034 Bijl01 Toelichting bestemmingsplan 'Heierkerkweg te Venlo'.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Heierkerkweg te Venlo Gemeente Venlo Vastgesteld
Bestemmingsplan Heierkerkweg te Venlo Gemeente Venlo Vastgesteld
Rapportnummer:
P03942
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.0983.BP202108HEIERKRK-VA01
Datum:
april 2024
Opdrachtgever:
HPLG Hermans Project BV.
Projectteam BRO:
IMo, JEn
Concept:
april 2021, mei 2021, augustus 2021
Voorontwerp:
september 2022, februari 2023
Ontwerp:
november 2023
Vaststelling:
29 mei 2024
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor de ontwikkeling van een bedrijfsgebouw aan de Heierkerkweg te Venlo.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
1
Inhoudsopgave
Pagina
1.Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 6 8
2.Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 10
3.Beleidskader 3.1 Rijksbeleid
14 14
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid
14 15 16 16 20 21
3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.3 Regionaal beleid
21 22 24 25
3.3.1 Structuurvisie Klavertje 4-gebied (2012) 3.3.2 POL-uitwerking werklocaties - Visie Bedrijventerrein Noord-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid
25 27 28
3.4.1 3.4.2 3.4.3
Visie Werklandschap Klaver 14 Strategische Visie 2030 Ruimtelijke structuurvisie Venlo
28 29 29
4.Omgevingsaspecten 4.1 Luchtkwaliteit 4.2 Geluid 4.3 Bodem
30 30 32 32
4.3.1 Algemeen 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Externe veiligheid
32 33 38 39
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Quickscan externe veiligheid 4.5 Bedrijven en milieuzonering
39 40 45
4.5.1
Inhoudsopgave
Algemeen
45
1
4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Water
46 47 47
4.6.1 Inleiding 4.6.2 Beleidskader 4.6.3 Kenmerken van het watersysteem 4.7 Ecologie
47 47 48 50
4.7.1 Inleiding 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Archeologie en cultuurhistorie
50 52 54 55
4.8.1 Archeologie 4.8.2 Cultuurhistorie 4.9 Verkeer en parkeren
55 58 59
4.9.1 Verkeer 4.9.2 Parkeren 4.9.3 Conclusie 4.10 Kabels, leidingen en nutsvoorzieningen 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
59 59 60 60 60
5.Planstukken 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4
61 61 61 61
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
62 62 64 65
6.Handhaving
66
7.Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid
67 67
7.1.1 Kostenverhaal 7.1.2 Financiële uitvoerbaarheid 7.2Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 7.2.2
67 68 68
Wettelijk (voor)overleg Terinzagelegging
68 68
8.Procedure
Inhoudsopgave
69
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijk inpassing Bijlage 2: Aerius-berekening Bijlage 3: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 4: Bodemonderzoek Bijlage 5: Vooronderzoek bodem perceel X, nr. 1592 Bijlage 6: Quickscan externe veiligheid Bijlage 7: Notitie externe veiligheid Bijlage 8: Quickscan flora en fauna Bijlage 9: Vervolgonderzoek flora en fauna Bijlage 10: Archeologisch onderzoek Bijlage 11: PvE Archeologisch onderzoek Bijlage 12: Aanmeldingsnotitie m.e.r. Bijlage 13: Laddertoets
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de Heierkerkweg een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren met kantoorruimte en een parkeerplaats. Daarnaast zal binnen het plangebied een wadi en groen worden gerealiseerd. Het plangebied staat kadastraal bekend als Venlo, sectie X, nummers 138, 139, 140 en 1592 en kent een totaal oppervlak van circa 60.000 m2. Aangezien het ruimtelijk initiatief voor het bedrijfsgebouw niet past binnen het vigerende bestemmingsplan is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan biedt het benodigde juridisch-planologisch kader om de ontwikkeling van de locatie mogelijk te maken.
Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met ligging plangebied (rood omlijnd)
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen ten noorden van de Heierkerkweg en ten zuiden van de Heierhoevenweg. Ten zuidoosten van het plangebied, aan de overkant van de Heierkerkweg, is een grote bosschage
Hoofdstuk 1
4
gelegen. Tevens ligt ten zuidwesten van het plangebied, tussen de Heierhoevenweg en de Heierkerkweg een grote bosschage. Aan de zuidzijde bevinden zich een aantal woningen in de vorm van boerderijen en vrijstaande woningen. Daarnaast ligt het plangebied ten oosten van het bedrijventerreinen Trade Park. De locatie waarop het bedrijfsgebouw en de parkeerplaatsen gerealiseerd zullen worden, is gelegen in het westelijke deel van het Greenport Business Park. Het Greenport Business Park, Trade Port Noord en ook het plangebied zijn onderdeel van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4/Greenport Venlo. De ontwikkeling van de Greenport maakt onderdeel uit van de Nationale ruimtelijke hoofdstructuur en is van groot economisch belang voor de positie van de Nederlandse tuinbouw op mondiaal en Europees niveau. Binnen Trade Port Noord zijn bedrijven gevestigd tussen de categorieën 3.1 en 4.2. Greenport Business Park (voormalig bekend als Klaver 14) maakt tevens onderdeel uit van Greenport Venlo. De kavels zijn beoogd voor bedrijven binnen de sectoren agro-food, maakindustrie en logistiek, waarbij ze bij voorkeur een relatie met de nabijgelegen Brightlands Campus Greenport Venlo hebben of aansluiting hebben met
Figuur 1.2: Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
het lokale en regionale MKB. Binnen Greenport Business Park zijn bedrijven tot categorie 3.2 toegestaan. Het plangebied wordt grotendeels omringd door Parc Zaarderheiken. Dit gebied is ontwikkeld als natuur- en recreatielandschap. Het moet de natuurlijke verbinding vormen tussen Trade Port Noord en de Brightlands Campus Greenport Venlo. Binnen dit gebied is een golfbaan gelegen van circa 75 ha groot.
