034 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan 'Heierkerkweg te Venlo'.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
54
Om de omvang van de kraamverblijfplaats van gewone grootoorvleermuis in de opstal te kunnen bepalen dient een extra veldbezoek uitgevoerd te worden tijdens het kraamseizoen (mei-juli); Voor de sloop van de woning en opstallen aan Heierkerkweg 8a en b dient een ontheffing te worden verkregen met betrekking tot de huismus en de gewone grootoorvleermuis; Met betrekking tot de das dient een activiteitenplan opgesteld te worden waarin de compensatie van het verlies van geschikt habitat wordt uitgewerkt en dient een ontheffing te worden verkregen; Met betrekking tot steenmarter dient de sloop van de opstallen buiten de gevoelige periode plaats te vinden, welke van 15 augustus tot en met februari loopt; Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij parallel met de Heierkerkweg en bosschage ten zuiden van het plangebied dient te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Om de ecologische soorten binnen het plangebied te beschermen is momenteel een voorwaardelijke verplichting opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is een aanvullend onderzoek gewone grootoorvleermuizen18 uitgevoerd. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. De kolonie gewone grootoorvleermuizen bestaat uit circa 9 individuen. Conform het Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis bestaat een kraamgroep uit 10-50 vrouwtjes. Het is dus twijfelachtig. Zomerverblijfplaatsen bestaan namelijk ook meestal uit groepen, van 5 tot 25 dieren. De exacte functie is niet achterhaald. Geadviseerd wordt om mitigatie in te richten voor een kraamfunctie. Er is een ontheffing aangevraagd bij de Provincie Limburg voor soorten Wet natuurbescherming voor het slopen van de huidige bebouwing en de realisatie van een distributiecentrum gelet op de aanwezige das, grootoorvleermuis en huismus.
4.8 Archeologie en cultuurhistorie 4.8.1
Archeologie
Algemeen De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op
18
BRO, Aanvullend onderzoek gewone grootoorvleermuizen Heierkerkweg Venlo, projectnr.: P03942, d.d. 16 juli 2021.
Hoofdstuk 4
55
het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Onderzoek Door Aeres Milieu is een archeologisch bureauonderzoek 19 uitgevoerd. Onderstaand is een samenvatting opgenomen van het uitgevoerde onderzoek. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Percelen 138, 139 en 140 (oppervlakte 4,22 ha) liggen volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venlo (2015) in een zone zonder archeologische verwachting (witte zones). Hieraan zijn geen voorwaarden gesteld. Vermoedelijk gaat het hierbij echter om een deel van een omvangrijk gebied waarvan het AMZ-proces is afgerond (zie Bijlage 3, groene stippellijn).
Het perceel 1592 (oppervlakte 2,0 ha) ligt in een zone met een middelhoge en hoge archeologische verwachting. Binnen het bestemmingsplan Parc Zaarderheiken (2020) geldt respectievelijk de Waarde - Archeologie 2 en 1. Het zuidelijke deel van het plangebied ligt binnen een dekzandwelving. Het noordelijke en centrale deel ligt binnen een zone van dekzandvlakten. Binnen 150 meter ten zuiden ligt een dalvormige laagte waar de Mierbeek stroomt. Het kaartbeeld van het AHN laat zien dat het plangebied op de overgang ligt van hoger gelegen dekzandwelvingen naar de noordelijker gelegen dekzandvlakten. Met name het zuidelijke deel van het plangebied ligt relatief hoog. Het is niet bekend of het dal van de Mierbeek in de steentijd watervoerend was. Indien dat het geval is, zal het hoger gelegen plangebied in de nabijheid van watervoorzieningen een aantrekkelijke bewoningslocatie zijn geweest voor jager-verzamelaars. In de directe omgeving en ook binnen het plangebied zijn dan ook meerdere vuurstenen artefacten aangetroffen. Daarom geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode laat-paleolithicum tot en met mesolithicum. De hoge ligging in de nabijheid van water zal ook voor latere landbouwende samenlevingen een aantrekkelijke vestigingslocatie zijn geweest.
Dit wordt bevestigd door het grote aantal vondsten dat in het verleden werd gedaan in de directe omgeving van het plangebied. Het gaat hierbij om zowel begravingsresten uit de late bronstijd en/of ijzertijd als om losse vondsten en bewoningsresten uit het neolithicum, bronstijd, ijzertijd en de Romeinse periode. Ook binnen het plangebied werden ook losse vondsten en archeologische indicatoren aangetroffen uit de ijzertijd en uit de Romeinse tijd. Op basis
19
Aeres Milieu, ‘Archeologisch bureauonderzoek Heierkerkweg te Venlo’, projectnummer: AM20685, d.d. 24 maart 2021.
Hoofdstuk 4
56
hiervan geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor zowel nederzettingsresten als begravingsresten uit de periode neolithicum, bronstijd en ijzertijd als voor nederzettingsresten uit de periode Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. Het plangebied ligt aan de Heierkerkweg en de Heierhoevenweg en maakte tot omstreeks 1900 deel uit van de heidegronden. Het gebied werd doorkruist door rechte en langgerekte wegen zoals de genoemde Heierkerkweg en de Heierhoevenweg. Aan met name de splitsingen van wegen lagen ontginningshoeven die in enkele gevallen terug kunnen gaan tot de volle en late middeleeuwen. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied tot ver in de 20e eeuw onbebouwd is gebleven en vanaf omstreeks 1900 als bos in gebruik werd genomen en later als agrarisch gebied. Voor het plangebied geldt een middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de periode late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Zoals blijkt uit het bureauonderzoek is een groot deel van het plangebied in 2004 reeds archeologisch onderzocht middels een karterend booronderzoek. Hierbij zijn enkele archeologische indicatoren aangetroffen en ligt het westelijke deel mogelijk in een vondstencluster/vindplaats. Voor de onderzochte delen werd een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.
Voor het bebouwde deel (perceel 1592) werd geen vervolgonderzoek geadviseerd, hoewel ook werd aangegeven dat de niet onderzochte delen nog nader archeologisch onderzocht dienen te worden. Het is niet duidelijk waarom percelen 139 en 140 binnen een zone liggen die staat aangegeven als een zone waar het AMZproces is afgerond en waarvoor geen restricties gelden. Er zijn binnen Archis3 en de bestudeerde rapporten geen gegevens achterhaald dat deze delen wel zouden zijn onderzocht. Advies Voor de delen binnen het plangebied die in 2004 reeds zijn onderzocht middels een karterend booronderzoek, wordt - conform het advies uit 2004- een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd. Dit geldt tevens voor het nog niet onderzochte deel in het noordelijke deel van het plangebied. Voor perceelnummer 139 kan, mede gezien de aanwezige bebouwing, eerst gekozen worden voor een booronderzoek om de intactheid van de bodem in kaart te brengen en daarmee de verwachting te toetsen. Eventueel kan deze ook direct worden meegenomen in het proefsleuvenonderzoek. Het proefsleuvenonderzoek kan alleen worden uitgevoerd op basis van een nog op te stellen en door de bevoegde overheid (gemeente Venlo) goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Hierbij dient ten aanzien van het veldwerk ook rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van NGE (Niet Gesprongen Explosieven).
De resultaten van dit onderzoek dienen te worden getoetst door de bevoegde overheid (gemeente Venlo), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen.
Hoofdstuk 4
57
Indien na toetsing door de bevoegde overheid blijkt dat percelen 139 en 140 toch reeds zijn onderzocht en archeologisch zijn vrijgegeven, dan vervalt vanzelfsprekend het advies voor een proefsleuvenonderzoek ter plaatse. Het PvE20 is opgesteld en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente Venlo. Daarnaast is een projectplan ten behoeve van het NGE onderzoek opgesteld. Dit projectplan wordt aan het bevoegd gezag aangeboden. Zodra dit plan akkoord is, kan het NGE onderzoek plaatsvinden. 4.8.2
Cultuurhistorie
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat de ruimtelijke ordening een samenhangende afweging van alle belangen behelst. Tot die belangen wordt ook het cultureel erfgoed gerekend. In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 5) is daarom de verplichting vastgelegd om in de ruimtelijke ordening “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten”. Om aan deze verplichting te voldoen is cultuurhistorisch onderzoek noodzakelijk.
Figuur 4.3: Uitsnede Cultuurhistorische Inventarisatiekaart Venlo met locatie plangebied (rood omlijnd)
Volgens de Cultuurhistorische Inventarisatiekaart Venlo bestond het plangebied uit heidegronden. Tegenwoordig bestaat het plangebied voornamelijk uit landbouwgrond. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is de Heierkerkweg en de aangeduid als een ‘weg uit periode 1806-1890. De Heierhoevenweg is aangeduid als een ‘andere weg ouder dan 1806’. De onbenoemde weg die door het plangebied loopt, is aangeduid als ‘weg uit periode 18061890’ Het bestemmingsplan is niet van invloed op deze wegen.
20
Geonius, Programma van Eisen IVO-P Heierkerkweg te Venlo, rapportnr.: AA210154.R01.v0.1.PvE101, d.d. 8 december 2021.
Hoofdstuk 4
58
Ten zuidwesten van het plangebied is kapel Heierhove gelegen. Op grond van bestemmingsplan ‘Parc Zaarderheiken’ ligt op de kapel de functieaanduiding ‘cultuurhistorie’. Om de voorgenomen ontwikkeling tot uiting te laten komen, dienen de cultuurhistorische waarden en de kapel als belangrijk element te worden gewaarborgd. De Kapel is tevens het aanzicht van de Heierkerkweg en de Heierhoevenweg en vormt een punt van herkenning in het landschap. Tevens wegens de achtergrond en ontstaansgeschiedenis van deze verplaatste kapel, heeft dit perceel de dubbelbestemming ‘cultuurhistorie’ toegekend gekregen. Wegens de opkomst van de industrie moesten vele boerderijen en ook de voormalige kapel ‘Onze Lieve Vrouw van Fátima’ wijken. Heierhoeve is oorspronkelijk een buurtschap van Grubbenvorst en maakt nog steeds onderdeel uit van deze parochie. De behoefte naar een kapel bleef groot. In 2013 werd dan ook een nieuw kapel gebouwd.
Om de kapel als cultuurhistorisch element te waarborgen dient er rekening te worden gehouden met de volgende uitgangspunten: Het nieuwe bedrijfsgebouw dient voldoende afstand te bewaren tot de kapel; De Kapel wordt gezien als een afzonderlijk element en blijft in deze zin op zichzelf staand; Er ligt een kans om de achtergrond en geschiedenis te versterken middels educatieve informatieborden; De kapel wordt gezien als een meekoppelkans, wat betreft de route langs de wadi en de hoogstam fruitgaard,
4.9 Verkeer en parkeren De beoogde ontwikkeling dient niet te leiden tot verkeerskundige knelpunten en er dient in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Hierbij wordt voor het aspect parkeren getoetst aan het gemeentelijk Parkeerbeleidsplan. De verkeersaantrekkende werking wordt beoordeeld aan de hand van CROW-kengetallen. 4.9.1
Verkeer
De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is ook berekend op basis van de zojuist genoemde CROW publicatie. Dezelfde categorieën zijn aangehouden (bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief, sterk stedelijk en buitengebied). In totaal worden met de voorgenomen ontwikkeling maximaal 1.302 (1.301,1) verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag. De Heierkerkweg kan op dit moment deze toename niet kan afwikkelen. Daarom wordt de Heierkerkweg opgewaardeerd. Dit zal worden vastgelegd in de anterieure exploitatieovereenkomst. 4.9.2
Parkeren
Voor het parkeren dienen de bedrijven op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid realiseren. Onderhavig initiatief behelst de realisatie van een distributiecentrum. Conform de normen van CROW pu-
Hoofdstuk 4
59
blicatie ‘Toekomstig parkeren’ dienen er minimaal 183 parkeerplaatsen en maximaal 297 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Hierbij is uitgegaan van de categorie bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief van de CROW publicatie. Het plangebied is gelegen in het buitengebied en de gemeente Venlo is een sterk stedelijk gebied. In onderhavig plan worden 184 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan het minimaal aantal parkeerplaatsen. 4.9.3
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10 Kabels, leidingen en nutsvoorzieningen Over het plangebied loopt een hoogspanningsleiding. De beschermingszone ligt op het gedeelte van het plangebied waar de wadi beoogd is. Hierdoor vormt de hoogspanningsleiding geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Voor het overige zijn geen leidingen of andere nutsvoorzieningen gelegen.
4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij het besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Aanmeldingsnotitie Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld21, welke als bijlage is opgenomen.
Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt.
21
BRO, Aanmeldnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling, bestemmingsplan Bedrijfsgebouw Heierkerkweg te Venlo, projectnr.: P03942, d.d. juli 2021.
Hoofdstuk 4
60
5.
PLANSTUKKEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Op de analoge verbeelding wordt door middel van matrices per bestemming specifieke informatie weergegeven.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hoofdstuk 5
61
5.3.1
Inleidende regels
De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden te kunnen afwijken van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik.
De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht.
Hoofdstuk 5
62
‘Natuur’ De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, realisering en instandhouding van voorzieningen met ecologische functies, waaronder vleermuiskasten en nestkasten; voor foerageergebied en/of verbindingszone voor de das, speelvoorzieningen in de vorm van een jeu de boules baan, instandhouding van het oppervlaktewater en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. ‘Bedrijventerrein’ Binnen deze bestemming zijn ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ bedrijfsactiviteiten uit milieucategorieën 1, 2 en 3.1 toegestaan. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor groenvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut. Voor het realiseren van de gebouwen zijn regels gesteld aan de situering van de gebouwen en de bouwhoogte. Zo dienen de gebouwen in of maximaal 5 meter achter de op de verbeelding aangegeven figuur 'gevellijn' te worden gebouwd. De ruimte van 5 meter is opgenomen om bedrijven de mogelijkheid te bieden een optimaal bedrijfspand te realiseren ook als de gevellijn iets gebogen is. Voor wat betreft de bouwhoogte is een maximale bouwhoogte bepaald.
‘Groen’ De gronden binnen de bestemming ‘Groen’ zijn bestemd voor groenvoorzieningen, fiets- en wandelpaden en paden ten behoeve van recreatief medegebruik, onderhoudspaden en calamiteitenontsluitingen, realiseren en instandhouding van voorzieningen met ecologische functies, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, voorzieningen van algemeen nut, behoud, herstel en ontwikkeling van natuurlijke en ecologische waarden en maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘maatschappelijk’. Op deze gronden is bouwen niet toegestaan met uitzondering van nutsvoorzieningen en lichtmasten. ‘Verkeer’ De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd wegen, voet- en fietspaden, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen van algemeen nut met daarbij behorende ‘groenvoorzieningen en straatmeubilair. ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ De voor ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV. ‘Leiding – Riool’ De gronden binnen de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een rioolleiding.
Hoofdstuk 5
63
‘Waarde – Archeologie 1’ De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden in de vorm van vindplaatsen en, ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie', onder en bovengrondse cultuurhistorische waarden. ‘Waarde – Archeologie 2’ De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden. 5.3.3
Algemene regels
In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene aanduidingsregels in dit artikel wordt omgeschreven welke waarden er in het gebied zijn en op welke wijze deze in het bestemmingsplan beschermd worden. Binnen dit artikel zijn regels opgenomen voor de aanduiding ‘Milieuzonde grondwaterbescherming Venloschol’. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het afwijken van de bouwregels. Dit betreft de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages tot ten hoogste 10%. De omgevingsvergunning kan overigens alleen worden verleend wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.
Algemene wijzigingsregels Dit betreft de mogelijkheid het bestemmingsplan op daarvoor aangewezen onderdelen te laten wijzigen door het college van burgemeester en wethouders. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. Alle andere te volgen procedures liggen vast in de Wro en/of in de Wabo.
Hoofdstuk 5
64
Overige regels Hierin is een regel opgenomen ten aanzien van de verwijzing naar andere wettelijke regelingen. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
65
6.
HANDHAVING Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
66
7.
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid 7.1.1
Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de overheid budgetneutraal wordt ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de overheid verplicht om de kosten te verhalen in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd.
Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen c. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. Er zal derhalve een anterieure overeenkomst gesloten worden. Door deze overeenkomst zijn de kosten die de gemeente moet maken voor dit bestemmingsplan anderszins verzekerd en is geen exploitatieplan noodzakelijk. In de anterieure overeenkomst zal ook worden opgenomen dat het openbaar gebied wordt aangepast ten behoeve van de afwikkeling van toenemende verkeersbewegingen. Tevens zal een planschadeovereenkomst worden gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente.
Hoofdstuk 7
67
7.1.2
Financiële uitvoerbaarheid
De realisatie van het bedrijfsgebouw geschiedt door de initiatiefnemer. De investeringen voor de aanleg van de openbare ruimte, het bouwrijp-maken van de bouwkavel en alle daarbij behorende voorzieningen, worden gedragen door de initiatiefnemer. Zoals aangegeven ziet dit bestemmingsplan op de realisatie van een bedrijfsgebouw. De gronden die benodigd zijn voor de realisatie van de nieuwe bouwplannen, zijn reeds in eigendom van de initiatiefnemer. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat bestemmingsplan ‘Bedrijfsgebouw Heierkerkweg te Venlo’ als economisch uitvoerbaar mag worden aangemerkt.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1
Wettelijk (voor)overleg
Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van het vooroverleg en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf. Bij voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft op basis van artikel 3.1.1 Bro overleg plaatsgevonden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. De reacties uit dit vooroverleg zijn in de ‘naam nota’ (zie bijlage X) samengevat en voorzien van commentaar. Voorliggend bestemmingsplan is, waar nodig, aangepast naar aanleiding van de vooroverlegreacties. 7.2.2
Terinzagelegging
Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in de Wro gedurende 6 weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze op het plan in te dienen. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn vier zienswijzen ontvangen, waarop het plan is aangepast.
Hoofdstuk 7
68
8.
PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de
Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 8
69
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl