CConstaterende datVenlo
Koppel je AI →
Document · PDF

006 bijl01 Toelichting bestemmingsplan Herziening bestemmingsplan Trefcenter.pdf

Raadsvergadering 28 februari 2024, gemeente VenloBij agendapunt: 5.2: RV006 Vaststellen bestemmingsplan Herziening Trefcenter18.723 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Een keur aan instrumenten en arrangementen hebben het in Venlo mogelijk gemaakt om zoveel mogelijk inwoners de kans te bieden op betaald werk, passend bij de mogelijkheden van zowel de werkgever als werknemer. Grenzeloos Wat betreft de grensligging is het (relatieve) gemak toegenomen waarmee over en weer gebruik wordt gemaakt aan beide zijden van de grens van elkaars kwaliteiten en profiteren van elkaars aanwezigheid. De stedelijke en regionale programmering op een breed scala aan onderwerpen is veel hechter geworden. Gezondheid De ambitie om de Gezondste regio te zijn heeft geleid tot een breed aanbod aan economische activiteiten die hieraan invulling geven. Gezonde voeding en een gezonde levensstijl hebben gemaakt dat niet alleen onze economie, maar vooral ook onze inwoners hebben geprofiteerd. De vrijetijdseconomie heeft mede daardoor een stevige impuls gekregen. Venlo is niet alleen omwille van haar historie, winkelaanbod en ligging de moeite van het bezoeken waard, maar ook door de mogelijkheden om te kunnen wandelen, te kunnen fietsen, te kunnen ontspannen en te genieten van al het goede en lekkers dat specifiek in onze regio aan voeding wordt geproduceerd. Rol van de gemeente Venlo In de toekomst is de gemeente in staat op basis van ervaring een onderscheid te maken tussen de verschillende vormen die er bestaan tussen loslaten enerzijds en overnemen anderzijds.

De gemeentelijke organisatie heeft ook een transformatie doorgemaakt. Digitalisering heeft het mogelijk gemaakt dat iedere inwoner, op ieder moment van de dag, snel zijn gegevens kan inzien en van onze dienstverlening gebruik kan maken. Afweging De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het beleid van de gemeente om Venlo het centrum van de Euregio te laten worden. Met de beoogde optimalisering van het Trefcenter zal Venlo nog aantrekkelijker worden voor winkelend publiek. Het past dus bij het thema Venlo Euregio.

Hoofdstuk 3

23

3.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie 2014 Op 25 juni 2014 heeft de gemeenteraad van Venlo de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo vastgesteld. In de structuurvisie staat de hoofdlijn van het ruimtelijk beleid voor de gemeente Venlo beschreven. Hieruit is af te leiden wat er de komende jaren op ruimtelijk gebied wel en niet mogelijk is. De structuurvisie geldt voor het hele grondgebied van de gemeente Venlo, met uitzondering van Klavertje 4, Klein Vink en Laerbroeck. Voor deze gebieden bestaan aparte structuurvisies. In de Ruimtelijke Structuurvisie Venlo zijn niet de regels, maar de ambities en opgaven het uitgangspunt. Nieuwe initiatieven worden in de toekomst nadrukkelijker beoordeeld op het maatschappelijk rendement. Dit rendement wordt bepaald door de mate waarin ontwikkelingen bijdragen aan het bereiken van de ambities van Venlo die zijn vastgelegd in de Strategische Visie 2030. De ruimtelijke structuurvisie is verdeeld in vijf thema's, de zogenaamde 'majeure opgaven'. Daarnaast zijn er drie aandachtspunten geformuleerd die op elke ruimtelijke beslissing van toepassing zijn, de 'basisprincipes'. Majeure opgaven: 1. Drukte in het ommeland: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied verscherpen door het buitengebied ook daadwerkelijk als buitengebied te behandelen.

Dit betekent het combineren van meerdere functies, zoals landbouw, recreatie, waterberging en natuurontwikkeling. 2. Ruimte in de stad: het contrast tussen buitengebied en stedelijk gebied door de beschikbare ruimte in bestaand stedelijk gebied maximaal te benutten. 3. Leven met de Maas: ruimte geven aan de rivier en haar beken om te anticiperen op klimaatverandering. 4. Voorzieningen op maat: zorgen voor vitale en toekomstbestendige voorzieningenclusters die aansluiten bij de reële behoefte van de samenleving. 5. Robuuste structuren: werken aan een weerbare infrastructuur voor personen- en goederenvervoer. Daarnaast vraagt het gebruik van de ondergrond en het opwekken van schone energie steeds meer aandacht. Naast deze 'majeure opgaven' wordt er uitgegaan van drie basisprincipes, aandachtspunten die van toepassing zijn op elk ruimtelijk initiatief. Dit betekent concreet dat een initiatief als kansrijker wordt beschouwd als:   

Het de uitgangspunten van Cradle to Cradle (C2C) als vertrekpunt hanteert; De vraag wordt gesteld wat het betrekken van (Duitse) regiogemeenten kan betekenen; Het zelf georganiseerd draagvlak geniet.

