023bijl2 RAPPORT BEVINDINGEN_nieuw woonbeleid onderzoek_final.pdf
Tekst van het document
In het Uitvoeringsprogramma worden deze onderwerpen niet meer specifiek benoemd. Hetzelfde geldt voor de prestatieafspraken; de term ‘starter’ komt bijvoorbeeld niet voor. Natuurlijk kan het zijn dat jongeren en/of starters specifiek aan bod zijn gekomen onder meer algemene afspraken uit de prestatieafspraken. In de prestatieafspraken in 2019 is bijvoorbeeld een afspraak gemaakt over “een concrete gezamenlijke Woonvisie per wijk met fysieke doelen, gericht op het behoud van voldoende sociale huurwoningen in een goede mix voor de juiste doelgroepen met bijbehorende huurprijs” (p. 3). Het is mogelijk dat jongeren en/of starters hier tot de doelgroepen behoorden. Starters kunnen ook de doelgroep zijn geweest voor de herhaalde afspraken over de ontwikkeling van woningen in het middensegment. Studentenhuisvesting en informatievoorziening daarover komt in de prestatieafspraken nadrukkelijk aan de orde. De prestatieafspraken hebben aandacht voor de seniore doelgroep. In de Woonvisie gaf de gemeente aan te streven naar levensloopbestendige nieuwbouw. Inderdaad zijn er levensloopbestendige woningen gerealiseerd (overigens geven de prestatieafspraken alleen inzicht in levensloopbestendige nieuwbouw van sociale huurwoningen). Over het stimuleren van nieuwe woon-zorgconcepten is minder opgenomen. Wel zijn er afspraken gemaakt rond (voorlichting over) woningaanpassingen.
2.4.2
Naar de volgende Lokale Woonvisie
In het raadsvoorstel over de Regionale Woonvisie (zie eind paragraaf 2.1) schrijft het college van de gemeente Venlo ernaar te streven in september 2021 een nieuwe lokale Woonvisie aan de raad aan te bieden, die past binnen het programma van de Regionale Woonvisie. Het traject naar deze nieuwe lokale Woonvisie, die de Woonvisie 2016-2021 zal vervangen, loopt op het moment van schrijven.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 19
Een raadsinformatiebrief van april 2020 noemt alvast een lijst met onderwerpen voor de nieuwe Woonvisie die in ieder geval nader worden uitgewerkt: • Inclusieve samenleving; • Bijzondere doelgroepen (o.a. arbeidsmigranten, zorgdoelgroepen etc.); • Het bieden van een wooncarrière (inzet op aanbod en differentiatie); • Duurzaamheid (RES, transitievisie warmte, circulariteit en toepassing in de openbare ruimte); • Maatwerk in de dorpen; • Ruimte voor experimentele woningbouw (zoals collectief particulier opdrachtgeverschap). Ook noemt de brief het woningbouwprogramma (bestaande uit 152 plannen en 2.281 woningen). De brief benadrukt de boodschap uit de Regionale Woonvisie dat de juiste kwaliteit hier belangrijker is dan de aantallen. De lokale Woonvisie zal dieper ingaan op waar woningbouw en herstructurering plaats moeten vinden. Hierbij wordt al een algemene richting gegeven: verdichting in de centra en verdunning aan de randen. In een recente raadsnotitie (oktober 2020) over de nieuwe lokale Woonvisie wordt meer de diepte ingegaan. Drie centrale thema’s worden uitgewerkt: 1. Wonen en zorg Gezien de aanhoudende vergrijzing wordt dit als een belangrijke opgave gezien. In de nieuwe Woonvisie wordt onder andere de opdracht van de landelijke Taskforce Wonen en Zorg opgepakt. Ook de aangenomen motie ‘Woonzorg Voorzieningen voor Ouderen’ van 27 mei 2020 wordt meegenomen.
In de motie werd het college verzocht om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om in Venlo verzorgingstehuizen ‘nieuwe stijl’ te openen. 2. Robuuste woningvoorraad De Regionale Woonvisie stelde een kwalitatieve mismatch vast tussen het woningaanbod in de regio en de bevolkingssamenstelling. Het college van Venlo schrijft dat hier twee dingen aan te doen zijn: woningen toevoegen met de juiste kwaliteit, of de bestaande woningvoorraad aanpassen. Om een beter beeld te krijgen van de kwalitatieve vraag wordt een woonwensenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden meegenomen in de nieuwe lokale Woonvisie. Onder dit thema vallen ook een aantal subthema’s. Het eerste is ‘ruimte voor doelgroepen’, dat zich richt op de tweede opgave uit de regionale Woonvisie. De doelgroepen die genoemd worden zijn zorgdoelgroepen, internationale werknemers en mensen die acuut een woning nodig hebben. Het tweede subthema is de verduurzaming van de woningvoorraad. Het derde subthema is herstructurering: welke gebieden moeten aangepakt worden, waar is ruimte om te verdichten of te verdunnen? Onder dit subthema is ook aandacht voor leefbaarheid in particuliere ontwikkelingen. 3. Beschikbaarheid en betaalbaarheid Het thema beschikbaarheid en betaalbaarheid blijft belangrijk.
Het college stelt vast dat het vraagstuk echter niet alleen in de sociale huur speelt, maar ook in andere segmenten. Anders dan de Woonvisie 2016-2021 zal de nieuwe lokale Woonvisie daarom ook uitspraken doen over andere segmenten. De Woonvisie moet daarbij onder andere aandacht geven aan de toegankelijkheid van de woningmarkt voor (werkende) starters en kleinere huishoudens. Het college schrijft dat hierbij gedacht kan worden aan inzetten op middeldure huur of flexwoningen. De vaststelling van de nieuwe Woonvisie is voorzien voor september 2021. In de tussentijd zal de raad betrokken worden. Het college denkt daarvoor in ieder geval aan een themabijeenkomst in het voorjaar van 2021. Daar worden dan ook de resultaten van het woonwensenonderzoek en de woonzorganalyse gedeeld.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 20
3. WOONBELEID IN RETROSPECTIEF In dit hoofdstuk presenteren we de bevindingen uit de gespreksronde gekoppeld aan de deelvragen die in dit onder‑ zoek centraal staan. Daarbij hanteren we het normenkader zoals opgenomen in bijlage 2.
3.1 Deelvraag 1: Wat zijn de door de gemeente gestelde beleidsdoelen in de Woonvisie? De beleidsdoelen uit de Woonvisie zijn uitgebreid beschreven in hoofdstuk 2. Hier volgt daarom alleen een beknopte opsomming. In de Woonvisie van gemeente Venlo 2016-2021 zijn 4 inhoudelijke thema’s benoemd en twee prioritaire beleidslijnen. Aan de inhoudelijke thema’s wordt geen prioritering toegekend. De onderwerpen en onderliggende beleidslijnen zijn niet strijdig met elkaar, maar de kans is wel aanwezig dat in de uitvoering blijkt dat niet alles (tegelijk kan). De inhoudelijke thema’s zijn: 1)
2)
3) 4)
Leefbaarheid (o.a. afspraken met woningcorporaties over het vergroten van de variatie in doelgroepen in de sociale huur, ondersteunen van de vitaliteit van buurten en wijken, toevoegen van ruimtelijke kwaliteit aan de randen van de stad op de lange termijn). Betaalbaarheid en beschikbaarheid (borgen van voldoende aanbod voor jongeren en mensen in bijzondere doelgroepen, afspraken met de corporaties over huurbeleid, actief inzetten op versterken van studentenhuisvesting in het centrum). Wonen met zorg (streven naar nieuwbouw van levensloopbestendige woningen, voorlichting over langer thuis wonen, stimuleren van nieuwe woonzorgconcepten). Verduurzaming (afspraken met woningcorporaties over duurzaamheidsinvesteringen, bewustwording bij particulieren, duurzaamheid in acht genomen bij projectontwikkeling).
Met het oog op het voorkomen van negatieve effecten van krimp zet de gemeente Venlo naast de vier thema’s in op twee prioritaire beleidslijnen. Deze hebben een meer ruimtelijke invalshoek. Het gaat dan op (1) Verdichting in en rond het centrum van Venlo, en (2) Verdunning op termijn in wijken en dorpen die verder weg liggen, en transformatie naar toegevoegde ruimtelijke kwaliteit en diversiteit. Hierbij moet worden aangetekend dat deze beleidsdoelstellingen zijn opgesteld in aanvulling op de pijlers uit de regionale Woonvisie. Dat waren: 1) 2) 3) 4) 5)
Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor specifieke doelgroepen zoals arbeidsmigranten, studenten, statushouders en kwetsbare zorgdoelgroepen. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal. Een levensloopbestendige en duurzame regio.
De nadruk lag in de lokale Woonvisie met name op de lokale uitwerking van de regionale ‘pijlers’ 3, 4 en 5. Zie ook Figuur 2.1 voor een schematisch overzicht van de samenhang van de verschillende beleidsdocumenten. Van een strijdigheid tussen het lokale- en regionale woonbeleid is dan ook geen sprake. Het lokale woonbeleid is een aanvulling op het regionale woonbeleid en de geldende (bestuurs)afspraken.
3.2 Deelvraag 2: Wat was de kwaliteit van de geformuleerde beleidsdoelstellingen? De Woonvisie eindigt met een hoofdstuk waarin de gemeente de doelen en beleidskeuzes voor haar woonbeleid thematisch beschrijft. Hieraan ten grondslag ligt een analyse en beschrijving van de opgaven op basis van feiten en cijfers en maatschappelijke ontwikkelingen. De woningbouwprogrammering blijft nadrukkelijk buiten beschouwing en wordt buiten de Woonvisie uitgewerkt, rekening houdend met de regionale afspraken hierover. De beleidsdoelstellingen en –keuzes zijn in zeer beperkte mate SMART geformuleerd. Eigenlijk geen enkele doelstelling of beleidskeuze voldoet aan alle vijf de beoordelingscriteria. De gemeente spreekt intenties uit (we streven naar), gaat onderzoek doen of wil stimuleren. Er is sprake van een mix van beleidskeuzes, beleidsrichtingen, doelen en acties, die niet expliciet van elkaar onderscheiden worden. Dit maakt de daadwerkelijke doelen en keuzes van de gemeente moeilijk af te leiden uit de Woonvisie. Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 21
Waar het de sociale woningvoorraad/ het werkterrein van de woningcorporaties betreft worden de doelen en beleidskeuzes steeds een stapje SMART-er in de prestatieafspraken en het Uitvoeringsprogramma dat hieraan ten grondslag ligt. In hoeverre de doelen en beleidskeuzes nader geoperationaliseerd worden voor andere bij het woonbeleid betrokken partijen is echter onduidelijk. De in de Woonvisie opgenomen doelen geven daarnaast in beperkte mate sturing aan de uitvoering. Vooral de ‘hoevraag’ blijft in de meeste gevallen onbeantwoord.
3.3 Deelvraag 3: Hoe is het totstandkomingsproces van de Woonvisie en het Uitvoeringsprogramma verlopen? De Woonvisie 2016-2021 van gemeente Venlo is in 2016 opgesteld. In hoofdstuk 2 is het hiervoor doorlopen proces reeds beschreven, samen met de betrokkenheid van de gemeenteraad in deze. De gemeenteraad heeft het college bij de start van het Woonvisie in een beeldvormende en oordeelsvormende raadsvergadering eerste richtingen meegegeven voor de uitwerking van de lokale Woonvisie. Dit met als basis de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 2016-2020. Aan de totstandkoming van dit regionale beleidsstuk heeft de Venlose gemeenteraad bijgedragen door inbreng te leveren in klankbordgroepen. Ook heeft zij de visie vastgesteld (samen met de zeven andere regionale gemeenteraden). De lokale Woonvisie wordt verder geconcretiseerd doordat de gemeenteraad aangeeft welke thema’s prioriteit moesten hebben. Dit is de basis voor het college om hoofdlijnen uit te werken en voor te leggen aan de gemeenteraad. Deze uitwerking krijgt vorm in meerdere themabijeenkomsten met de corporaties en de huurdersorganisatie. Andere partijen, zoals ontwikkelaars, zijn al betrokken geweest bij de regionale visie, en daarom is de keuze gemaakt hen niet zo kort daarop opnieuw te betrekken. In november 2016 volgt een raadsvoorstel voor het instemmen met de Lokale Woonvisie 2016-2021.
De gemeenteraad geeft hierbij op meerdere momenten inbreng. Zo vraagt zij bij de conceptbespreking aan nader in te gaan op de ontwikkelingen in specifieke wijken en dorpen. Hier geeft het college vervolgens invulling aan, ook voorafgaand aan definitieve besluitvorming worden vragen gesteld. Gesteld kan worden dat de lokale Woonvisie als aanvulling op de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 20162020 is opgesteld. De focus van de lokale Woonvisie kreeg daarmee een vooral volkshuisvestelijk karakter, dat wil zeggen gericht op sociale huur. Dit is op zich een begrijpelijke keuze. De Woningwet 2015 vereiste immers een Woonvisie als basis voor nieuwe prestatieafspraken. Wel is de scope van de lokale Woonvisie hiermee beperkt. Over een groot aantal onderwerpen die normaal ook een plek zouden krijgen in de lokale Woonvisie zijn geen uitspraken gedaan, hier is de regionale Woonvisie leidend. Vervolgens is er samen met de corporaties een Uitvoeringsprogramma opgesteld, omdat men merkte dat er een concretiseringslag nodig was als basis voor de prestatieafspraken. De raad heeft het Uitvoeringsprogramma ter informatie ontvangen en niet vastgesteld. Er is geen sprake van een Woonvisie waarin de gemeente zich expliciet uitspreekt over de gewenste bijdrage van de woningcorporaties of andere belanghebbenden of betrokkenen bij het gemeentelijk woonbeleid.
In het Uitvoeringsprogramma doet zij dat wel aangaande de rol van de woningcorporaties. 3.3.1
Invloed van de regio
In de gespreksronde is naar voren gekomen dat de regionale Woonvisie sterk van invloed is geweest op de vorming van de lokale Woonvisie. Denkend in de geest van de regionale Woonvisie kwam het accent in Venlo te liggen op het doorvoeren van een reductie van de plancapaciteit, dit in voorbereiding op aanstaande krimp. In Noord-Limburg was er de gemeenschappelijke opgave om tot een reductie van 40% van de (overmatige) plancapaciteit te komen. Hieraan heeft gemeente Venlo voldaan. In de regionale Woonvisie zijn in dit kader een groot aantal spelregels vastgelegd over de woningproductie (dynamisch voorraadbeheer), hiermee werd de regionale Woonvisie de basis voor het lokale woningbouwprogramma in Venlo. Hoe de regionale ‘spelregels’ lokaal worden toegepast en welke sturingsinstrumenten de gemeente hiervoor inzet wordt in de lokale Woonvisie niet geëxpliciteerd. Hiernaast wordt ook een ander thema regionaal opgepakt en krijgt hiermee geen plaats in de lokale Woonvisie, namelijk het huisvesten van buitenlandse werknemers. De doorontwikkeling van het regionale woonbeleid van de afgelopen jaren wordt als positief ervaren door de ambtelijke organisatie. Meerdere geïnterviewden geven aan dat de provincie steeds minder bepalend is in de inhoud. De inhoudeNieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 22
lijke keuzes maken de gemeenten samen en dat is wenselijk gegeven de opgaven die de gemeenten alleen samen kunnen oppakken. Venlo is bezig op dit regionale speelveld haar plek in te nemen als centrumstad, zij het dat dit de nodige inspanning vergt en niet altijd gemakkelijk is. De observatie van de gemeente is dat de regionale gesprekken nu nog niet altijd over inhoud gaan, maar vooral over het proces van gemeentelijke samenwerking in de regio. Wel is de verwachting dat de inhoud gaat volgen. De ambtelijke organisatie geeft aan dat de regionale overleggen (ambtelijk en op het niveau van de wethouders) in de toekomst beter benut kunnen gaan worden om het Venlose standpunt voor het voetlicht te brengen en zo invloed uit te oefenen op het regionale woonbeleid: “er worden daar belangrijke keuzes gemaakt die doorwerken in het lokale woonbeleid. Uiteindelijk worden de belangrijkste keuzes gemaakt in de lokale Woonvisie, maar betrokkenheid bij de regionale keuzes is ook van belang.” Vanuit de corporaties wordt aangegeven dat er in de regio nog sprake is van enige concurrentie tussen de gemeenten onderling: “de buurgemeenten gaan op woongebied soms hun eigen gang.” Het zou wat de corporaties betreft mooi zijn als Venlo als de centrumstad een meer sturende positie in de regio zou gaan innemen, bijvoorbeeld waar het de bijdrage van elke gemeente aan de regionale opgaven betreft.
Denk dan bijvoorbeeld aan de spreiding van betaalbare woningen over de regio. Een beperkende regio? De gemeenteraad is bij de regionale beleidsvorming betrokken door hierin te participeren via een afvaardiging in de regioraad/ speciale regionale raadswerkgroepen (zie ook § 2.1). Geïnterviewden geven aan dat bij raadsleden soms het beeld bestaat dat door de regionale en lokale Woonvisies van de afgelopen jaren “er niet veel mag”. Het is inderdaad zo dat de gemeente in de geest van de regionale afspraken heeft gekozen voor een ‘nee, tenzij’ benadering van nieuwe bouwinitiatieven. In die zin is er een rem op nieuwbouw. Tegelijk hebben de geïnterviewden werkzaam bij de gemeente niet het gevoel dat de geldende regionale regels de gemeente ervan weerhouden haar ambities waar te maken. Volgens hen leidt de ‘nee, tenzij’ benadering vooral tot projecten met een hogere meerwaarde. Er wordt alleen maar medewerking verleend aan kwalitatief goede initiatieven. Dit is ook waar het gesprek lokaal nog meer over moet gaan, wat de gemeente betreft. De ‘kwaliteit’ van de bouwplannen en niet alleen de aantallen moet meer centraal komen te staan. Als je woningen toevoegt, moet het wel een gewenste toevoeging zijn.
Ook geven de geïnterviewden werkzaam bij de gemeente aan dat er binnen de gemeentelijke organisatie nog te weinig aandacht is voor de bestaande woningvoorraad, terwijl een groot deel van de toekomstige opgaven in het bestaande bezit ligt. Denk dan bijvoorbeeld aan de verduurzaming en het levensloopbestendig wonen in het licht van de vergrijzing. Met de kennis van nu is de bouwproductie, mede ingegeven door het regionale beleid en de afspraken hierin rond het dynamisch voorraadbeheer (woningbouwprogrammering), wellicht teveel beperkt, zo is het gevoel van de corporaties. In dit kader speelt ook de lokale en regionale communicatie over de woningbouwproductie een rol. Zo heeft de provincie in de afgelopen jaren veel gecommuniceerd over de aanstaande krimp en de geldende afspraken. Minder duidelijk was dat dit met name in Zuid-Limburg veel plannen heeft ingeperkt. In Noord-Limburg had dit veel minder consequenties. Het idee dat Venlo in haar keuzes beperkt wordt, kan ook te maken hebben met het feit dat “de lokale zichtbaarheid van de woningproductie laag is.” De gemeente Venlo voert geen actieve grondpolitiek en het aantal grotere beschikbare ontwikkellocaties is laag.
Het merendeel van de woningbouwprojecten bestaat dan ook uit kleine plannen: “hier worden 6 woningen toegevoegd boven een café, daar 10 op een reststrook.” Deze plannen zijn niet groot genoeg om te leiden tot aparte besluitvorming in de gemeenteraad. Er worden dus woningen gebouwd, maar het speelt zich grotendeels buiten het zicht van de gemeenteraad af. 3.3.2
Betrokkenheid woningcorporaties en Huurdersbelangenvereniging Venlo
De woningcorporaties zijn uitgebreid bij de totstandkoming van de Woonvisie betrokken geweest. Zo participeerden zij zowel ambtelijk als bestuurlijk in verschillende project- en stuurgroepoverleggen. Hierbij was de rol er een van input leveren en reageren op notities en teksten. De woningcorporaties zijn positief over hun betrokkenheid vanaf het eerste moment en over hun rol in de projectgroep: “zo ontstaat draagvlak voor het beleid en zorg je ervoor dat je als gemeente en woningcorporaties aan dezelfde doelen werkt”. De woningcorporaties hebben vervolgens samen met de gemeente het Uitvoeringsprogramma opgesteld: “er was sprake van co-creatie”.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 23
De Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) is ook betrokken bij het tot stand komen van de Woonvisie door aan te schuiven bij de verschillende bijeenkomsten. In het tot stand brengen van het Uitvoeringsprogramma heeft de HBV geen rol gehad.
3.4 Deelvraag 4: Hoe is het totstandkomingsproces van de prestatieafspraken verlopen? De wijze waarop de prestatieafspraken tot stand zijn gekomen en de monitoringssystematiek zijn procesmatig beschreven in paragraaf 2.2.3. Kort gezegd zijn de prestatieafspraken de jaarlijkse uitwerking van het gezamenlijk door woningcorporaties en gemeente opgestelde Uitvoeringsprogramma behorende bij de Woonvisie. De prestatieafspraken in Venlo zijn sinds 2017 steeds met dezelfde groep betrokkenen vastgesteld: de accountmanager vanuit de gemeente, en de drie accountmanagers vanuit de corporaties. Met deze groep vindt er maandelijks een Accountmanagersoverleg (AMO) plaats. Naast het overleg over lopende zaken wordt deze overlegcyclus benut voor het maken van de prestatieafspraken. Hierbij wordt gewerkt aan de hand van een draaiboek, die aan de start van het proces ook in het AMO wordt vastgesteld. Gedurende het proces wordt bijgehouden bij welke stap we staan en kan concretere afstemming van data plaatsvinden. Voor 1 juli doen de corporaties een bod (zie ook §1.3.2). De gemeente doet vervolgens na het zomerreces een voorzet voor de nieuwe prestatieafspraken. Wanneer de afspraken uit het vorige jaar nog actueel zijn komen deze ook in de volgende ‘jaarschijf’ weer te staan. De corporaties vullen dit vervolgens in een aantal stappen aan.
Vervolgens wordt de overeenkomst meerdere malen in het AMO besproken en worden de wijzigingen die hier uit voortkomen verwerkt. Feitelijk schrijft de gemeente samen met de corporaties de overeenkomst. Het concept dat zo tot stand komt wordt vervolgens in het AMO in aanwezigheid van de Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) besproken. Hierna wordt de overeenkomst in een paar laatste slagen definitief gemaakt. In het najaar volgt vervolgens een bestuurlijk overleg (AMO + HBV + corporatie directeuren en wethouder). In deze bijeenkomst staat ook de monitor van het afgelopen jaar centraal en wordt vooruitgeblikt op het komende jaar. Na eventuele laatste wijzigingen wordt de overeenkomst gereedgemaakt voor ondertekening (Draaiboek Prestatieafspraken 2021; versie 10 november 2020). Feitelijk volgt de gemeente hiermee de ideaaltypische planning zoals beschreven in de woningwet. Duidelijk is dat in Venlo de wettelijk verplichte partijen voor het maken van prestatieafspraken aan tafel zitten, en dat de ideaaltypische cyclus voor het maken van prestatieafspraken zoals beschreven in de Woningwet 2015 en bijbehorende handreikingen, haast tot op de letter wordt gevolgd. De woningcorporaties geven aan dat het goed mogelijk is om een ‘bod’ op deze Woonvisie uit te brengen in het licht van de te maken prestatieafspraken. Het Uitvoeringsprogramma wordt in co-creatie opgesteld.
Volgens de gemeente is elk jaar een groot deel van de prestatieafspraken hetzelfde als het voorgaande jaar. Slechts 20 tot 30% wijzigt, is de schatting. Door ambtenaren wordt aangegeven dat de prestatieafspraken vanuit de gemeente strategischer zouden kunnen worden ingestoken om deze te benutten om ook andere beleidsdoelen uit andere programma’s dichter bij te brengen. In dit kader wordt reeds voorafgaand aan het maken van prestatieafspraken een uitvraag gedaan in de gemeentelijke organisatie, zodat ook de teams actief op het vlak van duurzaamheid en in het sociaal domein hun input kunnen leveren voor de prestatieafspraken. Ook de woningcorporaties geven aan dat het maken van prestatieafspraken in de laatste jaren vooral bestaat uit een actualisatie op basis van het bestaande raamwerk. De prestatieafspraken zijn feitelijk een weerslag van onderwerpen die veelal al besproken zijn. Los hiervan blijft het altijd wel de uitdaging om van ieders individuele ‘bieding’ een gezamenlijk en gedragen verhaal te maken. In dit proces ontstaat er altijd wel over een onderwerp enige discussie. De ervaring is dat de partijen hier wel onderling uitkomen. De bieding die de corporaties elk jaar aan de gemeente aanbieden wordt door de woningcorporaties overigens gezien als een ‘moetje’; een procedurele stap die wettelijk moet, maar niet heel veel bijdraagt.
Wettelijk is het doen van deze bieding inderdaad een verplichting, eigenlijk een van de weinige die de Woningwet 2015 de woningcorporaties in het maken van prestatieafspraken oplegt (zie ook §1.3.2). In de ideaalcyclus beoogd door de Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 24
wetgever gaat dit gepaard met een uitnodiging van de woningcorporaties aan de gemeente en de huurders. Het initiatief voor het maken van prestatieafspraken ligt dus bij de woningcorporaties. In de gemeente Venlo is een werkwijze ontstaan waarbij de gemeente op basis van de biedingen een eerste voorzet maakt voor de nieuwe prestatieafspraken en daarna de afspraken gezamenlijk uitgewerkt worden (§2.2.3). Deze vrijheid geeft de Woningwet 2015 ook. Het is in beginsel aan de ‘lokale driehoek’ van gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisatie(s) om invulling te geven aan de samenwerking c.q. het maken van prestatieafspraken. Dat het doen van een bieding gezien wordt als ‘moetje’ is dan ook begrijpelijk in het licht van de te maken prestatieafspraken. Tegelijkertijd geeft het bod de gemeente de noodzakelijke input om een voorzet voor de afspraken te maken. Het doen van een bod heeft dus een functie. Ook speelt het bod een rol in de informatie die de gemeente bij wet door de woningcorporaties krijgt toegezonden op basis waarvan zij een beeld kan krijgen van het presteren van de corporaties. De officiële naam van het bod is niet voor niets het activiteitenoverzicht; hierin geeft de corporatie een beeld van haar activiteiten voor het komende jaar, maar ook een doorkijk naar de iets langere termijn.
In het maken van prestatieafspraken is dan het idee dat de gemeente deze informatie (samen met andere bronnen) kan gebruiken om de te beoordelen in welke mate de bijdrage van de corporaties aan de Woonvisie “redelijk” is (zie opnieuw §1.3.2). Deze vraag speelt in het maken van de prestatieafspraken in Venlo eigenlijk geen expliciete rol. Prestatieafspraken komen in samenwerking tot stand en de gemeente is blij met de bijdrage die de Venlose corporaties leveren. Zo is het volgens de geïnterviewden de afgelopen jaren niet voorgekomen dat het bod van de corporaties in de ogen van de gemeente te laag was. Bouwen aan de onderlinge relatie Op relationeel vlak verbetert de samenwerking tussen corporaties en gemeente langzaam in de ogen van de gemeente. Het leidt geen twijfel dat de onderlinge relaties al veel beter zijn dan voor 2016. Soms blijkt dat er nog wel vooroordelen over elkaar de ronde doen, en het kan ook schuren als het om geld gaat. Er is nog ruimte voor verbetering, maar elke partij heeft een accountmanager aangesteld, en wonen is intern bij de gemeente op de juiste plek belegd. De leden van het team Wonen en Leven geven aan dat er sprake is van onderling vertrouwen tussen de gemeente en de woningcorporatie.
De hoop wordt door de gemeente uitgesproken dat de relatie de komende jaren nog verder verbetert, en ook dat doorontwikkeling van het programmatisch werken in de gemeente hieraan gaat bijdragen door meer samenhang en afstemming in het gemeentelijk beleid en handelen te brengen. De woningcorporaties onderschrijven het belang hiervan. De prestatieafspraken gaan over veel meer dan wonen alleen. Voor gedragen prestatieafspraken is gemeentebreed (meerdere teams en programma’s) input en draagvlak nodig. De woningcorporaties geven aan dat de prestatieafspraken in de gemeente waarschijnlijk altijd in orde zullen komen zolang de direct betrokkenen aan gemeentelijke zijde bij de gemeente blijven werken. Meerjaarlijkse afspraken, met een bredere scope? De woningcorporaties geven aan dat het te overwegen is om de overstap te maken naar meerjarenafspraken met een periodiek monitoringsmoment. De woningcorporaties geven aan dat de huidige jaarcyclus erg intensief is: “de afspraken voor volgend jaar zijn net getekend en twee maanden later beginnen alweer de voorbereidingen op het volgende bod. Inhoudelijk is er op hoofdlijnen dan nog niet veel veranderd.” Ook zou het Uitvoeringsprogramma kunnen vervallen, wanneer in de Woonvisie de doelen en bijbehorende acties ‘scherper’ zouden worden geformuleerd, zo geven de woningcorporaties aan.
De Woningwet 2015 biedt ruimte om een dergelijke wijziging door te voeren. In den lande zijn er vele gemeenten die voor ‘lichtere’ prestatieafspraken-cycli kiezen en afstappen van het ideaalplaatje uitgewerkt in handreikingen bij het in werking treden van de Woningwet 2015. Wel zal de woningcorporatie altijd het ‘bod’/ activiteitenoverzicht moeten opstellen. Ook wanneer dit geen hele grote rol in de prestatieafspraken speelt is dit een wettelijke verplichting, met als doel het verbeteren van de informatiepositie van de gemeente aangaande het reilen en zeilen van de woningcorporatie. De woningcorporatie geeft de gemeente met het activiteitenoverzicht inzicht in de werkzaamheden die zij zal gaan ontplooien in de gemeente en in de bijdrage die zij daarmee levert aan het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij moet de corporatie ook vijf jaar vooruitkijken9. ⁹ Zie ook Woningwet 2015, artikel 43 en 44. Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 25
Inhoudelijk signaleren de woningcorporaties dat de sociaal-maatschappelijke kant een steeds prominentere plek in de prestatieafspraken inneemt. Het zou wat hen betreft wenselijk zijn om de scope van de prestatieafspraken wat te verbreden en ook de fysieke projecten/ investeringen opgenomen in het projectenoverzicht meer met de prestatieafspraken en de bovenliggende doelstelling en volkshuisvestelijke visie te verbinden. De rol van Huurdersbelangenvereniging Venlo De Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) schuift niet aan bij alle gesprekken over de nieuwe prestatieafspraken. De HBV moet prioriteiten stellen en zich beperken tot de hoofdlijnen, gelet op de beperkte personele capaciteit van de organisatie. De HBV is wel aanwezig bij het accountmanagersoverleg, waar het eerste concept voor de nieuwe prestatieafspraken voor ligt, bij het afsluitende bestuurlijke overleg en de ondertekening (zie ook §2.2.3). In dit overleg is er de mogelijkheid voor de HBV om onderwerpen in te brengen. Hiermee wordt invulling gegeven aan de door de rijksoverheid gewenste rol van de huurdersvertegenwoordiging in het maken van prestatieafspraken. De mate waarin de HBV betrokken is bij het maken van prestatieafspraken schrijft de wet niet voor. De partijen mogen hier samen invulling aan geven.
De vraag is wel in hoeverre er sprake is van een gelijkwaardige positie aan tafel bij het maken van prestatieafspraken afgemeten aan de kennispositie en de beschikbare capaciteit bij elke partij. De informatiepositie van de partijen is wel gelijk. De meerwaarde van het maken van prestatieafspraken is wat de HBV betreft vooral dat de relatie tussen de corporaties en de gemeente hiermee georganiseerd wordt: “het is goed dat er een overleg-relatie is en onderwerpen en activiteiten afgestemd worden, dat is ook wel eens anders geweest.” De HBV is zelf niet ontevreden over hun rol in de prestatieafsprakencyclus. De gemeente is zo nodig altijd voor de HBV te bereiken en daarnaast kan ze haar stem laten horen via de woningcorporaties. De HBV heeft met de woningcorporaties de gebruikelijke contacten op grond van de ‘Wet op het overleg huurders verhuurder’. Het individuele overleg met de corporaties wordt door de HBV hoger gewaardeerd dan hun positie aan tafel in het maken van prestatieafspraken. Dit heeft vooral te maken met de mate van concreetheid van de onderwerpen die ter tafel komen. Het abstractieniveau van de prestatieafspraken, het Uitvoeringsprogramma en Woonvisie is eigenlijk te hoog om er als huurdersorganisatie een goed oordeel over te kunnen hebben en over mee te praten. Wel vindt de HBV het prettig dat zij goed geïnformeerd worden.
Een voorbeeld van afspraken op een te hoog abstractieniveau zijn bijvoorbeeld de afspraken die worden gemaakt over de verduurzaming (het aardgas vrijmaken) van de wijk Hagerhof-Oost. In de prestatieafspraken staat daarover dat er een convenant en transitievisie 2.0 worden opgesteld in het komende jaar. Dat is voor de HBV te abstract en weinig concreet: “welke invloed heeft dit alles op de huurders?”. Om deze vraag te beantwoorden heeft de HBV eigenlijk uitgebreide dossierkennis en inzicht in de werking van de gemeentelijke organisatie nodig. Dit is echter bijna niet op te bouwen als organisatie bestaande uit vrijwilligers. De prestatieafspraken die gemaakt worden richten zich vooral op de prestaties van corporaties en gemeente. In enkele gevallen wordt voor de HBV zelf ook een actieve rol voorzien. Het gaat dan bijvoorbeeld om een rol in het verhogen van de bewustwording op het vlak van duurzaamheid. Recent heeft zij in de prestatieafspraken de taak gekregen om een huurdersonderzoek met als onderwerp de verduurzaming te doen, met als doelstelling om 40% van haar huurders te bereiken. Wat deze laatste afspraak betreft voelt de HBV zich niet goed genoeg geïnformeerd in het totstandkomingsproces van de afspraken en zij twijfelt inmiddels of deze prestatieafspraak voor haar haalbaar is, gegeven de omvang van deze taak.
3.5 Deelvraag 5: Welke belanghouders waren bij de totstandkoming van de Woonvisie en p restatieafspraken betrokken vanuit welke rol? In paragraaf 2.2.3 is chronologisch beschreven wie op welk moment inbreng kon geven en op welke wijze. De betrokkenen in de totstandkoming van beide documenten verschillen weinig van elkaar. Bij de Woonvisie zijn de gemeenteraad, het college, de ambtelijke organisatie, de woningcorporaties en huurdersorganisatie betrokken. Omdat andere belanghouders, zoals ontwikkelaars, al betrokken waren geweest bij de kort daarvoor opgestelde regionale visie, is de keuze gemaakt hen niet opnieuw te betrekken. De gemeenteraad stelt uiteindelijk de Woonvisie vast. Bij de prestatieafspraken zijn het college, de ambtelijke organisatie, de woningcorporaties en de huurdersbelangenvereniging betrokken. De gemeenteraad wordt jaarlijks achteraf over de prestatieafspraken geïnformeerd door middel van een raadsinformatiebrief.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 26
Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) De Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) is er primair voor de huurders van Antares en Woonwenz. De huurders van Wonen Limburg hebben een eigen huurdersorganisatie, de Huurdersvereniging Noord-Limburg. De HBV heeft geen structureel overleg met Wonen Limburg. In het maken van de Venlose prestatieafspraken neemt de HBV de taken van de Huurdersvereniging Noord-Limburg waar. De wijze waarop invulling gegeven wordt aan de huurdersvertegenwoordiging is een zaak van de woningcorporaties en de huurders onderling. De ‘Wet op het overleg huurders verhuurder’ is hier leidend. Hierbinnen is het mogelijk dat een huurdersorganisatie zich laat vertegenwoordigen door een andere huurdersorganisatie bij het maken van prestatieafspraken. Gemeenteraad is geen partij in het sluiten van de prestatieafspraken Waar het de rol van de gemeenteraad in het maken van prestatieafspraken betreft geldt dat de gemeenteraad formeel geen partij is in het maken van de prestatieafspraken. Zij worden hierover achteraf geïnformeerd middels een raadsinformatiebrief en een themabijeenkomst. Het maken van de prestatieafspraken is in Venlo een collegeverantwoordelijkheid. Dit is overigens geen Wet van Meden en Perzen. Er zijn in het land voorbeelden van gemeenten waar de raad wordt betrokken bij de vaststelling en/of evaluatie van de prestatieafspraken.
Alle woningcorporaties staan ervoor open om de raadsleden aanvullend te informeren en worden graag door hen bevraagd bijvoorbeeld als basis voor de Woonvisie. Een van de corporaties nodigt de raadsleden actief uit om op pad te gaan in de wijk en organiseert een aanvullend werkbezoek voor hen. De woningcorporaties geven aan dat het mooi zou zijn wanneer de onderlinge communicatie een verdere verdieping zou krijgen. De Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV) heeft geen contact met de gemeenteraad als bestuursorgaan.
3.6
Deelvraag 6: Voor de inzet van welke beleidsinstrumenten heeft de gemeente in het Uitvoerings programma gekozen?
De gemeente Venlo kiest in het Uitvoeringsprogramma bij de Woonvisie 2016-2021 vooral voor het inzetten op prestatieafspraken. Dit is een logisch gevolg van de volkshuisvestelijke insteek van de Woonvisie en de opzet van het Uitvoeringsprogramma als ‘tussenstap’ voor het maken van de prestatieafspraken. Veel van de opgenomen subdoelen in het programma zijn daarop geënt. Daarnaast kijkt de gemeente waar zij dingen kan faciliteren, aanjagen en waar ze bewustwording kan creëren bij burgers, zoals bij verduurzaming. Bij het cluster Wonen zijn geen omvangrijke budgetten belegd. Sinds het in werking treden van de huidige Woonvisie is er in deze ontwikkeling nog een nieuwe slag gemaakt, namelijk het opstellen van de samenlevingsagenda, op basis waarvan de inwoners de gemeente input geven voor haar acties in de wijken en dorpen. Prestatieafspraken centraal De gemeente benoemt de prestatieafspraken als belangrijkste beleidsinstrument, de basis hiervoor is gelegen in het Uitvoeringsprogramma. Daarnaast geeft de gemeente aan dat er op deelonderwerpen aanvullend beleid gemaakt wordt, wanneer een thema actueel is. Vaak zijn hier dan nog geen beleidskaders voor beschikbaar in de Woonvisie. De woningcorporaties signaleren deze werkwijze ook.
Zij geven aan dat een aantal thema’s die in de Woonvisie en het Uitvoeringsprogramma nog niet aan de orde kwamen, in een later stadium actueel geworden zijn en – tot op de dag van vandaag – het beleid zijn gaan bepalen. Zo werd kort na het vaststellen van de Woonvisie het huisvesten van statushouders urgent door een hogere instroom en taakstelling voor de huisvesting van deze groep woningzoekenden. Ook was het effect van de decentralisaties in de zorg in eerste instantie nog weinig zichtbaar. Inmiddels zien de woningcorporaties echter de effecten van de beleidswijzigingen (door de rijksoverheid) zich op stapelen. Deze slaan neer in de wijken en maakt dat de wijken onder druk staan. Dit is een van de opgaven om in de volgende Woonvisie een antwoord op te gaan formuleren wat de woningcorporaties betreft. Ook de raad heeft hierop aangedrongen. Bij het team Wonen en Leven zijn geen omvangrijke budgetten belegd. Wel verstrekt de gemeente startersleningen. Bij elk nieuw beleidsthema zoekt de gemeente naar de benodigde (financiële) middelen. Bijvoorbeeld door te bezien wat er bij de provincie en de rijksoverheid aan middelen beschikbaar is. Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 27
In bijzondere gevallen worden de corporaties een bijdrage gevraagd. De gemeentelijke woningmarktprogrammering is direct gekoppeld aan de regionale Woonvisie. In beginsel is dit ook een belangrijk sturingsinstrument voor de gemeente. De samenlevingsagenda Een recent ingevoerd ‘instrument’ is de samenlevingsagenda. Feitelijk is dit een traject van bewonersparticipatie als basis voor gezamenlijke planvorming op het niveau van de wijk, dorp of buurt. In dit traject wordt soms ook ontdekt dat twee afdelingen binnen de gemeente een onderwerp allebei hebben opgepakt. Dubbelingen komen zo aan het licht en daarmee ontstaan kansen voor vereenvoudiging en nieuwe werkafspraken. De gemeente is nog op zoek naar de juiste vorm van participatie: “wat bewoners willen gaat nu nog vooral over schoon heel veilig. Wat we eigenlijk zouden willen is dat de samenleving weer een plek is waar dingen worden bedacht, waar het over initiatieven gaat, over sociale netwerken, over oplossingen voor mantelzorg, dat soort dingen.” Om dat te bereiken moeten alle partijen breder en out-of-the-box gaan denken vinden de gemeentelijke gesprekspartners’
3.7 Deelvraag 7: Hoe was de aansluiting tussen lokale Woonvisie, Uitvoeringsprogramma en prestatieafspraken? De samenhang tussen de lokale Woonvisie, het uitvoeringsprogramma en de prestatieafspraken is groot. De lokale Woonvisie is tot stand gekomen als aanvulling op de regionale Woonvisie en kreeg daarmee een sterk volkshuisvestelijk karakter. Het uitvoeringsprogramma is vervolgens samen met de woningcorporaties in co-creatie opgesteld als concretisering van de Woonvisie als basis voor prestatieafspraken (zie ook §3.1). De gemeente zet erop in middels haar relatief recent ingevoerde organisatiemodel gebaseerd op programmasturing10, om de samenhang in haar verschillende werkzaamheden te versterken. We beschrijven in deze paragraaf de organisatie van de gemeente en de wijze waarop de verschillende partijen hiernaar kijken. Programmasturing in ontwikkeling De gemeente Venlo is georganiseerd in een matrixmodel, met programmasturing en lijnsturing. De directie is verantwoordelijk voor de lijnorganisatie, en de programmamanagers hebben vanuit de programmabegroting een inhoudelijke opdracht. Kort gezegd is het ‘wat’, de inhoud, besloten in de programma’s, en het ‘hoe’ is aan de lijnorganisatie (de verschillende inhoudelijke teams), die aan de slag gaan op basis van een jaarlijks geactualiseerd teamplan.
De gemeente is hierin nog in ontwikkeling, het programmamanagement is in 2019 ingevoerd. De programmamanager levert in principe de inhoudelijke kaders aan voor de teamplannen, rekening houdend met zaken als het coalitieakkoord, collegeprogramma, de doelstellingen van andere programma’s, regionale beleidskaders, visies van belanghouders als de woningcorporaties et cetera. Het is aan de programmamanagers (en natuurlijk ook de wethouder) om de integraliteit van beleid en handelen in de gemeente te waarborgen. De directie moet hier ook op toezien. Het is in principe aan de programmamanager om nieuwe ontwikkelingen van ‘buiten’ te signaleren. Tegelijkertijd vervullen ook inhoudelijke adviseurs in de teams deze rol. Afgesproken is dat één wethouder het aanspreekpunt is voor de woningcorporaties. Het werk van de woningcorporaties raakt echter aan de portefeuille van elk collegelid. Dit constaterende is het voornemen om de komende tijd eenmaal per jaar een collegebreed overleg te organiseren met de woningcorporaties. De woningcorporaties geven aan dat de programma- en accountmanagers aan gemeentezijde aandacht hebben voor de bredere en gedeelde belangen. Wel kan dit nog beter. De corporaties constateren dat de afstemming tussen ambtelijk en bestuurlijk niveau binnen de gemeente nog niet altijd goed genoeg is.
Recentelijk leidde dit ertoe dat de nieuwe prestatieafspraken bijna niet ondertekend werden. In de prestatieovereenkomst was opgenomen dat de corporaties mee zouden beslissen over aanbestedingen in het sociaal domein. Op het laatste moment werd duidelijk dat de wethouder verantwoordelijk voor het sociaal domein hier echter niet mee kon instemmen gegeven de geldende aanbestedingsregels. Deze afspraak moest dus kort voor ondertekening worden aangepast. 10
Zie verder: Besturingsmodel gemeente Venlo 2020 en organogram.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 28
Hierbij past de kanttekening dat de afspraak eigenlijk ook een andere lading zou moeten hebben. Het ging de corporaties er niet om dat zij wilden meebeslissen over aanbestedingen. Zij wilden vooral de gemeente kunnen voeden met kennis en kunde over het effect van aanbestedingskeuzes op kwetsbare bewoners, en daarmee op de wijk als geheel. Zowel de corporaties als de gemeente geven aan dat het idealiter niet nodig had hoeven zijn dat in zo’n laat stadium van de prestatieafspraken nog zo’n ingreep werd gedaan, en hopen dat dit in de toekomst voorkomen kan worden. De geïnterviewden uit de gemeentelijke organisatie geven aan dat zij ervaren dat de verschillende gemeentelijke teams onderling steeds meer samenwerken. Er worden stappen gezet richting meer integraal werken, zo geeft men aan. Aan de andere kant is de gemeente een grote organisatie, met ongeveer 1000 mensen in dienst. Ambtenaren direct betroken bij het wonen geven aan dat het lastig kan zijn om te vinden wie waarbij betrokken moet worden binnen de organisatie. Sommige gemeentelijke taken vereisen daarnaast adviseurs met een zeer specialistisch takenpakket en kennis. Voor hen is het lastiger om altijd het overzicht te behouden en integraal te werken. Dit zijn drempels voor integraal werken en maakt de kans groot dat vertraging in beleidsvorming en uitvoering ontstaat.
Met één mond praten De contacten die de woningcorporaties hebben op ambtelijk en bestuurlijk niveau beoordelen zij als goed. Wel ervaren zij de gemeente soms als een “veelkoppig monster”. Elk onderwerp vraagt de betrokkenheid van vele personen vanuit verschillende disciplines. In die gevallen wil de samenwerking binnen de gemeente nog weleens moeizaam verlopen. Dit fenomeen doet zich voor in beleidsvorming, maar ook wanneer samengewerkt wordt aan een nieuwbouwproject bijvoorbeeld. In dat laatste geval is het moeilijk om met een kerngroep afspraken te maken, en de plannen moeten door veel verschillende disciplines beoordeeld worden. De corporaties geven aan dat het mooi zou zijn om vanuit het gedeelde belang efficiënter tot een set afspraken gekomen zou kunnen worden (minder fragmentatie in de beoordeling). In dit kader geven de woningcorporaties het volgende aan: “In onze beleving worden we vaak gezien als een projectontwikkelaar die langskomt, maar wij zijn een partner die jaarlijks tientallen miljoenen in de stad investeert en dat al ruim een eeuw doet.
Dat partnership staat geregeld behoorlijk onder druk.” Het zou minder vaak nodig moeten zijn dat problemen moeten worden “weg gemanaged.” Hierbij wordt aangetekend dat het niet van elke gemeentelijke projectleider verwacht kan worden dat hij/zij het volledige overzicht heeft: “het is zaak dat deze mensen vooral de juiste (bestuurlijke) opdracht meekrijgen: is de opdracht het Kazerneterrein zo efficiënt mogelijk realiseren of wegen ook andere volkshuisvestelijke doelen mee?” Deze opdracht moet dan natuurlijk ook corresponderen met de verschillende programmadoelen en onderliggende visies. Dit geldt dan bij uitstek ook voor de Woonvisie en de prestatieafspraken, volgens de woningcorporaties, het zou mooi zijn als die als gedeelde opdracht worden ervaren door de gemeentelijke afdelingen. Dat dit soms financiële keuzes met zich meebrengt en dat niet alles kan is dan logisch: “de stad moet ook niet failliet.” Cluster Wonen Het cluster Wonen is bezig met een veelheid aan onderwerpen, en de inhoudelijke opdracht is omvangrijk en krijgt zowel lokaal als regionaal vorm. Enerzijds is er de ‘standaardcyclus’ van de Woonvisie en de prestatieafspraken. Aan de andere kant is wonen een thema waarop de ontwikkelingen snel kunnen gaan, actuele thema’s aandacht vragen, en initiatiefnemers zich melden met creatieve ideeën waar soms nog geen kaders voor zijn, denk bijvoorbeeld aan tiny houses.
In dat laatste geval moeten dan nieuwe beleidskeuzes gemaakt worden. In dit voorbeeld is met de andere betrokken teams gekeken of er een gemeentelijk restperceel vrij was. Verdere afstemming in visiestukken en beleidskeuzes Voor de ambtelijke organisatie en de portefeuillehouder is het van belang dat de nieuwe Woonvisie op breed draagvlak in de raad kan rekenen. Dat geeft namelijk houvast bij het inspelen op de actualiteit. De portefeuillehouder en de organisatie streven naar een visie die meerdere coalities mee kan en die de basis vormt voor een consistent woonbeleid voor de komende jaren. Om die reden is een traject ingezet om de raad aan de voorkant te betrekken bij de te maken keuzes. Ook zet de gemeente in op een betere aansluiting van de Woonvisie met verschillende andere visiestukken. In de Strategische Visie Venlo 2030, die nu geldt als het lange termijnperspectief voor de gemeente, heeft wonen bijvoorbeeld geen prominente plaats. In de visie Venlo 2040 die in de maak is zal dit anders zijn.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 29
Hiernaast zet de gemeente de eerste stappen in de implementatie van de Omgevingswet11. De onderliggende gedacht van deze wet is dat (ruimtelijke) opgaven integraal worden bekeken. Hiermee zal een grote integratieslag in de gemeente worden gemaakt op het visie- en beleidsvlak. Ook zal dit effect hebben op de procedures die gevolgd gaan worden bij projecten/ nieuwbouw. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan de introductie van een ‘omgevingstafel’, waarbij de gemeentelijke betrokkenen, initiatiefnemer(s), bezwaarmakers en andere belanghebbenden, allemaal samen aan tafel komen met als doel het plan verder te brengen.
3.8 Deelvraag 8: Hoe is de uitvoering en de monitoring van het Uitvoeringsprogramma en de prestatieafspraken verlopen? De gemeente en de woningcorporaties geven aan dat er zich een positieve ontwikkeling voordoet in de samenwerking op basis van de prestatieafspraken in de afgelopen vijf jaar. De prestatieafspraken vormen meer dan vroeger ook een basis voor het gemeentelijke handelen. Wel kan de wederkerigheid in de afspraken vanuit de gemeente nog worden vergroot. De monitoring van het woonbeleid verloopt via de reguliere planning- en controlcyclus. Aanvullend hierop wordt er geëxperimenteerd met het opnemen van kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s) in het teamplan van het Team Wonen en Leven. Door de jaren heen heeft de monitoring van de prestatieafspraken zich doorontwikkeld. Desondanks geven alle betrokkenen aan dat hier nog ruimte voor verbetering is. Ook geven met name de woningcorporaties en de huurdersorganisatie aan dat de focus nog moet liggen op de doorwerking en snellere opvolging van de afspraken. Voor de gemeenteraad is ‘het wonen’ een zogenaamd ‘B-dossier’, wat betekent dat de gemeenteraad het college vraagt kaderstelling op het onderwerp voor te bereiden. Het college informeert de gemeenteraad over de voortgang op het onderwerp via de reguliere planning- en controlcyclus. De raad heeft geen inzicht in de voortgang van de uitvoering van de prestatieafspraken.
Commitment op de prestatieafspraken De woningcorporaties geven aan dat zij ervan uit kunnen gaan dat op het moment dat de prestatieafspraken met elkaar getekend worden, de gemeente ook de afspraken als basis voor haar handelen neemt. Zo’n 10 jaar geleden (ten tijde van de STRAK (Strategisch Akkoord) periode) was dit nog anders en werden de afspraken gezien als een bindend kader voor de corporaties en niet meer dan een intentie aan gemeentelijke zijde. Wel zou het mooi zijn wanneer de wederkerigheid in de afspraken nog vergroot kan worden: “het gevoel is dat men gemeentebreed niet altijd in de gaten heeft hoeveel er eigenlijk door de woningcorporaties samen geïnvesteerd wordt.” De corporaties proberen dit meer inzichtelijk te maken via het projectenoverzicht en een overzicht van de prestaties die zij buiten de prestatieafspraken om leveren. Ook binnen de gemeente wordt er overigens nagedacht over de gemeentelijke bijdrage aan de prestatieafspraken en of die groot genoeg is in relatie tot wat de corporaties doen. Het gaat dan over de inzet van middelen voor nieuwe projecten maar ook bijvoorbeeld over het voeren van een voldoende integraal beleid en efficiënte projectprocedures. Monitoring van de voortgang van Woonvisie en prestatieafspraken Binnen de gemeente is de reguliere planning- en controlcyclus leidend in de monitoring en evaluatie van de voortgang van de Woonvisie.
Concreet wordt ieder kwartaal de voortgang van de teamplannen in beeld gebracht in een overleg met de verantwoordelijk directeur, programmamanager, teamleider en de business controller. Aanvullend hierop wordt er geëxperimenteerd met het opnemen van kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s) in het teamplan van het Team Wonen en Leven. Dit als basis om de ‘prestaties’ van het team en daarmee de voortgang op het woongebied (de bijdrage aan de programmadoelen) beter te kunnen meten en evalueren en zo nodig te kunnen bijsturen. Deze methode staat echter nog in de kinderschoenen. Binnen de gemeente wordt erkend dat er nog verbeteringen aan te brengen zijn in de monitorings-systematiek, en dat de frisse start met een nieuwe Woonvisie hiervoor kansen biedt. Ook de reeds besproken doorontwikkeling van het programmatisch werken biedt kansen. 11
Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking.
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 30
Hiernaast worden de prestatieafspraken gemonitord in de tertiaalmonitors die besproken worden in het maandelijkse accountmanagersoverleg (AMO). Hoe dit de afgelopen jaren inhoudelijk en procesmatig is geëvolueerd, is beschreven in paragraaf 2.2.3. De ervaring van de woningcorporaties is dat de monitoring en evaluatie van de prestatieafspraken elk jaar een stapje beter wordt. Wel zou de focus nog meer moeten liggen op de doorwerking en opvolging van de afspraken. Dit laatste wordt onderschreven door de Huurdersbelangenvereniging Venlo (HBV). Zij merkt op dat een aantal onderwerpen meerdere malen vooruit is geschoven. Deze vertraging in uitvoering is vervelend. Zo duurt het bijvoorbeeld lang voordat de kosten van een urgentieaanvraag verlaagd kunnen gaan worden en staat het verbeteren van de aanpak van woonoverlast ook al lang in de prestatieafspraken. Dit zijn beide voorbeelden die de huurders direct raken. De HBV denkt dat een mogelijke verklaring een gebrek aan ambtelijke capaciteit is. De ambtelijke organisatie geeft overigens niet aan een capaciteitsprobleem te ervaren. Maar ook de gemeentelijke prioritering en enig optimisme in de planning van de prestatieafspraken kan een rol spelen. Zo blijkt vaak nader onderzoek nodig. De HBV ziet wel een grote voortgang op het vlak van de bouwprojecten, verduurzaming en de aanpak inzake schuldhulpverlening.
De HBV geeft aan dat het voor haar moeilijk is om een goed overzicht te krijgen van de geboekte resultaten en voortgang en heeft het vermoeden dat dit ook voor raadsleden het geval zal zijn. De monitoringsdocumenten zijn op onderdelen voor de HBV onoverzichtelijk en soms onduidelijk. In het format geldt het principe van ‘pas toe of leg uit’12. In de uitleg bij de achterblijvende prestaties wordt meermaals verwezen naar beleidsdocumenten of beleidstrajecten die onbekend zijn voor de HBV. Zo wordt bij een afspraak over het uitbreiden van het budget voor groeninvesteringen gemonitord met verwijzingen naar het ‘ontschotten van budgetten’ en ‘Europese aanbestedingen’. Dit zegt de HBV weinig. Het zou wat de HBV betreft dan concreter moeten worden: “Wat is de betekenis hiervan voor de gemaakte prestatieafspraak? Wat gaan we concreet, wanneer doen? Is de extra investering veel of weinig en wat merkt de inwoner of huurder ervan?” Het zou mooi zijn om steeds vanuit de bedoeling van de prestatieafspraak te denken. Klachten of irritaties hierover zijn overigens altijd te bespreken geeft de HBV aan. De gemeente geeft bestuurlijk aan dat alle partijen in de raad zich interesseren voor het woonbeleid. Het is ook een zogenaamd ‘B-dossier’, wat betekent dat de gemeenteraad het college vraagt kaderstelling op het onderwerp voor te bereiden.
3.9 Deelvraag 9: Heeft de gemeente de in het Uitvoeringsprogramma opgenomen instrumenten optimaal ingezet? Feitelijk zijn de prestatieafspraken het belangrijkste instrument waarmee invulling wordt gegeven aan het Uitvoeringsprogramma. Gezegd kan worden dat het Uitvoeringsprogramma feitelijk fungeert als raamovereenkomst tussen de gemeente en de woningcorporaties. Vaak wordt in het Uitvoeringsprogramma echter aangegeven dat ontwikkelaars en andere maatschappelijke partners betrokken moeten worden voor het behalen van de genoemde doelen en subdoelen. Zij zijn echter officieel geen partij in de prestatieafspraken tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisatie. In de uitvoering van de prestatieafspraken moeten deze relaties worden gelegd. Ook de Woonvisie zelf bevat geen verdere uitspraken over de wijze waarop de gemeente deze partijen betrekt in het behalen van de doelen of in hoeverre zij ‘stuurt’ op het handelen van deze partijen (binnen haar wettelijke mogelijkheden). Juist op dit laatste vlak zien de geïnterviewden veel kansen. Nu beleidsmatig ‘investeren’ voor de toekomst Al met al is er door de gemeente aangegeven dat de nieuwe Woonvisie kansen biedt om de opgave van het wonen opnieuw, integraal, en onderbouwd te bekijken. Een aantal zaken geeft hier aanleiding toe.
Ten eerste werd er in de huidige visie vanuit gegaan dat de gemeente op korte termijn met bevolkingskrimp te maken zou krijgen, en nu wijzen nieuwe prognoses uit dat dat niet rond 2030-2035 zal gebeuren, maar pas rond 2040-2045. Het ‘pas toe of leg uit’-principe houdt in dat – indien men een prestatieafspraak niet is nagekomen/ heeft gerealiseerd – men moet uitleggen waarom. 12
Nieuw Woonbeleid in Venlo. Wat gaat goed, wat kan beter? | Het bevindingenrapport: deel 2
Pagina 31
Dit maakt het gemakkelijker om de woningvoorraad voor te bereiden op de toekomst dan in een situatie van krimp. Er kan bijvoorbeeld nu nieuwbouw worden gepleegd, en later worden gesloopt wat niet meer courant is. Ook voor de verduurzaming zijn zulke ingrepen van belang. De gemeente wenst hiervoor in de nieuwe Woonvisie kaders neer te leggen, niet alleen voor de corporatievoorraad, maar ook voor andere ontwikkelende partijen. De wens is dat er straks helder is uitgezet wat voor soort initiatieven de juiste aanvulling zijn op de bestaande voorraad. Ten tweede geven ambtenaren aan dat de vergrijzing en verduurzaming komende jaren belangrijke opgaven zijn, en dat die met name in de bestaande bouw opgelost zullen moeten worden. Er wordt dus nu ook gekeken naar manieren om creatief met de voorraad om te gaan. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar braakliggende terreinen, oude fabrieken en herbestemming van leegkomende religieuze gebouwen. Als dat niet genoeg blijkt, meent de wethouder, kan daarna altijd nog naar uitleglocaties worden gekeken. Ook is het van belang om contact te gaan zoeken met woningeigenaren. Ten derde wordt de huisvesting van internationale werknemers een opgave. De komende 10 jaar zijn dat er ca. 10.000, rekende een geïnterviewde voor.
De bestuurlijke wens is dat er voldoende toegevoegd wordt voor deze groep, zodat er geen extra druk op de reguliere huisvesting komt te staan. De economische ontwikkelingen gaan nu harder dan de ontwikkeling van de huisvesting die tegemoet komt aan de toenemende vraag. Ook de raad heeft regelmatig aandacht voor dit thema gevraagd. Voor deze en andere facetten van het woonbeleid wil de gemeente naar de lange termijn kijken in het nu lopende Woonvisietraject. Aangegeven wordt dat het zaak is om nu “beleidsmatig te investeren” en voor de lange termijn lijnen uit te zetten voor vergrijzing, krimp en verduurzaming. De gemeente hoopt hierbij ook nog verder te groeien in het uitzetten van de programmaonderdelen, en deze te formuleren als opdrachten die in de organisatie op die manier goed geborgd kunnen worden. Woningcorporaties: een meer integrale visie is nodig Bovenstaande gemeentelijke visie wordt in belangrijke mate onderschreven door de woningcorporaties. De woningcorporaties benadrukken dat de keuzes die je in de woningbouwproductie maakt als gemeente en ontwikkelende partijen een groot lange-termijneffect hebben. Een woning die nu gebouwd wordt gaat vervolgens weer vijftig tot honderd jaar mee.
Venlo heeft dus eigenlijk een volkshuisvestelijke visie nodig met een langere beleidshorizon dan vier jaar, waar vervolgens consequent in meerdere Woonvisie-perioden en prestatieafspraken-cycli aan gewerkt kan worden. Hierbij is het belangrijk dat met alle betrokkenen de keuzes worden uitgedacht. Wat zijn de consequenties van de keuze; welke sturing is bijvoorbeeld nodig of is het nodig om korting te geven op de grondprijs? Dit maakt het maken van keuzes ook in de gemeenteraad waarschijnlijk wel moeilijker, maar er is dan duidelijkheid over waar men aan toe is, en de keuzes krijgen op die manier direct handen en voeten. Ook zou het mooi zijn wanneer in de Woonvisie op zoek wordt gegaan naar de dwarsverbanden tussen alle onderwerpen en betroken disciplines en de verbinding tussen de Woonvisie en de woningbouwprogrammering. Op dit gebied wordt de laatste regionale Woonvisie al een goed voorbeeld gevonden. Vervolgens is het wat de corporaties betreft wel belangrijk als gemeente integraal te blijven denken en handelen. Het komt soms voor dat er vanuit de ene afdeling sociale huurwoningen worden gestimuleerd, en dan vanuit een andere bemoeilijkt. Een voorbeeld is ook de grondprijs. De gemeente geeft aan dat het grondbedrijf in beginsel de primaire taak heeft om elk project financieel sluitend te maken, en marktconform te opereren.