CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

032 Bijlage 5 bestemmingsplan Vossen-Breuers, toelichting.pdf

Oordeelsvormende raadsbijeenkomst 15 juni 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 2c: Vaststelling bestemmingsplan Vossen-Breuers (RV 2022-32)19.526 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

17

Risico op planschade

Risico op planschade als gevolg van planologische status (mits er geen

Er bestaat een risico op planschade, omdat niet alle percelen reeds een woonbestemming hebben. Er wordt een

CA200061R01.V1.2

27 van 54

voorzienbaarheid kan worden gecreëerd)

planschade overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente.

18

Risico op schadeclaims

Risico op schadeclaims als gevolg van contractuele verplichtingen

Nee

19

Schade voor gerealiseerde bouw

Is het terugdraaien van plannen schadelijk voor in de directe omgeving al gebouwde woningen. (ontstaan van onafgewerkte plannen met open plekken; relatie met kosten bouwrijp c.q. woonrijp maken)

Nee

20

In welke fase zit het plan (initiatiefase, realisatiefase, bouwrijp, woonrijp etc.)

Initiatieffase / aanvraag omgevingsvergunning.

21

Wat is het financiële gevolg voor het gemeentelijk grondbedrijf en de uitvoerbaarheid van (in exploitatie genomen, lopende) plannen?

Voor de planontwikkeling wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee afdoende aangetoond.

22

Is er een subsidie aan het project gekoppeld? Zo ja, wat is het risico? (het gaat om subsidie die wij hebben aangevraagd c.q. welke wij beheren)

Nee

Uit de beoordeling van de financiële en juridische aspecten komt naar voren dat er geen risico’s bij de gemeente Venlo liggen. De risico’s liggen volledig bij de uitvoerende partij. Het plan is hiermee financieel en juridisch uitvoerbaar.

3.4.6 Welstandsnota gemeente Venlo 2013 Voor de gemeente Venlo geldt de Welstandsnota gemeente Venlo 2013. De kernopgave van de welstandsnota is het waarborgen van de kwaliteit van de verschijningsvorm van bouwwerken door het vaststellen van welstandskaders. Het doel van de actualisatie is: •

Meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan de burgers en bedrijven van Venlo.

CA200061R01.V1.2

28 van 54

• • •

Een sneller en slagvaardiger uitgevoerd welstandsbeleid en een betere dienstverlening. Verbetering van de toegankelijkheid van de welstandsnota en daarmee betrokkenheid creëren van burgers en bedrijven bij de kwaliteit van hun directe fysieke leefomgeving. Betere regie op de verschijningsvorm voor een aantrekkelijke fysieke leefomgeving.

De welstandsnota gaat over het duurzaam bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Venlo. Het gemeentebestuur doet dit niet door het in absolute zin vastleggen van criteria en richtlijnen waaraan toekomstige ontwikkelingen moeten voldoen (uitgezonderd de sneltoetscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken). Absolute criteria leveren slechts één maximaal mogelijk resultaat op. Relatieve criteria bieden de initiatiefnemer meer vrijheid en flexibiliteit. Daarom wordt de welstandsadvisering voor een groot deel uitgevoerd op basis van relatieve criteria. Deze criteria schrijven voor op welke aspecten de welstandsbeoordeling van de bouwaanvraag plaatsvindt, maar laat initiatiefnemers ruimte zelf invulling te geven aan deze aspecten binnen het welstandskader. Eigen aan het gebruik van dergelijke relatieve criteria is dat zij niet uitkomen op één maximaal resultaat maar meerdere uitkomsten mogelijk maken. Het plangebied is gelegen binnen het welstandsgebied ‘Centrum Tegelen'. Het kader voor de ontwikkeling van het centrum van Tegelen is het beeldkwaliteitsplan Centrum Tegelen. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied ‘Rijksweg en locatie Lücker-A&P'. Het beeldkwaliteitsplan geeft aan dat de locatie geschikt is voor verschillende typen ontwikkelingen. Vanuit de markt is woningbouw (appartementen en eengezinswoningen) erg aantrekkelijk.

Anderzijds is een menging van functies wenselijk. Aan de zijde van de Roermondseweg (Rijksweg) en de Spoorstraat dient de bebouwing aan te sluiten op de huidige lintbebouwing. In de opgezette modellen zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan zijn steeds twee leefmilieus te onderscheiden: de lintbebouwing aan de Roermondseweg en het woonmilieu in het binnenterrein. Gesloten bebouwing staat in contrast met vrijstaande bebouwing in het binnenterrein (tuinmilieu) en vice versa. Middels ontsluiting en strategische menging van architectuur worden beide milieus verankerd in de stedenbouwkundige context. Conclusie: Met de wijze waarop in voorliggende stedenbouwkundig plan de verschillende woonmilieus zijn uitgewerkt als ook hoe de samenhang, verwevenheid en verankering is opgelost sluit de ontwikkeling aan bij de uitgangspunten zoals verwoord in het beeldkwaliteitsplan ‘Centrum Tegelen'.

CA200061R01.V1.2

29 van 54

4 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt aangegeven hoe deze in deze ruimtelijke onderbouwing zijn ingepast.

4.1 Akoestiek De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder stelt dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bebouwing niet de 48 dB mag overschrijden. Wanneer een bestemmingsplan nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing toestaat, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen op een bepaalde afstand van die woningen of andere geluidsgevoelige bebouwing. Voorliggend plan Door K-plus is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai verricht (‘Woningbouwontwikkeling A&P/Lückerlocatie te Tegelen, Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen’ d.d. 21 april 2022). Het akoestisch onderzoek heeft tot doel de geluidbelasting vanwege de wegen op de gevels van de te projecteren geluidgevoelige bebouwing te bepalen en te toetsen aan de grenswaarden die in de Wet geluidhinder zijn gesteld. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Conclusie project Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeurgrenswaarde zal worden overschreden vanwege verkeerslawaai van de Roermondseweg. Bij tweeentwintig woningen ligt de geluidsbelasting (gevelbelasting) boven de voorkeursgrenswaarde.

De maximale geluidsbelasting bedraagt daarbij, na wettelijke aftrekcorrectie, 62 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt daarmee niet overschreden. Maatregelen aan de bron en/of overdracht om de gevelbelasting zoveel als mogelijk terug te brengen zijn weliswaar mogelijk, maar stuiten op praktische, stedenbouwkundige en financiële bezwaren omdat het gaat om de herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie en men gebonden is aan de afmetingen van het terrein. Een andere stedenbouwkundige opzet zal na verwachting niet leiden tot een afname van woningen waarvoor een hogere waarde moet worden verleend. Het plan ligt in de bebouwde kom van Tegelen. Het is niet wenselijk om geluidafschermende voorzieningen op te richten. Ook is het niet wenselijk om de maximumsnelheid op de Roermondseweg te verlagen. Ook andere maatregelen aan de bron, zoals het aanbrengen van geluidarm asfalt, zijn uit praktisch en financieel oogpunt niet haalbaar/wenselijk. Dit omdat er sprake is van openbaar gebied in eigendom van de gemeente, waarover dan aanvullende contractuele afspraken tussen partijen zouden moeten worden gemaakt inzake wegdektype, financiering, (weg)werkzaamheden, visuele impact op het straatbeeld en dergelijke. Daarnaast wegen de kosten van een dergelijke omvangrijke aanpassing aan de bron niet op tegen de schaal van het project.

In concreto zijn de kosten van aan te brengen gevelmaatregelen aan de woningen aanmerkelijk geringer dan het realiseren van een aanpassing aan de bron in de vorm van het aanbrengen van geluidsarm asfalt. Om een goed woonen leefklimaat in de nieuwe functie te kunnen waarborgen zullen gevelmaatregelen worden getroffen. Bij de gemeente Venlo wordt daarom een verzoek tot vaststelling van een hogere toelaatbare waarde ingediend voor deze 22 woningen.

CA200061R01.V1.2

30 van 54

Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Gezien de bepaalde optredende gevelbelastingen dient ermee rekening te worden gehouden dat plaatselijk zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevel(s) om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen van het Bouwbesluit ten aanzien van de realisatie van een goed woon- en leefklimaat.

4.2 Bodem Algemeen Bij een bestemmingsplanprocedure moet het bevoegde gezag voldoende inzicht hebben om de vraag te kunnen beantwoorden of de bodem geschikt is voor de in het bestemmingsplan toe te kennen functie. Daarvoor dient een bodemonderzoek. Een bodemonderzoek hoeft echter niet te worden uitgevoerd als de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan dienen voor een bestemmingsplanwijziging. Een belangrijke voorwaarde daarbij is de vaststelling van het niet verdacht zijn van de locatie voor puntbronnen op basis van een uitgevoerd NEN 5725 vooronderzoek. Blijkt hieruit dat er geen verdachte locaties/situaties zijn, ofwel er zijn geen knelpunten, dan kan volstaan worden met dit vooronderzoek aangevuld met een veldinspectie. Uit het vooronderzoek volgens NEN 5725 kan ook blijken dat de kwaliteit van de bodem onvoldoende zou kunnen zijn ofwel een verdachte situatie bestaat. In die gevallen moet altijd een vooronderzoek gevolgd door een verkennend onderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd, aangevuld met een bodemonderzoek asbest conform NEN5707. Onderzoeken die niet volgens de geldende normen zijn opgesteld en uitgevoerd zijn of verouderde onderzoeken gelden niet als representatief en onvoldoende.

Voorliggend plan In het kader van voorliggend plan is door Geonius Milieu B.V. voor een deel (9.050 m2) van het totale plangebied (ca. 12.000m²) een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Ten behoeve van de planontwikkeling is het verkennend bodemonderzoek in 2 delen opgesplitst, namelijk het onderzoek vóór de sloop (fase 1) en het onderzoek ná de sloop (fase 2). Uit het verkennend bodem- en asbestonderzoek blijkt voor betreffende plangebied het volgende: • De bovengrond (0-0,5 m-mv) is over het gehele terrein licht verontreinigd met zware metalen en plaatselijk met PAK’s en PCB’s. De ondergrond (0,5-2 m-mv) is niet tot licht verontreinigd met kobalt. • Uit de inkadering/verificatie van de sterke verontreiniging met kobalt die door HMB in 2021 is aangetoond tijdens dit onderzoek niet is aangetoond. Derhalve kan gesteld worden dat de locatie niet sterk verontreinigd is met kobalt en aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. • Het grondwater in peilbuis 008 is licht verontreinigd met cadmium en barium en sterk verontreinigd met nikkel. Het grondwater in peilbuis 015 is licht verontreinigd met kobalt, nikkel en cadmium. Daar geen nikkel in de grond is aangetroffen boven de achtergrondwaarde kan met enige zekerheid worden gesteld dat de verontreiniging met nikkel niet afkomstig is van de huidige onderzoekslocatie.

• Indien de resultaten indicatief worden getoetst aan het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit varieert de kwaliteit van indicatief “achtergrondwaarde” tot “industrie”. • Op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit dient de hypothese “verdacht” te worden aanvaard. Dit heeft geen consequenties voor de gevolgde onderzoeksstrategie.

CA200061R01.V1.2

31 van 54

•

•

Er is met voldoende betrouwbaarheid vastgesteld dat op de locatie geen asbest in de bodem aanwezig is boven de helft van de interventiewaarde / samenstellingswaarde. Vervolgonderzoek en maatregelen zijn niet noodzakelijk ter plaatse van het onderzochte deel. Ter plaatse van het zuidelijk terreindeel is een sterke verontreiniging met PAK en asbest aangetoond in onderzoek MA190987.015.R01.V1.0 (Geonius Milieu BV, d.d. 7 maart 2022). Deze verontreinigingen zullen nader worden onderzocht in project MA190987.015.

Conclusie project Plaatselijk is de locatie mogelijk sterk verontreinigd met PAK en/of asbest en dient de locatie wellicht voorafgaand aan de graafwerkzaamheden gesaneerd te worden. Deze verontreinigingen zullen nader worden onderzocht. Dit onderzoek dient in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningsaanvraag uitgevoerd te worden. Voor het overige plangebied zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten aangetoond in het kader van de wet bodembescherming waarbij de achtergrondwaarde wordt overschreden. De tussenwaarde en interventiewaarde worden echter niet overschreden. Indien bij de bouw, sloop of de inrichting van het terrein grond wordt geroerd, verplaatst, opgebracht en/of van de locatie wordt aan-/afgevoerd, dient u rekening te houden met de Wet bodembescherming en/of het Besluit bodemkwaliteit.

4.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wmb: -

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.

Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AMvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt

CA200061R01.V1.2

32 van 54

gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Aangezien slechts sprake is van de realisatie van een beperkt aantal woningen, wordt ruimschoots binnen de genoemde grenzen gebleven en bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen. Naast de effecten van de ontwikkeling op luchtkwaliteit, is het van belang om te bepalen of de heersende luchtkwaliteit afdoende is voor de beoogde functies. Volgens de GCN-kaarten van het RIVM bedroeg de concentratie PM10 ter plaatse in 2019 minder dan 35 µg/m³, de concentratie PM2,5 ter plaatse in 2019 minder dan 20 µg/m³ en de concentratie NO2 ter plaatse in 2019 minder dan 35 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en voor PM2,5 20 µg/m³. Volgens CGN-kaarten is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende en worden geen normen overschreden. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren.

Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid a van de Wet milieubeheer. Daarnaast is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat deze niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan artikel 5.16 lid c van de Wet milieubeheer. Conclusie: Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

4.4 Externe veiligheid Ten aanzien van het aspect externe veiligheid dient te worden bekeken of de projectlocatie in de invloedssfeer ligt van opslag en transport van gevaarlijke stoffen van stationaire of mobiele risicobronnen. Hierbij dient te worden onderzocht: • Stationaire bronnen: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; • Niet-stationaire bronnen: vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau voor de omgeving aan te geven: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het plaatsgebonden risico werd voorheen ook wel individueel risico genoemd. De norm voor het plaatsgebonden risico ligt in principe op 10-6 per jaar, oftewel een kans van één op een miljoen. Voor nieuwe situaties geldt deze norm als grenswaarde. Voor bestaande situaties met een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6, geldt deze norm als streefwaarde. In zulke situaties geldt een standstill-beginsel totdat aan de norm van 10-6 per jaar wordt voldaan.

Voor kwetsbare bestemmingen die zich binnen een gebied bevinden met een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-5 per jaar is eerst sprake van een dringende sanering. Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van tien of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute. Voor het groepsrisico is een oriëntatiewaarde vastgesteld die afhankelijk is van het aantal

CA200061R01.V1.2

33 van 54

dodelijke slachtoffers per kilometer transportroute: 0,01/N2, waarbij N gelijk is aan het aantal dodelijke slachtoffers. Dus: • voor tien of meer dodelijke slachtoffers is de oriëntatiewaarde gelijk aan 1/10-4, oftewel een kans van één op tienduizend per jaar; • voor honderd of meer dodelijke slachtoffers is deze kans 1/10-6, oftewel één op een miljoen per jaar; • voor duizend of meer dodelijke slachtoffers is deze kans 1/10-8. In tegenstelling tot de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico mag van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico door het bevoegd gezag worden afgeweken, mits er een goede reden toe is. Hierbij moet een verantwoording van het groepsrisico worden afgelegd. Voorliggend plan Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Aan de hand van deze risicokaart zijn de risicobronnen in en nabij het plangebied geïnventariseerd. Daarbij is gekeken naar de aanwezigheid van de volgende risicovolle activiteiten: 1. 2. 3.

inrichtingen welke onder het Besluit externe veiligheid (Bevi) vallen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg; hogedruk aardgasleidingen, K1, K2, K3-vloeistofleidingen en overige leidingen.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe pijl)

Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 125 meter een risicovolle inrichting, namelijk MGG Tegelen BV aan de Industriestraat 14. Binnen deze inrichting vindt de opslag van 10 ton gevaarlijk afval en 30 ton gevaarlijke stoffen in hal 53 plaats. De plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting bedraagt 150 meter. Het invloedsgebied van de inrichting, waarbinnen het groepsrisico verantwoord dient te worden, bedraagt 275 meter. Op de risicokaart is de plaatsgebonden risicocontour van 150 meter aangegeven. Het

CA200061R01.V1.2

34 van 54

plangebied bevindt zich niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en juist buiten het invloedsgebied van deze inrichting. Buisleidingen Volgens de risicokaart van de provincie Limburg, het vigerende bestemmingsplan en de kaarten van Gasunie liggen er geen risicovolle kabels of leidingen in of in de directe nabijheid van het plangebied, waarmee in het kader van het voorliggende bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Als gevolg van de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Wet Basisnet is het niet meer noodzakelijk om een kwalitatief onderzoek op te stellen of de verantwoordingsplicht van het groepsrisico in te vullen als de planlocatie buiten een zone van 200 meter ten opzichte van risicobronnen gelegen is. Het plangebied is niet gelegen binnen 200 meter van een weg waarover veelvuldig transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A73 is meer dan 1 kilometer van het plangebied gelegen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor en water Het plangebied ligt op circa 380 meter ten westen, binnen het invloedsgebied, van de spoorlijn Venlo – Roermond. Daarnaast ligt het plangebied op circa 740 meter van de Maas, binnen het invloedsgebied van de binnenvaartroute Maascorridor. Het plan ligt daarmee voor beide invloedsgebieden in zone III (> 200 meter).

Bij deze zone hoeft alleen rekening te worden gehouden met de effecten van een toxische gaswolk. Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: • de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); • de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: • toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; • kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt “schuilen” de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.

Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden, die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Conclusie

CA200061R01.V1.2

35 van 54

Het plangebied ligt niet in een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle inrichting, buisleiding of weg. Daarnaast geldt dat sprake is van de toevoeging van maximaal 34 nieuwbouwwoningen op een voormalig bedrijfsperceel, waarbij als gevolg hiervan slechts een geringe toename van het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied zal ontstaan. Hierdoor wordt, gezien het omliggende bewoonde gebied, geen significante invloed uitgeoefend op het groepsrisico van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Wel wordt het plan ter advies verzonden aan de Veiligheidsregio Noord-Limburg.

4.5 Archeologie Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Het Verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In 1992 ondertekende Nederland het 'Verdrag van Malta'. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer en sinds september 2007 is de Archeologische monumentenzorg geïmplementeerd in de Monumentenwet 1988. De essentie is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Volgens de wettelijke verplichting wordt in bestemmingsplannen rekening gehouden met bekende en verwachte archeologische waarden. De Erfgoedwet juncto Monumentenwet 1988 geeft een vrijstelling van onderzoeksplicht voor projecten kleiner dan 100 m2, maar geeft de gemeente de vrijheid deze vrijstelling aan te passen. Die afwijking kan zowel naar boven als naar beneden. Voor de diepte van bodemingrepen bevat de wet geen grens.

4.5.1 Archeologische beleidsadvieskaart in het kader van het Verdrag van Malta en de implementatie ervan in de Nieuwe wet op de archeologische monumentenzorg heeft de gemeente Venlo eigen archeologiebeleid ontwikkeld. Hiertoe zijn archeologische basiskaarten opgesteld, aangevuld met een archeologische advieskaart en een daaruit voortvloeiende archeologische beleidskaart. Deze beleidskaart geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente Venlo aan wat de archeologische verwachtingswaarde is en hoe in dit kader omgegaan dient te worden met nieuwe ontwikkelingen. Deze archeologische informatie is vertaald in de beheersverordening, zodat een juridische basis en toetsingskader ontstaat ter bescherming van archeologische waarden in de grond. Het gemeentelijk archeologiebeleid is een gebiedsgericht beleid. Niet in geheel Venlo geldt dezelfde archeologische verwachtingswaarde. Door middel van een selectiebeleid wordt een onderscheid naar locaties gemaakt. Primair doel van het selectiebeleid is het streven naar optimaal behoud en beheer van een representatief deel van het archeologisch bodemarchief dat in potentie bijdraagt aan de kennis van het lokale, regionale en landelijke verleden. Daarbij wordt met name gericht op de archeologische ensembles en die gebieden waar ondergrondse en bovengrondse waarden te koppelen zijn.

Een tweede doel is om de burger zo min mogelijk te belasten met administratieve, planningstechnische en financiële consequenties van de archeologie. De gronden hebben in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming die een verbod bevat voor bodemingrepen (gebouwen en werken) met een oppervlakte groter dan 500 m² en een aanlegvergunningenstelsel voor bodemingrepen dieper dan 40 cm. Op de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Venlo (versie februari 2015) ligt het plangebied in een gebied met hoge of middelhoge archeologische verwachting, waarbij voor gebouwen en werken groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm onderzoek is vereist.

CA200061R01.V1.2

36 van 54

4.5.2 Archeologisch onderzoek Aangezien de planontwikkeling een grotere omvang heeft dan 500 m² en dieper dan 40 cm is door Geonius Milieu BV archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit een archeologisch bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) verkennende vorm door middel van boringen en is bijgevoegd als bijlage 3. Uit het bureauonderzoek blijkt voor het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit het Paleolithicum tot en met Bronstijd een middelhoge voor vindplaatsen vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodem binnen het plangebied in het merendeel van de boringen tot in de C‐horizont verstoord is. In zes boringen werd nog een B‐ en/of BC‐horizont waargenomen. De C‐horizont werd in een groot aantal boringen op eenzelfde diepte als de B‐horizont waargenomen, wat doet vermoeden dat de bodem slechts voor een klein deel is afgetopt. Derhalve kunnen in bijna het gehele plangebied nog sporen verwacht worden. Enkel ter plaatse van boringen 5, 18 en 19 worden geen archeologische waarden meer verwacht, hier is de bodem minimaal 1 m ‐mv verstoord.

Het archeologisch niveau komt op een diepte vanaf 40 cm ‐mv voor Door Geonius wordt een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek aanbevolen indien grootschalige bodemverstoringen binnen het plangebied (realisatie nieuwbouw, wegen en parkeervakken) dieper dan 40 cm -mv zullen reiken. Er is in maart 2022 aanvullend een IVO-O verkennende fase door middel van boringen uitgevoerd ter plaatse van delen van het plangebied die tot voor kort bebouwd waren. In totaal zijn er acht aanvullende boringen uitgevoerd, in geen van deze boringen werd een intacte bodem waargenomen. Ter plaatse van deze delen wordt dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. De rapportage is ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag, de gemeente Venlo. Op basis van de rapportage is een selectiebesluit genomen, waarin bovenstaand advies van Geonius is overgenomen.

4.5.3 Conclusie projectgebied Uit het archeologisch onderzoek blijkt, dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is. Voor dit vervolgonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld. Dit Programma van Eisen is door de gemeente Venlo beoordeeld en goedgekeurd. Het onderzoek zal conform dit Programma van Eisen worden uitgevoerd voorafgaand aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de nieuwe bebouwing. Vooralsnog zijn de mogelijk aanwezige archeologische waarden in dit bestemmingsplan in voldoende mate beschermd middels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op de verbeelding is hiervoor de dubbel ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. In de regels zijn hieraan specifieke voorwaarden verbonden, zodat de mogelijk aanwezige archeologische waarden een passende bescherming geboden wordt.

4.6 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een bestemmingsplan worden beschreven hoe wordt omgegaan met de cultuurhistorische waarden in het plangebied. De gemeente Venlo heeft in 2015 een Cultuurhistorische inventarisatiekaart laten opstellen door Raap. Op deze kaart zijn de landschapstypen, landschapselementen en bouwkunst en stedenbouw opgenomen. Op de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo is één element binnen

CA200061R01.V1.2

37 van 54

het plangebied aangegeven. Dit betreft het aan de Spoorstraat 60 gelegen Tegelse patronaatsgebouw. Dit gebouw uit de jaren twintig van de vorige eeuw heeft de afgelopen decennia onderdak geboden aan diverse maatschappelijke functies maar ligt er alweer enkele jaren vervallen bij. Aangezien herbestemming van het pand om technische en financiële redenen niet haalbaar is, wordt dit pand in het kader van de planontwikkeling gesloopt. Direct ten noorden van het plangebied is aan de Roermondseweg het voormalige hoofdgebouw van de sigarenfabriek van de firma Vossen-Breuers gelegen. Ook dit hoofdgebouw is aangegeven op de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de gemeente Venlo. Dit pand, een typisch industrieel gebouw, is buiten het plangebied gelegen. Wel wordt ten behoeve van de planontwikkeling de achter dit pand gelegen aanbouw (bedrijfshal) gesloopt. Kenmerkend voor de Roermondseweg is de kleinschalige lintbebouwing. Bij de ontwikkeling wordt de lintbebouwing aan de Roermondseweg doorgezet in huidige rooilijn. De bebouwing bestaat daarbij uit 2 lagen met kap. Richting het hoofdgebouw van de voormalige sigarenfabriek neemt de hoogte in bebouwing geleidelijk toe (3-laags, plat afgedekt) waarmee een aanhaking in massa op het fabrieksgebouw wordt gezocht. De architectuur is geïnspireerd op de industrialisatie-periode voor 1945 en Tegelse kleiwaren.

Op deze wijze wordt aansluiting gezocht bij de bestaande verkaveling en karakteristiek van de omgeving. Er wordt hierdoor geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten.

4.7 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Nationaal Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige ecologische hoofdstructuur (EHS)), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau in structuurvisies en verordeningen is vastgelegd.

4.7.1Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie ligt niet in of nabij een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gebieden zijn Duits en betreffen ‘Wälderund Heiden bei Brüggenbracht’, ‘Vogelschutsgebied Schwalmnetteplatte mit Grenzwald u. Meinweg’ en ‘Elmpter Schwalmbruch’, die zijn gelegen op circa 2,7 km afstand. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000gebied is ‘Maasduinen’ op ca. 9 km afstand. Gelet op de grote afstand tussen het plangebied en omliggende (internationale) Natura 2000-gebieden worden negatieve effecten vanwege geluidverstoring, licht of trillinghinder uitgesloten. Stikstofdepositie Ten behoeve van het planvoornemen is onderzocht of sprake is van een stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Dit stikstofonderzoek (Geonius, kenmerk EA200029.R04.v01) is bijgevoegd als bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat tijdens de aanlegfase sprake is van een stikstofdepositie toename van maximaal 0,01 mol/ha/jr. op Nederlands Natura 2000-gebied ‘Maasduinen‘. Op andere N2000-gebieden is geen sprake van een stikstofdepositie toename. De rijksoverheid heeft samen met de provincies recent een interne beleidslijn afgesproken, waarbij projecten met tijdelijke stikstofdepositietoenames van transport en mobiele werktuigen in

CA200061R01.V1.2

38 van 54

de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende 2 jaar niet meer vergunningplichtig zijn. De gebruiksfase resulteert niet in een stikstofdepositietoename op Nederlandse Natura 2000-gebieden. De voorgenomen ontwikkeling resulteert in een maximale stikstofdepositie toename van 0,03 mol/ha/jr. op het Duitse Natura 2000-gebied ‘Vogelschutzgebiet Schwalm Nette Platte mit Grenzwald u. Meinweg’. Uit de rekenresultaten voor de gebruiksfase volgt dat de stikstofdepositie 0,02 mol/ha/jr. bedraagt. De stikstofdepositietoename vanwege het project is minder dan 7,14 mol/ha/jr. op de Duitse Natura 2000-gebieden, waarmee vervolgstappen niet benodigd zijn. Gelet op bovenstaande vervalt de vergunningplicht voor de stikstofdepositietoename op zowel de Nederlandse als de Duitse Natura 2000-gebieden. Hierbij mag niet worden afgeweken van de uitgangspunten van dit rapport, wat in de uitvoering betekent dat enkel met bouwmaterieel gewerkt mag worden met een bouwjaar van na 2014. Natuurnetwerk Nederland In Limburg is het NNN opgedeeld in een Goudgroene natuurzone (Rijks NNN) en Bronsgroene landschapszone (Provinciale NNN). Het plangebied ligt op een grote afstand van circa 600 meter van deze gebieden. Vanwege de afstand van het plangebied t.o.v. omliggend NNN-gebied en de aard van de ingrepen kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

4.7.2 Soortenbescherming In het kader van voorliggend project is door Geonius een flora en fauna quickscan uitgevoerd om na te gaan welke natuurwaarden in de directe omgeving van het projectgebied aanwezig zijn en welke vervolgstappen eventueel nodig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Het rapport van deze Quickscan (kenmerk: EA200029.R01.v1.0) is opgenomen in bijlage 5. Uit de Quickscan komen de volgende conclusies en te nemen maatregelen naar voren: Vaatplanten Nabij het plangebied zijn de rode lijstsoorten rode ogentroost en rapunzelklokje waargenomen. Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat zijn deze soorten hier uit te sluiten. Door de ontwikkeling van de woningen zullen bestaande biotopen als de bosschage en overstaande ruigte verdwijnen. De nieuwbouwontwikkeling biedt mogelijkheden om de lokale biodiversiteit een boost te geven. Er kan onder andere overwogen worden nieuwe bomen plus heesters, bloemrijk grasland en overstaande ruigte te creëren met enkel inheemse soorten. De maatregelen voor het bepalen van geschikte locaties voor bovenstaande biotopen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Vogels Jaarrond beschermde nestsoorten In de nabijheid van het plangebied zijn er 6 soorten met een jaarrond beschermd nest aanwezig.

De bosschage binnen het plangebied is echter geen nestplaats voor roofvogels en/of uilen vanwege het ontbreken van horsten, holtes en geschikte konijnenholen waar bosuilen af en toe in worden aangetroffen. Aangezien braakballen van de bosuil en waarnemingen van omwonenden de aanwezigheid wel aantonen in de bosschage wordt het gebied waarschijnlijk af en toe als roestplaats door deze soort gebruikt. Er wordt echter niet verwacht dat dit gebied onderdeel uitmaakt van het essentieel leefgebied van deze uil, zeker niet aangezien in de directe omgeving geschiktere en grotere groengebieden aanwezig zijn. Verder wordt verwacht dat de buizerd het plangebied enkel

CA200061R01.V1.2

39 van 54

als (tijdelijke) rust en/of jachtplaats benut, vanwege het ontbreken van horsten. Waarschijnlijk dat deze soort in de wijdere omgeving een nestplaats heeft. Het plangebied wordt gebruikt als verblijfplaats voor gierzwaluwen. Voor het gebouw (Spoorstraat 60) waar deze is aangetroffen is reeds ontheffing voor slopen verleend. Mogelijk dat deze soort ook verblijven heeft in de voormalige sigarenfabriek of de woning aan de Roermondseweg 25. Beide panden hebben geschikte plekken die kunnen dienen als potentiële verblijfplaats voor bovengenoemde soort. Om deze reden is een nader soortenonderzoek uitgevoerd om te achterhalen of gierzwaluwen gebruik maken van de gebouwen. Het rapport van dit onderzoek (kenmerk: EA200029.R03v1.0) is opgenomen in bijlage 6 Uit het onderzoek blijkt dat de voorgevel van de oude sigarenfabriek wordt gebruikt als (jaarrond beschermde) nestplaats door gierzwaluwen. In dit stadium vindt geen sloop of wijziging aan het gebouw plaats. Echter kan nog steeds verstoring door de werkzaamheden optreden op de soort, aangezien de ingreep op <20 m plaatsvindt. Wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen (half april t/m augustus) van de gierzwaluw worden uitgevoerd, zijn negatieve effecten op de soort uit te sluiten. Wanneer de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, treedt mogelijk verstoring op van de gierzwaluw.

Daarvoor zal een ecologisch werkprotocol worden opgesteld waarin mitigerende maatregelen worden vastgelegd. Algemene broedvogels Binnen en nabij het plangebied zijn meerdere vogelsoorten aangetroffen. Het gebied, met name de voormalige woning aan de Roermondseweg 25, de bosschage waar veel struweel aanwezig is en het ruigte/struweelgebied aan de zuidzijde is erg geschikt als broed- en rustplaats voor zangvogels. Van circa 15 maart t/m 15 juli zullen de werkzaamheden met name voor verstoring zorgen. Tevens is het niet uit te sluiten dat nesten vernield worden als onzorgvuldig handelen plaatsvindt. Om negatieve effecten vanwege de sloop-, bouw- en opruimingswerkzaamheden te voorkomen wordt zoveel mogelijk buiten deze periode gewerkt. Indien de werkzaamheden toch plaatsvinden tijdens het broedseizoen vindt mogelijk aantasting van nesten, verstoring van broedvogels e.d. plaats, waarmee de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Hiervoor wordt door de provincie geen ontheffing verleend. In die gevallen zal voorafgaand aan de werkzaamheden een ecoloog ter plaatse beoordelen waar zich nesten bevinden en wat er moet gebeuren. Vleermuizen In de te slopen bebouwing (sigarenfabriek en Roermondseweg 25) zijn verblijfplaatsen voor vleermuizen te verwachten. De woning is waarschijnlijk het meest geschikt om dienst te doen als jaarrond gebruikte verblijfplaats.

De sigarenfabriek is als kraam- en winterverblijf minder geschikt vanwege de tocht en afwezigheid van isolatie. Het fabrieksgebouw beschikt over meerdere mogelijkheden voor vleermuizen om weg te kruipen en kan daarom dienst doen als zomer- en/of paarverblijfplaats. Doordat vleermuizen mogelijk gebruik maken van deze gebouwen zijn negatieve effecten op deze zwaar beschermde diersoorten (Habitatrichtlijn) en hun verblijfplaatsen niet uit te sluiten, indien de gebouwen worden gesloopt. De dieren mogen namelijk niet verstoord, gedood en verwond worden. Verder mogen hun verblijfplaatsen niet beschadigd of vernield worden. Dit betekent dat mogelijk de verbodsbepalingen van artikel 3.5, Wet natuurbescherming worden overtreden, waardoor dan een ontheffing benodigd is. Vanwege bovenstaande redenen en de potentiële geschiktheid van de te slopen panden voor vleermuizen is een jaarrond vleermuisonderzoek uitgevoerd ter plaatse van deze panden. Het rapport van dit onderzoek (kenmerk: EA200029.R03v1.0) is opgenomen in bijlage 6

CA200061R01.V1.2

40 van 54

Dwergvleermuis Over het gehele plangebied zijn foeragerende gewone dwergvleermuizen aangetroffen. Tevens zijn vliegroutes vastgesteld naar de vegetatie ruigten rondom woning 25 en de bosschage naast de parkeerplaats (tussen woning 25 en 27). De activiteit op de parkeerplaats, bij en richting de bosschage tussen woning 25 en de sigarenfabriek is hoog. De omgeving biedt voldoende uitwijkmogelijkheden als foerageergebied en vliegroute. Vanwege de sloop van woning huisnummer 25 met ruigten en het verwijderen van de bosschage, treedt mogelijk verstoring op van aanwezige individuen van de gewone dwergvleermuis als er bouwverlichting gebruikt gaat worden tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden. Vanwege bovenstaande vindt met zekerheid een overtreding van lid 2 van artikel 3.5 uit de Wet natuurbescherming plaats. Aangezien geen verblijfplaatsen of essentiële foerageergebieden en vliegroutes worden aangetast, zijn negatieve effecten voor deze functies uitgesloten. Mogelijk vindt verstoring plaats van foeragerende en overvliegende vleermuizen door lichthinder, wanneer tijdens de avond- en nachtperiode gewerkt wordt. Verstoring is te voorkomen door enkel gedurende de dagperiode te werken. Dit zal als voorwaarde worden opgenomen bij omgevingsvergunning. Laatvlieger Door de geplande ingreep verdwijnt de vervallen woning met ruigten (huisnummer 25).

Echter, gezien de matige activiteit, de bosschage naast de sigarenfabriek aan de oostzijde en het behoud van voornoemd fabriek met inrit, wordt geen negatief effect verwacht op de lokale populatie van laatvliegers. Daarbij eveneens de bomenlaan op de Roermondseweg in acht genomen. De omgeving biedt voldoende uitwijkmogelijkheden als foerageergebied en vliegroute. Verbodsbepalingen voor deze functie worden daarmee niet overtreden. Om negatieve effecten vanwege bouwverlichting op het foerageergebied en vliegroutes uit te sluiten, wordt als voorwaarde opgenomen dat enkel gedurende de dagperiode gewerkt wordt. Grondgebonden zoogdieren Steenmarter Er zijn ten tijde van het veldwerk binnen het plangebied geen sporen of individuen van de beschermde diersoort steenmarter aangetroffen. Het is echter niet met zekerheid uit te sluiten dat het plangebied door steenmarter wordt gebruikt als nest- en verblijfplaats. Nader onderzoek, om exact vast te stellen waar verblijfplaatsen zich bevinden, is erg lastig vanwege de verrommeling van het terrein, instortingsgevaar van de gebouwen en dichte struweel. Er wordt daarom worst-case vanuit gegaan dat deze dieren aanwezig zijn. Steenmarters zijn beschermd conform artikel 3.10 Wet natuurbescherming en mogen niet opzettelijk worden gedood/verstoord en verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd/vernield.

Indien de werkzaamheden (sloop van het gebouw) gedurende de periode van maart t/m 15 augustus plaatsvinden (Omgevingsverordening Limburg 2014), is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd, aangezien de dieren en hun rust/verblijfplaatsen mogelijk worden bedreigd. Indien de werkzaamheden tijdens de periode 15 augustus t/m februari plaatsvinden is geen ontheffing nodig. Ongeacht of een ontheffing benodigd is, is de zorgplicht altijd van toepassing. Een initiatiefnemer dient zorg te dragen dat dieren niet gedood en of verwond worden. Om dit te voorkomen wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld. Eekhoorn Op een korte afstand zijn op grond van NDFF-waarnemingen bever en eekhoorn waargenomen. Voor bever is het plangebied qua habitat totaal ongeschikt. Voor eekhoorn zijn enkel de aanwezige bomen binnen het plangebied interessant. Er zijn echter geen nesten, sporen of individuen van deze soort aangetroffen.

CA200061R01.V1.2

41 van 54

De soort is beschermd conform artikel 3.10 Wet natuurbescherming en mogen niet opzettelijk worden gedood/verstoord en verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd/vernield. De eekhoorn is vrijgesteld van maart t/m april en van juli t/m november (Omgevingsverordening Limburg 2014). Wanneer de werkzaamheden tijdens deze perioden worden uitgevoerd (verwijderen bosschage) is geen ontheffing nodig. Indien de ingreep tijdens de perioden mei t/m juni en december t/m maart plaatsvindt, is een ontheffing Wet natuurbescherming benodigd, aangezien de dieren en hun rust- /verblijfplaatsen mogelijk worden bedreigd. Voor het verkrijgen van een ontheffing is het noodzakelijk dat de gebruiksfuncties van de (vaste) voortplantingsen rustplaatsen gewaarborgd blijven. Om deze reden is een nader soortenonderzoek uitgevoerd. Het rapport van dit onderzoek (kenmerk: EA200029.R05v1.0) is opgenomen in bijlage 7 Er zijn twee eekhoornnesten aangetroffen in het plangebied. Negatieve effecten worden gemitigeerd door de werkzaamheden van september t/m november uit te voeren. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, hetgeen inhoudt dat de initiatiefnemer bij een ontwikkeling soorten dient te ontzien. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden wordt daartoe een ecologisch werkprotocol.

Amfibieën, reptielen & vissen Er zijn geen amfibieën en/of geschikte voortplantingsplaatsen aangetroffen in het plangebied. Mogelijk dient het aanwezige puin, de ruigte, en het struweel als overwinteringsplek voor algemene soorten, die zijn vrijgesteld van toetsing. Reptielen en vissen worden vanwege het van waarnemingen en ontbreken van geschikte habitat uitgesloten. Insecten & overige ongewervelden Het plangebied biedt geen geschikt habitat voor de rode lijstvlinder ‘het geelsprietdikkopje’, die in de buurt is gezien. Door de ontwikkeling van de woningen zullen bestaande biotopen als de bosschage en overstaande ruigte verdwijnen, dat geschikt is voor veel insectensoorten. De nieuwbouwontwikkeling biedt mogelijkheden om de lokale insectenbiodiversiteit een boost te geven. Er kan onder andere overwogen worden nieuwe bomen plus heesters, bloemrijk grasland en overstaande ruigte te creëren met enkel inheemse soorten.

4.7.3 Houtkap Er worden meerdere bomen gekapt binnen het plangebied, waaronder een aantal oude bomen. Naar aanleiding hiervan is een bomeninventarisatie uitgevoerd. De inventarisatie is verwerkt in een aparte rapportage (Geonius, kenmerk EA200029.R02.v1.0) welke is bijgevoegd als bijlage 8. Geen van de bomen staat op de bomenkaart van de gemeente of is aangewezen als rijksmonument, beschermd dorpsgezicht, groencompensatie of is via een privaatrechtelijke overeenkomst aangeplant. Dit betekent dat geen omgevingsvergunning of melding gedaan hoeft te worden indien de bomen gekapt worden.

4.7.4 Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling vindt – op beperkte schaal – aantasting van beschermde gebieden en beschermde soorten plaats. Dit leidt niet tot significante effecten op de Natura 2000-gebieden. Er wordt ecologische werkprotocol opgesteld voor de werkzaamheden met betrekking tot voorkoming van overtreding van de Wnb, beschermde soorten. Tevens wordt een ontheffing aangevraagd op grond van de Wet natuurbescherming.

CA200061R01.V1.2

42 van 54

Concluderend zijn de nadelige gevolgen voor het milieu niet van dusdanige aard dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de aanwezige natuurwaarden. Daarom is het onderdeel natuur geen belemmerend aspect voor dit bestemmingsplan.

4.8 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de Roermondseweg, een relatief drukke ontsluitingsweg, aan de noordzijde en aan de oostzijde aan de Spoorstraat, een oud lint in de dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. In voorliggende situatie is derhalve geen sprake van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden Invloed vanuit bedrijven/ inrichtingen Aan de noordzijde van het plangebied is op een afstand van ruim 50 meter een scooterwinkel gelegen.

Deze locatie heeft de bestemming 'Detailhandel'. Op grond van de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter voor een rustige woonwijk. Aangezien er sprake is van een 'gemengd gebied' wordt deze richtafstand met 1 afstandsstap verkleind naar 0 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Ten oosten van het plangebied is op een afstand van ca. 8,5 meter (gemeten van gevel tot gevel) een gezondheidscentrum gelegen aan de Spoorstraat 58. Conform de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter voor een rustige woonwijk. Aangezien er sprake is van een 'gemengd gebied' wordt deze richtafstand met 1 afstandsstap verkleind naar 0 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Verder zijn aan de Spoorstraat nog een minimarkt (Spoorstraat 64), een wasserette (Spoostraat 45) en een (voormalige) elektrowinkel (Spoorstraat 43) gelegen. Op grond van de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter voor een rustige woonwijk. Aangezien er sprake is van een 'gemengd gebied' wordt deze richtafstand met 1 afstandsstap verkleind naar 0 meter. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Op een afstand van ca. 165 meter ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich aan de Industriestraat het bedrijf MGG. Het betreft een aluminiumgieterij.

Conform de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt een dergelijk bedrijf onder milieucategorieën 4.2. Voor een dergelijk bedrijf geldt conform de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 300 meter voor een rustige woonwijk. Aangezien er sprake is van een 'gemengd gebied' wordt deze richtafstand met 1 afstandsstap verkleind naar 200 meter. Hieraan wordt in voorliggende situatie niet voldaan aan de richtafstand. Er zijn echter reeds woningen op kortere afstand gelegen dan de woonbestemmingen in dit bestemmingsplan. Deze bestaande woningen zijn daarmee bepalend voor de toegestane milieubelasting op grond van de milieuwetgeving. Dit brengt met zich

CA200061R01.V1.2

43 van 54

mee dat bij de nieuwbouw sprake zal zijn van goede ruimtelijke ordening ten aanzien van de woon- en leefkwaliteit. Invloed op bestaande bedrijven/ inrichtingen Voor alle in de omgeving aanwezige bedrijven/ inrichtingen geldt dat zich reeds bestaande woningen op kortere afstand tot deze bedrijven/ inrichtingen bevinden dan de voorziene nieuwbouw. Mede gezien de huidige woonbestemming ter plaatse zullen de bedrijven/ inrichtingen in de buurt derhalve niet in hun bedrijfsmatig functioneren beperkt worden door de nieuwbouw. Voor de bouw van de woningen bestaat vanuit de Wet milieubeheer derhalve geen bezwaar. Conclusie De woningen zullen geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van inrichtingen. Anderzijds zal in de nieuwbouwwoningen, wat betreft milieuzonering, een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kunnen worden. Nadere toetsing voor het aspect “bedrijven en milieuzonering” is dan ook niet noodzakelijk.

4.9 Water 4.9.1 Waterbeleid Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld. • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater. • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement. • Nederlanders leven waterbewust. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen.

De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

CA200061R01.V1.2

44 van 54

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en - plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. Waterschap Limburg Nieuwe lozingen afkomstig van verhard oppervlak worden op grond van de keurregelgeving alleen toegestaan als deze niet leiden tot een versnelde afvoer van hemelwater. Bij een lozing als gevolg van de aanleg van nieuw verhard oppervlak dient de initiatiefnemer zodanige infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen dat een toename van de afvoer op het watersysteem wordt vermeden. In de keur wordt (met uitzondering van het Heuvelland) uitgegaan van een bui van 100 mm in 24 uur. Deze hoeveelheid dient op eigen terrein te worden geborgen en mag geen overlast voor derden veroorzaken.

Bij de omvang van de benodigde berging/infiltratie mag rekening worden gehouden met de leegloop en de infiltratie gedurende 24 uur. Aangezien dit plan een groter verhard oppervlak heeft dan 2000m² dient dit plan te worden voorgelegd aan het Waterschap. Gemeente Venlo De gemeente Venlo heeft voor de omgang met hemelwater een afkoppel beslisboom opgesteld. De afkoppel beslisboom, is een stappenplan bedoeld als hulpmiddel om te bepalen welke eisen er gelden voor de omgang met hemelwater bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Op basis van de afkoppel beslisboom conformeert de gemeente Venlo zich momenteel nog aan het beleid van Waterschap Limburg.

4.9.2 Waterparagraaf Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets, zoals bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening(Bro), die de algemene behartiging van de waterbelangen betreft. De waterparagraaf beschrijft op bestemmingsplanniveau zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie. De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in en nabij het projectgebied worden beschreven aan de hand van de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en bodemopbouw, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater en bodemopbouw Uit de kaarten van de Omgevingsverordening Limburg 2014, blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de boringsvrije zone ‘Venloschol’. Aangezien geen diepe grondboringen voorzien zijn, heeft het initiatief geen negatieve invloed op de Venloschol. Oppervlaktewater In of nabij het projectgebied zijn geen oppervlaktewateren van betekenis aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De Maas is op ca. 630 meter ten noordwesten van de locatie gelegen. Hemelwater De zorg voor het verwerken van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater ligt op grond van artikel 3.5 van de Waterwet primair bij de perceeleigenaar. Alleen indien verwerking op het eigen perceel redelijkerwijs

CA200061R01.V1.2

45 van 54

niet van de perceeleigenaar kan worden gevergd, is het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater en overtollig grondwater een gemeentelijke taak. Het Bouwbesluit 2012 vormt het feitelijke toetsingskader voor terreinriolering (inclusief hemelwater). Het bouwbesluit is van toepassing bij nieuwbouw en verbouw. Het Bouwbesluit 2012 (afdeling 6.4; no. 6.15 t/m 6.18) geeft expliciet aan dat de perceeleigenaar verantwoordelijk is voor verwerking van hemelwater op eigen perceel, tenzij de gemeente aangeeft dat zij het afvloeiende hemelwater op openbare grond wil ontvangen. De hemelwatervoorzieningen zullen moeten voldoen aan de eisen van de gemeente Venlo en het Waterschap Limburg. Infiltratiecapaciteit: Om de infiltratiecapaciteit van de bodem te bepalen heeft Geonius Geotechniek BV een infiltratieonderzoek uitgevoerd (kenmerk GB180184.R03, d.d. 26 maart 2021). Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Uit de gemeten doorlatendheden en grondwaterstand blijkt dat infiltratie van hemelwater tot de mogelijkheden behoort. De doorlatendheid van de ondergrond is matig tot vrij goed. Verhard oppervlak Bij de planontwikkeling worden bestaande bebouwing en verhardingen gesloopt en verwijderd. En worden nieuwe woningen met bijbehorende weginfrastructuur gerealiseerd. Bij de nieuwe ontwikkeling betreft het totale afwaterend oppervlak voor het openbaar gebied ca.

2.550 m2 (nieuwe wegen, parkeren en aanliggende trottoirs). Het plan voorziet in de realisatie van 34 grondgebonden woningen. Bij deze woningen zal een infiltratievoorziening op eigen perceel worden gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan van een afwaterend oppervlak van ca. 90 m2 bij woningen zonder inrit/parkeerplaats en van ca. 110 m2 bij woningen met inrit/parkeerplaats. Bij de planontwikkeling is daarmee sprake van een totaal oppervlakte van ca. 5.670 m² aan (dak)verharding. Berekening bergingscapaciteit Op basis van de eisen van het Waterschap Limburg dient bij de berekening van de hoeveelheid vrijkomend/af te voeren uitgegaan te worden van een regenbui van 100 mm in 24 uur. Bij de wateropgave binnen het plangebied wordt onderscheidt gemaakt tussen de opgave voor de woningen en die voor het openbare gebied. Openbaar gebied: Bij onderhavig project is in totaal circa 2.550 m² aan nieuw (dak)verharding aanwezig. Als gevolg van deze oppervlakte dient gerekend te worden met navolgende hemelwaterhoeveelheden: • t=100 : 2.550 m² x 100 mm = circa 255 m³ De te realiseren voorzieningen in het openbare gebied dienen tenminste een inhoud te hebben van minimaal 255 m³ (t=100). Daarnaast dient de te maken bergingsvoorziening binnen 24 uur weer beschikbaar te zijn voor het kunnen bergen van een nieuwe, vergelijkbare bui (100 mm).

Het regenwater afkomstig van de openbare verharding zal ondergrondse geborgen en geïnfiltreerd worden ter plaatse van de toekomstige parkeervakken en/of rijbaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/55/documents/675