034 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan 'Heierkerkweg te Venlo'.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
32
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico’s die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 4.3.2
Onderzoek
Verkennend bodemonderzoek Door HMB B.V. heeft een bodemonderzoek 7 uitgevoerd. Deze is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt, met uitzondering van de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekkingen van de oostelijke stal en de werktuigenstalling, niet verwacht dat op de locatie sprake zal zijn van aanwezigheid van bodemverontreiniging. De bodem ter plaatse van de druppelzones is verdacht op de aanwezigheid van asbest. Het verkennend bodemonderzoek (asbest) is gebaseerd op de NEN 5707 en de NEN 5740. Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'onverdachte locatie' voor de directe omgeving van de bebouwing (deellocatie A) geen stand houdt. In de grond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten PCB en / of zink aangetoond en in het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De licht verhoogde gehalten kunnen (deels) gerelateerd worden aan de puinresten in de grond en deels betreft het waarschijnlijk verhoogde achtergrondgehalten. Daarnaast is ter plaatse van enkele boringen / proefgaten een verhardings- of funderingslaag aangetroffen.
De onderzoeksresultaten geven een indicatie dat de verhardings- / funderingsmaterialen op basis van de gehalten asbest en / of sulfaat niet voldoen aan de eisen voor een niet vormgegeven bouwstof. Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'onverdachte locatie' voor de weilanden (deellocatie B) geen stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, cadmium, zink en / of styreen aangetoond. Voor de licht verhoogde
7
HMB B.V., ‘Verkennend bodemonderzoek (asbest) Heierkerkweg 8a en 8b Venlo’, kenmerk: 19342501A, d.d. 10 februari 2020.
Hoofdstuk 4
33
gehalten in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aangetoond. Waarschijnlijk is er (deels) sprake van verhoogde achtergrondgehalten. Geconcludeerd wordt dat de deelhypotheses 'verdachte locatie' voor de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekkingen van de oostelijke stal en de werktuigenstalling (deellocaties C en D) stand houden. In de grond ter plaatse van de oostelijk stal (deellocatie C) zijn verhoogde gehalten asbest aangetoond boven de rapportagegrens, maar onder de interventiewaarde en ter plaatse van de werktuigenstalling (deellocatie D) is een verhoogd gehalte asbest boven de interventiewaarde aangetoond. In hoeverre de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het verhardings- / funderingsmateriaal een belemmering vormen voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (verkoop) is afhankelijk van hetgeen tussen kopende en verkopende partij wordt overeengekomen. Vooronderzoek bodem perceel X, nr. 1592 Daarnaast is op het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Venlo, sectie X, nr. 1592 te Venlo, een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem 8 uitgevoerd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Het volledige onderzoek is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie te verwachten.
Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden, dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de mogelijke realisatie van een gebouw op de onderzoekslocatie en/of de mogelijke (her)inrichting van de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt, die niet op de onderzoekslocatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Niet gesproken explosieven onderzoek Tevens heeft er in 2015 een Niet Gesproken Explosieven (NGE) onderzoek plaatsgevonden. 9 Uit dit onderzoek is gebleken dat een deel van de planlocatie als ‘verdacht’ kan worden beschouwd. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek en de conclusies wordt geadviseerd om vervolgstappen te ondernemen in de explosievenopsporing vooraf de voorgenomen (grond)werkzaamheden binnen de op CE verdachte gebieden het onderzoeksgebied NW-oksel A73 en A67. Voor de gebieden die volgens de richtlijnen van het WSCS-OCE 2012 verdacht zijn verklaard op het aantreffen van CE zijn twee vervolgstappen mogelijk in de explosievenopsporing: 1.
Het laten uitvoeren van een projectgebonden risicoanalyse (PRA142). Bij een PRA zal er nader (bureau)onderzoek worden uitgevoerd voor wat betreft de naoorlogse ontwikkelingen en
8
9
Econsultancy, Rapportage milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Perceel, kadastraal bekend gemeente venlo, sectie X, nummer 1592 te Venlo, rapportnr.: 17989.001, d.d. 27 januari 2022. Bombs Away B.V., Vooronderzoek Conventionele Explosieven Noofdwest-oksel A73 en A67 Gemeente Venlo, kenmerk: 15P0015, d.d. 26 juni 2015.
