CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

055bijl 2 Bp Tiendstraat te Blerick - toelichting.pdf

Oordeelsvormende raadsbijeenkomst 12 oktober 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4b: Vaststelling bestemmingsplan Tiendstraat te Blerick (RV 2022-55)22.593 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur.

Hoofdstuk 4

48

Uitgangspunt verwerking hemelwater Een initiatiefnemer (particulier of bedrijf) is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de verwerking van hemelwater dat op zijn perceel (en daarop staande gebouwen en verharding) valt. In het geval niet alles kan worden verwerkt, heeft de gemeente in het kader van haar hemelwaterzorgplicht (Waterwet) de taak het overtollige hemelwater te verwerken. De gemeente kan hieraan specifieke normen stellen m.b.t. de opvangplicht op particulier terrein of verwerkt eventueel zelf het (overtollige) hemelwater. Uiteindelijk mag het (overtollige) hemelwater dat niet is geïnfiltreerd conform de normen van het waterschap m.b.t. het lozen op het watersysteem (gedoseerd) aangeboden worden op het watersysteem dat door het waterschap wordt beheerd. Iedereen (particulieren, bedrijven en gemeenten) die op het watersysteem loost moet aan deze normen voldoen. 4.9.2 Onderzoek Oppervlaktewater Op circa 420 meter van het plangebied bevindt zich de rivier de Maas. Gelet op de afstand tot dit oppervlaktewater en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkelingen liggen (negatieve) effecten op betreffende oppervlaktewateren niet voor de hand. Het plangebied maakt deel uit van het gedeelte van het rivierbed waar §6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit).

Dit betekent dat het gebied is vrijgesteld van een vergunningsplicht voor het gebruik van de waterstaatswerken. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Op 18 juni 2020 is door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen. Op het moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming Afvalwater Onderhavig bestemmingsplan voorziet in 3 à 4 woningen binnen het plangebied. Gelet op het feit dat binnen het plangebied reeds bebouwing aanwezig was en in de directe omgeving van het plangebied ook al bebouwing aanwezig is, is er naar verwachting reeds een rioleringsnetwerk aanwezig. De beoogde woningen zullen hierop worden aangesloten. Op eigen terrein zal een gescheiden rioleringssysteem worden aangelegd. Indien in de omgeving nog geen sprake is van een gescheiden rioleringssysteem, wordt op die manier geanticipeerd op een toekomst waarin mogelijk wel sprake zal zijn van een gescheiden rioleringssysteem in de omgeving.

Wanneer nu al sprake is van een gescheiden systeem, dan zal het plangebied hierop meteen tijdens de realisatie van de beoogde woning op worden aangesloten. Ten aanzien van de hoeveelheid afvalwater die wordt geproduceerd wordt uitgegaan van een bezettingsgraad van gemiddeld 2,5 personen per wooneenheid en een waterverbruik van 10 l/i.e./uur. Aangezien er sprake is van een toename van in totaal 10 i.e. (4 woningen x 2,5 personen per wooneenheid), is er sprake van een totale vuilwaterbelasting van 100 liter/uur, wat gelijk staat aan 0,1 m3/uur.

Hoofdstuk 4

49

Hemelwater In de huidige situatie is het plangebied bijna geheel verhard. Beoogd wordt om de hoeveelheid verhard oppervlak te reduceren, met name door het creëren van een gemeenschappelijk groen binnenterrein. Aangezien de precieze invulling van het perceel nog niet bekend is, is niet duidelijk van hoeveel verhard oppervlak precies sprake zal zijn in de toekomstige situatie. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2.750 m 2. Indien uitgegaan wordt van een worstcasescenario qua verhardingen, is 50% verhard oppervlak van het totaal naar verwachting een passende inschatting. Dit komt overeen met circa 1.375 m 2 aan verhard oppervlak. Conform het beleid van het Waterschap Limburg is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa (1.840 m 2 x 0,1 m =) 184 m2. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om hemelwater bovengronds te bergen.

Een alternatief voor bovengrondse berging van hemelwater is het deels of geheel bergen in een ondergrondse voorziening. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) ondergrondse voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels infiltratiekratten. Bij de berekening is uitgegaan van de inhoud van de Q-Bic+ Infiltratie unit van Wavin (430 liter; 0,43 m 3). Er is gekozen voor de toepassing van de Q-Bic+ infiltratiekrat omdat deze inspecteerbaar en reinigbaar is. Het gebruik van andere systemen is uiteraard ook mogelijk. De hoeveelheid benodigde kratten is afhankelijk van de te realiseren waterberging. Indien de volledige te realiseren berging van 184 m 2 ondergronds zou worden gerealiseerd, zouden hiervoor (184/0,43 =) 428 kratten benodigd zijn. Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van circa (1,2 m x 0,6 m x 428 stuks =) 308 m 2.

Bij wijze van herhaling wordt hierover opgemerkt dat het aantal kratten en de hiervoor benodigde oppervlakte berekend is aan de hand van een inschatting van de toekomstige verharding en met als uitgangspunt dat de volledige benodigde hemelwaterberging ondergronds wordt gerealiseerd. Bij een nadere concretisering van de voorgenomen ontwikkelen zal de benodigde hemelwaterberging verder moeten worden uitgewerkt. Grondwater De voorgenomen ontwikkelingen zullen zowel kwantitatief als kwalitatief gezien geen significante invloed hebben op het grondwater. 4.9.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect water.

Hoofdstuk 4

50

4.10 Archeologie 4.10.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.10.2 Onderzoek Voor het overgrote deel van het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie vindplaats’. Ter plaatse van het overige deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie zeer hoog’.

Gronden met deze archeologische dubbelbestemmingen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende cultuurhistorische en archeologische waarden. Derhalve diende archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden indien de geplande bodemingrepen dieper dan 40 cm reiken en/of een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan. In onderhavig geval worden de grenswaarden voor de vrijstelling van het doen van bodemonderzoek overschreven. Derhalve is door Geonius Milieu B.V. een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd voor het plangebied 21. Voorafgaand aan het Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het grootste deel van het plangebied een (deels) intacte bodem (hoge bruine enkeerdgrond) aanwezig is. In tien van de in totaal dertien uitgevoerde boringen is een (deels) intact bodemprofiel aangetroffen. Ter plaatse van boringen 6, 9 en 13 is een restant van de BC‐horizont aangetroffen, waardoor hier nog intacte archeologische waarden verwacht worden.

Ter plaatse van boringen 2, 4, 5, 8, 10, 11 en 12 is onder de Aan‐horizont of A‐horizont geen (restant van) de BC‐horizont aangetroffen, hier werd meteen de C‐horizont waargenomen. Dit betekent dat in deze boringen een deel van de oorspronkelijke bodemopbouw opgenomen is in de Aan‐horizont, ook hier zouden nog archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Ter plaatse van boringen 1, 3 en 7 is de bodem tot in de C‐horizont verstoord en worden geen archeologische waarden meer verwacht, behoudens dieper ingegraven sporen. Het archeologisch ni-

21

Geonius Milieu B.V., ‘Archeologisch onderzoek IVO-P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick’, documentnr. AA190019.002.R01.v0.1.ARG259, d.d. 16 december 2020.

Hoofdstuk 4

51

veau ligt in de top van de BC‐C‐horizont of direct onder de Aan‐horizont, in het merendeel van de boringen ligt dit niveau dieper dan 50 cm, met uitzondering van b ring 6, waar de top van de BC‐horizont zich al op 10 cm ‐mv bevindt. Voor het onderzoeksgebied werd op basis van het bureauonderzoek een middelhoge archeologische verwachting op het voorkomen van vindplaatsen van jager‐verzamelaars opgesteld, aan de hand van de geomorfologie, bodemtype en bekende archeologische waarden in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Voor landbouwers geldt een middelhoge verwachting voor de perioden ijzertijd tot en met nieuwe tijd en een lage verwachting voor het neolithicum en de bronstijd. Het inventariserend veldonderzoek wees uit dat de bodemopbouw in het onderzoeksgebied (deels) intact was. Aangezien de exacte omvang en diepte van eventuele toekomstige ingrepen onbekend zijn, adviseerde Geonius Milieu B.V. geen archeologisch vervolgonderzoek te laten uitvoeren indien de ingrepen niet dieper dan 50 cm‐mv zouden reiken. Indien bij toekomstige ingrepen wel dieper dan het archeologisch niveau wordt gegraven dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden, mits de ingrepen de oppervlakteondergrens van 100 m2, zoals vermeld in het bestemmingsplan, overschrijden.

