CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

035bijl 1 - Toelichting en regels bestemmingsplan Luuschweg 15 Hout-Blerick.pdf

Raadsvergadering 30 juni 2021, gemeente VenloBij agendapunt: 4.05: RV 35 - Vaststellen bestemmingsplan 'Luuschweg 15 Hout-Blerick'26.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Luuschweg 15, Hout-Blerick’ Gemeente Venlo Vastgesteld

Bestemmingsplan ‘Luuschweg 15, Hout-Blerick’ Gemeente Venlo Vastgesteld

Rapportnummer:

P01467

IMRO:

NL.IMRO.0983.BP202006LUUSCHW15-VG01

Datum:

23 april 2021

Opdrachtgever:

BH

Projectteam BRO:

MOo / LNi

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, woningen, garageboxen, Luuschweg, Hout-Blerick, Venlo.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 14

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van twee woningen, het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning en de realisatie van 19 garageboxen binnen de kern Houten-Blerick aan Luuschweg.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Toelichting

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Opbouw bestemmingsplan

4 4 5

2. GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing

6 6 6 9

3. BELEID 3.1 Rijksbeleid

10 10

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid

10 10 11 12

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid

12 13 15

3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid

15 16

3.4.1 Strategische Visie Venlo 2030 3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 3.4.3 Woonvisie 2016-2021 3.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering 3.4.5 Vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’

16 17 18 19 20

4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten

22 22

4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Milieuzonering 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Leidingen en infrastructuur 4.4 Ecologie

Inhoudsopgave

22 25 27 29 36 38 39 40

1

4.5 Verkeer en parkeren 4.6 Waterhuishouding 4.7 M.e.r.-beoordeling

42 44 47

5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels

49 49 49 50

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

50 50 52 52

6. HANDHAVING

53

7. HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

54 54 54

8. PROCEDURE

56

Inhoudsopgave

2

SEPARATE BIJLAGEN:  Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398, d.d. 9 april 2020  Aeres Milieu, Nader onderzoek asbest in de bodem Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398-2, d.d. 8 mei 2020  Aeres Milieu, Nader bodemonderzoek Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398-3, d.d. 30 juni 2020  M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, rapportnr.: Luu.Ven.19.AO BP-02, d.d. 5 januari 2021.  M-Tech, notitie geluidonderzoek industrielawaai nieuwbouw garageboxen, projectnummer.: Luu.Ven.19.AO WB-03, d.d. 5 januari 2021.  Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies externe veiligheid BP Luuschweg 15 te Hout-Blerick, kenmerk: 2020-000702, d.d. 16 juni 2020  Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Luuschweg 15 te Hout-Blerick (gemeente Venlo), projectnummer.: AM19398, d.d. 24 augustus 2020  BRO, Quickscan flora en fauna ‘Luuschweg 15’ te Hout-Blerick, projectnummer.: P01467, d.d. 10 december 2019.  AERIUS Calculator, aanlegfase, AERIUS kenmerk: S4xE4h9p8Jf3, d.d. 2 november 2020  AERIUS Calculator, gebruiksfase, AERIUS kenmerk: RaUb3aCmXozF, d.d. 2 november 2020  Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Luuschweg 15 te Hout-Blerick, projectnummer.: AM19398, d.d. 30 maart 2020

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens twee woningen en 19 garageboxen/storageboxen te realiseren op een bedrijfsperceel gelegen aan de Luuschweg binnen de kern Hout-Blerick. Daarnaast wordt een bestaande bedrijfswoning gedeeltelijk gesloopt en omgezet naar een burgerwoning. De beoogde ontwikkelingen vinden plaats op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie L, nummers 4843, 5408 en 5520 (gedeeltelijk).

Topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rode pijl plangebied)

Op de percelen rust, op basis van het op 26 mei 2010 vastgestelde bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’ van de gemeente Venlo, de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - 1’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten onder de categorieën 1 en 2 (uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen het bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’), met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle bedrijven. De aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ is opgenomen, waardoor zodoende ter plaatse een grondverzetbedrijf is toegestaan. Daaraan ondergeschikt zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Tot slot zijn er op deze gronden gebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen bij bedrijfswoningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan.

Hoofdstuk 1

4

Het voorliggend initiatief betreft de realisatie van twee woningen, 19 garage/storageboxen en een omzetting van de bedrijfswoning naar een burgerwoning. Deze ontwikkelingen zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’ niet toegestaan. De gemeente Venlo heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling, mits de in de gemeentelijke reactie gemaakte opmerkingen en randvoorwaarden op de conceptaanvraag worden doorgevoerd. Gezien de strijdigheid van het initiatief met het vigerend bestemmingsplan dient er wel een nieuw planologischjuridisch kader opgesteld te worden. Dit is mogelijk middels een nieuw bestemmingsplan voor het plangebied, welke aansluit op de omliggende bestemming(en). Doel van dit bestemmingsplan is om te beschikken over een actueel bestemmingsplan voor de beoogde ontwikkeling, waarin de navolgende aspecten zijn opgenomen:  ontwikkelingsmogelijkheden worden vastgesteld;  een juridisch systeem wordt gekozen, dat past bij deze tijd;  passende zorg wordt gegeven aan milieu componenten;  beschikt kan worden over een digitale verbeelding, conform IMRO-model, waardoor het plan ook digitaal geraadpleegd kan worden.

