CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

041 bijl01 Vaststelling BP Supermarkt Kaldenkerkerweg Kraanvogelstraat.pdf

Raadsvergadering 28 juni 2023, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: RV 41 Vaststelling bestemmingsplan supermarkt Kaldenkerkerweg Kraanvogelstraat Venlo28.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 5

53

Wanneer de kratten over de volledige lengte van de rijweg (240 m) gestapeld (1,2 m hoog) worden aangelegd bedraagt het wandoppervlak van de infiltratiekratten uitgaande van een veld van 3 kratten breed (1,8 m) en 200 kratten lang (240 m) ca. 580 m 2. Voor de doorlatendheid van de ondergrond wordt uitgegaan van een rekenwaarde van 1 m/dag. Het afvoerend oppervlak is overeenkomstig 0,6785 ha. Uitgaande van deze kengetallen bedraagt de ledigingscapaciteit van het systeem ca. 42 mm/dag (=285 m3/dag). Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de infiltratie gedurende 24 uur. Op basis van de infiltratiecapaciteit gedurende 24 uur bedraagt de dynamische berging bij gelijkblijvend wandoppervlak ca. 395 m 3. Uitgaande van een dynamisch berging van 395 m 3 zijn in totaal ca. 920 kratten benodigd. Afvalwater Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Advies Waterschap Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc.

is in het kader van de keur een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

5.8 Milieueffectrapportage 5.8.1 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een discount supermarkt mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: “de aan-

Hoofdstuk 5

54

leg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 5.4 ‘Ecologie’ blijkt er geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van een plan-m.e.r.-plicht.

Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, onderdeel D (11.2) van het Besluit m.e.r, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er geldt geen planm.e.r.-plicht. 5.8.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.

Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk.

Hoofdstuk 5

55

Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van onderhavig bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 8.000 m². Het project richt zich op de realisatie van een discount supermarkt. Binnen het plangebied wordt 2.415 m2 bvo bestemd voor de supermarkt. Het overige gedeelte van het plangebied wordt ingericht als een parkeerterrein met circa 118 parkeerplaatsen met groenvoorziening.

Hoofdstuk 5

56

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Cumulatie met andere projecten

Nee, er is geen sprake van cumulatie met andere projecten.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval wat ontstaat tijdens de bouw van de toekomstige bebouwing zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen permanente nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat. Bodem (zie ook paragraaf 5.1.1): Op de locatie sprake is (geweest) van een viertal gevallen van bodemverontreiniging: 

Geval A: sterk met minerale olie verontreinigde grond en grondwater (SUBATsanering 1996-2002);

Geval B: sterk met zware metalen verontreinigde toplaag;

Geval C: diffuus licht met zware metalen en PAK verontreinigde bovengrond (geen belemmering voorgenomen gebruik);

Geval D: licht tot sterke met minerale olie verontreinigde bodem als gevolg van de voormalige garageactiviteiten (2005 gesaneerd, geen nazorg nodig, geen belemmering voorgenomen gebruik).

Geval E: sterke puntverontreiniging met asbest.

Voor al deze gevallen is in 2020 een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2022 aangevuld.

Deellocatie A en B zijn in het kader van dit bestemmingsplan in 2022 (aanvullend) onderzocht. Daarin wordt geconcludeerd: 

Deellocatie A geval A: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik.

Deellocatie A geval B: zware metalen verontreiniging voldoende in beeld, saneren met BUS-melding.

Deellocatie A geval C: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik..

Deellocatie A geval D: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik.

Deellocatie A geval E: asbest verontreiniging voldoende in beeld, saneren met BUS-melding.

Deellocatie B: slechts lichte verontreinigingen geconstateerd, geen nader onderzoek nodig, geen belemmering voor voorgenomen gebruik.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.3): Titel 5.2 van de Wet milieubeheer legt geen beperkingen op voor de realisatie van een nieuwe supermarkt. De NIBM-toets geeft

Hoofdstuk 5

57

Kenmerken van het project Criteria

Toets aan dat het plan mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Raadpleging van de NSL-Monitoringstool en berekeningen met de NSL-Rekentool laten voorts zien dat de jaargemiddelde grenswaarden voor de jaren 2020, 2022 en 2030 niet worden overschreden. Evenmin wordt het daggemiddelde niet vaker overschreden dan toegestaan. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat uitgegaan is van een worst-case benadering, waarbij alle extra verkeersbewegingen dat het planvoornemen met zich meebrengt op alle rekenpunten is meegenomen in de berekeningen. Een goed (woon- en) leefklimaat met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit is in de omgeving van het plangebied ten gevolge van het planvoornemen gewaarborgd.

Externe veiligheid (zie ook paragraaf 5.1.4): Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat het gesommeerd groepsrisico voor het spoortraject (route 12 en 50) in de bestaande en de toekomstige situatie hoger is dan de oriëntatiewaarde. Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de plaatsgebonden risicocontouren van 10-6/jaar en er is geen plasaandachtsgebied (PAG) aanwezig. Het groepsrisico als gevolg van het emplacement in zowel de bestaande als de toekomstige situatie is hoger dan de oriëntatiewaarde. Er is derhalve een volledige verantwoording van het groepsrisico gegeven. Het maatgevende scenario als gevolg van een calamiteit op het spoor en/of emplacement is een koude en/of warme BLEVE. Aanbevolen wordt om bouwkundige maatregelen te treffen.

Geluid industrielawaai (zie ook paragraaf 5.1.6: Het woon- en leefklimaat in de woning (binnenniveau) wordt, bij aansluiting op de grenswaarden voor in- of aanpandige gevoelige gebouwen van 30 dB(A) langtijdgemiddeld en 50 dB(A) maximaal, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. Ingevolge de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening mag vanuit worden gegaan dat bij een goed onderhouden woning de geluidwering tenminste 20 dB bedraagt. Op basis van de staat van onderhoud van de woning wordt geconcludeerd dat het vereiste binnenniveau in de woningen wordt gegarandeerd. Daarnaast vinden geen overschrijdingen plaats van de richt- en grenswaarde ter plaatse van de begane grond. Het woon- en leefklimaat rondom de woningen (bijvoorbeeld in de achtertuin) zal hierdoor dan ook gewaarborgd worden. Derhalve kan de (geringe) overschrijding acceptabel worden geacht en zal het woon- en leefklimaat in de toekomst gewaarborgd worden. In het kader van het Activiteitenbesluit dienen als aanvulling hierop voor de supermarkt wel maatwerkvoorschriften te worden vastgesteld om de hogere belasting in de avondperiode toe te staan.

Hoofdstuk 5

58

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van een discount supermarkt. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron. Het planvoornemen voor zal niet leiden tot een groter risico van ongevallen.

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie hebben de gronden deels de bestemming ‘Groen’, gedeeltelijk de bestemming ‘Verkeer’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’. Het betreft een braakliggend perceel.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Vogel-schutz-

den, reservaten en natuurparken,

gebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' (in Duitsland)’ is gelegen

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

op circa 2,8 kilometer en natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ is gelegen op circa 7,9 kilometer van het projectgebied. Uit de AERIUS- berekening is gebleken dat bij de gebruiksfase de rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op het Duitse natura 2000-gebied, namelijk 0,01 mol/ha/j. Voor de Duitse Natura 2000-gebieden geldt een drempelwaarde van 7,14 mol/ha/jaar. De depositie van onderhavig ruimtelijk initiatief is dermate lager dan de drempelwaarde dat daarmee op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten kunnen worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming.

gebieden waarin bij communau-

N.v.t.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.2): De Kaldenkerkerweg is één van de histori-

tureel of archeologisch belang

sche uitvalswegen van vestingstad Venlo. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde zich veelal monumentale bebouwing, vanaf de stad naar het oosten, langs deze weg. Ook nu is het één van de ‘toegangspoorten’ tot de stad. Hier dient rekening

Hoofdstuk 5

59

Kenmerken van het project Criteria

Toets mee gehouden te worden. De toekomstige bebouwing moet derhalve ruimtelijke kwaliteit toevoegen. De gevels aan de Kaldenkerkerweg worden deels groen. Daarnaast wordt het gebied rond om de discount supermarkt groen ingericht. Dit voegt kwaliteit toe aan de omgeving. Archeologie (zie ook paragraaf 5.2): Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Ne-

(voormalige EHS)

derland (NNN). De dichtstbijzijnde goudgroene natuurzone (Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk) ligt op ongeveer 300 meter ten oosten van het plangebied. Zie paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Het plangebied is gelegen in de boringsvrije zone Venloschol, binnen het plange-

en grondwaterbeschermingsgebieden

bied zijn echter geen grondboringen voorzien van dieper dan 5 meter boven NAP, zie paragraaf 5.7.

Beschermd monument

Nee.

Belvedere-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

N.v.t.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling bedraagt 3.234 voertuigbewegin-

Hoofdstuk 5

60

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets gen per etmaal. De aanliggende wegen kunnen de extra verkeersbewegingen theoretisch aan. Er worden geen door-stromingsproblemen of capaciteitsproblemen verwacht door de komst van de discount supermarkt. De gestelde (theoretische) grenzen van de wegen worden niet overschreden. Uit de akoestische onderzoeken blijkt dat er evenmin sprake zal zijn van onevenredige effecten voor de omgeving als gevolg van de vestiging van de supermarkt.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is sprake van de herontwikkeling van een braakliggend terrein. Op deze onbe-

van het effect

bouwde gronden wordt een discount supermarkt van circa 2.415 m2 gerealiseerd. Tevens wordt er een parkeerplaats aangelegd met circa 118 parkeerplaatsen. De effecten zijn blijvend. Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het besluit m.e.r. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 5

61

6.

PLANSTUKKEN

6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en de voorliggende toelichting.

6.2 Toelichting op de analoge verbeelding De analoge verbeelding is getekend op de GBKN, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de GBKN geen juridische status heeft.

6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is aangesloten bij het SVBP 2012 en de bestemmingsplannen ‘Venlo-Oost’ en ‘Venlo Zuid’. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012.

Hoofdstuk 6

62

Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Bij een bestemming kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen ten behoeve van de in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen. Het bevoegd gezag kan bepalen om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te verlenen en afwijken van de bouwregels. In de specifieke gebruiksregels wordt o.a. geregeld welke functies als zijnde verboden gebruik worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels onder bepaalde voorwaarden.

Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Detailhandel De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor detailhandel, een supermarkt ter plaatse van de aanduiding ‘supermarkt’, laden en lossen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel – laden en lossen’ en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

Hoofdstuk 6

63

Gemengd De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen, een verhuurbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte en buitenruimte van gezamenlijk niet meer dan 2.500 m2, het uitoefenen van sportactiviteiten en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen. De aanduiding ‘supermarkt’ is ter plaatse van de voormalige locatie van de Lidl-vestiging weggehaald. Verkeer – Verblijfsgebied De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting, straatmeubilair, voorzieningen van algemeen nut met de daarbij behorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde – Archeologie middelhoog Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend moet archeologisch onderzoek worden gedaan. Onderzoek is niet nodig bij bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 500 m 2 of tot een diepte van 40 cm.

Voor het uitvoeren van de genoemde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Ook hier moet eerst archeologisch onderzoek worden gedaan, en geldt een minimale oppervlakte van 500 m2 en een minimale diepte van 40 cm. Aan omgevingsvergunningen kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming verwijderen. Waterstaat – Waterbergend rivierbed De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden, zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de berging van rivierwater. Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene bouwregels is een algemene beschermingsregel opgenomen ten behoeve van bouwwerken. Daarnaast zijn regels opgenomen met betrekking tot het overschrijden van de bouwgrens en ondergronds bouwen.

Hoofdstuk 6

64

In de algemene gebruiksregels is het strijdig gebruik opgenomen en zijn regels opgenomen met betrekking tot de voorwaardelijke verplichting voor de supermarkt. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de overige regels zijn de parkeernormen opgenomen. Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 6

65

7.

UITVOERBAARHEID

7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. De voorgenomen ontwikkeling, is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a en b. Het kostenverhaal voor wordt geregeld middels een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. In deze overeenkomst is tevens het verhaal van eventuele planschadekosten geregeld.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Het plan is voorgelegd aan de Provincie Limburg en Waterschap Limburg. De provincie heeft het plan beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan heeft geen aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen. Vanuit het waterschap is geen advies ontvangen op het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7

66

Omgevingsdialoog Voor de beoogde ontwikkeling van de discount supermarkt heeft een omgevingsdialoog plaats gevonden. De resultaten van deze dialoog zijn beknopt worden toegevoegd als bijlage bij onderhavig bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7

67

8.

PROCEDURE

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De volledige procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan.  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten.  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht.  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend.  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling.  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden.

 Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 27 oktober 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder heeft gedurende deze termijn ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan zienswijzen kunnen indienen bij de gemeenteraad. Gedurende deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Voor de inhoudelijke beantwoording van de zienswijze wordt verwezen naar de nota van zienswijzen, welke als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan is gevoegd.

Hoofdstuk 8

68

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 4: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 5: Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Bijlage 6: Risico Analyse Ontplofbare Oorlogsresten Bijlage 7: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 8: Archeologisch onderzoek Bijlage 9: Quickscan flora en fauna Bijlage 10: Stikstofdepositieberekening Bijlage 11: Verkeer- en parkeeronderzoek Bijlage 12: Watertoets Bijlage 13: Omgevingsdialoog Bijlage 14: Adviesnota regio Bijlage 15: Zonstudie

Hoofdstuk 8

69

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bestemmingsregels Detailhandel Gemengd Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologie Waarde - Archeologie middelhoog Waterstaat - Waterbergend rivierbed

11 11 13 15 17 19 21

Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Overige regels

22 22 23 24 25

Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

26 26 27

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten

29 30

2

REGELS

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 9

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bestemmingsregels Detailhandel Gemengd Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologie Waarde - Archeologie middelhoog Waterstaat - Waterbergend rivierbed

11 11 13 15 17 19 21

Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Overige regels

22 22 23 24 25

Hoofdstuk 4 Artikel 13 Artikel 14

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

26 26 27

Bijlagen bij regels Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten

29 30

2

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan:

het bestemmingsplan 'Supermarkt Kaldenkerkerweg - Kraanvogelstraat' van de gemeente Venlo; 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0983.BP202205KALDKRAAN-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aan- en/of uitbouw:

een aan een hoofdgebouw vastgebouwd gebouw, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in directe verbinding staat met het hoofdgebouw; 1.6

ander bouwwerk:

Een bouwwerk geen gebouw zijnde; 1.7

archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door of namens de gemeente of door een dienst, bedrijf of instelling, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 1.8

archeologische verwachting

de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; 1.9

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden); 1.10

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde;

4

1.11

bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.12

bebouwingsgrens

de op de verbeelding als zodanig aangegeven lijn, welke niet door gebouwen mag worden overschreden behoudens krachtens de regels duidelijk toegelaten afwijkingen; 1.13

begane grond:

een bouwlaag geen verdieping zijnde; 1.14

bestaand:

bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het bestemmingsplan als ontwerp; bij gebruik: bestaand ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan. 1.15

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak; 1.16

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak; 1.19

bouwlaag

een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.20

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21

bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel; 1.22

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegelaten;

5

1.23

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.25

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsmede anders dan voor verbruik ter plaatse; 1.26

eigen terrein:

de percelen die in eigendom zijn van de initiatiefnemer; 1.27

erf:

het gedeelte van het bouwperceel bestaande uit achtererf en zijerf waarop volgens de regels bijgebouwen mogen worden opgericht; 1.28

gebied met archeologische waarde:

gebied met zeer hoge, hoge tot middelhoge of lage archeologische waarde of verwachting. 1.29

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30

hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.31

lijst van bedrijven:

de lijst van bedrijven bevat basisinformatie voor milieuzonering, en is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze regels; 1.32

ondergronds bouwwerk:

een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil; 1.33

overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport;

6

1.34

parkeervoorziening

een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van motorvoertuigen; 1.35

peil:

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.36

perceelsgrens:

een grens van een bouwperceel; 1.37

prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie; 1.38

seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.39

stedenbouwkundig beeld:

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaald beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n), voor zover nader beschreven in de toelichting op dit plan en/ of voor zover nader aangegeven op de verbeelding; 1.40

straatprostitutie

het zich op de openbare weg of in een zich op de openbare weg bevindend voertuig beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding; 1.41

supermarkt:

een zelfbedieningszaak in goederen met hoofdzakelijk een grote verscheidenheid aan levens- en genotsmiddelen; 1.42

verkeer:

wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, railverkeer, luchtverkeer, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting en/ of straatmeubilair; 1.43

voorgevel:

een of meer gevel(s) van een gebouw die is/ zijn gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant(en) van een gebouw vorm(t)(en);

7

1.44

voorgevellijn

de naar de hoofdweg gekeerde grens van het bouwvlak; 1.45

voorzieningen van algemeen nut:

voorzieningen ten behoeve van het op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/ of het wegverkeer; 1.46

weg:

een voor het rij- en ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden; 1.47

wonen:

het gehuisvest zijn in een woning; 1.48

woning:

een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

8

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

Gebouwen en bouwwerken

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1.1

De afstand van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens:

vanaf de buitenwerkse gevelvlakken dan wel, indien sprake is van overstekende daken met een overstekend gedeelte van meer dan 0,75 m, respectievelijk overstekken van meer dan 0,75 m, vanaf de buitenrand van het overstekende dak/de overstek, neerwaarts geprojecteerd, tot de kadastrale zijgrens van het perceel. 2.1.2

De bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.3

De breedte van een gebouw:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.1.4

De goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.1.5

De inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.1.6

De gebruiksoppervlakte van een bouwwerk:

het verschil tussen de oppervlakte gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies, die de betreffende ruimte of groep van ruimten omhullen en de totale oppervlakte van: delen van vloeren, waarboven de netto-hoogte kleiner is dan 1,5 m, met uitzondering van vloeren onder trappen, hellingbanen e.d.; een liftschacht; een trapgat, schalmgat of vide, indien de oppervlakte daarvan groter is dan of gelijk is aan 4 m²; een vrijstaande bouwconstructie (niet zijnde een trap) indien de horizontale doorsnede daarvan groter is dan of gelijk is aan 0,5 m²; een leidingschacht, indien de horizontale doorsnede daarvan groter is dan of gelijk is aan 0,5 m²; een dragende binnenwand; met dien verstande dat: een gestapelde woning een gebruiksoppervlakte heeft van minimaal 100 m², waarbij de gebruiksoppervlakte van de gezamenlijke ruimten niet worden meegerekend en de gebruiksoppervlakte van ruimte die niet direct grenzen aan de gestapelde woning (zoals een berging) voor maximaal 15 m² worden meegerekend;

9

2.2

Ondergeschikte bouwdelen

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, stoeptreden, balkons, dorpels, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten. 2.3

Meetpunt

a. Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in deze regels in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten: 1. afstanden loodrecht, 2. hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en 3. maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven. b. Bij de toepassing van het bepaalde in lid 2.3, sub a onder 2 wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

10

Hoofdstuk 2 Artikel 3

3.1

Bestemmingsregels

Detailhandel

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. één supermarkt ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt'; b. laden en lossen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - laden en lossen'; c. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; d. tuin; e. wegen en paden; f. groenvoorzieningen; g. parkeervoorzieningen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Gebouwen

Bouwen is uitsluitend toegestaan ten dienste van de in lid 3.1 omschreven doeleinden en met in acht name van de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal de goot- en bouwhoogte zoals is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’; c. de supermarkt ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt' heeft een maximum bruto vloeroppervlakte van 2.415 m2 en een maximum winkel vloeroppervlakte van 1.481 m2; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-blinde gevel' dient een blinde gevel te worden gerealiseerd. 3.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 m bedragen; b. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat er slechts 1 overkappingen per bouwperceel mag worden gerealiseerd en de oppervlakte niet meer dan 30 m2 mag bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in sub b is binnen het bouwvlak een luifel toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 6 meter, met dien verstande dat de luifel binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 80 m2 mag bedragen en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; d. in afwijking van het bepaalde in sub b is een overkapping toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel – laden en lossen' met een bouwhoogte van maximaal 6 meter, met dien verstande dat de overkapping binnen het bouwvlak wordt gerealiseerd en de oppervlakte niet meer dan 30 m2 mag bedragen; e. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer dan 12 m bedragen; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen. 3.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en

11

b. c. d. e. f. g.

leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; ter waarborging van de verkeersveiligheid; ter waarborging van de sociale veiligheid; ter bevordering van de zelfredzaamheid van personen die in de nabijheid van risicobronnen verblijven; ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding.

3.4

Afwijken van de bouwregels

3.4.1

Afwijkingsmogelijkheden

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2.1 sub a en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. het maximum brutovloeroppervlak en maximum winkelvloeroppervlak zoals opgenomen in lid 3.2.1 sub c niet wordt overschreden; d. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 3.2.1 sub c minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 3.5

Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in elk geval verstaan het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. b. c. d. e.

detailhandel in volumineuze goederen; verkooppunten voor motorbrandstoffen; prostitutie en/of seksinrichtingen; verkoop van vuurwerk; coffeeshops.

12

Artikel 4

4.1

Gemengd

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels onder de categorieën 1 en 2, met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle inrichtingen; b. een verhuurbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte en buitenruimte van gezamenlijk niet meer dan 2.500 m2; c. het uitoefenen van sportactiviteiten; d. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: e. f. g. h.

erven en terreinen; wegen en paden; groenvoorzieningen; parkeervoorzieningen. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;

met de daarbij behorende: i. j.

gebouwen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2

Bouwregels

4.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bebouwingspercentage per bouwvlak mag niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven bebouwingspercentage; c. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte. 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel c.q. het verlengde daarvan niet meer dan 1 m mag bedragen; b. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer dan 3 m bedragen, met dien verstande dat er slechts 1 overkapping per bouwperceel mag worden gerealiseerd, de oppervlakte niet meer dan 30 m2 mag bedragen en deze achter de naar de weg gekeerde gevel wordt opgericht; c. in afwijking van het bepaalde in sub b is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – luifel' een luifel toegestaan met een oppervlakte ter grootte van de aanduiding; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 m bedragen. 4.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

13

a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter bevordering van de zelfredzaamheid van personen die in de nabijheid van risicobronnen verblijven; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. 4.4

Afwijken van de bouwregels

4.4.1

Afwijkingsmogelijkheden

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 8.2.1 sub a en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, mits: a. de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak niet meer bedraagt dan 10% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel; b. de afstand tot de perceelsgrens niet minder dan 3 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 4 m bedraagt, met dien verstande dat indien de maximale bouwhoogte van gebouwen gelegen op hetzelfde bouwperceel als bedoeld in lid 8.2.1 sub c minder bedraagt dan 4 m, de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan deze hoogte. 4.4.2

Specifieke gebruik sregels

De in lid 8.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. 4.5

het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in elk geval verstaan het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

geluidzonderingsplichtige inrichtingen; wonen; verkooppunten voor motorbrandstoffen; prostitutie en/of seksinrichtingen; verkoop van vuurwerk; coffeeshops; detailhandel en detailhandel in volumineuze goederen; supermarkt.

14

Artikel 5

5.1

Verkeer - Verblijfsgebied

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

verkeersvoorzieningen; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; straatmeubilair; voorzieningen van algemeen nut;

met de daarbij behorende: f. gebouwen; g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.2

Bouwregels

5.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. er mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd, met uitzondering van een overbouw, behorende bij het aangrenzende gebouw ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - overbouwing'; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; c. de oppervlakte mag niet meer 15 m2 bedragen. 5.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte maximaal 5 m mag bedragen; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de bouwhoogte van lichtmasten niet meer dan 12 m bedragen. 5.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter bevordering van de zelfredzaamheid van personen die in de nabijheid van risicobronnen verblijven; f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. met betrekking tot de in het kader van waterhuishoudkundige voorzieningen alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen te nemen maatregelen ter voorkoming van overlast van hemelwater ten gevolge van nieuw op te richten bebouwing en/of aan te brengen oppervlakteverharding. 5.4

Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in elk geval verstaan het gebruik van de gebouwen en gronden voor: a. standplaats voor kampeermiddelen; b. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen,

15

goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

16

Artikel 6

6.1

Waarde - Archeologie

Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 6.2

Bouwregels

a. Ter plaatse van de voor ‘Waarde - Archeologie' aangewezen gronden dient voor bouwwerken: 1. in geval van nieuwbouw groter dan 100 m², 2. in geval van uitbreiding, met een uitbreiding groter dan 100 m², bij de aanvraag om bouwvergunning een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld. b. Indien uit het onder a bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. c. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een vergunning te verlenen van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1

Verbod

Het is verboden op of in deze gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, of ophogen; b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen; d. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur; e. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand. 6.3.2

Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld 6.3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 6.3.3

Voorwaarden omgevingsvergunning

De werken of werkzaamheden als bedoeld in 6.3.1 zijn slechts toelaatbaar mits:

17

a. een onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 20.1 genoemde doeleinden; b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Venlo.

18

Artikel 7

7.1

Waarde - Archeologie middelhoog

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 7.2

Bouwregels

7.2.1

Archeologisch rapport

Op of in deze gronden dient voor bouwwerken: a. in geval van nieuwbouw groter dan 500 m2; b. in geval van uitbreiding, met een uitbreiding groter dan 500 m2; bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. 7.2.2 In afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.1 dient voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden' bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen altijd een rapport te worden overlegd, waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. De genoemde ondergrens van 500 m2 is ter plaatse van de aanduiding 'archeologische waarden' niet van toepassing. 7.2.3

Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen

Indien uit de vorige leden bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meerdere voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen: a. de verplichting tot het treffen van maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 7.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/115/documents/4578