De gemeente Venlo heeft dit advies onderschreven en heeft aangegeven dat in het plangebied een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats dient te vinden. Proefsleuvenonderzoek Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld: Programma van Eisen IVO‐P Tiendstraat ongenummerd (voorheen 17) te Blerick. In dit PvE is opgenomen dat mocht tijdens het proefsleuvenonderzoek een behoudenswaardige vindplaats worden aangetroffen, de archeologisch uitvoerder en het bevoegd gezag / adviseur van het bevoegd gezag in overleg zullen bepalen of er gelijk kan worden doorgestart naar een eventuele (beperkte) opgraving, of dat er eerst een rapportage opgesteld moet worden waarin eventueel behoud in situ wordt onderbouwd. Doel van het proefsleuvenonderzoek was het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en het waarderen van aanwezige archeologische waarden. Op basis van deze inzichten en waardering van het onderzochte terrein dienen aanbevelingen te worden gedaan ten aanzien van de rest van het onderzoeksgebied en het omliggende plangebied (al dan niet bijstellen van archeologische verwachting in relatie tot de dubbelbestemming archeologie). Op 27 en 28 oktober 2020 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksgebied besloeg een oppervlak van 3.070 m2.

Er zijn in totaal drie werkputten aangelegd met een oppervlakte van 100 m2 (WP 2) en 72 m2 (WP 1 en 3). Per werkput is eerst een kijkgat aangelegd om vast te stellen op welk niveau het vlak ontgraven diende te worden. Per werkput zijn drie profielopnamen gedocumenteerd (gefotografeerd, ingemeten en beschreven) en minimaal één profiel getekend. In overleg met de stadsarcheoloog van de gemeente Venlo zijn in werkput 1 en 2 extra kijkgaten dwars op de werkput aangelegd om vast te kunnen stellen hoe diep de verstoringen die in het vlak zichtbaar werden reikten. De profielen van deze kijkgaten zijn gefotografeerd en beschreven, maar niet getekend.

Hoofdstuk 4

52

Er zijn in totaal negen profielopnamen gedocumenteerd tijdens het veldonderzoek. De oorspronkelijke bodem bleek te zijn afgetopt of verstoord en aangevuld met recente en subrecente ophogingslagen. De bodemopbouw binnen het plangebied varieert licht, zo varieerde het aantal aanwezige ophogingslagen binnen het plangebied en werd plaatselijk nog een restant van een oude bouwvoor waargenomen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische grondsporen aangetroffen. Er zijn enkel recente verstoringen (S999.1‐999.11) en restanten van de oude bouwvoor of subrecente ophogingslaag (S1) in het vlak waargenomen. De recente verstoringen zijn het directe gevolg van de realisatie en sloop van bebouwing en de aanwezigheid van een fietsenfabriek binnen het plangebied of houden hier verband mee (kabels, leidingen). Gedurende het proefsleuvenonderzoek is één vondst verzameld. Het betreft een fragment roodbakkend geglazuurd aardewerk dat onderdeel heeft uitgemaakt van een bord of schotel met ringeloor versiering. Het fragment dateert uit de Nieuwe Tijd A tot en met B (1500‐1795). Het fragment is afkomstig uit een subrecente ophogingslaag (S2000). Het proefsleuvenonderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied slechts plaatselijk een (deels) intacte bodemopbouw aanwezig is en dat in een groot deel van het onderzoeksgebied de bodem tot in de C‐horizont verstoord was.

