CConstaterende datVelsen
Koppel je AI →
Document · PDF

E14 ontwerpbestemmingsplan De Schouw.pdf

Raadsvergadering 4 maart 2021, gemeente VelsenBij agendapunt: Ingekomen stukken26.330 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor het zuidelijke deel van Noord-Holland zijn tussen 2010 en 2040 165.000 woningen nodig.

Hoofdstuk 3

Doorwerking plangebied De woonbehoefte neemt ook de komende jaren toe in het zuidelijk deel van Noord-Holland, met name voor oudere, één- en tweepersoonshuishoudens. Het woningbouwplan voorziet in deze woonbehoefte (zie ook par. 3.1.3) en is daarmee in lijn met de Structuurvisie Noord-Holland 2040. 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De verordening (geconsolideerde versie 29 juni 2019) betreft een juridisch-bindende uitwerking van de structuurvisie en bevat derhalve concrete regels die doorwerken naar lagere overheden. Met het bepaalde in de verordening dient dus rekening gehouden te worden in een bestemmingsplan. Doorwerking plangebied In hoofdstuk 2 van de verordening is in artikel 5a Nieuwe stedelijke ontwikkeling het volgende opgenomen: 1. Een bestemmingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. 2. Gedeputeerde staten stellen nadere regels aan de afspraken bedoeld in het eerste lid. Het plan voorziet in 36 woningen en kan worden gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 3.1.3 is aangetoond dat het plan bijdraagt aan het invullen van de regionale en gemeentelijke woonbehoefte. Onderhavig planvoornemen is in lijn met de provinciale Verordening ruimte.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Velsen De structuurvisie van Velsen is vastgesteld op 12 mei 2016 door de gemeenteraad. Deze structuurvisie geldt als kompas waarmee de gemeente Velsen haar koers bepaalt. De structuurvisie zet de stip op de horizon in 2040, toont de ruimtelijke visie tot 2025 en laat de uitvoering zien in een uitvoeringsprogramma. De gemeente Velsen heeft in haar structuurvisie een paragraaf gewijd aan het onderdeel “wonen”. Velsen heeft een rijk palet aan onderscheidende woonmilieus, van dorps tot stedelijk, van betaalbaar tot duur en op unieke plekken zoals in het groen tussen de landgoederen van de binnenduinrand, aan/in de duinen, aan het strand, langs het Noordzeekanaal, in de haven of bij de Stelling van Amsterdam.

Hoofdstuk 3

De gemeente Velsen zet in op een verbetering van de leefbaarheid binnen de gemeente door een diversiteit aan woonmilieus (centrumstedelijk, grootstedelijk, landelijk/dorps) en differentiatie in de woningvoorraad en daarmee aan bevolkingsgroepen). Dit bevordert de dynamiek in de samenleving. Het is daarnaast de bedoeling om de stedelijke hoofdstructuur te intensiveren.

Figuur 3.1: uitsnede structuurvisiekaart (bron: gemeente Velsen)

Doorwerking plangebied Met dit plan wordt voorzien in de vraag naar nieuwe woningen en wordt de stedelijke hoofdstructuur van Velsen versterkt en geïntensiveerd middels inbreiding. Daarmee ligt het plan in lijn met de ambities uit de structuurvisie. 3.3.2 Woonvisie Velsen De Woonvisie 2040 zal op korte termijn door de gemeenteraad vastgesteld. In de woonvisie staan vier thema’s centraal:  kwaliteit van de bestaande voorraad en toekomstige woningbouw  wonen en zorg  betaalbaarheid en beschikbaarheid  duurzaamheid We willen bestaande en nieuwe inwoners een goede start en vervolgens een wooncarrière in de gemeente Velsen bieden. We willen een aantrekkelijke woongemeente zijn voor alle inkomensgroepen met een goede mix van soorten woningen, verspreid over alle woonkernen. Daarvoor is het noodzakelijk dat er woningen worden bijgebouwd. Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling bedraagt een raming van de kwantitatieve woningbehoefte in Velsen tot 2030 volgens de provincie Noord-Holland circa 1.900 woningen. Het huidige tekort op de woningmarkt is hierbij niet meegerekend waardoor de woningbehoefte feitelijk groter is. We zien dat de samenstelling van de woningvoor-

Hoofdstuk 3

raad onevenredig is verdeeld over de kernen en wijken, waardoor de mogelijkheden voor een wooncarrière binnen de kern wordt beperkt. Dit betekent dat we gaan werken aan een betere spreiding van de sociale huur over de gemeente en toevoeging van betaalbare markthuur of koop. Tegelijkertijd wordt er geëxperimenteerd met nieuwe woonvormen om ook aan bijzondere doelgroepen een woning te kunnen bieden en doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Daarnaast wil Velsen zowel nieuwe als bestaande woningen verduurzamen en de circulaire economie stimuleren. Doorwerking plangebied De woningvoorraad van Velsen-Noord is eenzijdig samengesteld. Dit leidt er toe dat ouderen en financieel draagkrachtige huishoudens wegtrekken uit Velsen-Noord omdat een voor deze groepen geschikt woningaanbod ontbreekt. Anderzijds worden financieel minder draagkrachtige huishoudens aangetrokken door het grote aanbod goedkope woningen. Achtereenvolgende woningmarktonderzoeken laten zien dat de verhuisgeneigdheid in Velsen-Noord relatief groot is. Bewoners uit VelsenNoord willen wel in Velsen-Noord blijven wonen. De bestaande woningvoorraad sluit niet aan bij de vraag van de verhuisgeneigden in Velsen-Noord. De ontwikkeling van een wooncarrière binnen Velsen-Noord wordt belemmerd door het ontbreken van voldoende differentiatie in de soorten en prijsklassen van de woningen.

Er is een bovengemiddelde vraag naar eengezinswoningen, portiekwoningen en seniorenwoningen. Naarmate het woningaanbod meer gedifferentieerd is en nieuwbouw goed aansluit op de bestaande voorraad, worden de kansen op het maken van een wooncarrière groter. In het initiatief is opgenomen dat de 36 geplande woningen allemaal eengezinswoningen betreffen. Hiervan worden alle woningen afgezet in de koopsector. Dit sluit aan bij de doelstelling om meer differentiatie in Velsen-Noord te realiseren. In Velsen-Noord is sprake van een gelijke mix aan eengezinsen meergezinswoningen en is er over het algemeen iets minder koop dan huur. In zowel de koop- als huursector is er voornamelijk een goedkope voorraad.

Hoofdstuk 3

4.

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk worden de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Parkeren De parkeersituatie van het bouwplan wordt getoetst aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Gemeentelijk parkeerbeleid De gemeente Velsen heeft eigen beleid voor parkeren: “Parkeernormenbeleid 2015, gemeente Velsen”, door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27 februari 2012. Het parkeerbeleid wordt gevormd door de nota Parkeernormenbeleid 2015, door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld op 27 februari 2012. In dit document is vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen moeten worden aangelegd bij nieuwe bouwplannen. De gemeente wil op deze manier parkeeroverlast op de openbare weg zoveel mogelijk voorkomen. De behoefte aan parkeerplaatsen is afhankelijk van de functie van een voorziening. Zo zal een appartementencomplex een andere parkeerbehoefte genereren dan een basisschool. En een restaurant een andere parkeerbehoefte genereren dan een bouwmarkt. Om deze behoefte aan parkeerplaatsen eenduidig te kunnen beoordelen moet het college uitgaan van een gemiddelde parkeerbehoefte per eenheid, afhankelijk van de bijbehorende functie. Deze gemiddelde parkeerbehoefte wordt verwoord door de parkeernorm. In dit geval worden 36 eengezinswoningen mogelijk gemaakt. Er is daarbij conform de nota parkeernorm uitgegaan van 1,7 parkeerplekken per woning, gezien de woningen zullen vallen onder de categorie ‘groot’ (zie onderstaande tabel).

In deze norm is reeds rekening gehouden met een aandeel bezoekers.

Dit houdt in dat in totaal 61 parkeerplaatsen dienen te worden aangelegd om te voldoen aan de nota parkeernorm. Binnen het huidige plangebied worden in totaal 61 parkeerplaatsen aangelegd op korte afstand van de verschillende bouwblokken waarbij de parkeerplaatsen evenredig zijn verdeeld. Hiermee is aangetoond dat er wordt voldaan aan de nota parkeernormen.

Hoofdstuk 4

4.2 Geluid Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied ligt binnen de zones van de Wenckebachstraat en de Grote Hout of Koningsweg. Industrielawaai Daarnaast is voorliggend bouwplan gelegen binnen de geluidzone van industrieterrein IJmond. De voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai is 50 dB. Voor nieuwe woningen kan bij een geluidsbelasting van 50 dB tot 55 dB een hogere waarde worden aangevraagd. De verwachting is dat vooral in de noordzijde van het plangebied op de tweede bouwlaag en hoger de geluidsbelasting meer dan 55 dB bedraagt. Voor deze gevels dienen maatregelen getroffen te worden, zoals dove gevels (gevels zonder te openen delen). De Wet geluidhinder is op dove gevels niet van toepassing.

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied is verzocht een indicatieve berekening uit te voeren naar industrielawaai. Wegverkeerslawaai De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting is het in een binnenstedelijke situatie mogelijk tot en met 63 dB een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder vast te stellen. Doorwerking plangebied Er is onderzoek naar wegverkeerslawaai verricht3. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Wet geluidhinder.  De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Wenckebachstraat, Breedbandstraat, Grote Hout- of Koningstraat voldoen niet aan de voorkeursgrenswaarde, maar wel aan de maximaal toelaatbare waarde.  De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Duinvlietstraat, Stratingplantsoen voldoen aan de maximaal toelaatbare geluidbelasting.  De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Bleijenhoevelaan, Schulpweg, Kruisbeekstraat en Gildestraat zijn vanuit goede ruimtelijke ordening toelaatbaar.  Het aanvragen van een hogere waarde is noodzakelijk. Deze hogere waarde zal door de Gemeente vastgesteld en gepubliceerd worden.

 Na verlening van de hogere waarde dient in het kader van de bouwvergunning aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Hiervoor is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk.

3

BK Bouw- & milieuadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeer Bleijenhoevelaan te Velsen-Noord, 20 september 2018

Hoofdstuk 4

Conclusie Met in acht name van de bovenstaande bevindingen vormt geluid geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:  scholen;  kinderdagverblijven;  verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Toetsing In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden.  Ten eerste moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert.

Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.

Hoofdstuk 4

Ten tweede of de luchtkwaliteit ter plaatste de nieuwe functie toelaat.

Doorwerking plangebied Verkeer De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 36 woningen. Hieruit blijkt dat voor wat betreft de woningbouw voldaan wordt aan het Besluit in niet betekende mate.

Luchtkwaliteit ter plaatse Zoals al eerder vermeld, is er geen sprake van een “gevoelige” bestemming. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de Atlas Leefomgeving (van o.a. ministerie I&M en RIVM), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de concentraties over 2014 van fijnstof (PM2,5 en PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Uit deze afbeeldingen blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde grenswaarde van 25 en 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.

Figuur 4.1: concentratie fijnstof (PM2,5) 2016 ter plaatste: 11-12 ìg/m³, ruim onder de grenswaarde van 25 ìg/m³

Hoofdstuk 4

Figuur 4.2: concentratie fijnstof (PM10) 2016 ter plaatse: 20-21 μg/m³, ruim onder de grenswaarde van 40 μg/m³

Figuur 4.3: concentratie stikstofdioxide 2016 ter plaatste: tussen 20 - 25 μg/m³, onder de grenswaarde van 40 μg/m³

Conclusie Gezien het feit dat het project onder de Regeling NIBM valt, blijkt dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatste van het planvoornemen ruimschoots aan de gestelde grenswaarden. Het onderdeel Luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat bedrijven hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.

Hoofdstuk 4

Richtafstanden Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied.

In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. Onderzoek Gezien de ligging van het plangebied in de zone van gezoneerd industrieterrein IJmond en in de directe nabijheid van zware industrie is het plangebied aan te merken als gemengd gebied. De planlocatie ligt op ongeveer 250 meter van een energiecentrale. De adviesafstand voor gasgestookte energiecentrales is, in gemengd gebied 300 meter. Aangezien het plangebied omringd is door bestaande woonbebouwing zal er middels maatwerk aangetoond worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat de bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. Omgevingsdienst IJmond verwacht geen belemmeringen op het gebied van milieuzonering5.

4.5 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.

4 5

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009. Notitie Omgevingsdienst IJmond, Milieuadvies – de Schouw – Velsen Noord, 17 maart 2017

Hoofdstuk 4

Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Onderzoek In het kader van de bestemmingswijziging is een onderzoek 6 uitgevoerd naar de aanwezigheid van ev-relevante risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek uiteengezet. Over de A22 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, het planvoornemen in de nabijheid van de A22 (600 meter). Vanuit de regeling basisnet blijkt dat de PR10-6 contour 0 meter bedraagt. Tevens ligt het plangebied buiten het groepsrisicogebied. De dichtstbijzijnde route met gevaarlijke stoffen over het water is het Noordzeekanaal op 1 kilometer afstand. Het noordzeekanaal heeft een van PR 10-6 Contour van 0 meter. Gezien deze afstand vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen. Op circa 300 meter van het planvoornemen is de spoorlijn gelegen. Over deze route worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd. De dichtstbijzijnde spoorlijn waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd ligt op circa 11,5 kilometer afstand. In de directe omgeving van het planvoornemen zijn buisleidingen gelegen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 60 meter afstand van het planvoornemen, en valt hiermee buiten het invloed gebied van deze buisleiding (PR 10-6 per jaar= 5 meter). Een nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk.

6

BK Bouw- & milieuadvies, Rapport externe veiligheid De Schouw, Bleijenhoevelaan 2, 4 en 6, Velsen, 23 januari 2020

Hoofdstuk 4

De LPG inrichting (LPG inrichting: Kuwait Petroleum Nederland B.V. (PM 10-5 25 meter, PM 10-6 45 meter, groepsrisicoverantwoording 150 meter)) ligt op circa 160 meter afstand van het planvoornemen. De afstand tot de nieuwe woningen dient gemeten te worden vanaf de gasopslag, hierdoor ligt het planvoornemen buiten het invloedsgebied. Aan de westkant van het planvoornemen, op circa 165 meter bevindt zich het gasontvangsstation "Hoflaan 1" met een PM 10-6 25 meter. De planlocatie bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een inrichting met gevaarlijke stoffen. Conclusie De planlocatie is niet gelegen binnen de risicoafstanden van EV-relevante transportwegen of risicovolle inrichtingen. Er zijn geen nadere onderzoeken naar de externe veiligheid nodig. Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de woningen.

4.6 Ecologie Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Onderzoek Er is door BK Bouw- & milieuadvies een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) gedaan in het plangebied7. Hiermee is een inventarisatie naar eventueel aanwezige beschermde soorten in het plangebied gedaan. Het projectgebied bestaat uit het (voormalige) gebouw met aangrenzend parkachtig gemeente groen, wat goed onderhouden is.

Beschermde plantensoorten worden op basis van het literatuuronderzoek en het huidige gebruik niet verwacht. Het kleine gebouw op de locatie is niet geschikt voor vleermuis verblijfplaatsen. Voor de soortgroep vleermuizen is het plangebied geschikt als foerageergebied. Wegens het ontbreken van geschikte openingen in de bomen en gebouwen op het terrein worden verblijfplaatsen voor vleermuizen niet verwacht. Strikt beschermde soorten worden gezien de ligging en aard van het terrein ook niet verwacht. Uiteraard kan worden verwacht dat enkele algemeen voorkomende beschermde soorten voorkomen binnen het onderzoeksgebied.

7

BK Bouw- & milieuadvies, Quickscan flora en fauna De Schouw, Bleijenhoevelaan 2, 4 en 6 Velsen, 12 juli 2018

Hoofdstuk 4

Met betrekking vleermuizen wordt niet verwacht dat belangrijke vliegroutes worden verstoord of zullen verdwijnen. Lichthinder dient voorkomen te worden. Het gebied is geschikt voor de rugstreeppad. Deze soort is echter niet waargenomen tijdens de inventarisatie en is tevens niet waargenomen in Velsen Noord in de afgelopen 5 jaar. Met betrekking tot amfibieën wordt niet verwacht dat naast de algemeen voorkomende soorten de strikt beschermde rugstreeppad voorkomt binnen het plangebied. Verder wordt niet verwacht dat andere strikt beschermde soorten voor zullen komen binnen de projectlocatie, nader onderzoek naar het voorkomen van andere soorten is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Flora en fauna vormt geen belemmering voor het bouwplan.

4.7 Bodem Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Onderzoek Er is in 2017 een verkennend bodemonderzoek verricht in het plangebied 8. Hieruit is gebleken dat ter plaatse van het zuidelijk terreindeel enkele matig tot sterke verontreinigen met zink in de bovengrond zijn aangetoond. De exacte aard en omvang van deze verontreiniging(en) is niet in beeld gebracht. In januari 2019 is aanvullend bodemonderzoek gedaan10. Doel van dit aanvullende bodemonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de eerder op de locatie aangetoonde verontreinigingen met zink. De bovengrond ter plaatse van de boringen 038 en 101 (woonerf huisnummer 178) is sterk verontreinigd met de immobiele parameter zink. De sterke zinkverontreiniging is richting het zuiden niet horizontaal afgeperkt tot onder de interventiewaarde. In de overige richtingen is de sterke zinkverontreiniging zowel horizontaal als verticaal afgeperkt tot onder de interventiewaarde.

Aanbevolen wordt om vooruitlopend op de feitelijke (graaf)werkzaamheden de sterke verontreiniging met zink eveneens in zuidelijke richting verder af te perken. Conclusie Ondanks dat de omvang van de sterke verontreiniging nog niet (volledig) in beeld is gebracht, kan worden gesteld dat meer dan 25 m³ grond sterk verontreinigd is, en derhalve sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zoals bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Derhalve is

8

BK Bouw- & milieuadvies, Verkennend bodemonderzoek Bleyenhoevelaan te Velsen-Noord, 2 mei 2017 BK Bouw- & milieuadvies, Verkennend aanvullend bodemonderzoek Bleyenhoevelaan 2-6, Velsen-Noord, 22 januari 2019

10

Hoofdstuk 4

sprake van een saneringsnoodzaak. Er is geen sprake van een actueel (humaantoxicologisch, ecologisch en verspreidings-) risico. Derhalve bestaat vanuit de Wbb geen noodzaak tot spoedeisende sanering. Indien in de sterk verontreinigde grond gewerkt gaat worden dient voor begin van de werkzaamheden een goedgekeurd saneringsplan beschikbaar te zijn, dan wel een melding te zijn gedaan in het kader van het ‘Besluit uniforme saneringen’ (BUS-melding). Er mag niet zonder toestemming van het bevoegd gezag in de sterk verontreinigde grond worden gegraven. Bij saneringswerkzaamheden in verontreinigde grond geldt de Kwalibo-regeling uit het Besluit bodemkwaliteit. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een BRL SIKB 7000 gecertificeerde aannemer, onder begeleiding van een BRL SIKB 6000 gecertificeerde milieukundige begeleider. De risico’s voor het aspect bodem liggen bij ontwikkelaar. Zij zijn verantwoordelijk om te zorgen dat de locatie geschikt wordt gemaakt voor het beoogde gebruik; dit gaat op voor zowel de woonbestemming als gebruik voor openbaar gebied. Hierbij maakt het geen verschil of gronden bij gemeente blijven dan wel verkocht worden aan ontwikkelaar.

