007 Bijlage 3 bestemmingsplan Berkter Hei 1a-1c toelichting.pdf
Tekst van het document
Vastgesteld
20
▪ ▪
Aan het plangebied dient de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ te worden toegekend ter bescherming van de Venloschol. Aan het plangebied dient de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Berkter Hei 1a -1c’ te worden toegekend om het landschappelijk inpassingsplan van de locatie planologisch te borgen.
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken de reeds bestaande bedrijfswoning aan de Berkter Hei 1c te benutten voor woondoeleinden alsmede het oprichten van twee woningen ter plaatse van het voormalige agrarische bedrijf Berkter Hei 1a. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied is bestemd tot ‘Wonen’ en gedeeltelijk tot ‘Natuur’. Er zijn drie bouwvlakken (15 meter diep) aan het plangebied zijn toegekend. Eén bouwvlak ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning (Berkter Hei 1c), één bouwvlak ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen (Berkter Hei 1a) en een bouwvlak ten oosten van de nieuwe woningen ten behoeve van de locatie Berkter Hei 1. Het bouwvlak ter plaatse van de Berkter Hei 1a is voorzien van de aanduidingen ‘vrijstaand’ en de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ waarmee de bouw van twee vrijstaande woningen mogelijk wordt gemaakt. Aan het plangebied is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing Berkter Hei 1a-1c’ toegekend zodat de beschreven landschappelijke inpassing van de locatie planologisch geborgd is in het bestemmingsplan. Het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’.
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten De locatie maakt onderdeel uit van de buurtschap Berkter Hei. Buurtschap Berkter hei betreft een kleinschalige wooncluster/buurtschap, dat deels nog gelieerd is aan agrarische functies, maar deels ook uit niet-functioneel aan het buitengebied gebonden woningen bestaat. Het initiatief past dan ook functioneel gezien goed bij de omgeving. In het kader van onderhavig initiatief zijn de bestaande agrarische opstallen reeds gesloopt. Hiervoor in de plaats worden twee woningbouwkavels gerealiseerd. Er zal dus meer bebouwing verdwijnen dan dat er terug gebouwd wordt. Dit draagt bij aan de ontstening van het buitengebied. Bouwtekeningen voor de nieuwe woningen zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar worden twee bouwrechten aan de locatie toegekend. De beide bouwrechten kunnen elk worden ingevuld met een vrijstaande woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woningen is momenteel dan ook nog niets bekend. Echter is het uitgangspunt dat de nieuwe beoogde woningen qua uitstraling passen in de omgeving.
Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de Adviescommissie Welstand en Erfgoed (AWE) zodat de op te richten woningen qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passend zijn in het heersende straatbeeld en de woningen ook kwalitatief passen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied is reeds sprake van een cluster van woningen. De nieuwe woningen zullen dan ook aan dit cluster worden toegevoegd. Het is daarom wenselijk om de nieuwe woningen in dezelfde lijn als de naastgelegen woning te leggen. Hierdoor blijven de overige delen van de kavels open waarmee het open landschap behouden blijft en plaatselijk zelfs versterkt wordt. Tevens zorgt dit voor een rustig straatbeeld ter plaatse. Voor het bouwvlak van de nieuwe woningen is dan ook de bestaande voorgevelrooilijn van de naastgelegen woning Berkter Hei 1c doorgetrokken. De bouwvlakken hebben een diepte van 15 meter. Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan dan ook worden geconcludeerd dat er geen sprake is van verslechtering van het stedenbouwkundige karakter. Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is het bouwplan passend.
Vastgesteld
21
Afbeelding 11.Beoogde verkaveling (rood beoogde bouwvlakken)
4.3 Landschappelijke inpassing De realisatie van de beoogde nieuwe bouwkavels gaat gepaard met een landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassing is vastgesteld in een landschappelijk inpassingplan1. Dit inpassingplan is als separate bijlage opgenomen. Met de aanplant van de voorgestelde beplanting is gegarandeerd dat de woningbouwkavels op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Met de landschappelijke inpassing wordt het plangebied in een groen kader geplaatst, mede doormiddel van het veiligstellen en verder ontwikkelen van de bestaande houtwal aan de noordoostzijde en het zo veel mogelijk behouden en uitbreiden van de bestaande groenstructuur langs de openbare weg. De aanplant van een nieuwe houtwal verbindt de bestaande fragmenten (aan de noordoostzijde) tot een aaneengesloten houtwal. Hierdoor ontstaat er naast een betere landschappelijke inpassing van de bedrijfsactiviteiten aan de noordoostzijde van het plangebied een robuustere aaneengesloten houtwal die een betere ecologische functie kan vervullen als broedplaats, foerageergebied, verbinding en als biotoop. De beoogde groenontwikkelingen direct aangrenzend aan dit bestemmingsplan zorgen ervoor dat de nieuwe houtwal onderdeel wordt van een groter netwerk aan groenstructuren en -gebieden.
De bestaande en nieuw houtwallen langs de noordoostzijde van het plangebied als ook langs de openbare weg blijven vrij van omkadering door hekwerken, muren of andere barrières, waardoor het ecologisch functioneren ervan geborgd blijft.
1 Landschappelijk inpassingsplan, Greenport Venlo ( d.d. 17 maart 2022, kenmerk: 20863-SO)
Vastgesteld
22
De aanleg van de nieuwe houtwal bestaat uit de aanplant van inheemse bomen en heesters. De bomen krijgen de eerste jaren begeleidingssnoei en één keer per 10 jaar wordt 50% van de heesters (gefaseerd) teruggezet, waardoor ze weer opnieuw uitlopen en er een dichte onderbegroeiing blijft bestaan. De grote bomen in de bestaande houtwal (noordoostzijde) hebben achterstallig onderhoud en krijgen een onderhoudsbeurt. De bestaande onderbeplanting wordt voor 50% direct afgezet en met een cyclus van 10 jaar ook in de toekomst gefaseerd voor 50% afgezet. De houtopstanden, zowel aan de voor- als achterzijde hebben in het bestemmingsplan de specifieke aanduiding ‘waardevolle houtopstand’ en ‘landschappelijke inpassing’, hetgeen ook in de regels verwerkt is. Bij de actualisatie van het bomenregister worden de houtopstanden opgenomen als waardevolle houtopstand. De landschappelijke inpassing sluit aan op het omliggende landschap en op de naastgelegen ontwikkeling Parc Zaarderheiken. Daarnaast draagt het voorgenomen landschappelijk inpassingsplan bij aan de verder landschappelijke ontwikkeling van het Klavertje 4-gebied, dit landschappelijk inpassingsplan maakt derhalve onderdeel uit van de grote ontwikkeling binnen dit gebied.
Afbeelding 12 Landschappelijk inpassingsplan van de locatie
Vastgesteld
23
Afbeelding 13 Landschappelijk inpassingplan locatie en omgeving
Vastgesteld
24
5 SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding Met de bestemmingswijziging en de daarmee gepaard gaande realisatie van de beoogde woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie.
Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’, aangezien de locatie is gelegen in een bebouwingscluster in het buitengebied met onder andere agrarische bedrijven en burgerwoningen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verkleind. Met onderhavig bestemmingsplan worden nieuwe woningen opgericht en wordt een bestaande bedrijfswoning functioneel gewijzigd in een burgerwoning. Woningen betreffen een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.
Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies.
Vastgesteld
25
De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de toegestane milieucategorie en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Binnen een straal van 500 meter van het plangebied bevinden zich de volgende milieubelastende functies: Tabel 1. Bedrijven in de omgeving van het plangebied
Bedrijf
Adres
Zonnepark (milieucategorie 2) Glastuinbouwbedrijf
X 2135 Venrayseweg 111 Venrayseweg 107
011, 012, 013
Niet-grondgebonden agrarisch bedrijf
Berkter Hei 2 Venrayseweg 346a
0146, 0147, 0149
Bedrijven tot cat. 3.2
Greenport Business Park Klaver 1 Oost Venrayseweg 117 Berkter Hei 3
Grondgebonden agrarisch bedrijf *
SBI-2008
Aan te houden afstanden Grootse richtafstand: 10 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 100 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter Grootse richtafstand: 50 meter Grootse richtafstand: 50 meter
Afstand tot plangebied 0 meter ( 10 meter 95 meter
135 meter 380 meter
300 meter 410 meter 330 meter 350 meter
* Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkveehouderij of een paardenhouderij. Derhalve is er gekeken naar de grootste richtafstand.
Aan alle richtafstanden wordt voldaan, behalve de richtafstand voor het naastgelegen zonnepark. Deze percelen grenzen direct aan elkaar. De eventuele hinder vanuit het zonnepark is afkomstig van de installaties behorende bij het zonnepark, de zonnepanelen zorgen niet voor eventuele hinder. De installaties staan op een afstand van circa 20 meter tot de plangebied grens. Derhalve wordt er voldaan aan de gestelde richtafstand. Omliggende bedrijvigheid heeft zodoende geen negatieve consequenties op het woon- en leefklimaat in de op te richten woningen. 5.2.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Berkter Hei 1a In het kader van de sanering van de voormalige agrarische opstallen is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd.
Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie, met uitzondering van de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekkingen, onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De bodem ter plaatse van de druppelzones van de asbestverdachte dakbedekkingen wordt als verdacht aangemerkt voor een bodemverontreiniging met asbest. Daarnaast is de milieuhygiënische kwaliteit van de aanwezige asfalt- en halfverharding en het funderingsmateriaal (indicatief) vastgesteld.
2 Verkennend bodemonderzoek Berkter Hei 1a, HMB (d.d. 16 juli 2021, kenmerk: 20292101A)
Vastgesteld
26
Naar aanleiding van het aangetroffen en aangetoonde asbest ter plaatse van diverse proefgaten en het aantreffen van verhoogde gehalten in het grondwater is er aanvullend onderzoek asbest3 uitgevoerd. Ter plaatse van de voormalige schuren en voormalige opritten is de grond aanvullend onderzocht: ▪ Voormalige schuren Ten aanzien van de voormalige schuren wordt geconcludeerd dat de hypothese ‘verdachte locatie’ stand houdt. In de toegepaste grond welke is gebruikt voor de egalisatie van het terrein is een lichte verontreiniging met PCB aangetoond. In de grond onder deze laag zijn geen verontreinigingen aangetoond. De verontreiniging is van geringe aard en komt overeen met de resultaten van het eerder uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. Getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit worden alle grondmonsters beoordeeld als klasse ‘Altijd toepasbaar’. ▪ Oprit oost Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ geen stand houdt. Geen van de onderzochte parameters zijn in de bodemlaag van het oorspronkelijke maaiveld c.q. de bodemlaag onder de voormalige puinhoudende halfverharding namelijk aangetoond in een gehalte boven de achtergrondwaarden. Indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit word de grond beoordeeld als klasse ‘Altijd toepasbaar’.
▪ Oprit west Ter plaatse van de (voormalige) westelijke oprit zijn in het oorspronkelijke maaiveld eveneens geen verontreinigingen aan de onderzochte parameters aangetroffen. De hypothese ‘verdachte locatie’ houdt derhalve geen stand. De monsters worden indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit beoordeeld als klasse ‘Altijd toepasbaar’. Op basis van het aanvullende onderzoek kan geconcludeerd worden dat de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het gebruik van de onderzoekslocatie. In het kader van het saneren van de bodemverontreiniging met asbest is een melding in het kader van het Besluit uniforme Saneringen (BUS) verricht bij het bevoegd gezag c.q. de gemeente Venlo (d.d. 14 oktober 2021, kenmerk: 1792724). De sanering is reeds afgerond en het evaluatierapport4 is opgesteld. Op basis van de uitgevoerde controlewerkzaamheden kan geconcludeerd worden dat de sanering in voldoende mate is uitgevoerd. Derhalve vormt het aspect bodem op de locatie Berkter Hei 1a geen belemmering meer voor de realisatie van de twee nieuwe woningen. Berkter Hei 1c Ook op de locatie Berkter Hei 1c is een bodemonderzoek5 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek worden ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek twee deellocaties onderscheiden, te weten: het onverdachte terrein en de ondergrondse HBO-tank.
Ter plaatse van het onverdachte terrein zijn geen aanleidingen om bodemverontreiniging te verwachte. De ondergrondse HBO-tank is verdacht voor bodemverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN). Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘onverdachte locatie’ voor de locatie stand houdt. In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen met barium, cadmium en zink aangetoond. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium, cadmium en zond) is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Ter plaatse van de voormalige tank zijn in afwijking op de NEN 5740 geen analyses van de grond verricht. Hoewel het grondwater niet verontreinigd is met de onderzochte parameters kan gelet op de afwijking van de NEN 5740 niet gesteld worden dat de hypothese ‘verdachte locatie’ verworpen wordt. Indien er ontwikkelingen plaatsvinden ter plaatse van de ondergrondse tank dient aanvullend onderzoek plaats te vinden conform NEN 5740. Hierbij dienen boringen door de
3 Aanvullend bodemonderzoek (asbest), HMB (d.d. 19 januari 2022, kenmerk: 2123502A.2) 4 Evaluatie sanering, HMB (d.d. 11 oktober 2021, kenmerk: 21274001F) 5 Verkennend bodemonderzoek Berkter Hei 1c (versie 3), HMB (d.d. 25 januari 2022, kenmerk:
Vastgesteld
21308801A)
27
tegelverharding verricht te worden. Dit onderzoek zal op korte termijn niet plaats vinden, de gronden zijn in eigendom van de bewoner van Berkter Hei 1c De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De onderzoeksresultaten geven geen gaanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.2.3 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
Vastgesteld
28
Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger (voorkeursgrenswaarde), tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB. Bij de bestemmingswijziging van de bestaande bedrijfswoning tot burgerwoning is géén sprake van het realiseren van een nieuwe geluidgevoelige functie. In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning betreft. Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting, in het kader van de bestemmingswijziging van de bedrijfswoning, is derhalve niet noodzakelijk. Met het oprichten van de twee nieuwe woningen is wel sprake van een nieuwe woonfunctie.
Om de geluidbelasting van wegverkeerslawaai op de gevels van de beoogde nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai6 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus wordt voldaan aan de eisen uit de Wgh. Aangezien de ongecorrigeerde totale geluidsbelasting niet hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woningen zijn dan ook niet noodzakelijk. Het aspect wegverkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.2.4 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.
een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de 6
Akoestisch onderzoek, HMB (d.d. 6 augustus 2021, kenmerk: 21286701N)
Vastgesteld
29
luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig initiatief wordt per saldo slechts twee woningen toegevoegd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het saneren van de agrarische bedrijvigheid en het daarvoor in de plaats oprichten van twee nieuwe woningen draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, derhalve is er sprake van verbetering van de luchtkwaliteit. Daarnaast verdwijnen door het formeel saneren van de pluimveehouderij de transportbewegingen van met name zwaar verkeer en de uitstoot van fijn stof door het pluimvee. Dit heeft een bijzonder positief effect op de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.
De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.
Vastgesteld
30
Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,6 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 17,5 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid.
Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2017 in werking getreden Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. Een woning betreft een geurgevoelig object. De woningen kunnen derhalve geurhinder ondervinden van veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied liggen echter geen veehouderijen meer. Geconcludeerd kan worden dat door het ontbreken van veehouderijen in de wijde omgeving van het plangebied dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast. 5.2.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen.
De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen
Vastgesteld
31
kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.
In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 2. Wanneer verantwoorden?
Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijkswaterwegen (Bevt)
en
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. De gemeente Venlo beschikt eveneens over een ‘Beleidsplan Externe Veiligheid Venlo’. Externe veiligheid is geen op zichtzelf staand thema maar een integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. Het verbindt de domeinen fysieke omgeving, risicobronnen en mogelijkheden tot beheersbaarheid. Bij het maken van afwegingen over het gebruik van de ruimte gaat het om het vinden van een goede balans tussen deze domeinen. In het algemeen geldt dat naarmate de afstand tussen de risicobron en de bebouwde omgeving groter is, het risico lager is. Afstand houden is daarom zinvol, maar binnen de stedelijke context erg lastig; de stad is immers behoorlijk vol gebouwd en de vraag naar ontwikkelingsruimte is groot. De insteek van het beleidsplan is om de schaarse (industrie)grond maximaal te benutten maar met minimale risico’s, waarbij externe veiligheid goed is ingebed in het gemeentelijk planproces.
Vastgesteld
32
Buisleidingen: afstand tot het plangebied 145 en 150 meter
A73: afstand tot het plangebied 800 meter
Afbeelding 14. Uitsnede risicokaart Nederland (plangebied rood omcirkeld)
Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Limburg en het gemeentelijk beleid ligt het plangebied in en in de nabijheid enkele risicovolle inrichtingen en/of activiteiten: ▪ Een bovengrondse propaantank met een reservoir van 18.000 liter, gelegen binnen het plangebied; ▪ Een buisleiding (I6) van de Rotterdam-Rijn-Pijpleiding, op een afstand van 145 meter van het plangebied; ▪ Een buisleiding (I9) van de Rotterdam-Rijn-Pijpleiding, op een afstand van 150 meter van het plangebied; ▪ De rijksweg A73 waarover transport met gevaarlijke stoffen plaats vindt, op een afstand van 800 meter van het plangebied. Tevens is het plangebied gelegen binnen zone III conform gemeentelijke beleid. Verder wordt geen melding gemaakt van risicovolle inrichtingen of activiteiten in de nabijheid van het plangebied. Propaantank De propaantank ter plaatse van het plangebied is reeds gesaneerd gelijktijdig met het saneren van de voormalige agrarische opstallen. Derhalve is niet langer sprake meer van een propaantank ter plaatse van het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen – A73 Risicovol transport kan plaatsvinden over de A73, welke in de nabijheid ligt van het plangebied. De A73 ligt circa 800 meter ten oosten van het plangebied. Het plaatsgevonden risico ligt op de weg.
Derhalve vormt het plaatsgebonden risico in dit geval geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling. Tevens vormt de hoogte van het groepsrisico eveneens geen belemmering aangezien het plangebied op een afstand van meer dan 200 meter van de A73 is gelegen. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in het bestemmingsplan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Transport gevaarlijke stoffen – Buisleiding Op een afstand van 145 meter, ten zuiden van het plangebied, ligt de buisleiding (I6) van de Rotterdam-Rijn Pijpleiding N.V.. Het betreft een 36” transportleiding met licht ontvlambare producten van de K1- categorie onder hoge druk (43 bar). De plaatsgebonden risicocontour van deze leiding bedraagt 35 meter.
Vastgesteld
33
Op een afstand van 150 meter, ten zuiden van het plangebied ligt de buisleiding (I9) van de Rotterdam-Rijn Pijpleiding N.V.. Het betreft een 36” transportleiding met licht ontvlambare producten van de K1- categorie onder hoge druk (62 bar). De plaatsgebonden risicocontour van deze leiding bedraagt 45 meter. Beide plaatsgebonden risicocontouren reiken niet tot aan het plangebied en vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. Zone III Ruimtelijke ontwikkelingen die op meer dan 200 meter van transportassen (zone III) zijn gelegen is conform het gemeentelijke beleid een standaard verantwoording opgesteld. Voor deze zone (invloedsgebied toxische stoffen) gelden geen beperkingen voor het gebruik. Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: ▪ de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; ▪ de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); ▪ de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in het beleidsplan externe veiligheid.
De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: ▪ toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; ▪ kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Het plangebied wordt veelal alleen blootgesteld aan de gevolgen van een toxische gaswolk bij ‘optimale’ weersomstandigheden (bijvoorbeeld Pasquilklasse F1.5: weinig vermenging met schone lucht), die gedurende het jaar procentueel weinig voorkomen. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen.
Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmeringssysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.
Vastgesteld
34
5.2.7 Milieueffectrapportage Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).
Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.
het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project
Vastgesteld
Toets Het project heeft betrekking op het realiseren van twee woningbouwkavels en het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De beoogde woningbouwkavels worden gerealiseerd ter plaatse van de voormalige pluimveehouderij. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken wordt de agrarische bestemming omgezet naar een woonbestemming.
35
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten. Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Toets Agrarisch N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting)
Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied
Vastgesteld
Toets Nee Nee Nee Nee Nee Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde Nee Nee
36
Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De activiteiten komen niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief de bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venlo als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisiekaart ‘Milieubeschermingsgebieden’ en ‘Grondwateronttrekking’ liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Blijkens de kaart ‘Ondergrond’ maakt het plangebied en omgeving onderdeel uit van een boringsvrije zone. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In
Vastgesteld
37
deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan. Met de ontwikkeling van het plangebied zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als veldpolgronden, bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een matige bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand 140 -160 cm onder maaiveld is gelegen.
Afbeelding 15. Uitsnede kaart GHG
Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat in het plangebied geen oppervlaktewater is gelegen. Op een afstand van 75 meter ten noorden van het plangebied stroomt de Achterste Vinkenpeel, een secundaire watergang van het waterschap. Op een afstand van 350 meter ten westen van het plangebied is de Buffer Klaver 1 gelegen, eveneens een secundaire watergang van het waterschap. Op beide watergangen is de Keur van toepassing. De bestemmingswijziging van het plangebied heeft geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van beide watergangen, de onderlinge afstand is daarvoor te groot. Afvalwater / riolering Het vuilwater afkomstig van de twee nieuwe woningen zal geloosd middels een IBA systeem. Er is geen riolering aanwezig ter plaatse van het plangebied. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen dient de initiatiefnemer aan te tonen welk IBA systeem aangelegd zal worden in het kader van het ontwikkeling.
Vastgesteld
38
Het vuilwater afkomstig van de bestaande bedrijfswoning Berkter Hei 1c blijft zoals in de huidige situatie geloosd worden op de reeds aanwezige IBA. Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Binnen de boringsvrije zone Venloschol is het niet toegestaan om beneden 5 meter boven NAP: a. een boorput te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onderhavig plangebied is op 26,0 meter boven NAP gelegen. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 21,0 meter geroerd kan worden. Dit is in onderhavig initiatief niet aan de orde. Water in relatie tot ontwikkeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt weliswaar de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van een woning, bijgebouwen en erfverhardingen) toegekend maar is geen sprake van toename aan verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Er is juist sprake van een aanzienlijke afname van verharding.
Conform het gemeentelijk beleid ‘Afkoppel beslisboom gemeente Venlo’ dient het hemelwater op eigen terrein opgevangen en geïnfiltreerd te worden. In de bestaande situatie is het plangebied nagenoeg volledig bebouwd en verhard. Alleen langs de randen zijn onverharde groene, ruimten aanwezig. In de beoogde situatie, zijnde twee woningen, zal een groot deel van het plangebied ingericht worden als tuin. Derhalve is er sprake van een wijziging zonder toename van verhard oppervlak (in dit geval is er zelfs sprake van een afname), waardoor bergingseis 1 van toepassing is. Echter dient, gelet op het feit dat er tevens nieuwbouw plaats vindt de ontwikkeling op basis van het waterschapsbeleid toch aangemerkt te worden als nieuwe ontwikkeling en dus sprake van nieuw verhard oppervlakte. Hiervoor geldt een bergingseis van 100 mm per m² verharding, die op eigen terrein moet worden geborgen en/of geïnfiltreerd. Aangezien er nog geen bouwtekeningen voor de nieuwe woningen aanwezig zijn dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de realisatie van de woningen aan te tonen dat er voldaan wordt aan de bergingseis.
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Echter is er aan de zuidzijde van het plangebied wel een trafo gelegen. Deze trafo is eigendom van Enexis. Met onderhavige ontwikkeling blijft deze trafo gehandhaafd. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Vastgesteld
39
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bestemmingswijziging en de daarmee gepaard gaande realisatie van twee woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora en fauna7 uitgevoerd (zie separate bijlagen). De conclusie uit het uitgevoerde quickscan flora en fauna luidt dat herbestemming van het plangebied niet zal leiden tot overtreding van de Wnb mits er maatregelen worden getroffen voor broedvogels en de rugstreeppad. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Gedurende de bouwwerkzaamheden moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli.
Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Het is verboden om nesten van broedende vogels te beschadigen of te vernietigen. Als werkzaamheden niet buiten het broedseizoen gepland kunnen worden, dan geldt de aanbeveling om de locatie voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt te maken. Ook bestaat de mogelijkheid om voorafgaande aan de werkzaamheden de locatie door een ter zake deskundige te laten controleren op broedende vogels. Hierbij bestaat het risico dat de werkzaamheden uitgesteld moeten worden als een broedgeval geconstateerd wordt. Als aanbeveling geldt om met zekerheid schade aan broedgevallen uit te sluiten, de werkzaamheden geheel buiten de broedtijd van vogels uit te voeren. Ter voorkoming van het in gebruik nemen van het plangebied door de rugstreeppad in de bouwfase wordt aanbevolen om: ▪ Natte plekken en kleine plasjes water te dempen of af te dekken. Als dit niet lukt dan paddenschermen plaatsen. ▪ Tijdig zandige omstandigheden weg te nemen of alle werkzaamheden af te ronden voor eind augustus (vanaf eind augustus gaan rugstreeppadden op zoek naar vergraafbare grond om de winter door te brengen). 5.5.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Maasduinen, ligt op 5 kilometer afstand van het plangebied.
In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. 7 EQO, Quickscan flora en fauna Berkter Hei 1a te Venlo (d.d. 5 september 2021, projectnummer: 00221)
Vastgesteld
40
Gebruiksfase Met onderhavig initiatief worden twee woningbouwkavels gerealiseerd en wordt de reeds bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer. Derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woningen uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: koop, huis, vrijstaand; ▪ Gebiedstype: buitengebied, niet stedelijk. Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 17,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). De stikstofemissie neemt tijdens de gebruiksfase toe met 0,3 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
Bouwfase Ook tijdens de bouw is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.). De bouwtijd van het recreatiegebouw zal in totaliteit circa zal in totaliteit circa 12 weken bedragen (60 bouwdagen). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen. Dit betreffen de volgende gegevens voor twee: ▪ Aanvoer beton voor fundering: 6 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen: 6 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor begane grondvloer: 8 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren eerste verdieping: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor eerste verdiepingsvloer: 8 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren tweede verdieping: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer beton voor tweede verdiepingsvloer: 8 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer dakplaten: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens en 5 bestelbusjes. ▪ Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens en 5 bestelbusjes.
Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 10 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat beton wordt gestort voor de betonvloer). In totaliteit doen 10 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,2 (0,16) bestelbusje per dag. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Een worst-case scenario is ingevoerd in Aerius Calculator, bestaande uit 10 zware voertuigen en 1,2 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.