1.3 Vigerend bestemmingsplan Op de locatie zijn op dit moment drie bestemmingsplannen van toepassing, namelijk ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken’, vastgesteld op 25 januari 2006, ‘Bedrijvenpark Trade Port Noord’, vastgesteld op 25 september 2004 en ‘Parc Zaarderheiken’, vastgesteld op 29 januari 2020.
Figuur 1.3: Locatie plangebied (blauw omlijnd) met uitsnede plangebied (rood omlijnd) vallend onder bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken
Hoofdstuk 1
6
Figuur 1.4: Locatie plangebied (blauw omlijnd) met uitsnede plangebied (rood omlijnd) vallend onder bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Trade Park Noord’
Figuur 1.5: Locatie plangebied (blauw omlijnd) met uitsnede plangebied (rood omlijnd) vallend onder bestemmingsplan ‘Parc Zaarderheiken’
Hoofdstuk 1
7
Ingevolge deze bestemmingsplannen liggen er op het plangebied de volgende (dubbel)bestemmingen: ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch gebied’, ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’, ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Bedrijfsdoeleinden’ en ‘Natuur’. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt deels binnen de bestemming ’bedrijfsdoeleinden’ en deels binnen de bestemming ‘Natuur’ van bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Trade Park Noord’ gerealiseerd. Het beoogde bedrijfsgebouw ligt buiten het bouwvlak binnen het bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Trade Park Noord’. Het parkeerterrein wordt binnen de bestemming ‘Agrarisch gebied’ uit het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken en binnen de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’ en ‘Natuur’ aangelegd. Binnen de bestemmingen ‘Agrarisch gebied’ en ‘Natuur’ zijn parkeerplaatsen niet toegestaan. De wadi wordt gerealiseerd binnen de bestemming ‘Agrarisch’ uit het bestemmingsplan ‘Parc Zaarderheiken’. Omdat de wadi moet worden uitgegraven is deze strijdig met het bestemmingsplan ‘Parc Zaarderheiken’.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het besluitprofiel en de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-,provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op onderhavige locatie. In hoofdstuk 4 volgt de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op de locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de handhaving en hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 de procedure beschreven.
Hoofdstuk 1
8
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen aan de Heierkerkweg te Venlo. Het plangebied ligt in het buitengebied ten noorden van Venlo. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied agrarische gronden aanwezig. Aan de Heierkerweg 8a en 8b is een paardenkliniek met bedrijfswoning gevestigd. De agrarische gronden worden voornamelijk gebruikt als weide voor paarden.
Figuur 2.1: Luchtfoto plangebied (rode marker) en omgeving
In de omgeving van het plangebied ligt Parc Zaarderheiken. Zoals reeds in hoofdstuk 1 is aangegeven, is dit gebied ontwikkeld als natuur- en recreatielandschap. Binnen dit landschap is tevens een golfbaan gelegen. Aan de noordzijde van het plangebied grenst de Heierhoevenweg. Het gebied is gelegen ten oosten van bedrijventerrein Trade Park Noord. Op het bedrijventerrein Trade Park Noord zijn verschillende bedrijven gevestigd tussen de categorieën 3.1 en 4.2. Het bestemmingsplan ligt voor een groot gedeelte binnen bedrijventerrein Greenport Business Park. Dit blijkt uit de Visie Klaver 14. Binnen dit nog in ontwikkeling zijnde bedrijventerrein zijn kleinere bedrijven toegestaan dan binnen
Hoofdstuk 2
9
bedrijventerrein Trade Park Noord. Op het bedrijventerrein Greenport Business Park zijn bedrijven toegestaan tot categorie 3.2. Daarnaast ligt het plangebied ten westen van de A73. De beoogde locatie voor het bedrijfsgebouw heeft voor een groot deel reeds de bestemming ‘bedrijventerrein’.