Kernopgave Het contrast tussen het stedelijk gebied en het buitengebied wordt kleiner. En dat is jammer, omdat dit een minder afwisselende en daardoor minder aantrekkelijke gemeente oplevert. Steden, dorpen en het buitengebied hebben ieder hun specifieke kwaliteiten. Om die kwaliteiten nog beter tot hun recht te laten komen, wordt het contrast tussen steden, dorpen en het buitengebied de komende jaren versterkt. Het bestaande bebouwde gebied in de stad en de dorpen biedt ruim voldoende capaciteit voor toekomstige stedelijke functies. Het buitengebied wordt - in tegenstelling tot vroeger - steeds meer gebruikt voor typische 'buitengebied-activiteiten', zoals toerisme en recreatie en landbouw. De gemeente wil het contrast tussen stedelijk gebied en het buitengebied verder vergroten door de specifieke kwaliteiten van zowel de stad als het land te benadrukken. Stad en land moeten elkaar aanvullen in plaats

Hoofdstuk 3

24

van in elkaar over te gaan. De uitbreidingsruimte van het stedelijk weefsel van stad en dorpen is begrensd door er een 'contour' omheen te trekken. Hierbuiten worden in principe geen stedelijke functies meer toegestaan. De contouren vormen de overgangen tussen het stedelijk gebied en het buitengebied. Deze contouren zijn geen 'lijntje' op de kaart, maar stadsrandzones waarin de overgang van bebouwd gebied naar het (open) landschap wordt vormgegeven. Op veel plekken rondom het stedelijk gebied is er sprake van een logische begrenzing. Indien de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied een verdere verdichting van het landschap niet toelaten of verdragen, zijn deze gebieden buiten de contour gelaten. Ruimte in de stad Ruimte in de stad In het stedelijk gebied streven we naar maximale benutting van de bestaande beschikbare ruimte, niet om een uitbreiding daarvan. In het stedelijk gebied is door tijdelijk gebruik, hergebruik, multifunctioneel gebruik en slim slopen nog voldoende ruimte aanwezig om nieuwe initiatieven een plaats te geven. Liever passen we bestaande woningen of gebieden aan, dan dat we gaan uitbreiden. Ook voor kantoren, bedrijfsruimte of winkels geldt dat het bestaande of al in ontwikkeling genomen aanbod voor lange tijd voldoende is.

Hoewel we weten dat hergebruik, herstructurering en transformatie complexer en vaak kostbaarder is dan nieuwbouw, benutten we de groeiende leegstand toch voor herontwikkeling. Ruimtes die weinig gebruikt worden, kunnen intensiever gebruikt worden, verouderde en verloederende (bedrijven)terreinen kunnen worden opgewaardeerd en ‘rotte plekken’ kunnen worden aangepakt. Absolute prioriteit ligt bij hergebruik en -ontwikkeling van waardevol cultureel en religieus erfgoed, zoals boerderijen, fabriekspanden, kloosters en kerken. Afweging Binnen het gebied is sprake van een perifeer detailhandel cluster en het plangebied is in beginsel bedoeld voor volumineuze/perifere detailhandel. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied en de beoogde ontwikkeling omhelst een optimalisering van het reeds aanwezige Trefcenter, er is geen sprake van uitbreiding van de functionele en/of bebouwingsmogelijkheden t.b.v. reguliere en perifere detailhandel ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan. De reeds toegestane vierkante meters aan reguliere en perifere detailhandel binnen de bestemmingen worden losgekoppeld van de locatierestrictie binnen het Trefcenter en flexibel verdeeld over het gehele plangebied. T.a.v. grootschalige detailhandel is er wel sprake van een functionele toevoeging, aangezien in de huidige situatie grootschalige detailhandel niet is toegestaan binnen het Trefcenter.

Echter past deze toevoeging binnen de opgave van de gemeente Venlo om Trefcenter het centrum van de Euregio te maken en heeft de gemeente reeds aangegeven akkoord te gaan met de optimalisering van het Trefcenter. De Toekomstvisie van Trefcenter is reeds gepresenteerd aan de gemeente en akkoord bevonden. Met het onderhavige planvoornemen wordt gezorgd voor een vitaal en toekomstbestendig voorzieningencluster dat aansluit bij de reële behoefte van de omgeving. Derhalve past de ontwikkeling binnen de majeure opgave uit de Ruimtelijke Structuurvisie. 3.4.3 Omgevingsprogramma Retail (vastgesteld door B&W, inwerkingtreding per 1 januari 2024)) Afgelopen jaren heeft gemeente Venlo ingezet op het behouden en versterken van een compleet, kwalitatief en bereikbaar voorzieningenaanbod voor eigen bewoners en bezoekers van de gemeente

Hoofdstuk 3

25

Venlo. Uitgangspunt daarbij is verbetering van de zorgvuldig opgebouwde detailhandelsstructuur. Daarmee wordt ook gezorgd voor een aantrekkelijke woon- en leefomgeving voor de eigen bewoners. Om de leefbaarheid in wijken en dorpen op peil te houden moet er op aanvaardbare afstand voldoende aanbod zijn. Supermarkten spelen hier een belangrijke rol in. Daarnaast moet leegstand worden voorkomen of moet er een duidelijke visie zijn op transformatie van leegstaande panden. Zo ontstaan perspectiefvolle clusters in buurten en wijken. De ambitie ligt er om Venlo te ontwikkelen als centrumstad voor de (EU)regio. Vooral de binnenstad van Venlo moet een aantrekkelijk aanbod behouden met een regionale trekkracht. Hiervoor is ingezet op versterking van de positie van grootstedelijke functies, detailhandel en horeca in het centrum, net zoals de ruimtelijke kwaliteit. Er is gekozen voor een compact en compleet publieksgerichte binnenstad, door in te zetten op de authentieke kwaliteiten van de binnenstad om een gezamenlijk verhaal voor Venlo te vertellen. Solitaire perifere detailhandelsontwikkelingen in de gemeente worden in principe niet ondersteund. In het verlengde de ambitie om Venlo te ontwikkelen als centrumstad voor de (Eu)regio is ingezet op de concentratie van perifere detailhandel in één krachtig gebied, het Trefcenter, passend bij specifieke brancheringseisen.

