E29 Ontwerpbestemmingplan Energiehaven.pdf
Tekst van het document
Veldonderzoek Bij het marteronderzoek is éénmaal een wezel waargenomen. Daarnaast zijn de beschermde soorten konijn, vos en bosmuis waargenomen. Voor deze laatste drie soorten geldt echter een provinciale vrijstelling van de Wet natuurbescherming. Gedurende de gehele onderzoeksperiode zijn er geen sporen en/of zichtwaarnemingen van zandhagedissen aangetroffen. Zowel op de zonnige delen als onder de reptielenschermen zijn er in het plangebied geen zandhagedissen waargenomen. Daarmee kan worden geconcludeerd dat er geen zandhagedissen aanwezig zijn in het plangebied. Conclusie Verstoring van beschermde gebieden (Natura 2000, NNN) door licht, beweging of geluid is niet aan de orde. In de aanlegfase is enige verstoring niet geheel uit te sluiten. Door mitigerende maatregelen, o.a. de werkzaamheden buiten het broedseizoen opstarten, kan overtreding van de Wet natuurbescherming worden voorkomen. Op basis van de onderzoeksresultaten kunnen de effecten voor vermesting en verzuring, juridisch gezien niet op voorhand worden uitgesloten dat significante negatieve effecten op Natura 2000‐gebieden optreden ten gevolge van de berekende stikstofdepositie in het planvoornemen zonder de‐NOx‐installaties op de drijvende kranen. Daarom dient een nadere ecologische beoordeling plaats te vinden.
Uit de ecologische beoordeling moet blijken in hoeverre deze effecten wel of niet significant verslechterend werken op Natura 2000‐gebieden. Wel zijn de mogelijkheden bekend om de depositie terug te brengen tot maximaal 0,00 mol/ha/jr. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Geluid
Toetsingskader Industrielawaai De Energiehaven wordt ontwikkeld op Industrieterrein IJmond. Dit industrieterrein valt onder het regime van de Wet geluidhinder. Rond het industrieterrein is een geluidzone vastgesteld. De lichterlocatie maakt ook deel uit van het industrieterrein. Het beheer van de geluidzone is belegd bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG).
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
36
Op de verbeelding van het bestemmingsplan is de begrenzing van het geluidgezoneerde industrieterrein vastgesteld rond het als bedrijf bestemde industrieterrein, de nieuwe lichterlocatie en een strook langs de kade van de Energiehaven. Deze verruiming van de grenzen van het gezoneerde industrieterrein heeft géén invloed op de ligging van de geluidzone, te weten de 50 dB(A) contour. De nieuwe activiteiten moeten dus nog steeds binnen de bestaande geluidzone passen. Omdat het motorgeluid van schepen voor de kade volgens de Wet geluidhinder tot de inrichting behoord wordt voor deze strook een breedte van 80 m aangehouden. Het manoeuvreren van schepen is indirect en wordt niet getoetst aan de geluidzone. De gemeente Velsen hanteert een stand still‐beginsel, wat inhoudt dat de milieudruk op de woningen binnen de gemeente niet mag toenemen. Voor industrielawaai moet het stand still‐beginsel als volgt worden gelezen: de geluidemissie vanuit het plangebied zorgt, bij volledige benutting van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet voor overschrijding van de geluidzone en de daarbij horende maximaal toelaatbare geluidbelastingen. De ODNZKG heeft vanuit haar rol als zonebeheerder een geluidbudget toegekend aan het plangebied. Wanneer aan dit geluidbudget wordt voldaan, dan wordt ook voldaan aan het stand still‐beginsel.
Verkeerslawaai Scheepvaartlawaai Het stand still‐beleid van de gemeente Velsen geldt ook voor scheepvaartlawaai. Het extra scheepsverkeer dat door de Energiehaven wordt gegenereerd mag niet leiden tot een relevante toename van de geluidbelasting bij woningen. Er bestaat geen wettelijk kader voor scheepvaartlawaai. In het MER is voor het beoordelen van de relevantie van de toename aangesloten bij de systematiek van de Wet geluidhinder voor het wijzigen van een weg. In die systematiek geldt een jaargemiddelde toename met 1,5 dB Lden of meer ten opzichte van het peiljaar als relevant. Wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai wordt beoordeeld volgens het regime van de Wet geluidhinder. Dit betreft geluid afkomstig van openbare wegen. In en rond de Energiehaven zijn geen openbare wegen aanwezig. De Energiehaven wordt namelijk ontsloten via het terrein van Tata Steel. Onderzoek Voor de aspecten industrielawaai en scheepvaartlawaai is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij het MER. De berekeningen zijn uitgevoerd volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (VROM, 1999), met behulp van Geomilieu 2020.2. Industrielawaai Het planvoornemen bestaat uit alle activiteiten in het plangebied: zowel het voortzetten van het lichteren op de nieuwe locatie als het gebruik van nieuwe Energiehaven.
Alle onderzochte situaties voldoen aan het geluidbudget dat is verstrekt door de zonebeheerder. Dat betekent dat uitvoering van de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de geluidzone van industrieterrein IJmond. Scheepvaartlawaai De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een relevante toename van de geluidbelasting vanwege scheepvaartlawaai ten opzichte van de autonome situatie. De toename voor de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 0,4 dB.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
37
Wegverkeerslawaai Het verkeer bereikt de openbare weg pas op de Wenckebachstraat of N197 Binnenduinrandweg. De verkeersgeneratie van de Energiehaven zal op deze weg geen relevante toename van de verkeersintensiteit veroorzaken (circa 1%). Aan‐ en afvoer van materiaal vindt voornamelijk plaats via het water. Het aspect wegverkeerslawaai is om deze reden niet relevant. Het aspect wegverkeerslawaai is om deze reden niet relevant voor dit onderzoek. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24‐uurgemiddelde max. 35 keer p.j.
meer dan concentratie 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
38
Regio IJmond en de gemeente Velsen hebben de Visie Luchtkwaliteit 2017‐2021 opgesteld. De hierin genoemde ambities worden vertaald naar het zogenoemde stand still‐principe. Dit principe houdt in dat als gevolg van nieuwe of aangepaste projecten en activiteiten, de luchtkwaliteit na realisatie niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Onderzoek Modelberekeningen vormen de basis voor de effectbeoordeling toetsing aan het wettelijk kader. De onderzochte stoffen zijn NO2, PM10, en PM2,5. Dit is uitgewerkt in de het deelrapport luchtkwaliteit behorend bij het MER. In het deelrapport luchtkwaliteit zijn tevens alle emissieberekeningen bijgevoegd. Uit de emissieberekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling van de Energiehaven ruimschoots voldoet aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het planeffect is verwaarloosbaar en voldoet daarmee aan het stand still‐beleid van de regio. Het stand still‐beleid bepaald de maximale gebruiksruimte binnen het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is geen maakindustrie toegestaan: alleen de Energiehaven en aanverwante activiteiten en andere op‐ en overslag vanuit schepen zijn toegestaan. Gebleken is dat het aantal zeeschepen dat per jaar naar de lichterlocatie en Energiehaven komt en daar langere tijd aangemeerd ligt, bepalend is voor de emissies naar de lucht.
Dit betekent dat de maximale milieugebruiksruimte vanuit luchtkwaliteit niet wordt overschreden als het aantal zeeschepen en uren dat zij aangemeerd liggen niet hoger is dan in het MER is onderzocht. Concrete aantallen schepen en of uren worden niet in het bestemmingsplan vastgelegd. In het bestemmingsplan wordt bijvoorbeeld walstroom toegestaan, als schepen hiervan gebruik maken zal de emissie naar de lucht afnemen met hetzelfde aantal schepen en uren. Voor alle andere activiteiten zal steeds van te voren met een berekening moeten worden aangetoond hoe aan het stand still‐beleid wordt voldaan. Door middel van een 'botsproef' met een concreet initiatief is aangetoond dat er activiteiten mogelijk zijn binnen de maximale milieugebruiksruimte. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar leefklimaat.
4.5
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
39
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10‐6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet‐ en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.
Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden.
Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Handboek Risicozonering Windturbines In Artikel 3.15a lid 1 van het Activiteitenbesluit is bepaald dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, niet hoger is dan 10‐6 per jaar. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10‐5 per jaar. Op basis van de generieke gegevens gelden de volgende afstandseisen voor bebouwing: Beperkt kwetsbare objecten dienen minimaal een halve rotordiameter van de turbine af te liggen. Kwetsbare objecten zijn niet toegestaan binnen een afstand van het maximum van: o ashoogte plus een halve rotordiameter of, o de maximale werpafstand bij nominaal toerental. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de afstanden tot rijkswegen, hoogspanningsleidingen, buisleidingen met gevaarlijke stoffen, industrie en waterwegen, spoorwegen en waterkeringen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
40
Onderzoek Risicovolle inrichtingen Overeenkomstig met de Risicokaart zijn in en in de directe omgeving van het plangebied verschillende risicobronnen gelegen (figuur 4.5). Binnen het plangebied aan de westzijde van de huidige Averijhaven is een bovengrondse propaantank met een maximale inhoud van 3.000 liter aanwezig. Deze propaantank is in eigendom van Rijkswaterstaat en heeft een PR10‐6 contour van 9 meter. Echter heeft Rijkswaterstaat aangegeven dat deze tank niet meer aanwezig is in het plangebied. Het oostelijk deel van het plangebied maakt onderdeel uit van de BRZO inrichting van Tata Steel IJmuiden BV. Ten noorden van het plangebied zijn binnen de inrichting risicovolle installaties aanwezig. Het betreft ammoniak‐treintransport, oxygas‐ en kooks‐ en hoogovengassystemen De PR 10‐6 contouren van deze installaties ligt niet buiten de grens van de inrichting. Het invloedsgebied van deze inrichting betreft 3.742 meter, Explosie en toxisch is hierbij het maatgevend scenario. Het oostelijk deel van het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied.Het groepsrisico van de aanwezige Bevi‐inrichtingen is beneden de oriëntatiewaarde gelegen.
Aangezien de personenaantallen binnen het invloedsgebied van het scenario (explosie en toxische wolk) onveranderd blijven (het verplaatsen van de lichterlocatie geeft geen verandering van de bevolkingsaantallen), zal het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie niet veranderen. Vervoer gevaarlijke stoffen Ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over het Noordzeekanaal. De PR‐contour ligt op de oeverlijn. De PAG bedraagt 40 meter vanaf de waterlijn. Het invloedsgebied bedraagt 730 meter vanaf de vaarroute. Met de beoogde ontwikkeling blijft de personenaantallen binnen het invloedsgebied onveranderd. Het groepsrisico zal derhalve niet veranderen. Windturbines Aan de Reyndersweg is een windpark gerealiseerd. In oktober 2011 zijn de 3 zuidelijk gelegen windmolens vervangen door winturbines met een 'tiphoogte' (het hoogste punt van de wieken) van 125 meter, ashoogte 80 m en een maximale rotordiameter van 90 m. Ten noorden zijn in 2020, 3 nieuwe turbines opgeleverd. Het gaat hier om windturbines met een maximale tiphoogte van 131 m, een maximale ashoogte van 85 m en een maximale rotordiameter van 92 m. De PR 10‐6 contour voor de 3 noordelijke windturbines bedraagt 131 m en de 3 zuidelijke windturbines ligt op 125 meter. De PR 10‐5 contour bedraagt voor de noordelijke en zuidelijke windturbines 45 a 46 meter.
De PR 10‐5 contouren reiken niet tot in het plangebied. De 10‐6 contour van de twee meest zuidelijk gelegen turbines reiken gedeeltelijk binnen het plangebied. Binnen deze zone worden geen (beperkt)kwetsbare objecten gerealiseerd, eveneens worden hier geen activiteiten toegestaan waarbij met een calamiteit een sneeuwbaleffect ontstaat. De overige risicobronnen in de omgeving hebben geen invloed op de externe veiligheidssituatie ter plaatse. Het voornemen maakt geen activiteiten mogelijk waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Ook worden er geen (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Risico's als gevolg van het gebruik van de lichterpalen als aanmeerplaats voor schepen met averij (place of refuge (Por)) heeft geen invloed op de externe veiligheidssituatie vanwege het zeer incidentele karakter van dit gebruik van de palen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
41
Figuur 4.5 Uitsnede professionele risicokaart Verantwoording van het groepsrisico Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via het terrein van Tata Steel. Zelfredzaamheid De aanwezige personen op het bedrijventerrein betreffen allemaal zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen.
Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
42
4.6
Bodem
Toetsingskader De Wet bodembescherming (Wbb) is gericht op het saneren van bestaande (risicovolle) verontreinigingen, het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en het terugdringen van verontreinigingen door diffuse bronnen. In het geval van ingrepen op of in de verontreinigde bodems, dient de aanwezige verontreiniging beheerst of gesaneerd te worden. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is gericht op hergebruik van grond, baggerspecie en bouwstoffen, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Het bevat een toetsingskader, gericht op toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen en regels ten aanzien van kwaliteitsborging voor de uitvoering. Bij toepassing van grond en bagger op de landbodem dient de kwaliteit getoetst te worden aan eisen uit het gemeentelijk beleid (generiek of gebiedsspecifiek) en de regels van het Besluit. Hierbij wordt rekening gehouden met de bodemfunctie, de bestaande bodemkwaliteit en de lokale of regionale situatie. Overig beleid en richtlijnen voor het thema bodem zijn opgenomen in het betreffende deelrapport in het MER. Onderzoek Het deelrapport bodem, onderdeel van het MER, is geschreven op basis van een vooronderzoek bodem, uitgevoerd conform de NEN 5725 (landbodem) en de NEN 5717 (waterbodem) (Witteveen+Bos, 2020). De verdachte deellocaties zijn in beeld gebracht door middel van een vooronderzoek bodem (Witteveen+Bos, 2020).
Het plangebied is voor een belangrijk deel sterk verontreinigd, waardoor bij grondroerende werkzaamheden saneringen aan de orde zijn. De saneringen op het terrein van Tata Steel leiden in geval van de beoogde ontwikkeling tot Energiehaven tot een positief effect op het criterium punt‐bronnen. Bij de ontwikkeling tot Energiehaven wordt de Averijhaven gedempt met staalslakken met een verhoogd chloridegehalte of kalkgehalte. In beide gevallen is het negatieve effect op het milieu als beperkt beoordeeld vanwege het brakke milieu en de geohydrologische condities. Na sanering zal de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem in beeld worden gebracht. Het planvoornemen maakt het mogelijk om bodemverontreinigde activiteiten toe te staan. Bij dergelijke activiteit dient op grond van de Wet bodembescherming, maatregelen te worden getroffen die nieuwe verontreinigingen voorkomen. Indien calamiteiten zich voor doen, geldt een saneringsplicht. Eveneens bij het opheffen van de inrichting moeten nieuwe verontreinigen worden gesaneerd. Conclusie Vanwege verontreinigingen zijn bij grondroerende werkzaamheden sanerende maatregelen noodzakelijk.
4.7
Water
In de Waterwet is het functioneren van het watersysteem vastgelegd en is bepaald wie de verantwoordelijke is voor het Nederlandse watersysteem en welke taken er voor deze verantwoordelijke gelden. Wanneer er aanpassingen worden gedaan aan het watersysteem moet er een vergunning worden aangevraagd waarin is aangetoond dat het toekomstige systeem geen negatieve effecten heeft. In het kader van de Waterwet moet er ook een watertoets worden uitgevoerd. Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor het lozen van afvloeiend hemelwater van wegen. Met name de voorkeursvolgorde van lozen is van belang: infiltratie in de bodem
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
43
lozing in oppervlaktewaterlichamen die geen bijzondere bescherming behoeven lozing op regenwaterriolering lozing in oppervlaktewater die een bijzondere bescherming behoeven
De Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (incl. beleidsregels) beschrijft verboden, geboden, regels en plichten op het gebied van verschillende watergerelateerde thema's. De Keur beschrijft ook in welke situaties ingrepen vergunningsplichtig zijn. Waterbeheerplan 2016‐2021 In het waterprogramma 2016 ‐ 2021 presenteert het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier het beleid, de maatregelen, de programma's en de projecten die in deze periode worden uitgevoerd. Met dit Waterprogramma geeft het hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Hierin wordt antwoord gegeven op de vragen: Hoe zorgt het hoogheemraadschap in de toekomst voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? Welke benadering worden daarvoor gekozen? En welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? De klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van keuzes in het waterbeleid. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen van het hoogheemraadschap grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.
Watertoets De watertoets is een procesinstrument dat wettelijk is verankerd in de Wro. Een watertoets is verplicht voor een bestemmingsplan. De watertoets heeft als doel dat wateraspecten vroegtijdig in de planontwikkeling worden meegenomen. De te betrekken partij voor de watertoets is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in de adviserende rol en Rijkswaterstaat als plantoetser. Rijkswaterstaat is plantoetser omdat het plan binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat ligt. Op 23‐12‐2020 is via de digitale watertoets, het voornemen kenbaar gemaakt aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 20.0969373. Voor dit plan dient de normale procedure te worden gevoerd wegens de ligging van het plangebied, dat raakt aan de zonering van een primaire kering. Onderzoek (Grond) waterkwantiteit Het plangebied is gelegen buiten de kering en maakt geen onderdeel uit van een peilvak. Er is daardoor geen streefpeil voor oppervlaktewater waaruit de grondwaterstand kan worden afgeleid. Ten noorden van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 700 meter een peilbuis (ID B25A1557). Het maaiveld ter plaatse van de peilbuis bevindt zich ongeveer op NAP +8,20 m. De freatische grondwaterstand bevond zich ten tijde van het einde van de meetreeks (2011) rond 3,20 m‐mv.
Door de ontwikkeling van de Energiehaven neemt het verhard oppervlak sterk toe. Het terrein heeft een oppervlak van 166.500 m2 dat nagenoeg volledig wordt voorzien van een verhard oppervlak. In de huidige situatie is reeds 10.000 m2 verhard door bestaande wegen. De verhardingstoename ten opzichte van de huidige situatie is daarmee circa 156.500 m2. Door de verhardingstoename infiltreert er minder hemelwater in de bodem dan in de huidige situatie het geval is. Hierdoor wordt het grondwater minder aangevuld. Het effect hiervan is dat de grondwaterspiegel op termijn lager kan komen te liggen. Omdat het plangebied is gelegen in een buitendijks gebied, geldt er vanuit het hoogheemraadschap geen compensatieverplichting.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
44
Daarnaast wordt de bestaande Averijhaven gedempt. Het dempen van water leidt lokaal tot een grotere opbolling van het grondwater. Dit heeft waarschijnlijk tot gevolg dat de grondwaterspiegel ter plaatse hoger komt te liggen. Het effect is naar verwachting gering en er worden geen problemen voor de ontwatering van het gebied verwacht. In de huidige situatie ligt de grondwaterspiegel gemiddeld op 3,20 m beneden maaiveld. Een kleine stijging van de grondwaterspiegel leidt daardoor niet tot problemen voor de ontwatering. De verwachting is dat beide effecten van ongeveer dezelfde omvang zijn. Indien beide ingrepen integraal beschouwd worden, is er geen significant effect op de grondwaterspiegel. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden activiteiten mogelijk gemaakt die de (grond)waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden. Door het aanbrengen van een verhard oppervlak en een hemelwaterafvoer worden mogelijke verontreinigingen opgevangen. Middels een zuivering wordt het schone hemelwater geloosd op het oppervlaktewater. Indien dit water niet kan voldoen aan de kwaliteitseisen van het hoogheemraadschap, zal het afvalwater worden geloosd op het nabij gelegen gemeente lijk rioolstelsel. Waterkering en waterveiligheid De voorgenomen ontwikkeling van de Energiehaven grenst aan de beschermingszone B van de primaire kering.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het voormalig baggerdepot omgevormd tot industrieterrein. Er vinden langs of in deze beschermingszone geen graafwerkzaamheden plaats die de stabiliteit van de kering negatief kunnen beïnvloeden. Effecten op de waterkering als gevolg van de ontwikkeling worden daarom ook niet verwacht. Het plangebied is gelegen is een buitendijks gebied. Dat wil zeggen dat het plangebied niet wordt beschermd tegen hoge waterstanden vanuit de Noordzee. Het maatgevende waterpeil van de Noordzee ligt rond de +4.5 meter NAP. De nieuwe kade zal aansluiten bij de bestaande kade waarbij de deksloof op +5.15 m NAP ligt. Het hoogheemraadschap adviseert met de te realiseren kade, rekening te houden met het waterpeil op de Noordzee en de zeespiegelstijging in de toekomst. In paragraaf 4.10 wordt dit aspect nader beschreven. Klimaatverandering De agenda van het hoogheemraadschap wordt de komende tijd sterk bepaald door de klimaatverandering. Deze verandering heeft direct invloed op de kerntaken. Het hoogheemraadschap wil met de klimaatverandering toekomstbewust omgaan. Binnen het plangebied is met name de mogelijke zeespiegelstijging en verandering van weersinvloeden van belang. In paragraaf 4.10 wordt dit aspect nader beschreven. Conclusie In de beoogde ontwikkeling is een grote verhardingstoename voorzien.
Dit leidt tot meer afstroming van hemelwater richting het oppervlaktewater en minder infiltratie richting het grondwater. Door de demping van de Averijhaven zal er een opbolling van het grondwater ontstaan. Deze effecten zijn van vergelijkbare orde waardoor per saldo geen significant negatief effect wordt verwacht. Met het planvoornemen zal het hemelwater na zuivering worden geloosd op het oppervlaktewater. Voor deze activiteit geldt een vergunningplicht. Indien wordt voldaan aan de eisen uit de watervergunning, zal er geen nadelig effect zijn op de waterkwaliteit.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
45
4.8
Landschappelijke inpassing en lichthinder
Toetsingskader Landschappelijke inpassing Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (vastgesteld door GS op 10 april 2018 ) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. Lichthinder Licht kan hinderlijk zijn voor mens en dier. Er is geen wettelijk kader in het ruimtelijk spoor dat lichtgevoelige functies definieert. De bescherming gaat via de invulling van een "goede ruimtelijke ordening" (Wro/Wabo). Bij hinder door licht zal het feit of mensen mogelijk langdurig aanwezig zijn, bepalend zijn voor de beoordeling of een bestemming als gevoelig kan worden beschouwd. In het Activiteitenbesluit van de Wm is de zorgplicht artikel 2.1 opgenomen. Op grond daarvan dient lichthinder te worden voorkomen of zoveel mogelijk te worden beperkt. In de toelichting op het besluit wordt verwezen naar richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV).
De Richtlijn lichthinder gaat uit van het voorzorgprincipe: 'In iedere verlichtingssituatie moet de noodzaak of wenselijkheid van de toepassing van verlichting worden afgewogen tegen het energiegebruik en het effect op de omgeving. Het Bevoegd Gezag kan zo nodig bij maatwerkvoorschrift een gebruiksafspraak tussen gehinderden en de gebruiker van de installatie vastleggen.' Onderzoek Landschappelijke inpassing Langs de Reyndersweg blijft de volledige groenstrook tussen het plangebied en de Reyndersweg behouden. De groenstrook draagt bij aan een geleidelijke overgang van het huidig duingebied naar de industriële functies daarachter. Ten behoeve van de industriële activiteiten op het terrein worden op projectbasis mobiele kranen ingezet. Het type kraan dat wordt ingezet is afhankelijk van de turbines en de installatieschepen. De kranen zijn bij gebruik goed zichtbaar vanaf het uitkijkpunt en ze zijn bij gebruik ook zichtbaar vanaf de overzijde van het kanaal. Wanneer de kranen niet in gebruik zijn worden deze ingeklapt of weer afgevoerd. Vanaf het uitkijkpunt zijn de activiteiten op het terrein duidelijk zichtbaar. Het uitkijkpunt geeft een 360 graden view over de Noordzee, het Noordzeekanaal en het industrieterrein. De zichtlijnen richting de Noordzee en het Noordzeekanaal worden met de voorgenomen activiteit niet gehinderd.
