018bijl 1.1 BP Martinushof_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bij nieuwbouw dient het hemelwater 100% gescheiden te blijven en in de mate van het mogelijke ter plaatse verwerkt te worden. Tevens mogen waterproblemen niet worden afgewenteld op de omgeving maar dienen deze zoveel mogelijk op of nabij de nieuwbouwlocatie te worden opgevangen. Bij de nieuwbouw dient gebruik gemaakt te worden van duurzame of niet uitlogende bouwmaterialen. Bij het planvoornemen met winkelruimte en bovengelegen appartementen is geen potentiele grondwaterverontreiniging te verwachten. Het lokaal infiltreren van hemelwater heeft bij ontwikkelingen altijd de voorkeur. Door praktijkervaringen is vastgesteld dat een infiltratiesnelheid van ca. 0,5 meter per dag vereist is voor het succesvol toepassen van een infiltratievoorziening. Bij een lagere doorlatendheid kunnen reducerende omstandigheden optreden in de onverzadigde zone, die een ongunstige invloed hebben op het verwerkingsvermogen van een voorziening. Op basis van de gekende bodeminformatie is ter plaatse tot ca. 3 m-mv een zwak tot sterk siltige, fijne zandgrond te verwachten welke matig doorlatend is (ca. 0,3-1 meter per dag). Hieronder is tot ca. 17 m-mv een goed doorlatend grover zand/grindig pakket te verwachten (Formatie van Beegden
Hoofdstuk 5
53
Naast een milieukundig bodemonderzoek (rapportnr.:14P0030620-02-ADV-01, d.d. 1 maart 2020) en geotechnisch onderzoek (rapportnr.: 02P014671-RG-01, d.d. januari 2020) is ter plaatse van het plangebied door Inpijn Blokpoel een infiltratieonderzoek uitgevoegd.18 Onderstaand worden de conclusies van dit rapport weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledig rapport. Volgens de richtlijn ‘’Hemelwater binnen de perceelsgrens’’, ISSO publicatie 70-1 is infiltratie van hemelwater haalbaar indien: de doorlatendheid groter is dan 0,4 m/dag; de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper is dan 0,7 m – mv; het in te leiden neerslagwater niet is verontreinigd. De grondwater op de locatie is naar verwachting dieper dan 0,7 m – maaiveld. De k-waarde is over het algemeen kleiner of gelijk aan 0,4 m/dag. De bodem op de locatie is, conform deze richtlijnen, op basis van de gemeten k- waarden (ca. 0,3 m/dag) daardoor niet geschikt voor de infiltratie van hemelwater. Mogelijk kan gekozen worden voor de realisatie van een bergingsvoorziening met een overstort richting de riolering, zodat overtollig hemelwater vertraagd afgevoerd kan worden richting de (hwa)-riolering. Een bergingsvoorziening zou bijvoorbeeld in de vorm van een wadi, of een bergingskelder gerealiseerd kunnen worden.
Advies Waterschap In het kader van het vooroverleg is het onderhavig planvoornemen ter advisering voorgelegd aan het Waterschap Limburg. Het Waterschap heeft per brief laten weten dat de uitgangspunten die in deze waterparagraaf zijn opgenomen voldoen aan de eisen die de gemeente hieraan stelt. De eisen die het waterschap stelt bij het afkoppelen van hemelwater zijn hoger dan de eisen van de gemeente. Het Waterschap heeft geadviseerd rekening te houden met de hogere eisen. In bovenstaande waterparagraaf en het planvoornemen is invulling gegeven aan het advies van het Waterschap.
5.8 Milieueffectrapportage 5.8.1 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw in combinatie met supermarkten mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht.
18
Inpijn Blokpoel, ‘Infiltratie geschiktheid nieuwbouw 2 supermarkten en 21 woningen aan de Raadhuislaan te Tegelen’, documentnr.: 02P014671-02-adv-01, d.d. 20 maart 2020.
Hoofdstuk 5
54
Herontwikkeling Martinushof De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit milieueffectrapport (Besluit m.e.r.) het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk.
Uit paragraaf 5.4 ‘Ecologie’ blijkt er geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van een plan-m.e.r.-plicht. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, onderdeel D (11.2) van het Besluit m.e.r, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er geldt geen planm.e.r.-plicht. 5.8.2 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.
Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen.
Hoofdstuk 5
55
De achterliggende gedachte bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van onderhavig bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 14.000 m². Het project richt zich op de realisatie van woningbouw en supermarkten. Binnen het plangebied wordt 4135
Hoofdstuk 5
56
Kenmerken van het project Criteria
Toets m2 bvo vng bestemd voor twee supermarkten. Het overige gedeelte van het plangebied wordt ingericht als openbaar gebied en ingevuld met groen. Bovendien zal binnen dit gebied een parkeerterrein met 184 parkeerplaatsen worden gerealiseerd t.b.v. de herontwikkeling van het voormalig Martinushof. Tevens worden middels het bestemmingsplan rechtstreeks maximaal 21 woningen gerealiseerd.
Cumulatie met andere projecten
Nee, er is geen sprake van cumulatie met andere projecten bij de herontwikkeling van het voormalig Martinushof.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval wat ontstaat tijdens de bouw van de toekomstige bebouwing zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Dit zal geen permanente nadelige gevolgen hebben aangezien het slechts om een tijdelijke situatie gaat.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.3): Conform de NIBM-tool blijkt dat de ontwikkeling mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. In het luchtkwaliteitsonderzoek zijn de fijn stof- en NO2- immissies als gevold van de verkeersbewegingen rondom het plangebied getoetst aan de Wet milieubeheer.
De emissies vanwege de beoogde situatie zijn berekend aan de hand van generieke emissiegegevens en specifieke verkeerscijfers. Met een verspreidingsmodel is de luchtkwaliteit rondom de planlocatie inzichtelijk gemaakt. Het onderzoek is uitgevoerd conform de van toepassing zijnde regels zoals die volgen uit de Wet milieubeheer.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor alle immissiepunten, zowel nieuwbouw als bestaande woningen, wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer voor zowel PM10, PM2,5 als NO2.
Derhalve zullen er voor het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan voor de geplaande ontwikkeling. Ter plaatse van de projectlocatie en omliggende woningen zal sprake zijn van een goed-woon- en leefklimaat.
Bodem (zie ook paragraaf 5.1.1): Omdat door middel van de beoogde ontwikkeling een wijziging plaatsvindt naar een gevoeligere functie, is een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 uitgevoerd. Uit de verkregen gegevens dient redelijkerwijs opgemaakt te worden of potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse hebben plaatsgevonden.
Hoofdstuk 5
57
Kenmerken van het project Criteria
Toets Op basis van het totaal aan informatie zijn géén aanwijzingen gevonden dat ter plaatse van onderhavige locatie (bodembedreigende) activiteiten hebben plaatsgevonden, die hebben kunnen leiden tot aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Wel is uit historisch kaartmateriaal te zien dat op de locatie mogelijk sprake is geweest van boomgaarden.
Tevens zijn in de bodem puinresten aangetroffen. Indien het gaat om puin van onbekende herkomst, maakt dit de bodem in principe asbestverdacht. Echter, het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid om resten van de sloop in 2017. Aangenomen mag worden dat gezien de vigerende regelgeving eventueel in het gebouw aanwezig asbest voorafgaand aan de sloop is verwijderd, en de aanwezigheid van dit puin de bodem niet asbestverdacht maakt. De onderzoekslocatie wordt op grond van het voorgaande verder beschouwd als een niet lijnvormige onverdachte locatie, hier geldt dus de hypothese onverdacht (ONV-NL). Wel wordt het aanbevolen het standaard analyse pakket in verband met de voormalige boomgaarden op de locatie uit te breiden met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).
Daarnaast is ter plaatse van het projectgebied een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie hiervan weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport.
Zintuigelijk zijn in de bodem, naast een lokaal aangetroffen puinverhardingslaag, geen afwijkingen ten opzichte van een ‘natuurlijke’ samenstelling van de bodem geconstateerd.
Analytisch zijn in de boven- en ondergrond en het grondwater geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetoond.
Het geheel aan onderzoeksresultaten geeft daarmee aanleiding de gestelde hypothese te handhaven. Het criterium voor nader onderzoek wordt voor de onderzochte parameters (dus ook) niet overschreden. De uitvoering van een nader bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. De gevolgde onderzoeksopzet wordt als adequaat beoordeeld.
Resumerend kan bij beoordeling van het geheel aan onderzoeksresultaten gesteld worden dat de aangetroffen bodemkwaliteit aanvaardbaar word geacht en zodoende geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw van een tweetal supermarkten met hierboven appartementen.
Hoofdstuk 5
58
Kenmerken van het project Criteria
Toets De aanwezige puinverharding is analytisch niet onderzocht, ook niet op asbest. Indien het gaat om gecertificeerd materiaal, is een dergelijke keuring overigens ook niet aan de orde.
Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 5.1.2): In het kader van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.
Het bouwplan met 21 nieuwe woningen is gelegen binnen de zone van de Raadhuisstraat en De Brink, verder is het gelegen aan de 30 km/uur zones van de Gasthuisstraat en de Raadhuisstraat. De geluidbelasting ten gevolge van de Raadhuisstraat en De Brink is getoetst aan de voorkeursgrenswaar-de van 48 dB uit de Wet geluidhinder. Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. In verband met de garantie voor een goed woon- en leefklimaat is de geluidbelasting Lden bepaald van alle omliggende wegen. De geluidbelasting Lden bedraagt maximaal 60 dB. Een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd bij een binnenniveau van maximaal 33 dB. De geluidwering van de gevels van de woningen is berekend en getoetst aan deze waarde. Er wordt zonder aanvullende geluidwerende maatregelen voldaan aan deze waarde. Een goed woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd.
Geluid industrielawaai (zie ook paragraaf 5.1.5): In verband met de vestiging van twee supermarkten met bovenop de supermarkten 21 woningen (geluidgevoelige functies), zijn de geluidbelastingen ten gevolge van de activiteiten van de supermarkten berekend en getoetst aan het Activiteitenbesluit. Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, is tevens de cumulatieve geluidbelasting berekend en getoetst aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.
Voor elk van beide supermarkten wordt zowel in de dag- als in avondperiode bij bestaande en nieuwe woningen voldaan aan de eisen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en voor de maximale geluidsniveaus. Dit geldt voor de totale geluidbelasting ten gevolge van bezoekers, de bevoorrading, de buiteninstallaties, het dichtslaan van autoportieren en het nestelen van winkelwagentjes.
Om een goed woon- en leefklimaat te garanderen, is tevens een beoordeling uitgevoerd volgens de handreiking van de VNG- Bedrijven en Milieuzonering. De nieuwe supermarkten en woningen worden gevestigd in een gemengd gebied, waarbij de richtafstand van 0 m van toepassing is op de nieuwe (eigen) woningen en op de kopgevel van het bestaande complex aan de nieuwe parkeerplaats.
Hoofdstuk 5
59
Kenmerken van het project Criteria
Toets Een toetst aan stap 2 uit de VNG wijst uit dat voldaan wordt aan de basiswaarden uit de VNG handreiking voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximale geluidniveau en met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder). Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving en in het eigen plan van de twee supermarkten is samen niet hoger dan 50 dB(A), het maximale geluidniveau is niet hoger dan 70 dB(A) en het niveau ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is niet hoger dan 50 dB(A).
Er wordt voor de inpassing van het plan voldaan aan alle voorwaarden uit stap 2 van de VNG-handreiking. Het plan is derhalve akoestisch gezien inpasbaar.
Bedrijven en milieuzonering (zie ook paragraaf 5.1.5): Het centrumgebied van Tegelen kan door de aanwezige combinatie van woningen, winkels, horeca, supermarkten en andere centrumvoorzieningen conform de VNG-publicatie aangemerkt worden als een gemengd gebied, een gebied met functiemenging. Het plangebied ligt namelijk in het centrum van Tegelen. Binnen het plangebied worden woningen en supermarkten mogelijk gemaakt. Op basis van de categorie-indeling voor gebieden met functiemenging worden binnen het plangebied categorie A-functies mogelijk gemaakt. Vanuit het oogpunt van een goed-woon en leefklimaat zijn de nabijgelegen activiteiten zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving, dat de woningen aanpandig aan de beoogde supermarkten kunnen worden uitgevoerd. Andersom geredeneerd levert de ontwikkeling van de milieugevoelige functies binnen het plangebied ook geen beperkingen op voor in de omgeving gelegen inrichtingen. In de directe omgeving zijn met name categorie 1 en 2 inrichtingen gelegen zoals winkels en horecavoorzieningen, welke passend zijn binnen een centrumgebied. Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woningbouw en supermarkten. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron. Het planvoornemen voor zal niet leiden tot een groter risico van ongevallen.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden deels bestemd als ‘Maatschappelijk’ en deels als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Het plangebied is deels verhard en deels onverhard. De openbare ruimte is ingericht met parkeerplaatsen en een ontsluitingsweg.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
Hoofdstuk 5
60
Kenmerken van het project Criteria
Toets
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Schwalm-
den, reservaten en natuurparken,
Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg”, bevindt zich op circa 2,4 kilometer afstand
Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
ten zuidoosten van het projectgebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied betreft “Maasduinen”, op circa 10,5 km afstand ten noorden van het plangebied. Uit de AERIUS- berekening is gebleken dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden en/of vogelrichtlijngebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Derhalve wordt geconcludeerd dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan.
gebieden waarin bij communau-
N.v.t.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.3): In de directe omgeving van het plangebied
tureel of archeologisch belang
zijn geen panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde. De in het plangebied aanwezig zijnde schoorsteen (cultuurhistorisch waardevol object) zal behouden blijven als landmark binnen het plangebied. Vanuit cultuurhistorie is er een notitie geschreven met aanbevelingen voor het plangebied. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de aanbevelingen uit deze notitie. Archeologie (zie ook paragraaf 5.3): Op de archeologische beleidskaart heeft het plangebied deels een (hoge) archeologische verwachtingswaarde. Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek blijkt dat in de noordelijke strook van het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen indien die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een karterende fase van een inventariserend veldonderzoek. Gezien de prospectiekenmerken van de verwachte vindplaatsen (grondsporen en vondsten) is een proefsleuvenonderzoek de geëigende methode voor vervolgonderzoek.
In het overige deel van het plangebied wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan een melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2018. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), de gemeente Venlo of de Provincie Limburg.
Hoofdstuk 5
61
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 5.5 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee.
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Ne-
(voormalige EHS)
derland (NNN). De dichtstbijzijnde goudgroene natuurzone (Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk) ligt op ongeveer 770 meter ten noordwesten van het plangebied. Zie paragraaf 5.5 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Het plangebied is gelegen in de boringsvrije zone Venloschol, binnen het plange-
en grondwaterbeschermingsgebieden
bied zijn echter geen grondboringen voorzien van dieper dan 5 meter boven NAP, zie paragraaf 5.8.
Beschermd monument
Nee.
Belvedere-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
N.v.t.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake. De totale verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling bedraagt 4.025 voertuigbewegingen per etmaal. Uitgaande van een wordt-case scenario, dit is een scenario waarbij relatief veel verkeer per invalsroute naar het centrum wordt toegedeeld, kunnen de verschillende ontsluitingswegen (Raadhuislaan en de Drink) het extra verkeer als gevolg van de beoogde ontwikkeling goed verwerken. Derhalve bestaan er geen onevenredige effecten voor de omgeving t.a.v. de toename in de verkeersgeneratie. Uit de akoestische onderzoeken blijkt dat er evenmin sprake zal zijn van onevenredige effecten voor de omgeving als gevolg van de vestiging van de twee supermarkten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is sprake van de herontwikkeling van een braakliggend terrein. Op deze onbe-
van het effect
bouwde gronden wordt circa 4.000 m2 ingericht voor twee supermarkten. Daarnaast worden op de verdieping 21 appartementen gerealiseerd. Tevens wordt er een parkeerplaats aangelegd met 184 parkeerplaatsen. De effecten zijn blijvend.
Hoofdstuk 5
62
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets Zoals echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; en 3. De kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het besluit m.e.r. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
Hoofdstuk 5
63
6.
PLANSTUKKEN
6.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en de voorliggende toelichting.
6.2 Toelichting op de analoge verbeelding De analoge verbeelding is getekend op de GBKN, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden aangetekend dat de GBKN geen juridische status heeft.
6.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is aangesloten bij het SVBP 2012 en de bestemmingsplannen ‘Actualisatie en reparatie Centrum Tegelen' en ‘Centrum Tegelen’. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012.
Hoofdstuk 6
64
Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012. Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Bij een bestemming kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen ten behoeve van de in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen. Het bevoegd gezag kan bepalen om onder voorwaarden een omgevingsvergunning te verlenen en afwijken van de bouwregels. In de specifieke gebruiksregels wordt o.a.
geregeld welke functies als zijnde verboden gebruik worden aangemerkt. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de gebruiksregels onder bepaalde voorwaarden.
Hoofdstuk 6
65
Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Centrum – 1 De voor ‘Centrum -1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor diverse reeds aanwezige functies. Detailhandel is uitsluitend op de begane grond toegestaan. De volgende functies zijn in het gehele hoofdgebouw toegestaan: maatschappelijke voorzieningen, kantoren met en zonder baliefunctie, dienstverlening en zorgverlenende, bedrijven, voor zover deze voorkomen in de milieucategorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten Centrum, horeca categorieën 1 en 2, aan huis gebonden beroep, uitsluitend in het hoofdgebouw, en voorzieningen voor cultuur en ontspanning. Wonen is mogelijk op de verdieping. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen de gebouwen moeten worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte en maximale bebouwingspercentage zijn op de verbeelding aangeduid. Tevens is de aanduiding ‘supermarkt’ ter plaatse van de voormalige locatie van de Jan Linders weggehaald. Centrum – 2 De voor ‘Centrum – 2’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het onderhavig nieuwbouwplan. Ter plaatse van deze bestemming zijn twee supermarkten toegestaan met een maximum oppervlak van 4.135 m2 en 21 woningen. Op de verbeelding zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen de gebouwen moeten worden gebouwd.
De maximale goot- en bouwhoogte en maximale bebouwingspercentage zijn op de verbeelding aangeduid. Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen binnen het plangebied. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen – cultuurhistorisch waardevol object’ worden de aanwezigen cultuurhistorisch waardevolle objecten beschermd. Verkeer – Verblijfsgebied De voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf en voor parkeervoorzieningen. Binnen de voor ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ aangewezen gronden is een nadere aanduidingen namelijk ‘loading docks’ opgenomen voor de verdiepte expeditie. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen. Waarde – Archeologie Deze gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend moet archeologisch onderzoek worden gedaan. Onderzoek is niet nodig bij bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 500 m2 of tot een diepte van 40 cm. Voor het uitvoeren van de genoemde werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Ook hier moet eerst archeologisch onderzoek worden gedaan, en geldt een minimale oppervlakte
Hoofdstuk 6
66
van 500 m2 en een minimale diepte van 40 cm. Aan omgevingsvergunningen kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming verwijderen. Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene bouwregels is een algemene beschermingsregel opgenomen ten behoeve van bouwwerken. Daarnaast zijn regels opgenomen met betrekking tot het overschrijden van de bouwgrens en ondergronds bouwen. In de algemene gebruiksregels is het strijdig gebruik opgenomen en zijn regels opgenomen met betrekking tot de voorwaardelijke verplichting voor de supermarkt. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de overige regels zijn de parkeernormen opgenomen.
Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 6
67
7.
UITVOERBAARHEID
7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt aangewezen een bouwplan voor: a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e.
de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m² bruto-vloeroppervlakte. De voorgenomen ontwikkeling, is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a en b. Het kostenverhaal voor wordt geregeld middels een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. In deze overeenkomst is tevens het verhaal van eventuele planschadekosten geregeld.
Hoofdstuk 7
68
8.
OMGEVINGSDIALOOG
8.1 Omgevingsdialoog Voor de beoogde herontwikkeling van het Martinushof zal een omgevingsdialoog met de buurt, belanghebbende en de ondernemers van het centrum van Tegelen worden doorlopen. De resultaten van deze dialoog zullen beknopt worden toegevoegd als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan.
Hoofdstuk 8
69
9.
PROCEDURE
9.1 De te volgen procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De volledige procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening
is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aan de relevante besturen en diensten van de betrokken bevoegde gezagen gevraagd om een reactie te geven op het concept van het ontwerp-bestemmingsplan. Met betrekking tot het concept van het ontwerpbestemmingsplan zijn in het kader van het wettelijk vooroverleg reacties/adviezen ontvangen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De te nemen maatregelen/adviezen van de Veiligheidsregio zijn verder uitgewerkt en overgenomen in de ontwerpen. De nadere uitwerking en het opgestelde brandveiligheidsplan zullen als separate bijlage bij de omgevingsvergunningaanvraag worden ingediend.
Hoofdstuk 9
70
9.3 Vaststelling Het ontwerpbestemmingsplan ‘’Martinushof’’ heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang van 21 oktober 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen in het stadskantoor Venlo en op ruimtelijkeplannen.nl. Eenieder heeft gedurende deze termijn ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan zienswijzen kunnen indienen bij de gemeenteraad. Gedurende deze periode is er een zienswijze ingediend. Voor de inhoudelijke beantwoording van de zienswijze wordt verwezen naar de nota van zienswijzen, welke als separate bijlage bij onderhavig bestemmingsplan is gevoegd.
Hoofdstuk 9
71
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl