CConstaterende datVelsen
Koppel je AI →
Document · PDF

E29 Ontwerpbestemmingplan Energiehaven.pdf

Raadsvergadering 23 september 2021, gemeente VelsenBij agendapunt: Ingekomen stukken23.921 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE VELSEN

Collegebericht Weeknummer: 27

Datum vergadering

6 juli 2021

Ambtenaar

H. Kloosterman

Zaaknummer

78735-2021

Telefoonnr.

0255 567413

Portefeuillehouder(s)

S.Y. Dinjens

E-mailadres

hkloosterman@velsen.nl

Bijlagen

1

Onderwerp: Ontwerpbestemmingplan Energiehaven

Geachte leden van de raad, Het college gaf op 6 juli jl het ontwerpbestemmingsplan Energiehaven vrij voor zienswijzen. Een volgende stap in het realiseren van de Energiehaven. Het doel van het project Energiehaven is om bedrijfsactiviteiten gerelateerd aan de bouw en het onderhoud van windparken op zee mogelijk te maken. Hiervoor wordt een bedrijventerrein ontwikkeld op de locatie van de Averijhaven en een deel van het naastgelegen terrein van Tata Steel. Daarnaast wordt door het verplaatsen van de lichterlocatie in het Noorderbuitenkanaal de nautische veiligheid verbeterd. Het formele traject begint met dit besluit over het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Dan kunnen zienswijzen bij de gemeenteraad worden ingediend en volgt raadsbesluitvorming over het bestemmingsplan.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen

VELSEN Bestemmingsplan Energiehaven 22-06-2021

1/2

identificatie identificatiecode:

98004.20200174

projectnummer:

20200174

projectleider:

Gijs Vleuten

opstellers: Gijs Vleuten

2/2

planstatus datum:

22-06-2021

opdrachtgever:

Versie:

Ontwerp

Provincie Noord-Holland i.s.m. gemeente Velsen, Havenbedrijf Amsterdam en Zeehaven IJmuiden

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

3

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Vigerende bestemmingsplannen

8

1.3

Plangebied

11

1.4

Procedure

13

1.5

Leeswijzer

15

Hoofdstuk 2

Beschrijving plangebied en ontwikkeling

17

2.1

Ontstaansgeschiedenis

17

2.2

Beoogde ontwikkeling

17

Hoofdstuk 3

Beleidskader

21

3.1

Rijksbeleid

21

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

27

3.3

Gemeentelijk beleid

28

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

31

4.1

Milieueffectrapportage

31

4.2

Ecologie

32

4.3

Geluid

35

4.4

Luchtkwaliteit

37

4.5

Externe veiligheid

38

4.6

Bodem

42

4.7

Water

42

4.8

Landschappelijke inpassing en lichthinder

45

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

46

4.10

Klimaat en energie

49

4.11

Nautische veiligheid

50

4.12

Verkeer en vervoer

51

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

53

5.1

Keuze planvorm

53

5.2

Toelichting bij de planregels

53

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

57

6.1

Grondexploitatiewet (Grex)

57

6.2

Planschade

57

Hoofdstuk 7

Inspraak en overleg

59

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

7.2

Vooroverleg en inspraak

59

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

4

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Energiehaven Milieueffectrapportage

Bijlage 2

Bijlagenboek Milieueffectrapportage

Bijlage 3

Nota inspraak en overleg

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

71

Artikel 1

Begrippen

71

Artikel 2

Wijze van meten

76

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

79

Artikel 3

Bedrijf

79

Artikel 4

Groen

81

Artikel 5

Water

82

Artikel 6

Waarde ‐ Archeologie

84

Artikel 7

Waterstaat ‐ Waterkering

86

Hoofdstuk 3

Algemene regels

89

Artikel 8

Anti‐dubbeltelregel

89

Artikel 9

Algemene bouwregels

90

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

91

Artikel 11

Algemene aanduidingsregels

92

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

93

Artikel 13

Overige regels

94

Hoofdstuk 4

Overgangs‐ en slotregels

95

Artikel 14

Overgangsrecht

95

Artikel 15

Slotregel

96

Bijlagen bij regels Bijlage 1

Rho adviseurs voor leefruimte

Tabel luchtkwaliteit

20200174

TOELICHTING

7

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan het Noorderbuitenkanaal in de Zeehaven van IJmuiden ligt de Averijhaven, een te ontmantelen baggerdepot van het Rijk. Op korte afstand daarvan bevindt zich in het kanaal een lichterlocatie. Dit is een locatie waar zeeschepen met een grote diepgang een deel van hun lading overhevelen naar kleinere schepen, die op hun beurt de vracht verder landinwaarts kunnen vervoeren. Deze lichterlocatie zal op termijn echter niet meer aan de vereisten van deze tijd voldoen, waardoor behoefte aan een nieuwe lichterlocatie is ontstaan. Vanuit deze gedachte heeft de gemeente Velsen in 2016 het bestemmingsplan Averijhaven opgesteld, waarmee de ontmanteling en nieuwe havenfunctie van het depot en de nieuwe lichterlocatie (in de dan ontstane Averijhaven) mogelijk werden gemaakt. Echter, nog voordat de ontmanteling van het depot en de verplaatsing van de lichterlocatie is gestart, is er een nieuwe marktvraag ontstaan naar bedrijventerrein met kade vanwaar activiteiten ondernomen kunnen worden om windparken op zee te bouwen en/ of te onderhouden.

Een consortium van het Havenbedrijf Amsterdam, de Zeehaven IJmuiden, de gemeente Velsen en de Provincie Noord‐Holland (verder ‘het consortium’), in samenwerking met Tata‐steel, ziet mogelijkheden om ter plaatse van de Averijhaven en het direct aangrenzende opslagterrein van Tata Steel een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op te starten waarmee in deze vraag voorzien kan worden. Het voornemen is om de huidige Averijhaven en het stuk Tata Steel terrein daartoe te herontwikkelen tot Energiehaven. De ontmanteling van het baggerdepot zal worden voortgezet zoals voorzien in het vigerende bestemmingsplan. Na ontmanteling hiervan kan het terrein ingericht worden voor het bouwen en onderhouden van windturbineparken. Voor de lichterlocatie, die met het bestemmingsplan uit 2016 ook op deze locatie was voorzien, wordt met dit bestemmingsplan een nieuwe locatie vastgelegd. Een globale weergave van het project is opgenomen in figuur 1.1.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

8

Figuur 1.1.

1.2

Schematische weergave beoogde ontwikkeling

Vigerende bestemmingsplannen

1.2.1 Averijhaven De locatie ligt grotendeels in het plangebied van het hiervoor al genoemde bestemmingsplan 'Averijhaven', vastgesteld op 29 juni 2016. Dat bestemmingsplan omvat zowel het voormalige depot, dat met bestemmingsplan voorzien was als Averijhaven, en het aangrenzende water van het Noorderbuitenkanaal. Een uitsnede van dat plangebied is opgenomen in figuur 1.2.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

9

Figuur 1.2.

Plangebied bestemmingsplan Averijhaven

In dat bestemmingsplan is er een open verbinding tussen het Noorderbuitenkanaal en de aangelegde Averijhaven, waarin zich ook de lichterlocatie bevindt. Door in dat bestemmingsplan een deel van het Noorderbuitenkanaal mee te bestemmen, kon de oorspronkelijke (huidige) lichterlocatie omgezet worden in de bestemming Water.

1.2.2 Industrieterrein Tata Steel Een tweede deel van de gronden die voor het project benut worden, zijn gronden die toebehoren aan het complex van Tata Steel. Deze gronden vallen nu binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Industrieterrein Tata Steel', vastgesteld op 22 november 2012.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

10

Figuur 1.3.

Uitsnede plangebied bestemmingsplan Industrieterrein Tata Steel

De betreffende gronden zijn in dat bestemmingsplan bestemd voor een staalproducerend bedrijf (max. milieucategorie 6), tot het staalbedrijf behorende overige bedrijfsactiviteiten (max. milieucategorie 5.3) en overige bedrijfsactiviteiten (max. milieucategorie 4.2).

1.2.3 Zeezicht Een laatste deel van de gronden die met het project zijn gemoeid, valt binnen het plangebied van het bestemmingsplan 'Zeezicht', vastgesteld op 26 maart 2015. Hierin is het water van het Noorderbuitenkanaal als 'Water' bestemd, met daarbinnen een aanduiding voor de oorspronkelijke lichterlocatie, voordat deze in het bestemmingsplan Averijhaven naar zijn nieuwe locatie zou worden verplaatst. Dit bestemmingsplan Zeezicht is uitsluitend van toepassing op de meest zuidelijke punt van de lichterlocatie zoals die nu wordt beoogd met de realisatie van de Energiehaven.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

11

Figuur 1.4.

1.3

Uitsnede plangebied bestemmingsplan Zeezicht

Plangebied

Het plangebied voor dit bestemmingsplan 'Energiehaven', valt over de drie hiervoor genoemde bestemmingsplannen heen. De begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.5.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

12

Figuur 1.5.

Begrenzing plangebied bestemmingsplan Energiehaven

De plangrens is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:  het plangebied is grotendeels gebaseerd op het plangebied van bestemmingsplan Averijhaven. Het gehele depot is net als een deel van het water van het Noorderbuitenkanaal in dit plangebied opgenomen, om ter plaatse de nieuwe functie als Energiehaven en het verplaatsen van de lichterlocatie te kunnen regelen.  De gronden die onderdeel uitmaken van het plangebied van het bestemmingsplan Industrieterrein Tata Steel, blijven grotendeels buiten dit bestemmingsplan. Aangezien de huidige bedrijfsbestemming de beoogde bedrijfsactiviteiten reeds mogelijk maakt, is er geen noodzaak om deze gronden te herbestemmen. Aan de oostzijde is wel een deel van het plangebied van Tata Steel in dit nieuwe bestemmingsplan opgenomen, om ter plaatse de nieuwe lichterlocatie en enkele aanpassingen aan de kade te kunnen regelen.  Tot slot is een hoekje van het plan Zeezicht in het nieuwe plangebied meegenomen, om het meest zuidelijke puntje van de nieuwe lichterlocatie mogelijk te kunnen maken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

13

In onderstaand figuur 1.6 is de plangrens over de vigerende plannen geprojecteerd.

Figuur 1.6 Relatie plangebied en vigerende bestemmingsplannen

1.4

Procedure

In de Wet milieubeheer (Wm) is vastgelegd dat het voor bepaalde activiteiten verplicht is om een m.e.r.‐procedure te doorlopen. Voor Energiehaven IJmuiden zijn er twee redenen om een m.e.r.‐procedure te doorlopen:  het vaststellen van een bestemmingsplan voor de aanleg (of wijziging) van een haven voor schepen van meer van 1.350 ton (Besluit m.e.r. Activiteit C4);  het is niet op voorhand uit te sluiten dat de aanleg en/of het gebruik van de Energiehaven significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000‐gebieden Noordhollands Duinreservaat en Kennemerland‐Zuid. Als blijkt dat hiervoor een zogeheten 'Passende Beoordeling' uitgevoerd moet worden, is het plan m.e.r.‐plichtig (Wet Milieubeheer, artikel 7.2a, lid 1). Uit de voortoets, die in juni 2020 is opgesteld ten behoeve van de haalbaarheidsonderzoeken (zie paragraaf 2.4.1 van het MER), volgt dat een Passende Beoordeling noodzakelijk is. Het bestemmingsplan stelt de kaders voor de m.e.r.‐plichtige activiteit en er moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Daarom is sprake van een plan‐m.e.r.‐plicht. Omdat het bestemmingsplan een directe bouwtitel bevat voor de diverse activiteiten, is tevens sprake van een project‐m.e.r.‐plicht. Daarmee is er voor de Energiehaven IJmuiden dus sprake van een gecombineerd plan‐ en project‐m.e.r.

Voor het vaststellen van het bestemmingsplan moet dus de m.e.r.‐procedure worden doorlopen. Dit gebeurt in een aantal stappen, zie figuur 1.7. De tekst onder de figuur geeft een korte toelichting bij de diverse stappen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

14

Figuur 1.7

Stappen m.e.r.‐procedure bestemmingsplan

1. Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag en terinzagelegging De procedure is gestart met een bekendmaking van het voornemen om de Energiehaven planologisch mogelijk te maken en daarvoor een MER op te stellen, via een openbare kennisgeving en publicatie van een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). 2. Advies betrokken bestuursorganen en Commissie m.e.r. over reikwijdte detailniveau en zienswijzen De NRD heeft van 24 april tot 5 juni 2020 ter inzage gelegen. Tijdens deze periode kon een ieder een zienswijze over dit plan naar voren brengen. Er zijn twee zienswijzen ontvangen, die zijn beantwoord in een Nota van Antwoord (NvA) zie bijlage 1 bij het MER. De NvA wordt samen met het advies van de commissie m.e.r. meegenomen in de procedure vooroverleg bij het voorontwerpbestemmingsplan. Op 18 juni 2020 heeft de Commissie m.e.r. haar definitieve advies over de NRD uitgebracht. In paragraaf 2.4.2 uit het MER zijn de hoofdpunten uit dit advies beschreven. 3. Opstellen MER & ontwerp bestemmingsplan Het MER beschrijft en beoordeelt de milieueffecten van het voornemen. De resultaten worden betrokken bij de uitwerking van het ontwerp bestemmingsplan. 4. Kennisgeving en terinzagelegging MER en ontwerp bestemmingsplan Er wordt een publieke kennisgeving gedaan dat het MER samen met het ontwerp bestemmingsplan 6 weken ter inzage liggen. 5.

Advies betrokken bestuursorganen, Commissie m.e.r. en zienswijzen Opnieuw worden de relevante bestuursorganen betrokken en mag eenieder zienswijzen indienen op het MER en het ontwerp bestemmingsplan. Daarnaast toetst de Commissie m.e.r. in deze periode de kwaliteit van het MER en beoordeelt of de juiste (milieu)informatie aanwezig is om een besluit over het bestemmingsplan te kunnen nemen. De zienswijzen en verschillende adviezen kunnen aanleiding geven tot het bijstellen van het ontwerp bestemmingsplan. 6. Besluit en vervolg Het bestemmingsplan wordt vastgesteld door het bevoegd gezag. De gemeente Velsen zal in het uiteindelijke bestemmingsplan motiveren hoe met de uitkomsten van het MER, de adviezen en zienswijzen is omgegaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

15

1.5

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat als gebruikelijk uit de toelichting, een set regels en de bijbehorende verbeelding. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch bindende deel van dit bestemmingsplan, waaruit blijkt welke gebruiks‐ en bouwmogelijkheden waar van toepassing zijn. Deze toelichting betreft het beschrijvende en onderzoekende deel van het bestemmingsplan, waarin de beoogde ontwikkeling gemotiveerd wordt. De toelichting is als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2 omvat een beschrijving van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.  Hoofdstuk 3 betreft de toetsing van de ontwikkeling aan het ruimtelijk beleidskader.  Hoofdstuk 4 gaat in op de relevante omgevingsaspecten en legt in dat verband een link met de resultaten uit het planMER.  Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de manier waarop de planologische mogelijkheden in de regels zijn vastgelegd.  Hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van het plan.  Hoofdstuk 7 gaat tot slot in op de inspraak en het overleg zoals dat gedurende de totstandkoming van dit bestemmingsplan heeft plaatsgevonden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

16

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

17

Hoofdstuk 2

2.1

Beschrijving plangebied en ontwikkeling

Ontstaansgeschiedenis

De Averijhaven is in 1967 gegraven voor het afmeren van schepen die in de problemen waren gekomen en op reparatie wachtten. De haven kreeg een bodemdiepte van 12,00 meter onder Normaal Amsterdams Peil (NAP) en werd later verdiept tot 16,50 meter onder NAP. Vanaf 1979 is verontreinigde baggerspecie in de Averijhaven gestort. De stortingen, die voornamelijk afkomstig waren van baggerwerk in de Hoogovenhaven, vonden indertijd plaats omdat het niet langer was toegestaan de specie op de Noordzee te verspreiden of een nuttige toepassing te geven, omdat de specie te sterk verontreinigd was. De specie laten liggen zou de scheepvaart te zeer hebben belemmerd en zou meer nadelige gevolgen voor de ondergrond en het oppervlaktewater met zich hebben meegebracht dan wanneer de specie in de Averijhaven werd gestort. Het baggerspeciedepot is in fasen in de vroegere Averijhaven ingericht. In 1985 is een drempel in de mond van de haven gelegd. In 1991 is de drempel verhoogd waardoor de Averijhaven afgesloten werd voor de scheepvaart. Eveneens in 1991 ontstond het idee om de Averijhaven in te richten als definitieve bergingslocatie voor verontreinigde baggerspecie met een capaciteit van 2 miljoen m3. Daartoe is in 1993 het milieueffectrapport Baggerspeciestortplaats Averijhaven Velsen afgerond.

In 1995 maakte dat rapport het mogelijk dat op grond van de Wet Milieubeheer en de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren een vergunning werd verleend om de Averijhaven in Velsen daadwerkelijk als baggerspeciedepot in te richten. Na vaststelling van het Bestemmingsplan Averijhaven, in 1998, werd een begin gemaakt met de voorbereiding en de aanleg van een 10 meter hoge dijk rond de Averijhaven, waardoor de capaciteit van het depot in 2000 was vergroot tot de gewenste 2 miljoen m3. Tot 2009 is in totaal 1 miljoen m3 baggerspecie in het depot gestort. In 2019 is een nieuwe veranderingsvergunning afgegeven om de staalslakken ter plekke te kunnen hergebruiken, dit is in lijn met de uitgangspunten voor circulaire economie die hergebruik op locatie stimuleert. De staalslakken worden gebruikt voor de ophoging van het terrein.

2.2

Beoogde ontwikkeling

Het consortium heeft met het voornemen tot doel circa 16 hectare ruimte te bieden aan bedrijfsactiviteiten gerelateerd aan de energietransitie, concreet betreft het het faciliteren van de bouw en het uitvoeren van onderhoud voor windparken op zee en daaraan gerelateerde werkzaamheden. Daarnaast zal de beoogde lichterlocatie worden verplaatst uit de Averijhaven. Op beide ontwikkelingen wordt hierna separaat ingegaan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

18

2.2.1 Energiehaven De Energiehaven krijgt het karakter van een openbaar beschikbaar terrein, dat door gebruikers voor een bepaalde periode kan worden gehuurd. Hetzelfde geldt voor het gebruik van de kade. Ook daarbij wordt uitgegaan van een openbaar beschikbare kade, die voor gebruik kan worden gehuurd. Het consortium beheert daarvoor een planning en maakt afspraken met geïnteresseerde partijen (huurders). Zo kan bijvoorbeeld (een deel van) het terrein voor een half jaar worden verhuurd aan een offshore windbouwer met exclusief gebruik van een bepaalde kadelengte. Het terrein wordt gebruikt door bedrijven actief in de opwekking van duurzame energie. De locatie is geschikt voor de assemblage, deassamblage en het onderhoud aan windmolens en andere installaties die gebruikt worden voor het opwekken van duurzame energie. De kade kan gebruikt worden voor laad‐, los‐ en overslagbedrijven t.b.v. binnenvaart en zeeschepen. Het gebruik wordt beperkt tot het verschepen van containers, stukgoederen, ertsen, mineralen, zand, granen of meelsoorten. Het bedrijventerrein krijgt een oppervlakte van ca. 16 hectare. In totaal wordt 580 meter kade gerealiseerd voor genoemde off‐shoreactiviteiten en 140 meter kade voor binnenvaartschepen en coasters. De zeekade wordt aangelegd in dezelfde lijn als de buitenkade van Tata Steel.

Het uitgangspunt is dat transport van en naar de locatie over water plaatsvindt. Tevens wordt het terrein ontsloten over de weg via het terrein van Tata Steel. Tata Steel verleent hier haar medewerking aan. Er wordt niet uitgegaan van voor‐ of natransport per trein. De dijk met staalslakken aan de westrand van het plangebied blijft gehandhaafd als afscherming naar de duinrand. Het resterende terrein wordt ingericht als verhard terrein zonder specifieke weginfrastructuur. Op het terrein wordt een gebouw met werkruimte, pantry, kantoor‐ en vergaderruimten en sanitaire voorzieningen gerealiseerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

19

2.2.2 Lichterlocatie Het lichteren betreft het gedeeltelijk overslaan van de lading van grote bulkcarriers in kleinere schepen (binnenvaartschepen, coasters en duwbakken), waardoor de bulkcarriers minder diep komen te liggen. Dit is nodig om door te kunnen varen richting Amsterdam. De Buitenhaven van IJmuiden is namelijk bereikbaar voor schepen met een diepgang van 17,80 m. De bodem van het Noordzeekanaal ligt echter op NAP – 15,5 m en gelet op de tunnelveiligheid van verschillende tunnels op dat traject, mogen schepen daar niet dieper steken dan 14,05 m (zoet water).

De huidige lichterlocatie, is aangelegd tussen 1995 en 1998. Er heeft sindsdien een algemene schaalvergroting plaatsgevonden in de zeevaart, waardoor gemiddeld grotere schepen arriveren. Met de bouw van een grotere zeesluis wordt geanticipeerd op de komst van meer en grotere schepen. Tevens is er afgelopen jaren meer inzicht gekomen in de invloed van passerende schepen op de troskrachten van afgemeerde schepen. In verband hiermee zijn in 2019 de oude afmeerpalen, afmeerbok en boeien vervangen door zwaardere afmeerpalen en zes zware trospalen. Hiermee is de installatie berekend op het afmeren van schepen tot het formaat WOZMAX (330 m loa) en kan door eenzelfde schip worden gepasseerd. Inmiddels (Voor de vervanging van de oude afmeervoorzieningen door de nieuwe afmeer‐ en trospalen) hebben zich verscheidene incidenten voorgedaan rondom de lichterlocatie en is gebleken dat in bepaalde situaties nautische knelpunten ontstaan. Hier liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag, zoals:  De lichtervoorziening ligt direct naast en voor een klein deel in de vaargeul naar de Noordersluis en de Hoogovenhaven; doordat het schip aan de IJ‐palen ligt afgemeerd, wordt de vaarweg versmald, wat de doorvaart van bepaalde grote of windgevoelige schepen bemoeilijkt.  Door de zuigende werking van sommige passerende grote schepen, konden trossen breken van bulkcarriers aan de IJ‐palen.

Met de vernieuwing van de installatie in 2019 is deze situatie voorbij indien de trossen juist zijn gezet en worden bewaakt.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

20

In verband met de zuigende werking moeten passerende schepen hun snelheid verminderen, terwijl ze tijdens het binnenlopen tevens een bepaalde minimumsnelheid moeten hebben om te kunnen manoeuvreren. Ook dit knelpunt is door de wijziging van de installatie vrijwel teniet gedaan. Met de opening van de nieuwe zeesluis en de mogelijke komst van grotere schepen dan de huidige, kan de aanwezigheid van de lichterinstallatie op de huidige locatie weer tot grotere knelpunten leiden. Daarom is bepaald dat de lichterinstallatie moet worden verplaatst, zodat het nautische risico worden gereduceerd.

Met het bestemmingsplan Averijhaven uit 2016 was reeds een nieuwe lichterlocatie gepland, maar door gewijzigde inzichten wordt deze locatie nu als Energiehaven ontwikkeld. Gezien de nautische knelpunten en gemaakte afspraken, is daarom een nieuwe locatie aangewezen als lichterlocatie zodat de huidige lichterlocatie verplaatst kan worden. Deze nieuwe lichterlocatie komt ten oosten van de bestaande lichterlocatie te liggen. Bij de realisatie hiervan wordt de installatie, zoals in 2019 is aangebracht, verplaatst naar de nieuwe locatie waarbij de afmeerpalen en de trospalen in dezelfde configuratie worden geplaatst. 2.2.3 Werkhaven Tata Steel De nieuwe lichterlocatie komt te liggen op een locatie waar nu de werkhaven van Tata Steel met en bijbehorende aanlegsteiger gesitueerd is. Voor de bedrijfsvoering van Tata Steel is het nodig dat de werkhaven beschikbaar blijft voor het laden en lossen van grond‐ en afvalstoffen (zoals slakzand, staalslakken, zinkrijk hoogovengasstof en kooks). De bestaande aanlegsteiger komt te vervallen zodat er ruimte ontstaat voor de nieuwe lichterlocatie. In plaats daarvan zal de oever worden aangepast en wordt hier een coaster en binnenvaartkade aangelegd. Tevens blijft ca. 1,1 ha van het aangrenzende terrein in gebruik van Tata Steel. De hoeveelheden en typen van te laden en lossen stoffen veranderen niet als gevolg van het voornemen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

21

Hoofdstuk 3

3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (geconsolideerde versie 2017) Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor deze ontwikkeling is de aanduiding kustfundament relevant. Artikel 2.3.5 (bouwen in het kustfundament buiten stedelijk gebied) a. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten het stedelijk gebied maakt ten opzichte van het daaraan voorafgaande geldende bestemmingsplan geen nieuwe bebouwing mogelijk. b. Het eerste lid is niet van toepassing op: 1. bouwwerken ten behoeve van tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten; 2. herbouw of verbouw van een bestaand bouwwerk waarbij een eenmalige uitbreiding van het grondoppervlak met ten hoogste tien procent is toegestaan, te rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit; 3.

bouwwerken voor het openbaar belang voor zover deze bouwwerken niet buiten de gronden, bedoeld in het eerste lid, tot stand gebracht kunnen worden. Tot deze bouwwerken behoren in elk geval: 1°. bouwwerken voor telecommunicatievoorzieningen, opsporing, winning, opslag en transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit en kleinschalige opwekking van elektriciteit door middel van windturbines; 2°. bouwwerken voor het operationeel beheer van natuur of van hulpdiensten; 3°. bouwwerken voor de waterstaatkundige functie van het kustfundament. c. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover nieuwe bebouwing bijdraagt aan versterking van het zandige deel van het kustfundament.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

22

Figuur 3.1. Uitsnede kaart Kustfundament Toetsing Het bestemmingsplan maakt geen bebouwing in het kustfundament mogelijk. Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking) De ladder is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, moet in de toelichting worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Toetsing Het realiseren van circa 16 ha bedrijventerrein wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. De behoefte aan de energiehaven is beschreven in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Nederland heeft grote ambities op het gebied van off shore wind. Er is daarom behoefte aan bedrijventerrein met kade vanwaar activiteiten ondernomen kunnen worden om windparken op zee te bouwen en/ of te onderhouden, om zo een bijdrage te kunnen leveren aan de nationale energietransitie. Na het verwijderen van de baggerspecie wordt het plangebied ontwikkeld tot Energiehaven.

Deze nieuwe haven vormt een belangrijke uitvalbasis voor de aanleg en het onderhoud van offshore windparken die de komende jaren in zee worden gebouwd. Het ministerie van IenW, de provincie Noord‐Holland, gemeente Velsen, Tata Steel, Zeehaven IJmuiden en Port of Amsterdam hebben hiervoor in april 2020 een convenant ondertekend. De Energiehaven krijgt een oppervlakte van circa 16 hectare. Het haventerrein krijgt een kade van 580 m. Door de ligging van deze haven zal deze een belangrijke rol gaan spelen bij het (kosten)efficiënt aanleggen en onderhouden van de windparken. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) (september 2020) Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die de inrichting van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI benoemt 21 nationale belangen. Dit project heeft raakvlakken met de volgende belangen:

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

23

1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO2‐arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. Het initiatief draagt bij aan het behalen van de doelstellingen van nationaal belang 10, 11 en 13. In de Novi zijn vier prioriteiten benoemd: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, Duurzaam economisch groeipotentieel, Sterke en gezonde steden en regio's en Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het initiatief geeft specifiek invulling aan prioriteit 1 en 2. Hierna wordt ingegaan op de relevante bijbehorende beleidskeuzes.

Figuur 3.2. Uitsnede Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (land)

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

24

Figuur 3.3. Nationale Hoofdstructuur Leefomgeving (zee) Het plangebied ligt bij een van de vier grote aanlandingspunten voor windenergie van zee. Het gebied is aangewezen als een van de zeven “Duurzame en circulaire industrieclusters met rol in het energiesysteem (aanlanding wind op zee, CO2, CO2 neutrale gassen, warmte)”.

Figuur 3.4. Energienetwerken Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie (Beleidskeuze 1.2) Om de klimaatdoelstellingen voor 2050 te behalen kiest het kabinet ervoor het grootste gedeelte van de energieproductie te realiseren door middel van windparken op de Noordzee. Bij het zoeken naar meer ruimte voor windmolens sluit de NOVI in de eerste plaats aan bij gebieden voor windenergie op zee zoals benoemd in het Nationaal Waterplan 2016‐2021, de Rijksstructuurvisie windenergie op zee, Aanvulling gebied Hollandse Kust, de Routekaart Windenergie op Zee en de Routekaart Windenergie op Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

25

Zee 2030. Daarnaast sluit de NOVI aan bij het Adviesrapport: Verkenning Noordzeestrategie 2030, waarin mede in relatie tot het ontwerp‐Klimaatakkoord potentiële regio's op zee voor nieuwe windenergiegebieden zijn geïdentificeerd, en ook bij de ruimtelijke uitwerking van kansrijke aanlandpunten aan de kust. Aanlanding Bij het vinden van de maatschappelijke balans op de Noordzee moet de relatie met de ruimtelijk‐economische ontwikkeling van de aangrenzende delen van Nederland worden betrokken alsook de ruimtelijke invloed op het land. De windenergie van zee landt op een beperkt aantal plaatsen langs de kust aan op het landelijk hoogspanningsnet (in geval van elektriciteit) of gasnetwerk (in geval van moleculen zoals waterstof). Bij de keuze van tracés en aanlandplaatsen wordt rekening gehouden met de ruimtelijke invloed op land, met het bestaande net, milieu en de leefomgeving. Om de energie van zee optimaal te gebruiken, wordt aanlanding hiervan aan de kust en de energie‐intensieve bedrijvigheid (zowel industrie als bijvoorbeeld datacenters) waar mogelijk verder geconcentreerd. Dit voorkomt onnodig transport van energie naar het binnenland en daarmee samenhangende nieuwe infrastructuur en het daaraan gekoppelde ruimtebeslag.

Keuzes op de Noordzee De keuzes voor de Noordzee tot 2030 met een doorkijk tot 2050 zullen door het Rijk worden vastgelegd in het Programma Noordzee 2022‐2027, op basis van onderzoeken zoals een PlanMER en een MKBA. Om een stevige bestuurlijke basis met een maatschappelijk draagvlak voor de keuzes voor de lange termijn te borgen, heeft het Rijk in 2020 met de betrokken belangenorganisaties een Akkoord voor de Noordzee gesloten. Dit akkoord bevat afspraken over keuzes en beleid die de strategische opgaven voor de energietransitie uit het Klimaatakkoord, voor natuurherstel en voor een gezonde toekomst voor visserij op de Noordzee concreet en langdurig met elkaar in balans brengen, rekening houdend met andere gebruikers zoals zeevaart en zandwinning. De gemaakte afspraken gaan over met name 1) het beschermen en versterken van het ecosysteem conform EU‐regelgeving, 2) de uitrol van windparken tot en voorbij 2030 conform het Klimaatakkoord en opties voor doorvaart en medegebruik, 3) naar aard en omvang aanpassen van de kottervisserij, en 4) de intentie tot structurele samenwerking binnen een Noordzeeoverleg. Prioriteit 2 Duurzaam economisch groeipotentieel (Beleidskeuze 2.1 en 2.2) De Nederlandse economie verandert van karakter en is in 2050 geheel circulair en de broeikasgasemissies zijn dan met 95 procent gereduceerd, met 55 procent reductie als beoogd tussendoel in 2030.

Nederland heeft een sterke positie in de top vijf van meest concurrerende economieën. Een gezonde en veilige leefomgeving en een goed vestigingsklimaat in het gehele land dragen bij aan een duurzaam groeivermogen van 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het Rijk investeert, faciliteert met kennis en onderzoek en stelt eisen aan het benutten van circulaire grondstoffen en zet in op reductie van het grondstoffengebruik van 50 procent in 2030. Het kabinet zet in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen. Voor de haven‐ en industriegebieden moet voldoende fysieke en milieuruimte beschikbaar blijven. Het functioneren mag niet in het geding komen. Keuzes voor haven‐ en industriegebieden Nabij de haven‐ en industriegebieden aan de kust, zoals het Noordzeekanaalgebied, zijn belangrijke aanlandingspunten voor duurzame energie die op zee is opgewekt. In deze gebieden wordt actief ruimte geboden aan (nieuwe) energie‐intensieve industrie. Zo voorkomen we dat ondergrondse kabels die op het land aankomen soms ver landinwaarts op hoogspanningsstations moeten worden aangesloten (met bijvoorbeeld doorsnijding van landschappen als gevolg). Een ander voordeel is dat juist op deze energie‐intensieve clusters de urgentie van een duurzame, circulaire transitie het grootst is.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

26

De combinatie met aanlanding van wind op zee kan dat proces versnellen, met aanvullend kansen voor benutting van reststoffen (onder andere warmte) voor de omgeving. Voor de havens van Rotterdam en Amsterdam geldt overigens in het bijzonder dat de genoemde transitie een nauwe relatie heeft met een bredere verstedelijkingsopgave. De groei van productie en overslag in de haven en de intensivering van het grondgebruik in de haven, kunnen botsen met de ontwikkelings‐ en bouwplannen in de omgeving. Het functioneren van havens mag niet in het gedrang komen. Eventueel ruimteverlies voor havenfuncties als gevolg van stedelijke transformaties moet – zo nodig – worden gecompenseerd. In het Programma Energiehoofdstructuur worden de energyhubs aangewezen, de aansluiting op de nationale transport infrastructuur gewaarborgd en worden de ontwikkelrichtingen aangegeven voor nieuwe tracés hoogspanningsnetten (110kV en hoger) en nationale buisleidingen. Functies combineren De nieuwe, duurzame economie zal de komende decennia nog naast de huidige lineaire, fossiele economie bestaan. Dit maakt de ruimteclaim in die overgangsperiode potentieel groter. De kunst is om verschillende functies hierbij te combineren, zonder de risico's en milieunadelen te vergroten. Dit kan bijvoorbeeld doordat de vijf bestaande clusters met energie‐intensieve industrie er een rol bij krijgen.

Zij hebben een belangrijke positie in het produceren van de duurzame bronnen, die ook de gebouwde omgeving van energie voorzien. Woon‐ en werkgebieden zijn hier op het vlak van energie meer met elkaar verweven. NOVI‐gebieden Om verschillende urgente opgaven voor gebieden integraal op te pakken zijn in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021‐2024 acht voorlopige NOVI‐gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden waar verschillende grote, complexe opgaven spelen. Het gaat onder meer om het havengebied van Amsterdam. Hier wordt gewerkt aan kansen voor CO2‐arme bedrijvigheid, combinaties van havenactiviteit, duurzame energieopwekking, wonen en natuur. In en rond het Noordzeekanaalgebied (NZKG) groeit de vraag naar ruimte vanuit verschillende opgaven (circulaire economie, wonen, werken, groen, recreatie en energietransitie). De focus voor dit voorlopige NOVI‐gebied ligt op voldoende ruimte bieden voor haven‐ en industriële activiteiten en de transities die daarin gemaakt moeten worden. Een grote pijler is de transitie naar een circulaire economie, die zal leiden tot een ander gebruik van grond en reststoffen en ook een andere behoefte voor op‐ en overslag van goederen in de havens. De tweede grote pijler is de verduurzamingsopgave van de energie‐intensieve industrie die zal leiden tot een veranderende en op onderdelen grotere vraag naar energie met bijbehorende infrastructuur.

Vanwege de kansen voor aanlanding, opslag, doorvoer en verdeling van duurzame energie kan het NZKG ook een belangrijke rol spelen in de energietransitie voor de MRA. De circulaire opgave en verduurzamingsopgave vragen op zichzelf al om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte in dit gebied. Maar ontwikkelingen in de omgeving van het NZKG claimen in toenemende mate ruimte, ook in het NZKG, waardoor het functioneren van industriële en havenactiviteiten in het gedrang komt. De scope ligt op verduurzaming van industrie en haven, energietransitie, woningbouw en bereikbaarheid, circulaire economie, natuur en landschap, waterveiligheid zijn opgaven die in en rond dit gebied spelen waar al sprake is van beperkte ruimte. De meerwaarde van de status van voorlopig NOVI‐gebied is, dat er diverse opgaven lopen die een ruimtelijke invloed hebben op het gebied. Het NZKG is één van de gebieden waar de grootste ruimtedruk is. Daarbij moet het NZKG een circulaire transitie en een energietransitie doormaken. Dit zal betekenis hebben voor het ruimtebeslag van energie en op‐ en overslag, industriële en havenactiviteiten. Ook zal het consequenties hebben voor de grotere regio. Bovendien kan de

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

27

ontwikkeling van het NZKG baat hebben bij keuzes die op hogere schaalniveaus worden gemaakt. Toetsing Het mogelijk maken van een energiehaven draagt bij aan de rijksdoelstellingen ten aanzien van de energietransitie en circulaire economie.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie NH2050 ‐ Balans tussen economische groei en leefbaarheid (2018) In haar Omgevingsvisie NH2050 ambieert de provincie Noord‐Holland een balans tussen economische groei en leefbaarheid. In de omgevingsvisie staat dat de provincie duidelijkheid, ruimte en zekerheid wil bieden voor de economische activiteiten van internationale, grootschalige industriële complexen met milieu‐ en veiligheidscontouren. Deze zijn een belangrijke economische motor. In de omgevingsvisie staat ook dat de provincie stuurt op een energietransitie met een maximale opwekking van duurzame energie voor de volledige energievraag in Noord‐Holland in 2050. In de Omgevingsvisie is de doelstelling opgenomen om ruimte te bieden aan onder meer energietransitie, in het licht van een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. In de beweging Nieuwe energie staat dat de provincie in 2050 klimaatneutraal en volledig circulair wil zijn, gekoppeld aan het Klimaatakkoord om in 2030 49% CO2‐reductie te behalen. Daarom wordt ruimte geboden aan energietransitie. Om te kunnen voorzien in de behoefte aan elektriciteit is energie nodig die wordt opgewekt op land en op zee. De Provincie houdt rekening met een forse toename van windmolens op zee voor de kust van Noord‐Holland.

En daarmee met een of meer aanlandingen van kabels en leidingen vanuit zee op onze kust, waarvoor Den Helder en IJmuiden goede uitgangsposities hebben. De energietransitie vraagt om een hele andere benadering van het energienetwerk, de infrastructuur en de locatiekeuzen voor de functies die daaraan moeten worden verbonden. Het Noordzeekanaalgebied is een onmisbaar puzzelstuk voor de metropoolregio Amsterdam om de doelen die in de beweging Nieuwe energie zijn aangegeven voor energietransitie en circulaire economie waar te maken. De grote verstedelijkingsopgaven en het beter benutten van het landschap maken de opgave nog complexer. De beweging nieuwe energie gaat over het benutten van economische kansen van de energietransitie: a. Ambitie is een klimaatneutrale provincie in 2050 en benutting van de economische potentie van de energietransitie en de circulaire economie b. Adaptieve strategie voor het ontwikkelen van een duurzame energiemix op land c. Grootschalige energieopwekking op zee d. Ruimte voor energie‐infrastructuur in Noord‐Holland met Noordzeekanaalgebied en Den Helder als schakels in een nationaal netwerk e. Ruimte voor circulaire economie, met name in Noordzeekanaalgebied, Westas en Boekelermeer met ruimte voor experiment Toetsing De huidige en toekomstige energie‐infrastructuur speelt een doorslaggevende rol bij de economische kansen van de energietransitie.

Noord‐Holland ligt heel gunstig om zich te ontwikkelen tot een belangrijke schakel in het nationale en internationale energienetwerk. Op de Noordzee wordt veel nieuwe energie opgewekt die maar op enkele plekken aan land kan worden gebracht. Het Noordzeekanaalgebied (NZKG) is hiertoe bijzonder geschikt, vanwege de potentiële functie als draaischijf (aanlanding, opslag, doorvoer en verdeling van duurzame energie) en de energie‐infrastructuur die al aanwezig is. Voor de aanleg en het onderhoud van de windparken en de

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

28

infrastructuur op zee is de energiehaven van essentieel belang. Omgevingsverordening NH2020 (2020) Het terrein is in de omgevingsverordening aangemerkt als industrieterrein van provinciaal belang. Artikel 6.16 is relevant voor de beoogde ontwikkeling. Artikel 6.16 Industrieterreinen van provinciaal belang in het Noordzeekanaalgebied 1. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied industrieterrein van provinciaal belang, laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. 2. Het ruimtelijk plan voorziet, indien bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alleen in een nieuwe of wijziging van een bestaande functie: a. ten behoeve van de energietransitie of circulaire activiteiten en bedrijven; of b. ten behoeve van havengebonden of havengerelateerde activiteiten. Artikel 6.16a Milieucontour industrieterrein van provinciaal belang Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied milieucontour industrieterrein van provinciaal belang, voorziet alleen in een nieuwe of wijziging van een bestaande functie: a. als er geen beperkingen optreden voor de bestaande milieugebruiksruimte voor geluid, geur of omgevingsveiligheid voor bedrijven op het industrieterrein van provinciaal belang; en b.

als in het geval van woningen of andere milieugevoelige objecten rekening wordt gehouden met de milieubelasting van het industrieterrein van provinciaal belang op de desbetreffende locatie. Daarbij worden de redenen vermeld om op de desbetreffende locatie een nieuwe milieugevoelige functie toe te staan, voorzien van een afweging over de verwachte kwaliteit van de leefomgeving, de aan de zijde van de ontvanger zo nodig te treffen maatregelen alsmede de uitkomsten van onderzoek naar de haalbaarheid van die maatregelen. Toetsing Het plangebied is wel aangemerkt als industrieterrein, maar is daar op dit moment deels nog niet geschikt voor. Een baggerdepot wordt geschikt gemaakt als industrieterrein. Een deel van het gebied is geschikt voor bedrijven in hogere milieucategorieën. Wijziging van de functie ten behoeve van de energietransitie en circulaire activiteiten is mogelijk. De energiehaven leidt niet tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Het betreft geen gevoelige functie. Dit is in lijn met de omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Velsen (2016) Het plangebied is in de gemeentelijke structuurvisie aangemerkt als Nautische Toegangspoort en als Slimme Werkplaats / Techport. Velsen, en dan vooral IJmuiden, is met het haven‐ en sluizencomplex de belangrijke Nautische Toegangspoort van de metropoolregio, maar ook de logische uitvalsbasis voor offshore‐activiteiten, bijvoorbeeld gerelateerd aan windenergie en boorplatforms. Door de ontwikkelingen bij Tata Steel verschuift de werkgelegenheid van staalproductie naar kennisrijke vormen op het gebied van energiewinning, duurzaamheid en staal. Daarnaast zijn er meerdere kennisintensieve bedrijven in Velsen die verband houden met visserij, offshore en windenergie. Een van de ambities is de ontwikkeling van de haven als servicehaven voor de offshore industrie (inclusief windenergie). Daarvoor wordt onder meer ingezet op economische specialisatie in basismetaal‐, maakindustrie en onderhoud offshore windenergie.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

29

Figuur 3.5. Uitsnede structuurvisiekaart / ruimtelijke visie 2025

Figuur 3.6. Thematische uitwerking economie De belangrijkste ambities op het gebied van werken zijn krachtenbundeling van onderwijs en bedrijfsleven, specialisatie in de basismetaal‐/maakindustrie en offshore windenergie en het kennisintensiever maken van de maakindustrie. Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

30

Toetsing Het is de ambitie van de gemeente om de haven te ontwikkelen als servicehaven voor de offshore industrie (inclusief windenergie). Het plangebied wordt gezien als uitbreidingsruimte voor bedrijventerrein ten behoeve van een 'cluster industrie voor offshore windenergie.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

31

Hoofdstuk 4

4.1

Omgevingsaspecten

Milieueffectrapportage

De m.e.r.‐procedure wordt doorlopen voor het vaststellen van het bestemmingsplan. De procedure maakt in een aantal stappen inzichtelijk wat de impact is op het milieu. Deze informatie speelt een belangrijke rol in de afweging van alternatieven en in de definitieve besluitvorming. De resultaten worden gerapporteerd in een milieueffectrapport (MER). In de Wet milieubeheer (Wm) is vastgelegd dat het voor bepaalde activiteiten verplicht is om een m.e.r.‐procedure te doorlopen. Voor Energiehaven IJmuiden zijn er twee redenen om een m.e.r.‐procedure te doorlopen:  het vaststellen van een bestemmingsplan voor de aanleg (of wijziging) van een haven voor schepen van meer van 1.350 ton (Besluit m.e.r. Activiteit C4);  het is niet op voorhand uit te sluiten dat de aanleg en/of het gebruik van de Energiehaven significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000‐gebieden Noordhollands Duinreservaat en Kennemerland‐Zuid. Als blijkt dat hiervoor een zogeheten 'Passende Beoordeling' uitgevoerd moet worden, is het plan m.e.r.‐plichtig (Wet Milieubeheer, artikel 7.2a, lid 1). Uit de voortoets, die in juni 2020 is opgesteld ten behoeve van de haalbaarheidsonderzoeken (zie paragraaf 2.4.1 uit het MER), volgt dat een Passende Beoordeling noodzakelijk is.

Het bestemmingsplan stelt de kaders voor de m.e.r.‐plichtige activiteit en er moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Daarom is sprake van een plan‐m.e.r.‐plicht. Omdat het bestemmingsplan een directe bouwtitel bevat voor de diverse activiteiten is tevens sprake van een project‐m.e.r.‐plicht. Daarmee is er voor de Energiehaven IJmuiden dus sprake van een gecombineerd plan‐ en project‐m.e.r. Onderzoek In het MER is uitgebreid onderzocht wat de potentiële effecten zijn van het realiseren van de Energie‐haven ter plaatse van de huidige Averijhaven en een aangrenzend gedeelte van het Tata Steelterrein. Het verplaatsen van de huidige lichterfaciliteit is hiermee onlosmakelijk verbonden, en dit wordt samen als één project beoordeeld. Naast het planvoornemen is ook onderzocht wat de milieueffecten zouden zijn van reële alternatieven. Zo is de 'maximale milieugebruiksruimte' onderzocht, als een optie om de Energiehaven toekomstbestendig te ontwikkelen. Dit alternatief is een mix van de maximale milieugebruiksruimte die beschikbaar is voor deze locatie vanuit het stand still‐beleid en het stikstofbeleid én de maximale gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Een ander alternatief omvat de 'terugvaloptie', waarbij de Averijhaven gebruikt wordt als lichterlocatie en er geen Energiehaven wordt gerealiseerd.

Deze situatie is al mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan uit 2016 en is daarmee een reëel alternatief als de Energiehaven niet wordt gerealiseerd. Ten slotte is ook beoordeeld welke milieueffecten (tijdelijk) zijn te verwachten tijdens de verplaatsing van de lichterlocatie en de aanleg van de Energiehaven.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

32

Conclusie Uit de onderzoeken in het MER blijkt dat het planvoornemen, bestaande uit het verplaatsen van de lichterfaciliteit en het aanleggen en in gebruik nemen van de Energiehaven, met name positieve en neutrale milieueffecten heeft ten opzichte van de huidige situatie. De positieve effecten hebben onder andere betrekking op de nautische veiligheid en het verkeer richting het nieuwe sluizencomplex. Ook de stikstofdepositie op het direct aangrenzende natuurnetwerk neemt af, wat een gunstige invloed heeft op de natuurontwikkeling. Het herinrichten van het plangebied als havengebied en het terug op hoogte brengen van het grondlichaam rondom het voormalig baggerdepot, draagt bij aan het vergroten van de openheid rondom het Havenfort IJmuiden, dat deel uitmaakt van de Stelling van Amsterdam aangezien het dijklichaam aan de waterzijde verdwijnt. Mogelijke positieve effecten op de bodemkwaliteit treden op als er bodemroerende werkzaamheden nodig zijn, omdat dan eerst een plaatselijke bodemsanering moet worden uitgevoerd. Daarnaast draagt het planvoornemen bij aan de energietransitie en het halen van de nationale klimaatdoelstellingen.

In het planvoornemen zijn reeds verschillende maatregelen verdisconteerd om te kunnen voldoen aan het stand still‐beleid van de gemeente en de regio, waardoor de hinder bij omwonenden niet toeneemt en er dus geen sprake is van negatieve gezondheidseffecten. Het stand still‐beleid is voor de aspecten luchtkwaliteit en geluid in de betreffende paragraaf van deze toelichting nader omschreven. Mogelijke negatieve milieueffecten betreffen vooral mogelijke stikstofdepositie op enkele locaties in Natura 2000‐gebieden, uitsluitend in de plansituatie waarin er (nog) geen de‐NOx‐installaties op de drijvende kranen zijn aangebracht. Hiervoor zijn verschillende mitigerende maatregelen mogelijk waarmee dit effect vermeden wordt. Ook zorgt reflectie tegen de kades van de Energiehaven voor een algemene toename van de extreme golfhoogtes in de orde van 10‐20%, maar deze toename van de golfhoogte in de haven van IJmuiden wordt als niet significant beoordeeld voor de waterveiligheid. De kade heeft daarom, ondanks de reflectie van golven, een verwaarloosbaar effect op de waterveiligheid. Vergelijking met de terugvaloptie, die mogelijk is op basis van het bestaande bestemmingsplan, laat zien dat het planvoornemen met name voordelen heeft op het gebied van potentiële lichthinder, landschappelijke inpassing en de bijdrage aan de energietransitie.

Daarentegen is het positieve effect op de nautische veiligheid en de extreme golfhoogte van de terugvaloptie groter.

4.2

Ecologie

Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: • Natura‐2000 gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

33

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000‐gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en  de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000‐netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb.

De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

34

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Noord‐Holland In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het natuurnetwerk Nederland (NNN). Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Noordhollands Duinreservaat en Kennermerland Zuid bedraagt circa 1,4 km en tot het dichtstbijzijnde NNN ‐gebied bedraagt de afstand circa 45 meter. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden.

Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (industrieterrein en windmolenpark) kan ook verstoring door licht, beweging of geluid worden uitgesloten. Het Natura 2000‐gebied Noordhollands Duinreservaat en Kennermerland Zuid is wel gevoelig voor stikstofdepositie. Significante negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve niet worden uitgesloten. In het MER is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke effecten van vermesting en verzuring van Natura 2000 gebieden in de omgeving. Hieruit blijkt dat er sprake is van een extra stikstofdepositie bij het planvoornemen zonder de‐NOx. Het gaat om een toename van 0,01 mol/ha/jr op enkele hexagonen in combinatie met een veel grotere afname op duizenden hexagonen. Juridisch gezien is hier sprake van een (licht) negatief effect, ecologisch gezien betreft het een positief effect. Op het Natuurnetwerk, voor zover gelegen buiten Natura 2000 is sprake van een daling van de stikstofdepositie op daarvoor gevoelige natuurtypen. Soortenbescherming In mei 2020 is een ecologische quickscan uitgevoerd in het plangebied naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten (Struijf, M. (2020); QS Energiehaven Velsen VK‐200000. Natuurlijke zaken, Heiloo).

Op basis van deze quickscan is een aanvullend veldonderzoek verricht naar de aanwezigheid van reptielen en kleine marterachtigen (Struijf, M. (2020). Vervolgonderzoek (kleine) marters en zandhagedis. Natuurlijke zaken, Heiloo). Beide rapporten zijn als bijlagen bij het MER gevoegd. De conclusies van beide onderzoeken zijn als volgt: Quickscan  De aanwezigheid van beschermde planten binnen de plangrenzen is uit te sluiten.  In het gebied zijn struweelbroeders als heggemus, grasmus, braamsluiper, kneu en nachtegaal te verwachten. De laatste twee soorten staan op de landelijke rode lijst van bedreigde broedvogels. Er is geen ruimte in de gebouwen voor jaarrond beschermde vogels aangetroffen. Ook door de afwezigheid van boomholtes of bomen met een horst is het uit te sluiten dat er effecten zullen zijn op jaarrond beschermde broed‐ of rustplaatsen.  Er zijn mogelijke vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van kleine marterachtige binnen de plangrenzen. Vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk.

Rho adviseurs voor leefruimte

20200174

35

  

In de gebouwen zijn geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. De ontwikkeling gaat niet te koste van foerageergebied en/of trekroutes. Er zijn dan ook geen effecten van het planvoornemen op vleermuizen. De zwaarbeschermde rugstreeppad is schaars aanwezig op het aangrenzende terrein van Tata‐steel; hier is één voortplantingsplaats aangetoond. In het plangebied zijn geen geschikte voortplantingswateren aanwezig. Er zijn geen effecten op beschermde amfibieën. De ontwikkeling leidt mogelijk tot aantasting van het leefgebied van de zwaarbeschermde zandhagedis, tevens rode lijstsoort. Vervolgonderzoek is daarom noodzakelijk. Op het terrein zijn ook sporen aangetroffen van konijn en vos. Voor deze beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling voor de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. De aanwezigheid van overige beschermde soorten (vissen, weekdieren, vlinders, libellen, etc) is bij voorbaat uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Velsen&id=e60c689c-2590-4af5-87ae-8b1dceb64078