041 bijl01 Vaststelling BP Supermarkt Kaldenkerkerweg Kraanvogelstraat.pdf
Tekst van het document
De maatvoering voor een supermarkt binnen een buurtsteunpunt is vastgesteld op 700 – 1.200 m2 wvo, waarbij een marge van 20% kan worden gehanteerd indien de omstandigheden die de wenselijke maatvoering van supermarkten bepalen wijzigen. Door de marge komt de maximale maatvoering op 1.440 m 2 wvo. Het plan wijkt in beperkte mate af van het beleid, maar de afwijking van de maximaal aantal meters wordt op basis van een goede ruimtelijke ordening toegestaan. De beoogde discount supermarkt heeft een wvo van 1.481 m 2 wvo. De discount supermarkt komt hiermee boven de maatvoering uit, maar sinds de totstandkoming van het beleid heeft het proces van schaalvergroting bij supermarkten sterk doorgezet en dat geldt met name voor discounters. De ontwikkeling moet passen bij het type koopgedrag dat het winkelgebied bedient. Voor het buurtsteunpunt Maagdenberg is aangegeven dat het hierbij om primair levensonderhoud gaat. Voor het buurtsteunpunt Kraanvogelstraat geldt een matig perspectief en wordt niet ingezet op uitbreiding. Ruimtelijk gezien zorgt deze ontwikkeling van een minder wenselijke situatie naar een gewenste situatie door de verplaatsing van een supermarkt naar een locatie die expliciet hiervoor beoogd is. Daarbij is sprake van verplaatsing en uitbreiding binnen hetzelfde verzorgingsgebied.
De relocatie van Lidl naar het voormalig Gebraterrein is daarmee een positieve ontwikkeling. 4.4.4
Welstand gemeente Venlo
Venlo kiest voor meer vrijheid en flexibiliteit door de introductie van welstandsvrijheid in het welstandsbeleid. Dit is in lijn met de wens van de gemeenteraad tot zelfsturing en zelfregie (stad van actieve mensen). Wat betreft welstandsbeleid doet dit een beroep op de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van de burger waar het de eigen leefomgeving betreft. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het private en publieke belang om te bepalen waar de burger aan zet is (privaat belang) en waar de taak van de overheid ligt (publiek belang). Sturen waar het moet, loslaten waar het kan. De regie van de overheid op welstandsgebied zal zich vooral richten op die plekken waar een publiek belang gediend wordt. Daar waar overheidssturing bijdraagt aan de kernkwaliteiten die de ruimtelijke identiteit van de gemeente Venlo bepalen. De welstandsnota biedt het kader waarmee de gemeente deze regie kan voeren: sturen op verschijningsvorm van de gebouwde omgeving.
Hoofdstuk 4
30
Het plangebied is gelegen binnen twee verschillende gebieden waar verschillende welstandsniveaus van toepassing zijn. Het plangebied is gelegen binnen gebied Kaldenkerkerweg en gebied Maagdenberg. Voor gebied Kaldenkerkerweg geldt een bijzonder welstandsniveau en voor gebied Maagdenberg geldt een regulier welstandsniveau.
Figuur 4.1: Uitsnede welstandskaart gemeente Venlo met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Gebied Kaldenkerkerweg De Kaldenkerkerweg is de rechtgetrokken opvolger van de oude verkeersverbinding met Keulen. Het was een van de belangrijkste verkeerswegen vóór de slechting van de vesting in de negentiende eeuw. Nadat het stationsemplacement aan de zuidzijde was aangelegd, ontwikkelde zich lintbebouwing aan de noordzijde van deze weg. Net als bij de Roermondsepoort/Tegelseweg liggen de meest monumentale panden (in neo-stijlen) het dichtst bij het stadscentrum. Verder verwijderd van de stad vanaf de Maagdenbergweg - is de bebouwing op een aantal uitzonderingen na, eenvoudiger en later van aard. De bebouwing aan de weg zet zich tot op de steilrand voort. Op het hoogterras ontbreekt begeleidende bebouwing en overweegt het groene karakter van de weg. Het hoogteverschil dat door de weg wordt overwonnen vertaalt zich op deze wijze in een verschil van uitstraling, dat met name ter hoogte van het voetbalstadion door het ontbreken van een afbakening, zichtbaar is. Het stadion zelf valt door de situering in een voormalige kleigroeve - De Koel - minder op. De gebouwen zijn daardoor relatief laag. Dicht bij het centrum wordt de zuidzijde van de Kaldenkerkerweg gedomineerd door een aantal grootschalige bedrijfsbebouwing die maar beperkt een relatie met de weg aangaan. Door deze bebouwing wordt ook de ligging van de weg hoger op de rand van een oude Maasgeul niet als zodanig ervaren.
Hoofdstuk 4
31
Gebied Maagdenberg De uitbreidingswijken in Venlo-Oost zijn geformeerd rond een aantal parochiecentra met de daarbij behorende buurt- en wijkvoorzieningen. Door een lagere bewoningsintensiteit in de woonwijken nam het draagvlak voor deze wijkvoorzieningen af. Binnen de wijken in Venlo-oost heeft de gemeente Venlo de nadruk verschoven naar een tweetal clusters, namelijk de Maagdenberg en Vinckenhof. Verder zou ‘op de berg’ nog behoefte en draagvlak zijn voor een ondersteunend buurtcentrum. De bedoeling is dat deze wijkcentra sociaal-maatschappelijk de identiteitsdragers worden van Venlo-Oost. De karakteristiek van wijkcentrum Maagdenberg zoekt aansluiting op de oudere karakteristieke bebouwing van de Leutherweg. De Maagdenbergweg kende al vanaf de negentiende eeuw enige vorm van lintbebouwing, waarbij de weg de toegang vormde vanaf de stad van de in de eerste helft van de twintigste eeuw tussen Waterleidingsingel en Leutherweg gerealiseerde woonwijk. Als gevolg van de aanleg van de Groenveldsingel is het accent van de infrastructuur van oost-west naar noord-zuid verschoven. De bebouwing in de omgeving is hier (nog) niet op aangepast. Afweging Onderhavig initiatief zal ter toetsing worden voorgelegd aan de welstandscommissie. 4.4.5
Vigerend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan “Venlo-Oost”, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 23 mei 2012. Binnen het bestemmingsplan ‘Venlo-Oost zijn de gronden bestemd als ‘Groen’ en ligt de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” op het gehele plangebied. Het geldende bestemmingsplan kent geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden waarmee de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Derhalve dient er een nieuw juridisch-planologisch kader te worden vastgesteld. Verder worden er geen belemmeringen verwacht vanuit het gemeentelijk beleid.
Hoofdstuk 4
32
5.
ONDERZOEK
Bij de toekenning van de nieuwe bestemmingen aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1
Bodem
In het kader van de voorgenomen functiewijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. Ten behoeve van onderhavig initiatief is een bodemonderzoek 4 uitgevoerd. De onderzoekslocatie (± 8.000 m²) is gelegen aan de Kaldenkerkerweg 97 te Venlo. De onderzoekslocatie wordt ingedeeld in 2 deellocaties: deellocatie A: de voormalige bedrijfslocatie Kaldenkerkerweg 97 (± 7.600 m2); deellocatie B: parkeerplaats (± 500 m²). Deellocatie A Deellocatie A maakte tot 2008 onderdeel uit van het bedrijfsterrein van de firma Brauckmann. Het terrein was in gebruik als landbouwgrond toen omstreeks 1930 de eerste bebouwing op de onderzoekslocatie werd opgericht: een garage voor onderhoud aan karren met o.a. brandstofopslag, verwarmingsinrichting, wasplaats welke omstreeks 1946 zijn vervangen door een uitbreiding van de garage met een smederij en kookinrichting waar motoronderdelen werden schoongemaakt. Omstreeks 1955 is de smederij uitgebreid en veranderd in een spuitinrichting. Omstreeks 1962 en 1967 is de garage verder uitgebreid en is tevens een verkooppunt voor brandstoffen opgericht. In 1994 zijn o.a. de spuitplaats en chemische reinigingsruimte (kookinrichting) gesloopt en was het terrein verhard met een puinverharding. In 1998 is het tankstation ontmanteld.
Als gevolg van de verkoop en opslag van brandstoffen is hier een bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten ontstaan, welke in de periode 1996-2002 door SUBAT is gesaneerd. Na een brand in maart 2001 zijn de bebouwingen uit 1962 en 1967 verwijderd. De overige bebouwing en de fundering van de verwijderde bebouwing zijn in 2004 verwijderd.
4
Econsultancy, ‘Aanvullend bodemonderzoek Kaldenkerkerweg 97 te Venlo’, rapportnr. 13102.002, d.d. 2 maart 2022.
Hoofdstuk 5
33
Momenteel is het terrein braakliggend en afgesloten middels bouwhekken. Tevens zijn alle ondergrondse tanks en andere ondergrondse infrastructuur (leidingen, olie-/benzineafscheider) uit de bodem verwijderd, met uitzondering van het in-situ systeem op het zuidwestelijke deel van het terrein. Samenvattend kan worden gesteld dat op de locatie sprake is (geweest) van een vijftal gevallen van bodemverontreiniging: Geval A: sterk met minerale olie verontreinigde grond en grondwater (SUBAT-sanering 19962002); Geval B: sterk met zware metalen verontreinigde toplaag; Geval C: diffuus licht met zware metalen en PAK verontreinigde bovengrond (geen belemmering voorgenomen gebruik); Geval D: licht tot sterke met minerale olie verontreinigde bodem als gevolg van de voormalige garageactiviteiten (2005 gesaneerd, geen nazorg nodig, geen belemmering voorgenomen gebruik); Geval E: sterke puntverontreiniging met asbest. Voor al deze gevallen is in 2020 een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2022 aangevuld. Deellocatie B Deellocatie B is sinds de herinrichting van de Groenveldsingel omstreeks 2005 in gebruik als parkeerplaats met 13 parkeervakken. De parkeerplaats is voorzien van een klinkerverharding (± 350 m²). Het overige terreindeel is onverhard. In het verleden had de locatie een functie als agrarisch bouwland.
De agrarische functie langzaam verloren gegaan doordat de omgeving steeds meer werd bebouwd. De locatie is nimmer bebouwd geweest en heeft ook geen deel uitgemaakt van het bedrijfsterrein van firma Brauckmann. Deellocatie A en B zijn in het kader van dit bestemmingsplan in 2022 (aanvullend) onderzocht. Zie bijlage 2 rapport aanvullend bodemonderzoek (13102.002 D2) Kaldenkerkerweg 97 te Venlo d.d. 2 maart 2022 waarvan eerdergenoemde Actualiserend bodemonderzoek (13102.001 D1) Kaldenkerkerweg 97 te Venlo d.d. 27 oktober 2020 een bijlage is. Daarin wordt geconcludeerd: Deellocatie A geval A: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik. Deellocatie A geval B: zware metalen verontreiniging voldoende in beeld, saneren met BUS-melding. Deellocatie A geval C: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik. Deellocatie A geval D: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik. Deellocatie A geval E: asbest verontreiniging voldoende in beeld, saneren met BUS-melding. Deellocatie B: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik.
Hoofdstuk 5
34
5.1.2
Geluid met betrekking tot wegverkeerslawaai
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) en het daaraan hangende Besluit geluidhinder (Bgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidgevoelige objecten. Een supermarkt betreft echter geen geluidgevoelig object, zodat een onderzoek naar weg-, railverkeers- of industrielawaai niet aan de orde is. Inzake de geluidseffecten vanuit de realisatie van de discount supermarkt op de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 5.1.6 ‘Milieuzonering’. 5.1.3
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen die is opgenomen in de Regeling NIBM (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties).
Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
Hoofdstuk 5
35
Naar aanleiding van de NIBM berekening is een onderzoek luchtkwaliteit 5 uitgevoerd. Het rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Samenvattend kan worden gesteld dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen beperkingen oplegt voor de realisatie van een nieuwe supermarkt op de hoek van de Kaldenkerkerweg met de Groenstraat te Venlo. De NIBM-toets geeft aan dat het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Raadpleging van de NSL-Monitoringstool en berekeningen met de NSL-Rekentool laten voorts zien dat de jaargemiddelde grenswaarden voor de jaren 2020, 2022 en 2030 niet worden overschreden. Evenmin wordt het daggemiddelde niet vaker overschreden dan toegestaan. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat uitgegaan is van een worst-case benadering, waarbij alle extra verkeersbewegingen dat het planvoornemen met zich meebrengt op alle rekenpunten is meegenomen in de berekeningen. Een goed (woon- en) leefklimaat met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is in de omgeving van het plangebied ten gevolge van het planvoornemen gewaarborgd. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van maatschappelijke functies.
Volgens de Atlas Leefomgeving lag de concentratie PM2,5 in 2019 ter plaatse tussen de 10 en 11 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 17 en 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 20 en 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Derhalve zullen er voor het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan voor de geplande ontwikkeling van de discount supermarkt binnen het plangebied. Ter plaatse van de projectlocatie en omliggende woningen zal sprake zijn van een goed-woon- en leefklimaat.
5
Tritium, ‘Luchtkwaliteitsonderzoek ontwikkeling supermarkt Kaldenkerkerweg te Venlo’, kenmerk: 2201/288/CW-01.A, d.d. 25 februari 2022
Hoofdstuk 5
36
5.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt o.a. de realisatie van woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen beperkt kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven.
Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpg-tankstations enzovoorts. Econsultancy heeft een onderzoek naar externe veiligheid 6 uitgevoerd naar de bestemmingsplanwijziging van het perceel aan de Kaldenkerkerweg en Groenveldsingel te Venlo. Het rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt een samenvatting en de conclusie van het rapport beschreven. Buisleidingen Op ruim 1,1 kilometer ten zuidoosten van de grens van het plangebied is een DPO-leiding gelegen. Er is geen plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar aanwezig. Gezien de afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van de leiding. Op circa 1,4 kilometer ten zuidwesten van de grens van het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen. De grootste inventarisatieafstand voor een hogedruk aardgastransportleiding bedraagt 580 meter. Omdat er binnen een straal van 580 meter rondom het plangebied geen leidingen zijn gelegen, gelden er geen belemmeringen. Inrichtingen Op circa 640 meter ten zuidoosten van de grens van het plangebied is een sportcomplex gelegen. De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege een bovengrondse propaantank. De plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar van deze tank bedraagt 20 meter. Gezien de afstand gelden er geen belemmeringen voor het plangebied.
6
Econsultancy, Onderzoek externe veiligheid Kaldenkerkerweg 97 te Venlo, rapportnr.: 15886.003, d.d. 24 juni 2022.
Hoofdstuk 5
37
Op circa 70 meter afstand ten westen van de grens van het plangebied is het spoorwegemplacement gelegen. Het plaatsgebonden risico ter hoogte van het plangebied voldoet daarmee aan de grenswaarde van 10-6/jaar die geldt voor kwetsbare objecten, zoals in dit geval een supermarkt met een bruto vloeroppervlak van 2.415 m2. Voor het emplacement is in het verleden een QRA uitgevoerd. Het invloedsgebied van de gerangeerde gevaarlijke stoffen op het emplacement bedraagt 3.000 meter. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het spooremplacement. Formeel is volgens het Bevi een berekening van het groepsrisico noodzakelijk. Uit recente studies, uitgevoerd in het kader van ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van het emplacement, is gebleken dat in de huidige situatie (zonder de realisatie van de Lidl) de oriëntatiewaarde reeds wordt overschreden. Een kwantitatieve risicoanalyse is derhalve niet noodzakelijk, wel dient er een verantwoording te worden gegeven van het groepsrisico. Transport De kleinste afstand vanaf het midden van het spoor tot de grens van het plangebied bedraagt circa 100 meter. Via deze transportroutes, die onderdeel uitmaken van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van route 12 en 50, én bevindt zich binnen het invloedsgebied van verschillende stofcategorieën.
Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Kwalitatieve risicoanalyse Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het gesommeerd groepsrisico voor het spoortraject (route 12 en 50) in de bestaande en de toekomstige situatie hoger is dan de oriëntatiewaarde. Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de plaatsgebonden risicocontouren van 10 -6/jaar en er is geen plasaandachtsgebied (PAG) aanwezig. Het groepsrisico als gevolg van het emplacement in zowel de bestaande als de toekomstige situatie is hoger dan de oriëntatiewaarde. Er is derhalve een volledige verantwoording van het groepsrisico gegeven. Verantwoording groepsrisico Het maatgevende scenario als gevolg van een calamiteit op het spoor en/of emplacement is een koude en/of warme BLEVE. Door het toepassen van (bouwkundige) maatregelen kunnen de risico’s worden beperkt en wordt de kans op slachtoffers gereduceerd. Op grond van artikel 9 van het Bevi, dient de gemeente Venlo de Veiligheidsregio Limburg-Noord in de gelegenheid te stellen om advies uit te brengen over de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied van de het spoor en het emplacement. Met het advies van Veiligheidsregio en de te nemen maatregelen zullen de risico’s zoveel mogelijk worden beperkt.
Hoofdstuk 5
38
5.1.5
Niet-gesprongen explosieven
Venlo is het algemeen en in het bijzonder rondom de bruggen over de Maas in de Tweede Wereldoorlog veelvuldig doelwit geweest van bombardementen. Onderhavig plangebied ligt een verdacht gebied voor aanwezigheid van (resten van) explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Op basis van de gegevens wordt geadviseerd om de werkzaamheden in het plangebied te laten onderzoeken op conventionele explosieven (CE) voorafgaand aan de geplande bodemroerende werkzaamheden. Onderzoek Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten na-conflictperiode Bombs Away heeft een vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten na-conflictperiode7 uitgevoerd. Hieronder wordt de samenvatting van het onderzoek weergegeven. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Resultaten VO OO conflictperiode Op basis van de resultaten van het reeds uitgevoerde vooronderzoek OO conflictperiode is vastgesteld dat er indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de bodem binnen de grenzen van het projectgebied. Het projectgebied is VERDACHT op OO in de vorm van afwerpmunitie (geallieerd) en op geschutmunitie (geallieerd). Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande bodemingrepen een risico is op het aantreffen van OO en een mogelijke ongecontroleerde werking hiervan.
Conclusies VNC Op basis van de contra-indicaties uit de geraadpleegde bronnen, waaruit is gebleken dat binnen de grenzen van het onderzoeksgebied in de na-conflictperiode bodemingrepen hebben plaatsgevonden, is de verticale afbakening van het verdachte gebied aangepast. De gesloopte gebouwen waren ondiep gefundeerd met poeren. Bij het verwijderen van de funderingen tijdens de sloop is hierdoor de grond niet diep geroerd, circa 0,50 meter. Uit recent locatiebezoek is gebleken dat het terrein geëgaliseerd is en dat delen van het terrein ca. 0,50 meter lager liggen dan de omgeving. Mogelijk is de bovenste laag grond bij het egaliseren afgegraven en/of uitgespreid over het terrein. Er is daarom voor gekozen om het onderzoeksgebied vanaf het huidige maaiveld verdacht te verklaren op OO, dit betreft ongeroerde grond. Er zijn de volgende uitzonderingen: De locaties waar bodemsanering heeft plaatsgevonden, zijn tot de diepten van de ontgravingsput geroerd. De grond onder de bestrate parkeerplaats aan de Groenveldsingel is tot 0,50 m -mv geroerd i.v.m. (fundering)slagen onder de bestrating. 7
Bombs Away, ‘Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten na-conflictperiode Kaldenkerkerweg Gemeente Venlo’, kenmerk: 21P188 herzien rapport versie 1.2, d.d. 20 april 2023.
Hoofdstuk 5
39
Advies Voorafgaand aan de voorgenomen bodemingrepen binnen het onderzoeksgebied wordt geadviseerd om een risicoanalyse (RA) OO te laten uitvoeren voor de delen die nog verdacht op OO zijn, waarbij dit VNC als basis zal dienen. De RA OO heeft tot doelstelling het vaststellen en beoordelen van de risico’s van de mogelijk aanwezige OO, gegeven de toekomstige werkzaamheden. Daartoe worden de risico’s op schade en letsel ten gevolge van een accidentele werking van OO geïnventariseerd en beoordeeld. Tevens wordt op basis van een analyse van de risico’s van OO voor de daadwerkelijke uitvoering van het project bepaald wat de meest geschikte opsporingstechniek of andere beheersmaatregelen zijn. Risico Analyse Ontplofbare Oorlogsresten Door Bombs Away is een risico analyse ontplofbare oorlogsresten 8 uitgevoerd. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Conclusies VNC Aangezien de na-conflictperiode niet in het gemeentebreed historisch vooronderzoek OO is opgenomen, is ten behoeve van deze RA hiernaar aanvullend onderzoek verricht. De na-conflictperiode is in het VNC verwoord. Op basis van het uitgevoerde VNC kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De horizontale afbakening van het verdachte gebied is gehandhaafd.
De verticale afbakening van het verdachte gebied is aangepast en indicatief vastgesteld. De resultaten zijn in de Bodembelastingkaart OO van het VNC verwoord. Conclusie RA Op basis van de uitgevoerde RA kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Binnen het onderzoeksgebied is er kans op het aantreffen van Amerikaanse brisantbommen van 100 t/m 1000 lb. en Britse brisantbommen van 40 t/m 1000 lb. De brisantbommen kunnen diverse soorten ontstekers bevatten, waaronder lange vertraging-ontstekers met een voorgespannen slagpinveer. Verder is er kans op het aantreffen van geschutmunitie met een kaliber van 40 mm t/m 240 mm. Advies Er is een advies opgesteld van de te nemen maatregelen op genomen die – in relatie met opsporingswerkzaamheden OO – tijdens de uit te voeren werkzaamheden toegepast kunnen worden. Voor het volledige advies wordt verwezen naar bijlage 6. 5.1.6
Milieuzonering
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig 8
Bombs Away, ‘Risico Analyse Ontplofbare Oorlogsresten Kaldenkerkerweg Gemeente Venlo’, kenmerk: 21P188 Herzien rapport versie 1.2, d.d. 20 april 2023.
Hoofdstuk 5
40
zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij toekomstige planontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’9. Twee omgevingstypen De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woon-
Richtafstand tot omgevingstype gemengd ge-
wijk en rustig buitengebied
bied
1
10 m
0 m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding.
9
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 5
41
Toets plangebied De realisatie van een supermarkt betreft geen milieugevoelige functie. In dit geval hoeft daarom alleen bekeken te worden of het goede woon- en leefklimaat van de milieugevoelige functies in de omgeving gewaarborgd kan blijven. In de praktijk is het echter niet uitgesloten dat omwonenden desondanks overlast kunnen ondervinden. Econsultancy heeft een onderzoek industrielawaai 10 uitgevoerd. Hieronder wordt een samenvatting en de conclusie van het onderzoek weergegeven. Het volledige rapport is als bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Er is in het gebied rondom het voormalig Gebraterrein sprake is van een matige functievermenging. Daarnaast zijn de woningen in de omgeving van het plan gelegen binnen de zonde van relatief drukke wegen en het spoor. Gebieden die langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren tot het omgevingstype gemengd gebied op grond van de VNG brochure. Derhalve wordt de eerste bouwlijn getypeerd als een gemengd gebied. Voor een (discount) supermarkt geldt in een gemengd gebied een richtafstand 0 meter. Op basis van expert judgement kan niet zondermeer worden volstaan met het doorlopen van stap 1 uit de brochure (hanteren van de richtafstanden) en is een gemotiveerde toepassing en nader onderzoek noodzakelijk.
In overleg met het bevoegd gezag is voor de woningen verder in de woonwijk (bijvoorbeeld Van Vogelsanckstraat 11) afgesproken aan te sluiten bij de gebiedstypering ‘rustige woonwijk’. Het akoestisch onderzoek heeft als doel het bepalen van de geluidsbelasting op de omgeving en deze te beoordelen op basis van het toetsingskader. De supermarkt valt onder een type B inrichting welke volledig onder de werkingssfeer van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) vallen. Dergelijke inrichtingen dienen bij het bevoegd gezag melding te maken van een oprichting van de inrichting. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tevens getoetst te worden aan de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. In de rapportage worden beide toetsingskaders gehanteerd. De gemeente Venlo heeft enkel geluidsbeleid opgesteld voor gezoneerde industrieterreinen (Venlo Trade Port). Voor het onderzoek naar het plan kan worden volstaan met een toetsing aan de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit. De berekeningen zijn uitgevoerd conform methode II.8 van de handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM,1999) met behulp van het softwarepakker Geomilieu versie 2021.1. In het model zijn de inrichting en de directe omgeving opgebouwd door middel van gebouwen, bodemgebieden, geluidsbronnen en toetspunten.
Om het woon- en leefklimaat in de omgeving te waarborgen, worden een viermaal schermen gerealiseerd aan de rand van het perceel. In onderstaande tabel is het berekend langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximale geluidsniveau en de indirecte hinder weergegeven. Volgens de systematiek van de Handreiking worden de geluidsbelastingen op de woningen in de dagen avond-/nachtperiode op respectievelijk 1,5 en 5 meter
10
Econsultancy, Rapportage akoestisch onderzoek industrielawaai Kaldenkerkerweg 97, rapportnr.: 15886.002, d.d. 30 maart 2023.
Hoofdstuk 5
42
hoogte getoetst. Er zijn geen toeslagen voor bijzondere geluiden toegepast. Er is gerekend met een verruimde openingstijden tot 22:00 uur.
Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximale geluidsniveau en de indirecte hinder vindt een overschrijding plaats van de richt- en grenswaarde conform de VNG-publicatie stap 2 en het Activiteitenbesluit. De overschrijding bedraagt ten hoogste 5 dB(A) en 2 dB(A) voor respectievelijk het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau/de indirecte hinder voor de woning gelegen aan de Scharzenbergstraat 4. De overschrijdingen treden uitsluitend op in de avondperiode. Bronmaatregelen voor het plan zullen op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard stuiten. Het woon- en leefklimaat in de woning (binnenniveau) wordt, bij aansluiting op de grenswaarden voor in- of aanpandige gevoelige gebouwen van 30 dB(A) langtijdgemiddeld en 50 dB(A) maximaal, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. Ingevolge de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening mag vanuit worden gegaan dat bij een goed onderhouden woning de geluidwering tenminste 20 dB bedraagt. Op basis van de staat van onderhoud van de woning wordt geconcludeerd dat het vereiste binnenniveau in de woningen wordt gegarandeerd. Daarnaast vinden geen overschrijdingen plaats van de richt- en grenswaarde ter plaatse van de begane grond.
Het woon- en leefklimaat rondom de woningen (bijvoorbeeld in de achtertuin) zal hierdoor dan ook gewaarborgd worden. Derhalve kan de (geringe) overschrijding acceptabel worden geacht en zal het woon- en leefklimaat in de toekomst gewaarborgd worden. In het kader van het Activiteitenbesluit dienen als aanvulling hierop voor de supermarkt wel maatwerkvoorschriften te worden vastgesteld om de hogere belasting in de avondperiode toe te staan.
Hoofdstuk 5
43
5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.2.1
Archeologie
In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. Econsultancy heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek 11 uitgevoerd. In deze paragraaf zal een samenvatting en de conclusie van het rapport worden besproken. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied ligt op een hoger gelegen deel in de buurt van een beekdal en zou dien ten gevolgen een goede locatie zijn voor jagers en verzamelaars. Het ligt echter wel op enige afstand van het beekdal. Dit tezamen met het ontbreken van vondstmeldingen uit het Paleolithicum en Mesolithicum geeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de aanwezigheid van resten van jagers en verzamelaars. Het plangebied lijkt hoog en droog genoeg te liggen om voor landbouwsamenlevingen geschikt te zijn. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van menselijke activiteit in de omgeving van het plangebied (de vondstmeldingen) zijn er alleen voor de perioden Neolithicum en Nieuwe tijd. Het Neolithicum krijgt daarom een hoge verwachting en de perioden Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen een
11
Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Kaldenkerkerweg 97 te Venlo, rapportnr.: 15886.001, d.d. 3 februari 2022.
Hoofdstuk 5
44
middelhoge verwachting. Aangezien het plangebied op de oudst beschikbare kaarten aan een doorgaande weg ligt, de huidige Kaldenkerkerweg, er in de eerste kwart van de 19e eeuw en eind 19e en begin 20e eeuw bebouwing in het plangebied staat, gecombineerd met de aanwijzingen voor de aanwezigheid van menselijke activiteit in de omgeving van het plangebied zorgt ervoor dat het plangebied een hoge archeologische verwachting krijgt voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodem in het plangebied is verstoord tot wisselende dieptes, en deels is afgegraven. De verstoringen zijn dermate uitgebreid en diepgaand dat ze waarschijnlijk niet toe te schrijven zijn aan historische bebouwing in het plangebied maar aan de bouw en sloop van de voormalige garage (met ondergrondse brandstoftanks) die in het plangebied heeft gestaan. Conclusie Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo).
Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 5.2.2
Cultuurhistorie
Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg ligt het plangebied binnen cultuurhistorisch vlakelement in de vorm van een gebeid met sedert 1830 weinig veranderd verkavelingspatroon. De Kaldenkerkerweg betreft een cultuurhistorisch lijnelement in de vorm van een andere weg ouder dan 1806. De Kaldenkerkerweg is één van de historische uitvalswegen van vestingstad Venlo. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde zich veelal monumentale bebouwing, vanaf de stad naar het oosten, langs deze weg. Ook nu is het één van de ‘toegangspoorten’ tot de stad. Hier dient rekening mee gehouden worden. De toekomstige bebouwing moet derhalve ruimtelijke kwaliteit toevoegen. De gevels aan de Kaldenkerkerweg worden deels groen. Daarnaast wordt het gebied rond om de discount supermarkt groen ingericht. Dit voegt kwaliteit toe aan de omgeving.
Hoofdstuk 5
45
Het ontwerp zal aan de welstandscommissie worden voorgelegd ter toetsing.
5.3 Natuur en landschap In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gebieden met natuurwaarden of hoge landschapswaarden aanwezig. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De openheid van het landschap wordt door deze ontwikkeling niet aangetast vanwege de ligging in het bebouwde gebied. Gezien de grote afstand tot gebieden met natuur- of landschapswaarden zal het bouwplan geen afbreuk doen aan de waarden van deze gebieden.
5.4 Ecologie Gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone.
Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstand De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming,
Hoofdstuk 5
46
geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming); Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb); Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wbn). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing Quickscan flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna12 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen
12
BRO, ‘Quickscan flora en fauna Kaldenkerkerweg ong. te Venlo, projectnr.: P04381, d.d. 4 februari 2022.
Hoofdstuk 5
47
afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen van een vleermuissoort. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Stikstof In het kader van de beoogde ontwikkeling is door BRO en Tritium een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd.13 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.
13
BRO, ‘AERIUS-berekening Kraanvogelstraat 36 en Kaldenkerkerweg, projectnr.: P04381, d.d. 27 maart 2023.
Hoofdstuk 5
48
Het rekenresultaat met de ingevoerde verkeersbewegingen is niet hoger dan 0,00 mol/ha/j op Nederlandse Natura 2000 gebieden. Zodoende kan geconcludeerd worden dat er ook geen overschrijding zal plaatsvinden om de stikstofgevoelige habitattypen van de omliggende Natura-2000 gebieden in Nederland. Op het Natura 2000-gebied in Duitsland zijn de rekenresultaten wel hoger dan 0,00 mol/ha/j, namelijk 0,01 mol/ha/j. Voor de in Duitsland gelegen natuurgebieden geldt een afwijkend toetsingskader. Op basis van jurisprudentie14 worden voor activiteiten op Nederlands grondgebied de toetsingskaders van Duitsland gehanteerd. Voor de Duitse Natura 2000-gebieden geldt een drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar. Een aantoonbaar schadelijk gevolg kan worden uitgesloten bij een stikstofdepositie lager dan of gelijk aan de drempelwaarde, een toestemming voor een plan is dan niet vereist. Het rekenresultaat op het Duitse Natura 2000-gebied is aanzienlijk lager dan de afwijkende drempelwaarde. Houtopstand Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Binnen het plangebied zijn vier bomen aanwezig. Deze bomen zullen ten behoeve van de inrichting van het plan moeten worden gekapt.
Ten tijde van de vergunningaanvraag zal, indien noodzakelijk, een kapmelding worden gedaan dan wel kapvergunning worden aangevraagd. Conclusie Quickscan flora en fauna Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, de boom binnen het plangebied voor maart of na half augustus verwijderd te worden, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval in de boom kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen.
Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het plaatsen van nestkasten of vleermuiskasten binnen het plangebied, kan het plangebied wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee 14
ABVRS, 16 april 2014, 201304768
Hoofdstuk 5
49
een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/). Stikstof Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.
5.5 Leidingen en infrastructuur In het plangebied zijn geen planologisch te beschermen leidingen aanwezig en worden geen nieuwe ontwikkelingen van kabels of leidingen met een beschermingszone mogelijk gemaakt. In paragraaf 4.1.4 wordt verder stilgestaan bij de buisleidingen die in de omgeving aanwezig zijn.
5.6 Verkeer en parkeren In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Grenspaal12 een onderzoek naar verkeer en parkeren uitgevoerd.15 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Parkeerbehoefte De nieuwe supermarkt moet voorzien worden in een aantal parkeerplaatsen voor de klanten en werknemers. De parkeerbehoefte wordt door middel van de landelijke of gemeentelijke kencijfers in beeld gebracht. CROW voorziet in de landelijke kencijfers. Binnen de hoofdcategorie winkelen en boodschappen wordt een groot aantal functies onderscheiden. Voor supermarkten worden drie soorten onderscheiden, met name een ‘buurtsupermarkt (<600 m² wvo)’, ‘fullservice-supermarkt (tussen 1.000 m² en 2.000 m² wvo)’ en ‘grote supermarkt (> 2.500 m² wvo)’. De term ‘fullservice-supermarkt’ is in deze opgave misleidend omdat het hier gaat om een ‘discount’supermarkt maar de grootte de oppervlakte van de supermarkt is hierin leidend doordat de oppervlakte van de nieuwe supermarkt van circa 1.481 m² wvo beslaat. De gemeente Venlo kent volgens de statistieken van CBS een adressendichtheidscijfer van 1.660 omgevingsadressen per km². Op wijkniveau zit de omgevingsadressendichtheid op 1.326 adressen per km². Volgens de tabellen van CBS komt dit overeen met een matig stedelijke omgeving. 15
Grenspaal12, ‘Verkeersonderzoek supermarket Kaldenkerkerweg Venlo’, kenmerk: 21-1003-01, d.d. 23 juni 2022.
Hoofdstuk 5
50
Volgens de parkeerzones van de gemeente Venlo valt de locatie van de supermarkt niet in de centrumzone of schil rond het centrum. De locatie kan daarmee worden beschouwd als ‘rest bebouwde kom’. Volgens deze landelijke normering van CROW moet het aantal noodzakelijke parkeerplaatsen berekend worden aan de hand van de brutovloeroppervlakte van de winkel daar waar de categorisering uitgaat van het aantal winkelvloeroppervlakte. Per 100 m² bvo worden voorzien in minimaal 4,0 parkeerplaatsen en maximaal 6,4 parkeerplaatsen. De parkeerplaats van de supermarkt moet, gelet op deze normering, minimaal 97 parkeerplaatsen tellen. Het maximale aantal parkeerplaatsen bedraagt maximaal 155 parkeerplaatsen. Volgens het ontwerp, dd. 20-05-2022, worden circa 118 parkeerplaatsen voorzien op eigen terrein bestaande uit 112 reguliere parkeerplaatsen, 2 parkeerplaatsen met laadpunten voor elektrische motorvoertuigen, 2 mindervalideparkeerplaatsen en 2 parkeerplaatsen voor “gezinnen”. Parkeerbalans Op dit moment zijn 13 openbare parkeerplaatsen voorzien op de huidige terreinen van de nieuwe supermarkt. Deze parkeerplaatsen verdwijnen op de huidige locatie, maar worden volledig gecompenseerd in de zone aanpalend aan de nieuwe parkeerplaats. Middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd dat de 13 parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd.
Verkeersgeneratie De supermarkt zal een extra verkeersstroom met zich meebrengen. Om deze extra verkeersstroom in beeld te brengen wordt gewerkt met de standaard Rekentool Verkeersgeneratie en Parkeren van het CROW, waarbij het aantal m² van het te realiseren project als input voor de berekening dient. Deze rekentool maakt gebruik van de CROW-publicatie 381, ‘toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, versie 2018. Deze publicatie schrijft voor dat een supermarkt van dergelijke omvang een verkeersaantrekkende functie heeft van minimaal 92,3 motorvoertuigen per 100m² bvo. De maximale verkeersgeneratie bedraagt 133,9 motorvoertuigen per 100 m² bvo. De nieuwe supermarkt zal naar verwachting minimaal 2229,0 en maximaal 3233,69 motorvoertuigen aantrekken per etmaal. De maximale verwachte verkeersgeneratie bedraagt maximaal 3.234 motorvoertuigen per etmaal. Deze extra verkeersgeneratie moet worden toebedeeld aan de omliggende wegen. De aanliggende wegen kunnen de extra verkeersbewegingen theoretisch aan. Er worden geen doorstromingsproblemen of capaciteitsproblemen verwacht door de komst van de supermarkt. De gestelde (theoretische) grenzen van de wegen worden niet overschreden.
Hoofdstuk 5
51
5.7 Waterparagraaf Deze paragraaf beschrijft hoe in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem geeft inzicht in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Kenmerken van het watersysteem Door Econsultancy is een waterparagraaf opgesteld en een infiltratieonderzoek 16 uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt de samenvatting en conclusie van de waterparagraaf en het infiltratieonderzoek weergegeven. Grondwater en waterkwaliteit Op de kruising Groenveldsingel-Leutherweg is op een afstand van ca. 145 meter is één grondwaterpeilput gelegen.
Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen, in westelijke tot noordwestelijke richting. Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilput alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op circa 21,50 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ca. 2,5 m -mv bevinden. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin-, attentiegebied of boringsvrijezone. Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. Infiltratieonderzoek De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde.
16
Econsultancy, Rapportage watertoets Kaldenkerkerweg 97 te Venlo, rapportnr.: 15886.004, d.d. 3 april 2023.
Hoofdstuk 5
52
Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als vrij goed tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,8 en 3,5 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 1,0 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Dit betekent dat bij de verdere planuitwerking water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en dat hemelwater op een duurzame wijze wordt verwerkt. De ontwikkeling zal daarmee hydrologisch neutraal zijn. Binnen de planlocatie is weinig ruimte beschikbaar om hemelwater bovengronds te bergen. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar een ondergrondse voorziening.
Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd. Infiltratiekratten Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels infiltratiekratten. Bij de berekening is uitgegaan van de inhoud van de Q-Bic+ Infiltratie unit van Wavin (430 liter). Er is gekozen voor de toepassing van de Q-Bic+ infiltratiekrat omdat deze inspecteerbaar en reinigbaar is. Het gebruik van andere systemen is uiteraard ook mogelijk. Behoudens de toepassing van infiltratiekratten kan eventueel ook gekozen worden voor het bergen van hemelwater door toepassing van het Rockflow systeem van Lupinus of de Watertable van Trewatin. Eventueel kan het hemelwater ook worden geborgen in de fundering van de toekomstige bestrating en parkeervakken. De uiteindelijke uitwerking van het hemelwatersysteem zal, rekening houdend met exploitatie/ onderhoud enz., tijdens de verdere planuitwerking en het planproces in overleg tussen Ten Brinke en Lidl nader worden uitgewerkt.