Hoofdstuk 4
34
(agrarische) activiteiten in het verdachte gebied van het onderzoeksgebied. De gegevens en resultaten van dit vooronderzoek zullen als basis dienen voor de PRA; 2. Een andere mogelijkheid is om detectiewerkzaamheden uit te laten voeren binnen het verdachte gebied. Welke detectiemethode(n) van toepassing is (zijn), is afhankelijk van de maximale diepteligging van de aan te treffen CE en de uit te voeren werkzaamheden. Met betrekking tot de uitvoering van (grondroerende) werkzaamheden binnen de op CE verdachte gebieden binnen het onderzoeksgebied NW-oksel A73 en A67 kan het volgende worden vastgesteld: 1. Indien er vastgesteld kan worden dat er naoorlogs in een deelgebied agrarische activiteiten hebben plaatsgevonden zoals beschreven in paragraaf 3.13.1 tot en met paragraaf 3.13.4 kan worden aangenomen dat de eerste 30 cm (toplaag) de kans gering is op het aantreffen van CE. Overigens is de in februari in locatie Klaver 4 aangetroffen fosforrubberbrandbom 30 lbs (geallieerd) iets dieper dan -30 cm maaiveld; 2. Alle huidige en toekomstige agrarische activiteiten in het onderzoeksgebied, kunnen regulier worden uitgevoerd, mits kan worden aangetoond dat deze activiteiten in de periode na de Tweede Wereldoorlog eerder (op regelmatige basis) hebben plaatsgevonden.
Aangezien het deel van het plangebied reeds agrarische grond betreft kunnen de grondwerkzaamheden regulier plaatsvinden met een CE-protocol. Nader onderzoek asbest Door Econsultancy is een nader onderzoek asbest 10 uitgevoerd. Aanleiding voor het uitvoeren van het nader onderzoek asbest zijn de resultaten van het verkennend bodemonderzoek (asbest) (kenmerk 19342501A; d.d. 10 februari 2020), dat in 2020 door HMB B.V. is uitgevoerd. Destijds is in de volledige puinlaag ter plaatse van proefgat 2 (toenmalige deellocatie A) op indicatieve basis een verontreiniging met asbest aangetroffen. Verder is destijds in de grond ter plaatse van de oostelijk stal (toenmalige deellocatie C) plaatselijk een verhoogd gehalte aan asbest (66 mg/kg d.s.) aangetoond. Bovendien is destijds ter plaatse van de werktuigenstalling (toenmalige deellocatie D, gat 64) eveneens een verhoogd gehalte aan asbest (210 mg/kg d.s.) aangetoond. De onderzoekslocatie is op basis van de (analyse)resultaten uit het reeds eerder door HMB B.V. uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (asbest) (kenmerk 19342501A; d.d. 10 februari 2020) en de oppervlakte ten behoeve van het nader onderzoek asbest aangemerkt als 2 Ruimtelijke Eenheden (RE’s).
Dit in verband met de aanwezigheid van asbesthoudend (plaat)materiaal in de bodem en/of de volledige puinlaag of uiterst puinhoudende laag (beide als verhardings-/funderingslaag) ter plaatse van proefgat 2 en de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekkingen van de oostelijke stal en de werktuigenstal. Tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de toplaag op asbest (maaiveldinspectie) zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie voor zover waarneembaar géén asbestverdachte (plaat)-materialen waargenomen.
10
Econsultancy, ‘Nader onderzoek asbest Heierkerkweg 8A en 8B te Venlo’, rapportnr.: 16579.001, d.d. 11 maart 2022.
Hoofdstuk 4
35
De bodem bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. Zeer plaatselijk bestaat de toplaag (traject 0,0-0,1 m -mv) uit zwak siltig, matig grof zand. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak tot matig grindig en/of zwak humeus. Bovendien bevinden zich in de grindige bovengrond zeer plaatselijk tevens in zwakke mate kiezels. De bovengrond is plaatselijk zwak tot sterk puinhoudend. Verder zijn in deze puinhoudende bovengrond grotendeels in meer of mindere mate asbestverdachte (plaat)-materialen waargenomen. Dit asbestverdacht (plaat)-materiaal bestaat volgens Econsultancy geheel uit golfplaat. De door het laboratorium geanalyseerde golfplaten worden door het laboratorium deels inderdaad gekarakteriseerd als golfplaat, maar worden door het laboratorium ook deels gekarakteriseerd als vlakke plaat. Deze geanalyseerde, asbestverdachte (plaat)-materialen bestaan volgens het laboratorium allemaal uit 12,5 % hechtgebonden chrysotiel-asbest. Tevens bestaat een gedeelte van het aangetroffen asbestverdacht (plaat)-materiaal in de bodem en/of de volledige puinlaag of uiterst puinhoudende laag (beide als verhardings-/funderingslaag) ter plaatse van proefgat 2 (Ruimtelijke eenheid RE1) volgens het laboratorium uit 3,5 % hechtgebonden crocidoliet-asbest.
Ter plaatse van en in de directe omgeving van proefgat 2 is in de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem, waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens in zwakke mate asbestverdacht (plaat)-materiaal is aangetroffen, een gehalte aan asbest (fractie < 20 mm) van 240 mg/kg d.s. aangetoond. Ter plaatse van de druppelzone van de asbestverdachte dakbedekking van de oostelijke stal is in de zintuiglijk, plaatselijk zwak met puin verontreinigde bodem (traject 0,0 - 0,1 m -mv), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens plaatselijk in zwakke mate asbestverdacht (plaat)-materiaal is aangetroffen, een gehalte aan asbest (fractie < 20 mm) van 150 mg/kg d.s. aangetoond. In de zintuiglijk, plaatselijk met puin verontreinigde bodem, waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) géén asbestverdacht (plaat)-materiaal is aangetroffen, is ook géén asbest in de fractie < 20 mm aangetroffen. In de zintuiglijk schone bodem is eveneens géén asbest in de fractie < 20 mm aangetroffen. Ruimtelijke eenheid RE1 In de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem, waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens in zwakke tot sterke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, is een totaal berekende gehalte aan gewogen asbest aangetroffen tussen 280,1 en minimaal 3.816,5 mg/kg d.s.
In de zintuiglijk zwak met puin verontreinigde bodem ter plaatse van sleuf E en in de zintuiglijk schone bodem is zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond. De gehalten aan asbest in de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem (sleuf A, AA, B, C en D), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens in zwakke tot sterke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, bevinden zich allen boven de interventiewaarde (= 100 mg/kg d.s.) volgens het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering, waardoor ter plaatse van deze sleuven in de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem sprake is van een bodemverontreiniging. Ondanks het feit, dat tijdens het reeds eerder door HMB B.V. uitgevoerd verkennend bodemonderzoek (asbest)
Hoofdstuk 4
36
(kenmerk 19342501A; d.d. 10 februari 2020) ter plaatse van en in de directe omgeving van proefgat 2 een volledige puinlaag en/of een uiterst puinhoudende laag (beide als verhardings-/funderingslaag) is aangetroffen is tijdens het onderhavig nader onderzoek asbest ter plaatse alleen bodem aangetroffen, waardoor Econsultancy alleen uitgaat van een verontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming. Op basis van de analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen in de gegraven sleuven wordt de verontreiniging met asbest (totaal berekende gehalte aan gewogen asbest > 100 mg/kg d.s.) in verticaal vlak als afgeperkt beschouwd. In horizontaal vlak wordt deze verontreiniging met asbest grotendeels als afgeperkt beschouwd tot aan maximaal de perceelsgrenzen op basis van de analyseresultaten, de zintuiglijke waarnemingen in de gegraven sleuven en het gebruik van een bepaald gedeelte van de onderzoekslocatie (bebouwing / (erf)verharding). De sterke verontreiniging met asbest ter plaatse van en in de directe omgeving van proefgat 2 bevindt zich vanaf het maaiveld tot aan de zintuiglijk schone bodem op gemiddeld 0,25 m -mv. De totale omvang van de verontreiniging met asbest bedraagt globaal 152 m³ (26,5 x 23 m) x 0,25).
Ruimtelijke eenheid RE2 (oostelijk stal) In de zintuiglijk, plaatselijk zwak met puin verontreinigde bodem (traject 0,0-0,1 m -mv), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens plaatselijk in zwakke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, is een totaal berekende gehalte aan gewogen asbest aangetroffen tussen 149 en 158,3 mg/kg d.s. In de zintuiglijk schone bodem direct onder deze zintuiglijk verontreinigde bodemlaag is zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond. De gehalten aan asbest in de zintuiglijk, plaatselijk zwak met puin verontreinigde bodem (traject 0,00,1 m -mv), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens plaatselijk in zwakke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, bevinden zich allen boven de interventiewaarde (= 100 mg/kg d.s.) volgens het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering. Hierdoor is ter plaatse van deze sleuven in de zintuiglijk, plaatselijk zwak met puin verontreinigde bodem (traject 0,0-0,1 m -mv) sprake van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van de druppelzones van de oostelijke stal dient rekening gehouden te worden met een verontreinigingsbreedte van 1,5 m vanaf de gevel over de gehele lengte van de lange gevels en met een verontreinigingsdiepte van 10 cm. De sterke verontreiniging met asbest bevindt zich vanaf het maaiveld tot 0,1 m -mv.
De totale omvang van de verontreiniging met asbest ter plaatse van de druppelzones van de oostelijke stal bedraagt globaal 9 m³ ((29 x 1,5 m) x 0,1 m x 2 gevels). Ruimtelijke eenheid RE2 (werktuigenstal) In de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem (traject 0,0-0,3 m -mv), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens in zwakke tot sterke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, is een totaal berekende gehalte aan gewogen asbest aangetroffen tussen 11,0 en 484,4 mg/kg d.s. In de zintuiglijk schone bodem direct onder deze zintuiglijk verontreinigde bodemlaag is zowel zintuiglijk (fractie > 20 mm) als analytisch (fractie < 20 mm) geen asbest aangetoond.
Hoofdstuk 4
37
De gehalten aan asbest in de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem (traject 0,0-0,3 m -mv), waarin zintuiglijk (fractie > 20 mm) tevens in zwakke tot sterke mate asbesthoudend materiaal is aangetroffen, bevinden zich grotendeels boven de interventiewaarde (= 100 mg/kg d.s.) volgens het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering, waardoor ter plaatse van deze sleuven in de zintuiglijk zwak tot sterk met puin verontreinigde bodem (traject 0,0-0,3 m -mv) sprake is van een bodemverontreiniging. Ter plaatse van de druppelzones van de werktuigenstal dient rekening gehouden te worden met een verontreinigingsbreedte van 1,5 m vanaf de gevel over de gehele lengte van de lange gevels en met een verontreinigingsdiepte van 30 cm. De sterke verontreiniging met asbest bevindt zich vanaf het maaiveld tot 0,3 m -mv. De totale omvang van de verontreiniging met asbest ter plaatse van de druppelzones van de werktuigenstal bedraagt globaal 16 m³ ((18 x 1,5 m) x 0,3 m x 2 gevels). Econsultancy adviseert de aangetroffen met asbest verontreinigde bodem (totaal ± 177 m3) op termijn onder milieukundige begeleiding te saneren conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan of BUS-melding. Indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging is er sprake van een potentieel risico, dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren.
Met behulp van het “Milieuhygienisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest” kan getoetst worden of de verontreiniging bij het huidige en/of toekomstige gebruik risico's oplevert, die onaanvaardbaar zijn voor de mens. Aangezien het voornemen bestaat om de verontreinigingen met asbest op korte termijn te saneren middels ontgraving van de verontreinigingen, waardoor een eventuele verontreiniging met asbest met onaanvaardbare humane risico’s op korte termijn al aangepakt wordt en eventuele onaanvaardbare humane risico’s dus worden opgeheven, is deze toetsing echter niet uitgevoerd. 4.3.3
Conclusie
Uit het nader asbest onderzoek blijkt ter plaatse van de bouw, percelen X 139 en 140, sprake is van een geval van ernstige verontreiniging met asbest als bedoeld in de Wet bodembescherming. Derhalve is het in dit geval noodzakelijk om een Wbb-procedure te volgen. Het voornemen bestaat om de verontreinigingen met asbest op korte termijn te saneren middels ontgraving van de verontreiniging. Hierdoor wordt een eventuele verontreiniging met asbest met onaanvaardbare humane risico’s op korte termijn al aangepakt en worden eventuele onaanvaardbare humane risico’s dus opgeheven. Een toetsing met behulp van het ‘Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest’ is derhalve niet noodzakelijk. Uit het bodemonderzoek (Rapportage milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Perceel kadastraal bekend gemeente Venlo, sectie X nummer 1592 te Venlo, Econsultancy, rapportnummer: 17989.001, d.d. 27 januari 2022) blijkt dat het overige perceel behorende bij het plangebied, perceel X 1592, is onderzocht. Hieruit blijkt dat dit perceel als onverdacht voor het voorkomen van sterke bodemverontreiniging kan worden beschouwd.
Hoofdstuk 4
38
4.4 Externe veiligheid 4.4.1
Toetsingskader
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
Hoofdstuk 4
39
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi, het Bevb en het Bevt wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn onder andere woningen, scholen, kantoorgebouwen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. 4.4.2
Quickscan externe veiligheid
Figuur 4.1: Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauw omcirkeld)
Door M-Tech is er een quickscan externe veiligheid 11 uitgevoerd. Deze is later aangevuld middels een notitie.12 De volledige quickscan en de notitie zijn als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de samenvattingen uit beide rapporten opgenomen.
11
M-Tech, Verantwoording Groepsrisico ten behoefte van de ontwikkeling van een berijfsgebouw aan de Heierkerkweg in Venlo, referentie: HEIVEN.21.VG02, d.d. 12 augustus 2021. 12 M-Tech, ‘Quickscan ten behoeve van externe veiligheid voor de ontwikkeling van een bedrijfsgebouw Venlo (Heierkerkweg Venlo)’, projectnummer: HEI.VEN.21.QS01, d.d. 23 februari 2021.
Hoofdstuk 4
40
Afstand tot plangebied (m) 80
Invloedsgebied (m) 880 meter
PR 10-6-contour (m)
Rijksweg A73
1 km
> 4.000
11 meter
Rijksweg A67
1,4 km
> 4.000
22 meter
Venrayseweg
700
> 4.000
Spoor EindhovenVenlo RRP-leiding 24”
900
460
250
71
RRP-leiding 36”
330
55
Broekmans Logistics B.V.
3 km
2,4 km
Risicobron N295
Verantwoording groepsrisico Beperkte verantwoordingsplicht Beperkte verantwoordingsplicht Beperkte verantwoordingsplicht Beperkte verantwoordingsplicht Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing
Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontouren over de planlocatie ligt, maar dat deze wel in de invloedsgebieden van omliggende transportassen. Het gaat hier voornamelijk om een eventueel toxisch scenario met de daarbij horende grote invloedscontouren voor de A73 en de A67, Maar omdat deze risicovolle transportassen op meer dan 200 meter liggen van de planlocatie kunnen we voor het verantwoorden van het groepsrisico volstaan met de standaard teksten uit de beleidsvisie externe veiligheid van de gemeente Venlo. Voor de provinciale weg N295 kan worden volstaan met een beperkte verantwoording met daarin aandacht voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid, met daarin opgenomen het advies van de Veiligheidsregio. Broekmans Logistics B.V. In Januari 2021 heeft M-tech met de geldende vergunning vastgesteld dat de planlocatie Heierkerweg Venlo in het invloedsgebied lag van de Brzo-inrichting Broekmans Logistics B.V. Op 1 februari heeft het bevoegde gezag een nieuwe vergunning ingevoerd in het RRGS en geautoriseerd. In deze vergunning is de invloedsafstand lager, en daarmee valt de planlocatie buiten de invloedsafstand van de Brzo-inrichting.
Door de nieuwe vergunning met daarin een lage afstand voor het invloedsgebied vervalt de grondslag voor het uitvoeren van een toets externe veiligheid voor de planlocatie van een bedrijfsgebouw aan de Heierkerkweg in Venlo.
Hoofdstuk 4
41
Figuur 4.2: Uitsnede SK 21-02-2021 met ligging plangebied (blauw omlijnd)
Verantwoording groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Hierdoor wordt het externe veiligheidsaspect meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de Veiligheidsregio Noord-Limburg. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Voor de provinciale weg N295 geldt dat er een beperkte verantwoording noodzakelijk is. Bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten.
Kijkend naar de ontwikkeling van het bedrijfsgebouw aan de Heierkerkweg in Venlo kunnen we de zelfredzaamheid als voldoende beschouwen.
Hoofdstuk 4
42
Bestrijdbaarheid Gekeken wordt naar de mogelijkheden bestrijdbaarheid van een calamiteit De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden? 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? De mate van bestrijdbaarheid van een calamiteit is afhankelijk van de opkomsttijd brandweer, de bereikbaarheid van de locatie calamiteit en de bluswatervoorziening in de omgeving van de calamiteit. Verdere uitdieping van dit onderwerp zal deel uitmaken van het advies van de Veiligheidsregio. Ten aanzien van de A73 en A67, welke beide meer dan 200 meter van de planlocatie liggen kunnen we volstaan met de standaard tekst uit de beleidsvisie van Venlo. Standaard Verantwoording groepsrisico (zone > 200 meter van risicobron) Bij zone III (vanaf 200 meter tot einde invloedsgebied) dient alleen rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. Onderstaande tekst kan overgenomen worden bij een ruimtelijk plan dat zich in deze zone bevindt. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen.
Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied.
Hoofdstuk 4
43
Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden.
Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringsSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Advies Veiligheidsregio Limburg-noord Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een advies13 uitgebracht over onderhavig bestemmingsplan. Bestrijdbaarheid Voor een adequate inzet van de brandweer en overige hulpverleningsdiensten is het van belang dat het plangebied en het bedrijfsgebouw binnen het plangebied voldoende bereikbaar zijn. Binnen het plangebied dienen tevens voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar te zijn. Als secundaire en tertiaire bluswatervoorziening kan hiervoor bijvoorbeeld gekeken worden naar de mogelijkheid voor het aanleggen van geboorde putten en/of de aanleg van blusvijvers. Dit kan mogelijk gecombineerd worden met de bij het bedrijfsgebouw voorziene wadi en/of sprinklertank. Voor het aanleggen van geboorde putten dient rekening te worden gehouden met de boringsvrije zone van de Venloschol indien er dieper dan 5 meter geboord dient te worden. 1. Advies om in het bestemmingsplan op te nemen dat het wegennet, gebiedsafsluitingen en bluswatervoorzieningen dienen te voldoen aan het beleid “bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. 2.
We adviseren hiervoor dan ook om de brandweer vroegtijdig te betrekken bij het vervolgtraject voor verdere inrichting van het terrein, zodat bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen afgestemd kunnen worden op overige aspecten zoals infrastructuur, wegennet, waterinfiltratie en waterpartijen.
13
Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies concept Bestemmingsplan bedrijfsgebouw Heierkerkweg te Venlo, kenmerk: 2021-013021, d.d. 3 augustus 2021.
Hoofdstuk 4
44
3. Zonnepanelen: indien op het bouwwerk zonnepanelen aangebracht worden, dan dienen deze te voldoen aan de door brandweer Nederland opgestelde “Handreiking risicobeheersing – Advies veilige PV-systemen”. Wij adviseren de initiatiefnemer hiervoor eveneens om vroegtijdig in overleg te gaan met de brandweer, maar ook met de toekomstige verzekeraar, aangezien deze aanvullende voorwaarden kunnen stellen voor dergelijke installaties. Zelfredzaamheid Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. Hiervoor adviseren we de volgende maatregelen op te nemen in het bestemmingsplan: 4. Toxisch scenario: zorg ervoor dat bij het te bouwen bedrijfsgebouw de ventilatieopeningen af te sluiten zijn bij een calamiteit. Wanneer in het bouwwerk voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een schakelaar waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De schakelaar kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden of in de buurt van de eventueel benodigde brandmeldcentrale / -paneel. Bepaal de locatie in overleg met de brandweer. 5.
Algemeen: Zorg dat de gebruikers van het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in de gebouwen, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Vluchten of schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen. 6. Algemeen: Neem de externe veiligheid scenario’s op in het bedrijfsnoodplan en beoefen deze met de BHW organisatie Conclusie Uit bovenstaand onderzoek blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling op de planlocatie Heierkerkweg in Venlo geen belemmeringen kent voor het thema externe veiligheid.
4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1
Algemeen
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de
Hoofdstuk 4
45
situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. In onderhavig geval kan worden gesteld dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied. Er zijn verschillen de functies in de omgeving aanwezig, waaronder bedrijfsfuncties, natuur- en recreatiefuncties en enkele woonfuncties. De afstanden kunnen derhalve met één afstandsstap worden verlaagd. Onderhavig initiatief maakt een bedrijf mogelijk met milieucategorie 3.1. In een gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 30 meter. 4.5.2
Onderzoek
Aan de Heierkerkweg 5, 5A, 5B, 7A, 9, 11 en 13 zijn woningen gelegen. De dichtstbijzijnde woning betreft de woning aan de Heierkerkweg nummer 5. De afstand van de bedrijfsbestemming tot aan de woning is circa 105 meter. Aan de richtafstand van 30 meter wordt voor deze woningen derhalve voldaan. Aan de Heierhoevenweg 8 is eveneens een woning gelegen. Gelet op de afstand van circa 10 meter tussen deze woning en het bedrijfsgebouw is een akoestisch onderzoek noodzakelijk. M-Tech heeft een akoestisch onderzoek industrielawaai14 uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd.
14
M-Tech, ‘Akoestisch onderzoek in het kader van een ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van een bedrijfspand aan de Heierkerkweg te Venlo’, referentie: Hei.Ven.21.AO BP-01, d.d. 23 maart 2021.
Hoofdstuk 4
46
Aan de hand van de aangevraagde bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de akoestische effecten met betrekking tot de aangevraagde activiteiten inzichtelijk gemaakt. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 37, 39 en 39 dB(A) tijdens de dag-, avond- en nachtperiode. Het maximaal beoordelingsniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen ten hoogste 53 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de normstelling volgens de VNG-brochure en het Activiteitenbesluit milieubeheer. De beoogde activiteiten vanwege het distributiecentrum vormen geen beperking voor het woon- en leefklimaat van omliggende geluidgevoelige bestemmingen. 4.5.3
Conclusie
Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor het plan.
4.6 Water 4.6.1
Inleiding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 4.6.2
Beleidskader
Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. Vernieuwing in het provinciaal waterbeheer wordt gestalte gegeven door onder andere een (grensoverschrijdende) stroomgebiedbenadering, een brongerichte aanpak, het solidariteitsprincipe (niet afwentelen) en het vooraf betrekken van water bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Nationaal waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld door de minister van Infrastructuur en milieu. Voor wat de ruimtelijke aspecten betreft moet dit plan worden gezien als een structuurvisie en is het bindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. Het waterplan beschrijft de strategische doelen voor het waterbeheer. De condities en maatregelen voor het bereiken van deze doelen staan beschreven in het 'Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren' van Rijkswaterstaat. Lagere overheden dienen het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 in hun beleid te verwerken.
Hoofdstuk 4
47
Waterschap Limburg Waterbeheerplan 2016-2021 Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Het plan heeft een looptijd van 2016 tot en met 2021. Dit plan is, vooruitlopend op de fusie in 2017 tot Waterschap Limburg, een gezamenlijk plan van beide waterschappen. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. Keur De Keur van het waterschap is op 1 april 2019 in werking getreden en legt meer verantwoordelijkheid neer bij de inwoners van de verschillende gemeenten. De belangrijkste verandering betreft regels omtrent het lozen van regenwater bij de realisatie van verharde terreinen en gebouwen vanwege klimaatverandering en het voorkomen van wateroverlast. Het principe van 'waterneutraal bouwen' is hierbij leidraad. Dit houdt bij uitbreiding van het verhard oppervlak het terug in de bodem brengen van regenwater door een dynamische bergings-/infiltratievoorzieningen gerealiseerd door de initiatiefnemer. Deze voorzieningen dienen gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:100.
