CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

018bijl 1.1 BP Martinushof_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 20 april 2022, gemeente VenloBij agendapunt: 4.2: RV 18 Vaststellen bestemmingsplan Martinushof Tegelen.22.994 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. Ruimte in de stad In het stedelijk gebied wordt gestreefd naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever wil men bestaande woningen of gebieden aanpassen, dan dat er wordt uitgebreid. Afweging Het plangebied is gelegen binnen de stedelijke contour, zoals aangeduid op de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’. Nieuwe stedelijke functies, waaronder ook onderliggende vorm van wonen en de verplaatsing en uitbreiding van de supermarkten dienen een plek te krijgen binnen de stedelijke contour.

Het plangebied is conform de kaart ‘Ruimte in stad en dorp’ aangeduid als ‘woongebied’. Binnen dit gebied ligt het accent op wonen, inzetten op een sterkere mix met werken (milieucategorie 1 en 2) en

Hoofdstuk 4

31

diensten. Onderhavige ontwikkeling komt zodoende overeen met het gewenste gebruik ter plaatse van het besluitgebied. Tevens wil de gemeente Venlo ‘nee’ zeggen tegen ontwikkelingen die slechts leiden tot een uitbreiding van het stedelijk gebied in plaats van tot een kwaliteitsverbetering van het bestaand stedelijk gebied. Onderhavig initiatief draagt bij aan de doelstelling van zorgvuldig ruimtegebruik. Een braakliggend gebied aan de entree van het centrum van Tegelen wordt middels de onderhavige ontwikkeling getransformeerd wat zal leiden tot een stedenbouwkundige kwaliteitsverbetering. Daarnaast past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorzieningenbehoefte van de kern Tegelen, er zullen namelijk sociale huurappartementen worden toegevoegd waaraan behoefte is in de kern Tegelen. Tevens zal er een discount supermarkt worden toegevoegd binnen het plangebied welke ook aansluit in het voorzieningenniveau in de kern Tegelen, aangezien deze in de huidige situatie ontbreekt. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan op de uitgangspunten binnen de ‘Ruimtelijke Structuurvisie Venlo 2014’. 4.4.3 Woonvisie 2016-2021 In 2016 heeft de gemeente Venlo de ‘Woonvisie 2016-2021’ vastgesteld. Binnen deze visie is een overzicht opgesteld van het ontwikkelingsperspectief voor de stadsdelen en dorpen van Venlo. Het stadsdeel waarin de projectlocatie is gelegen betreft ‘Tegelen’.

Tegelen komt in aanmerking voor een groot aantal ontwikkelperspectieven, waaronder de volgende:  Toenemende woningbehoefte komende 15 jaar accommoderen;  Ontwikkelen woningen met toekomstwaarde voor verschillende doelgroepen (sociale en particuliere markt);  Investeren in woonaantrekkelijkheid en ruimtelijke kwaliteit;  Inzetten op een goede balans tussen koop en huur;  Toevoegen van kwaliteit en diversiteit aan de woningvoorraad (sociaal en particulier);  Inzetten op leefbaarheid (sociaal perspectief); o Wijkgericht aanpak; o Sociale wijkteams; o Huizen van de wijk; o Sociale structuur/ eigen identiteit. De belangrijkste opgaven van het woonbeleid zijn gelegen in de thema’s leefbaarheid, betaalbaarheid en beschikbaarheid (o.a. voor bijzondere doelgroepen), wonen met zorg en verduurzaming. Tot slot staat in de woonvisie beschreven dat de gemeente Venlo bij nieuwbouw levensloopbestendige bouw nastreeft. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan op deze doelstellingen. Afweging De beoogde ontwikkeling sluit voornamelijk aan op de sociale ontwikkelperspectieven. Er wordt immers voorzien in de realisatie van 21 sociale huur appartementen. Hiermee wordt vanuit sociaal perspectief ingezet op de leefbaarheid binnen de gemeente Venlo en in het bijzonder de kern Tegelen. De beoogde ontwikkeling sluit derhalve aan op de uitgangspunten binnen de ‘Woonvisie 2016-2021’.

Hoofdstuk 4

32

4.4.4 Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering De Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering vormen de lokale vertaling van de woningbouwkaders die in de voormalige Woonvisie Regio Venlo e.o. 2011-2015 waren vastgelegd. Alle woningbouwinitiatieven worden aan de Uitgangspunten Dynamische woningbouwprogrammering getoetst. Afweging Middels onderhavig plan wordt voorzien in 21 appartementen binnen de sociale huurwoningmarkt. De beoogde ontwikkeling van 21 woningen is onderdeel van de ‘strategische reserve’ van woningbouwcorporatie Antares. Antares heeft elders in Venlo goedkope woningen uit de eigen voorraad gesloopt en heeft daardoor een reserve opgebouwd die elders binnen de gemeente Venlo kan worden ingezet om nieuwbouw te realiseren en daarmee haar eigen kernvoorraad op peil te houden. De ontwikkeling voldoet derhalve aan de uitgangspunten van de dynamische woningbouwprogrammering aangezien er geen sprake is van nieuwe woningbouw contigenten. Bovendien voldoet het initiatief aan de regionale beleidskaders, welke recenter dan het woningbouwbeleid in Venlo zijn vastgesteld. 4.4.5 Detailhandelsbeleid Venlo 2015-2025 In het detailhandelsbeleid van de gemeente Venlo wordt als een uitgangspunt voor initiatieven op het gebied van detailhandel benoemd dat de ontwikkeling dient bij te dragen aan behoud en versterking van de bestaande detailhandelsstructuur.

Daartoe dienen nieuwe ontwikkelingen plaats te vinden binnen of in aansluiting op bestaande, perspectiefrijke winkelcentra. Hierbij moet gedacht worden in termen van keuzes, kwaliteit en structuur. Naast de toetsing van nieuwe initiatieven aan de benoemde algemene uitgangspunten zijn in het beleid enkele specifieke toetsingscriteria geformuleerd, te weten; 1. De ontwikkeling moet passen bij het koopgedrag dat het type winkelgebieden bedient. Voor het centrum van Tegelen is aangegeven dat het hierbij om dagelijkse boodschappen en effectief recreatief winkelen gaat. 2. Voor supermarkten gelden maximale afmetingen. Voor een winkelcentrum als Tegelen is 800 tot 2.000 m² wvo aangegeven. 3. De ontwikkeling moet passen bij het perspectief. Voor Tegelen is het perspectief als matig benoemd, waardoor er in principe geen toevoegingen plaats kunnen vinden, mits het om een versterking van het boodschappen aanbod gaat. Hierbij is nog het volgende toegelicht: “Schaalvergroting van bestaande supermarkten en de toevoeging discounter zijn mogelijk. Indien dit niet binnen de bestaande winkelstructuur te realiseren is, dient een boodschappencluster te worden gecreëerd aan de zuidzijde van het centrum. Het vrijkomen van Martinushof biedt hiervoor kansen. Onze acties zullen erop gericht zijn om te komen tot een kleiner, minder langgerekt centrumgebied.

Eventuele effecten op nabijgelegen buurtcentra zijn niet van belang”. 4. Transformatie naar andere functies is in randgebieden altijd mogelijk.

Hoofdstuk 4

33

Ten aanzien van de beide buurtsteunpunten in het stadsdeel Tegelen is aangegeven:  Glazenapplein: perspectief redelijk, ontwikkelingsrichting stabilisatie. Met kleinschalige uitbreidingen die de functie van het centrum bevorderen, dient soepel te worden omgegaan, mits er geen negatief effect op de ruimtelijke kwaliteit en leegstandsontwikkeling in Tegelen centrum is.  Steyl: perspectief matig, ontwikkelingsrichting stabilisatie/anders. Geen uitbreiding. De gemeente Venlo heeft verder in mei 2018, als specificering van het Detailhandelsbeleid Venlo 2015-2025 het kernwinkelgebied van Tegelen afgebakend. Binnen dit kernwinkelgebied wordt ingezet op detailhandelsfuncties, er buiten niet. Dat wil zeggen dat panden buiten het kernwinkelgebied waar detailhandel mogelijk is, maar die al langdurig niet als zodanig gebruikt worden, de detailhandelsmogelijkheid kunnen verliezen. Afweging De locatie van het supermarkteninitiatief is gelegen binnen het aangewezen kernwinkelgebied. Het initiatief sluit tevens naadloos aan bij het gemeentelijke beleid omdat de boodschappenfunctie van het centrum van Tegelen op de daarvoor beoogde plek wordt versterkt. 4.4.6 Welstand gemeente Venlo Venlo kiest voor meer vrijheid en flexibiliteit door de introductie van welstandsvrijheid in het welstandsbeleid.

Dit is in lijn met de wens van de gemeenteraad tot zelfsturing en zelfregie (stad van actieve mensen). Wat betreft welstandsbeleid doet dit een beroep op de zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid van de burger waar het de eigen leefomgeving betreft. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het private en publieke belang om te bepalen waar de burger aan zet is (privaat belang) en waar de taak van de overheid ligt (publiek belang). Sturen waar het moet, loslaten waar het kan. De regie van de overheid op welstandsgebied zal zich vooral richten op die plekken waar een publiek belang gediend wordt. Daar waar overheidssturing bijdraagt aan de kernkwaliteiten die de ruimtelijke identiteit van de gemeente Venlo bepalen. De welstandsnota biedt het kader waarmee de gemeente deze regie kan voeren: sturen op verschijningsvorm van de gebouwde omgeving. Welstandsniveau: beeldkwaliteitsplan Het kader voor de ontwikkeling van het centrum van Tegelen is het beeldkwaliteitsplan. Toevoeging op het beeldkwaliteitsplan De Raadhuislaan en omgeving is tot ontwikkeling gekomen na de bouw van het gemeentehuis in 1940 (architect F. Peutz) en in de jaren vijftig voltooid met de aanleg van het langgerekte plantsoen en de bouw van aangrenzende woningen. Het dorpscentrum ontwikkelde zich sindsdien in de richting van het Raadhuis en vond in de Raadhuislaan de oostelijke begrenzing.

Het plantsoen begeleidt de laan, bakent door zijn lengte het centrumgebied af en fungeert als waardig voorplein voor het Raadhuis en de flankerende woonbebouwing. Er is als het ware een langgerekte set back gemaakt met een parkachtige invulling en een bebouwingspatroon van (half)vrijstaande woonhuizen. Dit wederopbouwensemble wordt gedomineerd door het monumentale Raadhuis met klassiek tempelfront halverwege het plantsoen. De vrijstaande woonhuizen aan weerszijden zijn weliswaar bescheidener van omvang,

Hoofdstuk 4

34

maar hebben eveneens een voorname uitstraling door de iets verhoogde situering en de bordestrappen bij de voordeuren. De woningen staan in de rooilijn, liggen achter voortuinen met gemetselde muurtjes en hebben overwegend twee bouwlagen en een schild- of zadeldak met de nokrichting evenwijdig aan de straat. De gehanteerde bouwstijl is overwegend traditionalistisch met gemetselde, relatief gesloten gevels van roodbruine baksteen en hellende daken met gesmoorde pannen, kloeke schoorstenen en zinken mastgoten of houten bakgoten op klossen. Elke woning onderscheidt zich door een of meerdere bijzondere elementen of details, zoals luiken, raamomlijstingen, geaccentueerde entree, smeedwerk, goothaken, Vlaamse gevel, erker en/of balkon. Enkele woningen zijn wit geschilderd. De Raadhuislaan is een groots stedenbouwkundig gebaar met een voorname architectonische uitstraling. De uniformiteit in verkaveling, typologie en verschijningsvorm versterkt het karakter van een ensemble dat uitdrukking geeft aan de waarde die in de jaren vijftig werd gehecht aan een nieuw bestuurshart voor een uitdijend dorp: het leidt geen twijfel, hier zetelt de burgerlijke macht. Daarom is dit wederopbouwensemble van bijzondere waarde voor de gemeente Venlo.

De beoogde ontwikkeling van het Martinushof is reeds getoetst door de gemeente Venlo en passend geacht binnen uit het beeldkwaliteitsplan voor het Centrum Tegelen. Ten aanzien van de materialisatie zal er nog een nadere afweging plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

Uitsnede welstandkaart Venlo

Hoofdstuk 4

35

4.4.7 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt grotendeels het bestemmingsplan “Actualisatie en reparatie Centrum Tegelen”, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 25 september 2013 en voor het overige deel het bestemmingsplan ‘Centrum Tegelen’, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Venlo op 26 juni 2010. Binnen het bestemmingsplan ‘Actualisatie en reparatie centrum Tegelen’ zijn de gronden van het voormalig Martinushof bestemd als ‘Maatschappelijk’, zijn de parkeerplaats en de wegen bestemd tot ‘Verkeer- Verblijfsgebied’ en de rest van het openbaar gebied tot ‘Groen’. Verder is de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie” en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – archeologie – hoge tot middelhoge waarde’ voor het gehele plangebied opgenomen. Het geldende bestemmingsplan kent geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden waarmee de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Derhalve dient er een nieuw juridisch-planologisch kader te worden vastgesteld. Verder worden er geen belemmeringen verwacht vanuit het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4

36

5.

ONDERZOEK

Bij de toekenning van de nieuwe bestemmingen aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.

5.1 Milieu-aspecten 5.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen functiewijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. Omdat door middel van de beoogde ontwikkeling een wijziging plaatsvindt naar een gevoeligere functie, is een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd.5 Onderstaand wordt de conclusie hiervan weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Uit de verkregen gegevens dient redelijkerwijs opgemaakt te worden of potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse hebben plaatsgevonden. Op basis van het totaal aan informatie zijn géén aanwijzingen gevonden dat ter plaatse van onderhavige locatie (bodembedreigende) activiteiten hebben plaatsgevonden, die hebben kunnen leiden tot aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Wel is uit historisch kaartmateriaal te zien dat op de locatie mogelijk sprake is geweest van boomgaarden. Tevens zijn in de bodem puinresten aangetroffen. Indien het gaat om puin van onbekende herkomst, maakt dit de bodem in principe asbestverdacht. Echter, het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid om resten van de sloop in 2017. Aangenomen mag worden dat gezien de vigerende regelgeving eventueel in het gebouw aanwezig asbest voorafgaand aan de sloop is verwijderd, en de aanwezigheid van dit puin de bodem niet asbestverdacht maakt.

De onderzoekslocatie wordt op grond van het voorgaande verder beschouwd als een niet lijnvormige onverdachte locatie, hier geldt dus de hypothese onverdacht (ONV-NL). Wel wordt het aanbevolen het 5

Inpijn-Blokpoel ingenieursbureau, ‘Historisch bodemonderzoek aan de Raadhuislaan te Tegelen’, documentnr.:14POO3062ADV01, d.d. 20 februari 2020.

Hoofdstuk 5

37

standaard analyse pakket in verband met de voormalige boomgaarden op de locatie uit te breiden met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Daarnaast is ter plaatse van het projectgebied een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd.6 Onderstaand wordt de conclusie hiervan weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport. Zintuigelijk zijn in de bodem, naast een lokaal aangetroffen puinverhardingslaag, geen afwijkingen ten opzichte van een ‘natuurlijke’ samenstelling van de bodem geconstateerd. Analytisch zijn in de boven- en ondergrond en het grondwater geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond. Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft daarmee aanleiding de gestelde hypothese te handhaven. Het criterium voor nader onderzoek wordt voor de onderzochte parameters (dus ook) niet overschreden. De uitvoering van een nader bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De gevolgde onderzoeksopzet wordt als adequaat beoordeeld. Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar word geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw van een tweetal supermarkten met hierboven appartementen. De aanwezige puinverharding is analytisch niet onderzocht, ook niet op asbest.

Indien het gaat om gecertificeerd materiaal, is een dergelijke keuring overigens ook niet aan de orde. 5.1.2 Geluid met betrekking tot wegverkeerslawaai In het kader van deze planologische procedure is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie van de nieuwe woningen. Een nieuwe woning betreft een geluidsgevoelig object, wat inhoudt dat dient te worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger (tenzij ontheffing is verleend door het college van burgemeester en wethouders). In het kader van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.7

6

7

Inpijn-Blokpoel ingenieursbureau, ‘Verkennend bodemonderzoek aan de Raadhuislaan te Tegelen’, documentnr.: 14P003062-01-ADV-01, d.d. 17 maart 2020. Acht Advies, ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai’, rapportnr.: 819-1012-2, d.d. 27 maart 2020.

Hoofdstuk 5

38

Het bouwplan met 21 nieuwe woningen is gelegen binnen de zone van de Raadhuisstraat en De Brink, verder is het gelegen aan de 30 km/uur zones van de Gasthuisstraat en de Raadhuisstraat. De geluidbelasting ten gevolge van de Raadhuisstraat en De Brink is getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In verband met de garantie voor een goed woon- en leefklimaat is de geluidbelasting Lden bepaald van alle omliggende wegen. De geluidbelasting Lden bedraagt maximaal 60 dB. Een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd bij een binnenniveau van maximaal 33 dB. De geluidwering van de gevels van de woningen is berekend en getoetst aan deze waarde. Er wordt zonder aanvullende geluidwerende maatregelen voldaan aan deze waarde. Een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd. 5.1.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van maatschappelijke functies. Volgens de Atlas Leefomgeving lag de concentratie PM2,5 in 2018 ter plaatse tussen de 12 en 14 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 20 en 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Door M-Tech BV is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de herontwikkeling van voormalig verpleeghuis Martinushof te Tegelen. 8 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Conform de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de fijn stof- en NO2- immissies als gevold van de verkeersbewegingen rondom het plangebied getoetst aan de Wet milieubeheer.

8

M-Tech BV, ‘Onderzoek luchtkwaliteit ten behoeve van de herontwikkeling van de Martinushof te Tegelen’, rapportnr.: Mar.Teg.20.LK BP-02, d.d. 27 maart 2020.

Hoofdstuk 5

39

De emissies vanwege de beoogde situatie zijn berekend aan de hand van generieke emissiegegevens en specifieke verkeerscijfers. Met een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de planlocatie inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor alle immissiepunten, zowel nieuwbouw als bestaande woningen, wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer voor zowel PM10, PM2,5 als NO2. Derhalve zullen er voor het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan voor de geplaande ontwikkeling. Ter plaatse van de projectlocatie en omliggende woningen zal sprake zijn van een goedwoon- en leefklimaat. 5.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.

De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt o.a. de realisatie van woningen mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen beperkt kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpg-tankstations enzovoorts. Door M-Tech Nederland B.V. is het aspect externe veiligheid beschouwd in het kader van de ontwikkeling van het Martinushof te Tegelen.9 Onderstaand worden de conclusies uit dit rapport weergegeven, het volledig onderzoeksrapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting opgenomen.

9

M-Tech Nederland BV, ‘Externe veiligheid in het kader van de herontwikkeling voor het Martinushof te Tegelen’, rapportnr.: Mar.Teg.20.EV BP-04, d.d. 23 maart 2021.

Hoofdstuk 5

40

Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van de aardgastransportleiding, en de Bevi-inrichting MGG. De ontwikkeling ligt wel binnen het invloedsgebied van het spoortraject en de basisnetroute A73. Wanneer een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van de bron ligt, dient al dan niet een beperkte of volledige verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Aangezien de ontwikkeling niet binnen de 200 meterzone van beide basisnettrajecten liggen kan worden volstaan met een standaard tekst voor het verantwoorden van dit groepsrisico. Daarom kan worden volstaan met de standaard verantwoording groepsrisico uit de beleidsvisie van de Gemeente Venlo. (Hoofdstuk 5) Volgens artikel 7 van het Bevt dient de Veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld een advies uit te brengen op het gebied van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij een calamiteit over de ontwikkeling. Maar in dit geval kan worden volstaan met de standaard tekst uit de beleidsvisie en deze is opgesteld in samenspraak met de Veiligheidsregio. Ondanks de toename van het aantal personen in het plangebied levert dit geen extra risico’s op. Daarmee zijn vanuit de externe veiligheid geen belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Uit bovenstaande volgt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de onderzochte risicobronnen.

5.1.5 Milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij toekomstige planontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen om zodoende de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’10. Twee omgevingstypen De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-publicatie zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding.

Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

10

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 5

41

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype rustige woon-

Richtafstand tot omgevingstype gemengd ge-

wijk en rustig buitengebied

bied

1

10

m

0

m

2

30

m

10

m

3.1

50

m

30

m

3.2

100

m

50

m

4.1

200

m

100

m

4.2

300

m

200

m

De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden – hier aangeduid als gebieden met functiemenging – heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.

Gemengd gebied versus gebied met functiemenging In de VNG-publicatie wordt het begrip ‘gemengd gebied’ gebruikt om richtafstanden aan te geven tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca, kleine bedrijvigheid). Het begrip ‘gebied met functiemenging’ wordt gebruikt om aan te geven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn.

In gebieden met functiemenging wordt niet gewerkt met richtafstanden. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: - Categorie A: activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd;

Hoofdstuk 5

42

-

-

Categorie B: activiteiten die in een gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden; Categorie C: de activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij door de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

Voor het toestaan van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid; 2. productie en/of laad- en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) vinden hoofdzakelijk inpandig plaats; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur. Naast bovengenoemde 4 randvoorwaarden zijn bij de keuze van de activiteiten in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' de volgende criteria gehanteerd:  voor categorie A gaat het om activiteiten in milieucategorie 1;  voor categorie B betreft het activiteiten: 1. in categorie 1 voor het aspect gevaar; 2. in maximaal categorie 2 voor de aspecten stof en geur; 3. in maximaal categorie 3.1 voor het aspect geluid; 4. met een index voor verkeer van maximaal 1G (goederen) en 2P (personen);  voor categorie C gaat het om activiteiten zoals bij categorie B, maar met een index voor verkeer van maximaal 2G (goederen) en 3P (personen). Toets plangebied Het centrumgebied van Tegelen kan door de aanwezige combinatie van woningen, winkels, horeca, supermarkten en andere centrumvoorzieningen conform de VNG-publicatie aangemerkt worden als een gemengd gebied, een gebied met functiemenging. Het plangebied ligt namelijk in het winkelgebied van Tegelen.

Zoals hiervoor aangegeven is een (stads)centrum een gebied met functiemenging. Binnen het plangebied worden woningen en commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt. Op basis van de categorie-indeling voor gebieden met functiemenging worden binnen het plangebied categorie A-functies mogelijk gemaakt. Voorts is bekeken of er nabij het plangebied bedrijven/ inrichtingen zijn gevestigd die milieuhinder kunnen veroorzaken, die een belemmering zouden kunnen vormen voor de te realiseren milieugevoelige functies (woningen) binnen het plangebied. Vanuit het oogpunt van een goed-woon en leefklimaat zijn de nabijgelegen activiteiten (horeca, diverse winkels en supermarkt) zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving, dat de woningen aanpandig aan de beoogde commerciële voorzieningen (supermarkt) kunnen worden uitgevoerd. Andersom geredeneerd levert de ontwikkeling van de milieugevoelige functies binnen het plangebied ook geen beperkingen op voor in de omgeving gelegen inrichtingen. In de directe omgeving zijn met name categorie 1 en 2 inrichtingen met een richtafstand van respectievelijk 0 en 10 meter binnen gemengd gebied gelegen zoals winkels en horecavoorzieningen, welke passend zijn binnen een centrumgebied.

Hoofdstuk 5

43

Voor de inpassing van het plan en de nieuw te realiseren geluidsgevoelige bestemmingen (woningen) is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.11 Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. In verband met de vestiging van twee supermarkten met bovenop de supermarkten 21 woningen (geluidgevoelige functies), zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de activiteiten van de supermarkten berekend en getoetst aan het Activiteitenbesluit. Hieruit blijkt dat voor elk van beide supermarkten zowel in de dag- als in avondperiode bij bestaande en nieuwe woningen wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoogdelingsniveau en met betrekking tot de maximale geluidniveau’s. Dit geldt voor de totale geluidbelasting ten gevolge van bezoekers, de bevoorrading, de buiteninstallaties, het dichtslaan van autoportieren en het nestelen van winkelwagentjes. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, is tevens een beoordeling uitgevoerd volgens de handreiking van de VNG- Bedrijven en Milieuzonering. De nieuwe supermarkten en woningen worden gevestigd in een gemengd gebied, waarbij de richtafstand van 0 m van toepassing is op de nieuwe (eigen) woningen en op de kopgevel van het bestaande complex aan de nieuwe parkeerplaats.

Een toetst aan stap 2 uit de VNG wijst uit dat voldaan wordt aan de basiswaarden uit de VNG handreiking voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximale geluidniveau en met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving en in het eigen plan van de twee supermarkten is samen niet hoger dan 50 dB(A), het maximale geluidniveau is niet hoger dan 70 dB(A) en het niveau ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is niet hoger dan 50 dB(A). Er wordt voor de inpassing van het plan voldaan aan alle voorwaarden uit stap 2 van de VNG-handreiking. Het plan is derhalve akoestisch gezien inpasbaar.

5.2 Archeologie en cultuurhistorie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.

11

Acht Advies, ‘Akoestisch onderzoek supermarkten’, rapportnr.: 819-1014-3, d.d. 19 juli 2021.

Hoofdstuk 5

44

Op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Actualisatie en reparatie centrum Tegelen’ geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. RAAP heeft voor het plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd.12Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig onderzoek is als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in de noordelijke strook van het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen indien die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterende fase van een inventariserend veldonderzoek. Gezien de prospectiekenmerken van de verwachte vindplaatsen (grondsporen en vondsten) is een proefsleuvenonderzoek de geëigende methode voor vervolgonderzoek. In het overige deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS.

Cultuurhistorie Alvorens over te gaan tot sloop van het voormalig Martinushof heeft de gemeente Venlo een cultuurhistorische verkenning laten uitvoeren met uitgangspunten voor de herontwikkeling van deze locatie. 13 Onderstaand worden de conclusies en aanbevelingen van deze verkenning opgesomd. De gehele notitie is als separate bijlage bij onderhavig toegevoegd. Conclusies  De zusters van de Goddelijke Voorzienigheid begonnen in 1973 een religieus complex binnen het plangebied, gericht op onderwijs en vanaf 1927- gedurende een halve eeuw- ook op ziekenzorg. Daarna verdween het religieuze karakter langzaam: eerst de zusters, toen het zusterhuis en de school en binnenkort ook het ziekenhuis (inmiddels al gesloopt). De toekomst van het gebied wordt sinds de jaren tachtig gezocht in winkel- en woonfuncties.  Het zustercomplex groeide geleidelijk, deed daarin mee in de stedenbouwkundige koerswijzigingen van het dorp en transformeerde zo van een besloten enclave met een duidelijke voor- en achterkant aan de rand van het dorp tot een alzijdig complex aan het nieuwe dorpshart dat als scharnierpunt onderdeel uitmaakt van meerdere stelsels:  In de flank van de hartlijn Martinuskerk – Raadhuis;  Op het snijpunt van het kerkenkruis; 12 13

Raap, ‘Archeologisch vooronderzoek: een verkennend booronderzoek, plangebied Kerkstraat 238 te Tegelen, gemeente Venlo’, d.d. 20 juli 2020. Van Meijel – adviseurs in cultuurhistorie Nijmegen en Els Bet Stedenbouwkundige Rotterdam, ‘Herontwikkeling Martinushof Tegelen, cultuurhistorische uitgangspunten’, d.d. 10 november 2015

Hoofdstuk 5

45

 

Als front van het vierde kwadrant aan het plantsoen Raadhuislaan; Als tegenhanger van het hoogbouwensemble rond Albert Heijn;

Onderstaand wordt ingegaan op de aanbevelingen uit de notitie welke zijn voortgekomen uit bovenstaande bevindingen. Aanbeveling 1 Respecteer en versterk de karakteristieke kwaliteit dat de locatie Martinushof een belangrijke bijdrage levert aan de ruimtelijke samenhang van de langgerekte openbare ruimte aan de Raadhuislaan:  Door het vrijhouden van de wigvormige pleinruimte met zichtlijn op het front van het Raadhuis (hoofdelement aan deze openbare ruimte);  Door het eenduidig definiëren en afbakenen van één van de vier kwadranten rond het plantsoen;  Door de groene inrichting van een diep voorerf waardoor ruimtes aan weerszijden van de Raadhuislaan als één groot geheel samenwerken. Meer structuur in de beplanting en steviger beplanting op de parkeerplaats voor Albert Heijn kan dat effect nog verder versterken. Tevens kan kwaliteit aan deze ruimte worden toegevoegd door het weer zichtbaar maken van de Peskesbeek; markeert bovendien de plaatselijke laagte in het landschap.

Aanbeveling 2 Respecteer en versterk de karakteristieke kwaliteit dat in de rand van het kavel sprake is van een grote diversiteit aan buitenruimtes die elk op hun eigen manier qua vorm, schaal en/of inrichting aansluiten op de bebouwing en reageren op de overzijde zoals:  Het toegankelijke parkachtige veld op de hoek van de Raadhuislaan en Gasthuisstraat dat de verbinding maakt met het langgerekte plantsoen aan de Raadhuislaan;  De besloten hof met informele tuinachtige inrichting achter het ketelhuis en de trafo aan de Gasthuisstraat die de verbinding maakt met de kleinere schaal en geslotenheid van de bouwblokken van het dorp;  De afgescheiden, formeel ingerichte voorruimte maakt voor een bijzonder gebouw. Werk hoe dan ook aan een sterk samenbindend motief aan de randen van de kavel, waarbij geen storende achterkant situaties ontstaan. Aanbeveling 3 Onderken dat een parkeerterrein een belangrijke en veelgebruikte plek van aankomst is, en daarom een waardige entree, ontvangst en vervolg verdient:  Maak gebruik van een bijzonder cq.

fraai gebouw als blikvanger voor de entree: zo was het tracé van de Schoolstraat gericht op het coöperatiegebouw ‘De Volharding’ maar is deze zichtlijn tussen 1965 en 1985 dichtgezet;  Vergroot de verblijfskwaliteit van een parkeerterrein door er zoveel mogelijk een groene hof van te maken en de plint van de omringende gebouwen zo levendig mogelijk te programmeren;  Zorg ervoor dat de ontsluitingen op het eigen erf op een logische en waar mogelijk op een bijzondere manier aansluiten op de karakteristieke daarbuiten: het nieuwe moet samenwerken met het bestaande.

Hoofdstuk 5

46

Inmiddels is het voormalig complex van Martinushof al gedurende ruim twee jaar gesloopt. Bij de herinrichting van dit terrein is bij het eerste ontwerp rekening gehouden met bovenstaande aanbevelingen. Zo wordt het parkeerterrein zoveel mogelijk groen ingericht. Daarnaast is de gevellijn versprongen naar de achterzijde zodat vanuit de Raadhuislaan vrij zicht wordt behouden op het plangebied. De exacte inrichting van het terrein is momenteel nog niet uitgewerkt. Maar bij de uitwerking zullen bovenstaande aanbevelingen op de diverse tekening nader worden verwerkt. Bovendien zal de cultuurhistorisch waardevolle schoorsteen bovenop het voormalige ketelhuis behouden blijven binnen het plangebied en als landmark worden ingepast binnen de bebouwing. Op deze schoorsteen zal een nadere aanduiding worden opgenomen binnen onderhavig bestemmingsplan, zodat de cultuurhistorische waarde behouden blijft.

5.3 Natuur en landschap In de directe omgeving van het plangebied zijn geen gebieden met natuurwaarden of hoge landschapswaarden aanwezig. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. De openheid van het landschap wordt door deze ontwikkeling niet aangetast vanwege de ligging in het centrum. Gezien de grote afstand tot gebieden met natuur- of landschapswaarden zal het bouwplan geen afbreuk doen aan de waarden van deze gebieden.

5.4 Ecologie Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna14 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Conclusie Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

14

BRO, ‘Quickscan flora en fauna Martinushof te Tegelen’, rapportnr.: P02456, d.d. 23 januari 2020.

Hoofdstuk 5

47

Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige AERIUS-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde. Stikstof In het kader van de beoogde ontwikkeling is door BRO een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd.15 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Conclusie Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden en/of vogelrichtlijngebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage is geen melding of vergunning benodigd voor het plan. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.

5.5 Leidingen en infrastructuur In het plangebied zijn geen planologisch te beschermen leidingen aanwezig en worden geen nieuwe ontwikkelingen van kabels of leidingen met een beschermingszone mogelijk gemaakt. In het openbare gebied liggen wel de reguliere leidingen ten behoeve van nutsvoorzieningen. Deze zullen ten behoeve van de herinrichting van het plangebied verlegd gaan worden.

5.6 Verkeer en parkeren In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Grenspaal12 een onderzoek naar verkeer en parkeren uitgevoerd.16 Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie van de voormalige Martinushof bedroeg bij 225 bewoners ca. 630 mvt/etmaal. Deze relatief lage verkeersgeneratie is het gevolg van het feit dat bewoners van een verpleeghuis zelf meestal amper nog mobiel zijn. De verkeersgeneratie komt dan ook vrijwel alleen van personeel en bezoekers. Omdat onbekend is hoeveel niet-bewoners gebruik maken van dagbesteding is dit als schatting meegenomen in de berekening. De verkeersgeneratie van de nieuwe ontwikkelingen is bepaald door gebruik te maken van de verkeersgeneratietool van het CROW. Hieruit volgen de onderstaande intensiteiten (inclusief laden- en lossen) voor een maatgevende openingsdag (zaterdag): 15 16

BRO, ‘Aerius – berekening Martinushof Tegelen’, projectnr.: P02456, d.d. 15 oktober 2020. Grenspaal12, ‘Verkeersgeneratie en parkeerbalans Ontwikkelingen Martinushof’, kenmerk:20-0104-01_v5, d.d. 20 juli 2021.

Hoofdstuk 5

48

 

Supermarkt 1: Jan Linders. Omdat deze supermarkt een zeer gemiddeld prijsniveau hanteert, wordt een gemiddelde genomen van de CROW-normen voor fullservice middelhoog/hoog prijsniveau en fullservice supermarkt laag en middellaag prijsniveau. Dit geeft bij 2.152,4 m 2 bvo een verkeersgeneratie van tussen de 2.752 mvt/etmaal (middelhoog en hoog prijsniveau) en 3.214 mvt/etmaal (laag en middellaag prijsniveau). Gemiddeld levert dit een verkeersgeneratie op van 2.983 mvt/etmaal op. Supermarkt 2 (Discountsupermarkt) van 1998 m2 bvo: 2698 mvt/etmaal op een maatgevende dag; 21 woningen (huur middel): 74 mvt/etmaal op een maatgevende dag.

Dit alles levert een totale verkeersgeneratie op van (gemiddeld) 5.755 op een maatgevende openingsdag (=zaterdag). Dit betreft dan ook de gemiddeld drukste dag van de week. Op piekdagen rondom bijvoorbeeld de feestdagen kunnen drukkere pieken worden verwacht. De totale verkeersgeneratie binnen het gebied stijgt daarmee gemiddeld met ca. 5115 mvt/etmaal ten opzichte van de vroegere functie als verpleeghuis. Hierbij dient wel rekening te worden gehouden met de invulling van de huidige Jan Linders supermarkt. Aangezien de supermarkt aanduiding op deze locatie komt te vervallen met onderhavig bestemmingsplan , zal de verkeersgeneratie van dit pand dalen ten opzichte van de huidige functie. Daar deze oude ruimte direct naast de nieuwe supermarkt ligt is het aannemelijk te verwachten at het verschil in verkeersgeneratie tussen de supermarktfunctie en de maximale verkeersgeneratie van de detailhandelsfunctie als zodanig af te trekken is van de verkeersgeneratie van de nieuwe supermarkten op het voormalige Martinushof terrein. Te meer daar te verwachten is dat de klanten van de oude Jan Linders-vestiging en de nieuwe vestiging grotendeels gelijk blijven en dus deze klanten inclusief de bijbehorende verkeersgeneratie meeverhuisd naar de nieuwe vestiging.

Concreet betekent dit dat de verkeersgeneratie van de huidige Jan Linders vestiging mag worden afgetrokken van de verkeersgeneratie van de nieuwe supermarkten minus de maximaal te verwachten verkeersgeneratie van de nieuwe detailhandelsfunctie. Voor de berekening van de aftrek van de verkeersgeneratie is het aantal vierkante meters brutovloeroppervlakte van belang. De huidige winkelruimte bestaat uit circa 1.500 m2 bvo. Conform de kengetallen van de CWOR-rekentool: ‘Verkeersgeneratie en Parkeren’ levert dit een verkeersgeneratie op van 2.079 mvt/etmaal. Voor de nieuwe invulling bestaand uit detailhandel wordt in de berekening van de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van de kengetallen van algemene winkelpanden voor winkelgebieden in dorp/ en wijkcentra. Voor deze is gekozen omdat de eerstvolgende tree vanaf 20.000 inwoners ligt, terwijl de kern Tegelen iets meer dan 15.000 inwoners heeft. Vanuit deze kengetallen levert 1.500 m2 bvo een verkeersgeneratie op van 1.016 mvt/etmaal. Dit betekent dat de verkeersgeneratie binnen het plangebied feitelijk 1.063 verkeersbewegingen lager uitvalt. Conclusie is dat de toename van de verkeersgeneratie als gevolg van de herontwikkeling van het Martinushof 4.025 mvt/etmaal bedraagt. Verkeersstromen De Raadhuislaan en de Drink zijn beiden gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg, de Gasthuisstraat als erftoegangsweg.

Omdat het geheel aan functies vergelijkbaar blijft met de huidige situatie, is

Hoofdstuk 5

49

het logisch aan te nemen dat de verkeersverdeling ter plekke gelijk blijft. Wel betekent dit dat de verkeersdruk op met name het stuk tussen de uitrit van de parkeerplaats aan de Raadhuislaan (zuid) en de rotonde fors hoger wordt. Momenteel ligt de verdeling van het verkeer op de op de rotonde aansluitende takken ten opzichte van elkaar op de volgende percentages:  Raadhuislaan zuid: 3.300 mvt/etmaal (26%)  Raadhuislaan noord: 5.500 mvt/etmaal (43%)  De Drink: 3.900 mvt/etmaal (31%) Bij het verdelen van de extra verkeersgeneratie conform deze verdeling over de wegvakken worden de volgende insiteiten bereikt (stijging in mvt/etmaal, nieuw totaal mvt/etmaal):  Raadhuidlaan zuid: 1.054 mvt/etmaal (totaal: 4.354 mvt/etmaal)  Raadhuislaan noord: 1.742 mvt/etmaal (totaal: 7.242 mvt/etmaal)  De Drink: 1.256 mvt/etmaal (totaal: 5.156 mvt/etmaal) Verder zal op het specifieke stuk tussen de uitgang parkeerplaats en de rotonde de verkeersdruk stijgen van 3.500 mvt/etmaal naar 6.498 mvt/etmaal (huidige verkeersdrukte opgeteld bij de verkeerstijging voor de Raadhuislaan Noord en de Drink). Op dit stuk zijn er echter geen direct aanwonenden. Conclusie Het veranderen van functie van de Martinushof heeft substantiële invloed op de verkeersstromen in de directe omgeving van het plangebied.

De nieuwe functies op het terrein, en dan met name de beide supermarkten, hebben een forse aantrekkingskracht op het verkeer. De omliggende wegen zijn echter van dien aard en schaalgrootte dat de groei van het verkeer verwerkt kan worden. Beide wegen zijn gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg. Deze wegen zijn zodanig ontworpen dat intensiteiten van minimaal 6.000 mvt/etmaal verwerkt kunnen worden. De maximale intensiteit van 7.700 mvt/etmaal, welke op de Raadhuislaan (noordelijke tak) geprognosticeerd is, kan derhalve nog prima door deze weg verwerkt worden. Zoals berekend zal de verkeersgeneratie niet zo veel stijgen zoals in het eerste deel van de berekening is aangegeven. Omdat de Jan Linders supermarkt uit een naastgelegen pand naar de nieuwe locatie verhuisd zal een deel van de berekende verkeersgeneratie voor de nieuwe Jan Linders vestiging reeds bestaand verkeer zijn. In de praktijk zal dit leiden tot een fors lagere toename van verkeer. In een aanvullende berekening is het gedeelte van de huidige verkeersgeneratie dat door een nieuwe functie van het huidige Jan Linderspand, in verband met de bestemmingswijziging naar detailhandel, niet meer terugkeert afgetrokken van de verkeersgeneratie van de Martinushoflocatie.

Daarnaast zal er waarschijnlijk minder verkeer via de Raadhuislaan- zuid rijden richting de Schoolstraat, waar de parkeerplaatsen van de huidige Jan Linders zich bevinden. Dit doordat dit verkeer nu direct naar de nieuwe parkeerplaats kan rijden. Terwijl de Drink en de Raadhuislaan (noordelijke tak) reeds een groter deel van de verkeersstroom naar het plangebied op zich nemen. Omdat de nieuwe invulling van het huidige Jan Linders-filiaal nog niet bekend is, is deze eventuele daling niet op detailniveau beschouwd.

Hoofdstuk 5

50

Parkeren Op de ontwerptekening van de herontwikkeling van de voormalige Martinushof zijn in totaal 184 algemene openbaar toegankelijke parkeerplaatsen waarvan 36 parkeerplaatsen (21 gereserveerd) voor bewoners opgenomen. Uit de gemaakte parkeerbalans blijkt dat er minimaal 160 (waarvan 27 parkeerplaatsen voor bewoners) en maximaal 259 (waarvan 33 parkeerplaatsen voor bewoners) op basis van de CROW-kengetallen gerealiseerd dienen te worden. Gezien de projectlocatie ligt aan de rand van het centrumgebied van Tegelen, met een goede fiets- en OV-bereikbaarheid (nabij het treinstation en verschillende bushaltes) is te verwachten dat de verkeersgeneratie en de parkeerdruk lager ligt dan gemiddeld en daarmee eerder de minimumnorm dan de maximumnorm gehanteerd dient te worden. Daarnaast blijft ook de volledige parkeerplaats van de achter de ontwikkeling gelegen huidige Jan Linders intact waardoor hier parkeerplaatsen overblijven in verband met de bestemmingswijziging van dat Jan Linderspand aldaar. Hierdoor ontstaat een overschot aan parkeerruimte. Dit geeft alles samen redenen genoeg om de lage parkeernorm te hanteren voor de supermarkten. Dit betekent dat de 184 parkeerplaatsen in totaal, ruim voldoende zijn voor de geplande ontwikkeling.

Voor de 21 woningen is het gebruikelijk om, tenzij er gegronde redenen zijn om hiervan af te wijken, te middelen tussen het minimum en maximum aantal parkeerplaatsen dat uit de berekening volgt. In dit geval zouden dan 30 parkeerplaatsen benodigd zijn. De 36 geplande parkeerplaatsen waarvan 21 gereserveerd voor bewoners zijn in dit geval theoretisch voldoende. Verder is in de parkeernorm opgenomen dat er per woning 0,3 parkeerplaatsen (als onderdeel van de norm) beschikbaar dient te zijn. Dit komt neer op 9 parkeerplaatsen voor bezoekers van het bewoonde gedeelte. Gelet op de 36 geplande parkeerplaatsen, is te berekenen dat 21 beschikbaar (en gereserveerd) zijn voor bewoners en daardoor 15 overblijven voor bezoekers. Dit komt boven de gevraagde norm (van 9) en is dus voldoende. Een eventuele overloop naar parkeergelegenheid in de directe omgeving (parkeerplaatsen supermarkten) is een eventuele buffer indien noodzakelijk. De parkeerbalans verhoudt zich logisch ten opzichte van de geplande parkeerplaatsen. Door de verplaatsing van de Jan Linders uit het naastgelegen pand met behoud van haar volledige huidige parkeerruimte ontstaat een buffer voor eventuele piekdagen. Daarnaast is de minimale parkeervraag van 143 parkeerplaatsen ruimschoots afgedekt met de geplande 148 openbare parkeerplaatsen.

Voor de woningen wordt met 36 parkeerplaatsen voor 21 woningen voldoen aan de parkeerbehoefte. In totaal worden ten behoeve van dit project dus 184 parkeerplaatsen aangelegd. De geplande ontwikkeling van 2 supermarkten en 21 woningen op de locatie van de voormalige Martinushof is vanuit verkeerskundig oogpunt mogelijk.

Hoofdstuk 5

51

5.7 Waterparagraaf Aeres Milieu heeft in het kader van de beoogde ontwikkeling een beknopte waterparagraaf opgesteld. 17 Onderstaand wordt deze paragraaf samengevat weergegeven. Het volledig onderzoeksrapport is als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan opgenomen. 5.7.1 Waterhuishoudkundig systeem Grondwater Het geldend beleid is gericht op een duurzaam functionerend grondwatersysteem waarbij maatregelen en doelstelling van toepassing zijn om nieuwe hinder te voorkomen. Bij de (her)inrichting van het gebied en het (opnieuw) bouwrijp maken, moeten de natuurlijke afwatering via de bodem of het oppervlaktewater zodanig zijn dat geen aanvullende randvoorzieningen voor grondwater noodzakelijk zijn en er geen problemen ontstaan, ook niet voor de omgeving. Het plangebied ligt op een dalvlakterras welke mogelijk bedekt is met zavel. Door de hogere ligging van het centrum is een diepere grondwaterstand te verwachten. Uit het Dinoloket blijkt dat het grondwater ter plaatse op ca. 17-18 m +NAP te verwachten is (ca. 2-3 m-mv). De freatische grondwaterstromen is noordwestelijk gericht onder invloed van de Maas. Middels interpolatie uit de bodemkaart van Nederland blijkt dat ter plaatse een poldervaaggrond (zwak tot sterk siltige, fijne zandgrond) te verwachten is. Door de ligging in het bebouwd gebied is beperkte kaartinformatie beschikbaar.

Geïnterpoleerd uit de bodemdoorlatendheidskaart van Waterschap Limburg blijkt dat ter plaatse van het plangebied een slechte bodemdoorlatendheid te verwachten is. Volgens het Dinoloket bestaat de bodem naar verwachting tot ca. 3 m-mv. uit een zwak tot sterk siltig, fijn zandpakket (Formatie van Boxtel, matig doorlatend) op een grover zand/grindig pakket (tot ca. 17 m-mv; Formatie van Beegden, goed doorlatend). Het plangebied ligt niet binnen een (grond)waterbeschermingsgebied. Wel ligt het plangebied binnen de boringsvrije zone van Venloschol. Boringen dieper dan 5 meter boven NAP zijn verboden tenzij met een ontheffing heeft. Gezien de hoogteligging en voorgenomen bouwplan met winkelruimte ter plaatse wordt naar verwachting niet zo diep geboord en is derhalve geen ontheffing benodigd. Door de hoogteligging van het plangebied is bij de voorgenomen herontwikkeling geen grondwateroverlast te verwachten. Om instroom van hemelwater te vermijden, is een vloerpeil van 20 centimeter boven het maaiveld en/of de kruin van de nabijgelegen weg geadviseerd. Oppervlaktewater Door de ligging in het centrum van Tegelen is er binnen en nabij het plangebied (straal van 300 meter) geen (primair) oppervlaktewater aanwezig. (Noord)westelijk van Tegelen stroomt de Maas. Bij de herontwikkeling van het plangebied is geen directe invloed op het bestaand oppervlaktewaterstelsel te verwachten. 17

Aeres Milieu, ‘Beknopte waterparagraaf Martinushof te Tegelen’, projectnr.: AM19468, d.d. 4 mei 2020.

Hoofdstuk 5

52

Afvalwater Ter plaatse van het plangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Oostelijk van het plangebied in de Kerkstraat is een gescheiden stelsel aanwezig. Bij toekomstige vernieuwing van rioolstelsels worden deze doelmatig gescheiden aangelegd. Bij de voorgenomen nieuw is het gescheiden houden van waterstromen eenvoudig realiseerbaar (en tevens verplicht). Het afvalwater van de toekomstige nieuwbouw dient op omliggend aanwezige rioolstelsel aangesloten te worden. Door de sloop van het voormalige verpleeghuis (reeds gesloopt) en de realisatie van winkelruimte met bovengelegen appartementen is een afname aan de hoeveelheid afvalwater te verwachten. Wijzigingen aan de aansluitingspunten of afvoerhoeveelheden dienen gemeld te worden bij de gemeente Venlo. Hemelwater Het plangebied was bebouwd met een verpleeghuis, ketelhuis en omliggende verharding. Het verpleeghuis is omstreeks 2017-2018 gesloopt. Momenteel is het plangebied grotendeels braakliggend (komvorm) met het ketelhuis westelijk en oostelijk een parkeerterrein voor de nabijgelegen Jan Linders. Dit parkeerterrein is recent deels uitgebreid. Het hemelwater van de aangelegde asfaltverharding infiltreert binnen het plangebied in de bodem. Op het plangebied zijn verder geen aangelegde hemelwatervoorzieningen aanwezig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/14/documents/127