Zuiderbrug heeft hierin een meer lokale verzorgingsfunctie. Voor nieuwe detailhandelsontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de volgende specifieke toetsingscriteria: 1. De ontwikkeling moet passen bij het type koopgedrag dat het type winkelgebied bedient. 2. Voor supermarkten gelden maximale afmetingen (per type winkelgebied). 3. De ontwikkeling moet passen bij het perspectief: toevoeging van winkelvloeroppervlak is in principe alleen mogelijk in winkelgebieden met een goed perspectief. De toevoeging dient in elk geval het betreffende winkelgebied te versterken. 4. Transformatie naar andere activiteiten dan Retail, inclusief horeca, is in randgebieden altijd mogelijk. Horeca concentreert zich in toenemende mate in het centrum van Venlo. In de overige Retailgebieden in de (woon-)wijken neemt het aantal bedrijven af en is horeca voornamelijk lokaal verzorgend en winkel ondersteunend. Horeca initiatieven in het buitengebied worden terughoudend beoordeeld. Afweging Onderhavige ontwikkeling binnen het Trefcenter gebied is passend bij het type koopgedrag dat het type winkelgebied bedient. Het gebied bedient namelijk de reguliere en perifere detailhandel. Daarnaast past de ontwikkeling bij het perspectief. Enkele jaren geleden hebben de eigenaren van het Trefcenter Venlo de ambitie uitgesproken om het perifere retailcluster Trefcenter te versterken en toekomstbestendig te maken.

Hiervoor zijn diverse initiatieven ontplooid om het Trefcenter en het direct aanliggende gebied te ontwikkelen tot hét cluster van grootschalige retail in de Euregio. De ambitie is om de bovenregionale functie van het perifere retailcluster Trefcenter te versterken en daarmee de toekomstbestendigheid van het winkelgebied en Venlo als koopstad te waarborgen. De ontwikkeling is daarmee passend binnen het Omgevingsprogramma Retail.

Hoofdstuk 3

26

4.

ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van onderhavige herziening. 4.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. Omdat er geen sprake is van een wijziging van de bestemmingen, maar slechts een optimalisering van de reeds toegestane functies binnen deze bestemmingen is er geen sprake van een bestemmingswijziging naar een voor bodem gevoeliger gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet vereist. Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is geschikt voor het beoogde gebruik ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. Er zijn daarmee vanuit het aspect bodem geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.2 Geluid Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft waarbinnen akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. Dit met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een winkelcentrum is geen geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder. Nader akoestisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. De milieueffecten vanuit de inrichting (inclusief indirecte geluidhinder) op de omgeving worden beschreven in paragraaf 4.1.4 milieuzonering. In die paragraaf komt het aspect geluid vanuit de inrichting aan de orde.

Hoofdstuk 4

27

4.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriele Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interimperiode. Met de inwerkingtreding van het NSL is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang.

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Hoofdstuk 4

28

stof

toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) was ter plaatse in 2017 de concentratie PM2,5 gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 gelegen tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 gelegen tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Met de beoogde herziening worden geen nieuwe functies toegevoegd binnen het plangebied welke een extra verkeersgeneratie met zich zouden kunnen brengen. De beoogde herziening ziet slechts op een spreiding van de reeds toegestane functies uit het vigerend bestemmingsplan binnen het gehele Trefcenter. Volledigheidshalve is in het kader van onderhavige herziening getoetst of er geen belemmeringen zijn in het kader van luchtkwaliteit. De toename in de verkeersgeneratie zoals berekend in de notitie door Goudappel t.o.v. de huidige situatie is in de NIBM-tool ingevoerd. Hieruit blijkt dat er geen nader onderzoek nodig is.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

350

Aandeel vrachtverkeer

10,0%

NO2 in μg/m

3

0,55

PM10 in μg/m

3

0,07

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a.

Hoofdstuk 4

29

4.1.4 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast.

Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situaties mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijking te benoemen en te motiveren. Afweging Met de beoogde herziening worden geen nieuwe functies toegevoegd binnen het plangebied welke een invloed zouden kunnen hebben op nabijgelegen milieugevoelige objecten. De beoogde herziening ziet slechtst op een spreiding van de reeds toegestane functies en een toevoeging van vergelijkbare functies qua milieuzonering uit het vigerend bestemmingsplan binnen het gehele Trefcenter. Bovendien geldt dat de functies welke mogelijk worden gemaakt maximaal milieucategorie 2 omhelzen. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 10 meter op basis van ligging in gemengd gebied. In een straal van 10 meter tot Trefcenter zijn er geen milieugevoelige functies gelegen. Derhalve is de beoogde planherziening vanuit milieukundig oogpunt niet bezwaarlijk. 4.1.5 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Direct ten zuiden van het plangebied ligt de Nijmeegseweg, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de weg is 355 meter en daarbinnen ligt het plangebied. Hiermee is deze weg relevant voor externe veiligheid. Daarnaast ligt op ruim 300 meter ten oosten van het plangebied de Weselseweg, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het invloedsgebied van de weg is 355 meter en daarbinnen ligt het plangebied. Hiermee is deze weg relevant voor ex-

Hoofdstuk 4

30

terne veiligheid. Op ongeveer 850 meter ten noorden van het plangebied ligt de A67, dit is een basisnetroute die valt onder het Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover onder andere vervoer van toxische vloeistoffen (LT2) plaats. Het plangebied valt binnen het invloedsgebied (1%- letaliteitszone van 880 meter) van de A67 en hiermee is deze risicobron relevant voor externe veiligheid. Aangezien als gevolg van dit bestemmingsplan geen significante invloed wordt uitgeoefend op het groepsrisico, levert de ligging ten opzichte van de autosnelweg geen directe belemmeringen op. Op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt, dient in verband met de ligging binnen het invloedgebied wel een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op basis van artikel 8, lid 2, onderdeel b van het Bevt kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds beschreven is voor de snelweg A67 een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect

Verantwoording

De mogelijkheden ter voorberei-

Voor wat betreft de weg bestaan er met name risico’s in verband met

ding van bestrijding en beperking

ongelukken:

van de omvang van een ramp of

- met brandbare vloeistoffen;

zwaar ongeval.

- met brandbaar gas (BLEVE4); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten via de Nijmeegseweg.

De mogelijkheden voor personen

Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van

om zich in veiligheid te brengen

belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde

indien zich op de weg een ramp

calamiteiten:

voordoet (zelfredzaamheid).

- met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario).

4

BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).

Hoofdstuk 4

31

Aspect

Verantwoording Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas.

Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord De gemeente Venlo heeft aanvullend advies aangevraagd bij de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio Limburg Noord heeft laten weten geen aanleiding te zien om een nieuw advies op externe veiligheid uit te brengen en dat de voorwaarden externe veiligheid uit het vigerende bestemmingsplan overeind blijven. Afweging Met de beoogde herziening worden geen (beperkt) kwetsbare objecten toegevoegd binnen het plangebied. Bovendien is er geen sprake van de toevoeging van nieuwe inrichtingen en/of activiteiten

Hoofdstuk 4

32

welke een invloed zouden kunnen hebben op nabijgelegen (beperkt) kwetsbare objecten. Het groepsrisico wordt derhalve niet door de ontwikkeling beïnvloedt. De beoogde herziening ziet slechtst op een spreiding van de reeds toegestane functies uit het vigerend bestemmingsplan binnen het gehele Trefcenter. Deze toegestane functies zijn voor het aspect externe veiligheid reeds nader onderbouwd in het kader van het opstellen van het huidig juridisch-planologisch regime. In het onderliggende plan is reeds het plaatsgebonden risico beoordeelt. In onderhavig bestemmingsplan worden er geen nieuwe risicovolle activiteiten opgericht. Er is ook geen sprake van nieuwe functies binnen het plangebied. Derhalve is de beoogde planherziening vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet bezwaarlijk. 4.1.6 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied worden de toegestane functies welke momenteel zijn aangewezen tot specifieke gebieden binnen het Trefcenter verdeeld over het gehele Trefcenter binnen de reeds aanwezige bebouwing. Deze herziening komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen.

Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De herziening van het Trefcenter is geen stedelijk ontwikkelingsproject als genoemd onder bijlage D, 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Aangezien onderhavige herziening slechts betrekking heeft op het verschuiven van de reeds toegestane functies binnen het plangebied en het op beperkte schaal toevoegen van grootschalige detailhandel binnen het plangebied.

4.2 Kabels en leidingen In het noordelijk deel van het plangebied loopt een riool transportleiding. Op de verbeelding en in de regels is hiervoor de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ opgenomen, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden ter bescherming van de leiding. De beoogde herziening ziet slechts op het verspreiden van de reeds toegestane functies binnen het plangebied. Onderhavige herziening voorziet niet in het toevoegen van extra bebouwing. Vanuit het aspect kabels en leidingen bestaan er derhalve geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Ecologie Algemeen Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige EHS.

Hoofdstuk 4

33

Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs (significant) negatieve effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie tevens zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Binnen Limburg is dit ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen goud-, zilver- en bronsgroene zones. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden, en/of de kernkwaliteiten van het landschap behouden blijven, of als er passende inrichtingsmaatregelen worden getroffen.

Soortbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming.

Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). In het kader van de beoogde herziening is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd.5 Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoeksrapport weergegeven. Het volledige rapport is als separate bijlage bij onderhavige herziening toegevoegd. 5

BRO, ‘Quickscan flora en fauna parkeerterrein Trefcenter Venlo’, P02179, d.d. 20 april 2023.

Hoofdstuk 4

34

Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:   

Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Ten aanzien van vleermuizen dient een toename aan licht gericht of uitstralend op de bomenrij langs de N271 te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheden en bomen op de parkeerplaats buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Stikstofdepositie Indien een plan mogelijk effect heeft op een stikstofgevoelige habitat is een onderzoek naar de neerslag van stikstof noodzakelijk. Om de eventuele invloed van de ontwikkeling ten aanzien van stikstofdepositie bij Natura 2000 te bepalen wordt gebruik gemaakt van een berekening middels AERIUS Calculator. In deze berekening wordt onderscheid gemaakt tussen de gebruiks- en aanlegfase. Er is ten behoeve van het onderhavige planvoornemen een stikstofberekening naar de gebruiks- en aanlegfase uitgevoerd.6 Er is inzicht gevraagd in de aard en omvang van de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000gebieden. Uit de berekening voor de bouwfase blijkt dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. In de gebruiksfase is een bijdrage berekend van 0,03 mol/ha/jaar op het meest nabij gelegen Natura 2000- gebied “Maasduinen”. Er is nader onderzocht of met behulp van intern salderen negatieve effecten zijn uit te sluiten. Uit de berekeningen blijkt dat er met toepassing van intern salderen geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

4.4 Waterhuishouding Onderhavige herziening ziet slechts op het optimaliseren van het Trefcenter en het verspreiden van de reeds toegestane functies op het gehele plangebied. Er is geen sprake van nieuw ruimtegebruik of een toename van het verhard oppervlak. In beginsel worden als gevolg van het verplaatsen en/of toevoegen van nieuwe bedrijven geen wijzigingen aangebracht in dwa-belasting (droogweerafvoer) van het (gemeentelijk) riool. In de huidige situatie is het al aangesloten op het bestaande rioolstelsel en dit zal in de toekomstige situatie gehandhaafd blijven. Derhalve bestaan er gelet op het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor de beoogde optimalisatie van het Trefcenter. De mogelijkheden om de klimaatadaptiviteit van het terrein te verbeteren, bijvoorbeeld door toevoeging van groen, reductie van verharding en gedeeltelijke afkoppeling van regenwater zullen echter waar mogelijk worden meegenomen bij de renovatie van het parkeerterrein. Het ontwerp inrichtingsplan is als bijlage 1 toegevoegd. Op deze tekening zijn alle inrichtingsmaatregelen opgenomen. 6

Cauberg Huygen, Herontwikkeling Trefcenter Venlo gebouw 5 en 6; onderzoek stikstofdepositie bouw- en gebruiksfase, kenmerk: 0652958046-03v2, d.d. 10 november 2023.

Hoofdstuk 4

35

4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.5.1 Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:  

de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Het plangebied ligt op basis van het vigerend bestemmingsplan in een gebied met archeologische verwachtingswaarde. Dit betekent dat bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderhavige herziening ziet slechts op een spreiding van de (toegestane) functies uit het vigerend bestemmingsplan. Er zullen geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij nieuwe bebouwing groter dan 500 m 2 wordt opgericht. Een archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.5.2 Cultuurhistorie Volgens de kaarten van het POL2014 en de Cultuurhistorische Inventarisatiekaart Venlo is het plangebied niet gelegen in een cultuurhistorisch landschap of nabij cultuurhistorische elementen. Er zijn dus geen cultuurhistorische waarden aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor onderhavige herziening. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit archeologie en cultuurhistorie voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Verkeer en parkeren Bij een planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de verkeersgeneratie, ontsluiting en parkeren (op eigen terrein). Hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn voor bepaalde functies, is vastgelegd in algemene normen en is gebaseerd op behoeften. De gemeente Venlo sluit hiertoe aan bij de meest recente landelijke parkeernormen (de geldende CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’).

Hoofdstuk 4

36

4.6.1 Verkeer De herontwikkeling van het Trefcenter zal naar verwachting leiden tot hogere bezoekersaantallen. Dit heeft invloed op de verkeersstromen van en naar het Trefcenter. Goudappel heeft de verkeersgeneratie berekend met behulp van CROW kengetallen voor verkeersgeneratie. 7 Onderstaand worden beknopt de bevindingen uit dit rapport weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport dat als bijlage aan onderhavige toelichting is toegevoegd. In tabel 1 is het huidige en toekomstige functieprogramma gepresenteerd zoals aanwezig is op het Trefcenter. De omvang van de functies is weergegeven in m² bvo. In de huidige situatie is bij de Lidl sprake van enige leegstand op de verdieping. In de berekening van de verkeersgeneratie is de leegstand meegenomen in de berekening.

In CROW publicatie 381 is voor verschillende functies een kencijfer voor de verkeersgeneratie gepresenteerd. Hierin wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de ligging ten opzichte van het centrum. De gemeente Venlo is sterk stedelijk. Ten opzichte van het centrum van Venlo is het Trefcenter gelegen in ‘rest bebouwde kom’. Binnen deze categorie is een bandbreedte van de verkeersgeneratiekencijfers beschikbaar. De verkeersgeneratie voor het Trefcenter in de toekomstige situatie is berekend op basis van de gemiddelde kencijfers binnen de bandbreedte. In tabel 2. zijn de gehanteerde kencijfers voor de verkeersgeneratie gepresenteerd. De kencijfers zijn gepresenteerd in motorvoertuigen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag naar omvang van de functie per 100 m² bvo. Voor de horeca-functies is geen kencijfer bekend. Voor deze functies is aangesloten bij het kencijfer voor de functie ‘Winkelboulevard’.

7

Goudappel, ‘Actualisatie verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling’, kenmerk 014926.20230417.N1.02, d.d. 7 november 2023.

Hoofdstuk 4

37

Een met de kencijfers berekende waarde van de verkeersgeneratie zal nooit overeenkomen met de werkelijkheid. Dit is ook niet noodzakelijk. De kencijfers zijn ontwikkeld als hulpmiddel bij het opstellen of uitvoeren van ruimtelijke plannen, de ruimtelijke ontwikkeling van een gebied of de realisatie van een voorziening op een bepaalde locatie. Omdat het gaat om een hulpmiddel, mag van de gepresenteerde waarden worden afgeweken, als hiervoor een gedegen onderbouwing is. CROW-publicatie 272 omschrijft dat op het moment dat twee (of meer) supermarkten in elkaars directe omgeving liggen, de totale verkeersgeneratie van deze supermarkt niet gelijk is aan de som van de verkeersgeneraties van de afzonderlijke supermarkten. Als de supermarkten qua grootte niet te veel van elkaar verschillen (maximaal factor 4), dan zal van het totale aantal klanten circa 30% op werkdagen en circa 50% op zaterdagen ook de nabijgelegen supermarkt bezoeken. Op het Trefcenter geldt dit ook voor de combinatie van de overige functies die aanwezig zijn. De verkeersgeneratie is voor de toekomstige functies op het Trefcenter solitair berekend en met een factor van 0,36 gereduceerd. Resultaten In tabel 3 is de verkeersgeneratie van de huidige functies gepresenteerd. Hierin zijn alle functies solitair beoordeeld.

Hoofdstuk 4

38

Door de verkeersgeneratie te berekenen voor de toekomstige functies als zijnde solitaire functies is een verkeersgeneratie berekend van circa 15.860 mvt/etmaal/gemiddelde weekdag. Rekening houdend met combinatiebezoek aan verschillende functies op het Trefcenter bedraagt de verkeersgeneratie circa 10.150 mvt/etmaal/gemiddelde weekdag (afgerond op 50-tallen naar boven). In de toekomstige situatie is een verkeersgeneratie berekend van circa 9.800 mvt/etmaal. Ten opzichte van de huidige situatie neemt de verkeersgeneratie af met circa 350 mvt/etmaal (afname van circa 3%). De verkeersgeneratie van de toekomstige functies op het Trefcenter blijf bovendien onder de theoretische verkeersgeneratie berekend op basis van het vigerend bestemmingsplan (circa 11.870 mvt/etmaal; zie tabel 5 vigerend bestemmingsplan). Uit een vergelijking tussen een recent parkeeronderzoek op straat en de theoretische berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen op basis van de CROW kencijfers blijkt dat deze laatste leidt tot een forse overschatting. De CROW kencijfers voor de verkeersgeneratie zijn gekoppeld aan de CROW parkeerkencijfers. Naar verwachting is de berekende verkeersgeneratie voor de huidige functies ook een overschatting van het feitelijke aantal verkeersbewegingen van en naar het Trefcenter.

In de analyse wordt daarom vooral het verschil beoordeeld tussen de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie (zie voor de laatste tabel 4).

Hoofdstuk 4

39

Resultaten Kruispunt Nijmeegseweg – L.J. Costerstraat Het met verkeerslichten geregelde kruispunt tussen de Nijmeegseweg en L.J. Costerstraat heeft in de huidige vormgeving voldoende capaciteit om het huidige en toekomstige verkeer acceptabel te verwerken. In tabel 6 van het rapport zijn de cyclustijden in de verschillende scenario’s gepresenteerd.

Uit de gepresenteerde cyclustijden in tabel 15 wordt geconcludeerd dat het kruispunt tussen de Nijmeegseweg en L.J. Costerstraat in de huidige vormgeving voldoende capaciteit heeft om het verkeer in de huidige en toekomstige situatie voldoende af te wikkelen. Dit blijkt uit ook de wachtrijlengtes die ontstaan. De voorsorteervakken op de verschillende richtingen hebben voldoende lengte om de wachtrij te faciliteren, uitgezonderd de opstelvakken op de Karbinderstraat. Hierop komt het voor dat een voertuig niet direct het opstelvak kan bereiken.

Hoofdstuk 4

40

Aansluiting Nijmeegseweg – Trefcenter – Rotonde De aansluiting tussen de Nijmeegseweg met het Trefcenter en de rotonde is geanalyseerd met behulp van VISSIM. De beoordeling van de kwaliteit van de verkeersafwikkeling is in eerste instantie visueel gedaan. Hieruit wordt geconcludeerd dat de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in het ochtend- en avondspitsuur goed is. Op zaterdagmiddag is reeds in de huidige situatie sprake van een zwaar belast kruispunt, doordat het verkeer op de rotonde niet goed kan afrijden. Dit leidt er toe dat de wachtrij bij het verkeerslicht niet voldoende oplost, waardoor er terugslag kan ontstaan tot op het wegvak van de Nijmeegseweg (rechtsaf voorsorteerstrook komend vanaf het zuiden is onvoldoende lang). Ook op het Trefcenter zelf is sprake van wachtrijvorming voor het verkeerslicht, met terugslag tot over de rotonde. Het verkeerslicht op de Nijmeegseweg heeft solitair gezien voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen binnen een acceptabele cyclustijd. In de huidige situatie bevindt zich net ten noorden van de rotonde een belangrijke voetgangersverbinding. De oversteek is voorzien van een zebrapad, waardoor kruisende voetgangers voorrang hebben ten opzichte van het kruisende autoverkeer (zie figuur 1). Voorstel van de ontwikkelaar is om de voetgangersverbinding te verleggen in oostelijke richting.

Hierdoor is er meer lengte beschikbaar voor het autoverkeer om de rotonde te verlaten, waardoor de afrijdcapaciteit wordt vergroot. Deze maatregel heeft een positieve bijdrage op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling.

Kruispunt Nijmeegseweg – Straelseweg In tabel 16 is de cyclustijd op het kruispunt Nijmeegseweg – Straelseweg gepresenteerd voor de verschillende scenario’s.

Hoofdstuk 4

41

Uit tabel 16 is op te maken dat de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in de huidige situatie voldoet en in alle scenario’s in het ochtend- en avondspitsuur voldoende is. De cyclustijd blijft in de scenario’s onder de streefwaarde. Op zaterdagmiddag is echter reeds in de huidige situatie sprake van een zeer beperkte restcapaciteit. In de referentiesituatie leidt dit op zaterdagmiddag tot een cyclustijd hoger dan de streefwaarde. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is daardoor op zaterdagmiddag slecht. Maatregelen zijn noodzakelijk om de kwaliteit van de verkeersafwikkeling te verbeteren. Een maatregel die genomen kan worden om de cyclustijd te verlagen is de zijrichtingen af te wikkelen in ‘deelconflict’. In de geanalyseerde regeling krijgen de zijrichtingen (Straelseweg links en rechts) onafhankelijk van elkaar groen. Daardoor nemen de zijrichtingen relatief veel tijd in beslag, zeker omdat hierop geen voorsorteerstroken aanwezig zijn (dus alle andere richtingen hebben dan rood als de zijrichting groen heeft). Door de zijrichtingen in ‘deelconflict’ af te wikkelen krijgen beide richtingen tegelijk groen. Linksaf slaand verkeer dient in dat geval voorrang te verlenen aan het rechtdoorgaande en rechtsaf slaande verkeer. In de middenberm is opstelruimte aanwezig om (tijdelijk) op te stellen om dit verkeer voorrang te verlenen.

Door het verkeer met een deelconflict op de zijrichtingen af te wikkelen nemen de cyclustijden fors af en vallen binnen acceptabele waarden (zie tabel 17).

Een alternatieve oplossingsrichting is het realiseren van een linksaf opstelvak op beide zijrichtingen. Dit zal ook een positief effect hebben op de cyclustijd. De ruimtelijke inpassing hiervan is echter wel een grote uitdaging. Conclusies Als gevolg van de planontwikkeling van het Trefcenter in Venlo neemt de verkeersgeneratie van het winkelcentrum in theorie beperkt af ten opzichte van de huidige situatie en meer substantieel af ten opzichte van de verkeersgeneratie op basis van het vigerende bestemmingsplan. De piekbelasting in de ochtend- en avondspits en op zaterdagmiddag blijft nagenoeg gelijk aan de referentie (autonome) situatie. Uit de analyse worden de volgende conclusies getrokken:  De herontwikkeling leidt tot een geringe afname van de verkeersintensiteiten per etmaal gerelateerd aan het winkelcentrum. In de spitsmomenten zal de verkeersgeneratie van het huidige en toekomstige winkelcentrum gelijk zijn aan elkaar.

Hoofdstuk 4

42

 

De kwaliteit van de verkeersafwikkeling is op het kruispunt tussen de Nijmeegseweg en de L.J. Costerstraat in alle scenario’s op alle momenten goed. Op de aansluiting tussen de Nijmeegseweg en het Trefcenter in combinatie met de rotonde, alsmede het kruispunt tussen de Nijmeegseweg – Straelseweg, is de kwaliteit van de verkeersafwikkeling in het ochtend- en avondspitsuur in alle scenario’s goed. Op het kruispunt Nijmeegseweg – Straelseweg en de aansluiting Nijmeegseweg op Trefcenter (rotonde) knelt de verkeersafwikkeling op zaterdagmiddag in de autonome- en plansituatie. Op de aansluiting Nijmeegseweg – Trefcenter is de kwaliteit van de verkeersafwikkeling op de rotonde maatgevend. Doordat het verkeer hierop niet voldoende wordt afgewikkeld ontstaat terugslag tot op de Nijmeegseweg. Het verplaatsen van de voetgangersoversteek en het vervallen van een aantal parkeerpplaatsen nabij de rotonde als gevolg hiervan, heeft een positieve bijdrage op de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. Het kruispunt tussen de Nijmeegseweg en Straelseweg heeft reeds in de huidige situatie nagenoeg geen restcapaciteit op zaterdagmiddag. In de autonome situatie kan het verkeer hierop onvoldoende worden afgewikkeld. Door op de zijrichtingen een deelconflict toe te staan vallen de cyclustijden binnen de acceptabele waarden. De drukte op deze kruising wordt niet alleen door het Trefcenter gegenereerd.

Ook andere bedrijven en locaties met een verkeer aantrekkende werking zorgen voor de drukte op dit kruispunt. De gemeente is op de hoogte van deze drukte. De verkeerslichten op deze kruising zullen in de komende jaren worden vervangen. Wanneer dit gebeurt, wordt er ook opnieuw gekeken of de inrichting van de kruising moet worden veranderd.

4.6.2 Parkeren Goudappel heeft de impact van de geplande herontwikkeling op de parkeervraag in beeld gebracht met behulp van de gemeentelijke parkeernormen8. Onderstaand worden beknopt de bevindingen uit dit rapport weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport dat als bijlage aan onderhavige toelichting is toegevoegd. Uitgangspunten Functieprogramma In tabel 1 is het huidige en toekomstige functieprogramma gepresenteerd zoals aanwezig is op het Trefcenter. In bijlage 1 van de parkeerbalans is het volledige functieprogramma opgenomen. De omvang van de functies is weergegeven in m² bvo. In de huidige situatie is bij de Lidl sprake van enige leegstand op de verdieping. In de berekening van het theoretische benodigde aantal parkeerplaatsen is aan deze leegstand geen parkeerbehoefte toegekend.

8

Goudappel, ‘Actualisatie parkeerbalans Trefcenter Venlo’, kenmerk 014926.20230417.N1.02, d.d. 7 november 2023.

Hoofdstuk 4

43

CROW parkeerkencijfers/gemeentelijke parkeernorm In CROW publicatie 381 is voor verschillende functies een parkeerkencijfer gepresenteerd. Hierin wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en de ligging ten opzichte van het centrum. De gemeente Venlo is sterk stedelijk. Ten opzichte van het centrum van Venlo is het Trefcenter gelegen in ‘rest bebouwde kom’. Binnen deze categorie is een bandbreedte van de kencijfers beschikbaar. De parkeervraag voor het Trefcenter is berekend op basis van de gemiddelde kencijfers binnen de bandbreedte. In tabel 2 zijn de parkeerkencijfers gepresenteerd.

Aanwezigheidspercentages In tabel 3 staan de gehanteerde aanwezigheidspercentages gepresenteerd, welke afkomstig zijn uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren). Voor de functie ‘restaurant’ zijn in de CROW publicatie geen aanwezigheidspercentages beschikbaar. Deze zijn gebaseerd op ervaringscijfers van Goudappel.

Hoofdstuk 4

44

Resultaten In tabel 4 is de parkeervraag van de huidige functies gepresenteerd. Per functietype is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. Bij het opstellen van de parkeervraagberekening zijn de hiernavolgende stappen doorlopen:  Op basis van het functieprogramma en de bijbehorende gemeentelijke parkeernormen is het totale aantal parkeerplaatsen berekend dat ongewogen noodzakelijk is voor de ontwikkeling. Dit is de theoretische parkeervraag voor de ontwikkeling.  Van het aantal ongewogen parkeerplaatsen is vervolgens aan de hand van aanwezigheidspercentages het hoogste aantal gelijktijdig benodigde parkeerplaatsen bepaald.

Op basis van de huidige functies is een theoretische parkeervraag van 2.050 parkeerplaatsen berekend. Het maatgevende moment is zaterdagmiddag, waarop de theoretische parkeervraag 2.009 parkeerplaatsen bedraagt. In tabel 5 is het resultaat uit de parkeervraagberekening gepresenteerd voor de toekomstige situatie.

Hoofdstuk 4

45

In tabel 5 is te zien dat de hoogste parkeervraag op zaterdagmiddag ontstaat. Op basis van het functieprogramma bedraagt de parkeervraag op dat moment circa 1.949 parkeerplaatsen. Op dat moment is er sprake van een afname van circa 60 parkeerplaatsen. Daarnaast blijkt op alle momenten dat de parkeervraag in de nieuwe situatie telkens lager ligt dan de parkeervraag in de bestaande situatie. Ter vergelijking is ook het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de functies in het vigerende bestemmingsplan theoretisch bepaald. In tabel 6 is het resultaat hiervan weergegeven.

Het in theorie benodigde aantal parkeerplaatsen op basis van het vigerende bestemmingsplan ligt aanzienlijk hoger dan het aantal parkeerplaatsen berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Ook in dit scenario betreft zaterdagmiddag het maatgevende moment. Het benodigde aantal parkeerplaatsen ligt circa 182 hoger dan met het aantal berekend voor de huidige functies.

Feitelijke parkeersituatie In november 2022 is door Grenspaal12 Grensverleggende infraplanners een parkeeronderzoek uitgevoerd op het parkeerterrein van het Trefcenter. Het parkeeronderzoek bestond uit een parkeerdrukmeting. In de parkeerdrukmeting is het aantal bezette parkeerplaatsen geregistreerd en afgezet tegen de beschikbare parkeercapaciteit. Op de volgende momenten is de parkeerbezetting geregistreerd:  Zaterdag 19 november 2022 om 10.00, 15.00 en 19.00 uur;  Dinsdag 22 november 2022 om 10.00, 15.00 en 19.00 uur;  Donderdag 24 november 2022 om 10.00, 15.00 en 19.00 uur. Voor een betrouwbaar onderzoek is het complete onderzoeksgebied opgedeeld in 87 secties. Na inventarisatie bedraagt de parkeercapaciteit ten tijde van de metingen 1.033 beschikbare, openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Uit het onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:  De bezettingsgraad afgezet tegen de beschikbare parkeercapaciteit ziet er als volgt uit: o Zaterdag 19 november 2022:  Ochtend: 493 geparkeerde voertuigen (48%) Bijzonderheden: de parkeerdruk was zeer hoog bij de Lidl. Albert Heijn/Trefcenter was middelhoog.  Middag: 620 geparkeerde voertuigen (60%) Bijzonderheden: zeer hoge parkeerdruk achterzijde Berden. Lidl/Albert Heijn/Trefcenter middelhoog.  Avond: 237 geparkeerde voertuigen (23%) Bijzonderheden: geen.

o Dinsdag 22 november 2022:  Ochtend: 328 geparkeerde voertuigen (32%)

Hoofdstuk 4

46

o

Bijzonderheden: parkeerdruk was middelhoog in de directe omgeving van de Lidl.  Middag: 361 geparkeerde voertuigen (35%) Bijzonderheden: de parkeerdruk was middelhoog bij Lidl, Albert Heijn/Trefcenter.  Avond: 117 geparkeerde voertuigen (11%) Bijzonderheden: geen. Donderdag 24 november 2022:  Ochtend: 328 geparkeerde voertuigen (32%) Bijzonderheden: de parkeerdruk was middelhoog in nabijheid Lidl.  Middag: 399 geparkeerde voertuigen (39%) Bijzonderheden: de parkeerdruk was middelhoog omgeving Lidl en Albert Heijn/Trefcenter.  Avond: 189 geparkeerde voertuigen (18%) Bijzonderheden: geen.

Uit bovenstaande geregistreerde bezettingen en daarmee berekende parkeerdruk wordt geconcludeerd dat in de huidige situatie op alle momenten sprake is van een acceptabele parkeersituatie. Van een acceptabele parkeersituatie is sprake tot een parkeerdruk van circa 85%. Daarboven neemt het risico op zoekverkeer toe. Wel is goed zichtbaar dat bepaalde parkeersecties meer bezet/gebruikt worden dan andere parkeersecties. De maximale parkeerdruk uit het onderzoek bedraagt 60%. Op het complete terrein is daarmee sprake van restcapaciteit om invulling van de huidige leegstand op te faciliteren. Tevens laat dit zien dat het theoretisch berekende aantal parkeerplaatsen voor de huidige situatie op basis van de CROW parkeerkencijfers leidt tot een forse overschatting. Conclusies Als gevolg van de nieuwe indeling van het Trefcenter in Venlo neemt de parkeerbehoefte op alle momenten af, waarbij op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) de parkeerbehoefte in de toekomstige situatie met circa 60 plaatsen afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan bedraagt de afname in de toekomstige situatie 182 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. Daarbij blijkt er in de bestaande situatie reeds sprake te zijn van restcapaciteit, blijkens de uitgevoerde parkeerdrukmeting.

Uit bovenbeschreven analyse worden de volgende conclusies getrokken:  In de bestaande situatie bedraagt de theoretische parkeervraag op het maatgevende moment, zaterdagmiddag, circa 2.009 parkeerplaatsen.  Na herontwikkeling van het Trefcenter bedraagt de parkeervraag op het maatgevende moment, zaterdagmiddag, circa 1.9349 parkeerplaatsen. Een theoretische afname van circa 60 parkeerplaatsen ten opzichte van de bestaande situatie.  In de huidige situatie bedraagt de maximale parkeerdruk 60% op een parkeercapaciteit van 1.033 parkeerplaatsen. Hiermee is sprake van een acceptabele parkeersituatie en is er restcapaciteit beschikbaar om mogelijke invulling van leegstand op te faciliteren.  Uit de parkeerdrukmeting blijkt dat het theoretisch berekende benodigde aantal parkeerplaatsen een overschatting is van de feitelijke parkeersituatie. Daarom is het verschil geanalyseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.venlo.nl/api/v1/meetings/272/documents/7362