052 bijl1 vaststelling BP Hal 5 Toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
58
bestemmingsplan Hal 5
namelijk minimaal 3 dagen (met avondtemperaturen boven 10°C), door het creëren van zodanige openingen dat er voldoende tocht is om terugkeer van vleermuizen te ontmoedigen. De vleermuisverblijfplaatsen worden de week vóór aanvang van het werk gecontroleerd op uit- of invliegende dieren. Bij aanwezigheid van vleermuizen worden op advies van de ecoloog passende maatregelen getroffen om verstoring van individuen te voorkomen. De compenserende maatregelen, in aanvulling op de mitigerende maatregelen betreffen: Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden wordt er zorg voor gedragen dat voor de gewone dwergvleermuis permanente alternatieve verblijfplaatsen zijn gerealiseerd. Daarmee blijft het aanbod aan verblijfplaatsen in de directe omgeving van de te slopen bebouwing gelijk. Er is direct geïnvesteerd in permanente maatregelen, te weten 3 groot formaat gemetselde vleermuisverblijfplaatsen in het aangrenzende, te behouden fabriekspand. Deze zijn gebouwd in de winter van 2015/2016. De schoorstenen verblijfplaatsen zijn in februari 2016 gerealiseerd, zie onderstaande foto. De betonnen en stenen massa in combinatie met de wegkruipplekken en de houtvezel en houten binnen afwerking biedt een stabiel klimaat ook bij lage buitentemperaturen onder het vriespunt. De voorzieningen zijn derhalve ook geschikt als winterverblijf voor de gewone dwergvleermuis.
Er zijn meer dan 15 openingen naar open spouwen in muurdelen in h et te behouden fabrieksgebouw gemaakt, zie de foto’s in de natuurtoets van Arcadis, pag. 14 en 15.
Compenstatielocatie
bestemmingsplan Hal 5
59
Gebouwde vleermuisverblijven in oude schoorstenen (Bron: Arcadis) Dit betreffen permanenten voorziening voor deze soort die in de bouwwerken worden opgenomen en niet als natuurinclusief bouwen. Dit als alternatieve verblijfplaats in combinatie met de ontstening en vergroening van de omgeving met een diversiteit aan gebouwen leidt tot een verbetering van de leefomgeving ter plaatsen. Dit zal de toekomstige mogelijkheden voor de gewonen dwergvleermuis kunnen vergroten. 4.9.6 Ontheffing Wet natuurbescherming Op basis van voorgaande is door de provincie Limburg op d.d. 18 juli ontheffing verleent. Hierin wordt ontheffing verleend van de volgende verboden handelingen: Het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), artikel 3.5, tweede lid Wnb. Het beschadigen of vernielen van de voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), artikel 3.5, vierde lid Wnb. Verder zijn aan deze ontheffing voorschriften verbonden zoals vermeld in hoofdstuk 5 van deze ontheffing, waaraan voldaan moet worden. De ontheffing is bijgevoegd als Bijlage 13 bij deze toelichting.
60
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 5 5.1
Waterparagraaf
Inleiding
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema’s zijn: het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de toelichting c.q. ruimtelijke onderbouwing aan te geven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als waterparagraaf worden beschouwd.
5.2
Beleid waterschap Limburg
Door de Algemene besturen van de voormalige waterschappen Roer en Overmaas en Peel en Maasvallei is op 14 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. In het plan is vastgelegd hoe het watersysteem en waterkeringen op orde worden gebracht en gehouden. In aansluiting op het landelijke beleid (NW4, WB21) hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op de riolering. Hergebruik wordt over het algemeen alleen toegepast bij grootschalige voorzieningen. Daarvan is in onderhavige situatie geen sprake.
5.3
Invloed planvoornemen
De invloed van het planvoornemen op het watersysteem in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater.
Bodem en grondwater De bodem van het plangebied bestaat uit matig tot uiterst siltig, matig fijn tot zeer grof zand en is plaatselijk zwak tot matig grindig. De bovengrond is zwak humeus. Lokaal zijn leemvormen aanwezig in de ondergrond. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.
Oppervlaktewater In het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. In de toekomstige situatie na herstructurering/transformatie van het (voormalige) bedrijventerrein van Canon naar wonen wordt niet voorzien in oppervlaktewater.
Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Tevens is het niet gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. Het plangebied maakt onderdeel uit van bestaand bebouwd gebied.
bestemmingsplan Hal 5
61
Afvalwater Het plan voorziet in woongelegenheid voor 68 grondgebonden huurwoningen. Uitgaande van een norm van 3 bewoners per woning komt dit neer op 204 bewoners in het plangebied. Conform de richtlijnen wordt er uitgegaan van een waterverbruik van 150 liter per persoon per dag. De totale droogweerafvoer komt daarmee uit op ca 30.6 m3 per dag. Het afvalwater zal worden aangesloten op de bestaande reeds aanwezige riolering in de aangrenzende wegen. Binnen de openbare ruimte binnen het plangebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Het vuilwater wordt aan de noord- en zuidzijde aangesloten op het gemeentelijk riool van repectievelijk de Rummerkampstraat en de Zoutmetersstraat. De aansluiting op het gemeentelijk riool zal plaatsvinden op grond van de voorwaarden van en in overleg met de rioolbeheerder.
Hemelwater Het hemelwater van het dakoppervlak en de verharde buitenruimte wordt in de toekomstige situatie afgekoppeld van het afvalwatersysteem en conform de huidige beleidsinzichten geïnfiltreerd. Door het waterschap wordt gesteld dat infiltratie van hemelwater mogelijk is indien: de doorlatendheid van de bodem groter is dan 0,3 m/dag; de grondwaterstand dieper is dan 0,8 m minus bodem van het infiltratie-element aanwezig is; het in te leiden hemelwater niet is verontreinigd. Om de mogelijkheden voor infiltratie te onderzoeken is door Econsultancy reeds een onderzoek uitgevoerd voor de ontwikkeling aan de Karbinderstaat (17 november 2017, Bijlage 14), direct ten zuiden van het plangebied. Gezien de ligging ten opzichte van elkaar is het zeer aannemelijk dat de samenstelling van de ondergrond ter plaatse van beide plangebieden hetzelfde is en daarmee ook de doorlatendheid van de bodem van deze plangebieden. De mogelijkheden en onmogelijkheden met betrekking tot de omgang van hemelwater en de infiltratie van hemelwater vallen of staan bij de doorlatendheid van de bodem waarin een infiltratievoorziening wordt gerealiseerd. Daarnaast zijn factoren als de GHG en de (diepere) bodemopbouw van belang. De doorlatendheid van de bodem wordt geclassificeerd als zeer goed doorlatend, waarbij k-waarden van > 10 m/dag zijn aangetoond.
Op basis van literatuur kunnen derhalve geen uitspraken worden gedaan omtrent de GHG of GLG. Op 13 november 2017 is in de aanwezige peilbuis een grondwaterstand van 2,4 m -mv waargenomen, waardoor het grondwater zich ter plaatse van de peilbuis op ± 20,4 m +NAP zou bevinden. Naar aller waarschijnlijkheid zal de GHG iets hoger zijn gelegen, verwacht wordt rond de 21,0 m +NAP. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem binnen het plangebied, mede op basis van textuur, geschikt geacht voor de infiltratievan hemelwater. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde c.q. veiligheidsfactor te hanteren van 5 m/dag. Bij het maken van de keuze voor het type (infiltratie)voorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de Gemiddelde Hoogste grondwaterstand (GHG), het afstromend verhard oppervlak en het beleid van het bevoegd gezag. Op basis van de Keur van het Waterschap Limburg geldt een bergingseis van 100 mm. Deze bergingseis is gehanteerd bij het bepalen van de benodigde bergingscapaciteit voor de opvang van het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak (bebouwing en verharding. Het
62
plangebied
is
momenteel
ingericht
als
bedrijventerrein
bestemmingsplan Hal 5
en
volledig
verhard.
Door
de
woningbouwontwikkeling en groenverbinding in noord-zuidrichting neemt het verhard oppervlak binnen het plangebied af. De groenverbinding wordt in dit kader als zodanig bestemd en de grondgebonden huurwoningen als ook de verharding wordt volledig afgekoppeld. Bergingseis voor de afkoppeling van de woning en verhardingen bedraagt:
Gerekend met een bui van 100 mm is de benodigde berging 1.044 m3 De oostelijke gronden van het plangebied worden ingericht als groen. Ook tussen de woonvlekken wordt in de openbare ruimte het nodige groen aangelegd. Ter plaatse van deze groenvoorzieningen worden de noodzakelijke infiltratievoorzieningen (wadi's) gecrëerd. Ook wordt er onder de noord-zuid ontsluiting door het plangebied infiltratieskoffers aangelegd. De bergingcapaciteit van de verschillenden voorzieningen bedraagt: berging van de wadi's in de groenzone ongeveer 894 m3 berging ondergronds d.m.v. infiltratieriool 150 m3 ; totaal bergingscapaciteit ongeveer 1.044 m3. Het hemelwater afkomstig van de verhardingen kan op basis hiervan volledig binnen het plangebied gebufferd en geïnfiltreerd worden. Het hemelwater van de grondgebonden huurwoningen zal bovengronds, via het maailveld, afgevoerd worden naar de aan te leggen bergings- en infiltratievoorzieningen. Er is geen sprake van eventuele hinder voor de omliggende (openbare) gronden. Voor het overige worden (in extreme weer situaties) de omliggende groen ingerichte gronden benut, waarbij in het gebied een afloop zal worden gecreëerd naar de wadi's. Eventueel overtollig water zal dan ook afstromen naar de gronden rond de wadi's.
Aangezien een significant deel van het plangebied wordt ingericht als groen en er voldoende ruimte kan worden gecreërd tot de grondgebonden huurwoningen, zal geen sprake zijn van overlast voor gevoelige functies of hinder op het aangrenzend terrein. Het afwateringsplan (Mansvelt Infra-ontwikkeling en Management, d.d. 30 november 2021) in combinatie met inrichtingsplan is bijgevoegd als Bijlage 15.
bestemmingsplan Hal 5
63
Afwateringsplan met wadi's van Mansvelt Infra-ontwikkeling en Management, d.d. 27 september 2022 De exacte vormgeving en dimensionering zal in het vervolg van het traject in overleg met de gemeente nader worden uitgewerkt. De berekende benodigde capaciteit vormt hierbij het uitgangspunt, tezamen met de feitelijke (ruimtelijke) situatie ter plaatse.
64
bestemmingsplan Hal 5
5.4
Conclusie
Het verhard oppervlak van de uitgeefbare gronden (60%) en verhardingen in de openbare ruimte worden volledig afgekoppeld, waarbij het hemelwater van de woningen bovengronds wordt afgevoerd naar de berging- c.q. infiltratievoorziening. Gezien de grondwaterstand van meer dan 2 m-mv, de zeer goede bodemdoorlatendheid en de omvang van de groenbestemming zijn binnen het plangebied ruim voldoende mogelijkheden aanwezig om het hemelwater te laten infiltreren. Er worden een wadi's gecreëerd met waakhoogte en beperkte overloop op het omliggend groen (binnen het plangebied). Tevens wordt ondergrondse berging aangelegd door middel van infiltratiekoffers. Met de ontwikkeling zal dan ook geen wateroverlast ontstaan op omliggende gronden. De ontwikkeling is in het kader van het vooroverleg ter toetsing voorgelegd aan het waterschap. Door het waterschap is in haar reactie aangegeven dat zij geen opmerkingen hebben op het plan. Alle verharding wordt in de nieuwe situatie gecompenseerd door middel van hemwaterberging volgens de norm van het waterschap (100 mm in 24 uur).
bestemmingsplan Hal 5
65
66
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 6 6.1
Planopzet
Inleiding
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
6.2
De verbeelding
De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale BGT ondergrond met kadastrale gegevens, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de BGT ondergrond met kadastrale gegevens geen juridische status heeft.
6.3
De regels
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouwen gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Hal 5’ zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en zijn gebaseerd op de regels van vigerende beheersverordening. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
Begrippen In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze worden overgenomen.
Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de ‘wijze van meten’ uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de ‘wijze van meten’ worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.
Bestemmingsregels De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende toegestane functies direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de bouwregels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels;
bestemmingsplan Hal 5
67
Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hierna een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden ‘met daaraan ondergeschikt’. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat, met het oog op de raadpleegbaarheid, ook inrichtingsaspecten. Zo kan er worden bepaald dat de betreffende gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan in de bestemmingsomschrijving worden aangegeven dat het behoud van bepaalde karakteristieken of waarden wordt nagestreefd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan cultuurhistorische waarden.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels weergegeven. Hierbij wordt in ieder geval een onderscheid gemaakt tussen de regeling van (hoofd)gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.
Nadere eisen Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de toegestane bouwregelingen. Deze vergunning is niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvoor een vergunning wordt verleend, welke maximale afwijking kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder vergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien de afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).
68
bestemmingsplan Hal 5
Specifieke gebruiksregels Het is verboden gronden te gebruiken en/of te laten gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies, in aanvulling op de bestemmingsomschrijving, nog expliciet worden genoemd als zijnde verboden gebruik.
Afwijken van de gebruiksregels Met een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijkingsbevoegdheden geen ‘nieuwe’ functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.
Toegekende bestemming Groen De voor ' Groen ' aangewezen gronden zijn bestemd voor: plantsoenen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; bermen en beplanting; waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; e. Het behoud en herstel van de schuilkelder uit de Tweede Wereld Oorlog (1939) ter plaats van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden'; met daaraan ondergeschikt: paden; verhardingen; parkeervoorzieningen; hondenuitlaatplaatsen; met de daarbijbehorende: voorzieningen van algemeen nut.
bestemmingsplan Hal 5
69
Wonen De voor ‘Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen; aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, zoals vermeld in de als bijlage opgenomen Bedrijvenlijst; tuinen, erven en onbebouwde erven; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergingsen infiltratievoorzieningen; groenvoorzieningen en speelvoorzieningen. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: woonstraten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt:
waterbergings-
en
bermen en beplanting; straatmeubilair; voorzieningen van algemeen nut; Algemene regels Anti-dubbeltelregel Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Algemene aanduidingsregels De gebiedsaanduidingen worden in deze bepaling geregeld. Deze kunnen ook bij iedere afzonderlijke bestemming worden geregeld, maar omdat een gebiedsaanduiding veelal binnen meerdere bestemmingen ligt, hoeft de aanduiding in een algemeen artikel slechts eenmalig te worden opgenomen.
Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden en waarvoor.
70
bestemmingsplan Hal 5
Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om onder voorwaarden de bestemming van gronden te wijzigen in een andere bestemming voor de daarvoor aangeduide gebieden. Aangegeven wordt voor welke bestemmingswijzigingen en onder welke voorwaarden een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen.
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.
Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
bestemmingsplan Hal 5
71
72
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 7 7.1
Haalbaarheid
Inleiding
Naast het toetsen van een bestemmingsplan aan diverse omgevingsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het plan. Hierbij wordt gekeken naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomst met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeiegenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Voor onderhavig planvoornemen is een overeenkomst gesloten tussen innitiatiefnemer en de gemeente. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de verdeling van kosten om de herstructurering/transformatie van het bedrijventerrein naar woningbouw mogelijk te maken. Tevens is hierin meegenomen de kosten voor evt. planschade. Daarmee zijn de kosten in voldoende mate anderzins verzekerd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het planvoornemen betreft de realisatie van 68 grondgebonden huurwoningen. Het plan maakt onderdeel uit van een stedelijke transformatie van het gebied Venlo-Noord, waarbij de bedrijvigheid terugtrekt naar het noorden en er ruimte vrijkomt voor woningbouw. De nieuwe grondgebonden huurwoningen krijgen een sociaal karakter (betaalbaar) en worden levensloopbestendig uitgevoerd. Met de ontwikkeling wordt optimaal gebruik gemaakt van beschikbare ruimte binnen het stedelijk weefsel en wordt de ruimtelijke structuur ter plaatse versterkt. Met het plan wordt een aanzet gemaakt c.q. verder gevolg gegeven aan de toekomstige noord-zuid groenverbinding als onderdeel van de stedelijke transformatie van Venlo-Noord. Tevens wordt de geluidzone van het gezoneerde bedrijventerrrein 'teruggedrongen' waardoor spake is van een beter woon- en leefklimaat voor de directe woonomgeving. Hiermee leidt de ontwikkeling tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
7.4
Conclusie
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande recht doen aan een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 Wro. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare nieuwe invulling van het plangebied.
bestemmingsplan Hal 5
73
74
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 8 8.1
De procedure
De te volgen procedure
Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure: a. b. c. d. e.
Voorbereiding: vooroverleg met overheidsinstanties: betrokken diensten van rijk en provincie, waterschap (watertoets), eventueel buurgemeenten. Ontwerp: publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad. Vaststelling: vaststelling door de Raad. Mogelijkheid reactieve aanwijzing. Publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn. Inwerkingtreding: na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan). Beroep: beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk c.q. in hoogste instantie, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.
8.2
Kennisgeving
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Hal 5'. Hierbij is aangegeven dat dit bestemmingsplan een herziening betreft van het geldende bestemmingsplan in verband met transformatie/herstructurering van het bedrijventerrein naar woningbouw. waarbij de geluidzone van het gezoneerde bedrijventerrein wordt aangepast om het woon- en leefklimaat van de grondgebonden huurwoningen en de directe omgeving respectievelijk te waarborgen en te verbeteren.
8.3
Vooroverleg
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties. Echter in onderhavige situatie betreft het herstructurering/transformatie van bestaand bebouwd gebied, waarbij 68 grondgebonden huurwoningen worden toegevoegd. Het planvoornemen gaat gepaard met een kwaliteitsverbetering en zorgt voor een versterking van de ruimtelijke structuur ter plaatse. Hiermee zijn geen rijks- of provinciale belangen in het geding. Daarnaast heeft het Waterschap Limburg geen watergangen binnen het plangebied in het beheer. Tevens wordt het hemelwater afgekoppeld en binnen het plangebied geïnfiltreerd. De belangen van het waterschap zijn daarmee in voldoende mate veilig gesteld. Met de provincie, het waterschap en overige relevante partijen is vooroverleg gevoerd over het planvoornemen. Provincie Limburg Het bestemmingsplan is door de provincie beoordeeld op adequate doorwering van de provinciale belangen. De beoordeling van het bestemmingsplan geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien deze opmerkingen adequaat worden verwerkt, zal er voor de provincie geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het bestemmingsplan een zienswijze in te dienen. Naar aanleiding van de opmerkingen van de provincei is het bestemmingsplan aangepast en verwezen naar
bestemmingsplan Hal 5
75
het actuele provinciale beleid.
Waterschap Limburg Door het waterschap is aangegeven dat zij geen opmerkingen hebben op het plan. Alle verharding wordt in de nieuwe situatie gecompenseerd door middel van hemwaterberging volgens de norm van het waterschap (100 mm in 24 uur).