Figuur 2.2: Huidige situatie vanaf Heierhoevenweg
2.2 Toekomstige situatie Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw in de vorm van een distributiecentrum. Een distributiecentrum valt volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in de categorie 3.1. Ten behoeve van het nieuwe distributiecentrum zal er binnen het plangebied een nieuw parkeerterrein worden aangelegd. De totale nieuwe bebouwing binnen het plangebied zal circa 20.500 m2 bedragen. Het bedrijfsgebouw zal worden afgeschermd van de omgeving aan de west en noordzijde door de aanleg van een groene buffer. Achter het bedrijfsgebouw zal een wadi worden gerealiseerd. Tevens zal rondom de wadi natuur worden aangelegd. Het perceel heeft een totaaloppervlakte van circa 60.000 m2.
Hoofdstuk 2
10
Figuur 2.3: Ontwerp tekening plattegrond begane grond
Het gebouw is zo ontworpen dat deze aansluit bij de beoogde gebouwen op Greenport. Het gebouw heeft een hoogte van maximaal 15 meter. Ten behoeve van de nieuwbouw binnen het plangebied is er een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld.
Figuur 2.4: Ontwerp tekening gevels van het bedrijfsgebouw
1
Janssen Wuts Architecten B.V., ‘Nieuwbouw bedrijfsgebouw aan de Heierkerkweg te Venlo’ d.d.10 november 2023.
Hoofdstuk 2
11
In het bedrijfsgebouw wordt een 2-laags kantoor gecreëerd met een oppervlakte van circa 730 m2.
Figuur 2.5: Sfeerimpressie toekomstige situatie
In figuur 2.6 is het landschappelijk inpassingsplan weergegeven. Hiermee wordt de inpassing van de nieuwbouw gerealiseerd, welke aansluit bij het naastgelegen Parc Zaarderheiken. Zo ontstaat er een rustig, eenduidig en aantrekkelijk beeld en wordt de impact op de omgeving (golfbaan, natuurgebied en het buurtschap Heierhoeve) beperkt. De groene omlijsting zal worden gehandhaafd door middel van het toevoegen van de bestemming ‘Groen’. Ten noorden en ten westen van het bedrijfsgebouw zal een aardenwal worden aangelegd van 15 meter breed. Voor het overige wordt een groene omlijsting gerealiseerd. Zoals al eerder vermeld, zal achter het nieuwe bedrijfsgebouw een wadi worden aangelegd. Deze heeft een grootte van circa 4.800 m2 en een diepte van 50 cm. De ambitie voor het terrein is een duurzaam en zelfvoorzienend werklandschap te creëren. Denk hierbij aan een duurzame materiaalkeuze en watermanagement. Bij de wateropgave is het uitgangspunt dat 100% wordt geborgen op eigen terrein. Het gebouw volledig duurzaam gebouwd. Het distributiecentrum wordt All-Electric en heeft geen stookinstallatie voor de verwarming. Op het perceel aan de westzijde van het plangebied zal een wadi worden aangelegd. Hier wordt zowel het bedrijfsgebouw als de bestrating op aangesloten. Door deze maatregel wordt er bijgedragen aan een duurzaam watermanagement.
Tevens kan het aanleggen van een wadi leiden tot een vergroting van de ecologische waarde in het gebied. Op het dak van het distributiecentrum worden,in het kader van duurzaamheid, zonnepanelen geïnstalleerd.
Hoofdstuk 2
12
Figuur 2.6: Landschappelijk inpassingsplan
Tot slot zal de Heierkerkweg worden opgewaardeerd. Deze weg is momenteel niet geschikt om grote hoeveel heden vrachtverkeer af te wikkelen.
Hoofdstuk 2
13
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1.
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;
Hoofdstuk 3
14
9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Volgens de NOVI is in de toekomst ruimte nodig voor de ontwikkeling van de havens, transport, ontvangst, opslag en handling van goederen.
De verwachte groei van het goederenvervoer gaat samen met een snelle groei van distributie- en logistieke centra aan de randen van de stedelijke regio’s en aan de doorgaande (inter)nationale verbindingen. De voortgaande groei van internetwinkelen kan tot nieuwe knelpunten in het stedelijk distributiesysteem leiden. Onderhavig planvoornemen voorziet in de bouw van een distributiecentrum. Gelet op de mogelijk nieuwe knelpunten is de groei van distributiecentra wenselijk volgens de NOVI. De beoogde locatie is ook in lijn met de NOVI. Daarnaast is de beoogde locatie in lijn met de NOVI. Het deel van het plangebied waar het distributiecentrum is beoogd, is grotendeels reeds bestemd als ‘bedrijfsdoeleinden’ en maakt onderdeel uit van bedrijventerrein Greenport Business Park. Dit laatste blijkt uit de Visie Klaver 14. Daarnaast ligt de beoogde locatie op korte afstand van de snelweg A73 en A67. Ook is de locatie niet ver buiten de stad gelegen. Deze beoogde locatie is daarmee een wenselijke locatie voor een distributiecentrum. Vanuit de NOVI bestaan er derhalve geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Na-
Hoofdstuk 3
15
tuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Aangezien er ter plaatse van het plangebied geen specifieke nationale belangen spelen, heeft het Barro geen directe doorwerking in voorliggend bestemmingsplan. 3.1.3
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)
De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en Nationaal Natuurnetwerk-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Op dit bestemmingsplan zijn geen belangen uit de Rarro van toepassing. 3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn2. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor het bedrijfsgebouw geldt dat vanaf 500 m 2 sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 2
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
16
Door BRO is een laddertoets3 uitgevoerd. Deze is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit de ladder weergegeven. Sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling De ontwikkeling van ca. 3,5 ha netto bedrijventerrein aan de Heierkerkweg in de Venlo betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het initiatief om ca. 3,5 ha netto bedrijfsruimte te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien er meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. 2. Het plangebied heeft in de vigerende bestemmingsplannen 4 de (dubbel)bestemmingen: ‘Agrarisch’, ‘Agrarisch gebied’, ‘Leiding-Hoogspanningsverbinding’, ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’, ‘Bedrijfsdoeleinden met functieaanduiding Paardenkliniek’ en ‘Natuur’. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is de ontwikkeling van een bedrijventerrein met de voorgenomen functies van het planinitiatief niet toegestaan en is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. 3.
Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling indien het plan voor bedrijventerreinen voorziet in de toevoeging van een gebouw, waarbij de ondergrens van de toevoeging ‘in beginsel’ 500 m² bvo is. Aangezien het om de toevoeging van ca. 3,5 ha netto nieuwe bedrijfsruimte gaat, kan het initiatief worden gekwalificeerd als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Passend binnen behoefte van het ruimtelijke verzorgingsgebied De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van het bedrijventerrein. Hierbij zijn de aard en omvang van de ontwikkeling leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het ruimtelijke verzorgingsgebied voor de ontwikkeling aan de Heierkerkweg te Venlo bestaat in dit onderzoek uit de regio Noord-Limburg5. Het programma wordt passend geacht binnen de Ladder, omdat er wordt voorzien in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied. Kwantitatieve behoefte Er is in theorie sprake van een kwantitatieve behoefte aan een bedrijventerrein op de planlocatie. De verwachte ruimtevraag (in ha) is in 2030 naar verwachting groter dan het huidige harde planaanbod (in ha). Hierbij is het volgende van belang: De kwantitatieve ruimtevraag in de regio is naar verwachting 300 tot 350 ha t/m 2030.
Dit is bepaald aan de hand van prognoses op basis van historische uitgifte en werkgelegenheidsontwikkeling.
BRO, ‘Venlo, Laddertoets Heierkerkweg’, projectnr.: P03942, d.d. 20 mei 2021. ‘Bedrijventerrein Trade Port Noord en park Zaarderheiken’ (vastgesteld 25 januari 2006); ‘Bedrijvenpark Trade Port Noord’ (vastgesteld 25 september 2004); ‘Parc Zaarderheiken’ (vastgesteld 29 januari 2020) 5 De regio Noord-Limburg bestaat uit de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Peel en Maas, Venlo en Venray. 3 4
Hoofdstuk 3
17
Het totale harde planaanbod in de regio Noord-Limburg bedraagt ca. 195 ha, waarvan 150 ha vrije kavels en 45 ha in optie is. Dit is onvoldoende om te kunnen voorzien in de verwachte ruimtevraag t/m 2030. Dit is een indicatie voor een aanvullende behoefte aan voldoende bedrijfskavels. Wanneer we hierbij ook de zachte plancapaciteit optellen bedraagt de plancapaciteit ca. 384,3 ha6. Het totale planaanbod is daarmee hoger dan de verwachte ruimtevraag t/m 2030. Het planinitiatief is al onderdeel van dit zachte planaanbod, waardoor de restcapaciteit niet zal toenemen. Het veranderen van de zachte planstatus naar een harde planstatus leidt niet tot een overschot aan harde plancapaciteit in Noord-Limburg. Er is in kwantitatieve zin voldoende ruimte voor het beoogde initiatief. Een nuance op het zachte planaanbod is dat er bij deze plannen geen zekerheid is of de ontwikkeling ook daadwerkelijk doorgaat. Bovendien sluit mogelijk niet ieder plan aan op de verwachte kwalitatieve vraag.
