Toelichting bestemmingsplan Hofgeest
Tekst van het document
Het maximaal optredende geluidsniveau staan een goed woon- en leefklimaat niet in de weg gelet op de beperkte tijd dat deze activiteit plaatsvindt, namelijk enkele seconden per week in de dagperiode. Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door verkeer van en naar de inrichting is zodanig dat er geen overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) optreedt. Rugbyclub The Smugglers Er zou een scenario kunnen ontstaan dat er woningen in Hofgeest in gebruik worden genomen voordat de sportvelden van rugbyclub The Smugglers zijn verplaatst. In dat geval dient rekening te worden gehouden worden met mogelijk hinder als gevolg van geluid op de te realiseren woningen. In het akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op het woningbouwplan als gevolg van Rugbyclub The Smugglers inzichtelijk gemaakt. Uit het onderzoek volgt dat de optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voor een wedstrijddag en een trainingsavond op de gevels van de geplande woningen voldoen aan de gestelde grenswaarden. Het hoogste optredend geluidsniveau in de dagperiode bedraagt 77 dB(A). In de avondperiode is het maximale geluidsniveau maximaal 76 dB(A). De richtwaarden van 70 dB(A) in de dagperiode en 65 dB(A) in de avondperiode worden beiden overschreden.
Wettelijk gezien worden geen eisen gesteld aan de hoogte van het maximale geluidniveau veroorzaakt door stemgeluiden, activiteiten die in nauw verband staan met sportactiviteiten (zoals een scheidsrechtersfluit) en niet versterkte muziek. Indien deze bronnen buiten beschouwing worden gehouden wordt voldaan aan de richtwaarde. Daarnaast staan de overschrijdingen een goed woon- en leefklimaat niet in de weg, vanwege de beperkte tijd dat er hard geroepen wordt of de scheidsrechtersfluit wordt gebruikt. Het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door verkeer van en naar de club is zodanig dat er geen overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) optreedt. Gelet op de beperkte groei van deze sport in Nederland is het niet aannemelijk dat het sportcomplex in de toekomst veel intensiever gebruikt zal gaan worden. Bovendien wordt de rugbyclub verplaatst waardoor deze niet meer in de nabijheid van de woningen zal liggen. Het geluid van de rugbyvelden is zekerheidshalve in het onderzoek meegenomen in het geval een scenario ontstaat dat er woningen in Hofgeest in gebruik worden genomen voordat de sportvelden van rugbyclub The Smugglers zijn verplaatst. Dit zal altijd gaan om een tijdelijke situatie. Dressuurstal Gouda Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de geluidsuitstraling het langtijdgemiddelde Status: vastgesteld 30
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
beoordelingsniveau op de gevels van één geplande woning hoger is dan 50 dB(A). De hoogst optredende geluidsbelasiting bedraagt 53 dB(A) in de dagperiode. De optredende overschrijding wordt veroorzaakt door het gebruik van een bladblazer, enkel gedurende de dagperiode. Het uitvoeren van bronmaatregelen is niet mogelijk en wenselijk bij een bestaand bedrijf. Overdrachtsmaatregelen in de vorm van een scherm zijn alleen effectief als deze dicht op de bron staan en ononderbroken zijn. Het plaatsen van schermen op het terrein is niet mogelijk vanwege de inrit en niet wenselijk omdat dit de bedrijfsvoering belemmert. Daarnaast wordt de bladblazer periodiek slechts 10 minuten per dag gebruikt, is de overschrijding beperkt en vindt dit slechts bij één woning plaats. Het treffen van maatregelen staat niet in verhouding tot deze geringe overlast. Daarnaast staat dit beperkte gebruik een goed woon- en leefklimaat niet in de weg. Eventueel zou de bladblazer vervangen kunnen worden door een stiller exemplaar. Indien deze maatregel niet mogelijke of wenselijk is, kan het bevoegd gezag met een maatwerkvoorschrift een andere waarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vaststellen. Hierdoor hoeft het bedrijf geen concessies in de bedrijfsvoering te doen. De maximale geluidsniveaus worden ook voornamelijk bepaald door de bladblazer.
Het hoogste optredend geluidsniveau in de dagperiode bedraagt 75 dB(A) bij de bijbehorende waarneemhoogte van 1,5 meter. In de avondperiode bedraagt het maximale geluidsniveau op de beoordelingshoogte van 4,5 meter en 7,5 meter maximaal 63 dB(A). De grenswaarde van 70 dB(A) in de dagperiode wordt overschreden. Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift ook andere waarden voor het maximaal geluidsniveau vaststellen. Ter onderbouwing kunnen de argumenten uit voorgaande alinea’s worden gebruikt. De richtwaarde van 65 dB(A) in de avondperiode wordt niet overschreden. Uit de berekening van de indirecte hinder blijkt dat het optredende equivalente geluidsniveau, gelegd op de gevels van de geplande woningen maximaal 41 dB(A) bedraagt. De gestelde grenswaarde van ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde wordt hiermee niet overschreden. Het terrein is reeds volgebouwd, een substantiële uitbreiding is daarom geen realistisch scenario. Een kleine uitbreiding zal niet leiden tot grote verschillen. Het verkeer zal iets toenemen, hiermee neemt de indirecte hinder iets toe. Dit zal echter niet voor een overschrijding zorgen. Daarnaast zal het piekgeluid gelijk blijven. Dit geldt ook voor de geluidbelasting van de maatgevende bron (de bladblazer). Het bedrijf wordt niet in de (toekomstige) bedrijfsvoering beperkt.
Tuincentrum Ranzijn In het in de vorige alinea genoemde akoestisch onderzoek is tevens onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van het tuincentrum Ranzijn, dat aan de zuidwestzijde van het plangebied gevestigd is. Het hoogst optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van het geluid vanwege het tuincentrum bedraagt 44 dB(A) in de dagperiode en 43 dB(A) in de avondperiode. Dat betekent, dat er in de avondperiode een overschrijding optreedt van 3 dB van de richtlijn voor een rustige woonwijk. Er wordt wel voldaan aan de richtlijnen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Het betreft hier de zijgevel van de dichtstbijzijnde woning. Door deze gevel als een dove gevel uit te voeren (of een scherm te plaatsen tussen de parkeerplaats van Ranzijn) en de woning zal er geen overschrijdingen meer optreden van de richtlijnen voor een rustige woonwijk. En gezien de aanwezige geluidwering van de gevel van deze woning van 27 dB komt de binnenwaarde in deze woning niet in gevaar. De piekniveaus als gevolg van de activiteiten bij Ranzijn worden veroorzaakt door dichtslaande portieren van personenauto’s. Deze zijn van de bezoekers die in de avonduren vertrekken en hun auto bij de perceelgrens hebben geparkeerd. Het hoogst optredende piekniveau bedraagt 68 dB(A). Het gaat daarbij om de zijgevel van het bouwblok.