De voorgenomen activiteiten op het terrein passen bij het industriële karakter van het industrieterrein met daarin ook andere hoogteaccenten. Lichthinder Op het terrein zullen nieuwe lichtbronnen worden aangebracht ten behoeve van het veilig kunnen werken, laden en lossen van de aan te meren schepen. Alleen voor de lichtmasten wordt in dit bestemmingsplan een maximale hoogte vastgelegd op 50 meter. Deze hoogte is nodig omdat de lichtmasten alleen aan de randen van het terrein kunnen worden geplaatst, omdat er voldoende ruimte moet zijn om te manoeuvreren met grote onderdelen voor de windmolens op zee.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
46
De activiteiten op het terrein vinden plaats in de dagperiode van 7:00 tot 19:00. De lichtbundels worden gericht op de kade en zullen, indien nodig worden afgeschermd naar buiten het terrein. Dat betekent dat de lichtuitstraling vanwege de terreinverlichting beperkt is tot een paar uur per dag in de wintermaanden. Voor het plangebied geldt dat er al sprake is van een relatief hoge omgevingshelderheid door de bestaande bedrijvigheid in het gebied. Door maatregelen ter beperking van de lichtuitstraling en de beperkte tijdsduur van de verlichting, wordt lichthinder bij aanwezigen nabij het plangebied voorkomen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen woningen gelegen. De dichtstbijzijnde lichtgevoelige functies (woningen) liggen op ruim 1.100 meter afstand. Naast de assemblage, deassamblage en het onderhoud aan windmolens en andere installaties die gebruikt worden voor het opwekken van duurzame energie. Is het ook mogelijk om de kade te gebruiken voor laad‐, los‐ en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart en zeeschepen. Het gebruik wordt beperkt tot het verschepen van containers, stukgoederen, ertsen, mineralen, zand, granen of meelsoorten. Deze activiteiten kunnen ook in de avond en nachtperiode plaatsvinden. De benodigde lichtmasten voor deze activiteiten zijn aanzienlijk lager dan de lichtmasten (50 meter hoog) die binnen dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Indien deze lichtmasten in de avond en nachtperiode worden gebruikt, is lichthinder zonder nader onderzoek niet uit te sluiten. Geadviseerd wordt om ingeval van activiteiten in de avond of nacht te onderzoeken of (tijdelijk) andere, lagere lichtmasten kunnen worden geplaatst of middels berekeningen aan te tonen dat geen hinder in de avond en nachtperiode optreedt. Conclusie Het aspect landschappelijke inpassing vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor het aspect lichthinder geldt dat de lichtmasten van 50 meter hoog niet zonder onderzoek en mogelijke maatregelen in de avond en nachtperiode kunnen worden gebruikt.
4.9
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader Erfgoedwet De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Provinciale Milieuverordening Noord‐Holland Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 april 2018) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap.
De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
47
Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie In de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie staat een algemeen overzicht van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang (Figuur 4.6).
Figuur 4.6 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord‐Holland
Onderzoek Archeologie Het plangebied is volgens de beleidskaart archeologie van de gemeente Velsen, gelegen in een zone met de categorie 4 en 5. Dat houdt in dat met bodemverstorende activiteiten van meer dan 500 m2 en dieper dan 40 cm een archeologisch onderzoek moet worden voorgelegd (figuur 4.7).
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
48
Figuur 4.7 Beleidskaart archeologie Velsen In het verleden zijn ter plaatse van het plangebied diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd. Uit deze onderzoeken blijkt dat tot een diepte van 18,9 meter onder NAP geen archeologische waarden te verwachten zijn. Met het planvoornemen wordt het voormalig baggerdepot gedempt en de dijkring aangepast tot een kade. Hierbij worden geen graafwerkzaamheden ter plaatse van de Energiehaven voorgesteld dieper dan 18,9 m onder NAP. De damwanden/buispalen van de combiwanden worden beneden dit niveau in het zand worden doorgezet en de grondankers van de kademuren zullen ook beneden dit niveau komen. Bij de verplaatsing van de lichterinstallatie zal baggerwerk vóór de nieuwe locatie van de afmeerpalen plaatsvinden, de toplaag van het pleistoceen zal over een lengte van ca. 300 m en een breedte van ca. 20 m vergraven. Deze baggerwerkzaamheden vinden dieper dan 18,9 meter onder NAP plaats, waarbij mogelijk aanwezige archeologische resten kunnen worden geraakt. In het MER is daarom een archeologisch booronderzoek onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat in het onderzochte plangebied geen aanwijzingen zijn voor een uitgesproken reliëf (dekzandruggen, terrasranden); en voor zover er sprake is van een intacte bodem in het dekzand, bestaat dit uit A‐C‐profielen, die op zichzelf wijzen op een vorming in een relatief laag gelegen gebied.
Dit alles maakt dat er geen zones kunnen worden aangewezen waar een verhoogde trefkans is op de aanwezigheid van prehistorische resten. Een vlak gebied, waarvan in het plangebied sprake was, werd weliswaar ook gebruikt door de mens, maar in veel mindere mate waardoor er een veel lagere dichtheid aan sporen, vondsten en dus vindplaatsen is. Cultuurhistorie Het herinrichten van het plangebied als havengebied en terug op hoogte brengen van het grondlichaam rondom het voormalig baggerdepot, draagt bij aan het vergroten van de openheid rondom het Havenfort IJmuiden, dat deel uitmaakt van de Stelling van Amsterdam aangezien het dijklichaam aan de waterzijde verdwijnt. Het inrichten van een lichterlocatie aan de oostzijde van het plangebied heeft geen significant andere impact op de openheid van de schootscirkel van het Havenfort IJmuiden, temeer daar het lichteren van grote schepen niet permanent plaatsvindt.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
49
Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Klimaat en energie
Toetingskader Klimaat ‐ Waterveiligheid De Waterwet regelt het beheer van watersystemen, waaronder waterkeringen, oppervlaktewater‐ en grondwaterlichamen. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Klimaatadaptatie heeft betrekking op klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de openbare ruimte. Door klimaatverandering zal de zeespiegel stijgen, hoosbuien en langere perioden van droogte kunnen zorgen voor gevaarlijke situaties en overlast. Het is daarom van belang dat de effecten die door klimaatverandering kunnen optreden bij een ruimtelijke ontwikkeling in het proces wordt meegewogen, zodat in een vroeg stadium maatregelen kunnen worden getroffen om veiligheid te borgen en schade te beperken. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat heel Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Hiervoor moet een plan beoordeeld worden op de vier klimaatthema's: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. Vanwege de ligging van het plangebied, buitendijks aan het Noordzeekanaal, is in dit geval het overstromingsrisico bij verschillende klimaatscenario's relevant. De stresstest brengt kwetsbaarheden van objecten en functies in een gebied in beeld.
Energietransitie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2030 70% van alle elektriciteit en minimaal 27% van alle energie (elektriciteit, gas en warmte) duurzaam is opgewekt. Dat hebben de lidstaten van de Europese Unie met elkaar afgesproken. De overstap naar duurzame energie gebeurt stapsgewijs. Belangrijke stappen die Nederland wil zetten zijn: zuiniger omgaan met energie; van elektriciteit uit kolen naar elektriciteit uit zon en wind; van warmte uit aardgas naar duurzame warmte, zoals aardwarmte, restwarmte en groene waterstof; omwonenden betrekken door ze de kans te bieden om mee te denken over of mede‐eigenaar te worden van lokale energieprojecten; energieprojecten op een slimme manier inpassen in de omgeving en het landschap. In 2019 stonden er windmolens in zee met een totaal vermogen van ongeveer 1 gigawatt (GW). In 2023 staat er voor minimaal 4,5 GW vermogen aan windmolens op zee. Deze afspraak staat in het Energie‐akkoord voor duurzame groei. Windmolens op zee leveren dan 3,3% van alle energie in Nederland. In het regeerakkoord en het Klimaatakkoord (2019) is afgesproken om het succesvolle beleid van windenergie op zee door te zetten. In 2030 zal daardoor ca. 11 GW aan windparken op zee staan. Deze leveren dan 8,5% van alle energie in Nederland en 40% van ons huidige elektriciteitsverbruik.
Onderzoek Klimaat Waterveiligheid De kademuren van de Energiehaven zorgen voor een toename in golfreflectie en zorgen daardoor voor een algemene toename van de extreme golfcondities in de haven. Uit de onderzoeken in het MER blijkt dat het gaat om een toename van circa 10‐20% (tussen 5 en maximaal 20 cm). De kade heeft ondanks de reflectie van golven een verwaarloosbaar effect op de waterveiligheid.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
50
Klimaatstress De absolute toename van de golfhoogtes voor de Energiehaven liggen tussen de 5 en 20 cm, afhankelijk van het gemodelleerde scenario. Uit de overslagberekeningen blijkt dat het overslagdebiet wijzigt voor het zichtjaar en klimaatscenario. Het overslagdebiet voor de zichtjaren na 2050 is groot. Vanaf dat moment is het te verwachten dat een storm met een overschrijdingskans van 1/1.000 per jaar ertoe kan leiden dat er niet gewerkt kan worden op de kade. Met een terugkeertijd eens per 100 jaar is het overslagdebiet bij norm lager dan 100 l/s/m. In het zichtjaar 2100 bij een klimaatscenario W+ ligt de waterstand bij norm ongeveer 5 cm onder de kade. Het zeer grote overslagdebiet heeft dus niet te maken met gewijzigde golfcondities, maar veel meer met de waterstand (en daarmee zeespiegelstijging) in relatie tot de hoogte van de kade. In het zichtjaar 2023 ligt de waterstand bij norm ongeveer 70 cm onder de kade. Energie De Energiehaven gaat een cruciale rol vervullen in de aanleg en het onderhoud van windmolenparken op zee. In de routekaart tot 2030 wordt ervan uitgegaan dat in de periode 2023‐2030 minimaal 7 gigawatt aan vermogen gerealiseerd wordt. Hierbij kan deels van de Energiehaven gebruik worden gemaakt.
De aanleg van de windmolenparken Hollandse Kust (noordwest), Hollandse Kust (noord), Hollandse Kust (west) en IJmuiden Ver geven een significante reductie in de benodigde zeemijlen (resulterend in minder emissies en transportkostenvoordelen), wanneer deze vanaf de Energiehaven worden ontwikkeld. In de periode tot 2050 wordt voor de marktpotentie offshore wind uitgegaan van: Periode 2023‐2030: totaal volume 11,5 gigawatt (toevoeging in periode: 7 gigawatt); Periode 2031‐2050: totaal volume 32 gigawatt (toevoeging in periode: 20,5 gigawatt); Hiervoor zijn de exacte locaties nog niet bekend. Verwacht wordt dat hiervoor (deels) gebruik kan worden gemaakt van de Energiehaven. Dit betekent dat de Energiehaven bij kan dragen aan de ontwikkeling van windmolenparken op zee en daarmee aan de energietransitie.
4.11
Nautische veiligheid
Toetsingskader Een van de verplichtingen die volgt uit de scheepvaartverkeerswet is het bewerkstelligen en onderhouden van veilig en vlot scheepvaartverkeer. Het verplaatsen van de lichterlocatie draagt bij aan vlot en veilig scheepvaartverkeer en de nieuwe Energiekade moet voldoen aan vlot en veilig scheepvaartverkeer. De Richtlijn Vaarwegen (2020) beschrijft de (ontwerp)richtlijnen voor vaarwegen. Uit het beheer‐ en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2019‐2021 (BPRW) volgt dat het lichteren in de Buitenhaven IJmuiden als een nautisch knelpunt wordt gezien. Daarom zet Rijkswaterstaat in op het verplaatsen van de lichterlocatie. Onderzoek Middels een onderzoek naar scheepvaart is beoordeeld in welke mate tweestrooks scheepvaartverkeer mogelijk is, waarbij schepen elkaar ontmoeten tussen de nieuwe lichterlocatie en de zeesluis, op basis van fast‐time simulaties en real‐time simulatise om de fast‐time simulaties te bevestigen. De onderzoeken zijn te vinden in het deelrapport Scheepvaart in het MER.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
51
Voor de Energiehaven geldt dat met het verplaatsen van de lichterlocatie tweestrooksverkeer mogelijk wordt. De capaciteit van de nieuwe zeesluis neemt daarmee toe. De troskrachten op de aangemeerde schepen aan de lichterlocatie verbeteren sterk ten opzichte van de bestaande situatie. De in‐ en uitvaart kan veilig gebeuren en is daarmee vergelijkbaar. De hinder blijft vergelijkbaar met de bestaande situatie, terwijl de nautische veiligheid verbetert door het verplaatsen van de lichterlocatie. De nieuwe Energiehavenkade heeft een lagere kans op aanvaring dan de bestaande lichterlocatie. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling verbetert de nautische veiligheid. Dit aspect vormt geen belemmering voor het plan.
4.12
Verkeer en vervoer
Toetsingskader Er is geen wettelijke regeling voor het beoordelen van verkeersaspecten bij ruimtelijke plannen en/of milieueffectrapportages (MER). De aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid en verkeersveiligheid wordt in beeld gebracht met een mobiliteitsscan. In het kader van de Mobiliteitsscan wordt onderbouwd dat: op een zorgvuldige wijze naar de mobiliteitsaspecten is gekeken; er tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om een goede ontsluiting en bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid te garanderen. Hierbij wordt waar nodig gebruik gemaakt van kentallen en richtlijnen van het CROW op het gebied van verkeersgeneratie, parkeren en verkeersveiligheid (Duurzaam Veilig). Onderzoek Het plangebied ligt in de Zeehaven van IJmuiden, langs het Noorderbuitenkanaal, gedeeltelijk op het terrein van Tata Steel. Het plangebied wordt in oostelijke richting via interne wegen (Steigerweg, Opslagenweg, Ertsveldweg, Bandweg, Ovenweg, Bentz van de Bergweg, Desiweg, Jan Steenweg, Justman Jacobsweg, Laboratoriumweg en Breedbandweg) over het terrein van Tata Steel ontsloten naar de Breedbandweg, waar de hoofdingang van Tata Steel ligt. Deze route is de hoofdroute naar het plangebied voor al het verkeer.
De maximale verkeersgeneratie die het plan zal genereren wordt bepaald door het maximum aantal voertuigen dat de portier van Tata Steel nog aan extra voertuigpassages zal kunnen afhandelen. De toevoeging van het verkeer als gevolg van de voorgenomen activiteit is gemiddeld 76 mvt/etmaal en op piekdagen maximaal 96 mvt/etmaal. De toename van de verkeersomvang op de ontsluitende wegen is daarmee zeer klein (<1%). De geringe toename van het planvoornemen leidt niet tot een meetbaar/waarneembaar effect op de huidige knelpunten ter plaatse van de N197/Velsertraverse. Er wordt niet voorzien in een ontsluiting vanaf de Reyndersweg. Zo blijft de functie van de Reyndersweg beperkt voor ontsluiting van de strandrecreatie en bijbehorende horeca‐etablissementen. Tevens is deze weg uitsluitend nog bedoeld als toegang ten behoeve van onderhoud aan de windturbines. De bedrijfsvoering van de energiehaven zal verder geheel vanaf het water plaatsvinden. De bereikbaarheid van de schepen vanaf het land is niet noodzakelijk en beleidsmatig ook niet wenselijk. Parkeren wordt binnen de voorgenomen ontwikkeling op eigen terrein voorzien. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, als ook in laad‐ en losvoorzieningen voor bestelbussen en vrachtwagens. De totale verkeersgeneratie van het plan bedraagt circa 70 mvt/etmaal. Een aantal van circa 30 tot 40 parkeerplaatsen zal volstaan.
Conclusie Het aspect verkeer en vervoer vormt geen belemmer voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
52
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
53
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Keuze planvorm
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu‐ en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt de inhoud van de bestemmingen (de gebruiks‐ en bebouwingsmogelijkheden) toegelicht en wordt aangegeven hoe de uitgangspunten hun juridische vertaling in het eigenlijke plan hebben gekregen. Het bestemmingsplan omvat de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in een GML ‐ bestand. De bestemmingen zijn juridisch vastgelegd in de regels (voorheen werden dit voorschriften genoemd) behorende tot dit plan en kunnen worden vertaald naar een verbeelding. In de afgelopen jaren is de bouwregelgeving op een groot aantal punten gewijzigd. Met name de mogelijkheden voor het bouwvergunningsvrije bouwen zijn uitgebreid. Objecten die zonder vergunning mogen worden neergezet hoeven niet als zodanig bestemd te worden. Om het bestemmingsplan leesbaar te houden worden bouwvergunningsvrije bouwwerken dan ook niet bestemd. Voor dit bestemmingsplan gaat het dan met name om de hekwerken en lichtmasten die ten behoeve van de beveiliging van het terrein bouwvergunningvrij (Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikel 18 lid b) kunnen worden opgericht. Het bestemmingsplan is opgezet als een digitaal raadpleegbaar plan.
Deze digitale versie is bedoeld om de burger "online" informatie te verschaffen over het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. Het bestemmingsplan is opgezet volgens de verplichte landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).
5.2
Toelichting bij de planregels
5.2.1 Algemeen De planregels zijn ondergebracht in een viertal hoofdstukken.
Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor een juiste interpretatie en toepassing van de voorschriften in de overige hoofdstukken (begrippen en wijze van meten). Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), waarin per (uit te werken) bestemming een bestemmingsomschrijving, bouwregels en ontheffing (vrijstelling) van bouwregels en gebruiksregels worden gegeven. Hoofdstuk 3 (algemene regels), waarin onder meer algemeen geldende bouw‐ en gebruiksregels, aanduidingsregels, ontheffing‐ en wijzigingsregels en de slotregel zijn te vinden. Hoofdstuk 4 (overgangs‐ en slotregels). Hierin is het overgangsrecht voor bouw‐ en gebruik vastgelegd.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
54
5.2.2 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte‐ en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 5.2.3 Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf De Energiehaven is bestemd als 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming is primair de assemblage, deassemblage en werkzaamheden voor de aanleg en het onderhoud van offshore windmolens toegestaan. De bedrijfsactiviteiten hebben betrekking op het samenstellen en monteren van elders geproduceerde onderdelen en het (tijdelijk) opslaan van deze onderdelen, waarbij productie, sloop en afvalverwerking zijn uitgesloten. Het terrein is vooral gericht op het aantrekken van bedrijven die zich richten op de energietransitie. Verder is het terrein bestemd voor kadegebonden bedrijven. Activiteiten die daarbij horen zijn laden en lossen, op‐ en overslag en transport van goederen over vaarwegen. Deze goederen zijn beperkt tot containers, stukgoederen, ertsen, mineralen e.d. (waaronder zand) en granen of meelsoorten.
De vestiging van risicovolle bedrijven is uitgesloten en ten aanzien van luchtkwaliteit moet worden voldaan aan het stand still‐beleid van de gemeente Velsen. Bij een eventuele aanvraag omgevingsvergunning milieu of een melding op grond van het Activiteitenbesluit zal worden getoetst of aan het stand still‐beleid kan worden voldaan. Voor wat betreft geluid dient een toekomstig bedrijf aan te tonen dat haar activiteiten passen binnen de geluidszone ingevolge de Wet geluidhinder rondom industrieterrein Tata Steel. Verder is het transport van goederen over wegen buiten het terrein naar de Energiehaven beperkt mogelijk. Er wordt geen eigen ontsluitingsweg voorzien en al het vervoer per as moet over het Tata Steel terrein. Hiervoor is zeer beperkte capaciteit beschikbaar. Ook is er binnen de planperiode geen concreet zicht op wijziging van deze situatie. Transport van goederen dient dan ook plaats te vinden over vaarwegen. Uit de definitie voor kadegebonden bedrijven blijkt ook de afhankelijkheid van transport over vaarwegen. Ook zal een toekomstig bedrijf moeten aantonen dat zij kan voldoen aan de landelijke wetgeving rondom stikstof. In het MER is berekend welke stikstofruimte er op dit moment binnen de huidige regelgeving beschikbaar is voor het plangebied. De bestemming 'Bedrijf' is samen met de 'lichterlocatie' aangewezen als gezoneerd industrieterrein.
Tot slot zijn binnen de bestemming regels opgenomen voor de maximale bouwmogelijkheden. Voor het bouwen van gebouwen geldt een maximum oppervlak van 5.000 m². Hiervan kan worden afgeweken voor het realiseren van tijdelijke overkappingen ten behoeve van de opslag van goederen. De maximale bouwhoogte van bebouwing en overkappingen bedraagt 20 meter. Voor lichtmasten geldt een bouwhoogte van 10 meter, waarbij onder voorwaarden gedurende de dagperiode het gebruik van lichtmasten met een bouwhoogte van maximaal 50 meter zijn toegestaan. Deze lichtmasten mogen niet leiden tot lichthinder op lichtggevoelige functies zoals woningen en beschermde diersoorten (zoals vogels en vleermuizen die gebruik maken van de trekroute langs de kust). Voor de avond en nachtperiode is daarvoor een voorwaarde opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
20200174
55
Vanwege de terreinhoogte van de Energiehaven geldt een afwijkend peil van 6 meter boven NAP. Dit is aangeduid op de verbeelding. Artikel 4 Groen De westelijke rand van het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Om die reden is er voor gekozen om die delen die niet tot bedrijventerrein horen te bestemmen als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn primair groenvoorzieningen, voet‐ en fietspaden, speelvoorzieningen en oevers toegestaan. Artikel 5 Water Deze hoofdbestemming is gebruikt voor het water van het Noorderbuitenkanaal. Binnen de bestemming vallen o.a. ook oevers, kaden, laad‐ en losplaatsen en aanlegsteigers. In de planregels is rekening gehouden met bouwwerken, bijvoorbeeld met signaleringsfunctie ten behoeve van de scheepvaart. De nieuwe lichterlocatie is aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van water ‐ lichteren'. Het lichteren van (zee)schepen is beperkt tot een jaarlijks maximum van 3,2 miljoen ton droge bulkgoederen. Omdat het water direct grenzend aan de kade ook gebruikt kan worden voor kadegebonden bedrijfsactiviteiten zoals beschreven in de bestemming Bedrijf (laden, lossen en overslag), is deze zone aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van water ‐ overslag'. Artikel 6 Waarde ‐ Archeologie Omdat er in het bestemmingsplangebied een hoge trefkans geldt, is de dubbelbestemming Waarde ‐ Archeologie opgenomen.
Uit nader onderzoek blijkt dat tot ‐18,90 NAP geen beperkingen op bodemroerende ingrepen hoeven worden opgelegd vanwege archeologie. Deze conclusie is verwerkt in de regels behorende bij de bestemming Waarde ‐ Archeologie. Hetzelfde geldt voor werken en werkzaamheden. Artikel 7 Waterstaat ‐ Waterkering De gronden die onderdeel vormen van het kustfundament hebben de dubbelbestemming "Waterstaat ‐ Waterkering" Doel is de gronden met deze dubbelbestemming te beschermen zodat ze altijd, buiten de functie van onderliggende bestemming, hun waterstaatkundige functie kan vervullen. 5.2.4 Algemene regels In de algemene regels zijn regels opgenomen waarvan het wenselijk is om deze ten behoeve van de leesbaarheid en raadpleegbaarheid van het bestemmingsplan in één keer op één plaats in de planregels weer te geven. Zo kunnen in het plan naast de bestemmingsspecifieke aanduidingen ook gebiedsaanduidingen voorkomen die in meerdere bestemmingen gelegen zijn. Deze zijn opgenomen in de algemene regels. In de algemene regels zijn verder de anti‐dubbeltelregel, de algemene gebruiksregels, de algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels opgenomen. 5.2.5 Overgangs‐ en slotregels Het afsluitende hoofdstuk bevat de Overgangs‐ en slotregels.