Kwalitatieve behoefte Op basis van een verdieping van de kwantitatieve vraag en het planaanbod is het volgende van belang: Er is al meer dan 15 jaar sprake van een omvangrijke vraag naar geschikte locaties voor logistieke bedrijven. In de periode 2010-2018 is de vraag zelfs (ruim) verdrievoudigd. De vraag concentreert zich op grootschalige distributiecentra in de zuidelijke corridor (waaronder Noord-Limburg). Onder invloed van de ontwikkeling van e-commerce en smart logistics is de verwachting dat de sector daarnaast verder doorgroeit. Vanwege de grote vraag naar logistieke kavels en het relatief beperkte aanbod in de zuidelijke corridor zijn ondernemers in deze sector (noodgedwongen) hun oriëntatie aan het verplaatsen naar o.a. West- en Midden-Nederland. Door de sterke ontwikkeling van het vervoer van consumentengoederenvervoer bleef de economische krimp in de logistieke sector ondanks de corona-uitbraak relatief klein. Eind 2020 was het goederenvervoer weer terug op het oude niveau en voor het komende jaar wordt tevens weer groei verwacht. Voor de logistieke sector geldt daardoor een positief toekomstperspectief. Door de onzekerheid rondom corona blijft er wel sprake van een onzekerheidsfactor rondom de prognoses. De regio Venlo heeft de status van logistieke hotspot.
Door de strategische ligging tussen de Randstad en het Ruhrgebied zijn er ontwikkelingskansen aanwezig om de ruimtelijk-economische structuur van de gemeente en de regio verder te versterken. De gemeente Venlo richt zich bij de vestiging van de topsectoren (waaronder logistiek) op het Klavertje 4-gebied, waar de planlocatie deel van uitmaakt. Daarnaast wordt in het regionale beleid genoemd dat nieuwe bedrijventerreinlocaties vooral nog gerealiseerd worden om acquisitie van buiten de regio te kunnen faciliteren. Het Klavertje 4-gebied is door de regio daarvoor aangewezen als (concentratie)locatie. Vanuit de logistieke sector is er voornamelijk vraag naar vastgoed met een omvang van 3 ha of groter. Een aanzienlijk deel van de vraag concentreert zich in de regio Venlo-Venray.
6
Het (zachte) planaanbod op bedrijventerrein De Spurkt in Venray (44 ha) is inmiddels komen te vervallen. Voor de volledigheid is het aanbod wel meegerekend in de confrontatie vraag-aanbod.
Hoofdstuk 3
18
Een relatief groot deel van het harde planaanbod bestaat uit kavels die te groot zijn voor de beoogde ontwikkeling. Ca. 77 ha van het harde planaanbod bestaat uit kavels die groter zijn dan 5 ha. Het planaanbod van kavels met een omvang tussen de 3 en 4 ha is beperkt. De totale restcapaciteit van kavels met deze grootte bedraagt slechts 9 kavels. Deze kavels zijn omwille van beleidsmatige, bestemmingsplan technische of markttechnische argumenten niet geschikt voor de invulling van het beoogde initiatief, waardoor er binnen bestaand stedelijk gebied geen geschikte alternatieven zijn. De leegstand op werklocaties in de regio Noord-Limburg is ver onder frictieniveau en duidt op een tekort aan bedrijfsruimte. Daarmee zijn er geen leegstaande panden of kavels in het harde planaanbod geschikt, of redelijkerwijs geschikt te maken, om het planinitiatief te ondervangen. Een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is daarmee te motiveren.
Aanvaardbare ruimtelijk-functionele effecten bedrijventerrein De conclusie is dat de effecten van het plan ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Hierbij is het volgende van belang: De planlocatie sluit goed aan op het bestaande cluster van bedrijventerreinen. De aard en schaal van het planinitiatief zijn een goede aanvulling zijn op het bestaande productiemilieu, de werkgelegenheidsstructuur en de omgeving van Klavertje 4. Het harde planaanbod, alsmede de leegstand van bestaand vastgoed, is onvoldoende om te voorzien in de ruimtevraag t/m 2030. Om deze redenen treden er naar verwachting geen ruimtelijk onaanvaardbare leegstandseffecten op bij uitbreiding van het aanbod. Gesitueerd binnen/buiten stedelijk gebied Volgens de provinciale Omgevingsverordening is de ontwikkeling niet binnen het stedelijk gebied gelegen, aangezien deze wordt aangeduid als ‘landelijk gebied’. Wanneer de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gepland, moet volgens artikel 3.1.6 lid 2 Bro worden gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen bestaand stedelijk gebied een rol. Kanttekening bij het voorgaande is dat, vanuit jurisprudentie en de Handreiking bij de Ladder, de ontwikkellocatie grotendeels wél gezien kan worden als ‘bestaand stedelijk gebied’, als bedoeld in art.
1.1.1. van het Bro. In dit artikel is onder h een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd, waarin als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. In de jurisprudentie is dit begrip nader ingevuld. Wanneer er op gronden een niet-agrarische bestemming rust (waaronder niet alleen 'rode' stedelijke functies, maar bijvoorbeeld ook functies voor sport, recreatie of stedelijk groen), dan is er sprake van bestaand stedelijk gebied, ook al is de locatie nog onbebouwd, mits de locatie onderdeel is van het bestaand stedelijk samenstel van bebouwing.