Deze waarde ligt 8 dB boven de richtlijn in de avondperiode van 60 dB(A). Ook hier geldt dat als de zijgevel wordt uitgevoerd als dove gevel, er geen belemmeringen zijn voor de bouw van deze Status: vastgesteld 31
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
woningen. Op de voor- en achtergevels liggen de piekniveaus minimaal 3 dB lager en wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt de situatie zonder extra maatregelen toelaatbaar vanwege het feit dat een geluidwering van de gevel bij deze woningen is vereist van 27 dB ligt vanwege het gecumuleerde wegverkeer. Het binnenniveau vanwege het dichtslaan van portieren van de geparkeerde auto’s bedraagt daarmee 41 dB(A) in de avondperiode. Voor piekniveaus wordt doorgaans een maximaal binnenniveau gehanteerd van 50 dB(A); hier wordt ruimschoots aan voldaan. Voor Tuincentrum Ranzijn geldt een richtafstand van 10 meter voor gevaar. Dit betreft onder andere brandgevaar en stofexplosies. Eén woning is voorzien binnen de richtafstand van 10 meter. Deze woning grenst echter aan het parkeerterrein aan de voorzijde van het tuincentrum, waar geen gevaarlijke stoffen liggen opgeslagen of brandoverslag plaats zal vinden. Het aspect gevaar vormt aldus geen belemmering. Sportvereniging VSV Met betrekking tot sportvereniging VSV zou eveneens een situatie kunnen ontstaan dat er woningen in Hofgeest West in gebruik worden genomen voordat de sportvelden van VSV zijn verplaatst. In dat geval dient rekening te worden gehouden worden met mogelijk hinder als gevolg van geluid op de te realiseren woningen.
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek volgt dat er als gevolg van de activiteiten bij VSV met betrekking tot het Activiteitenbesluit voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau geen overschrijdingen op de gevels van de nieuwe woningen worden verwacht. Dat komt doordat het stemgeluid van bezoekers, spelers en scheidrechter evenals het geluid van het scheidsrechtersfluitje niet worden meegenomen in de beoordeling. Er blijft dan alleen het geluid van de grasmaaiers over. In het kader van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening zijn er wel overschrijdingen van de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, zowel bij de trainingen als bij de wedstrijden. In beide gevallen bedraagt de overschrijding 7 dB, zowel in de dagperiode als ook in de avondperiode. Bij wedstrijden treedt deze overschrijding op tijdens de dagperiode. Bij trainingen treedt de overschrijding op in de avondperiode. Uit het oogpunt van de ruimtelijke ordening wordt deze situatie toelaatbaar geacht vanwege het feit dat de geluidwering van de gevel bij de woningen parallel aan de Broekeroog rond de 27 dB ligt vanwege het gecumuleerde wegverkeer. Daardoor zal het optredende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van het geluid tijdens de wedstrijden en tijdens de trainingen geen overschrijding van het binnenniveau in de woningen veroorzaken.
De aanwezigheid van de voetbalvereniging is geen belemmering voor de geplande woningbouw. In combinatie met het feit dat de voetbalclub wordt verplaatst naar een nieuwe situatie en er dus uitsluitend sprake kan zijn van een tijdelijke situatie, is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Wegverkeerslawaai In verband met de ligging van het plangebied nabij verschillende gezoneerde wegen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder voor de deelgebied Hofgeest VSV en Hofgeest West worden hieronder toegelicht. Hofgeest VSV Ten aanzien van de geluidsbelasting als gevolg van het verkeer over de rijkswegen N208, A9 en A22 is voor Hofgeest VSV akoestisch onderzoek (Bijlage 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en bedrijven Hofgeest VSV) en een maatregelenonderzoek (Bijlage 5 Maatregelonderzoek wegverkeerslawaai) uitgevoerd. Ten gevolge van wegverkeer op de genoemde rijkswegen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevels van de geplande woningen overschreden. Als gevolg van de rijkswegen wordt ook op meerdere woningen de maximale grenswaarde van 53 dB voor buitenstedelijke situaties overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting ter plaatse van de nieuwbouwwoningen bedraagt 57 Status: vastgesteld 32
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
dB. Bij de woningen waar de maximale grenswaarde van 53 dB wordt overschreden zijn deels dove gevels nodig. Uit het maatregelonderzoek volgt dat zonder aanvullende maatregelen (bijvoorbeeld in de vorm van geluidsschermen of toepassing dove gevels) de geluidsbelasting in het gehele deelgebied Hofgeest VSV hoger is dan de toegestane maximale (ontheffings)waarde van 53 dB. Er is geconstateerd dat met enkel een geluidsscherm langs de A22 en aanvullende gevelmaatregelen aan de eerstelijns bebouwing een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat bij een scherm van 720 meter lang en 2 meter hoog langs de A22 voor 13 eerstelijnswoningen in Hofgeest VSV gevelaanpassingen benodigd zijn (op 1e en 2e verdieping) om aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB te voldoen. Voor de resterende woningen in het plangebied zijn hogere grenswaarden vastgesteld. Op de begane grond wordt met dit voorgestelde scherm langs de A22 voor alle woningen aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB voldaan. Met dit scherm kan een aanvaardbaar geluidklimaat worden gerealiseerd. De realisatie van het geluidsscherm is als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan opgenomen. Hofgeest West Voor het deelgebied Hofgeest West is separaat akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 4 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Hofgeest West).
Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen vanwege het wegverkeer op de rijkswegen A9, A22 en A208/N208 en op de Broekeroog de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidbelasting op de gevel ten gevolge van het wegverkeer op de A208/N208 bij de meest westelijke gelegen woningen de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. Bovendien zijn er een aantal bouwblokken waar ook de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt overschreden. Het blijkt dat voor een aantal woningen aan de westzijde van het bouwplan de derde bouwlaag een dove gevel dient te zijn. Als er op deze bouwlaag geen verblijfsruimten worden geprojecteerd, is deze voorwaarde niet noodzakelijk. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB. Aan de oostzijde van het plangebied blijkt dat de geluidbelasting op de gevel ten gevolge van het wegverkeer op de A9/A22 bij de woningen gelegen parallel met de Broekeroog de voorkeurswaarde van 48 dB overschrijdt. De hoogst optredende waarde bedraagt 53 dB. Deze waarde is gelijk aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Uit de rekenresultaten volgt dat voor wat betreft de Broekeroog de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen parallel aan de Broekeroog de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De hoogst optredende waarde bedraagt 53 dB.
Deze waarde ligt onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor de overige omliggende wegen geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen lager of gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de woningen waar in de toekomstige situatie sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde maar geen overschrijding van de maximale ontheffingswaarde, zijn hogere grenswaarden vastgesteld. Ook dient rekening te worden gehouden met de noodzakelijke toepassing van dove gevels om de woningbouw mogelijk te maken. In het onderhavige bestemmingsplan is in dit kader een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Luchtvaartlawaai Voor wat betreft luchtvaartlawaai blijkt uit de geluidscontouren van het luchtvaartterrein Schiphol, dat het plan buiten de 26 LAeq nachtcontouren en buiten de 35 KE-contouren van dit luchtvaartterrein ligt.
Status: vastgesteld 33
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
4.3 Lichthinder Het voorkomen van lichthinder draagt bij aan een goede leefomgeving. Op grond van het Activiteitenbesluit geldt ten aanzien van lichthinder een zorgplicht voor het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder. Door de Nederlandse stichting voor verlichtingskunde (NSVV) zijn richtlijnen voor lichthinder opgesteld. In het Activiteitenbesluit is verwezen naar deze richtlijnen. De tijden waarop de verlichting aan mag zijn, zijn geregeld in artikel 3.148 van het Activiteitenbesluit. De woningbouw in Hofgeest West is langs de Hofgeesterweg voorzien binnen de richtafstand van aanwezige lichtmasten op de voetbalvelden (zie paragraaf 4.1). De afstand van de lichtmasten tot de gevel van nieuw te bouwen woningen bedraagt circa 40 meter. Uitgangspunt is dat de sportvelden van VSV worden verplaatst naar een nieuwe locatie. Deze ontwikkeling maakt onderdeel uit van het onderhavige bestemmingsplan. De sportvelden worden in dit bestemmingsplan wegbestemd. Mocht onverhoopt toch sprake zijn van een (tijdelijke) situatie waarbij woningen binnen de richtafstand van de huidige sportvelden worden gerealiseerd, dan zal onderzoek worden uitgevoerd naar de lichtinstraling en zullen eventueel benodigde maatregelen worden getroffen.
Bij eventuele overschrijdingen zijn eenvoudige oplossingen voorhanden zoals bijvoorbeeld het toepassen van ledverlichting en gebruik van armaturen waarmee lichtuitstraling kan worden voorkomen. Ook rugbyclub The Smugglers heeft een aantal lichtmasten langs het veld staan. De lichtmasten staan op meer dan 50 meter van de te realiseren woningen. In de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' geldt voor een veldsportcomplex met verlichting een grootste indicatieve afstand van 50 meter tot woningen. Omdat aan deze richtafstand wordt voldaan, wordt geconcludeerd dat de lichtmasten een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen niet in de weg staan. Ook voor de rugbyvelden geldt overigens dat deze zullen worden verplaatst naar het nieuwe sportcomplex. Op de nieuwe locatie van het sportcomplex zijn geen woningen of andere gevoelige functies aanwezig binnen de richtafstand van 50 meter zoals dit is opgenomen voor een veldsportcomplex met verlichting in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Bij de keuze voor de verlichting wordt er rekening mee gehouden dat het licht zoveel mogelijk gebundeld wordt en op de velden schijnt. Hiermee wordt de verstrooiing van het licht naar de omgeving voorkomen.
4.4 Geur Bij het toestaan van nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningen, dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid in verband met geurbronnen in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied worden paarden gehouden. In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn voor paarden minimumafstanden opgenomen die dienen te worden aangehouden tussen het emissiepunt van het dierenverblijf (paardenstal) en de buitenzijde van geurgevoelige objecten. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom bedraagt deze minimumafstand 100 meter. Ook in de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening richtafstanden in acht moet worden genomen tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Voor het fokken en houden van overige graasdieren (paardenfokkerijen) is voor het aspect geur een richtafstand van 50 meter opgenomen. De geplande woningbouw valt binnen de voorgenoemde afstanden van twee paardenhouderijen en een paardenbak. Het realiseren van woningen binnen de Status: vastgesteld 34
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
afstandsnormen is in beginsel niet toegestaan. Hiervan kan worden afgeweken als op die locatie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Om de daadwerkelijke geurbelasting als gevolg van de paardenhouderij inzichtelijk te maken is een onderzoek uitgevoerd naar geurhinder (Bijlage 6 Geuronderzoek). Doel van het onderzoek is het nagaan of ter plaatse van het plangebied waar woningbouw is voorzien, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Paardenhouderij Schoorl Uit de uitgevoerde berekeningen van de geurconcentraties rondom de paardenhouderij blijkt dat de maximale geurbelasting binnen het plangebied 0,8 OUE/m3 als 98 percentiel bedraagt. Dit komt overeen met een hinderpercentage van 6% en een ‘goede’ milieukwaliteit. Op grond van de resultaten van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat de paardenhouderij geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. De paardenhouderij wordt in de huidige situatie reeds beperkt in uitbreidingsmogelijkheden door andere bestaande geurgevoelige objecten die binnen de minimum afstand van het bedrijf liggen. De komst van extra woningen door het plan brengt geen extra beperkingen met zich mee voor de paardenhouderij. Dressuurstal Gouda Uit het uitgevoerde geuronderzoek volgt dat de maximale geurimmissie ten gevolge van de dressuurstal 2,0 OUE/m3 als 98 percentiel bedraagt.
Deze maximale geurbelasting komt overeen met een hinderpercentage van 11% en een ‘redelijk goede’ milieukwaliteit. Dit is de maximale waarde op de rand van het plangebied. Ter hoogte van de gevel van de meest nabijgelegen geplande woningen is de maximale geurbelasting 1,0 OUE/m3 als 98 percentiel en is er sprake van een ‘goede’ milieukwaliteit. Op grond van de resultaten van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat de dressuurstal geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. De paardenhouderij wordt in de huidige situatie reeds beperkt in uitbreidingsmogelijkheden door andere bestaande geurgevoelige objecten, ten noorden/noordoosten, die binnen de minimum afstand van het bedrijf liggen. De komst van nieuwe woningen ten noordwesten brengt geen extra beperkingen met zich mee voor de paardenhouderij aangezien de stallen al geheel ten noordwesten van het perceel liggen en dus niet verder naar het noordwesten kunnen opschuiven. Tenslotte is het terrein reeds volgebouwd, een substantiële uitbreiding is daarom geen realistisch scenario. Het bedrijf was al aanwezig voor 2013. Hiermee hoeft het bedrijf niet te voldoen aan de minimale afstanden voor mestopslag zoals opgenomen in artikel 3.46 lid 1 van het Activiteitenbesluit. Daarbij blijkt dat verplaatsing van de mestopslag ten aanzien van de huidige geurgevoelige objecten niet nodig of mogelijk was.
Tenslotte is er met de mestopslag en inclusief stalemissies sprake van een aanvaarbare geurbelasting binnen het plangebied. Paardenbak aan het Spijk Een paardenbak wordt in zijn algemeenheid onder paardenhouderij geschaard. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De paardenbak aan het Spijk ligt op meer dan 50 meter tot de gronden waar woningbouw is voorzien. Op de hoek Hofgeesterweg - het Spijk is een stuk grond afgezet waar paarden lopen. De meest nabijgelegen te realiseren woning is voorzien op circa 20 meter van deze gronden. Met betrekking tot geur is geen sprake van een stal of mestopslag waarvandaan enige geuremissie kan worden verwacht. Met betrekking tot geluid is reeds een noodzaak tot het nemen van maatregelen aan de nabijgelegen woningen als gevolg van het geluid van wegverkeer. Er worden als gevolg van deze functie geen belemmeringen verwacht vanwege geur. Status: vastgesteld 35
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
4.5 Externe veiligheid Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaarleverende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Het gaat hierbij om transportroutes van gevaarlijke stoffen, risicovolle inrichtingen en buisleidingen. Het bestemmingsplan moet op basis van het BEVI (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen) en het per 1 april 2015 van kracht geworden Besluit Externe Veiligheid Transportroutes worden getoetst aan de externe veiligheidsaspecten zijnde het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Binnen de 10-6 /jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang.
Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN- curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen Er is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen in relatie tot externe veiligheid (Bijlage 7 Onderzoek externe veiligheid). De risicobronnen rondom het plangebied zijn in beeld gebracht. Er zijn geen luchthavens en inrichtingen die van invloed zijn op het plangebied. Wel zijn transportoutes van gevaarlijke stoffen over de weg en buisleidingen relevant voor het plangebied. Transportroute van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van wegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Hofgeest West is gelegen binnen het invloedsgebied van de A208/N208. Hofgeest VSV en de sportvelden liggen binnen het invloedsgebied van de A22. Op basis van de vuistregels uit de Handleiding HART is bepaald of een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) benodigd is.
Uit deze analyse blijkt dat voor zowel Hofgeest West als voor Hofgeest VSV en de Sportvelden een QRA niet benodigd is. Conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet benodigd. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat. Buisleidingen Alleen de nieuwe locatie van de sportvelden is gelegen binnen de PR 10-6 contour van een risicobron, te weten de Crude Oil leiding van Petrogas. Binnen deze PR 10-6 contour worden echter geen verblijfsobjecten gebouwd. Het plaatsgebonden risico is hiermee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het gaat hierbij om de Crude Oil Leiding van Pertrogas en om hoge druk aardgastransportleidingen van de Gasunie. Voor de Crude Oil Leiding is door Petrogas E&P Status: vastgesteld 36
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
Netherlands B.V. recent een QRA uitgevoerd. Hieruit volgt dat dat er geen formele groepsrisico (GR) aandachtpunten met een GR boven de oriënterende waarde (OW) komen, zolang de bevolkingsdichtheid lager is dan 255 personen per hectare. Effectafstanden zijn van belang voor de bepaling van het invloedsgebied (1%-letaliteitafstand) met de inventarisatie van bebouwing in relatie tot het groepsrisico, overeenkomstig het algemene externe veiligheidsbeleid. Weliswaar zal het groepsrisico nergens boven de oriëntatiewaarde komen, het aantal objecten binnen de effectafstand kan van belang zijn voor de verantwoording van het risico door het bevoegd gezag, en de bepaling van preparatieve maatregelen. Uit de QRA voor de hogedruk aardgasleidingen volgt dat voor een aantal leidingen het groepsrisico boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde ligt. Ook geldt dat voor een aantal leidingen het groepsrisico toeneemt met meer dan 10%. Dat betekent dat voor de plansituatie een verantwoording van het groepsrisico dient te worden uitgevoerd voor de leidingen.
Verantwoording groepsrisico Als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over spoor en weg en door buisleidingen kunnen de volgende risico’s zich voordoen: Fakkelbrand Plasbrand Toxische gaswolk BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) Met betrekking tot mogelijkheden voor zelfredzaamheid dienen in het plan voldoende vluchtwegen te worden opgenomen. Daarnaast kan het bevoegd gezag de burgers, die binnen het invloedsgebied wonend of werkzaam zijn, informeren over de mogelijkheden en onmogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen bij een eventuele calamiteit (risico communicatie). Voor het scenario fakkelbrand kunnen verzamelplaatsen worden geselecteerd en ingericht. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een toxische gaswolk dienen zij zoveel als mogelijk te schuilen en ramen en deuren goed te sluiten. Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Na een BLEVE dienen de personen in het gebied zo snel mogelijk het gebied te ontvluchten om de effecten van secundaire branden te mijden. De hulpverlening dient risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De beschouwde risicobronnen kunnen leiden tot ongevallen die onbeheersbaar kunnen blijken.
De genoemde maatregelen kunnen de effecten van ongevallen mogelijk reduceren tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Ondanks de reductie van het risico is er altijd sprake van een restrisico. Het restrisico is echter dermate beperkt dat het acceptabel is. Externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Nationale buisleidingenstrook De nieuwe locatie van de sportvelden ligt ook binnen de PR10-6/jaar contour van de nationale leidingen strook. Zoals in paragraaf 3.3.1 is aangegeven is de gemeente verplicht om in het onderhavige bestemmingsplan rekening te houden met toekomstige leidingen waarbij voorkomen moet worden dat er nieuwe belemmeringen ontstaan. Het nationale buisleidingentracé is met een breedte van 70 meter vastgelegd met een gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - buisleidingenstraat'. Binnen deze zone zijn geen kwetsbare objecten en geen gebouwen toegestaan. Ten behoeve van de verplaatsing van het sportcomplex is het voorkeurstracé ten opzichte van het Barro iets opgeschoven naar het noordoosten waarmee het bestaande tracé is vastgelegd en voldoende ruimte blijft voor toekomstige leidingen. Status: vastgesteld 37
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
4.6 Luchtkwaliteit De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het voormalige ministerie van VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie CO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. De 3%-grens geldt sinds 1 augustus 2009: de datum waarop het Kabinetsbesluit Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht is geworden.
Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat bij het onderhavige plan sprake is van een 'klein project' welke niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijn stof en stikstofdioxide in 2017, 2020 en 2025 langs wegen in de nabijheid van het plangebied onder de 35 µg/m³ liggen. Ter plaatse van het gehele plangebied zal dan ook worden voldaan aan de grenswaarden omdat de concentraties luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate een locatie verder van de weg ligt. Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed woon- en leerklimaat.
4.7 Verkeer en parkeren In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. De woningen in Hofgeest West en Hofgeest VSV zullen hoofdzakelijk worden ontsloten via de Broekeroog. Alleen een deel van de woningen die gesitueerd zijn aan de (smalle) Hofgeesterweg worden via deze weg ontsloten. Het voornemen is om het nieuwe sportcomplex te laten ontsluiten via een nieuwe weg over het huidige terrein van de rugbyclub. Deze nieuw te maken ontsluitingsweg zal worden opgenomen in een separaat bestemmingsplan waarin woningbouw op het huidige terrein van de rugbyclub zal worden mogelijk gemaakt. Op dit moment is namelijk nog niet duidelijk hoe het woningbouwplan hier zal worden vormgegeven en waar de ontsluitingsweg precies kan komen te liggen. In de tijdelijke situatie zal het sportcomplex via de bestaande wegen worden ontsloten. Er is onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten verkeersgeneratie als gevolg van het plan en de verkeersafwikkeling (Bijlage 8 Onderzoek verkeersgeneratie en parkeren). Uit het onderzoek komt naar voren dat de grootste toename van autoverkeer plaats zal vinden op De Kamp, Broekeroog en de Grote Buitendijk. De Kamp en Broekeroog zijn ingericht als gebiedsontsluitingswegen en kunnen de toename van autoverkeer aan.
Op de Grote Buitendijk is sprake van een brede middenrijloper met fietsstroken aan weerszijden. Er is hier sprake van een zogenaamde 'grijze weg', wat betekent dat de functie niet overeenkomt met de inrichting volgens Duurzaam Veilig. Een wegcategorie die volgens Duurzaam Veilig vermeden moet worden, maar vanwege ruimtegebrek toch veelvuldig toegepast wordt. Dit is Status: vastgesteld 38
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
in de huidige situatie al het geval en ook geaccepteerd. Fietsers worden enigszins gescheiden van het autoverkeer door fietsstroken. De toename van circa 300 motorvoertuigen per etmaal verandert het verkeersbeeld niet drastisch en is acceptabel. In het gemeentelijke Parkeernormenbeleid 2015 zijn parkeernormen bepaald op basis van type en grootte van de woning. In het schetsontwerp zijn voldoende parkeerplaatsen opgenomen en wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. Dit geldt ook voor het sportcomplex. In de algemene regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.
4.8 Bodem 4.8.1 Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen: Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.
Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.
4.8.2 Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit uit 2008 is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit. In het Besluit bodemkwaliteit zijn, onder meer, kwaliteitsregels voor bodemonderzoek, bodemsanering en Status: vastgesteld 39
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
laboratoriumanalyses vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer).
4.8.3 Relatie Wet bodembescherming en Wabo In artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is neergelegd wanneer een omgevingsvergunning in werking treedt. Een omgevingsvergunning treedt voor gevallen van ernstige verontreiniging, die voor 1 januari 1987 zijn veroorzaakt, niet eerder in werking dan nadat: met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of een BUS-melding is gedaan en de vijf weken termijn is verstreken. Er geldt alleen een bodemonderzoeksplicht voor bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt niet eerder afgegeven dan nadat uit onderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor gevallen van ernstige verontreiniging die na 1 januari 1987 zijn veroorzaakt, geldt voor de veroorzaker van de verontreiniging geen uitgestelde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning omdat deze worden geacht onmiddellijk te worden opgepakt.
4.8.4 Bodemkwaliteit in het plangebied Binnen het plangebied is een milieuhygiënisch (historisch) vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van de gronden van het plangebied (Bijlage 9 Historisch bodemonderzoek). Het vooronderzoek is gebaseerd op de volgende onderzoeksnorm NEN 5725:2017. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd een verkennend bodemonderzoek uit te voeren op het deelterrein Hofgeest West. Met name het perceel aan de Hofgeesterweg 18 en het voormalige (half)verharde pad zijn verdacht op het voorkomen van bodemverontreinigingen. De huidige sportvelden en de voorgenomen locatie van de toekomstige sportvelden kunnen worden beschouwd als onverdacht. Indien visueel blijkt dat er sloten gedempt zijn ter plaatse van het te ontwikkelen terrein van het sportcomplex wordt geadviseerd de slootdemping te beschouwen als een verdacht lijnvormig tracé. Voor deelgebied Hofgeest West is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 10 Verkennend bodemonderzoek Hofgeest West). In het uitgevoerde bodemonderzoek is door middel van de bemonstering en analyse van grond en grondwater de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Uit het onderzoek volgt dat er binnen het deel lichte verontreinigingen zijn aangetroffen.
Ter plaatse van Hofgeesterweg 18 dient een na verwijdering van de verhardingslaag een asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Verder is er geen aanleiding voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. Voor het deelgebied Hofgeest VSV en de toekomstige sportvelden is verkennend bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 11 Verkennend bodemonderzoek Hofgeest VSV en toekomstige sportvelden). Er zijn uitsluitend lichte verontreinigingen aangetroffen. Op basis van het vooronderzoek en het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de bodem geschikt is of, voor enkele deellocaties zonodig geschikt te maken is, voor een woonfunctie. Binnen het plangebied zijn enkele deellocaties aanwezig welke mogelijk verontreinigd zijn. Indien noodzakelijk worden deze locaties gesaneerd, waarna de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. In de grondexploitatie van het plan is rekening gehouden met de kosten voor eventuele sanering, waardoor de financiële uitvoerbaarheid niet in het geding is. Status: vastgesteld 40
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
4.9 Ecologie Wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van planten diersoorten (soortenbescherming). Door middel van een verkennend onderzoek (Bijlage 12 Verkennend natuuronderzoek) is inzicht verkregen in de mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden in en om het projectgebied. Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand circa 1,5 km ten westen van het plangebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Verder weg (> 6 km) gelegen Natura 2000-gebieden zijn Noordhollands Duinreservaat en Polder Westzaan. Tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ligt de bebouwing van Velserbroek en Santpoort Noord evenals de N208. Geluid en beweging die met sloop en nieuwbouw gepaard gaat reikt hooguit enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. Er is hierdoor dus zeker geen aantasting van (prioritaire) habitats en/of leefgebieden van soorten. Sloop en nieuwbouw in het plangebied resulteert niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied.
Daarnaast veroorzaakt het geen effecten met betrekking tot versnippering, verontreiniging, verdroging of verstoring door licht- of mechanische effecten. Gezien de ligging en voorkomende habitats is een ecologische relatie tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid niet aanwezig. Sloop en nieuwbouw gaan gepaard met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich vrij gemakkelijk over een afstand van enkele kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling Hofgeest leidt in de gebruiksfase tot een toename van de stikstofdepositie van 0,04 mol/ha/jaar in het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. Voor de aanlegfase geldt dat er een toename is van stikstofdepositie van 0,06 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid, een toename van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat en een toename van 0,01 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied Polder Westzaan, uitgaande van de in het onderzoek gehanteerde uitgangspunten wat betreft fasering en inzet van materieel (stageklasse IV).
Op basis van de resultaten van het onderzoek is een aanvraag ingediend om aanspraak te maken op stikstofdepositieruimte uit het Stikstofregistratiesysteem. Het project valt binnen de woningbouwversnellingsopgave van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) en daarmee kan het project aanspraak maken op de “spoedaanpak stikstof bouw en infrastructuur” conform “Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 13 maart 2020, nr. WJZ/20072948, tot wijziging van de Regeling natuurbescherming”. Op 29 september 2020 is door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verleend (Bijlage 13 Besluit Wnb stikstofdepositie). De vergunning is in werking getreden en is onherroepelijk. Het aspect stikstofdepositie staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Aangezien de NNN geen externe werking kent, hoeft er niet nader getoetst te worden op effecten. Het plangebied ligt bovendien ruim buiten de verstoringsafstand van weidevogelleefgebied, namelijk ca. 1,5 kilometer, en er is geen relatie met weidevogelleefgebied. Tevens ligt het plangebied niet in de omgeving van ganzenfoerageergebieden. Er vinden binnen het kader van de voorgenomen ontwikkelingen Status: vastgesteld 41
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
dus tevens geen aantasting van weidevogelleefgebieden of ganzenfoerageergebieden plaats. Er hoeft niet nader getoetst te worden op effecten. Soortbescherming Uit het uitgevoerde natuuronderzoek blijkt dat er binnen het plangebied vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied uitsluitend tijdens het broedseizoen zijn beschermd. Gezien de kans op verstoring door werkzaamheden op broedvogels groot is tijdens het broedseizoen, zullen eventuele rooi en sloopwerkzaamheden uitsluitend buiten het broedseizoen uitgevoerd moeten worden om verstoring van nesten en broedsels te voorkomen. De Wet natuurbescherming staat voor wat betreft vogels derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Binnen het plangebied kunnen vogelsoorten voorkomen waarvan het nest en functioneel leefgebied het gehele jaar door beschermd is. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is sprake indien bomen (roofvogels, uilen) of gebouwen (huismussen) met deze nesten worden gekapt dan wel gesloopt. Uit het uitgevoerde aanvullend soortenonderzoek (Bijlage 14 Aanvullend soortenonderzoek) is geconstateerd dat de schuur in het plandeel Hofgeest West wordt gebruikt als roestplek van een kerkuil. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen is noodzakelijk.
Hier zullen twee nieuwe roestplekken door middel van bijvoorbeeld het plaatsen van twee kerkuilenschuren moeten worden gecreëerd. Ook zijn in dezelfde schuur twee nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Indien maatregelen worden getroffen in de vorm van zes permanente nestkommen (per twee) voor de boerenzwaluw is het aanvragen van een ontheffing niet nodig. Binnen het plangebied kunnen mogelijk vleermuisverblijven voorkomen in de te slopen gebouwen (clubhuis en woonhuis). Daarnaast is vastgesteld dat vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen niet voorkomen. Evenmin is er sprake van aantasting van essentieel foerageergebied of vliegroutes. Van een overtreding van de verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen is alleen mogelijk sprake met betrekking tot hun verblijfplaatsen. Uit het uitgevoerde aanvullend veldonderzoek volgt dat er in de gebouwen bij deelgebied West geen vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. In deelgebied Hofgeest VSV is er in het clubhuis van de voetbalvereniging één zomerverblijfplaats van één gewone dwergvleermuis aanwezig. De bomenrij langs de Broekeroog is geen onderdeel van een essentiële vliegroute. Wel wordt de bomenrij gebruikt als windscherm door de gewone dwergvleermuis, die achter de bomenrij foerageert.
Een ontheffing voor het vernietigen van één zomerverblijfplaats en verstoren van de gewone dwergvleermuis is voor deelgebied Hofgeest VSV noodzakelijk. In dit kader zullen vier tijdelijke vleermuiskasten en vier permanente vleermuiskasten geplaatst moeten worden. De tijdelijke kasten moeten minimaal drie maanden hangen voordat de huidige zomerverblijfplaats ongeschikt gemaakt kan worden. Waarbij alleen de maanden april t/m oktober meetellen. Er is potentieel leefgebied voor de bunzing en wezel aanwezig. Tijdens het aanvullend natuuronderzoek zijn geen kleine marterachtigen in het plangebied aangetroffen. Geconcludeerd wordt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het (essentieel) leefgebied van kleine marterachtigen. Er kunnen algemene vrijgestelde plant en diersoorten voorkomen in het plangebied. Deze soorten kunnen bij de sloop-, herinrichting en bouwwerkzaamheden verstoord worden, maar er zijn voldoende uitwijkmogelijkheden in de directe omgeving. Vanwege de zorgplicht dient met deze soorten wel rekening gehouden te worden bij de uitvoering van de werkzaamheden, vooral indien sloten gedempt gaan worden. Er is geen vervolgprocedure (nader onderzoek, ontheffingsaanvraag) noodzakelijk voor niet beschermde en vrijgestelde Status: vastgesteld 42
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
soorten. Wel wordt aanbevolen om een ecologisch werkprotocol op te laten stellen die aangeeft hoe de werkzaamheden verantwoord uitgevoerd kunnen worden.
4.10
Duurzaamheid
Energietransitie en duurzaamheid De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water. Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma 'Nederland Circulair in 2050'. Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2-uitstoot realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Het doel van de energietransitie is om een geheel duurzame energievoorziening te hebben in 2050 in Nederland, die dan voor 100% bestaat uit groene energie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Circulair bouwen is ook een belangrijk onderwerp, zoals geformuleerd in het programma 'Nederland Circulair in 2050'. De bouwsector neemt 50% van het grondstoffenverbruik in Nederland voor zijn rekening. Veel afval is sloopafval. Om onze leefomgeving duurzaam in te richten is een versnelling van innovaties (circulair en modulair bouwen) binnen de bouwsector nodig. Verbindingen op gebied van duurzame energie & warmte, -mobiliteit, klimaatadaptatie en gebiedsvernieuwing zijn voor deze ontwikkelingen van belang.
Aandachtspunt is dat duurzaamheid in een vroeg stadium betrokken wordt bij de planvorming. Regelgeving Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Per 1 januari 2021 moeten alle nieuw te bouwen gebouwen voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG). Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energiegebruik te verlagen. Toepassing in het project Gemeente Velsen en de ontwikkelaars hebben een werkgroep Duurzaamheid op gericht. De werkgroep heeft als doel om gezamenlijk de verschillende duurzaamheidsmaatregelen die genomen kunnen worden met elkaar te onderzoeken. Uiteindelijk zal er een shortlist worden opgesteld met de gewenste mix aan praktisch toepasbare maatregelen die voor Hofgeest toepasbaar zijn. Duurzaamheid gaat hier verder dan enkel het energetische vraagstuk. Ook wordt gekeken naar maatregelen op het private terrein en de openbare ruimte. De maatregelen worden per thema behandeld. Deze thema's zijn: Klimaatadaptatie Energie Circulaire economie Mobiliteit Biodiversiteit
Status: vastgesteld 43
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
4.11
Cultuurhistorie
Op grond van de Modernisering Monumentenwet (MoMo) dient in een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In Hoofdstuk 2 en het Beeldkwaliteitsplan is ingegaan op de cultuurhistorische waarde van het plangebied. Tevens is in het beeldkwaliteitsplan ingegaan op welke wijze in het stedenbouwkundig plan is omgegaan met deze waarden. Het bouwplan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.
4.12
Archeologie
In paragraaf 3.5.5 is ingegaan op de Beleidsnota Archeologie Velsen en is aangegeven dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een hoge archeologische verwachting. Ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek (Bijlage 15 Archeologisch bureauonderzoek) en inventariserend veldonderzoek (Bijlage 16 Archeologisch inventariserend booronderzoek) uitgevoerd. Het plangebied ligt in het voormalige Oer-IJ estuarium, wat van ca. 3500 jaar geleden tot ca. 2000 jaar geleden actief was. Het Oer-IJ was een rivier die destijds in de omgeving van het plangebied in de Noordzee uitmondde. Rond het begin van de jaartelling slibte het estuarium dicht. In de periode dat het Oer-IJ estuarium actief was, maar ook in de periode daarna, werd het gebied bewoond en gebruikt door mensen. In de directe omgeving van onderhavig plangebied is een groot aantal archeologische vindplaatsen aanwezig. Binnen 1 km rond het plangebied zijn met name veel vindplaatsen uit de periode IJzertijd – Romeinse Tijd aanwezig, waaronder resten van twee militaire forten uit de Romeinse Tijd. Daarnaast zijn binnen 1 km rond het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig uit het LaatNeolithicum, Bronstijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
Binnen dezelfde straal rond het plangebied bevinden zich twee archeologische rijksmonumenten: een militair fort en een nederzettingsterrein met resten vanaf het Laat-Neolithicum tot en met de IJzertijd. Voor de deelgebieden Hofgeest West en Hofgeest VSV geldt een hoge archeologische verwachting voor resten uit de periode Laat-Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen aanwezig zijn in en direct onder de bouwvoor en zijn daarom mogelijk verstoord. Resten uit de periode Laat-Neolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen zijn mogelijk in een latere fase afgedekt onder een pakket zand, klei en/of veen en zijn daarom mogelijk goed geconserveerd. Binnen het deelgebied Sportvelden is in 2012-2013 een archeologische opgraving uitgevoerd. Uit dit onderzoek bleek dat archeologische resten op twee niveaus aanwezig zijn in de bodem: resten uit de Romeinse Tijd in de top van een laag veraard veen (vanaf ca. 0,5 meter beneden maaiveld) en resten uit de IJzertijd in de top van de afzettingen van het Oer-IJ estuarium. De resten op beide niveaus bestaan uit sporen van off-site activiteiten, zoals akkerbouw, veeteelt en opslag van gewassen. Resten van een nederzetting zijn op deze locatie tijdens het onderzoek in 2012-2013 niet aangetroffen; vermoedelijk bevinden die zich in de directe omgeving van de vindplaats.
Voor het deelgebied Sportvelden geldt daarom een hoge archeologische verwachting. Uit het inventariserend veldonderzoek volgt dat de relevante niveaus uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd zeer waarschijnlijk verstoord zijn aangezien het maaiveld op de meeste plaatsen verstoord is vanaf 50 tot 80 cm onder het maaiveld, en regelmatig nog iets dieper. In het deelgebied Sportvelden is er iets minder verstoring aanwezig, daar is een lage verwachting mogelijk op archeologie uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd onder de verstoringen van ca. 40 cm diepte. Uit proefsleuvenonderzoek dat in het oostelijk deel van Status: vastgesteld 44
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
het plangebied is uitgevoerd volgt dat er ook in de top van het veraarde veen op ca. 0,9 m -mv archeologie voorkomen, hoewel de top waarschijnlijk is verspoeld door de klei die is afgezet tijdens de Middeleeuwen. Resten uit de IJzertijd en Romeinse tijd kunnen verwacht worden onder de humeuze laag in het duinzand op ca. 1,20 m -mv (-mv = beneden maaiveld) in Hofgeest West. In Hofgeest VSV is deze laag mogelijk opgenomen in de bouwvoor aangezien deze hier verwacht zou worden tussen 0,6 en 0,2 m -mv vanwege de lage ligging van het terrein. Archeologische waarden zijn hierdoor mogelijk verstoord geraakt maar zijn mogelijk nog aanwezig onder de bouwvoor. Waarschijnlijk resteren alleen de dieper gelegen sporen nog. Resten vanaf het Laat Neolithicum tot en met de Bronstijd zijn mogelijk aanwezig in de top van het Laagpakket van Wormer op ca 3,2 tot 3,8 m -mv in Hofgeest West, in Hofgeest VSV van 2,8 m -mv tot 3,7 m -mv. en in deelgebied Sportvelden van ca. -1,3 m tot 1,5 m -mv. Daar waar boven Wormer geen veen meer aanwezig is, zal de top van dit niveau door de zee verspoeld of weggeslagen zijn. De verwachting op archeologie is daar laag. Op plaatsen waar nog veen aanwezig is op dit niveau kunnen archeologische resten eventueel nog intact aanwezig zijn. Dit is echter alleen het geval in deelgebied Sportvelden.
Hier geldt een lage tot middelmatige verwachting op archeologie uit het Laat Neolithicum tot en met de Bronstijd. Voor de andere gebieden is een lage verwachting aanwezig. De gemeente Velsen heeft ingestemd met het het advies is om de archeologische verwachting bij het deelgebied Hofgeest West op archeologie uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd vanaf het maaiveld bij te stellen naar zeer laag gezien de diepe verstoringen. Bij de deelgebieden Hofgeest West en VSV is deze verwachting laag aangezien het hier iets minder diep (ca. 50 cm) verstoord is. Archeologie uit het Laat-Neolithicum tot en met de Bronstijd heeft tevens een zeer lage verwachting in de top van Wormer op ca. 3,2 m -mv. Daar waar een humeuze laag in de top van Wormer aanwezig is, is namelijk geen veen meer aanwezig. Dit geeft aan dat de top van het veen verspoeld is geraakt door de zee. Het is zeer waarschijnlijk dat ook de top van Wormer hierdoor verspoeld is geraakt, en hierdoor is de verwachting uit het Neolithicum eigenlijk nihil, en de verwachting op resten uit de Bronstijd laag. Ook is het maar een zeer dun laagje licht humeus materiaal. Bij een archeologisch niveau is dit normaliter een veel dikker, donker gekleurd pakket. Deze verwachting kan daarom naar laag worden bijgesteld.
Daarnaast is een lage verwachting op archeologie uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd daar waar in Hofgeest West een humeuze laag is aangetoond op ca. 1,2 m -mv. Bij het deelgebied Sportvelden is in het zand geen bodem aangetoond. Ook zijn er geen andere aanwijzingen voor archeologie. Er is een lage kans op archeologie uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd vanaf het maaiveld. Ook is er een lage verwachting op archeologie uit het Laat-Neolithicum tot en met de Bronstijd in de top van Wormer vanaf ca. 1,3 m -mv aangezien ook hier veelal het veen ontbreekt op Wormer. Daarnaast is een lage verwachting op archeologie uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd in de top van het veen op ca. 0,9 m -mv. Gezien de lage kans op archeologie uit zowel de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd, die zeker in Hofgeest West waarschijnlijk afwezig is gezien de diepe verstoringen, en de lage kans op archeologie in de top van Wormer en, in de top van het veen in deelgebied Sportvelden, en onder de humeuze laag in Hofgeest West wordt alleen bij grote ingrepen vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of een begeleiding. In het onderhavige bestemmingsplan zijn 4 dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen op basis waarvan het uit te voeren archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek is geborgd.
Uit het proefsleuvenonderzoek volgt of de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden zonder schade aan te brengen aan Status: vastgesteld 45
bestemmingsplan "Hofgeest, Velserbroek "
archeologische waarden. Zonodig kunnen voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden , gericht op het treffen van maatregelen, zoals archeologievriendelijk bouwen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, het doen van opgravingen of begeleiding van de werken en werkzaamheden door een archeologisch deskundige. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden na afronding van het archeologisch vooronderzoek toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
4.13
Niet gesprongen explosieven
De mogelijke aanwezigheid van explosieven in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog. Handelingen die leidden tot niet gesprongen conventionele explosieven in de bodem, betroffen bijvoorbeeld het afwerpen van munitie, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, gevechten tijdens de begin-, tussen- en eindfase van de Tweede Wereldoorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden en dergelijke. Indien er bij voorgenomen (graaf)werkzaamheden een redelijk vermoeden bestaat op het aantreffen van conventionele explosieven (CE) in de (water)bodem dient een vooronderzoek conform de WSCS-OCE uitgevoerd te worden. Dit wordt voorgeschreven door de vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) en is verankerd in de bouwprocesbepalingen in het Arbobesluit en de V&G voorbereidingsfase. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is op basis van historische gegevens door middel van een quickscan onderzocht of er sprake is van een ‘redelijk vermoeden’ op het aantreffen van conventionele explosieven in de (water)bodem (Bijlage 17 Quickscan niet gesprongen explosieven).