Veiligheidsregio Limburg-Noord Door de veiligheidsregio is advies uitgebracht (Bijlage 16), waarin de volgende maatregelen worden geadviseerd: 1.
Giftige wolk: zorg dat ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en wanneer in de woningen/woongebouwen voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodknop/hoofdschakelaar waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden. 2. Algemeen: Zorg dat de gebruikers van het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in de gebouwen, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Vluchten of schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen. 3. Bestrijdbaarheid: Voor een vlugge en goede inzet van de brandweer is het te adviseren om binnen het plangebied tenminste een brandkraan te realiseren met een debiet van tenminste 30 m3/uur. De uitvoering en exacte locatie kan in overleg met de brandweer worden vastgesteld. Deze geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen reduceren tot een omvang die beter beheersbaar of bestrijdbaar wordt geacht door de hulpdiensten. Hoewel het uitvoeren van de veiligheid verhogende maatregelen een positief effect zal hebben, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen waarbij slachtoffers kunnen vallen.
Na het vooroverleg wordt het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage gelegd.
8.4
Vaststelling
Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 16 maart 2023 gedurende zes weken, dat wil zeggen tot en met 26 april 2023ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om een eventuele zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn dan ook geen zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Het bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 27 september 2023.
76
bestemmingsplan Hal 5
Bestemmingsplan - Regels -
Hal 5 Gemeente Venlo
BESTEMMINGSPLAN - Regels -
Hal 5 Gemeente Venlo
IDN-nummer:
NL.IMRO.0983.BP202201HAL5-VA01
Status: Datum:
Locatie Nijmegen Wijchenseweg 102 6538 SX Nijmegen 024 - 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl www.pouderoyentonnaer.nl
september 2023
Locatie Rosmalen Berlicumseweg 6D 5248 NT Rosmalen
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels
5
Artikel 1 Artikel 2
5 11
Begrippen Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
13 16 18 20
Groen Verkeer Verkeer - Verblijfsgebied Wonen
Hoofdstuk 3 Algemene regels
23
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
23 24 25 26 27
Artikel 12 Artikel 13
Algemene procedureregels Overige regels
28 29
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
31
Artikel 14 Artikel 15
31 32
Overgangsrecht Slotregel
Regels
bestemmingsplan Hal 5
3
4
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan ‘Hal 5' met identificatienummer NL.IMRO.0983.BP202201HAL5-VA01 van de gemeente Venlo. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrich bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens: de grens van de aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
aan huis gebonden bedrijf:
het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met overwegend behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel. 1.6 aan huis gebonden beroep: het door de bewoner van de woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met overwegend behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijk bedrijfsactiviteiten noch detailhandel. 1.7 aan- en of uitbouw: een aan een hoofdgebouw vastgebouwd gebouw, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in directe verbinding staat met het hoofdgebouw. 1.8 achtergevelrooilijn: de achterste grens van een bouwvlak, gezien vanaf de weg waarop het hoofdgebouw is georiënteerd; indien er niet sprake is van een achterste grens van een bouwvlak dan wel geen bouwvlak op de plankaart is aangegeven: de denkbeeldige lijn die wordt getrokken langs de achtergevel van het hoofdgebouw - zonder aanen uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen - alsmede het verlengde daarvan.
1.9 ander bouwwerk: een bouwwerk geen gebouw zijnde.
bestemmingsplan Hal 5
5
1.10 archeologischewaarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten in het verleden. 1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of één of meer bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12 bed and breakfast: een horecagelegenheid ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is. 1.13 bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen niet daaronder begrepen. 1.14 bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 1.15
bestaande legale situatie:
op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan overeenkomstig het tot dat moment geldende bestemmingsplan, dan wel een daartoe strekkende (omgevings)vergunning in afwijking van dat bestemmingsplan, bestaande situatie. 1.16 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. 1.17 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18 bijgebouw: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw, dat zich daarvan door zijn kleinere constructie of geringere afmetingen visueel onderscheidt. 1.19 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.20 bouwgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.