Hoofdstuk 3
19
Dit is het geval op de beoogde planlocatie aan de Heierkerkweg. De huidige bestemming betreft immers hoofdzakelijk ‘Bedrijfsdoeleinden’ met de functieaanduiding ‘Paardenkliniek’. Door de aangrenzende bedrijfsfunctie en de omliggende bedrijventerreinen, maakt de locatie tevens onderdeel uit van een bestaand stedelijk samenstel van bebouwing. Enkel een zeer beperkt deel van de ontwikkeling heeft de bestemming ‘Agrarisch’ en ‘Natuur’. Hoewel formeel niet noodzakelijk (aangezien de ontwikkellocatie vanuit de begripsbepaling ten aanzien van de Ladder gezien moet worden als ‘bestaand stedelijk gebied’) is in deze Ladder toch gemotiveerd waarom niet elders in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Bij de locatie-afweging zijn daarom alle kavels van 3 tot 4 ha kwalitatief afgewogen. Conclusie is dat deze kavels redelijkerwijs geen alternatieve locatie zijn voor het beoogde initiatief. Op pagina 13 is in tabel 3 per locatie gemotiveerd waarom de alternatieve locaties niet kunnen voorzien in het beoogde initiatief. Conclusie Onderhavig initiatief is in lijn met de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.5
Wet milieubeheer
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.
van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.
Hoofdstuk 3
20
Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 4.12.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciale Omgevingsvisie (POVI)
Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in paragraaf 3.2.3. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:
Hoofdstuk 3
21
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Werklocaties De beschikbaarheid en kwaliteit van vestigingsmilieus voor het bedrijfsleven is essentieel voor de economische basis van de provincie. Er is sprake van een grote variatie aan vestigingsmilieus, uiteenlopend van grote logistiek-industriële terreinen tot aan campussen, kantoorlocaties en woonboulevards. Voor de vestiging of uitbreiding van bedrijven is geschikte huisvesting en ruimte noodzakelijk. Dat kan in Limburg een probleem zijn. Soms is er onvoldoende beschikbare ruimte, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Die eisen kunnen bovendien in de toekomst veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen. In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten. Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan onze economische structuur. Buitengebied Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus.
Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Afweging De beoogde locatie van het bedrijfsgebouw valt binnen het gebied ‘werklocaties’. Hierin zijn distributiecentra toegestaan die van toegevoegde waarde zijn voorde economische structuur en arbeidsmarkt en/of bedrijven met een innovatief karakter. Onderhavig bedrijfsgebouw wordt All-Electric en zal geen gebruik maken van een stookinstallatie voor de verwarming. Het bedrijfsgebouw wordt daarmee duurzaam. In het gedeelte van het plangebied welke in de zone ‘Buitengebied’ is gelegen, is de wadi beoogt. Onderhavig planvoornemen is hiermee in lijn met het POVI. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.
Hoofdstuk 3
22
Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. Extensiveringsgebied intensieve veehouderij Binnen dit gebied is geen nieuwvestiging of uitbreiding van het bouwvlak van intensieve veehouderij mogelijk.
Specifieke bepalingen omtrent beschermingszone en beschermingsgebieden In de omgevingsverordening zijn verder specifieke bepalingen opgenomen ten aanzien van provinciale wegen en reserveringszones, beschermingszones natuur- en landschap, uitsluitingsgebieden windturbines, natuurbescherming, milieubeschermingsgebieden, regionale waterkeringen, normerig wateroverlast, grondwateronttrekking, rioolplichtontheffing en gesloten stortplaatsen, alsmede bedrijventerreinen met provinciale geluidcontouren. Afweging Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is nader toegelicht in paragraaf 3.1.4. Extensiveringsgebied intensieve veehouderij Onderhavig planvoornemen voorziet niet in het realiseren of uitbreiden van een intensive veehouderij. Beschermingszones en beschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol is gelegen.
Het is in de boringsvrije zone verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput te maken of te hebben, in de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben, werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemalgen kunnen aantasten en tot slot is het verboden een aardwarmtesysteem te maken of te hebben. Op basis van de kaart Actueel Hoogtebestand Nederland wordt vastgesteld dat het plangebied over het algemeen op circa 25 meter boven NAP is gelegen. De wadi krijgt een diepte van 2,3 meter. Hiermee wordt er niet beneden 5 meter boven NAP in de grond geroerd of andere ingrepen uitgevoerd. Ook voor het bouwen van het bedrijfsgebouw en de aanleg van de parkeerplaatsen zijn geen werkzaamheden voorzien die dieper zijn dan 5 meter boven NAP.
Hoofdstuk 3
23
Figuur 3.2: Uitsnede kaart AHN met locatie plangebied (rood omlijnd)
Voorgenomen ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 3.2.3
Omgevingsverordening Limburg 2021
Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 25 mei 2021 heeft het college van Gedeputeerde Staten het ontwerp van deze nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen en is in december 2021 door Provinciale Staten vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op 1 oktober 2023 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers.
Hoofdstuk 3
24
Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Bedrijventerrein’. Conform artikel 12.5 van de omgevingsverordening gelden de volgende instructieregels bij de toevoeging van vestigingsmogelijkheden van bedrijventerreinen: 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. 2. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg. 3.
Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg. 4. De motivering bij een omgevingsplan bevat: a. een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid; b. een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Afweging Op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2021 dient het initiatief te voldoen aan de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg. In paragraaf 3.3.2 wordt aan deze visie getoetst. Uit de onderbouwing blijkt dat aan de Regionale visie wordt voldaan. Daarnaast wordt in deze toelichting voldoende het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en de afstemming beschreven. Onderhavig initiatief voldoet derhalve aan de Omgevingsverordening Limburg 2021.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1
Structuurvisie Klavertje 4-gebied (2012)
De samenwerkende gemeenten en de provincie hebben in 2012 gezamenlijk de structuurvisie Klavertje-4-gebied vastgesteld. De gunstige ligging tussen aanvoer- en afzetmarkten (mainports en Ruhrge-
Hoofdstuk 3
25
bied en verder), de goede bereikbaarheid en de sterke, van oudsher aanwezige agrarische en logistieke sectoren, hebben ervoor gezorgd dat de regio rondom Venlo zich heeft ontwikkeld tot één van de vijf Nederlandse Greenports. Rijk, provincie en gemeenten hebben de handen ineengeslagen om de kansen voor een verdere economische ontwikkeling te benutten en een duurzame ruimtelijk-economische structuurversterking te realiseren, geïnspireerd door de Cradle to Cradle-principes. Dit wordt vormgegeven door in het Klavertje 4-gebied omvangrijke werklandschappen te ontwikkelen in de sectoren trade & logistics, agro & food en de maakindustrie. Een werklandschap is een gebied waar landschap en bedrijvigheid in elkaar overgaan. Het is een landschap waarin wordt gewerkt, maar waarin ook wordt gerecreëerd. Het werklandschap heeft een maximaal positief effect op milieueffectiviteit en leefbaarheid. Gekoppeld aan de werklandschappen wordt fors geïnvesteerd in nieuw landschap, natuur en energieprojecten. Met de vaststelling van een ontwikkelingsgerichte intergemeentelijke structuurvisie in de zomer van 2012 is de ruimtelijke strategie en hoofdstructuur voor de gebiedsontwikkeling in het Klavertje 4-gebied vastgelegd (zie figuur 3.3).
Figuur 3.3: Structuurvisiekaart Klavertje 4-gebied met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Hoofdstuk 3
26
Daarmee is een beleidsmatige en planologische basis gelegd voor de verdere uitwerking van de gebiedsontwikkeling. Afweging Onderhavig plangebied valt onder de gebieden ‘Venlo Greenpark’ en ‘Mozaïklandschap’. Binnen deze laatst genoemde zone is ene toename van bebouwing of uitbreiding van bepaalde (agrarische) activiteiten niet wenselijk. Onderstaand initiatief voorziet binnen die zone een wadi die als ‘Natuur’ zal worden bestemd. Het deel van het bestemmingsplan dat valt onder het gebied ‘Venlo Greenpark’ valt onder de Visie Werklandschap Klaver 14’. Binnen deze visie valt het gebied onder ‘mogelijk uitbreidingsgebied. Deze visie zal worden besproken in paragraaf 3.4.1. 3.3.2
POL-uitwerking werklocaties - Visie Bedrijventerrein Noord-Limburg
De basisafspraken en spelregels uit het POL2014, in lijn met de Ladder voor Duurzame verstedelijking, zijn door de regio uitgewerkt in de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en vormen de basis voor het gemeentelijk beleid. In 2017 is de ‘Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg’ vastgesteld door de gemeenteraden in Noord-Limburg. Tot voor enkele jaren werden in de regio Noord Limburg bedrijventerreinen door individuele gemeenten gepland en ontwikkeld op basis van lokale motieven. Afgelopen jaren zijn de eerste stappen gezet in de regio om te komen tot een gezamenlijk bedrijventerrein beleid. Er is een versnelling opgetreden in de regionale samenwerking toen tijdens het traject van het POL2014 door de provincie nieuwe richtingen zijn aangegeven die de regio graag wil overnemen. De provincie heeft de drie Limburgse regio’s gevraagd een bedrijventerreinenvisie vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met dynamisch voorraadbeheer. In de bedrijventerreinenvisie wordt beschreven welke ambities, opgaven en principes de regio NoordLimburg nastreeft, rekening houdend met het door de provincie voorgestelde dynamisch voorraadbeheer. Ook worden de werkwijze en spelregels beschreven die gehanteerd worden.
Er wordt een beschrijving gegeven van de huidige bedrijventerreinvoorraad (vertrekpunt) en hoe de regio Noord-Limburg wil omgaan met de bestaande bedrijventerreinen (herstructurering en uitgifte) en nieuwe bedrijventerreinen (planvorming en acquisitie). Wanneer gekeken wordt naar de ‘spelregels en werkwijze’ blijkt dat gemeenten gaan proberen de ruimtevraag voor bedrijventerreinen zoveel mogelijk te faciliteren door intensivering van de huidige bedrijventerreinen. Hierbij heeft intensivering op kavelniveau geen gevolgen voor het dynamisch voorraadbeheer, ook niet als de intensivering een kleine uitbreiding van de kavel vergt (max 10%). Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet in principe niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen, alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.
