CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

035bijl 1 - Toelichting en regels bestemmingsplan Luuschweg 15 Hout-Blerick.pdf

Raadsvergadering 30 juni 2021, gemeente VenloBij agendapunt: 4.05: RV 35 - Vaststellen bestemmingsplan 'Luuschweg 15 Hout-Blerick'26.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

27

5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden.

Daarin is opgenomen dat, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%, een project NIBM is. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500

minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de bouw van 2 woningen en 19 garageboxen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse tussen de 18 en 20 µg/m³, de concentratie PM2,5 tus-

Hoofdstuk 4

28

sen 12 en 14 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 20 en 25 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Derhalve wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. De beoogde woningen betreffen kwetsbare objecten conform artikel 1, lid 1 onder l van het Bevi. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist.

Hoofdstuk 4

29

Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de onderstaande afbeeldingen volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland en Belemmeringskaart van Venlo met daarop de ligging van het plangebied weergeven.

Uitsnede Belemmeringskaart externe veiligheid gemeente Venlo (globale ligging plangebied rode pijl)

Uitsnede Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (blauwe pijl)

Risicovolle bedrijvigheid In de directe omgeving van het plangebied ligt geen risicovolle bedrijvigheid. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting is gelegen op een afstand van circa 813 meter ten noordoosten van het plangebied en betreft de inrichting ‘Lukoil Venlo-Blerick’ aan de Pastoor Stassenstraat 19 te Venlo. Gezien de afstand tussen het plangebied en de bedrijvigheid is de beoogde ontwikkeling niet gelegen binnen de aanwezige risicocontour 10-6 (maximaal 25 meter voor het vulpunt en reservoir) of het invloedsgebied (150 meter). De ligging van het plangebied ten opzichte van deze risicovolle bedrijvigheid heeft zodoende geen belemmerende werking voor het beoogde initiatief. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid Conform de belemmeringskaart externe veiligheid van de gemeente Venlo is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van de inrichting ‘Lukoil Venlo-Blerick’. Risicovol transport over wegen Ten westen van het plangebied is op een afstand van circa 470 meter de N273 gelegen, waarvoor geen PR 10-6 contour is vastgesteld. Voor deze weg geldt wel een plaatsgebonden risicocontour 10 -7 van 32 meter en plaatsgebonden risicocontour 10-8 van 111 meter. De overschrijdings-factor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het plangebied is ruimschoots buiten de PR 10-7 en 10-8 gelegen.

Er vindt in beperkte mate transport van gevaarlijke stoffen plaats over deze weg, waardoor de ligging ten opzichte van de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt.

Hoofdstuk 4

30

Daarnaast ligt op een afstand van circa 210 meter ten noorden van de projectlocatie de A73, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op basis van de Eindrapportage Basisnet Weg blijkt dat de plaatsgebonden risicocontour van dit wegvak zich bevindt op de weg zelf en dat de overschrijdingsfactor van het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Het invloedsgebied van de A73 bedraagt 1.500 meter, waardoor het plangebied en daarmee de beoogde woningen binnen het invloedsgebied gelegen zijn. De realisatie van de twee beoogde woningen in het invloedsgebied gebied zal niet leiden tot een hoger groepsrisico. De ligging ten opzichte van de A73 vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Verder vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen plaats, dat een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid (Risicovol transport over wegen) Conform het ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015’ stelt de gemeente, afhankelijk van de afstand tot de risicovolle transportas, eisen aan de inrichting en bouwkundige maatregelen indien een (beperkt) kwetsbaar object (woning) binnen het invloedsgebied wordt toegevoegd.

Voorliggende ontwikkeling ligt met een afstand van circa 210 meter ten opzichte van de A73 in zone III (> 200 meter van de risicovolle transportas). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor toxische gassen. Er gelden binnen deze zone in principe geen beperkingen voor het gebruik. Bij de verantwoording van het ruimtelijk plan kan volstaan worden met de beperkte verantwoording groepsrisico, hetgeen aan het eind van deze paragraaf plaatsvindt. Tevens zijn binnen het ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015’ voorwaarden gesteld aan nieuwe kwetsbare objecten binnen 200 meter van hoofdtransportroutes voor gevaarlijke stoffen. De noordelijke woning is hier net binnen gelegen. Derhalve gelden de onderstaande voorwaarden:  Extra kwetsbare objecten zijn niet toegestaan ( basisscholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen).  Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan. Eisen voor de inrichting:  Bij verdeling personendichtheid over gebied waar mogelijk rekening houden met het groepsrisico (van de weg of spoor af verdichten).  Goede verkeerskundige ontsluiting voor de hulpdiensten (twee kanten kunnen aanrijden)  Voldoen aan de handleiding bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid (NVBR).  Afhankelijk van type en omvang van de ontwikkeling; min. 2 vluchtroutes van de risicobron af.

Bouwkundige maatregelen:  Een gebouwontwerp/gevelconstructie die voldoende weerstand biedt tegen een drukgolf of explosie.  Centrale afgrendeling van het luchtcirculatiesysteem.  Beperken gevelopeningen en glasoppervlak aan risicozijde(n).  Beglazing aan gebouwen zodanig uitvoeren zodat scherfwerking wordt voorkomen (klasse P2A conform EN 356) met een flexibele vatting van het glas in de constructie.

Hoofdstuk 4

31

  

Gevel (incl. beglazing en kozijnen) zodanig uitvoeren dat deze tenminste 30 minuten brandwerend is conform NEN 6069, uitgezonderd de gevel aan de niet-risicozijde(n). Onbrandbare gevelbekleding conform brandvoortplantingsklasse 2 zoals gesteld in NEN 6065, uitgezonderd de gevel aan de niet-risicozijde(n). Bij indeling pand kwetsbare functies (zoals kantine) zoveel mogelijk van de risicobron af situeren.

In het kader van onderhavig plan wordt volledig voldaan aan de eisen voor de inrichting. Het plangebied is goed bereikbaar en er zijn voldoende bluswatervoorzieningen om een incident binnen het plangebied te bestrijden. De bouwkundige maatregelen worden getoetst in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning (nadere eisen lid 5.3.1 onder e). Voorwaarden bij de verlening van de vergunning zal dus zijn dat de bebouwing volledig dient te voldoen aan de benoemde bouwkundige maatregelen. Risicovol transport over spoorwegen Het plangebied ligt op circa 2.3 kilometer ten zuiden van de spoorlijn Venlo – Eindhoven, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour van deze spoorlijn is op het spoor zelf gelegen c.q. bedraagt 0 meter. Er is geen plasbrandaandachtsgebied aangewezen. De maximale zone voor de groepsrisicoplafonds is gelegen op een afstand van 153 meter. Het Basisnet spoor gaat uit van een jaarlijks vervoer van 2150 (ketel)wagons(equivalenten) met brandbare gassen (traject Eindhoven-Oost-Station Venlo). Hiervoor geldt een invloedsgebied van 460 meter. Uit realisatiecijfers van Prorail blijkt bovendien dat vervoer van categorie D4 (toxische vloeistof) plaatsvindt. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 4.000 meter. Het initiatief ligt dus (wel) binnen het invloedsgebied van het de spoorweg.

Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Venlo-Eindhoven is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid (Risicovol transport over spoorwegen) Voorliggende ontwikkeling ligt met een afstand van circa 2,3 kilometer conform het Beleidsplan Externe Veiligheid 2012-2015 in zone III (> 200 meter van de risicovolle transportas). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied voor toxische gassen. Er gelden binnen deze zone in principe geen beperkingen voor het gebruik. Bij de verantwoording van het ruimtelijk plan kan volstaan worden met de beperkte verantwoording groepsrisico, hetgeen aan het eind van deze paragraaf plaatsvindt. Risicovol transport buisleiding Op een afstand van circa 425 ten westen van het plangebied een buisleiding gelegen van de Gasunie. Er is voor deze buisleiding volgens de Risicokaart geen 10-6 contour of invloedsgebied vastgesteld. Op basis van het ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015’ geldt voor een aardgasleiding een invloedsgebied van 95 tot 140 meter (afhankelijk van de diameter van de buisleiding). Hier ligt het plangebied ruimschoots buiten.

Hoofdstuk 4

32

Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid (Risicovol transport buisleiding) Binnen het beleidsplan (Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015) wordt gesteld dat hogedruk aardgasleidingen een minimaal invloedsgebied hebben van 95 meter en een maximaal invloedsgebied van 140 meter. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten. De ligging van het plangebied ten opzichte van de hoge druk aardgasleiding vormt zodoende geen belemmering. Risicovol transport over waterwegen Op circa 1 kilometer ten westen van het plangebied is de Maas gelegen. Uit het Basisnet Water blijkt dat de 10-6 contour niet buiten de oever van de Maas is gelegen. Verder wordt de oriënterende waarde voor het groepsrisico van het vervoer over de Maas niet overschreden. Gezien het vervoer van verschillende type gevaarlijke stoffen over deze waterweg, waaronder stofcategorie GT3, is het plangebied wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas. Derhalve is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico, hetgeen aan het eind van deze paragraaf plaatsvindt.

Verantwoording op basis van gemeentelijk beleid (Risicovol transport waterwegen) Binnen het beleidsplan (Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015) geldt voor de Maas dat binnen de waterlijn van de Maas geen nieuwe bestemmingen mogen worden toegestaan en binnen 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden - het zogenaamde plasbrandaandachtsgebied - niet of met terughoudendheid gebouwd moet worden. Tot slot geldt conform het beleidsplan (Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo 2012-2015) voor de Maas een invloedsgebied van 175 meter, waarbinnen bij nieuwe ontwikkeling een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Onderhavige ontwikkeling is gelegen op circa 325 meter afstand ten oosten van de Maas. Zodoende is de ontwikkeling niet gelegen binnen het plasbrandaandachtsgebied of het invloedsgebied. Verantwoording groepsrisico Gezien de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Venlo-Eindhoven, A73 en de Maas is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bovendien dient advies aangevraagd te worden bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord.

Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven, is voor de spoorlijn Venlo-Eindhoven, A73 en de Maas een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items:  De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.  De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

Hoofdstuk 4

33

In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorbereiding

Voor wat betreft de A73, spoorweg Venlo – Eindhoven en de Maas bestaan er

van bestrijding en beperking van de

met name risico’s in verband met ongelukken:

omvang van een ramp of zwaar onge-

- met brandbaar gas (BLEVE7);

val.

- met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

De mogelijkheden voor personen om

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang

zich in veiligheid te brengen indien

om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten:

zich op de weg een ramp voordoet

- met brandbare vloeistoffen;

(zelfredzaamheid).

- met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

7

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 4

34

Aspect

Verantwoording Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Verantwoording externe veiligheid op basis van artikel 7 van het Bevt

Tevens is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de A73, spoorlijn Venlo – Eindhoven en de Maas. Advies veiligheidsregio Limburg-Noord In het kader van onderhavig plan is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Hiertoe heeft de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies8 (d.d. 16 juni 2020, kenmerk: 2020-000702) afgegeven. Hieronder worden de conclusies uit het advies toegelicht. In de separate bijlage is het volledige advies zichtbaar. Het plangebied ligt op een afstand van circa 190 tot 210 meter van de rijksweg A73, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het advies van de Veiligheidsregio Limburg-Noord richt zich op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied Bestrijdbaarheid Het plangebied is goed bereikbaar en er zijn voldoende bluswatervoorzieningen om een incident binnen het plangebied te bestrijden. Zelfredzaamheid Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd:  Communiceer actief over de risico’s van het transport van gevaarlijke stoffen over de A73 met de bewoners van het plangebied. Daarbij geldt als handelingsperspectief: schuil in de woning of vlucht indien de overheid dit aangeeft (o.a.

via NL-alert of WAS procedure) van het risico vandaan en hou rekening met de wind. Dit bevordert de zelfredzaamheid van personen in de nabijheid van risicobronnen;  Aangezien een toxisch scenario zich kan ontwikkelen vanuit de A73 dient de mechanische ventilatie binnen de woningen centraal afsluitbaar uitgevoerd te worden door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar (bij voorkeur in de meterkast) zodat de bewoners deze in geval van een calamiteit kunnen bedienen. Bovendien gelden voor de meest noordelijk gelegen woning extra aanvullende maatregelen. Deze woning ligt binnen een afstand van 200 meter van de A73 waarbij het BLEVE scenario van toepassing is. Hierbij moet voldaan worden aan de maatregelen

8

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies externe veiligheid BP Luuschweg 15 te Hout-Blerick, kenmerk: 2020-000702, d.d. 16 juni 2020

Hoofdstuk 4

35

conform Beleidsplan Externe Veiligheid gemeente Venlo zoals beschreven in het rapport "Bestemmingsplan Luuschweg 15, Hout-Blerick gemeente Venlo". Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.5

Milieuzonering

Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functies binnen onderhavig plan niet leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies.

Binnen onderhavig plan wordt het plangebied gedeeltelijk bestemd ten behoeve van woondoeleinden. De beoogde woningen zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. In paragraaf 4.1.2 heeft reeds aan afweging plaatsgevonden ten aanzien de geluidimmissie van de inrichting op de omliggende woningen. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat het plangebied momenteel de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ kent, waardoor zodoende ter plaatse een grondverzetbedrijf is toegestaan. Een grondverzetbedrijf wordt binnen de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' aangemerkt als milieucategorie 3.2 overeenkomstig de typering ‘Bouwbedrijven algemeen: b.o > 2.000m 2’. Voor dit type inrichting worden de volgende richtafstanden gehanteerd: 10 meter (geur), 30 meter (stof), 100 meter (geluid) en 10 meter voor gevaar. Gezien er direct aangrenzend aan het bedrijfsperceel enkele woonpercelen zijn gelegen kunnen deze mogelijkerwijs in de huidige situatie hinder ondervinden van de huidige toegestane bedrijvigheid. De beoogde realisatie van de garage/storageboxen zorgt derhalve voor een aanzienlijke afname in potentiële milieuhinder ten aanzien van de omliggende woningen.

Hoofdstuk 4

36

Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de onderstaande tabel wordt de omliggende bedrijvigheid rondom het plangebied toegelicht. Hierbij is conform het vigerend bestemmingsplan gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie. Bestemming

Milieucategorie

Richtafstand

Afstand tot dichtstbijzijnde woning

‘Bedrijf’ (maximaal toelaatbaar categorie 2)

2

30 meter

Circa 120 meter

‘Bedrijf’ (maximaal toelaatbaar categorie 2)

2

30 meter

Circa 110 meter

‘Bedrijf’ (‘specifieke vorm van bedrijf 1’: een

3.2

100 meter

Circa 37 meter

‘Horeca’ (functieaanduiding categorie 3)

3

50 meter

Circa 92 meter

‘Detailhandel’

1

10 meter

Circa 47 meter

grondverzetbedrijf)

Omliggende bedrijvigheid ten zuiden van de projectlocatie

Uit de bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat de twee beoogde nieuwe woningen (alsmede de bedrijfswoning die wordt omgezet naar burgerwoning gelegen zijn binnen de richafstand (100 meter voor geluid) voor de bedrijvigheid ten zuidoosten van het plangebied (grondverzetbedrijf). Voor stof geldt een richtafstand van 30 meter. Hier zijn de woningen buiten gelegen. Er kan, wanneer dat planologisch wenselijk wordt geacht, worden afgeweken van de richtafstanden van de VNGbrochure.In een dergelijke situatie zal in ieder geval gemotiveerd moeten worden dat er in de specifieke situatie toch sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. In paragraaf 4.1.2. heeft reeds een afweging plaatsgevonden ten aanzien van het aspect ‘geluid’ in relatie tot de bedrijvigheid. Wanneer gekeken wordt naar de concrete situatie ter plaatse van het bedrijfsperceel is zichtbaar dat er aan de buitenzijde van het bedrijfspand en op het dak géén geluidproducerende installaties aanwezig zijn. Het zal echter belangrijk zijn dat de bedrijvigheid in het kader van het activiteitenbesluit niet in haar beschikbare geluidruimte beperkt wordt door onderhavige ontwikkeling. Niet aannemelijk is dat het terrein achter het bedrijfsgebouw in gebruik wordt genomen als opslag. Uit de luchtfoto blijkt daarnaast overigens dat het om een vrij klein bedrijf gaat.

Het bedrijf is zodoende niet te vergelijken met een volwaardig grondverzetbedrijf. Bovendien liggen andere woningen (geluidsgevoelige objecten) op een kortere afstand van het bedrijf. Deze woningen kunnen zodoende als maatgevend gezien worden. Voor het overige zijn de woningen niet gelegen binnen de richtafstand van andere omliggende bedrijvigheid. Wanneer gekeken wordt naar de concrete situatie ter plaatse van de bedrijfspanden zijn op de daken van deze bedrijfspanden en de buitenmuren geen geluidproducerende installaties zichtbaar. Deze bedrijven worden derhalve door onderhavige ontwikkeling niet beperkt in hun beschikbare geluidruimte.

Hoofdstuk 4

37

Conclusie Op basis van het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Zoals in paragraaf 3.4.4 reeds is aangegeven, is binnen het gehele plangebied sprake van een archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Het plangebied ligt daarnaast op de archeologische basiskaart (geactualiseerde versie van 2015) in een zone met in het noorden een middelhoge verwachting en in het zuiden met een zeer hoge archeologische verwachting. De zeer hoge verwachting is de leidende verwachting. Hiervoor geldt dat onderzoek noodzakelijk is bij ontwikkelingen groter dan 100 m² en dieper dan 40 cm -mv. Gezien de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied worden deze grenswaarden overschreden. Derhalve is een archeologisch onderzoek in het kader van onderhavig plan noodzakelijk. Onderzoek Gezien de bovenstaande bevindingen heeft het onderzoeksbureau Aeres Milieu een archeologisch verkennend bureau- en veldonderzoek9 door middel van boringen uitgevoerd binnen onderhavig plangebied. Hieronder wordt de conclusie uit dit onderzoek samengevat. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de separate bijlagen. Op basis van het uitgevoerd onderzoek kan worden gesteld dat de verwachte bodemopbouw, een loopodzolgrond, niet langer aanwezig is binnen plangebied. De bodem bestaat ter plaatse uit een zogenaamd AC-profiel.

In deze bodems is de natuurlijke bodemopbouw opgenomen in de bovenliggende Ap-horizont onder invloed van latere bewerking of, zoals waarschijnlijk in dit geval, door het afgraven van de locatie voorafgaand aan het aanbrengen van een verhardingslaag met puin. Alleen ter plaatse van boring 5 is er sprake van een oudere akkerlaag onder de moderne Ap-horizont. Dit hangt vermoedelijk samen met de aanwezigheid van de kapschuur ter plaatse. Boring 2 is gezet in een bossage die hoger ligt dan het plangebied, maar grofweg wel gelijk aan de omgeving, dit hoogte verschil is circa 50 centimeter, dat opgeteld bij de aangetroffen Apb-horizont in boring 5 maakt het aannemelijk dat plaatselijk tot wel 120 centimeter van het oorspronkelijke bodem is omgezet, of verdwenen door afgraving. Dit zal niet over het volledige plangebied het geval zijn, maar er kan worden aangenomen dat verstoring in het hele plangebied, met uitzondering van de aanwezig kapschuur, tot ver in de C-horizont reikt. Deze diepgaande verstoring is dan ook de aanleiding om de specifieke archeologische verwachting bij te stellen naar laag voor alle perioden. De beter intacte bodem ter plaatse van de kapschuur is dusdanig beperkt in omvang dat eventuele archeologische resten die hier aangetroffen kunnen worden weinig kenniswinst opleveren.

9

Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Luuschweg 15 te Hout-Blerick (gemeente Venlo), projectnummer.: AM19398, d.d. 24 augustus 2020

Hoofdstuk 4

38

Selectiebesluit Op basis van het rapport heeft de gemeente Venlo het volgende selectiebesluit genomen: "We kunnen ons vinden in de conclusie dat het plangebied dermate diep verstoord en ontgraven is dat van archeologisch vervolgonderzoek kan worden afgezien. Dit betekent dat het plangebied archeologisch door de gemeente wordt vrijgegeven en het aspect archeologie binnen het onderzochte plangebied verder geen rol meer speelt." Op basis van de bevindingen uit het archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek is verder archeologisch onderzoek binnen het plangebied niet noodzakelijk in het kader van onderhavig plan. De locatie is dan ook vrijgegeven ten aanzien van archeologie. Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) inwerking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie.

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In dit bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien die een negatieve invloed zouden kunnen hebben op cultuurhistorische waarden. In het plangebied zijn namelijk geen cultuurhistorische panden in de vorm van Rijksmonumenten, beeldbepalende, beeldondersteunende en karakteristieke panden of andere cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Luuschweg’ wel aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze wegen. Conclusie Binnen het plangebied bestaan er ten aanzien van de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie of archeologie.

4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.

Hoofdstuk 4

39

4.4 Ecologie Beleidskader De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb).

Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft BRO een quickscan flora en fauna 10 uitgevoerd. Hieronder worden de bevindingen uit deze quickscan toegelicht. 10

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Luuschweg 15’ te Hout-Blerick, projectnummer.: P01467, d.d. 10 december.

Hoofdstuk 4

40

Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald und Meinweg”, bevindt zich op circa 4.4 kilometer afstand ten zuidoosten van het projectgebied, net over de grens in Duitsland. Het meeste nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland betreft “Maasduinen”, en ligt op circa 8.8 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van twee woningen en 19 garageboxen betreft waar nu een grondverwerkingsbedrijf is gevestigd, het niet op voorhand uit te sluiten dat er een toename aan stikstofuitstoot plaats zal vinden, met name tijdens de aanlegfase. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk.

Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft derhalve een berekening plaatsgevonden voor de aanleg11- en gebruiksfase12. Hieruit is gebleken dat binnen alle twee de fases geen sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in de omliggende natuurgebieden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone.

Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 380 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 11 12

AERIUS Calculator, aanlegfase, AERIUS kenmerk: S4xE4h9p8Jf3, d.d. 2 november 2020 AERIUS Calculator, gebruiksfase, AERIUS kenmerk: RaUb3aCmXozF, d.d. 2 november 2020

Hoofdstuk 4

41

Soortbescherming Onderhavig plan voorziet aan de gedeeltelijke sloop van de bestaande woning (noordzijde) om plaats te maken voor de nieuwe te realiseren woning. Ten aanzien van deze activiteit zijn overtredingen omtrent het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Een nader vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven. Daarnaast dient in het kader van het aspect ‘soortbescherming’ rekening gehouden te worden met het navolgende:  Voor huismus dient ten alle tijden voldoende opgaand groen aanwezig te blijven. Met name het opgaand groen langs de randen van het plangebied is hiervoor van belang;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Houtopstanden Aangezien het groen binnen het plangebied enkel bestaat uit erfbeplanting is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van de onderdelen ‘gebiedsbescherming’ en ‘houtopstanden’. Ten aanzien van het aspect ‘soortbescherming’ moet vervolgonderzoek gedaan worden naar nestlocaties van de huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort. Dit vervolgonderzoek moet voorafgaand aan de beoogde gedeeltelijke sloop van de bestaande woning plaatsvinden. Om te waarborgen dat er een vervolgonderzoek plaatsvindt naar het voorkomen van huismussen en vleermuizen is in de regels van onderhavig bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting bepaalt dat de sloop van bestaande gebouwen (woning) binnen het plangebied pas mag plaatsvinden, nadat vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden naar het daadwerkelijk voorkomen van vleermuizen en huismussen binnen het plangebied. Tevens moeten daarnaast, indien nodig, de noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen met het oog op de gunstige staat van instandhouding van de vleermuizen en huismussen zijn genomen.

De sloop van de bebouwing is ook mogelijk indien afschriften van een verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kunnen worden overlegd met het bevoegd gezag. Middels deze voorwaardelijke verplichting wordt het aspect ‘ecologie’ in voldoende mate is gewaarborgd binnen het voorliggend plan.

4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Huidige situatie Momenteel is de projectlocatie bestemd voor bedrijvigheid en in het bijzonder een grondverzet bedrijf. Er is binnen de huidige situatie een bouwvlak opgenomen met een omvang van circa 3.610 m 2.

Hoofdstuk 4

42

Binnen dit bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van maximaal 30%. Zodoende mag er 1.083 m 2 bedrijfsvloeroppervlak gerealiseerd worden. Op basis van de rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ van het CROW zou er bij deze omvang (typering ‘bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief’ en ‘rest bebouwde kom’) een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen en een verkeersgeneratie van 51 motorvoertuigen per etmaal ontstaan. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie worden er twee woningen toegevoegd (verkeersgeneratie van de bestaande woning blijft ongewijzigd er wordt derhalve buiten beschouwing gelaten) binnen het plangebied, alsmede 19 garageboxen. Binnen het ‘Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 20072020’ is geen concrete verkeersgeneratie opgenomen voor garageboxen. Per garagebox wordt derhalve een verkeersgeneratie van 2 motorvoertuigverplaatsingen per weekdagetmaal aangehouden. De 19 garageboxen zorgen derhalve voor 38 motorvoertuigverplaatsingen per etmaal. De twee woningen zorgen voor een verkeersgeneratie van 16 motorvoertuigverplaatsingen per etmaal. De totale verkeersgeneratie van de ontwikkeling komt zodoende uit op 54 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Ten opzichte van de huidige functionele invulling van het plangebied is dit een toename van 3 motorvoertuigen per etmaal.

Het plangebied wordt in en oostelijke richting ontsloten door de Luuschweg, waardoor de woonkavels goed zijn ontsloten. Daarnaast bevindt zich aan de westzijde van de projectlocatie een vertakking van de Pastoor Ruttenweg, waardoor ook de garage/storageboxen goed ontsloten worden. Onderhavige ontwikkeling zorgt zodoende voor een relatief kleine toename in het aantal motorvoertuigverplaatsingen per etmaal. De omliggende wegen kunnen het verkeer richting de woningen en garage/storageboxen echter goed opvangen. Parkeren In de beoogde situatie worden er twee nieuwe woningen gerealiseerd binnen het plangebied. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning in gebruik genomen als een ‘reguliere burgerwoning’. Hierdoor ontstaan er binnen de projectlocatie drie reguliere vrijstaande burgerwoningen. Op basis van de rekentool ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ van het CROW is er binnen de toekomstige situatie (typering ‘koop vrijstaand’ en ‘rest bebouwde kom’) een parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen. Zodoende worden er op het eigen terrein van iedere woonkavel 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. De reeds bestaande bedrijfswoning, welke wordt omgezet naar een burgerwoning beschikt als reeds over voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Ten aanzien van de garage/storageboxen kunnen de gebruikers aan de voorzijde van de boxen parkeren.

De beoogde ontwikkeling voorziet hiermee in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van onderhavige ontwikkeling. Conclusie Vanuit het oogpunt van ‘verkeer en parkeren’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

43

4.6 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal:  Nationaal Waterplan;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.

Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. Kenmerken van het watersysteem In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Aeres Milieu een infiltratieonderzoek 13 uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen.

13

Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Luuschweg 15 te Hout-Blerick, projectnummer.: AM19398, d.d. 30 maart 2020

Hoofdstuk 4

44

Grondwater en waterkwaliteit Uit het Dinoloket blijkt dat het grondwater ter plaatse op ca. 16-17,7 m +NAP te verwachten is (ca. 4,2 tot 6 m-mv). De freatische grondwaterstroming is noordelijk gericht. Het plangebied ligt niet binnen een (grond)waterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone van de Venloschol. Boringen dieper dan 5 meter boven NAP zijn verboden tenzij men een ontheffing heeft. Gezien de hoogteligging en gewenste woningbouw ter plaatse wordt naar verwachting niet zo diep geboord ten behoeve de nieuwbouw en wordt derhalve geen ontheffing noodzakelijk geacht. Door de hoogteligging van het plangebied is bij de voorgenomen herontwikkeling geen grondwateroverlast te verwachten. Om instroom van hemelwater te vermijden, is een vloerpeil van 20 centimeter boven het bestaand maaiveld of de kruin van de nabijgelegen weg geadviseerd. De lokale bodemopbouw binnen het plangebied is tevens vastgesteld middels enkele profielboringen voorafgaand aan de uitgevoerde veldmetingen binnen het plangebied. Op 13 februari 2020 zijn op het plangebied samen met een verkennend bodemonderzoek diverse boringen geplaatst. Over een groot gedeelte van het plangebied ligt gemiddeld 50 centimeter gebroken puin. Hieronder is een zandige, zwak tot sterk siltige, humeuze zandlaag aanwezig van ca. 25 en 70 centimeter dik.

Hieronder is grotendeels een matig tot sterk zandige leemlaag aanwezig tot ca. 1,5-2 m-mv. met tot ca. 5,5 m-mv is een matig fijn, zwak siltige zandlaag aanwezig. Plaatselijk is deze leemlaag niet aangetroffen (mogelijk ontgraven in het verleden). Tot de verkende diepte van ca. 6,5 m-mv is vervolgens een zwak grindhoudende, matig fijne zandlaag aangetroffen. Dit komt overeen met de verwachte bodemopbouw (2e tot 4e zandige eenheid van de Formatie van Boxtel).De toplaag zal op basis van de boorprofielen derhalve slecht doorlatend zijn met een goed tot zeer goed doorlatende ondergrond. Oppervlaktewater Binnen en nabij het plangebied (straal van 200 meter) is geen (primair) oppervlaktewater aanwezig. Zuidelijk van de bebouwde kern van Hout-Blerick is de Springbeek aanwezig. Noordelijk bij de A73 zijn ingesloten in de op- en afritten enkele bergbezinkbassins aanwezig. Bij de herontwikkeling is derhalve geen directe invloed op het bestaand oppervlaktewaterstelsel te verwachten. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. De voorgenomen ontwikkeling is beperkt van omvang en heeft derhalve geen zwaarwegend effect (extra overstort of vuillast) op het bestaand rioolstelsel. Bij nieuwbouw dient het hemelwater 100% gescheiden te blijven en in de mate van het mogelijke ter plaatse verwerkt te worden.

Tevens mogen waterproblemen niet worden afgewenteld op de omgeving maar dienen deze zoveel mogelijk op of nabij de nieuwbouwlocatie te worden opgevangen. Bij de nieuwbouw dient gebruik gemaakt te worden van duurzame of niet uitlogende bouwmaterialen. Derhalve is door het planvoornemen geen potentiële grondwaterverontreiniging te verwachten.

Hoofdstuk 4

45

Door praktijkervaringen is vastgesteld dat een infiltratiesnelheid van ca. 0,5 meter per dag vereist is voor het succesvol toepassen van een infiltratievoorziening. Bij een lagere doorlatendheid kunnen reducerende omstandigheden optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed hebben op het verwerkingsvermogen van een voorziening. Om de doorlatendheid ter plaatse vast te stellen, zijn veldmetingen uitgevoerd. De doorlatendheid van een bodem is afhankelijk van vele factoren, onder meer poriëngrootte, de continuïteit van de poriën, de poriënvorm en -hoeveelheid en de diepte tot de grondwaterstand. De poriëngrootte en de verdeling ervan hangen in de eerste plaats van de bodemsoort en de bodemstructuur af. Bovendien is de doorlatendheid afhankelijk van de verzadigingsgraad, en kan ze beïnvloed worden door micro-organismen. De doorlatendheid van de bodem binnen onderhavig plangebied is bepaald door middel van de “Open-end-test” en de “Porchettest”. Beide tests zijn uitgevoerd in verband met de zeer fijne zandfractie en de hierbij voornamelijk horizontale verspreiding in de bodem. Gecombineerd uit beide meetmethodes is de bovengrond als onvoldoende beschouwd om over te gaan tot infiltratie in de bodem. In de bodemlagen onder de toplaag vindt voornamelijk horizontale verspreiding plaats.

Op basis van de zandige bodemlaag met onderaan een grindbijmenging op een diepte van 2 tot 6,5 m-mv en de goede doorstroming in de aanwezige peilbuizen op het terrein (vastgesteld bij het verkennend bodemonderzoek) is een goede tot zeer goede infiltratiesnelheid in de ondergrond te verwachten. Hemelwaterverwerking binnen het plangebied zou derhalve kunnen plaatsvinden middels een onderliggende infiltratievoorziening (bijvoorbeeld kratten), grindpalen in de ondergrond of door een lokale grondverbetering (doorgraving leemlaag). Een en ander is natuurlijk ook afhankelijk van de toekomstige situatie en wijzigingen aan het verhard oppervlak op het perceel. De uiteindelijke dimensionering van een voorziening in functie tot het herontwikkelingsplan kan bepaald worden middels de Afkoppelbeslisboom van de gemeente Venlo in combinatie met de Keur van Waterschap Limburg (in werking getreden op 1 april 2019). Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhardingen zal derhalve in het plangebied worden opgevangen en geïnfiltreerd middels een zelfstandig infiltratiesysteem. Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel. In het kader van de concrete uitwerking van het bouwplan vindt ook de uitwerking van het infiltratiesysteem in het plangebied plaats. Hierbij worden de hiervoor genoemde richtlijnen in acht genomen.

Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. De totale toename van de hoeveelheid verharding binnen onderhavig plan betreft 2.273 m2. De verharding bestaat hierbij uit de verharding van de bebouwing (excl. de bestaande woning), verharding van de garages, verharding van mogelijke bijgebouwen en verharding op de toekomstige woonpercelen. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak meer zal bedragen dan 2.000 m² dient onderhavig plan voorgelegd te worden aan het waterschap.

Hoofdstuk 4

46

Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen en garageboxen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.7 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Daarnaast is het de vraag of de beoogde ontwikkeling wel onder categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt.

Jurisprudentie Voor wat betreft de vraag óf sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348), 18 juli 2018 (ECLI:RVS: 2018:2414) bepaald dat:  het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte laat voor interpretatie;  het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r., waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen;  het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, niet doorslaggevend is voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-m.e.r. Uit jurisprudentie is duidelijk geworden welke concrete omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij spelen onder meer aspecten als ‘aard’ en ‘omvang’ van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Onderstaand worden een aantal aspecten benoemd die een rol spelen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

 de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van het project van belang zijn; Onderhavig plan voorziet in de realisatie van twee woningen en 19 garageboxen/storageboxen op een reeds bestaand bedrijfsperceel gelegen aan de Luuschweg binnen de kern Hout-Blerick.

Hoofdstuk 4

47

Daarnaast wordt een bestaande bedrijfswoning gedeeltelijk gesloopt en omgezet naar een burgerwoning. het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden; De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied op een bestaande bedrijfslocatie in de kern Hout-Blerick. Ter plaatse is reeds een bedrijfswoning aanwezig, alsmede een grondverwerkingsbedrijf. de uitbreiding van de bebouwing (indien sprake is van een bestaand gebouw); De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee woningen en 19 garageboxen (de garageboxen hebben een afmeting van circa 4 x 10 meter). De bestaande bedrijfswoning wordt gedeeltelijk gesloopt en omgezet naar een burgerwoning. de mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan; Het plangebied kent momenteel de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’, waardoor zodoende ter plaatse een grondverzetbedrijf is toegestaan. Een grondverzetbedrijf wordt binnen de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' aangemerkt als milieucategorie 3.2. Binnen het huidige bedrijfsperceel is op basis van het vigerend bestemmingsplan een bouwvlak opgenomen met een omvang van circa 3.610 m 2. Binnen dit bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van maximaal 30%. Derhalve mag er circa 1.083 m 2 aan bedrijfsvloeroppervlak gerealiseerd worden op basis van het vigerend bestemmingsplan.

De beoogde garageboxen hebben echter maar in totaal een omvang van circa 760 m 2. de milieugevolgen. De beoogde ontwikkeling heeft in navolging van de uitwerking in paragraaf 4.1 tot en met 4.6 geen nadelige milieugevolgen.

Conclusie Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied op gronden die reeds in gebruik zijn voor bedrijfsdoeleinden (grondverzetbedrijf en bedrijfswoning). Deze bedrijfsactiviteiten worden ter plaatse beëindigd. Onderhavig plan voorziet vervolgens in de realisatie van 2 nieuwe woningen en het functioneel gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. De beoogde ontwikkeling heeft ten opzichte van de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten en planologische mogelijkheden een beperkte omvang qua bebouwing. De locatie wordt daarnaast hoofdzakelijk omzoomd door bestaande woonpercelen. Er zijn geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen (paragraaf 4.1 tot en met 4.6) en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Er is derhalve geen sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/626/documents/16801