4.8 Water Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is geconcludeerd dat Nederland zijn waterhuishouding niet op orde heeft. Water dient (in de toekomst) een mede-ordenend principe te worden. In het bestemmingsplan dient daarom aandacht besteed te worden aan water. In het Nationaal waterakkoord, dat gesloten is tussen het Rijk, gemeenten, waterschappen en provincies, is opgenomen hoe de partijen met water wensen om te gaan. De opgave is te zorgen voor veiligheid en te beschikken over voldoende mogelijkheden voor waterberging ter voorkoming van waterlast, watertekort en het verslechteren van de waterkwaliteit. Als uitvloeisel hiervan is voor ruimtelijke plannen een watertoets verplicht gesteld. De watertoets is het hele proces van adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De uitvoering geschiedt binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water.

De watertoets geeft de inbreng van water een plaats in de procedures over ruimtelijke plannen en besluiten, zoals streek- en bestemmingsplannen, en vormt als het ware een verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. De watertoets heeft een integraal karakter: alle relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen (naast veiligheid en wateroverlast ook waterkwaliteit en verdroging). Uit resultaten van de watertoets blijkt dat overleg met HHNK (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) niet nodig is om te bespreken hoe in het plan rekening kan worden gehouden de waterhuishoudkundige belangen.

Hoofdstuk 4

In onderstaande afbeelding is het plan met de beschermingszones van het HHNK opgenomen.

Figuur 4.4: uitsnede beschermingszones HHNK

Peilgebied Het projectgebied is gelegen in het noordwestelijke deel van Velsen- Noord aan de kruising van de Wenkebachstraat en de Grote hout- of Koningstraat. Het plan is gelegen binnen het peilgebied Velsen Noord, op een hoogte van 3,76m boven N.A.P. (AHN.nl 2018) Waterkering Het plangebied ligt binnen minimaal 600 meter van eenbestaande waterloop. Bij de Rijk de Waalweg (N197) en de Velserweg ligt een primaire waterkering. Deze waterkering is in de Waterwet opgenomen en vormt een onderdeel van dijkringgebied 13. Gezien de afstand tot het plangebied, is dit geen belemmering voor het plan. Verhard oppervlak De gemeente streeft naar het zoveel mogelijk verwerken van regenwater binnen de perceelgrenzen. Er zijn diverse mogelijkheden om het water vast te houden en/of te verwerken zonder dat dit een extra belasting oplevert voor het oppervlaktewatersysteem. Zolang het water op eigen terrein wordt verwerkt is verdere compensatie in de vorm van het graven van extra oppervlaktewater niet nodig. Indien het hemelwater niet op eigen terrein verwerkt wordt is het graven van extra oppervlaktewater noodzakelijk. In de onderstaande tabel is opgenomen wat de verhardings-, en groenoppervlakte is in de huidige, alsmede in de toekomstige situatie.

Hoofdstuk 4

bestaand [m2]

nieuw [m2]

bebouwing bestaand

2567

1610

uitgeefbaar terrein (50% verhard)

397

2445

parkroute en verharding

4293

2778

Subtotaal – verhard opp. vlak

6.860

5.610

openbaar groen

8181

8723

struiken

343

225

speelplek

61

61

totaal

15842

15842

Uit de berekening blijkt een afname van circa 1.250 m² verhard oppervlak. Compensatie is dan ook niet noodzakelijk conform de eis van het hoogheemraadschap. Afvalwater Lozingen van afvalwater kunnen worden ingedeeld in directe en indirecte lozingen. Lozingen op een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, kortweg riolering, worden indirecte lozingen genoemd. Hierbij maakt het niet uit of vanuit die riolering al dan niet via een zuivering (bijvoorbeeld een rioolwaterzuiveringsinstallatie) in het milieu wordt geloosd, dus of het een vuilwater- of een schoonwaterriool betreft. De indirecte lozingen vallen onder de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de bouw van woningen en valt onder het Besluit lozing vanuit huishoudens. De woningen worden aangesloten op de gemeentelijke riolering langs de Bleyenhoevelaan. Conclusie Er zijn geen werkzaamheden in de waterkering en de huidige verharding neemt af. Vanuit de waterhuishouding is er geen noodzaak tot watercompensatie. Het aspect water vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9 Archeologie Toetsingskader Deze paragraaf gaat in op de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als uitvloeisel van het verdrag van Malta wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen bij de voorbereiding van het plan. Belangrijk uitgangspunt van het Verdrag van Malta en het rijksbeleid is dat het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) voor gaat op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Met de Wet op de archeologische monumentenzorg (1 september 2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta geïmplementeerd. In april 2017 heeft de gemeenteraad de Beleidsnota archeologie Velsen met bijbehorende beleidskaart vastgesteld. Op de beleidskaart zijn alle aangetoonde, bekende aanwezige en te verwachten archeologische waarden geïnventariseerd en verdeeld in categorieën. Bij elke categorie hoort een re-

Hoofdstuk 4

gime met een vrijstellingsoppervlak en vrijstellingsdiepte. Het regime bepaalt waar en bij welke ruimtelijke plannen er rekening dient te worden gehouden met archeologie en wanneer er sprake is van vrijstelling hiervan. Onderzoek Het projectgebied kent een archeologische waardering. In het vigerende bestemmingsplan is daarvoor een dubbelbestemming opgenomen: de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. De regels in het vigerende bestemmingsplan bepalen dat ten behoeve van de basisbestemmingen uitsluitend mag worden gebouwd, indien: a. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarden van de betrokken locatie naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het rapport zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwactiviteiten door een archeologisch deskundige.

Het bovenstaande onder a en b, is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: a. verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,4 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst Conclusie Ten behoeve van het bouwplan wordt een archeologisch onderzoek verricht. De resultaten worden opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

4.10 M.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een milieueffectrapportage (MER) nodig.

Hoofdstuk 4

Doorwerking plangebied Met dit planvoornemen wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteit is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt onder de drempelwaarden die hier genoemd worden. Derhalve is uitsluitend een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde.

D.11.2

Activiteiten

Gevallen

Besluit

De aanleg, wijziging of uitbreiding van

In gevallen waarin de activiteit

De vaststelling van het plan,

een stedelijk ontwikkelingsproject, met

betrekking heeft op:

bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,

inbegrip van de bouw van winkelcentra

1: een oppervlakte van 100 hectare of

onderdelen a en b, van de Wet

of parkeerterreinen.

meer,

ruimtelijke ordening --> het

2. een aaneengesloten gebied en 2.000

bestemmingsplan

of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Hiertoe is een aanmeldingsnotitie opgesteld. De aanmeldingsnotitie9 met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage. De gemeente dient, voorafgaand aan de publicatie van het ontwerpbestemmingsplan, een separaat besluit te nemen omtrent het al dan niet doorlopen van een m.e.r.-procedure. Conclusie Gezien de bevindingen als beschreven in de aanmeldingsnotitie, en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r., kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een relatief klein schaalniveau met bijbehorende minimale effecten. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat deze geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg hebben die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

In de aanmeldingsnotitie wordt daarom aanbevolen om een gemeentelijk besluit voor te bereiden waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van het bestemmingsplan “De Schouw Velsen Noord” geen milieueffectrapportage wordt vereist.

9

BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling bestemmingsplan Coornhertkade Alkmaar, november 2019

Hoofdstuk 4

4.11 Duurzaamheid Gemeente Velsen heeft voor duurzaam bouwen een lokaal stimuleringsbeleid geformuleerd in het Milieubeleidsplan 2015-2020. Een instrument om duurzaam bouwen inzichtelijk en meetbaar te maken is GPR-gebouw. Dit instrument geeft rapportcijfers voor een bouwplan. De gemeente Velsen heeft momenteel een GPR-score van minimaal een 8 voor Energie en Gezondheid en minimaal een 7,5 voor de thema's Milieu, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Voor een hoekwoning en vrijstaande woning wordt de score 0,5 punt lager gesteld. Voor een hoger niveau van duurzaam bouwen is het mogelijk om de ambitie te verhogen naar minimaal 9 voor het thema 'energie' (richting BENG, “Bijna Energie Neutrale Gebouwen”). Landelijk en Europees beleid In 2013 is het Energieakkoord voor duurzame groei gesloten. De gemeente onderschrijft de doelstellingen uit het Energieakkoord. De hoofdlijnen zijn: een besparing van het energieverbruik met gemiddeld 1,5% per jaar, een toename van het aandeel hernieuwbare energieopwekking van 4,5% in 2013 naar 14% in 2020, en een verdere stijging van dit aandeel naar 16% in 2023. Het Bouwbesluit (wettelijk kader) is daarvoor in 2015 aangescherpt van een energieprestatie coëfficient (EPC) van 0,6 naar 0,4. Vanaf 1 januari 2021 moet alle nieuwbouw voldoen aan de eisen voor BENG, “Bijna Energie Neutrale Gebouwen”. BENG vervangt dan de EPC.

BENG stelt ook de eis dat de energiebronnen voor het gebouw in bepaalde mate duurzaam moeten zijn. In het nationaal energieakkoord voor duurzame groei is afgesproken dat de energievoorziening in 2050 geheel klimaatneutraal is. Voor de gebouwde omgeving betekent dat geen aardgas meer gebruikt mag worden voor het verwarmen van gebouwen: de warmtetransitie (Energierapport van het ministerie van Economische Zaken). Aardgasvrij bouwen Waarom een nieuwbouwwoning bouwen die niet toekomstbestendig is? Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen volgens het nieuwe bouwbesluit Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) zijn en vanaf 2050 zullen we helemaal aardgasvrij zijn. In het nieuwe regeerakkoord staat zelfs dat aan het einde van deze kabinetsperiode per jaar ongeveer 50.000 nieuwbouwwoningen moeten worden opgeleverd. De eerste stap hierin is dat de overheid de wettelijke verplichting om nieuwbouwwoningen aan te sluiten op het gasnet laten vervallen vanaf 2018. Daarmee is in 2021 een substantieel deel van de jaarlijkse nieuwbouw en de woningvoorraad aardgasvrij. Dat betekent dat ernaar moet worden gestreefd om vanaf nu in nieuwe wijken en nieuwbouwontwikkelingen geen aardgasnetten aan te leggen.

Zou er wel een gasnet aangelegd worden dan maakt dat niet alleen de opgave groter maar zorgt dat ook voor een desinvestering voor de netbeheerder aangezien de levensduur van deze netten veel langer is dan de horizon tot 2050. Bovendien worden toekomstige bewoners van deze nieuwbouwwoningen of gebruikers van deze panden opgezadeld met extra investeringen die gemaakt zullen moeten worden om voor 2050 alsnog van het aardgas af te gaan. De gemeente Velsen wil vooruitlopen op de ontwikkelingen op het gebied van energieneutraal (met ingang van 2021) en aardgasvrij bouwen en zo een bijdrage leveren aan de opgave om in 2050 energieneutraal en aardgasvrij te zijn.

Hoofdstuk 4

Basale keuzes in het licht van het beleid  Kies voor aardgasgasvrij. Een investering in een gasnet heeft een afschrijvingsduur van 60 jaar, daarom is het van belang om nieuwe gebouwen nu al niet meer op het aardgasnet aan te sluiten en dit nadrukkelijk na te streven.  Kies voor maximale isolatie.  Kies voor zongericht verkavelen en dakoppervlakken die geschikt zijn voor zonne-energie.  Maak een afweging voor collectieve duurzame warmtevoorzieningen of individuele (Warmte Koude Opslagsystemen, zonnecollectoren, en dergelijke).  Hulpmiddelen voor het stimuleren van duurzaam bouwen. GPR Gebouw score is maximaal 10, om voorbereid te zijn op BENG moet voor energie een score van 9 of hoger gehaald worden.

4.12 Stikstofdepositie Toetsingskader Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstof-gevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).

Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator op 16 september 2019 en 14 januari 2020 kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op een relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de bouw/aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/j. is er geen belemmering. Bij een uitkomst van stikstofdepositie boven 0,00 mol/ha/jr. zal verder bepaald moeten worden welke opties er mogelijk zijn tot het verkrijgen van een vergunning, zie ook de bijlage die hier verder op ingaat.

Hoofdstuk 4

Doorwerking plangebied De volgende Natura-2000 gebieden zijn in de directe omgeving van het planvoornemen gelegen:  Kennemerland Zuid, op circa 2500 m (stikstof gevoelige habitats);  Noord-Hollands Duinreservaat op circa 2500 m (stikstof gevoelige habitats). Er is derhalve door BK Bouw- & milieuadvies een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen, de belangrijkste conclusies worden hieronder vermeld. In het onderzoek is een analyse uitgevoerd naar de stikstofanalyse. Hieruit blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 38,1 kg bedraagt en er 81,08 kg NOx wordt uitgestoten tijdens de bouwfase (per jaar). De Aerius calculator laat zien dat in zowel de bouw- als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura-2000 gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j.

Hoofdstuk 4

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4.

inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Deze aanduidingen zijn bestemmingsoverschrijdend en kunnen dus van toepassing zijn binnen meerdere bestemmingen.  overige regels: in deze regels zijn de parkeernormen van de gemeente geregeld.

Hoofdstuk 5

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Artikel 3 Groen Deze bestemming is toegekend aan de openbare groenstructuren en groen van enige omvang en betekenis. Binnen de bestemming Groen zijn groenvoorzieningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘nutsvoorziening’ is tevens een gebouw ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. Artikel 4 Verkeer De ontsluitingswegen hebben binnen het plangebied de bestemming ‘Verkeer’. Binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn wegen, straten, paden en parkeerplaatsen toegestaan. Alsmede voor de daarbij behorende groenvoorzieningen, waterpartijen en straatmeubilair. Gebouwen binnen deze bestemming zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande gebouwen. Artikel 5 Wonen De in het plangebied geprojecteerde woningen, met daarbij behorende tuinen en erven zijn voorzien van de bestemming Wonen. Het aantal woningen mag per bouwvlak de aangegeven maximum niet overschrijden. De maximale bouw- en goothoogte van de woningen zijn respectievelijk 10 en 7 meter. Aan- uit- en bijgebouwen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, met dien verstande dat de maximum oppervlakte niet meer bedraagt dan 50% van het erf, met een maximum van 70 m 2. Erf- en terreinafscheidingen mogen zowel voor als achter de voorgevelrooilijn 2 meter bedragen. Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen 4 meter bedragen.

Artikel 6 Leiding – Water In het vigerende bestemmingsplan ‘Velsen-Noord’ is voor de bestaande waterleiding aangeduid met de daarbij behorende beschermingszone. Binnen deze zone mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van de waterleiding. Onder voorwaarden is het mogelijk middels een omgevingsvergunning hiervan af te wijken. Artikel 7 Waarde – Archeologie In het vigerende bestemmingsplan ‘Velsen-Noord’ is een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ aanwezig. De aanwezige dubbelbestemming alsmede de daarbij behorende juridische regeling is opgenomen in onderhavige bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan zal daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad. Participatie De plannen zijn gepresenteerd aan het Wijkplatform in Velsen-Noord. Daarnaast heeft er een openbare informatiebijeenkomst plaatsgevonden. De informatie en feedback uit deze sessies is meegenomen in het definitieve plan. Tijdens de termijn terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zal er een informatieavond georganiseerd worden. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan diverse instanties. Deze instanties worden per mail of elektronische portalen benaderd met het verzoek te reageren. Eventuele reacties worden behandeld in de nota inspraak en overlegreacties en als bijlage aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd.

Zienswijzen Overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren kunnen worden gebracht. Hiervoor wordt het bestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid Uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. De ontwikkeling is hiermee financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 6

Kostenverhaal Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Aangezien in voorliggend geval het kostenverhaal is vastgelegd door middel van een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer, kan de vaststelling van een exploitatieplan achterwege blijven. In deze anterieure overeenkomst is tevens de afwenteling van eventuele planschade claims geborgd.

Hoofdstuk 6

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl

bestemmingsplan "De Schouw"

Status: voorontwerp 46

bestemmingsplan "De Schouw"

Bijlagen bij toelichting

Status: voorontwerp 47

bestemmingsplan "De Schouw"

Bijlage 1 Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Status: voorontwerp 48

Advies

: Ladder voor duurzame verstedelijking woningen De Schouw Velsen-Noord

Datum Opdrachtgever

9 juli 2018 Delta Onroerend Goed B.V.

Ter attentie van Projectnummer

De heer P. Schram P00247

Opgesteld door

Geert Welten en Maartje Verhulst

1. Aanleiding Initiatief Op 24 november jl. hebben Delta Onroerend Goed en de gemeente Velsen een intentieovereenkomst getekend, die de start inluidde van de herontwikkeling van de locatie ‘De Schouw’ in Velsen-Noord. Het conferentiecentrum De Schouw heeft haar deuren reeds jaren geleden gesloten, en is al vele jaren in verval. In januari 2018 heeft een grote brand het conferentiecentrum in de as gelegd. Het plan is om het congrescentrum en de oude woning aan de Grote Hout- of Koningsweg te slopen en een woningbouwproject te starten op het voormalige Hoogovens conferentiecentrum. In dit plan zijn vooralsnog 36 koopwoningen voorzien. Tabel 1.1: Programma woningbouw1

Aantal woningen

Typologie woningen

Prijssegment

36

Eengezins rijtjeswoningen

Koop

Locatie Velsen-Noord is een dorp in de gemeente Velsen. Velsen-Noord is het enige gedeelte van de gemeente dat aan de noordoever van het Noordzeekanaal ligt. De verbinding tussen VelsenNoord en IJmuiden vindt plaats via de pont, de Velsertunnel en de sluizen. Het plangebied, gelegen in de Gildenwijk, wordt omsloten door een aantal wegen, te weten de Wenckebachstraat, de Grote Hout- of Koningsweg, de Bleyenhoevelaan en een klein stuk Schulpweg. De Gilden- en Westenwijkbuurt liggen ten noorden van de spoorlijn en worden van elkaar gescheiden door de Grote Hout- of Koningsweg, de hoofdontsluitingsroute voor dit deel van Velsen-Noord en het zuidelijk gelegen bedrijfsterrein.

1

Plancapaciteit.nl

Bestemming Het vigerende bestemmingsplan voor de planlocatie betreft ‘Velsen Noord’ en is op 26 november 2011 vastgesteld. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ en dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ Figuur 1.1: Planlocatie De Schouw Velsen-Noord

2. “Ladder voor duurzame verstedelijking” In de ladder voor duurzame (art 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening) (hierna: “de ladder”) is vastgelegd dat de toelichting bij een bestemmingsplan of projectafwijking, moet voldoen aan de systematiek van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. De ladder is een wettelijk verplicht motiveringsinstrument, waaraan iedere nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ (art. 1.1.1. Bro) moet worden getoetst. Per 1 juli 2017 het tweede lid van art. 3.1.6. als volgt beschreven: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Navolgend wordt getoetst of het initiatief voor 36 woningen aan de Bleyenhoevelaan in VelsenNoord geldt als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Velsen&id=971aea34-c81b-45e0-9acf-62dd73233611