vraag naar woonruimte. Tevens wordt met het realiseren van levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen mogelijk gemaakt dat de toekomstige bewoners van deze woningen, indien zij behoren tot de groep van ouderen of in de toekomst tot deze groep gaan behoren, langer thuis kunnen blijven wonen. Hiermee is onderhavig initiatief in lijn met de inhoud van de ‘Strategische Visie Venlo 2040’.
Hoofdstuk 3
20
3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde majeure opgaven. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. De majeure opgaven zijn als volgt: drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen.
Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als: het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; het zelfde georganiseerd draagvlak geniet. Kernopgave Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert.
Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan.
Hoofdstuk 3
21
De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. Ruimte in de stad In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging Het plangebied is op de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’ behorende bij de Ruimtelijke Structuurvisie 2014 gelegen binnen een gebied met de aanduiding ‘woongebied’. Binnen dit gebied ligt het accent op wonen, inzetten op een sterkere mix met werken (milieucategorie 1 en 2) en diensten.
De realisatie van de beoogde levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen komt daarom als zodanig overeen met het gewenste grondgebruik ter plaatse van het plangebied. Daarnaast wordt binnen de structuurvisie aangegeven dat door middel van het toevoegen van woningen in bestaande wijken (verdichten) het draagvlak behouden kan worden voor wijk- en buurtvoorzieningen. Dit is nodig om toekomstbestendige en leefbare kernen en wijken te creëren. Door middels onderhavig bestemmingsplan te voorzien in nieuwe woningen binnen bestaande wijken wordt hieraan een bijdrage geleverd. De gemeente Venlo keert zich tegen ontwikkelingen die slechts leiden tot een uitbreiding van het stedelijk gebied in plaats van tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied (gelegen binnen de ‘contour stedelijk gebied’). Hiermee wordt bijgedragen aan het intensiever benutten van de bestaande ruimte in het stedelijk gebied. Daarnaast zorgt de ontwikkeling voor een kwaliteitsverbetering door de transformatie van een deels braakliggend terrein naar gronden bestemd voor ‘Wonen’ en ‘Groen’. Hiermee wordt de door de gemeente gewenste opwaardering van het plangebied bewerkstelligd.
3.4.3 Woonvisie Venlo 2021-2026 Op 29 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Venlo de ‘Woonvisie Venlo 20212026’ (‘Woonvisie’) vastgesteld. Met deze Woonvisie wordt koers gegeven aan het woonbeleid van de gemeente Venlo voor de jaren 2021 tot 2026. In de Woonvisie wordt niet alleen aandacht besteed aan de doelstellingen voor de (middel)lange termijn maar ook aan acties die op korte termijn ondernomen kunnen worden. De drie thema’s die centraal staan in de Woonvisie zijn de volgende: 1. een robuuste woningvoorraad; 2. beschikbaarheid en betaalbaarheid; 3. wonen en zorg. De doelstellingen met betrekking tot de drie bovengenoemde thema’s zijn op hoofdlijnen geformuleerd. Zo ontstaat er flexibiliteit en ruimte om in te spelen op nog niet voorziene ontwikkelingen of op goede ideeën vanuit de samenleving, terwijl de Woonvisie tegelijkertijd
Hoofdstuk 3
22
voldoende duidelijkheid en richting geeft. Ten aanzien van de doelstellingen wordt verder uitgegaan van drie ordende principes, namelijk: 1. versnellen; 2. verbinden; 3. vernieuwen. Hoewel de Woonvisie betrekking heeft op het gehele gemeentelijke grondgebied, zijn er in bijlage II behorende bij deze Woonvisie specifieke opgaven per stadsdeel en kernniveau geformuleerd. Een robuuste woningvoorraad gaat over een woningvoorraad die voldoende ruimte biedt voor de gewenste ontwikkeling van de stad en de diverse doelgroepen die Venlo kent, die kan meebewegen met groei of krimp van de verschillende doelgroepen en die kwalitatief passend is bij de wensen van huishoudens binnen de gemeente Venlo en van potentiële nieuwe Venlonaren. De robuuste woningvoorraad wordt gevormd door bestaande woningen en nieuwbouw. Ten aanzien van nieuwbouw is het van belang om de juiste woningen toe te voegen. Bij nieuwbouw wordt ingezet op: het bevorderen van doorstroming en het inspelen op de behoefte aan toekomstbestendige woonvormen; het toevoegen van woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens; rekening houden met de voorkeur voor wonen in een rustige stadswijk en dorps wonen; aantrekkelijke nieuwbouw en gebiedsontwikkeling kan een bijdrage leveren aan het binden van mensen van buiten de regio aan Venlo.
De bestaande gebouwde omgeving binnen de stedelijke contour biedt nog steeds veel ruimte voor nieuwbouw herbestemming en transformatie. Onder andere binnen de kern Blerick wordt ruimte gesignaliseerd woord woningbouw. In de Woonvisie zijn de doelstelling ten aanzien van een robuuste woningvoorraad als volgt geformuleerd: Versnellen Doorstroming op de woningmarkt is essentieel. Woningbouwprojecten die hieraan een bijdrage leveren pakken we op korte termijn op. We maken werk van onze ambitie kenniswerkers aan Venlo te binden door aantrekkelijke woonmilieus te bieden. Verbinden We gaan voor een toekomstbestendige woningvoorraad door opgaven rondom verduurzaming te koppelen aan de woningvoorraad. De ruimtelijke strategie voor nieuwbouw/transformatielocaties is leidend voor de beoordeling van nieuwe woningbouwlocaties. We gaan voor gemengde wijken met een diversiteit aan woningbouwsegmenten. In kwetsbare buurten en/of wijken kiezen we voor een integrale wijkaanpak. We versterken centrumstedelijk wonen.
Hoofdstuk 3
23
Vernieuwen We stimuleren transformatie van particulier bezit zonder toekomstwaarde. We bieden ruimte voor kleinschalige, bijzondere woonprojecten. We kiezen ervoor om hier actief grondbeleid voor in te zetten. We stimuleren nieuwe woningconcepten. We passen circulariteit toe in nieuw- en verbouw (bio-based bouwen). Afweging Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 3 à 4 levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen. Realisatie van deze woningen past binnen de prioriteit die de gemeente onder andere in de Woonvisie geeft aan het bevorderen van doorstroming en het inspelen op de behoefte aan toekomstbestendige woonvormen. Middels de realisatie van deze woningen en het creëren van een gemeenschappelijk groen binnenterrein wordt tevens een opwaardering van het voormalige Covéterrein bewerkstelligd. Aangezien beoogd wordt om compacte bebouwing te realiseren, zullen deze woningen bijzonder geschikt zijn voor een- of tweepersoonshuishoudens. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de ontwikkelingen waarin onderhavig bestemmingsplan voorziet in lijn zijn met de doelstellingen als geformuleerd in de Woonvisie. 3.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De ‘Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering’ vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd.
Alle woningbouwinitiatieven worden aan de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering getoetst. Afweging Binnen onderhavige ontwikkeling is feitelijk sprake van het toevoegen van 3 à 4 woningen aan de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven dient altijd een toetsing aan de uitgangspunten van de dynamische woningbouwprogrammering plaats te vinden. Hierin is opgenomen dat er in principe geen medewerking wordt verleend aan nieuwe woningbouwinitiatieven. Binnen het woningbehoefteonderzoek uit 2016 wordt echter wel geadviseerd om woningen toe te voegen, waarmee invulling gegeven kan worden aan de woningbehoefte na 2030 en meerdere doelgroepen bediend kunnen worden. De 3 à 4 woningen waarin onderhavig bestemmingsplan voorziet worden levensloopbestendig dan wel levensloopgeschikt gerealiseerd. Hiermee wordt aangesloten bij woningbouwbehoefte van na 2030. Verwacht wordt dat de groep ouderen tegen die tijd gegroeid is. Deze groei gaat naar verwachting gepaard met een groei in de vraag naar levensloopbestendige dan wel levensloopgeschikte woningen. 3.4.5 Natuurinclusief bouwen De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk. Om ook stadssoorten een kans te blijven bieden is natuurinclusief bouwen noodzakelijk. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe)soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen.
Daarom dienen de woningen te voorzien in nestgelegenheden voor soorten zoals gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Dit
Hoofdstuk 3
24
kan door middel van ingebouwde nestkasten in de spouw, het aanbrengen van nestpannen en weglaten van vogelschroot of deze pas te plaatsen na de derde rij pannen. In de bouwtekeningen en de vergunningaanvraag dienen de gekozen maatregelen duidelijk te worden aangegeven. Afweging De manier waarop wordt omgegaan met de noodzaak tot natuurinclusief bouwen zal in een later stadium, namelijk bij het opstellen van de bouwtekeningen in het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen, worden ingevuld. Deze concrete bouwplannen zijn thans nog niet uitgewerkt.