6
bestemmingsplan Hal 5
1.21 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en - in de regels van dit plan - een onderbouw, zolder, dakopbouw of setback. 1.22 bouwperceel: de aaneengesloten bebouwde en/of onbebouwde grond behorende bij een bestaand of op te richten bouwwerk of complex van bouwwerken. 1.23 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.24 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.25 bijgebouw: een gebouw behorende bij en dienstbaar aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat in functioneel en architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw. 1.26 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond. Een onderhuis, zolderverdieping of vliering worden hieronder niet begrepen. 1.27 functie: doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.28 gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.29 grondgebonden woning: woning waarbij de begane grond en ingang zich op het maaiveld bevinden, geen onderdeel uitmakende van gestapelde bebouwing. 1.30 hoofdfunctie: een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt. 1.31 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
bestemmingsplan Hal 5
7
1.32 huishouden: de bewoning van een woning door: a. b.
één persoon; twee of meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, waaronder geen kamerbewoning begrepen.
1.33 kamerbewoning: een woning die, al dan niet mede door de rechthebbende, duurzaam en (nagenoeg) zelfstandig kamergewijs door maximaal 2 personen wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als het verstrekken van logies. 1.34 kamerverhuur(bedrijf) een pand of een deel van een pand dat door meer dan 2 personen, anders dan door de rechthebbende, bedrijfsmatig kamergewijs wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als logiesverblijf. 1.35 netto vloeroppervlak: de totale voor het publiek toegankelijke vloeroppervlak. 1.36 onderbouw/souterrain/kelder: Een gedeelte van een gebouw dat maximaal 1,50 m boven peil is gelegen. 1.37 ondergeschikte activiteit: activiteit waarbij maximaal 30% van de opstallen als zodanig mag worden gebruikt. 1.38 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, daaronder begrepen een carport. 1.39 pand: de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructie zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.40 parkeervoorziening: een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van motorvoertuigen. 1.41 peil: 1.
Voor bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld; 3. Indien in of op het water wordt gebouwd: het ter plaatse aan te houden waterpeil.
8
bestemmingsplan Hal 5
1.42 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding. 1.43 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.44 setback: Een dakopbouw die gelegen is op ten minste 2,00 m achter de doorgetrokken voorgevel van een gebouw. 1.45 slopen: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan; 1.46 straatprostitutie: Het zich op de openbare weg of in een zich op de openbare weg bevindend voertuig beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding. 1.47 uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.48 vervangende nieuwbouw: het op hetzelfde perceel bouwen van een woning na sloop van een bestaande woning.
1.49 voorgevel: één of meer gevel(s) van een gebouw die is/zijn gelegen aan de zijde van de openbare weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant(en) van een gebouw vorm(t)(en). 1.50 voorgevellijn: de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan. 1.51 voorgevelrooilijn: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 1.52 vrijstaand bijgebouw: een bijgebouw, dat in functionele en bouwkundige zin ondergeschikt is aan en qua constructie en in ruimtelijk visueel opzicht vrij staat van het hoofdgebouw of daarmee slechts verbonden is door een tuinmuur, haag of andere tuinafscherming.
bestemmingsplan Hal 5
9
1.53 weg: een voor het rij- en ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden. 1.54 werk: een constructie geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.55 wonen: het gehuisvest zijn in een woning. 1.56 woning/wooneenheid: Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden. 1.57 zolder/dakopbouw: Opbouw van de bovenste bouwlaag voor zover gelegen binnen de snijlijnen van een schuin dak, uitgaande van een maximale dakhelling van 60°.
10
bestemmingsplan Hal 5
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Afstand tot de bouwperceelgrens: Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.2 Bouwhoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 Dakhelling: Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 Goothoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 Horizontale diepte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel. 2.6 Inhoud van een bouwwerk: Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 Ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
2.8 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9 Oppervlakte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de digitale kaart en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.
bestemmingsplan Hal 5
11
12
bestemmingsplan Hal 5
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Groen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.
plantsoenen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; bermen en beplanting; parken; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergingsen infiltratievoorzieningen; het behoud en herstel van de schuilkelder uit de Tweede Wereld Oorlog (1939) ter plaats van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden';
met daaraan ondergeschikt: h. i. j. k.
(voet)paden; verhardingen; parkeervoorzieningen; hondenuitlaatplaatsen;
met de daarbijbehorende: l. 3.2
voorzieningen van algemeen nut. Bouwregels
3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a.
b.
c. d.
er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouw, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' waar een bouwwerk in de vorm van een bestaande schuilkelder is toegestaan; de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' waar de bestaande bouwdiepte c.q bouwhoogte van de schuilkelder is toegestaan.; de oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut mag niet meer dan 15 m² bedragen; de oppervlakte van de bestaande schuilkelder, ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mag niet meer dan het bestaande oppervlakte bedragen.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen; overkappingen zijn niet toegestaan; in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m bedragen;
bestemmingsplan Hal 5
13
3.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e. f.
3.4
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. b.
c.
3.5
een standplaats voor kampeermiddelen; opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
3.5.1 Verboden werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de bestaande schuilkelder ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' geheel of gedeeltelijk te slopen. 3.5.2 Toegestane werkzaamheden Het verbod als bedoeld in lid 3.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. b. c. d.
betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; cultuurhistorisch onderzoek betreffen.
3.5.3 Afwegingskader a. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische danwel bouwhistorische waarden van de gronden en opstallen. b. De vergunning kan slechts worden verleend nadat: 1. een door deskundigen opgesteld rapport overeenkomstig de landelijke Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek (2009) overlegd wordt, waarin de bouwhistorische waarden van de te slopen bouwwerken naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgelegd; 2. naar het oordeel van het bevoegd gezag de bouwhistorische waarden van de te slopen bouwwerken in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld, in welk geval het sub 1. genoemde rapport niet nodig is. c. In de omgevingsvergunning kunnen nadere voorwaarden worden opgenomen in het belang van
14
bestemmingsplan Hal 5
handhaving van en onderzoek/documentatie bouwhistorische zaken.
bestemmingsplan Hal 5
15
Artikel 4
Verkeer
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie; voet- en rijwielpaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergingsen infiltratievoorzieningen; waarbij wordt gestreefd naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; met daaraan ondergeschikt: f. bermen en beplanting; g. straatmeubilair; h. kunstwerken; met de daarbij behorende: i. j.
voorzieningen van algemeen nut; waterstaatkundige kunstwerken (bruggen, sluizen, waterkeringen, voorzieningen ten behoeve van veerdiensten e.d.); alsmede voor de k. 4.2
bescherming van ondergrondse waterlopen. Bouwregels
4.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; de oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut mag niet meer dan 15 m² bedragen.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen; overkappingen zijn niet toegestaan; In afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m bedragen.
4.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e. f.
16
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse)
bestemmingsplan Hal 5
waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een stijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. b.
c.
standplaats voor kampeermiddelen; opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste en vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
bestemmingsplan Hal 5
17
Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
woonstraten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) infiltratievoorzieningen;
waterbergings-
en
met daaraan ondergeschikt: f. g. h. i. 5.2
bermen en beplanting; straatmeubilair; hondenuitlaatplaatsen; voorzieningen van algemeen nut. Bouwregels
5.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. b. c.
er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; de oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut mag niet meer dan 15 m² bedragen.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b. c.
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen; overkappingen zijn niet toegestaan; in afwijking van het bepaalde onder a mag de bouwhoogte van lichtmasten maximaal 12 m bedragen.
5.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. b. c. d. e. f.
18
ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.
bestemmingsplan Hal 5