1.2 Opbouw bestemmingsplan De voorliggend bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft het gebiedsprofiel, besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing. Vervolgens komt in hoofdstuk 3 het relevante rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleidskader aan de orde. In hoofdstuk 4 komt de toetsing aan de milieu- en overige onderzoeksaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten en hoofdstuk 6 gaat in op de handhaving. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de haalbaarheid beschreven en wordt in hoofdstuk 8 de procedure toegelicht.

Hoofdstuk 1

5

2.

GEBIEDS- EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied met een omvang van circa 4.578 m² wordt kadastraal gekenmerkt door de perceelnummers 4843, 5408 en 5520 (gedeeltelijk) gelegen aan de Luuschweg binnen de kern Hout-Blerick. Momenteel is er binnen de projectlocatie een grondverzetbedrijf (inclusief bedrijfswoning) aanwezig.

Uitsnede luchtfoto met kadastrale grenzen in de bestaande situatie (blauwe omlijning projectlocatie)

De projectlocatie grenst in oostelijke richting direct aan de Luuschweg. In zuidoostelijke richting grenst het perceel met perceelnummer 4843 direct aan een woning. Het perceel met perceelnummer 5408 grenst vervolgens in zuidelijke richting aan een bedrijfsperceel en verschillende achtererven van bestaande woonkavels. Ten noordwesten grenst het perceel met perceelnummer 5408 direct aan enkele achtererven en een groenstrook. Tot slot bevindt zich aan de westzijde van de projectlocatie een vertakking van de Pastoor Ruttenweg met daaraan gelegen enkele openbare parkeerplaatsen.

2.2 Besluitprofiel Initiatiefnemer is voornemens om twee woningen en 19 garage/storageboxen te realiseren op de percelen met de perceelnummers 4843 en 5520. De projectlocatie wordt goed ontsloten door de omliggende wegen en beschikt over een reeds bestaande weg (vertakking van de Pastoor Ruttenweg) aan de zuidwestelijke zijde, welke kan dienen als ontsluiting. Beoogd wordt dat deze weg als toegangsweg

Hoofdstuk 2

6

gaat dienen voor de garage/storageboxen. Er zullen in totaal 19 garage/storageboxen gerealiseerd worden met een afmeting van circa 4 x 10 meter. Aan de entree van de garage/storageboxen wordt een poort gerealiseerd, waarbij een beperkte overdracht van gronden naar de gemeente plaatsvindt om een tweetal (voor de ontsluiting weg te nemen) parkeerplaatsen te compenseren. Daarnaast wordt aan de westzijde voorzien in een robuuste groene afscherming van de garage/storageboxen ten aanzien van de nabijgelegen woningen. In de toekomstige situatie blijft de bestaande (bedrijfs)woning gehandhaafd en wordt deze omgevormd tot een burgerwoning. Er vindt enkel een kleine gedeeltelijke sloop plaats, waardoor ruimte ontstaat voor de noordelijke woonkavel. Daarnaast wordt er aan weerszijden van de bestaande woning een levensloopbestendige woning gerealiseerd. Binnen deze nieuwe situatie worden er zodoende drie separate woonkavels gerealiseerd met ieder één woning. Deze woningen worden vervolgens direct aan de oostzijde ontsloten door de Luuschweg. Gezien de oppervlakte van de woonkavels zal er op iedere woonkavel voorzien kunnen worden in de realisatie van 2 parkeerplaatsen op eigen terrein.

Toekomstige functionele indeling plangebied

In navolging van de bovenstaande functionele indeling van het plangebied worden in de toekomstige situatie de bestemmingen in de onderstaande verbeelding toegekend aan de gronden binnen het plangebied.

Hoofdstuk 2

7

Functionele indeling plangebied (verbeelding)

Hoofdstuk 2

8

2.3 Stedenbouwkundige en ruimtelijke inpassing Aangezien er reeds woningen rondom het plangebied aanwezig zijn en het plangebied is gelegen binnen een bestaand woongebied in de kern Hout-Blerick, passen de nieuw te bouwen woningen functioneel in de omgeving. Daarnaast wordt qua hoogte en opbouw aangesloten bij de woningen in de omgeving, waar reeds diverse woningtypes, bouwhoogtes en kaprichtingen te zien zijn. Tot slot zijn de gestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden uit het briefadvies van de gemeente Venlo gewaarborgd binnen de bestemmingsplanregels. Deze randvoorwaarden zijn gebaseerd op de context van de bestaande bebouwing en de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’. Aan de achterzijde van de nieuwe woningen worden de 19 garage/storageboxen gesitueerd, waardoor deze beperkt zichtbaar zijn vanaf de Pastoor Rutteweg en Luuschweg. Daarnaast hebben de garage/storageboxen ook een beperkte hoogte, waardoor deze verscholen zullen liggen achter de reeds aanwezige woningen rondom het plangebied. De garageboxen aan de zijde van de Pastoor Rutteweg worden middels een robuuste groenstrook ingepast, zodat de woonkwaliteit van de nabijgelegen woningen wordt gewaarborgd. Tot slot heeft het huidige bedrijfsperceel een verouderde uitstraling die niet binnen het omliggende woongebied past.