In het geval nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd kan in het algemeen worden voldaan aan de nieuwe bergingsnorm van het waterschap. Bij afvoer en lozing van hemelwater afkomstig van nieuw aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel (waterneutraal bouwen) gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra hemelwater mag worden geloosd ten opzichte van een lozing die vanaf onverhard terrein plaatsvindt (2 l/s/ha). Door het aanbrengen van infiltratie- en of bergingsvoorzieningen kan de lozing op het watersysteem worden beperkt tot 2 l/s/ha. De voorzieningen dienen in eerste instantie te worden gerealiseerd op eigen terrein. Echter mag de initiatiefnemer deze ook in de nabije omgeving realiseren indien dit makkelijker uit te voeren is. Bij uitbreiding van verharde oppervlakken mag het waterbezwaar niet toenemen om afwenteling naar benedenstroomse gebieden te voorkomen. De verharding mag bij (zware) neerslag dus niet leiden tot een grotere piekbelasting dan oorspronkelijk het geval was omdat daardoor benedenstrooms de kans op wateroverlast vergroot wordt. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw.
De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen. 4.6.3
Kenmerken van het watersysteem
De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en omgeving, kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem en afval- en hemelwater.
Hoofdstuk 4
48
Voor bestemmingsplan ‘Greenport Business Park’ is een wateronderzoek 15 uitgevoerd. Hierin is onderhavige plangebied meegenomen als mogelijke uitbreidingslocatie. Grondwater Uit het Dinoloket blijkt dat het grondwater ter plaatse op circa 21,7 – 22 m +NAP te verwachten is. De freatische grondwaterstroming is richting het oosten. Het plangebied ligt niet binnen een (grond)waterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone van de Venloschol. Boringen dieper dan 5 meter boven NAP zijn verboden tenzij men een ontheffing heeft. Gezien de hoogteligging het beoogde bedrijfsgebouw wordt naar verwachting niet zo diep geboord ten behoeve de bouw en wordt derhalve geen ontheffing noodzakelijk geacht. Door de hoogteligging van het plangebied is bij de voorgenomen ontwikkeling geen grondwateroverlast te verwachten. Volgens de Basisregistratie Ondergrond bodemkaart bestaat de grond op onderhavig plangebied uit lemig fijn zand. Oppervlaktewater Binnen en nabij het plangebied (straal van 200 meter) is geen (primair) oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is de Mierbeek aanwezig. Ten noordwesten van het plangebied is de Leegloop Trade Port Noord aanwezig. Bij de realisatie van onderhavig plan is derhalve geen directe invloed op het bestaand oppervlaktewaterstelsel te verwachten.
Het initiatief ziet, naast de realisatie van het bedrijfsgebouw, op de aanleg van een wadi achter het bedrijfsgebouw van circa 4.800 m 2. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Gelet op de functie van het bedrijfsgebouw zal de voorgenomen ontwikkeling geen zwaarwegend effect op het bestaand rioolstelsel hebben. Door de toegenomen terreinverharding zal minder hemelwater het grondwater bereiken. Het grootste deel van het afstromend hemelwater is naar verwachting dakwater, dit is relatief schoon en kan veilig in de beoogde wadi worden geloosd. Het parkeerterrein is voorzien van infiltratievoorziening. Potentiele vervuiling komt met name van het vrachtverkeer. Dit betekent dat vervuilende stoffen op de openbare verharding kunnen accumuleren. Bij neerslag worden deze stoffen vanaf het wegdek getransporteerd naar de groene zone in de bermen, welke een filterende werking hebben. Water dat via de berm infiltreert zal hierdoor een verwaarloosbaar effect hebben op de grondwaterkwaliteit. Het bestemmingsplan moet normaal gesproken worden voldaan aan de afkoppelbeslisboom van de gemeente Venlo. Voor het Greenportgebied gelden voor de bergingseis afwijkende regels. Er moet namelijk voldaan worden aan een bergingseis van 100 mm per m2 aan verhard oppervlak. Onderhavige voornemen zorgt voor een toename van het verhard oppervlak.
Het totale verharde oppervlak ziet op circa
15
Arcadis, ‘Waterhuishoudkundigplan klaver 14’, referentienr.: 083767963 A.8, d.d. 5 maart 2020.
Hoofdstuk 4
49
32.283 m2. Door de toename zal circa 3.228 m3 (32.283 x 0,1 = 3.228,3 m 3) water moeten worden geinfiltreerd. Daarom zal achter het bedrijfsgebouw een wadi worden gerealiseerd van circa 4.800 m2. In de omgevingsvergunningenfase zal meer specifiek worden bekeken wat de exacte omvang en capaciteit van de wadi is, zodat deze kan voorzien in de bergingsopgave vanuit de nieuwe ontwikkeling. Afweging Als gevolg van de realisatie van het bedrijfsgebouw met de parkeerplaatsen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.7 Ecologie 4.7.1
Inleiding
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014.
