CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

052 bijl1 vaststelling BP Hal 5 Toelichting en regels.pdf

Raadsvergadering 27 september 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 6.3: RV 52 Vaststellen bestemmingsplan Hal 5 en onttrekken van wegen aan openbaarheid25.600 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

bestemmingsplan Hal 5

35

36

bestemmingsplan Hal 5

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Inleiding

Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dat kader zijn de diverse milieuaspecten in relatie tot het planvoornemen ter plaatse van de locatie van hal/complex 5 van Canon Production Netherlands B.V. Deze locatie is ten behoeve van het planvoornemen verkocht aan Woonwenz en de omgevingsvergunning milieu van Canon is voor wat betreft hal/complex 5 reeds ingetrokken.

4.2

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. 4.2.1 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten. Onderhavig initiatief betreft de bouw van grondgebonden huurwoningen in een 30 km-zone. Het plangebied is echter ook gelegen in de nabijheid van 50 km/h wegen (Nijmeegseweg). Op grond hiervan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Econsultancy, rapportnummer 16608.003, d.d. 18 november 2021, Bijlage 1) uitgevoerd. In dit akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toesingskader. Hiervoor zijn voor elke zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal drie bouwlagen gemodelleerd.

De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen grondgebonden huurwoningen bedraagt ten hoogste 48 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plannemen. 4.2.2 Industrielawaai Tevens is in de Wet geluidhinder (Wgh) bepaald dat een bedrijventerrein qua geluid gezoneerd kan zijn. Dit houdt in dat voor het betreffende bedrijventerrein een vastgestelde geluidsnorm geldt, bestaande uit de zogenaamde 50 dB(A) contour. Binnen deze contour is het niet mogelijk en wenselijk om geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, op te richten. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van het bedrijventerrein van Canon. Om de realisatie van de grondgebonden huurwoningen binnen het plangebied mogelijk te maken dient de geluidzone van het gezoneerd bedrijventerrein aangepast te worden. In dat kader is een voorstel tot wijziging

bestemmingsplan Hal 5

37

van de geluidzone nader uitgewerkt. Dit voorstel tot wijziging is bijgevoegd in Bijlage 2. In dit voorstel wordt het (voormalig) canon terrein ter plaatse van het plangebied gedezoneerd door de grens van het gezoneerde terrein te verleggen naar de terreingrens van complex 1 aan de noordzijde en complex 6 aan de zuidzijde. De geluidzone wordt hiermee 'verkleind' door de geluidzone te verleggen naar de terreingrens tussen het overgangsgebied en het plangebied met de nieuwe grondgebonden huurwoningen. De geluidzone komt dan op 50 meter van de terreingrens van complex 1 te liggen. Deze afstand komt overeen met de 'standaard' minimum afstand bij afwezigheid van woningen die in het verleden is overeengekomen tussen de gemeente en Canon en die ook bij het vaststellen van de huidige geluidzone is gehanteerd. Ter hoogte van complex 6 sluit de nieuwe geluidzone aan op de bestaande zone, welke dichter op de terreingrens van Canon is gelegen. Door de zone aanpassing komen geen (nieuwe) geluidsgevoelige objecten binnen de geluidzone te liggen en hoeven geen hogere geluidswaarden verleend te worden. Het ligt voor de hand een vergelijkbare opzet te hanteren voor het gebied in de omgeving van de Bakkerstraat aan de noordzijde van onderhavig plangebied.

Het voorstel is hier om in de omgeving van de Bakkersstraat/klokkengietersstraat eveneens de zonegrens op 50 meter van de terreingrens van complex 1 te leggen. Hiermee is sprake van een logische grens van de geluidzone in relatie tot het aangrenzende woongebied. Zowel de bestaande woningen als de nieuw te realiseren grondgebonden huurwoningen in het plangebied zijn buiten deze toekomstige geluidzone gelegen, waardoor voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder en daarmee ook kan worden gesteld dat aldaar sprake is en blijft van een acceptabel woon- en leefklimaat. Met onderhavig bestemmingsplan wordt voorzien in de planologisch-juridische aanpassing van deze geluidzone overeenkomst het voorstel tot wijziging. Tevens wordt gewaarborgt dat verder voldoende geluidruimte voor Canon beschikbaar blijft.

38

bestemmingsplan Hal 5

Wijziging geluidzone (rode acering)

Om hieraan ook feitelijk invulling te geven heeft Canon productions Printing Netherlands B.V. om een gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning mileu gevraagd. (zie tevens paragraaf 4.4).

4.3

Bodem

In het kader van een bestemmingswijziging dient (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van grondgebonden huurwoningen, wat een gevoelige functie is, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. De gebouwen van complex 5 zijn lange tijd in gebruik geweest voor de activiteiten voor de afdeling Asset Recovery van Canon waar gebruikte kopieerapparaten werden gereviseerd of werden ontmanteld voor hergebruik van onderdelen. Na de beëindiging van de activiteiten op deze locatie zijn in het verleden de volgende bodemonderzoeken uitgevoerd: 1. 2. 3.

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Complex 5, Rapportnummer BKK-6166 en 9277 dd. 18 februari 2010 Nader Asbest bodemonderzoek - Rapportnummer BKK- 9277 dd. 19 februari 2010 Nader Bodemonderzoek Complex 5 - Rapportnummer BKK-13275-5 dd. december 2013

bestemmingsplan Hal 5

39

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van een aantal deellocaties met bodemverontreiniging. Gezien de ouderdom van deze onderzoeken en de verstreken periode (2010-2021) is een actualiserend vooronderzoek (BKK bodemadvies, rapportnummer 210048.BKK, d.d. 16 september 2022, Bijlage 3 en Bijlage 4) uitgevoerd. In dit vooronderzoek worden de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan: In een deel van het oppervlak binnen de kadastrale percelen gemeente Venlo, Sectie A nummer 7731 (4.202 m2 in eigendom van Canon) en nummer 7732 (15.948 m2 in eigendom van Woonwenz) voldoet de kwaliteit van de bodem niet aan de kwaliteit horende bij de functie Wonen. Volgens de tekening in bijlage IIIc van het actualiserend onderzoek wordt de bestemming op perceel A-7731 Groen en Wegen en wordt de bestemming op perceel A-7732 Wonen. Over een oppervlakte van ongeveer 772 m2 dient de bodem in de bovenste meter gesaneerd te worden op basis van de Wet bodembescherming. Dit betreffen voornamelijk verontreinigingen van voor 1987. Een risicobeoordeling uitgevoerd in 2013 heeft aangetoond dat onder de functie Industrie de sanering niet-spoedeisend is. Indien de functie van de locatie wijzigt naar Wonen, dan wordt de bodemverontreiniging met PCB in het westen van de locatie (eigendom Canon) volgens de risicobeoordeling een spoedeisende sanering (binnen 4 jaar na vaststellen door bevoegd gezag).

Het geval van ernstige bodemverontreiniging onder de Wet bodembescherming kan met een saneringsplan na instemming van bevoegd gezag (gemeente Venlo) worden gesaneerd. Het wordt aanbevolen om de mogelijke saneringsvarianten vooraf met de gemeente Venlo te bespreken, waarbij de saneringsdoelstelling in ieder geval dient te voldoen aan de nieuwe functie wonen. Bij afvoer van grond zal deze ook op PFAS dienen te worden geanalyseerd. Hoewel de onderzoeken naar asbest in de bodem geen of verwaarloosbare concentraties asbest in de bodem hebben aangetoond, dient gerealiseerd te worden dat de aanwezigheid van asbest in de bodem zeer heterogeen verdeeld is. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is de bodem binnen Complex 5 onverdacht op het voorkomen van asbest. Onder de betonnen vloeren wordt zand met bijmengingen aangetroffen en vrijwel nergens is een puinlaag onder de betonnen vloer aanwezig. Indien dieper dan 4,5 m-mv gegraven moet worden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van grondwater. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met zink, cadmium, nikkel en VOCl. Een vooronderzoek bij bodemonderzoek betreft geen vooronderzoek naar eventuele archeologische waarden of de mogelijke aanwezigheid naar niet-gesprongen explosieven. Voor de aanvang van graafwerkzaamheden wordt geadviseerd hier aandacht aan te besteden.

Daarnaast is aanvullend op dit actualiserend vooronderzoek voor het meest noordelijk deel van het plangebied een verkennend bodem- en asfaltonderzoek (BKK Bodemadvies, rapoortnummer 210048.BKK, 4 mei 2022, Bijlage 5) uitgevoerd. Hierin is de kwaliteit van het asfalt, de funderingslaag en de bodem, inclusief de mogelijke aanwezigheid van asbest, milieutechnisch onderzocht.

Asfalt Conclusie: op basis van de resultaten van de PAK-detector en laagopbouw is vastgesteld dat het asfalt met een totale oppervlakte van 482 m2 als teerhoudend is beoordeeld. Dit wordt veroorzaakt door een teerhoudende oppervlaktebehandelingslaag (OB-laag). Omdat het asfalt slechts 44 mm dik is (bij kern 01 67 mm), is het niet haalbaar om de onderste 14 mm gescheiden af te voeren. Bij afvoer van het asfalt komt ongeveer 53-55 ton teerhoudend asfalt vrij. Aanbeveling: het teerhoudend asfalt komt niet in aanmerking voor hergebruik en dient te worden afgevoerd naar een erkend acceptant.

40

bestemmingsplan Hal 5

Asbest Conclusie: bij de uitvoering van de proefgaten zijn in de funderings- en bodemlagen geen asbestverdachte (plaat)materialen in het opgeboorde materiaal (grove fractie, > 20 mm) aangetroffen. Analytisch onderzoek heeft aangetoond dat er ook in de puinhoudende zandlaag onder het schelpenpad in de fijne fractie (< 20 mm) geen asbest aanwezig is. Ook in de baksteenfundering is geen sprake van een verontreiniging met asbest. De hypothese ‘asbestverdacht’ wordt voor de funderingslagen verworpen. De onderliggende bodem en de bodem in het plantsoen zijn op basis van het vooronderzoek en de visuele waarnemingen asbestonverdacht. Aanbeveling: niet van toepassing.

Funderingsmateriaal Conclusie: onder het asfalt van de oude weg bevindt zich een baksteenhoudende funderingslaag. In deze baksteenhoudende funderingslaag wordt, met betrekking tot de organische parameters, de maximale samenstellingswaarde voor PAK in bouwstoffen overschreden. Uit de resultaten van de uitloogtesten blijkt dat de “geforceerde” uitloging van de zware metalen en de 4 anionen (indicatief) de maximale emissiewaarden voor een Niet vormgegeven bouwstof niet overschrijden. Vanwege de hoge PAK-concentratie voldoet het baksteenhoudende funderingslaag (indicatief) niet aan de eisen voor een Niet-Vormgegeven bouwstof en ook niet aan de eisen voor een IBC-bouwstof. Aanbeveling: de baksteenfundering onder het asfalt voldoet indien indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit niet aan de norm voor een Niet-Vormgegeven bouwstof of IBC-bouwstof. Bij afvoer naar een acceptant of verwerker wordt geadviseerd de resultaten van dit indicatieve onderzoek toe te voegen.

Bodem Deellocatie: bodem onder asfaltweg Conclusie: in het visueel schoon zand onder de baksteenfundering tot 2 m-mv zijn geen verontreinigingen aangetoond. Hier is volgens de Regeling bodemkwaliteit indicatief sprake van de klasse Achtergrondwaarde (Altijd Toepasbaar). Aanbeveling: niet van toepassing

Deellocatie: Plantsoen met wandelpad en wadi's Conclusie: de schelpenlaag in het wandelpad is licht verontreinigd met kobalt en minerale olie. Indicatief als grond getoetst is de schelpenlaag volgens de Regeling bodemkwaliteit Niet-Toepasbaar, omdat de concentratie minerale olie de normwaarde voor de klasse Industrie overschrijdt. De zandlaag onder het schelpenpad, met een matige puinbijmenging, is licht verontreinigd met minerale olie, kobalt, nikkel en PAK. Deze zandlaag voldoet indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit aan de bodemkwaliteitsklasse Industrie, mede door de aanwezigheid van minerale olie in het mengmonster. De bovengrond in het plantsoen is licht verontreinigd met PCB, zink, kwik, lood en PAK. De bovengrond in het plantsoen voldoet indicatief aan de kwaliteitsklasse Industrie. Deze kwaliteit komt overeen met die van de bovengrond op andere percelen in de omgeving. In de ondergrond in het plantsoen zijn geen verontreinigingen aangetoond. Hier is volgens de Regeling bodemkwaliteit indicatief sprake van de klasse Achtergrondwaarde (Altijd Toepasbaar).

bestemmingsplan Hal 5

41

Aanbeveling: in de schelpenlaag is een verontreiniging met minerale olie aangetoond, welke volgens de Regeling bodemkwaliteit indicatief als Niet Toepasbaar is beoordeeld. Bij het bouwrijp maken van de onderzoekslocatie voor de toekomstige nieuwbouw, dient het materiaal te worden afgevoerd naar een erkend verwerker/acceptant. Het schelpenpad heeft een oppervlakte van 80 m2 en de schelpenlaag is 10 cm dik. Hiermee bedraagt het volume af te voeren schelpenlaag 8 m3. De overige aangetoonde lichte verontreinigingen met zware metalen, PCB, minerale olie en/of PAK vormen geen belemmeringen voor de voorgenomen graafwerkzaamheden voor de voorgenomen graafwerkzaamheden in het kader van de herinrichting van het terrein. Een relatie met de aanwezige sterk verontreinigde grond binnen de locatie complex 5 aan de Rummerkampstraat 32 kan op basis van deze lichte verontreinigingen niet worden gelegd. De aangetoonde verontreinigingen met zware metalen, PCB, minerale olie en/of PAK zijn oppervlakkig (in de bovengrond) aanwezig en ook in de directe omgeving (Zoutmetersstraat en de Schutroestraat) aangetoond. Voor het elders toepassen van de boven- en ondergrond die vrijkomen bij graafwerkzaamheden zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief is hier wisselend sprake van klasse Achtergrondwaarde en klasse Industrie.

Met voorliggende resultaten kan deze vrijkomende grond worden aangeboden aan een BRL 9335 erkende acceptant. Bij terugplaatsing van grond tijdens werkzaamheden dient bovengrond en ondergrond gescheiden te worden ontgraven en teruggeplaatst.

Veiligheidsklasse Aan de hand van de berekeningssystematiek uit de CROW-publicatie 400 blijkt dat er voor de graafwerkzaamheden in de boven- en ondergrond geen veiligheidsklasse van toepassing is. Er geldt basis hygiëne. Voor de Niet Toepasbare schelpenlaag geldt eveneens geen veiligheidsklasse aangezien het gehalte minerale olie < 2.250 mg/kgds (GSSD) bedraagt.

Op basis van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt het volgende vervolg voorgesteld: Het geval van ernstige bodemverontreiniging onder de Wet bodembescherming zal met een saneringsplan na instemming van bevoegd gezag (gemeente Venlo) worden gesaneerd. Het wordt aanbevolen om de mogelijke saneringsvarianten vooraf met de gemeente Venlo te bespreken. Het saneringsplan dient nog te worden opgesteld. Voor de locatie zal een PFAS-onderzoek nog moeten worden uitgevoerd. Dit PFAS-onderzoek kan deel uitmaken van het nog op te stellen saneringsplan. Met name dient voor de afvoer van de sterk verontreinigde grond naar een erkend acceptant vooraf bekend te zijn in welke mate PFAS voorkomt in deze sterk verontreinigde grond. Er is verder geen bewijs van een uitgevoerde tanksanering voor de ondergrondse tank. Er dient te worden uitgegaan dat de tank nog aanwezig is, en dat deze tijdens de sloop van het gebouw 5B zal worden blootgelegd. Een tanksanering dient op dat moment voor deze tank plaats te vinden door een erkend tanksaneringsbedrijf. Verder zal in het nog nader op te stellen saneringsplan worden opgenomen op welke wijze de eindcontrole gaat plaatsvinden, opdat wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit na sloop en na saneren voldoet aan de wettelijke normen voor de bodemfunctie Wonen.

42

bestemmingsplan Hal 5

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren. De beoogde woningbouw vormt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van de grondgebonden huurwoningen is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Ten westen van het plangebied is op een afstand van 15 meter een bedrijventerrein gelegen. Het bedrijventerrein behoort tot de bedrijfslocatie van Canon en is momenteel (nog) in gebruik, met uitzondering van het plangebied. Hiervoor is d.d. 10 november 2021 de vergunning ingetrokken (zaaknummer gemeente 2021-1342). Dit bedrijfsmatig gebruik van de bedrijfslocatie van Canon is planologisch ook toegestaan. Op de bedrijfslocatie van Canon zijn bedrijven toegestaan in de categorieën 1 t/m 3, met een maximale indicatieve hindercontour van 100 meter. Dit betekent dat er in de toekomst eventueel ook andere bedrijven zich hier kunnen vestigen. De omgeving van het plangebied is te karakteriseren als een gemengd gebied, waar zowel bedrijvigheid als burgerwoningen voorkomen, waardoor geen sprake is van een rustige woonwijk.

De feitelijke activiteiten van Canon kunnen worden geschaard onder de categorie 'fotochemische produktenfabrieken', zoals opgenomen in de VNG-lijst. Voor deze categorie geldt milieucategorie 3.2, met een aanbevolen afstand van 100 meter (geluid maatgevend), maar omdat het gezien mag worden als een gemengd gebied kan de afstand met één trede verlaagd worden tot 50 meter. Echter, in onderhavige situatie worden de gronden van het plangebied met de bestemming 'Bedrijventerrein' verkocht aan woningcorporatie Woonwenz. In dat kader zijn de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied beëindigd, worden de opstallen en gronden overgedragen aan Woonwenz en is de milieuvergunning ingetrokken voor deze locatie c.q. het plangebied. Om het woon- en leefklimaat van de nieuwe grondgebonden huurwoningen te waarborgen wordt teven de geluidzone van het gezoneerde bedrijventerrein zodanig aangepast dat deze niet (meer) ter plaatse van de te realiseren woning is gelegen en voldaan wordt aan de richtafstand van 50 meter. De geluidzone kan op basis van de bestaande bedrijfsactiviteiten van Canon aan de overzijde van de Genooyerbergen zodanig aangepast worden dat deze nog maar deels over het plangebied is gelegen. Dit gedeelte maakt onderdeel uit van de groenverbinding noord-zuid en fungeert daarmee tevens als bufferzone tussen het bedrijventerrein van Canon en de beoogde grondgebonden huurwoningen.

Hiermee wordt enerzijds het woon- en leefklimaat van de grondgebonden huurwoningen gewaarborgd en anderzijds wordt Canon niet in haar bedrijfsactiviteiten

bestemmingsplan Hal 5

43

belemmerd. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen andere bedrijven gelegen welke belemmerd kunnen worden in hun bedrijfsvoering. Het bestemmingsplan voorziet derhalve tevens in de herbegrenzing van de geluidzone, waarbij de eigendomsverhouding hierop afgestemd worden. Dit houdt in dat de gronden binnen de nieuwe geluidzone in eigendom van Canon blijven en bestemd worden als 'Groen' dan wel 'Verkeer'.

44

bestemmingsplan Hal 5

Nieuwe eigendomssituatie en nieuwe geluidzone

4.5

Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden teniet gedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

bestemmingsplan Hal 5

45

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm Woningen (maximaal) 1.500 Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Aangezien voorliggend plan ziet op een ontwikkeling van 68 grondgebonden huurwoningen wordt hiermee ruimschoots gebleven onder de aantallen, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’ (< 1.500 woningen). De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Daarbij kent Venlo geen knelpunten voor wat betreft de heersende achtergrondconcentraties (NO2, PM10 en PM2,5). Een goed woon- en leefklimaat is voor het aspect luchtkwaliteit dan ook gewaarborgd.

4.6

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het besluitgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeente Venlo heeft in het Beleidsplan externe veiligheid 2012 - 2015 een toetsingskader opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebied van transportassen. Ondanks het verstrijken van de termijn van het beleidsplan, is het toetsingskader bruikbaar bij voorliggende planontwikkeling.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een

46

bestemmingsplan Hal 5

bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist.

Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.

Uitsnede Risicokaart plangebied ter hoogte van blauwe stip

Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 940 meter één risicovolle inrichting, namelijk Bodycote Netherlands Holding B.V. aan de Groethofstraat 27. Het betreft hier opslagtanks voor

bestemmingsplan Hal 5

47

ammoniak en een ondergrondse opslagvoorziening voor methanol. Hiervoor gelden PR risicoafstanden van 7 meter en 0 meter. Het plangebied bevindt zich op ruime afstand van de plaatsgebonden risicocontour.Het plangebied is eveneens niet gelegen in het invloedsgebied van deze risicovolle inrichting van wege de ruime afstand. Derhalve is deze inrichting niet relevant. Op ongeveer 2.000 meter ligt Broekman Logistics. Dit is een Brzo-inrichting met een invloedsgebied dat over het plangebied ligt. Deze inrichting is relevant in het kader van een verantwoording van het groepsrisico.

Risicovol transport over de weg In de directe omgeving van het besluitgebied komt risicovol transport over de weg voor. Het betreft de N271 (Nijmeegseweg). Deze weg heeft een PR 10-6 contour van 0 meter. De overschrijdingsfactor van het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van 355 meter (op basis van stofcategorie GF3) van deze weg. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Daarnaast ligt op ongeveer 1.800 meter ten oosten van het plangebied de rijksweg A67. Deze rijksweg heeft een invloedsgebied van 4.000 meter ((op basis van stofcategorie GT4). Het plangebied ligt hier binnen, waardoor verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is.

Risicovol transport over het water Over de Maas vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen het definitief ontwerp Basisnet Water is de Maas aangewezen als een categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Uit onderzoek is echter gebleken dat er op de Maas nog veel ruimte is voor de groei van transport van gevaarlijke stoffen voordat er een externe veiligheidsknelpunt ontstaat. Dit betekent dat er nu en in de toekomst (tot 2030) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ontwikkeling langs de vaarwegen nauwelijks beperkingen zijn. Wel zijn er een aantal veiligheidszones voor de ruimtelijke ordening ingesteld. Het plangebied is gelegen op circa 600 meter ten oosten van de Maas. Uit het Basisnet Water blijkt dat de 10-6 contour van de Maas niet tot buiten de oeverlijn van de rivier reikt. De Maas heeft wel een invloedsgebied van 1.070 meter (op basis van stofcategorie GT3). Het gehele plangebied ligt hier binnen. Een nadere motivatie van het groepsrisico is dan ook vereist.

Risicovol transport over het spoor Het plangebied is volgens de risicokaart niet gelegen binnen de directe omgeving van het spoor. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de Bevi-inrichting spooremplacement Venlo. De afstand tussen het plangebied en dit terrein van ProRail bedraagt ruim 2 kilometer (2.000 meter). De PR-contour van dit emplacement reikt niet veel verder dan de omliggende wegen en ligt daarmee op ruime afstand van onderhavig plangebied. Het invloedsgebied van het emplacement bedraagt 995 meter (op basis van stofcategorie B2). Het plangebied is derhalve niet gelegen in het invloedsgebied van deze risicovolle inrichting van wege de ruime afstand. Derhalve is deze inrichting niet relevant.

Risicovolle buisleidingen Op ongeveer 900 meter ten noorden van het plangebied ligt een buisleiding (hogedruk aargasleiding Z-513-07 van de Gasunie). Echter, deze buisleiding is niet relevant omdat het invloedsgebied niet over het plangebied ligt. .

48

bestemmingsplan Hal 5

Gevolg planvoornemen De locatie ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour. Het plangebied ligt wel binnen het invloedgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Maas, de rijksweg A67 en de N271, alsmede binnen het invloedsgebied van het risicovol object Broekman Logistics. Echter, voor alle vier de risicobronnen geldt dat een beperkte verantwoording volstaat omdat alle risicobronnen op meer dan 200 meter van het plangebied liggen. Voor risicobronnen op meer dan 200 meter van het plangebied heeft de gemeente Venlo een standaard verantwoording groepsrisico. Deze is hierna weergegeven.

Verantwoording groepsrisico Indien een ruimtelijk plan binnen het invloedsgebied, maar op een afstand van meer dan 200 meter van de betreffende transportas tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dit dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: 4. 5. 6.

de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.

Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelinginstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert.

bestemmingsplan Hal 5

49

Advies veiligheidsregio Door de Veiligheidsregio Limburg-Noord is advies (d.d. 24 januari 2022) gegeven. Zie paragraaf 8.3 en Bijlage 16.

4.7

Kabels en leidingen

Het plangebied is niet gelegen binnen een zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels die planologisch bescherming behoeven. Wel liggen in het straatprofiel van de aangrenzende wegen de gebruikelijke leidingen voor gas, water, telefonie/internet en electra.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

4.8.1 Algemeen In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de Europese Unie, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ (ter plekke) bewaard moeten blijven. Er dient te worden nagestreefd om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ (elders) worden bewaard.

Het Verdrag van Valletta is via de Wet op de archeologische monumentenzorg doorvertaald in met name de Monumentenwet 1988, welke aangeeft dat de gemeente bevoegd gezag is op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Het beleid van de provincie Limburg, zoals deze is geventileerd in het POL, sluit hier nauw bij aan. Het POL benadrukt dat archeologische waarden planologisch behouden en beschermd moeten worden, maar streeft ook naar het creëren van condities voor inspectie en beheer. Bovendien legt het niet zozeer de nadruk op geïsoleerde archeologische waarden, maar op waarden als onderdeel van een groter geheel.

50

bestemmingsplan Hal 5

Uitsnede archeologische beleidskaart Venlo plangebied blauw omkaderd 4.8.2 Archeologie Onderhavig plangebied is op de archeologische beleidskaart (ABK) van de gemeente Venlo gesitueerd in een 'zone met een hoge of middelhoge archeologische verwachting'. volgens de Archeologische Beleidskaart Venlo 2015. Het bestemmingsplan uit 2008 is op dit aspect achterhaald en is daarin niet leidend. Vanwege de aanwezige bebouwing bestaat de kans dat het plangebied volledig verstoord is. Om dit te onderzoeken is een bureauonderzoek (waarin onder andere de aanwezige kelders worden geïnventariseerd) met verkennende boringen de beste methode om dit te controleren. In het kader van deze ontwikkeling is een archeologisch bureauonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 16608.002, d.d. 3 maart 2022, Bijlage 6) uitgevoerd. Hieruit is het volgende gebleken.

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek heeft het plangebied en lage gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum, een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum en de Bronstijd en een hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum en de IJzertijd tot en met Nieuwe tijd.

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied voor het overgrote deel matig tot sterk verstoord is. De bodemverstoringen in het plangebied zijn vermoedelijk ontstaan door de voormalige ontginning van het plangebied en de latere bebouwing met fabriekshallen. Op basis van de groot-schalige aangetroffen

bestemmingsplan Hal 5

51

bodemverstoringen in het plangebied kan de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden.

Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven.

Besluit Het advies om het plangebied archeologisch vrij te geven wordt door de gemeente overgenomen bij wijze van selectiebesluit. Dit gezien de bij het booronderzoek geconstateerde bodemverstoring. Dit is waarschijnlijk met name te wijten aan de bouw van de bestaande (en te slopen) bebouwing. Archeologisch vrijgave betekent dat het aspect archeologie geen verdere rol meer speelt en dat er geen arcehologische dubbelbestemming aan het plangebied hoeft te worden toegekend. 4.8.3 Cultuurhistorisch De huidige bebouwing betreft één van de oudste nog bestaande delen van Océ, thans Canon. Een deel van de bebouwing is daarom op de cultuurhistorische inventarisatiekaart Venlo als 'beeldbepalend' aangemerkt. Door de gemeente is echter aangeven dat er kan worden ingestemd mt de sloop van de bebouwing als er een verwijzing naar het Océ-tijdperk in het plan wordt opgenomen. In overleg met de gemeente zal bezien worden op welke wijze hier nader invulling wordt gegeven binnen de openbare ruimte van het planvoornemen. Onder de bebouwing is één van de vier in 1939 aangelegde schuilkelders in de gemeente Venlo aanwezig. Deze is nog gaaf bewaard. Reeds verschillende malen is, onder andere vanuit de wijk Genooi, aandacht voor dit object gevraagd. De kelder dient dan ook behouden te blijven en wordt geïntegreerd in het planvoornemen.

In dat kader is als onderdeel afgesproken dat deze schuilkelder na sloop van de bebouwing over gedragen wordt aan de gemeente zodat deze zelf kan zorgdragen voor het behoud en de aankleding. Hiermee wordt voor zowel het océ-tijdperk en de schuilkelder op een verantwoorde wijze invulling gegeven aan het aspect cultuurhistorie.

4.9

Flora en Fauna

4.9.1 Inleiding Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. 4.9.2 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.

52

bestemmingsplan Hal 5

De belangrijkste beschermingszones zijn Natura2000-gebieden. Onderhavig plangebied valt vanwege de ligging binnen bebouwd gebied niet binnen één van de Natura2000-gebieden. De dichtsbij gelegen gebieden betreffen het in Duitsland gelegen vogelrichtlijngebied 'Schwalm-Nette-Platte' op een afstand van 3,5 km en het ten noorden van Venlo gelegen Maasduinen op een afstand van 5,4 km.

Uitsnede omliggende natura 2000 gebieden plangebied bij rode ster 4.9.3 Stikstof De uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 heeft bepaald dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten in het kader van de Wnb en dat de “standaard grenswaarde” uit het PAS niet meer gebruikt mag worden. Dit houdt in dat voor planologische procedures en bij de verlening van een omgevingsvergunning een stikstofbeoordeling en, afhankelijk van een stikstofberekening en/of voortoets, mogelijk ook een vergunning Wet natuurbescherming nodig is. Voor elke toename in stikstofneerslag boven de 0,00 mol/ha/jaar, hoe klein dan ook, is een onderbouwing nodig. Na de PAS uitspraak van mei 2019 werd er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan was de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel. Met deze wet werd voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet werd op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 trad de wet in werking. Onderdeel van deze wet was een partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten van de natuurvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb, opgenomen in artikel 2.9a Wnb.

Hierin waren de tijdelijke bouwactiviteiten generiek vrijgesteld van beoordeling en was voor plannen en projecten enkel een beoordeling van de permanente gebruikseffecten aan de orde.

bestemmingsplan Hal 5

53

Op 2 november 2022 is door de Raad van State uitspraak gedaan in de zaak betreffende het ondergrondse CO2 -opslagproject Porthos waarin de vrijstelling van deze bouwactiviteiten ter beoordeling voor lag. Het college heeft geoordeeld dat de stikstof die in de bouwfase vrijkomt niet buiten beschouwing mag worden gelaten. Concreet betekent dit dat de bouwvrijstelling geschrapt is en de juridische situatie teruggedraaid is naar het wettelijk kader vóór 1 juli 2021. Dit houdt in dat voor alle plannen en projecten zowel de tijdelijke bouwfase alsook de permanente gebruiksfase beoordeeld dient te worden. Stikstofemissie Op basis van deze bouwplannen zijn ten aanzien van het aspect stikstof verschillende fasen te onderscheiden: Bestaande gebruiksfase: effecten ten aanzien van huidige gebruik; Realisatiefase: tijdelijke effecten ten gevolge van sloop-, bouw- en aanlegactiviteiten; Gebruiksfase: effecten voor onbepaalde tijd na ingebruikname van de nieuwbouw. Navolgend worden de stikstofrelevante activiteiten per fase beschreven. Daarbij is in eerste instantie de emissie als gevolg van het planvoornemen in kaart gebracht. Dat wil zeggen de emissie die aan de orde is in de realisatie en de nieuwe gebruiksfase. Indien de emissie van stikstof in deze fases niet leidt tot een significante toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden (d.w.z.

een toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar), dan kan het planvoornemen doorgang vinden zonder vergunningsplicht ten aanzien van de Wet natuurbescherming. Indien er door het planvoornemen wel een toename in de stikstofdepositie ontstaat op nabijgelegen Natura 2000 gebieden, dan kan er worden gekeken naar deze toename ten opzichte van de stikstofemissie in de huidige situatie. Er wordt dan een verschilberekening gemaakt tussen het huidige gebruik en de stikstofemissies in de realisatiefase en nieuwe gebruiksfase. Mogelijk leidt dit per saldo niet tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Dit is het zogenaamde intern salderen: indien een planvoornemen per saldo (ten opzichte van het huidige, legale en feitelijke gebruik) niet leidt tot een overschrijding (intern salderen) dan is er sinds de Logtsebaan uitspraak (zie uitspraak ECLI:NL:RVS:2021:71) geen noodzaak meer tot een ontheffing in het kader van de Wnb. Bepalen van de referentiesituatie Een belangrijk aspect, zo niet het belangrijkste aspect, bij intern salderen is het bepalen van de referentiesituatie: het stikstofemissieniveau waartegen het nieuwe emissieniveau mag worden afgezet. Hierbij is het van belang allereerst te bepalen of er sprake is van de plan- danwel projecttoets. In de Wet Natuurbescherming wordt er onderscheidt gemaakt tussen een project en plan.

Binnen de Wnb-wet is een project een handeling die leidt tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000-gebied en waarvoor een passende beoordeling opgesteld dient te worden. Hierbij wordt het project beoordeeld op zijn effecten, het zijnde de specifieke handeling waarvoor een vergunning vereist is, bijvoorbeeld een bouwvergunning. De referentiesituatie die geldt bij een (eventuele) natuurvergunning (een project) bestaat uit: Een vigerende vergunning die verleend is op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) of diens voorloper (Natuurbeschermingswet 1998, Nbwet); Een vigerende omgevingsvergunning die verleend is op basis van de Wabo met een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) op grond van de Wnb of Nbwet; Een toestemming op de Europese referentiedatum. Voor bedrijven geldt dat, als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt (bijvoorbeeld via een latere omgevingsvergunning), dan die lagere depositie als referentiesituatie geldt. Bij een plan, bijvoorbeeld een bestemmingsplan, is dat anders. Een bestemmingsplan is kaderstellend. Daarbij moeten alle potentiële activiteiten worden beoordeeld die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit betreft dus een cumulatieve doorrekening van de effecten. Daarbij moeten ook eventuele binnenplanse mogelijkheden worden meegewogen.