Er zijn enkel recente verstoringen en geen archeologische waarden waargenomen gedurende het onderzoek. Derhalve kan gesteld worden dat binnen het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht worden en wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor toekomstige ingrepen. Gelet op de uitkomsten uit het archeologisch onderzoek is ervoor gekozen de archeologische dubbelbestemmingen die thans voor het plangebied gelden niet over te nemen in onderhavig bestemmingsplan. Het ontbreken van een archeologische dubbelbestemming laat onverlet dat indien tijdens graafwerkzaamheden alsnog archeologische resten gevonden worden, hiervan conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van moet worden gemaakt. 4.10.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect archeologie. De gemeente Venlo heeft het advies om het plangebied in archeologisch opzicht vrij te geven overgenomen in haar selectiebesluit.

4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.

Hoofdstuk 4

53

De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.11.2 Onderzoek Aan de hand van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ‘Stadsdeel Blerick’, de Cultuurhistorische waardenkaart (CHW) van de provincie Limburg 22 en de ‘Cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Venlo’ is bepaald of in en rondom het plangebied relevante cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Een uitsnede van de CHW met betrekking tot bouwkunde is weergegeven in de navolgende figuur.

Figuur 11: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (plangebied gelegen binnen blauwe ovaal; bron: Atlas Limburg).

Uit de CHW blijkt dat er binnen het plangebied geen sprake is van objecten van cultuurhistorische waarden. Op de ‘Cultuurhistorische inventarisatiekaart gemeente Venlo’ is het plangebied aangemerkt als ‘bebouwing’. Bij dit landschapstype gaat het om het geconcentreerd bebouwde deel van nederzettingen binnen de gemeente Venlo, waaronder ook het geconcentreerd bebouwde deel van Blerick. In alle gevallen gaat het om de historische, vaak nog herkenbare kern van een nu veel uitgebreider bebouwd gebied. 22

Zie Atlas Limburg, te raadplegen via https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default.

Hoofdstuk 4

54

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen waarin middels onderhavig plan wordt voorzien is aantasting van cultuurhistorisch waardevolle objecten in de omgeving van het plangebied tevens uitgesloten. Ook is geen sprake van de aantasting van de historische kern van Blerick. 4.11.3 Conclusie Er is geen sprake van belemmeringen met betrekking tot het aspect cultuurhistorie.

4.12 M.e.r.-plicht Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden is het opstellen van een milieueffectrapport (MER) dan nodig. In hoeverre een ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van categorie D11.2 te kwalificeren is, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de jurisprudentie zijn echter wel aanknopingspunten te vinden die kunnen worden gebruikt in de beoordeling of al dan niet sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Deze aanknopingspunten worden beschreven in de navolgende alinea’s. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (‘ABRvS’; ‘Afdeling’) heeft in haar uitspraak van 18 juli 2018 duidelijk gemaakt dat ook een behoorlijke wijziging niet gekwalificeerd hoeft te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (ECLI:NL:RVS:2018:2414).

Ook de ABRvS spreekt uit dat het begrip ruimte laat voor interpretatie en afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Volgens de ABRvS spelen onder andere de aard en omvang van een ontwikkeling een rol bij de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Bij de beantwoording van deze vraag is niet doorslaggevend of er sprake is van aanzienlijke negatieve milieugevolgen (zie ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694). De Afdeling bevestigt dit laatste nog eens in een uitspraak van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348). In aanvulling op bovenstaande blijkt uit een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant echter wel dat het feit dat milieugevolgen van een project beperkt zijn kan worden meegenomen in een onderbouwing dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie Rechtbank Oost-Brabant 6 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:5778). Daarnaast is het ook van belang in hoeverre er sprake is van een functiewijziging en een toename in de bebouwde oppervlakte (zie ABRvS 2 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1297; ABRvS 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055). Ten aanzien van dit laatste kiest de Afdeling dus voor een planologische vergelijking van de nieuwe situatie ten opzichte van de oude.

Indien er sprake is van een toename in bebouwde oppervlakte, kan het niet of slechts beperkt optreden van milieugevolgen worden aangevoerd als grond waarom er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (zie ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3055).

Hoofdstuk 4

55

Doorwerking projectgebied Gezien de beperkte schaal van het project wordt de ontwikkeling niet aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarom is er geen sprake van een project in de zin van onderdeel D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Ook is er geen sprake van een project dat anderszins voorkomt op de Cof D-lijst van deze bijlage.

Hoofdstuk 4

56

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

Hoofdstuk 5

57

Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht.

5.3 Bestemmingen De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden

Hoofdstuk 5

58

en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Groen’ De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen en beplanting, parken, voorzieningen van algemeen nut, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. Daaraan ondergeschikt zijn deze gronden geschikt voor verharding, hondenuitlaatplaatsen en kunstwerken.

‘Verkeer - Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. De gronden ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ zijn mede bestemd voor een parkeerterrein. Daaraan ondergeschikt zijn de gronden met de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ bestemd voor bermen en beplanting, straatmeubilair, hondenuitlaatplaatsen, waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten, e.d.), voorzieningen van algemeen nut en terrassen. Gebouwen zijn enkel toegestaan ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut en parkeervoorzieningen. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het wonen, in de vorm van grondgebonden woningen en waaronder tevens begrepen kamerbewoning (maximaal 2 personen). Qua woningtypologie zijn ingevolge een aanduiding en een koppeling van deze aanduiding met de planregels, enkel grondgebonden woningen toegestaan. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor aan huis gebonden beroepen, tuinen, erven, onbebouwde erven, waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen toegestaan.

Tevens zijn aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De goothoogte en bouwhoogte van een hoofdgebouw mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goot- en bouwhoogte’ aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte. Daarnaast zijn aan- en uitbouwen en bijgebouwen uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak toegestaan. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en algemene procedureregels.

Hoofdstuk 5

59

Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn de algemene regels ten aanzien voor bouwen opgenomen, alsmede zijn regels opgenomen omtrent parkeren. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%. Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen.

5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 5

60

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid Opname van nieuwe ontwikkelingen in dit bestemmingsplan is pas mogelijk als het blijkt dat de kosten van de grondexploitatie verzekerd zijn. Kosten kunnen worden verzekerd wanneer de gemeente deze kosten in haar begroting opneemt, wanneer de gemeente een exploitatieplan vaststelt, of wanneer de gemeente en de particuliere grondexploitant die het bouwplan gaat realiseren een anterieure overeenkomst sluiten. De gemeente is zelf initiatiefnemer van het bestemmingsplan. Het project Tiendstraat maakt onderdeel uit van het project Binnenstedelijke locaties. De kosten van onderhavig project worden gedekt door de toekomstige opbrengsten uit grondverkoop van het totale project Binnenstedelijke locaties. Het kostenverhaal is zodoende verzekerd door de verkoop van binnenstedelijke locaties. Daarmee vervalt de verplichting voor de gemeenteraad tot vaststelling van een exploitatieplan voor het gebied van dit bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De

Hoofdstuk 6

61

instanties worden in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. Van de reacties uit dit vooroverleg wordt een verslag opgemaakt. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Met de kennisgeving van de ter inzage legging van het ontwerp van voorliggend bestemmingsplan is de formele procedure voor de vaststelling van start gegaan. Als onderdeel van deze procedure heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan gedurende 6 weken, namelijk van 30 juni 2022 tot en met 10 augustus 2022, ter inzage gelegen voor het inbrengen van zienswijzen. Gelijktijdig met de plaatsing van de kennisgeving is het ontwerpbestemmingsplan langs elektronische weg toegezonden aan de reeds betrokken gemeenten, provincie, waterschappen en uitvoeringsdiensten van het Rijk. Gedurende de terinzageleggingsperiode zijn geen zienswijzen omtrent het ontwerp ingediend. Derhalve bestond er geen aanleiding om naar aanleiding van ingediende zienswijzen aanpassingen door te voeren in onderhavig bestemmingsplan.

Ambtshalve is in subparagraaf 4.9.2 van onderhavige bestemmingsplantoelichting een toelichting ingevoegd omtrent de ligging van het plangebied binnen een gedeelte van een rivierbed waar §6 van hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit).

Hoofdstuk 6

62

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stikstofonderzoek Bijlage 2: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Verkennend en nader bodemonderzoek

Hoofdstuk 6

63

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 6

66

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/57/documents/2480