Hoofdstuk 3
27
Afweging Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een distributiecentrum. Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijvenpark Trade Park Noord’ heeft het plangebied grotendeels reeds de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. Er is dus geen sprake van een nieuwe locatie voor een bedrijventerrein, maar een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein. Aangezien de betreffende gronden die volgens het vigerende bestemmingsplan van niet-bedrijvigheid naar bedrijvigheid gaan al in de regionale voorraad zitten, is salderen in het kader van dynamisch voorraadbeheer hier niet aan de orde. Op grond van het bovenstaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidsdoelen uit de Visie bedrijventerreinen Noord Limburg, waardoor dit plan niet regionaal afgestemd hoeft te worden.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1
Visie Werklandschap Klaver 14
Onderhavig plangebied ligt binnen de op 11 april 2019 vastgestelde ‘Visie Werklandschap Klaver 14’. Deze visie is opgesteld door de gemeente Venlo en het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo. Volgens de visie valt het gedeelte van het perceel waar het bedrijfsgebouw en de parkeerplaatsen zijn beoogd onder het gebied ‘mogelijke uitbreidingsgebied’. Het gedeelte van het perceel waar de wadi is beoogd, valt niet onder deze visie. In de visie is kleinschalige bedrijvigheid beoogd met percelen tot maximaal 20.000 m2. Onderhavig initiatief betreft een perceel ter grootte van circa 35.000 m 2 (In deze oppervlakte is het gedeelte van het perceel waar de wadi is voorzien, niet meegenomen). Door de beoogde locatie ligt op de grens tussen de grote logistieke bedrijven in Trade Port Noord en de beoogde kleinschaligere ontwikkeling in het in procedure zijnde bestemmingsplan voor Klaver 14. Daarmee kan de locatie als een overgangszone worden beschouwd en kan worden afgeweken van de visie.
Figuur 3.4: Visiekaart Visie Werklandschap Klaver 14
Hoofdstuk 3
28
3.4.2
Strategische Visie 2030
Met de Strategische Visie Venlo 2030 geeft de gemeente Venlo een afwegingskader mee op basis waarvan toekomstige besluiten kunnen worden afgewogen en nieuwe ontwikkelingen binnen breder perspectief kunnen worden geplaatst. In de Visie is vastgelegd hoe Venlo zich tot 2030 zal moeten ontwikkelen. Er zijn vijf thema's gekozen waarvoor een analyse voor het jaar 2010 is uitgevoerd en waarvoor de ambities voor het jaar 2030 zijn geformuleerd. Eén van de ambities is het streven naar een innovatieve en excellente stad. De ontwikkeling van Klavertje 4/Greenport Venlo (waaronder Trade Port Noord) geeft invulling aan deze ambitie. 3.4.3
Ruimtelijke structuurvisie Venlo
Op 25 juni 2014 is de ‘Structuurvisie Venlo’ vastgesteld. De structuurvisie geeft een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de komende jaren. Het betreft de vertaling van de ambities en opgaven uit de Strategische visie 2030. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. Afweging Onderhavig plangebied valt onder Klavertje 4. Hierdoor is de ruimtelijke structuurvisie Venlo niet op onderhavig plan van toepassing.
Hoofdstuk 3
29
4.
OMGEVINGSASPECTEN Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
4.1 Luchtkwaliteit Algemeen Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Hoofdstuk 4
30
Regeling NIBM In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, die onder het gelijknamige Besluit hangt, zijn categorieën van gevallen opgenomen die per definitie 'niet in betekenende mate' zijn. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een woningbouwontwikkeling van minder dan 1.500 woningen of een kantoorontwikkeling van minder dan 100.000 m2 bruto vloeroppervlak. Deze ontwikkelingen hoeven dan niet nader onderzocht te worden op een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit en hiervoor hoeft geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden.
Achtergrondwaarden In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM bedraagt in 2020 de concentratie PM10 ter plaatse lager dan 18 μg/m³, de concentratie PM2,5 tussen de 10 en 12 μg/m³ en de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 15 en 20 μg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig plan.
Hoofdstuk 4
31
4.2 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden geboden in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader is de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. (Spoor)wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Met de realisatie van het bedrijfsgebouw met kantoorruimte, parkeerplaats en wadi wordt er geen geluidgevoelige functie binnen het plangebied toegevoegd. In het kader van onderhavig bestemmingsplan zijn er geen belemmeringen op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai en kan het uitvoeren van een akoestisch onderzoek van (spoor-)wegverkeerslawaai dan ook achterwege worden gelaten. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.3 Bodem 4.3.1
Algemeen
Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.