Het verschil tussen de plan- en de projecttoets heeft niet alleen gevolgen

54

bestemmingsplan Hal 5

voor de beoordeling van de effecten, maar ook voor het bepalen van de referentiesituatie. Van belang daarbij is dat er bij een plan (zoals een bestemmingsplan of omgevingsplan) een andere referentiesituatie geldt dan bij de natuurvergunning. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt de feitelijke en planologisch legale situatie (ten tijde van de vaststelling van het plan c.q. op een eerder moment dat kan worden gemotiveerd vanuit de beoordeling) als referentiesituatie bij de toetsing van een plan aan de Wet natuurbescherming. Het besluit waarop deze beoordeling betrekking heeft betreft een bestemmingsplan. Er is daarmee sprake van een plan. In dit geval geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling de feitelijke en planologisch legale situatie (ten tijde van de vaststelling van het plan c.q. op een eerder moment dat kan worden gemotiveerd vanuit de beoordeling) als referentiesituatie bij de toetsing van een plan aan de Wet natuurbescherming. In de huidige situatie is er een bedrijfshal gelegen binnen het plangebied. Deze bedrijfshal is ook toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Inschatting van emissies planvoornemen Om op basis van de Aerius calculator te komen tot een analyse van effecten van het planvoornemen zal er een inschatting dienen te worden gemaakt van de emissies per fase.

Onderstaand zijn op basis van de huidige plangegevens de emissiebronnen per fase inzichtelijk gemaakt. Huidige gebruiksfase Emissies ten aanzien van gasgestookte bedrijfshal; Emissies ten aanzien van verkeersgeneratie Realisatiefase : Emissies ten aanzien van inzet mobiele werktuigen bij sloop en realisatie nieuwbouw; Nieuwe gebruiksfase Emissies ten aanzien van verkeersgeneratie nieuwe functie; Geen stookemissies, want gasloos gebouwd. Huidige gebruiksfase – stookemissies en verkeer Momenteel is er op de planlocatie een bedrijfshal gelegen. Op basis van het TNO rapport 'Het besparingspotentieel bij bedrijfshallen in de dienstensector' (feb. 2022) is het gemiddelde gasverbruik van bedrijshallen zonder koeling van voor 1992 4,5 m3 /m2 . Op basis van de BAG gegevens omvat de bedrijfshal een oppervlakte van 17.675 m2 met een bouwjaar van 1950. Daarmee komt het totale gasverbruik neer op ca. 79.538 m3 . Het jaarlijks gasverbruik kan worden omgezet naar emissies in NOx op basis van de Infomil publicatie L40, Handleiding meten van luchtemissie'. Hieronder is de input voor deze berekening weergegeven:

bestemmingsplan Hal 5

55

Het gasverbruik wordt in de regel voor een dergelijke berekening uitgedrukt in Nomaal kubieke meter, dit is het volume aardgas onder normale omstandigheden. Bij een gasverbruik van 79.538 m3 is dat 83.886 Normaal kubieke meter (Nm3 ). Op basis van de formule kan met een dergelijk verbruik het droog rookgasdebiet worden uitgerekend, zijnde 743.789 Nm3 / jaar. Een dergelijk debiet correspondeert volgens de formule met een jaarlijkse emissie van 52,07 kg NOx. Daarnaast genereert de bedrijfshal op basis van CROW gegevens, voor de categorie bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) op basis een rest bebouwde komlocatie in sterk stedelijk gebied een verkeersgeneratie van 5,3 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO. Op basis van de omvang van de hal geldt daarmee en verkeersgeneratie van 937 verkeersbewegingen per etmaal. Realisatiefase Het planvoornemen bestaat uit het slopen van de bestaande bedrijfshal en de realisatie van 68 grondgebonden woningen. Op dit moment is de inzet van mobiele werktuigen nog niet bekend. Derhalve wordt aangesloten bij kengetallen. Ten aanzien van de bouw van woningen is door het Rijk in de Handreiking woningbouw en Aerius de emissies tijdens de bouwfase ingeschat op 3 kg NOx/jaar per woning. Daarmee genereert de bouwfase een totale emissie van 204 kg NOx. Ten aanzien van de sloop zijn geen kengetallen bekend.

Er wordt worst-case aangenomen dat de sloop circa de helft van de emissies ten tijde van de bouwfase omvat, zijnde 102 kg NOx. Er wordt uitgegaan dat de sloop en de bouw in afzonderlijke jaren plaatsvinden. Daarnaast geldt dat er tijdens de sloop en de bouw sprake is van verkeersbewegingen. Om het aantal verkeersbewegingen voor de sloopfase in te schatten is het maximaal sloopvolume bepaald. Op basis van de BAG gegevens omvat de bedrijfshal een oppervlakte van 17.675 m2 . Bij een bouwhoogte van 8 meter genereert

56

bestemmingsplan Hal 5

dit een totaal te slopen volume van 141.400 m3 . Er wordt aangenomen dat de sloopfractie 10% van het bouwvolume omvat en dat de puinfractie gelijk is aan de sloopfractie. Daarmee dient er ca. 14.140 m3 puin afgevoerd te worden. Op basis van het soortelijk gewicht van beton (2400 kg/ m3 ) leidt dat tot 33.936 ton puin. Daarnaast wordt nog gerekend met overig puin (halfverharding vloer etc.) van ca. 15.000 ton. In totaal dient er derhalve 48.936 ton afgevoerd te worden. Op basis van een gemiddeld laadvermogen van een vrachtwagen van 25 ton, komt dat neer op 1958 vrachtwagens, zijnde 3916 vrachtwagen bewegingen. Er wordt daarnaast aangenomen dat er worst-case ook nog 500 lichte verkeersbewegingen aan de orde zijn. Voor de bouwfase wordt uitgegaan van 1000 zware verkeersbewegingen, 750 lichte en 250 middelzware verkeersbewegingen. Gebruiksfase Ten gevolge van de realisatie van maximaal 68 grondgebonden huurwoningen neemt het aantal verkeersbewegingen binnen en rondom het plangebied in geringe mate toe. Op basis van de CROW normen geldt een maximale norm van 5.3 bewegingen per woning per etmaal voor een huur, huis, sociale huur gelegen in een sterk stedelijk gebied in de rest bebouwde kom. De totale extra verkeersbewegingen komt hiermee neer op 360.4 verkeersbewegingen per etmaal.

Verschilberekeningen Op basis van de constateringen in de voorgaande paragrafen kan nu een verschilberekening worden gemaakt tussen enerzijds de emissies ten tijde van het gebruik als referentie en de emissies ten tijde van de realisatie (verdeeld over twee jaren: sloop en bouw) en beoogde gebruiksfase. Deze emissies zijn ingevoerd in de Aerius calculator en de effecten zijn met elkaar vergeleken. Uit de berekening blijkt dat er per saldo geen stikstofeffect optreedt voor de omliggende Natura 2000 gebieden, voor zowel de sloop- bouw als de gebruiksfase zie Bijlage 7, Bijlage 8 en Bijlage 9. Omdat er onzekerheid is over de af te voeren hoeveelheid puin, is er ter controle ook nog een berekening uitgevoerd met een onrealistisch hoog aantal zware verkeersbewegingen in de sloopfase: 25.000 verkeersbewegingen (ruim 6x zo veel dan in het huidige scenario). Zelfs bij deze hoeveelheid verkeer is er geen sprake van een overschrijding van de 0,00 mol/ha/jaar norm (Bijlage 10). Significant negatieve effecten voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000 gebied zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Er is geen ontheffing noodzakelijk in het kader van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat op basis van een worst case scenario doorrekening significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden indien daarbij gebruik wordt gemaakt van interne saldering op basis van het huidige gebruik. Dit houdt in dat de realisatiefase is vrijgesteld en een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde is. 4.9.4 Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn Gedeputeerde Staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing F&F op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.

bestemmingsplan Hal 5

57

4.9.5 Zorgplicht Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.

Resultaten onderzoek Uit het onderzoek in 2015 (Arcadis, d.d. 15 februari 2017, Bijlage 11) zijn de functies fourageergebied, zomerverblijfplaats en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Er zijn geen kraamverblijfplaatsen aangetroffen. Rondom de bebouwing en in het aangrenzende groen wordt gefourageerd door dieren die afkomstig zijn uit de lokale verblijfplaatsen. Aan de noordzijde van het complex c.q. plangebied is een zomerverblijf van ongeveer 10 indivduen aangetroffen. Daarnaast zijn nog een drietal zomerverblijfplaatsen van 1 a 2 individuen vastgesteld. Er zijn 4 baltsplaatsen waargenomen, die overlappen met de zomerverblijfplaatsen. Deze worden naar verwachting tevens benut als winterverblijf, maar alleen door enkele individuen per verblijfplaats en enkel bij temperaturen boven het vriespunt, wegens de ongeschiktheid van het pand bij lagere temperaturen door het ontbreken van verwarming en nkel verblijfmogelijkheden in de buitenste schuil van het gebouw. In 2015 is naast de gewone dwergvleermuis ook de steenmarter in het gebouwcomplex aangetroffen. Er is een verblijfplaats van 1 a 2 dieren in het te slopen complex. Een voortplantingsplaats is niet volledig uitgesloten. Een voortplantingsplaats is niet volledig uitgesloten. Op basis van uitwerpselen wordt aangenomen dat het dier aanwezig is in meerdere delen van het complex.

Voor de steenmarter geldt een (gedeeltelijke) vrijstelling, voor deze soort wordt geen ontheffing aangevraagd. Omdat het onderzoek uit 2015 al 6 jaar oud is, is een actualisatie uitgevoerd. Ten aanzien van vleermuizen kan op basis van de eerste resultaten het volgende worden gesteld. De resultaten van het onderzoek van 2021 bevestigen die van 2015, althans voor wat betreft het voorkomen van paarplaatsen. Gezien de waargenomen vleermuisactiviteit, is het aannemelijk dat er, net als in 2015, ook zomerverblijfplaatsen aanwezig zijn. Daarnaast konden bij het ecologisch veldonderzoek geen nestplaatsen worden vastgesteld van de gierzwaluw en huismus, twee soorten die op basis van de quickscan zijn meegenomen in het vervolgonderzoek. De Provincie Limburg heeft in december 2017 met de Beleidsregels passieve soortenbescherming ook boerenzwaluw en huiszwaluw op de lijst van vogels met een jaarrond beschermd nest geplaatst. Het zijn net als gierzwaluw en huismus soorten die afhankelijk zijn van bebouwing. Dit geldt overigens ook van nog vier andere soorten die eveneens op deze lijst staan, namelijk bosuil, grote gele kwikstaart, ooievaar en slechtvalk. Maar voor deze vier soorten geldt dat de vereiste biotopen zeker niet aanwezig zijn in de onderhavige woonwijk. Bij het ecologisch veldonderzoek zijn boerenzwaluw en huiszwaluw evenmin waargenomen.

Activiteitenplan Op basis van de bevindingen c.q. resultaten van de actualisatie is een activiteitenplan (FF advies, rapportnummer R202129-B, d.d. 24 mei 2022, Bijlage 12) voor de sloop opgesteld. In dit plan zijn de mitgerende en compenserende maatregelen benoemd. De mitigerende maatregelen betreffen: Werkzaamheden worden in ruimte en tijd gefaseerd in afstemming met de ecoloog. De werkzaamheden vinden in principe plaats in de minst gevoelige periode, in overleg met de ecoloog. Voorafgaand aan en tijdens sloopwerkzaamheden wordt er zorg voor gedragen dat vleermuizen weg kunnen komen. Tijdig voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden worden de verblijfplaatsen ongeschikt gemaakt,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/116/documents/5441