Door het verdwijnen van het grondverzetbedrijf ter plaatse van het plangebied wordt een nieuwe functionele invulling gegeven aan het plangebied, waardoor het gebied vanuit stedenbouwkundig perspectief beter aansluit op de omliggende functies. Het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, dan ook geen negatieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten tot gevolg voor de omgeving.

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante beleidsaspecten op rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. De SVIR stelt drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:  Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s;  Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;  Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Afweging Gezien de kleinschaligheid en de aard van het project zijn er geen nationale belangen uit de Structuurvisie in het geding. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

Hoofdstuk 3

10

In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de realisatie van het planvoornemen. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het beoogde planvoornemen voorziet in de realisatie van twee woningen en 19 garage/storageboxen (alsmede het omzetten van de reeds aanwezige bedrijfswoning naar een burgerwoning). De garage/storageboxen worden enkel gebruikt voor de particuliere opslag ten behoeve van wonen. De beoogde realisatie van twee nieuwe woningen (en het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning) is een dergelijk kleinschalig woningbouwplan dat deze ontwikkeling niet gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De Raad van State heeft immers in zijn uitspraak 201302867/1/R4 aangeven dat kleinschalige woning-

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

11

bouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Gezien onderhavig plan enkel voorziet in de kwantitatieve toevoeging van twee woningen dient deze ontwikkeling niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien te worden. Verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk. Ten aanzien van de realisatie van de 19 garageboxen geldt dat er in de toekomstige situatie geen groter ruimtebeslag plaatsvindt als op basis van het vigerend bestemmingsplan reeds is toegestaan. Binnen het huidige bedrijfsperceel is op basis van het vigerend bestemmingsplan een bouwvlak opgenomen met een omvang van circa 3.610 m 2. Binnen dit bouwvlak geldt een bebouwingspercentage van maximaal 30%. Derhalve mag er circa 1.083 m 2 aan bedrijfsvloeroppervlak gerealiseerd worden op basis van het vigerend bestemmingsplan. De beoogde garageboxen hebben in totaal een omvang van circa 760 m 2. Er vindt derhalve in de toekomstige situatie een kleiner ruimtebeslag plaats als reeds is toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied (kern Hout-Blerick). Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ van het POL2014 ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit zijn de gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Het accent binnen deze gebieden ligt op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving.

Hoofdstuk 3

12

Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met aanduiding plangebied (blauw omlijnd)

Afweging Voorliggend plan voorziet in een nieuw functioneel gebruik van het plangebied voor de realisatie van twee kwalitatief hoogwaardige woningen (alsmede omzetting van de bedrijfswoning naar burgerwoning), hetgeen aansluit op de groeiende kwalitatieve opgave in Noord-Limburg. De beoogde ontwikkeling van de garage/storageboxen is passend binnen een gemengd woon/werkgebied. Tot slot wordt ook een bijgedragen geleverd aan de kwaliteit van de leefomgeving, omdat de huidige grondverzetbedrijf binnen het plangebied verdwijnt. De nieuwe functionele indeling van het plangebied sluit beter aan op het omliggend woongebied. De ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het POL2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ vastgesteld. Hierin worden de regels beschreven die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL-2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk

Hoofdstuk 3

13

Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijk beleid van het POL-2014. Afweging woningbouw In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande.

De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Venlo heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Afweging milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ blijkt dat het plangebied gelegen is binnen de ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden:  een boorput te maken of te hebben;  de grond te roeren;  een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben;  werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten;  een aardwarmtesysteem te maken of te hebben.  het is verboden in de Venloschol ten behoeve van een bodemenergiesysteem grondwater in een ander watervoerend pakket te infiltreren dan waaruit het wordt onttrokken. Onderhavige ontwikkeling voorziet in geen van de bovengenoemde werkzaamheden.

Derhalve vormt de ligging binnen de ‘Boringsvrije zone Venloschol’ geen belemmering voor het planvoornemen. Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ bestaan er hiermee geen belemmeringen.

Hoofdstuk 3

14

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 20 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; 3. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor onder andere arbeidsmigranten; 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio. De vijf inhoudelijke pijlers geven sturing aan de planvoorraad voor woningen in gemeenten in de regio Noord-Limburg door overeenstemming te brengen tussen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.

Uitgangspunt is dat het aantal plannen voor nieuwbouw in een gezonde verhouding moet staan tot de kwantitatieve behoefte. Het is namelijk onverantwoord om te sturen op een bouwprogramma dat uitgaat van meer dan voorspelde groei. Daarnaast is het van belang dat samen wordt gewerkt aan een breed palet van woonmilieus dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van de regio. De dominante vraag in de regio is het wonen in grotere kernen waar voorzieningen aanwezig zijn. Gezamenlijk zijn binnen de regio Noord-Limburg een aantal kansrijke en risicovolle segmenten gesignaleerd. Een van de kansrijke segmenten is de groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen (toegankelijk, comfortabel en betaalbaar) in de nabijheid van voorzieningen. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in de kern Hout-Blerick (stadsdeel Blerick) en ligt hiermee in de nabijheid van een groot aantal voorzieningen en voorziet daarnaast in de realisatie van twee levensloopbestendige woningen. Daarbij is er een kwaliteitsvraag van gezinnen naar vrijstaande woningen (middelduurdere segment) in/nabij grotere kernen met voorzieningen. Risicovolle segmenten die gesignaleerd worden binnen de ‘Regionale Structuurvisie Wonen NoordLimburg’ zijn onder andere woningen in kleine kernen met weinig voorzieningen, grotere woningen en landelijk wonen.

Afweging De beoogde ontwikkeling zorgt voor een kwantitatieve toename van 2 woningen (reeds bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning) binnen bestaand stedelijk gebied. Hierbij wordt voorzien in de realisatie van twee kwalitatief hoogwaardige woningen binnen de kern Hout-Blerick in

Hoofdstuk 3

15

de nabijheid van diverse voorzieningen en het centrum van Venlo, hetgeen overeenkomt met de gesignaleerde kansrijke segmenten uit de regionale structuurvisie. De twee beoogde woningen betreffen levensloopbestendige woningen, hetgeen aansluit bij de pijler ‘Een levensloopvriendelijke en duurzame regio’. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg’.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Venlo 2030 Met de Strategische Visie Venlo 2030 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de Visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2030 zal moeten ontwikkelen. Er zijn vijf thema's gekozen waarvoor een analyse voor het jaar 2010 is uitgevoerd en waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn geformuleerd. Het betreft de volgende thema's:  Stad van actieve mensen;  Innovatieve en excellente stad;  Venlo internationaal;  Centrum van de Euregio: hoofdstad en vitaal hart;  Veelzijdige stad in het groen. De geschetste thema's en ambities zijn samengetrokken tot een drietal scenario’s waarin duidelijk herkenbare accenten worden gezet. Tijdens het besluitvormingsproces over de strategische visie in de gemeenteraad is een aantal elementen uit deze drie scenario's samengevoegd tot een samengesteld scenario: Venlo Kansenstad (Je maakt het in Venlo). Dit is het scenario waarvoor de gemeenteraad zich raadsbreed heeft uitgesproken. Individuele ontplooiing en participatie, innovatiekracht en een aantrekkelijk woonklimaat zijn de belangrijkste karakteristieken van dit door de gemeenteraad gekozen samengesteld toekomstscenario.

Afweging Onderhavig planvoornemen draagt bij aan de verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk woonklimaat binnen de gemeente Venlo, waarbij nieuwbouw (realisatie van twee woningen) plaatsvindt in een bestaand woongebied binnen de kern Hout-Blerick. Daarnaast heeft de gemeente Venlo de ambitie gesteld om in 2030 op het gebied van wonen te voorzien in alle treden van de woonladder, zodat iedereen een huis naar behoefte en mogelijkheden beschikbaar heeft. Iedere wijk moet daarnaast beschikken over voldoende goede betaalbare woningen. Daarnaast moet in 2030 sprake zijn van een gedifferentieerde samenstelling naar inkomen, leeftijd en etniciteit van iedere kern en wijk. Onderhavig initiatief draagt bij aan de realisatie van goede betaalbare woningen en zorgt voor een bijdrage aan de differentiatie binnen de woonmilieus. Tevens sluit de beoogde nieuwe functionele indeling van het plangebied (woonkavels en garage/storageboxen) beter aan op de ambitie om in 2030 een kwalitatief

Hoofdstuk 3

16

hoogwaardige woonomgeving te bieden. Het huidige grondverzetbedrijf ter plaatse van het plangebied sluit immers niet direct aan op het omliggend woongebied. Tot slot zijn de twee nieuwbouwwoningen (levensloopbestendige woningen) ook passend binnen pijler 5 ‘Veelzijdige stad in het groen’. Het project is dan ook niet in strijd met de Strategische Visie Venlo 2030. 3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo unaniem vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'.

Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. Majeure opgaven:  Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen. Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling.  Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten.  Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering.  Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving.  Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief.

Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:  het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert;  de vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen;  het zelfde georganiseerd draagvlak geniet. Kernopgave Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en

Hoofdstuk 3

17

het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing.

Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. Ruimte in de stad In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging Het plangebied is op de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’ gelegen binnen een gebied met de aanduiding ‘woongebied’. Binnen dit gebied ligt het accent op wonen, inzetten op een sterkere mix met werken (milieucategorie 1 en 2) en diensten. De realisatie van de beoogde woningen komt zodoende overeen met het gewenste gebruik ter plaatse van het plangebied. Daarnaast wordt binnen de structuurvisie aangegeven dat door middel van het toevoegen van woningen in bestaande wijken (verdichten) het draagvlak behouden kan worden voor wijk- en buurtvoorzieningen. Dit is nodig om toekomstbestendige en leefbare kernen en wijken te creëren.

De gemeente Venlo wil ‘nee’ zeggen tegen ontwikkelingen die slechts leiden tot een uitbreiding van het stedelijk gebied in plaats van tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en zorgt voor een kwaliteitsverbetering door de transformatie van een bedrijfsperceel naar kwalitatief hoogwaardige vrijstaande woningen. Dehalve is er in het kader van de beoogde ontwikkeling sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. 3.4.3 Woonvisie 2016-2021 Op 21 december 2016 heeft de gemeenteraad van Venlo de Woonvisie 2016-2021 vastgesteld. In de woonvisie staan de prioriteiten van het lokale woonbeleid beschreven voor de periode 2016-2021 met een doorkijk naar de jaren daarna. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen in de soci-

Hoofdstuk 3

18

ale volkshuisvesting. In de woonvisie is het lokale woonbeleid voor de gemeente Venlo nader uitgewerkt op basis van de afspraken uit de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Op basis van de te verwachten demografische ontwikkelingen wordt in de gemeente Venlo ingezet op twee prioritaire beleidslijnen: 1. Het versterken van het stedelijk profiel van Venlo door een accent te leggen op verdichting in en rond het centrum; 2. Een transformatieopgave in de wijken die verder van het centrum liggen door een gerichte verdunning op termijn en toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in de woonwijken, zowel gericht op koopals huurwoningen. De belangrijkste opgaven van het woonbeleid zijn gelegen in de thema’s leefbaarheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid (o.a. voor bijzondere doelgroepen), wonen met zorg en verduurzaming. Tot slot staat in de woonvisie beschreven dat de gemeente Venlo bij nieuwbouw levensloopbestendige bouw nastreeft. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan op deze doelstellingen. Afweging Binnen deze woonvisie is een overzicht opgesteld van het ontwikkelingsperspectief voor de stadsdelen en dorpen van Venlo. Het stadsdeel waarin het plangebied is gelegen heet ‘Blerick’ en bestaat uit de kernen Blerick, Hout-Blerick en de Boekend.

Blerick komt in aanmerking voor een groot aantal ontwikkelperspectieven, waaronder de volgende:  Toenemende woningbehoefte komende 15 jaar accommoderen;  Ontwikkelen woningen met toekomstwaarde voor verschillende doelgroepen (sociale en particuliere markt);  Investeren in woonaantrekkelijkheid en ruimtelijke kwaliteit;  Inzetten op een goede balans tussen koop en huur;  Toevoegen van kwaliteit en diversiteit aan de woningvoorraad (sociaal en particulier). De beoogde ontwikkeling sluit nauw aan op de bovengenoemde ontwikkelperspectieven voor Blerick. De realisatie van twee vrijstaande woningen (levensloopbestendig) voorziet immers in de diversiteit van de bestaande woningvoorraad. In het stadsdeelontwikkelingsplan Blerick is reeds begonnen met een integraal plan, waarbij de woningcorporaties starten met investeren in diversiteit en een goede balans tussen koop en huur. De gemeente Venlo heeft aangegeven deze ontwikkeling de komende jaren voort te zetten. Onderhavige ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Woonvisie 2016-2021’. 3.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd.

Alle woningbouwinitiatieven worden aan de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering getoetst.

Hoofdstuk 3

19

Afweging Binnen onderhavige ontwikkeling is feitelijk sprake van het toevoegen van twee woningen aan de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwe woningbouwinitiatieven dient altijd een toetsing aan de uitgangspunten van de dynamische woningbouwprogrammering plaats te vinden. Hierin is opgenomen dat er in principe geen medewerking wordt verleend aan nieuwe woningbouwinitiatieven. Uit het woningbehoefteonderzoek uit 2016 is echter gebleken dat er binnen de gemeente Venlo een ruim aanbod is van goedkope (koop) eengezinswoningen. Het plangebied is qua woonmilieu te typeren als ‘Dorps’. Dit is een woonmilieu waar een relatief hoge vraag naar is. Binnen het woningbehoefte onderzoek wordt geadviseerd om woningen toe te voegen, waarmee invulling gegeven kan worden aan de woningbehoefte na 2030 en meerdere doelgroepen bediend kunnen worden. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van twee levensloopbestendige woningen, welke aansluiten op de woningbehoefte na 2030 (toename in de groep ouderen). Er zijn daarmee geen belemmeringen vanuit de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.4.5 Vigerend bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’ Het plangebied is gelegen binnen het op 26 mei 2010 vastgestelde bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’.

Het gehele plangebied kent hierbinnen de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - 1’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten onder de categorieën 1 en 2 (uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen het bestemmingsplan ‘Kern Hout-Blerick’), met uitzondering van geluidzoneringsplichtige inrichtingen en risicovolle bedrijven. Voor onderhavige locatie geldt dat ter plaatse de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 1’ is opgenomen, waardoor zodoende ter plaatse een grondverzetbedrijf is toegestaan. Daaraan ondergeschikt zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Tot slot zijn er op deze gronden gebouwen, bedrijfswoningen, bijgebouwen, aan- en uitbouwen bij bedrijfswoningen en bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan. Een gedeelte van het plangebied kent daarnaast de maatvoeringen ‘maximum bouwhoogte: 5 m en maximum goothoogte: 5m’ en ‘maximum bebouwingspercentage terrein: 30%’. Een klein gedeelte van het plangebied aan de westzijde kent daarnaast nog de enkelbestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. De voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied´ aangewezen gronden zijn bestemd voor verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen (waaronder bermen en beplanting), straatmeubilair en voorzieningen van algemeen nut.

Daarbij behorende zijn ook gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Tot slot geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. Het is op deze gronden verboden nieuwbouw op te richten groter dan 100 m2 of grondwerkzaamheden te verrichten die dieper gaan dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld. Toetsing ten aanzien van het aspect archeologie vindt plaats in paragraaf 4.2.

Hoofdstuk 3

20

Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Kern Hout-Blerick' met situering projectlocatie rood omlijnd

Hoofdstuk 3

21

4.

ONDERZOEK Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1

Bodem

Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Onderzoek 1. Verkennend bodemonderzoek In het kader van onderhavig plan is door Aeres een verkennend bodemonderzoek (inclusief asbest) 2 uitgevoerd voor het plangebied. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Bij de veldwerkzaamheden is visueel geen asbestverdacht materiaal binnen het plangebied waargenomen. De golfplatendakbedekking op de open loods binnen het plangebied is recent verwijderd. De bovengrond rondom de bebouwing bestaat behalve ter plaatse van de tuin uit een matig baksteen- en puinhoudende zandlaag. De werkplaats blijkt licht verhoogd met zware metalen en PAK. De bovengrond ter plaatse van boorpunt 2 blijkt sterk verhoogd met som DDT. Ter plaatse van de wasplaats zijn licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie en som aldrin/dieldrin/endrin aangetroffen. Ter plaatse van de loods is een licht verhoogd gehalte som aldrin/dieldrin/endrin aangetoond.

Ter plaatse van boorpunten 2 en 16 noordelijk binnen het plangebied is een nader bodemonderzoek geadviseerd om het verhoogd gehalte aan DDT en PAK nader in beeld te brengen (horizontale verspreiding). De baksteen-, grind- en puinhoudende bovengrond bevat geen verhoogd gehalte aan asbest en is derhalve als onverdacht op de aanwezigheid van asbest te beschouwen. Ter plaatse van de druipzone van de loods waarop een asbesthoudende dakbedekking aanwezig was, wordt de interventiewaarde van 100 mg/kgd.s. overschreden. Ter plaatse van de open loods dient een nader asbest in bodem onderzoek uitgevoerd te worden om de ernst en omvang van de verontreiniging in beeld te brengen.

2

Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398, d.d. 9 april 2020

Hoofdstuk 4

22

De baksteen-, grind- en puinhoudende bovengrond blijkt licht verhoogd met minerale olie en enkele zware metalen. Plaatselijk zijn matig tot sterk verhoogde gehalten aan PAK aangetoond (boringen 16, 19, 22, 21,23 en 24). De ondergrond blijkt licht verhoogd met PAK. Concreet is de baksteen- en puinhoudende bovengrond centraal op het achterterrein deels heterogeen matig tot sterk verhoogd met PAK. Gezien de omvang (ca. 900 m2 van 30-50 cm dikte; ca. 270-450 m3) is sprake van een geval van sterke bodemverontreiniging. Voor het gevoeligere gebruik (wonen met tuin) zal een bodemsanering benodigd zijn. De uitvoering van een bodemsanering dient in overleg met het bevoegd gezag nader vastgelegd te worden in een op te stellen BUS-melding. De uitvoering van deze bodemsanering is binnen onderhavig plan gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting zier erop toe dat de functie wonen en verkeer – verblijfsgebied ter plaatse van de aanduiding 'saneringslocatie' niet eerder gebruikt mag worden dan nadat de bodem ter plaatse is gesaneerd en voorafgaand aan het nemen van de sanerende maatregelen het bevoegd gezag Wet bodembescherming de BUS melding heeft goedgekeurd. De locatie van de sanering is in overeenstemming met bijlage 3 ‘Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten’ uit het verkennend bodemonderzoek.

De sanering moet zodanig zijn uitgevoerd dat de grond na het uitvoeren van de sanering voor de functie 'wonen' of ‘verkeer – verblijfgebied’ geschikt is. Grondwater Het grondwater is plaatselijk licht verhoogd met lood of chroom. De fenol-index is bij geen enkele peilbuis verhoogd aangetroffen. Het uitvoeren van een aanvullend of nader grondwateronderzoek is gelet op de aangetroffen componenten en gemeten concentraties niet noodzakelijk geacht. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater. 2. Nader onderzoek asbest In navolging van het voorgaande heeft Aeres een nader onderzoek asbest 3 uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het nader onderzoek naar asbest in bodem vormen dus resultaten van het uitgevoerde verkennend bodem en asbest in bodemonderzoek [Aeres Milieu, projectnummer AM19398, 9 april 2020]. Doel van het onderzoek was om te bepalen of ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Hieronder wordt de conclusie uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen.

Uit het nader onderzoek asbest in bodem blijkt dat in de monsters van de druipzone ter plaatse van de open loods (SL2-1, SL3-1 en SL4-1) een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetoond is. In de overige monsters (SL1-1 en SL5-1) rondom de loods is geen asbest aangetoond. De bij het verkennend bodemonderzoek indicatief berekende sterk verhoogde concentratie aan asbestvezels in de fijne fractie wordt derhalve als een ‘toevalstreffer’ beschouwd (puntbron). De aangetroffen lichte verhoging aan asbest in de toplaag is te relateren aan de verwering van de voormalige asbesthoudende dakbedekking op de open loods. De resultaten van dit nader onderzoek naar asbest in de bodem tonen aan dat er ter plaatse van de open loods geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bodem vormt voor het aspect asbest geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het perceel. Opgemerkt wordt dat asbestverontreinigingen heterogeen verspreid voor in de bodem 3

Aeres Milieu, Nader onderzoek asbest in de bodem Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398-2, d.d. 8 mei 2020

Hoofdstuk 4

23

voorkomen. Dit wil zeggen dat de aan‐ of afwezigheid van asbest per kubieke meter kan verschillen. Tenslotte wordt geadviseerd om, bijvoorbeeld bij grondwerkzaamheden elders op het terrein, alert te blijven op de aanwezigheid van (plaatselijke) asbestverontreinigingen. 3. Nader bodemonderzoek (boorpunten 2 en 16) In navolging van het voorgaande heeft Aeres een nader bodemonderzoek 4 uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het nader bodemonderzoek betreft het feit dat bij de uitsplitsing van enkele grondmengmonsters nog een sterke verhoging met DDT en een matige verhoging met PAK aangetroffen is in de bovengrond ter plaatse van respectievelijk boringen 2 en 16 van het uitgevoerde verkennend bodem en asbest in bodemonderzoek [Aeres Milieu, projectnummer AM19398, 9 april 2020]. Hieronder wordt de conclusie uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Op basis van het verkennend en nader bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van boorpunten 02 en 102 geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met DDT (beperkte omvang). De sterke verhoging is in de humeuze toplaag onder een betonvloer aangetroffen en heeft met een laagdikte van 0,3 meter een geschatte omvang van circa 18 m3.

Bij bouw- of graafwerkzaamheden ter plaatse dient er aandacht te zijn voor deze verontreinigspot en kunnen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. Voorafgaand aan eventuele graafwerkzaamheden dient hiervoor een plan van aanpak voorgelegd te worden aan de gemeente. Ter plaatse van boringen 16, 106-108 is een sterke verhoging met PAK in de baksteen- en puinhoudende toplaag aangetoond. Door de omvang van ca. 40 m3 is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat bij het verkennend bodemonderzoek centraal op het achterterrein in de bovengrond ook een geval van bodemverontreiniging aangetoond is. De matig tot sterk met PAK verhoogde bovengrond heeft een omvang van ca. 900 m 2 van 30-50 cm dikte (ca. 270450 m3). De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt een belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie tot woongebied. Voor het toekomstig gevoeligere gebruik (wonen met tuin) zijn sanerende maatregelen noodzakelijk geacht. Een bodemsanering kan middels afvoer van het terrein of herplaatsing/toepassing onder een gesloten verharding van bijvoorbeeld de toekomstige garageboxen. Dit is afhankelijk van het toekomstige planvoornemen. De uitvoering van deze bodemsanering is binnen onderhavig plan gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.

Deze voorwaardelijke verplichting ziet erop toe dat de functie wonen en verkeer – verblijfsgebied ter plaatse van de aanduiding 'saneringslocatie' niet eerder gebruikt mag worden dan nadat de bodem ter plaatse is gesaneerd en voorafgaand aan het nemen van de sanerende maatregelen het bevoegd gezag Wet bodembescherming de BUS melding heeft goedgekeurd. De locatie van de sanering is in overeenstemming met bijlage ‘Situatietekening met verontreinigingscontouren’ uit het nader bodemonderzoek.

4

Aeres Milieu, Nader bodemonderzoek Luuschweg 15 te Venlo, projectnummer.: AM19398-3, d.d. 30 juni 2020

Hoofdstuk 4

24

Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt momenteel een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling met woningbouw. De aangetroffen verhogingen in de grond kunnen bij grondafvoer tevens beperkingen opleveren ten aanzien van het (her)gebruik van de grond, omdat dan veelal andere normen gelden. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. De benodigde sanering omtrent de geconstateerde bodemverontreiniging binnen het plangebied is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. In het kader van onderhavige juridische-planologische procedure vormt de bodemkwaliteit daarmee geen belemmering. Ten aanzien van het feit of de Wbb procedure afdoende is doorlopen voor de ontwikkeling zal een toets plaatsvinden in het kader voor de omgevingsvergunning bouwen van een bouwwerk. 4.1.2

Geluidhinder

Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de realisatie van twee woningen (geluidsgevoelige objecten). Wegverkeerslawaai Het plangebied is gelegen nabij de A73, waarvoor conform artikel 74 uit de Wet Geluidhinder een onderzoekszone van 400 meter is vastgesteld (gemeten vanaf de as van de weg).

De geprojecteerde woningen zijn gelegen op een afstand van circa 205 meter ten opzichte van de A73. Daarnaast zijn de geprojecteerde woningen gelegen binnen de onderzoekszone (200 meter) van de Helmusweg en Shakespearelaan. In het kader van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat dient derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai plaats te vinden. In het kader van onderhavig plan heeft M-Tech derhalve een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd voor de twee nieuw te realiseren woningen, omdat de reeds bestaande bedrijfswoning al een geluidsgevoelig object betreft en enkel wordt omgezet naar een burgerwoning. Het functioneel gebruik blijft derhalve ongewijzigd. Hieronder wordt de conclusie uit dit onderzoek samengevat. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de separate rapportage.

5

M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, rapportnr.: Luu.Ven.19.AO BP-02, d.d. 5 januari 2021.

Hoofdstuk 4

25

De geluidbelasting vanwege de A73 bedraagt ten hoogste 48 dB op de voorgevel van de meest zuidelijke woning. De geluidbelasting op de twee beoogde woningen vanwege de Helmusweg voldoet ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde. Hiermee wordt voor beide wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB gerespecteerd. Het aanvragen van hogere grenswaarden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het 30 km/u gedeelte van de Luuschweg, Moutzhofweg en de Groetweg in de cumulatieve geluidbelasting meegenomen. De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) bedraagt ten hoogste 56 dB. Deze gecumuleerde geluidbelasting kan als uitgangspunt dienen voor de berekening van de noodzakelijke gevelgeluidwering om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Conform opgave vanuit de gemeente Venlo wordt bij een beschikking hogere waarden een binnenniveau van 33 dB gehanteerd bij nieuwbouw. Dit betekend dat de vereiste gevelgeluidwering minimaal 23 dB dient te bedragen aan de voorgevel. Binnen onderhavig bestemmingsplan zal invulling gegeven worden aan een vereiste gevelgeluidwering van minimaal 23 dB. Industrielawaai Aangezien onderhavig plan mede voorziet in de realisatie van 19 garageboxen zal deze ontwikkeling ervoor zorgen de verkeersintensiteit richting het plangebied toeneemt.

Hierbij mag geen hinder ontstaan voor de omliggende woningen (geluidgevoelige objecten). In het kader van onderhavig plan is derhalve door M-Tech een notitie geluidonderzoek industrielawaai 6 opgesteld. In deze notitie zijn de gevolgen van de geluidafstraling van de garageboxen inzichtelijk gemaakt. Hieronder wordt de conclusie uit dit onderzoek samengevat. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de separate rapportage. De garageboxen en de parkeergelegenheden worden niet aangemerkt als een bedrijf. Deze zijn enkel bestemd voor particulier gebruik. Formele toetsing aan wettelijke richt- en grenswaarden is niet van toepassing. Om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening is derhalve aangesloten bij de systematiek uit de publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie is een stappenplan opgenomen dat gebruikt kan worden om de ruimtelijke inpasbaarheid van nieuwe ontwikkelingen te toetsen. De richtwaarden per stap zijn afhankelijk van het omgevingstype. In onderhavig geval is sprake van een “rustige woonwijk”. Stap 1 uit de VNG-publicatie bestaat uit het toetsen aan de richtafstand die voor iedere bedrijfscategorie is opgenomen. Omdat in onderhavige situatie geen sprake is van een bedrijf, is een toets aan stap 1 niet aan de orde.

Om toch te kunnen beoordelen of er sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat is aangesloten bij de algemeen geaccepteerde richtwaarden uit stap 2 en 3 van de VNGpublicatie.

6

M-Tech, notitie geluidonderzoek industrielawaai nieuwbouw garageboxen, projectnummer.: Luu.Ven.19.AO WB-03, d.d. 5 januari 2021.

Hoofdstuk 4

26

Ten behoeve van de berekening van de geluidimmissie van de inrichting op de omliggende woningen is een rekenmodel opgesteld. Uit deze berekeningen blijkt dat:  de geluidbelasting vanwege de langtijdgemiddeldniveau ten hoogste 36 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 45 dB(A) conform stap 2 van de VNG-brochure gerespecteerd.  de geluidbelasting vanwege de LA,max ten hoogste 65 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 65 dB(A) gerespecteerd.  de geluidbelasting vanwege de verkeersaantrekkende werking ten hoogste 37 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Hiermee wordt de richtwaarde van 50 dB(A) gerespecteerd. Uit bovenstaande berekeningen blijkt dat onderhavig plan voldoet aan de gestelde eisen conform de VNG-publicatie voor een “rustige woonwijk”. De geluidafstraling van de garageboxen vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bedrijf Pastoor Ruttenweg 6 Aan de Pastoor Ruttenweg 6 is de Firma J. Kesselmans gevestigd (goederenvervoer, afhaal- en besteldiensten, verhuur van transportmiddelen). Dit is een type B-inrichting. Conform de verbeelding van het huidige planvoornemen staan de bouwvlakken van de nieuwe woningen aangegeven. Hieruit blijkt dat de afstand tussen het achterterrein van dit bedrijf en de nieuwe woning gelegen tussen Luuschweg 9 en 15 circa 12 meter bedraagt.

Deze woning wordt daardoor (waarschijnlijk) maatgevend voor het bedrijf. De afstand tot de nu maatgevende woning (Luuschweg 9) bedraagt namelijk 13,5 m. Vanwege dit kleine verschil in afstand en vanwege het feit dat het terrein achter het bedrijfsgebouw in gebruik wordt genomen als opslag wordt dit echter niet bezwaarlijk geacht. Wanneer gekeken wordt naar de omvang van de bedrijfsactiviteiten betreft tot overigens een relatief klein bedrijf dat niet te vergelijken is met een volwaardig grondverzetbedrijf (qua omvang is een grondverzetbedrijf normaliter grootschalige). Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie volledig omliggend aan alle zijde van het bedrijf reeds woningen zijn gelegen, zelfs op naastgelegen aangrenzende percelen (ten oosten en westen van het bedrijf). De nieuwbouw woningen binnen het plangebied liggen op tussenpercelen van de bestaande woningen. Het bedrijf wordt derhalve door onderhavige ontwikkeling niet beperkt in haar beschikbare geluidruimte. Conclusie In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende geluidgezoneerde wegen geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied. Daarnaast vormt de geluidafstraling van de garageboxen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/626/documents/16801