CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

040 bijl01 Weidsvelden vast te stellen toelichting.pdf

Raadsvergadering 24 april 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.7: RV040 Vaststellen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Weidsvelden Velden19.896 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zoals omschreven bestaat bij deze plannen een mate van gebondenheid. In 2001 zijn er afspraken gemaakt tussen Provincie, de gemeenten in Noord- en Midden-Limburg en Ruimte voor Ruimte Limburg C.V./B.V. ten aanzien van het project 'Ruimte voor Ruimte'. Het is de ambitie van de provincie Limburg om de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Met het initiatief is reeds een glastuinbouwbedrijf gesaneerd en wordt daarvoor in de plaats een hoogwaardige nieuwe woonwijk met 39 Ruimte voor Ruimte kavels gerealiseerd. Er was voorheen sprake van een ‘rotte plek’. De overtollige agrarische bebouwing is inmiddels gesloopt en er is sprake van een opwaardering van de gronden waarbij een nieuwe hoogwaardig woonmilieu wordt gerealiseerd. Verder draagt het planvoornemen bij aan het terugdringen van het woningtekort. Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de dynamische woningbouwprogrammering, doordat zowel kwantitatief als kwalitatief nadrukkelijk invulling wordt gegeven aan de behoefte in Venlo-Noord. Voor de uitgebreide onderbouwing van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. 4.4.5

Afwegingskader woningbouwinitiatieven

De gemeente Venlo toetst nieuwe woningbouwinitiatieven aan het in januari 2017 vastgestelde afwegingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Het afwegingskader bestaat uit een ruimtelijk en een

Hoofdstuk 4

29

volkshuisvestelijk kader. Per criterium uit het afwegingskader worden punten toegekend aan een initiatief. Als een initiatief meer dan 8 punten scoort, waarvan minimaal 4 bij het ruimtelijk kader, dan is sprake van een wenselijk initiatief en kan het doorgang vinden. Afweging Uit eerste beoordeling van het ruimtelijke kader blijkt dat het planvoornemen scoort op de navolgende aspecten:  Inbreiding of uitleglocatie: score 1 De voorliggende planlocatie ligt formeel buiten de stedelijke contour zoals aangeduid in de Ruimtelijke Structuurvisie 2014. Op 15 november 2022 heeft het college besloten echter additionele woningbouwmogelijkheden in de kern Velden vast te stellen. De locatie van de voorliggende aanvraag is gelegen binnen de aangepaste contour en daarmee zijn er nieuwe mogelijkheden op deze plek ontstaan. Daarmee is er sprake van inbreiding.  Hergebruik bestaand vastgoed: score 0 Bij de voorliggende plannen is geen sprake van hergebruik van bestaand vastgoed.  Herontwikkeling woningen, verdunnen over verdichten: score 1 Bij het voorliggende plan is sprake van de nieuwbouw van woningen, waarbij verdichting plaatsvindt binnen het bestaand stedelijk gebied.  Herontwikkeling rotte plekken: score 1 Er is sprake van de herontwikkeling van een vervallen gebied waarbij oude kassen zijn gesloopt en sprake is van een landschappelijke en stedenbouwkundige verbetering.

In feite is er geen sprake meer van een ‘rotte plek’, maar er is wel degelijk sprake van een herontwikkeling van een oud en vervallen agrarisch gebied. Herinvulling van de locatie als glastuinbouwbedrijf is weinig kansrijk, aangezien de locatie geen onderdeel uitmaakt van de aangewezen gebieden voor glastuinbouw. In de huidige situatie kan reeds worden gediscussieerd of de tuinbouwkas een verrijking is voor de omgeving, zeker voor de omliggende woningen. Daarnaast is vanuit het ‘zicht’ en ‘onderlinge beïnvloeding’ (bedrijvigheid versus woningbouw) sprake van een beduidende verbetering van het bestaande woon- en leefklimaat.  Versterken verzorgingsstructuur: score 0 Aangezien er geen sprake is van een bijdrage aan de dragende structuur van de kern Velden is er geen sprake van het versterken van de verzorgingsstructuur. Ten aanzien van het volkshuisvestelijk kader is het beoogde woningbouwprogramma getoetst aan het desbetreffende kader. In de ladderonderbouwing is een voorstel gedaan voor een programma, waarmee optimaal invulling wordt gegeven aan de geconstateerde woningbehoeften in Velden. Uitgaande van dat programma, scoort het planvoornemen op de navolgende aspecten:  Kwalitatieve woningbehoefte: score 2 Het voorgestelde programma voorziet volledig in de realisatie van woningtypes die bijdragen aan de kwalitatieve woningbehoefte (zie hiertoe de ladderonderbouwing).

 Onderscheidend woningtype: score 0 Het bestaande woningaanbod in de kern Velden is relatief eenzijdig en bestaat met name uit eengezins koopwoningen. Middels het voorgestelde programma worden woningen toegevoegd van

Hoofdstuk 4

30

typen waarvan er in Velden weinig zijn, terwijl daar wel behoefte aan bestaat, bijvoorbeeld levensloopbestendige woningen. Bijzondere doelgroepen: score 0 Het voorgestelde programma voorziet niet in de realisatie van woningen voor bijzondere doelgroepen. Flexibel concept: score 0 Het voorgestelde programma biedt flexibiliteit om een deel van de woningen (direct bij de bouw, dan wel op termijn) te kunnen aanpassen naar levensloopbestendige woningen. Een deel van de woningen wordt namelijk op dusdanige wijze uitgevoerd dat zij zonder veel kosten aangepast kunnen worden naar levensloopbestendige woningen, en daarmee kunnen voorzien in een behoefte op termijn. Tijdelijk concept: score 0 Het voorliggende plan betreft geen een tijdelijk concept, dat na max. 10 jaar geheel uit de markt genomen kan worden. Gevarieerde wijkopbouw: score 0 Gelet op het bestaande eenzijdige bestaande aanbod inde kern Velden draagt het voorgestelde programma bij aan een grotere variatie in het woningaanbod in deze kern. De realisatie van de beoogde woningen voor diverse doelgroepen zorgt voor enig gedifferentieerde wijkopbouw. Levensloopbestendige woning: score 1 Het voorgestelde programma voorziet grotendeels in de realisatie van levensloopbestendige woningen, dan wel in woningen die dusdanig (flexibel) worden gerealiseerd dat deze levensloopbestendig kunnen worden gemaakt.

Bijzondere rechtsvorm of samenwerkingsvorm: score 1 De gemeente Venlo ziet het Ruimte voor Ruimte initiatief als een bijzondere rechtsvorm. In de voorliggende ontwikkeling wordt een deel van de woningen mogelijk gemaakt door het gebruik van Ruimte voor Ruimte-titels. Duurzaamheid: score 0 Bij het voorgestelde plan wordt zoveel mogelijk ingezet op duurzaamheid van de woningen en woonomgeving. Genoemde duurzaamheidsmaatregelen zijn gasloos bouwen, gebruik van duurzame materialen en indien mogelijk de realisatie van energie neutrale woningen. Klimaatbestendig bouwen: score 0 Bij het voorgestelde plan wordt zoveel mogelijk ingezet op klimaatbestendigheid van de woningen en de woonomgeving. Hierdoor kan onder andere invulling worden gegeven door de inrichting van een robuust watersysteem op de planlocatie, met voldoende ruimte voor hemelwaterberging. Een inrichting van het gebied met veel groen zorgt daarnaast voor het tegengaan van hittestress.

Dit initiatief is getoetst aan het in januari 2017 vastgestelde afwegingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Het initiatief scoort op de aspecten van het ruimtelijk kader 3 punten en voor het volkshuisvestelijk kader 4 punten. Het totaal komt hiermee op 7 punten, waarvan 3 van de minimaal gevraagde 4 punten bij het ruimtelijk kader en betreft daarmee een “te heroverwegen” plan. Het afwegingskader is opgesteld om een gewogen afweging te kunnen maken welke woningbouwplannen voor planreductie in aanmerking kwamen en om nieuwe plannen hierin te kunnen sturen. Deze opgave is echter niet meer actueel, aangezien er nu een opgave ligt om gemeentebreed 350-400 woningen toe

Hoofdstuk 4

31

te voegen. Voor nieuwbouwplannen die passen bij de woningbehoefte in de kleinere kernen is derhalve wel ruimte in de huidige tijd.

Hoofdstuk 4

32

5.

ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en duurzaamheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.

5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek6 plaatsgevonden. In april 2021 heeft een aanvullend bodemonderzoek 7 plaatsgevonden ter plaatse van de gesloopte tuinbouwkas. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportages in de bijlagen. Gezien de analyseresultaten en de interpretatie van het onderzoek kan de hypothese "onverdachte locatie" worden aanvaard, ondanks de verhogingen met enkele zware metalen in de bovengrond en het grondwater. Tevens kan uit het aanvullend bodemonderzoeken voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de tuinbouwkas en de voormalige dieseltank op de locatie, worden geconcludeerd dat geen verhogingen in de grond en het grondwater zijn aangetroffen. De hypothese van verdachte locatie voor deze voormalige bedrijfsonderdelen kan daarom worden verworpen. De verontreinigingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek met betrekking tot zware metalen in de bodem. Gezien de gehalten is geen nader onderzoek noodzakelijk. Indicatief kan worden gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is.

Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodembeleid van de gemeente Venlo. Gezien de bovenstaande onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat op de locatie geen belemmeringen bestaan voor de beoogde ontwikkeling. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor de beoogde woningbouw en het gebruik voor woondoeleinden.

6

M&A Bodem & Asbest BV, Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5725, Vilgert / Schandeloseweg. Velden, rapportnummer 220-VViSc-vo-v4, 5 mei 2022 7 M&A Bodem & Asbest BV, Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 / NEN 5725 / NEN 5707, Vilgert, Velden, rapportnummer 221-VVivo-v3, 5 mei 2022

Hoofdstuk 5

33

5.1.2 Geluid In het kader van deze planologische procedure is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie van de nieuw te bouwen woningen. De planlocatie is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van de , daarnaast is de Molenstraat (ter hoogte van het plangebied 30 km/uur) meegenomen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. M-tech heeft daarom een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai8 uitgevoerd, waarvan in deze paragraaf kort de conclusies worden weergegeven. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Wegverkeerslawaai De geluidbelasting vanwege de Schandeloseweg bedraagt ten hoogste 50 dB op de zijgevel van de meest zuidelijke woning. De geluidbelasting vanwege de Vilgert voldoet ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde. Reductie van de geluidbelasting zou gerealiseerd kunnen worden door geluidafscherming, vervanging van het wegdek of verlaging van de maximum snelheid. Echter, afscherming tussen de betreffende wegen en de woningen wordt niet realistisch geacht voor 1 woning en vanwege de hoogte (1e verdieping). Het van toepassing zijnde wegdek (DAB) is akoestisch reeds vrij gunstig. Aanvullende geluidreductie zou bewerkstelligd kunnen worden door vervanging van het wegdek door bijvoorbeeld W12: “dunne deklagen B”. Dit zal voor circa 3 dB reductie kunnen zorgen.

Het verlagen van de maximum snelheid wordt niet reëel geacht. Het treffen van bovengenoemde geluidreducerende maatregelen zal gepaard gaan met praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren vanwege benodigde maatregelen. Derhalve zullen hogere grenswaarden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, aangevraagd moeten worden voor toetspunt T01. Aangezien de voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai wordt overschreden, is de cumulatieve geluidbelasting bepaald zonder 110g-correctie zijnde ten hoogste 55 dB op de meest zuidelijk gelegen woning, alle overige woningen zijn allen lager dan 53dB excl. aftrek. Conform opgave gemeente wordt bij een beschikking hogere waarde een binnenniveau van 33 dB gehanteerd bij nieuwbouw. Indien in het kader van het Bouwbesluit aangetoond dient te worden dat de gestelde eisen voor geluidwering van de buitengevels voldaan wordt en hiermee het binnenniveau gerespecteerd wordt, kan een geluidwering berekening uitgevoerd te worden. Uitgaande van een binneniveau van 33 dB dient de geluidwering van de buitengevels van de woningen minimaal 55 – 33 = 22 dB te zijn.

8

M-Tech Nederland B.V., Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, projectnummer: Vil.Vel.21.AO.BP-02, d.d. 1 november 2021

Hoofdstuk 5

34

Verkeersaantrekkende werking Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de langtijdgemiddeldniveau ten hoogste 40 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 45 dB(A) conform stap 2 van de VNG-brochure gerespecteerd. Voor een volledig overzicht van de resultaten zie bijgevoegd rapport. Conclusie Ten aanzien van het wegverkeerslawaai zal een gevelweringsonderzoek moeten worden uitgevoerd. Dit zal ten tijde van de omgevingsvergunningaanvraag worden uitgevoerd. De verkeersaantrekkende werking vormt geen belemmering voor het plan. Voor het aspect ‘industrielawaai’ wordt verwezen naar paragraaf 5.1.5. 5.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d.

Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De realisatie van 39 woningen initiatief ligt ruimschoots beneden de grenswaarden voor woningbouw conform de Regeling NIBM. Het project leidt daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b. Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het RIVM was de concentratie fijnstof (PM10) ter

Hoofdstuk 5

35

plaatse in 2020 gelegen tussen de 14 µg/m³ en de 16 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) µg/m³ tussen de 8 µg/m³ en de 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 12 µg/m³ en de 14 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe woonfunctie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. De gemeente Venlo heeft voor haar grondgebied het ‘Beleidsplan externe veiligheid Venlo’ vastgesteld.

Dit beleidsplan geeft antwoord op de vraag welke risiconiveaus in Venlo acceptabel worden geacht en biedt een richtinggevend kader voor het aspect externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Hoofdstuk 5

36

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Uitsnede belemmeringskaart met globale ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 5

37

Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart van het IPO en de belemmeringskaart van de gemeente Venlo zijn er binnen het plangebied en in de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen. Conform de belemmeringskaart is op een afstand van circa 640 meter ten zuidoosten van het plangebied een tankstation gelegen. Dit tankstation is momenteel al reeds gesaneerd en dus niet meer aanwezig. Buisleidingen Op circa 1,0 km ten zuiden van het plangebied liggen twee hogedruk aardgastransportleiding van N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Een pijpleiding heeft een uitwendige diameter van 914 mm en een maximale werkdruk van 43 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 360 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. De andere pijpleiding heeft een uitwendige diameter van 610 mm en een maximale werkdruk van 62 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 310 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt buiten deze contour en hierdoor niet binnen het invloedsgebied van de leiding. Voor het overige vindt in de nabijheid van het plangebied geen risicovol transport door buisleidingen plaats. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg Op basis van de risicokaart van het IPO vindt in de wijde omgeving geen transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoorlijnen gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Op circa 1,1 kilometer ten westen van het plangebied vindt risicovol transport plaats over de rivier de Maas. Deze waterweg maakt deel uit van de vaarroute Maascorridor. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze vaarweg reikt niet tot buiten de oeverlijn. Daarnaast wordt gezien de grote tussenliggende afstand geen invloed uitgeoefend op het groepsrisico en ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze vaarweg. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of het invloedsgebied van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.1.5 Milieuzonering De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 2009, geen milieubelastende functie.

Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door

Hoofdstuk 5

38

de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woningen een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. Omgevingstypering en richtafstanden Voor de beoordeling wordt onderscheid gemaakt in twee omgevingstypes, namelijk “rustige woonwijk en rustig buitengebied” en “gemengd gebied”. Het omgevingstype wordt bepaald door de omgeving waarin de planrealisatie plaatsvindt en niet door het plan zelf. Voor beide omgevingstypen gelden verschillende richtafstanden. De te onderscheiden omgevingstypen worden hieronder nader getypeerd. Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stilte gebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De omgeving ter plaatse kenmerkt zich door een afwisseling van bestemmingen (naast wonen komt ook sport, cultuur en onderwijs voor). Hierdoor kan de situatie ter plaatse daarmee het best getypeerd worden als een gemengd gebied. Toetsing Direct ten westen van het plangebied liggen de sportvelden van de kern Velden. Deze gronden zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch’ maar zijn in gebruik als sportvelden. Op basis van de bestemming zijn activiteiten toegestaan, met name gericht op het uitoefenen grondgebonden agrarische doeleinden. Maar omdat de gronden momenteel worden gebruikt als sportvelden, is getoetst aan activiteiten met betrekking op sport. Conform de VNG-brochure zijn er verschillende gradaties in milieucategorieën voor verschillende sporten.

Omdat er ter plaatse van deze sportvelden verschillende sporten aanwezig zijn wordt voor onderhavige situatie de categorie ‘Veldsportcomplex (met verlichting)’ aangehouden. Voor een dergelijke ‘inrichting’ geldt een milieucategorie 3.1 en een maximale afstand van 50 meter voor het aspect geluid. Aangezien het plangebied is gelegen in een gemengd gebied kan de richtafstand worden verlaagd met één stap. De richtafstand komt daarmee op 30 meter. De beoogde woningen worden tegen de sportvelden aangelegd. Zodoende is door Kragten

Hoofdstuk 5

39

een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd9. Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) niet ter plaatse van alle nieuwbouwwoningen voldoet aan de richtwaarden zoals die in stap 2 van de VNG-publicatie “bedrijven en milieuzonering” zijn opgenomen. De normering conform stap 3 wordt wel gerespecteerd. Tevens wordt voldaan aan de geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Uitgaande van een gevelgeluidwering van minimaal 20 dB conform Bouwbesluit, zal de geluidnorm aangaande het binnenniveau van 35 dB(A) worden gerespecteerd. Het voorgaande betekent dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De berekende maximale geluidniveaus vanwege de overige activiteiten voldoen ruimschoots aan de gehanteerde normstelling (zowel conform de VNG-publicatie als het Activiteitenbesluit). Gelet op de ligging naast het sportpark is, ter bescherming van de belangen van de sportvereniging en aan de andere kant ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de nieuwe bewoners wordt een geluidscherm gerealiseerd. De realisatie en instandhouding van het geluidsscherm wordt door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.

Uit het voorgaande blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat kan worden gegarandeerd, zonder dat op het sportpark uitgevoerde activiteiten worden belemmerd. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor het verloop van de bestemmingsplanprocedure en de realisering van de nieuwe woningen. Daarnaast is er een lichthinderonderzoek10 uitgevoerd ten aanzien van de sportvelden. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt ingegaan op de conclusie van het onderzoek. Het 1 op 1 vervangen van de huidige armaturen van de korfbal‐ en voetbal‐ en tennisvelden voor Philips OptiVision LED van Signify geeft voor maar voor de een deel van het te ontwikkelen gebied een vermindering van lichthinder. Er is meer nodig om alle woningen te kunnen bouwen. Vervangingsplan De lichtmasten van de velden D en F moeten vervangen worden door 20 meter hoge lichtmasten voorzien van Philips OptiVision met louvre van Signify met een smalle, meer asymmetrische bundel (zie paragraaf 2.3 voor meer details). Bij het veld D1 (kunstgrasveld) moet de huidige verlichting vervangen worden door een type dat minder gekanteld hoeft te worden. Hierdoor vermindert de verblinding richting de woningen. Ook het toepassen van louvres is hier wenselijk.

Bij het korfbalveld dienen de armaturen vervangen te worden door een type met een smallere bundel dat minder strooilicht naar de omgeving geeft. Elk armatuur moet worden voorzien van een louvre.

9 10

Kragten, ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai De Vilgert te Velden’, rapportnr: 20230516-RVR010-RAP-AKO 4.0, d.d. 16 juni 2023. De Kruijter, ‘Lichthinderonderzoek Weidsvelden te Velden gemeente Venlo’, d.d. maart 2023.

Hoofdstuk 5

40

Veld B ligt weliswaar ver weg maar de grote kantelhoek van de huidige armaturen levert veel inkijkhinder op voor de omgeving. Ook hier dienen de armaturen vervangen te worden door een armatuur met een smalle, meer asymmetrische bundel. Een louvre is hier vanwege de grote afstand tot de toekomstige woningen niet noodzakelijk. De tennisbanen dienen van ledarmaturen met een smalle, asymmetrische bundel te worden voorzien. De armaturen moeten zoveel mogelijk horizontaal worden gemonteerd (niet kantelen). Een louvre is vanwege deze montage niet nodig. De beide padelbanen dienen ook te worden voorzien van ledarmaturen met een asymmetrische bundel. Hierdoor kunnen de armaturen ook nagenoeg horizontaal komen te staan. De aanpassing van de verlichting zorgt ook voor een beduidende verbetering van het woonklimaat ten zuiden van het sportcomplex. Omdat daar in de huidige situatie sprake is van een overbelaste situatie indien wordt getoetst aan de Richtlijn Lichthinder 2020. Adviezen / opmerkingen De huidige verlichting van de sportverenigingen aanpassen naar armaturen met een meer asymmetrische bundel. Alleen als alle verlichting conform de lichtberekening is aangepast, voldoet de omgeving aan de eisen gesteld in de Richtlijn Lichthinder 2020 van de NSVV. Slechts enkele velden aanpassen levert niet het gewenste resultaat op.

Door het nemen van de benodigde maatregelen kan worden gesteld dat de komst van de woonwijk, geen belemmering is voor het bestaande sportpark. Het sportpark wordt daarmee niet beperkt in zijn rechten. Uit bovenstaande blijkt dat ter plaatse van de beoogde woonwijk sprake is van een aanvaardbaar akoestisch leefklimaat. Voor de volledigheid is ook de omliggende bedrijvigheid in kaart gebracht en getoetst aan de richtafstanden. Direct ten noorden van het plangebied (Vilgert 13) ligt een woning met daarbij een bedrijfsgebouw. Dit betreft het voormalige bedrijfsgebouw van het glastuinbouwbedrijf, waarvan de kassen reeds zijn gesloopt ten behoeve van de Ruimte voor Ruimte kavels. Omdat dit een voormalig bedrijfsgebouw betreft is dit bedrijf buiten beschouwing gelaten. Ten noordwesten van het plangebied (Vilgert 20) op een afstand van circa 90 meter, bevindt zich een glastuinbouwbedrijf, die in het geldende bestemmingsplan is bestemd tot ‘Agrarische bedrijfsdoeleinden – glastuinbouwbedrijf’. Op basis van deze bestemming zijn uitsluitend activiteiten toegestaan gericht op de glastuinbouw. De VNG-brochure adviseert voor dergelijke activiteiten in milieucategorie 2 een richtafstand van 30 meter. Doordat de richtafstand met één afstandsstap kan worden verlaagd, geldt een richtafstand van 10 meter.

Aangezien de kortste afstand tussen het plangebied en deze bestemming circa 90 meter bedraagt, wordt aan de richtafstand voldaan.

Hoofdstuk 5

41

Tot slot ligt op circa 260 meter ten zuidoosten van het plangebied (Schandeloseweg 56) bevindt zich een veehouderij. Voor veehouderijen geldt in een gemengd gebied een maximale richtafstand van 100 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Daarbij zijn tussen deze inrichting en de beoogde ontwikkeling reeds woningen gelegen. Voor het overige zijn er geen inrichtingen in de omgeving van het plangebied gelegen die (negatieve) invloed kunnen uitoefenen op de voorgenomen ontwikkeling of die door de ontwikkeling worden belemmerd. In de nieuwe woningen zal sprake zijn van een goed woonen leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Archeologisch bureau- en verkennend bodemonderzoek Het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo (2015) in een zone met een ‘hoge of middelhoge archeologische verwachting’. Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 40 cm –mv. Aangezien deze ondergrenzen bij de voorliggende ontwikkeling zullen worden overschreden, is een archeologische bureau- en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd 11. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er hoge bruine enkeerdgronden voorkomen in bijna het gehele plangebied.

De bodemopbouw bestaat uit een AC-profiel waarbij de overgang van de humeuze toplaag naar de natuurlijke ondergrond scherp is. Dit betekent dat de top van het potentieel archeologisch niveau voor de periode jagers-verzamelaars ter plaatse niet meer intact is. Echter, voor de daaropvolgende periode van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. De (middel)hoge verwachtingen voor de periode neolithicum – nieuwe tijd blijft dan ook gehandhaafd.

11

Aeres Milieu B.V. Archeologisch bureau- en Verkennend bodemonderzoek, rapportnummer AM20380, d.d. 28 juli 2021

Hoofdstuk 5

42

De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis van de bodemkundige gesteldheid kunnen onder de humushoudende bovengrond (0-30 centimeter beneden maaiveld) archeologische resten aanwezig zijn. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor is voorafgaand een Programma van Eisen (PvE)12 ter toetsing voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Venlo). Proefsleuvenonderzoek Door Econsultancy is een proefsleuvenonderzoek 13 uitgevoerd. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder is een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel De archeologische verwachting is voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum laag, voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen hoog en voor de Nieuwe tijd laag. De noordoostelijke helft van het plangebied is verstoord, worden daar geen archeologische resten meer in situ verwacht. Voor de zuidwestelijke helft van het plangebied blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Gevolgde onderzoeksmethode Tijdens het veldwerk was er geen reden om van de onderzoeksmethodiek af te wijken zoals beschreven in het PvE.

In totaal zijn 15 proefsleuven van 50 x 4 m gegraven met een totale oppervlakte van ± 3.000 m2. Hiermee bereikt het onderzoek een dekkingsgraad van 10,5 %. De sleuven zijn verspringend geplaatst om een optimale verspreiding te realiseren, zodat een reëel beeld van de archeologische potentie van het te onderzoeken gebied kan worden verkregen. Alle proefsleuven zijn in de top van de AE- of Btg-horizont aangelegd. Resultaten Proefsleuvenonderzoek Tijdens het proefsleuvenonderzoek in het plangebied aan de Schandeloseweg/Vilgert (ong.) te Velden zijn 15 proefsleuven aangelegd met een gezamenlijke oppervlakte van ± 3.000 m². In 1 proefsleuf, zijnde werkput 14, is het archeologisch meest interessante spoor met een grote hoeveelheid vondstmateriaal aangetroffen dat is te dateren tussen 600 en 400 v. Chr., tijdens de transitieperiode van de Vroege- naar de Midden-IJzertijd. Ter plaatse van werkput 10 en 12 is een greppelsysteem aangetroffen dat kan worden gedateerd tussen 900 en 1200 n. Chr., tijdens de transitieperiode van de VroegeMiddeleeuwen D naar de Late-Middeleeuwen A. In het noordelijke deel van het plangebied is nog een ander antropogeen opgevuld greppelsysteem van recentere datum aangetroffen. In werkput 11 is op het vlak (pseudo-bleeklaag, AE-horizont) een Mesolithische kling gevonden.

12 13

Aeres Milieu B.V., ‘Programma van Eisen Vilgert (ong.) te Velden (gemeente Venlo)’, d.d. 14 juli 2022. Econsultancy, ‘Proefsleuvenonderzoek Schandeloseweg/Vilgert (ong.) te Velden in de gemeente Venlo’, rapportnr.: 19838.001, d.d. 16 maart 2023.

Hoofdstuk 5

43

Verder is in bijna het gehele plangebied een bruin plaggendek aangetroffen. In dit plaggendek is een spinklos uit de overgangsperiode van de Late-Middeleeuwen B naar de Nieuwe tijd Vroeg aangetroffen. Deze vondst is met de bemesting op het land terechtgekomen. De datering hiervan geeft aan dat het bruin plaggendek is gevormd tussen 1450 en 1550 n. Chr., tijdens de overgangsfase van de LateMiddeleeuwen B naar de Nieuwe tijd Vroeg. Selectieadvies Binnen het plangebied is geen sprake van een vindplaats. De aanwezige archeologische waarden horen niet bij een behoudenswaardige vindplaats. Ex situ behoud van de archeologische waarden heeft al plaatsgevonden met het proefsleuvenonderzoek. Een waardestelling is dan ook niet van toepassing. Het selectieadvies luidt dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Dit advies van Econsultancy is door de gemeente overgenomen als selectiebesluit. De vrijgave betekend dat het aspect archeologie verder geen rol meer speelt bij het plan. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied geen monumenten of overige gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid.

De Schandeloseweg die aan de zuidzijde van het plangebied grenst is, op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart, aangeduid als een ‘weg uit periode 1806 – 1890’. De Vilgert die aan de noordzijde van het plangebied grenst is aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt echter geen invloed uitgeoefend op het verloop en profiel van deze weg. De gemeente Venlo heeft eveneens een cultuurhistorische waardenkaart. Op basis van deze waardenkaart zijn binnen het plangebied geen monumenten of overige gebouwde cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. De Schandeloseweg die aan de zuidzijde van het plangebied grenst is aangeduid als ‘weg, nu verdwenen’. De Vilgert die aan de noordzijde van het plangebied grenst is aangeduid als ‘weg’. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt echter geen invloed uitgeoefend op het verloop en profiel van deze weg. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.3 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Hoofdstuk 5

44

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer.

De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Hoofdstuk 5

45

Toetsing Om te kunnen bepalen of het plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid kan worden uitgevoerd, is een quickscan flora en fauna14 uitgevoerd in het plangebied. De resultaten daarvan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Op basis van het onderzoek is te concluderen dat er broedvogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën potentieel aanwezig kunnen zijn. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  

Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen is het belangrijk dat aanwezigheid van vergraafbaar zand, en vorming van ondiepe plassen in het voorjaar wordt vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Maasduinen’ en ‘Hangmoor Damerbruch’, bevinden zich respectievelijk op circa 1,7 kilometer afstand ten noorden en circa 4,1 kilometer ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de aard van de ontwikkeling is wel een toename van stikstofuitstoot te verwachten. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is een AERIUS-berekening15 uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er bij de gebruiksfase en de aanlegfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Omdat significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden.

Omdat er van het project geen significant negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Benadrukt wordt dat

14 15

BRO, Quickscan flora en fauna De Vilgert, Velden, d.d. 29-06-2021 BRO, AERIUS berekening De Vilgert, Velden’, projectnr.: P03365, d.d. 8 november 2023.

Hoofdstuk 5

46

het hier gaat om een verkennende berekening op basis van de huidige inzichten. In de ruimtelijke procedure zal een nadere berekening moeten worden opgesteld. Ook is uitgegaan van een bouwfase van meer dan één jaar. Indien de bouwfase slechts één jaar in beslag neemt, zijn depositieresultaten >0,00 mol/ha/j niet uitgesloten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) betreft de goudgroene natuurzone, die ligt ongeveer 140 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de bronsgroene landschapszone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Daarnaast bevinden er zicht geen bomen in het plangebied. Zodoende heeft de beoogde ontwikkeling geen negatieve effect op het aspect ‘houtopstanden’.

Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen is het belangrijk dat aanwezigheid van vergraafbaar zand, en vorming van ondiepe plassen in het voorjaar wordt vermeden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Conclusie Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde natuurgebieden zijn op basis van de onderzoeksresultaten uitgesloten. Wat betreft soortenbescherming zijn er met in acht neming van de bovenstaande maatregelen geen belemmeringen voor de uitvoering van de benodigde werkzaamheden.

Hoofdstuk 5

47

5.4 Leidingen en infrastructuur Op circa 1,0 km ten zuiden van het plangebied liggen twee hogedruk aardgastransportleiding van N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij. Een pijpleiding heeft een uitwendige diameter van 914 mm en een maximale werkdruk van 43 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 360 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. De andere pijpleiding heeft een uitwendige diameter van 610 mm en een maximale werkdruk van 62 bar. De 1%-letaliteitsgrens van deze leiding ligt op een afstand van 310 meter, gemeten aan weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt buiten deze contour en hierdoor niet binnen het invloedsgebied van de leiding. Voor het overige zijn binnen het plangebied en in de directe omgeving blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels gelegen met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

5.5 Verkeerskundige aspecten Verkeer Twee kavels worden rechtstreeks ontsloten op de Schandeloseweg en krijgen elk een eigen inrit op deze weg. Ten westen van deze kavels wordt voorzien in een nieuwe toegangsweg, die aansluit op de Schandeloseweg. Ten noorden van het plangebied is eveneens een nieuwe toegangsweg voorzien. Deze is eveneens bestemd voor regulier verkeer, maar de verwachting is dat het meeste verkeer gebruik zal maken van de toegangsweg aan de Schandeloseweg. Het openbaar gebied in het plangebied wordt uitgevoerd als een 30 km/u zone. De woningbouw zal een toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg hebben. Voor onderhavige ontwikkeling is een verkeers- en parkeeronderzoek16 uitgevoerd door Grenspaal12. Uit het onderzoek is gebleken dat de beoogde 39 woningen gemiddeld 309 verkeersbewegingen per etmaal zullen genereren. De Schandeloseweg, de Vilgert en de omliggende wegen kunnen dit aantal goed verwerken. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van onderhavig plan weergegeven.

Verwachte verkeersgeneratie per etmaal (bron: Grenspaal12)

Er zijn drie inprikkers mogelijke gemaakt voor nieuwe aansluitingen op andere plannen. Een van de instekers zal gebruikt worden voor de ontsluiting van een wei.

16

Grenspaal 12, Verkeers-en parkeeronderzoek woningbouwplan Vilgert_v3, kenmerk 20-0703-01, 7 april 2022

Hoofdstuk 5

48

Parkeren Voor wat betreft parkeren is de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de landelijke kencijfers van het CROW. Tevens baseren we ons op CROW-richtlijn 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De kern Velden bevindt zich in ‘rest bebouwde kom’ en kenmerkt zich als ‘weinig stedelijk gebied’

Berekening parkeerbehoefte nieuwe ontwikkeling (bron: Grenspaal12)

Rekening houdend met bovenstaande kencijfers komt dit neer op een noodzakelijke parkeerbehoefte tussen 86,3 parkeerplaatsen voor bewoners. Voor bezoekers moeten er 12 parkeerplaatsen worden ingericht. Deze parkeerbehoefte wordt onderverdeeld in parkeren op eigen terrein en parkeren op openbaar domein. Het stedenbouwkundig plan schrijft voor dat parkeren voorzien wordt op eigen terrein met uitzondering van rijwoningen. Volgens de CROW-normering moet elke woning beschikken over 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte voor bezoekers. In onderstaande tabel is het aantal parkeerplaatsen opgesplitst in parkeren op eigen terrein en parkeren op openbaar terrein. Voor de vrijstaande woningen, levensloopbestendige woningen, tweekappers en starterswoningen worden 61 parkeerplaatsen ingericht op eigen terrein. Deze woningvoorzieningen moeten op het openbaar domein nog voorzien in afgerond 10 parkeerplaatsen (0,3 parkeerplaatsen per woning).

Verdeling parkeren op eigen terrein en in de openbaarheid (bron: Grenspaal12)

Voor de rijwoningen kan het parkeren niet op eigen terrein gebeuren. Voor deze rijwoningen wordt parkeren volledig voorzien op openbaar domein. Voor deze starterswoningen worden 16 openbare parkeerplaatsen voorzien. Deze parkeerplaatsen bevatten zowel het aantal parkeerplaatsen voor bewoners (13) als voor bezoekers (3). Voor de volledige woonontwikkeling moeten in totaal 26 openbare parkeerplaatsen worden voorzien waarvan 16 openbare parkeerplaatsen worden voorbehouden voor de rijwoningen. De overige 10 parkeerplaatsen kunnen worden opgevangen op de openbare weg. In de regels bij dit bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen waarin wordt geborgd dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

Hoofdstuk 5

49

5.6 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend, moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren:  De energiebehoefte van het gebouw.  Het primair fossiele energiegebruik.  Het aandeel hernieuwbare energie. De te realiseren woningen binnen het plangebied zullen aan deze eisen moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen.

Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet.

5.7 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:

Hoofdstuk 5

50

 

Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en omgeving, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Aeres Milieu B.V. een infiltratie onderzoek 17 uitgevoerd en een beknopte waterparagraaf opgesteld. Uit het onderzoek is gebleken dat het maaiveld binnen het plangebied ligt noordelijk op circa 19,8 m +NAP en zuidelijk op circa 20,2 m +NAP. Ter plaatse is geen grondwateroverlast te verwachten. De onderzoekslocatie ligt in de boringsvrije zone van de Venloschol, waardoor het niet toegestaan is om dieper dan 5 m +NAP te boren. Dit zal zover bekend bij het planvoornemen met woningen niet plaatsvinden. Door het aanhouden van een vloerpeil 20-30 cm hoger als het bestaand maaiveld of het toekomstig wegpeil binnen het plangebied is geen inundatie te verwachten bij de panden. Grondwater Op basis van het POL2014 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrijezone Venloschol.

Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van gronden in de Venloschol beneden 5 meter NAP is verboden. Binnen het plangebied zal geen van deze werkzaamheden plaatsvinden. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de omgeving bevindt zich geen primair oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Op circa 250 meter ten oosten van het plangebied ligt de A-watergang ‘Velskamplossing’. De ontwikkelingen in het plangebied hebben geen invloed op deze watergang en hebben geen negatief effect op de functie hiervan voor de waterwinning. Zoals onder het kopje ‘grondwater’ is beschreven, maakt het plangebied geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied rond deze plan. Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater van de nieuwe woningen dient te worden aangesloten op de riolering aan de kant van de Schandeloseweg. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing en van verhardingen wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater van de woningen naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en

17

Aeres Milieu B.V. inflltratieonderzoek en waterparagraaf AM20380 d.d. 9 september 2021

Hoofdstuk 5

51

geïnfiltreerd in de bodem. Op de woonpercelen is voldoende ruimte om te kunnen voorzien in een bergings- of infiltratievoorziening met voldoende capaciteit. Conform richtlijnen van Waterschap Limburg dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur. Er is geen watergang van het waterschap in de omgeving. Er is dus geen belang voor het Waterschap wat betekent dat voor het afkoppelen aan het gemeentelijk beleid moet worden voldaan. Op basis van het gemeentelijke Afkoppel beslisboom geldt voor de percelen als uitgangspunt voor de bergingsberekening van een voorziening dat minimaal 50 mm waterberging per vierkante meter verhardingsoppervlak gerealiseerd moet worden. Er is namelijk overloop naar het gemeentelijk stelsel toegestaan via het maaiveld. Voor het openbaar gebied wordt ten aanzien van hemelwater rekening gehouden met een absoluut systeem, waarbij bovengronds bergen de voorkeur heeft boven ondergronds bergen. Voor een absoluut systeem geldt op basis van het gemeentelijk Afkoppel beslisbaan een bergingseis van 71 mm per vierkante meter. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd, is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven.

De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Opsporing ontplofbare oorlogsresten (OOO) Achtergebleven ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog kunnen een verhoogd risico vormen bij het uitvoeren van civieltechnische werkzaamheden. Het uitvoeren van een opsporingsonderzoek biedt uitkomst en draagt bij de mogelijke risico’s te minimaliseren en stagnatie te voorkomen. Het doel van het onderzoek is het opsporen en verwijderen van ontplofbare oorlogsresten zodat, binnen het kader van zowel de Arboveiligheid als de Openbare Orde en Veiligheid, grondroerende activiteiten door derden veilig kunnen worden uitgevoerd. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bepaald dat de opsporingswerkzaamheden dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden met een verhoogd risico. In het kader hiervan is in de Arbowet opgenomen dat bedrijven die zich bezighouden met het opsporen van ontplofbare

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/285/documents/7948