Hoofdstuk 3
25
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze elementen getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening 6 dient te worden bepaald wat de verkeersaantrekkende werking van het plangebied is. Om te bepalen wat de effecten van het plan op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Deze kengetallen geven een indicatie van de met het plan gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Van belang bij de parkeerkengetallen is dat het gaat om richtlijnen – en niet om normen. Dat betekent dat afwijking van de richtlijnen mogelijk is. Het besteden van aandacht aan parkeerbehoefte gebeurt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 3.1, eerste lid, Wro. Ten aanzien van de kengetallen voor parkeren wordt in de CROW-publicatie uitgegaan van een bandbreedte die ligt tussen een minimale en een maximale kencijfers voor parkeerrichtlijnen. De minimale kencijfers geven een indicatie van de parkeerbehoefte die een toegevoegde functie minimaal genereert. Bij het hanteren van hogere kencijfers dan de minimale kan rekening gehouden worden met niet-noodzakelijk autogebruik. Door het geven van maximale kencijfers wordt een bandbreedte gecreeerd aan de hand waarvan een meer sturend beleid kan worden gevoerd.
Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeernormen vaststellen. Aangezien de gemeente Venlo geen eigen parkeernormen hanteert, is gebruikgemaakt van de parkeerkengetallen uit CROW-publicatie 381. 4.1.2 Onderzoek Verkeer De verkeersgeneratie die gepaard gaat met de ingebruikname van de 3 à 4 beoogde woningen is berekend aan de hand van de CROW-kengetallen. Bij het hanteren van deze kencijfers is het van belang om de mate van stedelijkheid te bepalen aan de hand van de omgevingsadressendichtheid. Het CBS biedt een overzicht van de omgevingsadressendichtheid voor alle gemeenten in Nederland7. Voor de gemeente Venlo gold op 1 januari 2021 een omgevingsadressendichtheid van 1.660 adressen per km2. Daarmee is Venlo een gemeente die valt in stedelijkheidsklasse ‘sterk stedelijk’. Bovendien is vanwege de ligging nabij het centrum van Blerick uitgegaan van de locatiecategorie ‘schil centrum’. Wat betreft woningtypologie wordt in het kader van een worstcasebenadering uitgegaan van het type ‘vrijstaand’, van koopwoningen en van in totaal 4 woningen.
6 7
Bestemmingsplannen dienen te worden vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (zie artikel 3.1, eerste lid, Wro). Zie CBS-publicatie ‘Regionale kencijfers Nederland’, raadpleegbaar via https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/70072ned/table.
Hoofdstuk 4
26
Voor vrijstaande koopwoningen in de schil rondom het centrum van een sterk stedelijke gemeente wordt in de CROW-publicatie een aantal verkeersbewegingen aangehouden van minimaal 7,3 mvt/etmaal en maximaal 8,1 mvt/etmaal. Met in totaal 4 woningen komt de verwachte verkeersgeneratie uit op maximaal 32,4 mvt/etmaal. Gelet op het beperkte aantal te verwachten extra verkeersbewegingen is het aannemelijk dat de wegen in de omgeving van het plangebied dit verkeer moeiteloos kunnen verwerken. Parkeren Uitgangspunt is dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Om te berekenen hoe groot de parkeerbehoefte met betrekking tot de 3 à 4 beoogde woningen is, is gebruikgemaakt van de parkeerkengetallen uit CROW-publicatie 381. Voor vrijstaande koopwoningen in de schil rondom het centrum van een sterk stedelijke gemeente wordt in de CROW-publicatie een parkeerkengetal aangehouden van minimaal 1,4 pp/woning en maximaal 2,2 pp/woning. Bij 4 woningen komt de theoretische parkeernorm uit op maximaal 8,8 parkeerplaatsen. Dat betekent dat, naar boven afgerond, in totaal 9 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd wanneer er 4 woningen worden opgericht. Indien 3 woningen worden gerealiseerd, komt de theoretische parkeernorm uit op maximaal 6,6 parkeerplaatsen.