De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van
Hoofdstuk 4
50
bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.
Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincies, eekhoorn, steenmarter, hazelworm en levendbarende hagedis vrijgesteld in bepaalde periodes in het jaar in Limburg. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er
Hoofdstuk 4
51
gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. 4.7.2
Onderzoek
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen het de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel betreft de goudgroene natuurzone, en grenst te zuiden aan het plangebied. Tussen het plangebied en de goudgroene natuurzone vormt de Heierkerkweg een duidelijk grens. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities van de goudgroene natuurzone redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast hoeven externe effecten binnen de provincie Limburg niet te worden meegenomen. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Maasduinen”, bevindt zich op circa 5,2 kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een bedrijfspand betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken is door M-Tech een AERIUS berekening16 gemaakt.
Op basis van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) met betrekking tot stikstofdepositie is geen sprake van een significant storend effect wanneer deze niet boven de 0,00 mol/ha/jaar komt. Volgens bij12.nl is geen vergunningplicht nodig wanneer na de berekening de stikstofdepositie kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar.
16
M-Tech, ‘Depositieberekening voor de bouw van het gebruik van een bedrijfspand aan de Heierkerkweg te Venlo’, referentie: Hei.Ven.23.DO WB-04, d.d. 21 maart 2023.
Hoofdstuk 4
52
In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanlegfase en voor de gebruiksfase. Gezien de korte afstand tot Duitse Natura 2000-gebieden zijn eigen er rekenpunten geplaatst in de Duitse natura 2000-gebieden die binnen een straal van 25km van de projectlocatie gesitueerd zijn. De stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitatten en leefgebieden binnen Nederlandse en Duitse Natura 2000-gebieden bedraagt nergens meer dan 0,00 mol N/ha/jr. Soortenbescherming Voor onderhavig bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna 17 uitgevoerd. De volledige quickscan is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Vogels Uit onderzoek is gebleken dat in het zadeldak van het woonhuis aan de Heierkerkweg 8B huismussen zijn aangetroffen. Voor de sloop van de woning en het verwijderen van het opgaand groen zal een ontheffing verkregen moeten worden. In de bebouwing zijn geen nest(rest)en van huiszwaluw en boerenzwaluw aangetroffen. Gierzwaluw is hier gezien de ligging in het buitengebied en natuurlijke open omgeving op voorhand uitgesloten. Voor het overige gaan er bij de uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.
Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Bij de sloop van de opstallen zal een kraamverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis verloren gaan. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Om de exacte grootte van de kraamverblijfplaats te bepalen dient een extra veldbezoek uitgevoerd te worden gedurende het kraamseizoen (mei-juli). Op basis van het resultaat wordt bepaald welke maatregelen er getroffen dienen te worden en kan de ontheffingsprocedure worden opgestart.
Grondgebonden zoogdieren Binnen en rond het plangebied zijn meerdere sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van das. Zowel ten noorden, tegen het fietspad, als in de bosschage ten zuiden van het plangebied zijn dassenpijpen aanwezig. Wissels lopen van deze pijpen naar het plangebied. Paardenweiden, waar
17
BRO, ‘Quickscan flora en fauna Heierkerkweg te Venlo’, projectnummer P03942, d.d. 26 februari 2021.
Hoofdstuk 4
53
het plangebied voornamelijk uit bestaat, wordt gezien als optimaal geschikt foerageergebied voor de das. Met de voorgenomen ontwikkelingen zal er in totaal 3,4 ha optimaal leefgebied verloren gaan. Dit leefgebied dient gecompenseerd te worden. De exacte compensatieopgave zal nader uitgewerkt moeten worden in een activiteitenplan. Voor het verwijderen van het leefgebied dient een ontheffing te worden verkregen. Voor het overige gaat met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van nietvrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
Reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen, vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Houtopstanden De bomenrijen parallel met de Heierkerkweg betreft een houtopstand. Indien hiervan een onderdeel verwijderd wordt dient hiervan melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Indien herplant op andere grond plaatsvindt is hiervoor een ontheffing nodig. Voor het verwijderen van opgaand groen op het erf is dit niet noodzakelijk. Voor erfbeplanting geldt een uitzondering in de Wet natuurbescherming. 4.7.3
Conclusie
Gebiedsbescherming Aan de hand van de aangevraagde bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de effecten van de stikstofdepositie van de aangevraagde activiteiten inzichtelijk gemaakt. Op basis van de AERIUS-berekeningen wordt geconcludeerd dat in de bouwfase en gebruiksfase in geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van meer dan 0,00 mol N/ha/jr stikstofdepositie als gevolg van beoogde werkzaamheden en gebruiksfase. Zodoende is er geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie in de bouwfase en gebruiksfase. Een vergunningsplicht is daarom niet van toepassing. Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: