C3 Kennisdocument Natuurwaarden.PDF
Tekst van het document
Broedvogels zoals Rietgors, Rietzanger , Snor en Kleine Karekiet zijn algemeen verspreid aanwezig, en plaatselijk komen ook zeldzamer soorten voor zoals Roerdomp, Bruine Kiekendief en Blauwborst. Van de zoogdieren moeten de Waterspitsmuis en de Noordse Woelmuis als bijzonderheden worden genoemd. Deze laatste komt in Nederland als aparte ondersoort voor; de oeverlanden en moerassige gebieden in Laag Holland (grofweg het gebied tussen Amsterdam, Beverwijk, Alkmaar en Hoorn) zijn voor deze ondersoort een belangrijk gebied. Een tweede ecologisch interessant gebied vormt de binnenduinrand, waar op de overgang van het hoger liggende duingebied naar het lagere polderland grondwater naar boven komt, zogenoemde kwel. Dit kwelwater heeft een aantal bijzondere eigenschappen. In deze kwelzone komen daardoor speciale, voor deze omstandigheden kenmerkende plant- en diersoorten voor. Enkele voorbeelden uit de plantenwereld zijn Pijlkruid, Paarbladig fonteinkruid, Waterviolier en Brede waterpest. Tot voor kort kwam dit kwelmilieu met zijn karakteristieke soorten eigenlijk alleen in sloten en slootkanten tot uiting.
Maar in de afgelopen decennia zijn er in het kader van het project Schoonwatervallei diverse natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd om het kwelwater langer vast te houden en de daarmee samenhangende natuur tot uiting te laten komen, onder andere in het natuurgebied Zeerijdtsdijkje bij Bakkum-noord. Een toename van het aantal kwel-indicerende plantensoorten is het resultaat.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 19
Figuur 3-2 Verspreiding van kwelsoorten, aantal soorten per km2 (Atlas van de Noord-Hollandse flora)
3.4. Kenmerkende landschapsstructuren Een aantrekkelijke eigenschap van het landschap van het Oer-IJ gebied is de leesbaarheid van het landschap. De eerder vermelde hoofdstructuur zand – klei – veen is komt tot uiting in het agrarisch gebruik, en daarmee samenhangend ook de percelering en het slotenpatroon. En voor wie er oog voor heeft (en het hoeft niet veel moeite te kosten om dat te ontwikkelen) zijn op allerlei plaatsen restanten van het Oer-IJ terug te vinden in de wat bredere watergangen in dit gebied. De door de mens opgeworpen dijken hebben dit beeld verder geaccentueerd. En wat noordelijker is de oude structuur met het contrast tussen inmiddels verdichte en bebouwde strandwallen en open strandvlaktes daar tussenin goed herkenbaar.
3.5. Bijzondere landschapselementen Na de middeleeuwse ontginningen in het Oer-IJ gebied zijn in de loop van de tijd door menselijk toedoen allerlei elementen aan het landschap toegevoegd waarin natuurwaarden zijn ontstaan. De aanwezigheid van deze landschapselementen stellen we tegenwoordig zeer op prijs.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 20
-
Braken en braakjes
In de late Middeleeuwen begon men vooral in de veengebieden het zakkende land tegen hoge waterstanden te beschermen met dijkjes. Aanvankelijk waren deze nog laag en eenvoudig, en brak bij hoge vloeden het water van het IJ er nog regelmatig doorheen. Ook later ontstonden bij zware stormen nog wel dijkdoorbraken. Hierbij ontstond door uitspoeling een dieper gat ter plekke van de doorbraak. Naderhand werd de dijk er meestal omheen gelegd, en bleef een uitspoelingsgat over, dat in deze regio braak of breek wordt genoemd. Langs de randen van een braak ontwikkelt zich meestal een oevervegetatie, waardoor de braak - afhankelijk van omvang en diepte – vaak na kortere of langere tijd geheel of gedeeltelijk dichtgroeit. Die verlanding begint met een voedselrijke rietvegetatie, maar deze wordt vervolgens schraler en eindigt in veenmosrietland of zelfs veenheide. Langs de Noorder IJ- en Zeedijk die van Zaandam via Nauerna en Buitenhuizen naar de Noorderbuitendijken loopt, en ook langs de Figuur 3-3 Braken en braakjes rond het IJ (uit: Atlas van het Oer-IJ Spaarndammerdijk tussen gebied, 2018) Halfweg en Spaarndam zijn nog verschillende – al dan niet A = open water B = dichtgegroeid dichtgegroeide – braken en C = dichtgestort braakjes te vinden.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 21
Figuur 3-4 Veenheide in de Haddingsbraak bij Halfweg (foto B. Korf)
-
Eendenkooien
Een ander landschapselement uit het polderlandschap wordt gevormd door de – nog steeds met een waas van geheimzinnigheid omgeven – eendenkooien. Oorspronkelijk waren dat inrichtingen om eenden voor de consumptie te vangen, tegenwoordig worden de eenden meestal gevangen voor ringonderzoek. Ze bestaan uit een flinke plas met een strook bos er omheen en een aantal (meestal vier) er op uitkomende gebogen sloten, de zgn. vangpijpen. Het geheel heeft de vorm van een rogge-ei. Om de rust in de kooi te bewaren bestaat vanouds het zgn. kooirecht, waarbij het in een cirkel rond de kooi niet is toegestaan bouwwerken op te richten of andere verstorende activiteiten uit te voeren. De straal van deze cirkel varieert van regio tot regio, meestal ergens tussen 500 en 1500 meter. Omdat eendenkooien door hun rust aantrekkelijk zijn voor natuur zijn veel kooien in handen van natuurorganisaties geraakt. In onze regio ligt de eendenkooi van der Eng ten westen van Uitgeest, daterend uit 1620 en tegenwoordig in beheer bij de Stichting Landschap Noord-Holland. De afpalingskring, waarin rust zou moeten heersen, heeft een straal van 1000 m. Indertijd is voor de aanleg van de provinciale weg N203 ontheffing verleend, en is voor de aanleg van de nieuwbouwwijk De Koog de kooi zelfs door de gemeente Uitgeest aangekocht.
Vermeldenswaard is dat er in de jaren dertig van de vorige eeuw door Albert Asjes uit liefhebberij een eendenkooi is aangelegd op zijn grond ten oosten van Castricum. Door de Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 22
uitbreidingswijk Albertshoeve (genoemd naar zijn boerderij) van Castricum is deze inmiddels aan drie zijden door woonbebouwing omgeven. Voor alle volledigheid kan nog worden vermeld, dat er in onze regio ook eendenkooien hebben gelegen bij Assum, in de Wijkerbroekpolder en in de Oosterzijpolder tussen Heiloo en Boekel. -
Landgoederen en buitenplaatsen
In de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw raakte het bij rijke kooplieden uit Amsterdam in zwang om ’s zomers de stad met zijn stinkende grachten te ontvluchten op een buitenplaats. Maar die buitenplaats diende vooral ook om mee te pronken en de rijkdom van de bewoner te laten zien. Langs de Amstel en de Vecht, aan de westflank van het Gooi, en ook aan de binnenduinrand zijn in die tijd vele tientallen landhuizen gebouwd, de één nog fraaier en luxueuzer dan de andere. Ook de kastelen Assumburg en Marquette (vóór 1612 Huis te Heemskerk genoemd) waren in oorsprong van adellijke personen, maar raakten in handen van rijke burgers. De tuinen rond deze landhuizen werden vooral in de formele (Franse) stijl aangelegd, maar waren vaak ook weer omgeven door een bosaanplant. Later zijn deze tuinen soms weer omgevormd in de – meer natuurlijke - Engelse landschapsstijl. In onze omgeving lagen er vooral langs de binnenduinrand tussen Haarlem en Beverwijk, maar ook op de strandwal bij Heiloo dergelijke buitenplaatsen (“zegepralend Kennemerland”). Bij kasteel Assumburg in Heemskerk is enkele jaren terug de oude tuinaanleg gereconstrueerd. In veel namen van de hier gelegen landgoederen komt de eerder vermelde kwelsituatie van de binnenduinrand terug: Beeckestijn, Velserbeek, Waterland, Scheybeeck, enzovoort.
In het toenmalige open en kale landschap vormden deze buitenplaatsen vaak de weinige plekken met opgaand bos. Inmiddels zijn deze landgoedbossen, althans de overgeblevene, ouder en ecologisch rijper geworden. Bij natuurliefhebbers staan deze oudere landgoedbossen bekend door het vóórkomen van zgn. stinzenplanten. Dit is een groep plantensoorten, die vooral op dergelijke buitenplaatsen, bij herenboerderijen, in pastorietuinen en op begraafplaatsen en stadswallen worden aangetroffen. Het zijn vooral voorjaarsbloeiers, die indertijd bewust zijn aangeplant en zich hebben gehandhaafd, óf met plantgoed (jonge bomen) zijn meegekomen. In totaal staan enkele tientallen soorten als stinzenplant bekend. Enkele min of meer bekende soorten die ook in onze Figuur 3-5 Knikkende vogelmelk, landgoed Nijenburgh regio voorkomen zijn Vingerhelmbloem, in Heiloo, foto B.Korf
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 23
Holwortel, Sneeuwklokje, Bosanemoon, Daslook, Knikkende vogelmelk, Bostulp, Muskuskruid en Gulden boterbloem. .
Figuur 3-6 Verspreiding van plantensoorten van stinzenmilieus, aantal soorten per km2 (Atlas van de NoordHollndse flora)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 24
-
Forten
Tussen 1880 en 1914 werd de Stelling van Amsterdam aangelegd, een kringvormige verdedigingslinie op 15 á 20 km afstand van de hoofdstad, bestaande uit een reeks aaneensluitende inundatievelden, en forten die de kruisende toegangswegen konden bewaken. Op grond van de Kringenwet moest over een afstand van 1000 m het schootsveld vrij blijven van bomen en bebouwing. Door de inundatievelden en de eis van het vrije schootsveld is aan de buitenzijde van de ring van forten tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw een open landschap bewaard gebleven. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort, en in 1963 definitief ingetrokken. De forten waren met een metersdikke laag zand overdekt, in onze regio kwam dat meestal uit de duinen. Daardoor vinden we op de forten soms typische duinplanten en duininsecten. Door hun militaire functie waren de forten ontoegankelijk, daardoor vormden ze oases van rust.
3.6. Weidevogels
Figuur 3-7 De Stelling van Amsterdam
Weidevogels vormen een bekend en geliefd natuuraspect van het Hollandse polderland. In de eerste helft van de vorige eeuw waren weidevogels iets volkomen vanzelfsprekends in de graslanden van Noord- en ZuidHolland, Friesland en Noordwest Overijssel. Maar sinds de versnelling van het proces van intensivering en schaalvergroting in de veeteelt na de Tweede Wereldoorlog zijn zij het zorgenkindje geworden van de Nederlandse natuurbescherming. Tot de weidevogels worden meestal gerekend Kievit, Grutto, Tureluur, Scholekster, Kemphaan en Watersnip, en verder Slobeend en Zomertaling. Dit achttal vogelsoorten was een halve eeuw geleden nog kenmerkend voor de natte graslanden in de laagveengebieden. Maar Kemphaan, Watersnip en Zomertaling zijn als broedvogel vrijwel verdwenen uit NoordHolland, en zeker uit het Oer-IJ gebied, en de andere soorten vertonen een gestage vermindering van het aantal broedparen. Er zijn de afgelopen decennia allerlei manhaftige pogingen gedaan om deze achteruitgang te laten stoppen, maar dit heeft slechts in enkele gevallen tot succes geleid. De belangrijkste oorzaak van de achteruitgang zijn de intensivering van het agrarisch gebruik en de daarmee gepaard gaande diepere ontwatering en zwaardere bemesting van het cultuurgrasland. Eén van de sleutelfactoren is de hoeveelheid (en beschikbaarheid) van
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 25
voedselorganismen als wormen, insecten en dergelijke voor volwassen weidevogels, maar vooral ook voor de opgroeiende kuikens. In de eenvormige productiegraslanden zijn die veel te weinig beschikbaar. Ook zijn de geslonken populaties van de weidevogels gevoeliger geworden voor predatie. Op zich is predatie een volkomen natuurlijk verschijnsel, en normaliter ontstaat er in een ecosysteem een dynamisch evenwicht tussen de populaties van predator en prooi. Maar door allerlei verschillende oorzaken is bij de weidevogels de balans verschoven en gekanteld. Daardoor zijn weidevogels hoe langer hoe meer afhankelijk geworden van graslanden die speciaal voor hen als natuurgebied worden beheerd. Voedsel, veiligheid en voortplanting zijn daarbij de drie kernbegrippen.
Figuur 3-8 Grutto (foto J. Castricum)
In het Oer-IJ gebied vinden we de weidevogels vanouds vooral in het oostelijke veengebied. En dan met name in de veenweidegebieden die speciaal als weidevogelgebied worden beheerd: de polder Westzaan (Westzijderveld, Reef, Guisveld), en verschillende gebieden rond het Alkmaardermeer (Hempolder, Klaas Hoorn en Kijfpolder, Krommenieër Woudpolder, Westwouderpolder) . Verder liggen er ook weidevogelreservaten bij de Weijenbus en het Vroonmeer in de Uitgeester Broekpolder , en bij het Limmer Die en in het Oosterveld bij Limmen. Deze terreinen worden beheerd door de natuurorganisaties Landschap Noord-Holland en Staatsbosbeheer. Tenslotte liggen ook ten zuiden van het Noordzeekanaal weidevogelgebieden in de Vereenigde Binnenpolder en in het Hekslootgebied. Oorspronkelijk kwamen er in de vallei van het Oer-IJ zelf natuurlijk ook weidevogels voor, maar in minder grote aantallen. En in de afgelopen decennia zijn deze ook nog flink gedaald, zoals eerder vermeld. Maar sinds circa 1990 is in onze regio de Stichting Hooge Weide actief en buitengewoon succesvol met het herstel van de natuur van bloemrijke vochtige graslanden. Dit geldt zeker voor het terrein de Hooge Weide zelf (noordelijk van de Zeeweg bij Bakkum), maar wat weidevogels betreft misschien nog meer voor de terreinen Groote Ven en Oude Venne tussen Castricum en Uitgeest.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 26
Figuur 3-9 Aantallen broedende weidevogels Oude Venne en Groote Ven
3.7. Natuurbescherming 1900-2000: behoud, beheer, herstel, ontwikkeling In de periode van ruim een eeuw, die de natuurbescherming in Nederland oud is, hebben zich interessante ontwikkelingen en aandachtsverleggingen voorgedaan. De achtergrond hiervan wordt gevormd door veranderende omstandigheden en voortschrijdend inzicht. Toen natuurbescherming een geheel nieuwe gedachte was, lag het accent aanvankelijk op soortenbescherming en op de ontwikkeling van wetgeving. Maar al snel kwam ook de aankoop van belangrijk geachte gebieden, die anders verloren dreigden te gaan. In Nederland lag de aandacht daarbij aanvankelijk vooral op heideterreinen en laagveenmoerassen. In eerste instantie werden na aankoop de oude gebruiksvormen voortgezet, maar in de tweede helft van de vorige eeuw werd het hoe langer hoe lastiger om daarvoor particuliere gebruikers te vinden. De organisaties moesten daardoor zelf het beheerswerk gaan uitvoeren. Inmiddels was natuurbehoud ook onderdeel van het overheidsbeleid geworden, en vanuit de wetenschap vond onderzoek en kennisontwikkeling op dit gebied plaats. Begrippen als successie en dynamiek deden hun intrede en ook andere ontwikkelingen leidden tot kritiek op de oude gebruiksvormen en tot het idee van het ontwikkelen van nieuwe natuur.
Ook is in die tijd natuur een relevant nevenaspect geworden van terreinen met andere primaire functies, zoals in recreatiegebieden, bij het beheer van weg- en dijkbermen, etcetera. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 27
Figuur 3-10 De natuurgebieden van het Natuur Netwerk Nederland in het Oer-IJ gebied
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 28
Eén van de relevante ideeën uit de wetenschap was de eilandtheorie (waarover later meer), kort gezegd hoe kleiner en geïsoleerder een eilandpopulatie, des te groter de kans op uitsterven. Dat leidde in het rijksbeleid tot het concept van de Ecologische Hoofdstructuur, later het Natuurnetwerk Nederland. In het gebied van het Oer-IJ zijn grote delen door provincie Noord-Holland aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, of als zgn. weidevogelleefgebied.
3.8. Natuurontwikkeling in het Oer-IJ gebied 1990 – 2020 De hiervoor beschreven ontwikkeling in het denken over natuurbescherming heeft ook in het Oer-IJ gebied tot gevolg gehad dat in de afgelopen decennia allerlei verschillende natuurontwikkelingsprojecten tot stand zijn gekomen. Een deel van deze projecten was direct gericht op het herstel van natuur, bij een ander deel stond een andere functie voorop en was ontwikkeling van natuurwaarden een welkom “nevenprodukt”. De belangrijkste projecten in ons gebied zijn:
Figuur 3-11 Maatregelen project Schoonwatervallei -
Project Schoonwatervallei
Het doel van het project Schoonwatervallei aan de binnenduinrand bij Bakkum, een samenwerking van meerdere natuurbeheerorganisaties en het waterschap, is het herstel van een meer natuurlijke waterhuishouding. Hier komt in het natuurgebied Zeerijdtsdijkje schoon water vanuit het duingebied naar boven, zowel bovengronds via de Diepe Sloot als ondergronds via kwel. Door verschillende maatregelen wordt dit schone water apart gehouden van het overige polderwater en wordt het geleid naar het natuurgebied Hooge Weide en daar ’s winters vastgehouden. Zowel in het gebied Zeerijdtsdijkje als (reeds eerder) in de Hooge Weide is op diverse percelen de voedselrijke bovenlaag van het voormalig productiegrasland afgeplagd en afgevoerd. Een tweede fase van dit project, verder de polder in, is nog in discussie. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 29
-
Groote Ven en Oude Venne
De Stichting De Hooge Weide heeft in het open weidegebied tussen Castricum en Uitgeest een weidevogelreservaat weten te creëren van ruim 75 ha groot. Het voormalige productiegrasland is daartoe omgevormd tot bloemrijk grasland, er zijn twee ondiepe meertjes (met broedeilandjes) gegraven, andere percelen worden met een windmolentje in het voorjaar plasdras gezet en er wordt elk voorjaar een elektrisch vossenraster aangebracht. Zoals eerder al aangegeven, is dit een buitengewoon succesvol project. -
Hooge Weide
Een eerder project van deze Stichting is de Hooge Weide zelf, ten noorden van de Zeeweg in Bakkum. Dit was een weidegebied met agrarisch gebruikt grasland. De voedselrijke bovenlaag is afgegraven en het gebied is ingericht met poelen en geleidelijk aflopende slootkanten. Het wordt beheerd als bloemrijk grasland. Allerlei plantensoorten zoals onder meer Rietorchis, Bijenorchis, Keverorchis, Echte koekoeksbloem, Rond Wintergroen, Dwergbies en veel mossoorten zijn spontaan teruggekeerd. De poelen zijn ontdekt door kikkers, salamanders, rugstreeppadden, watervogels, sprinkhanen en libellen.
Figuur 3-12 Orchideeënweelde in de Hooge Weide (foto B. Korf)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 30
-
KRW-maatregelen langs Schulpvaart tussen Hoogebrug en Slikker Die / A9
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft tot doel om de oppervlaktewateren en het grondwater in de Europese Unie te beschermen en te verbeteren en het duurzaam gebruik van water te bevorderen. Daarbij staat het ecologisch functioneren van het water duidelijk voorop. Vanuit deze verplichting zijn een tiental jaren geleden langs de Schulpvaart tussen Hooge Brug en de A9 de oevers meer natuurvriendelijk gemaakt. Deze oever sluit aan bij het Limmer veentje, onderdeel van het natuurreservaat Oosterveld bij Limmen. -
Houtrakkerbeemden
Oostelijk van het Westhoffbos in het recreatiegebied Spaarnwoude ligt al enkele decennia een ondiepe plas die Westhoffplas werd genoemd, en iets oostelijker tussen de rand van de Inlaagpolder en de golfbaan Houtrak een serie kleinere plasjes, de Houtrakkerbeemden. Onlangs is in de Houtrakkerbeemden een nagebootste kreek met natuurlijke oevers uitgegraven. Bijzonder is dat deze kreek wordt gevoed met water uit het Noordzeekanaal, waardoor vooral de brakke natuur zich hier verder zal kunnen ontwikkelen. -
Waterbergingen
Waterbergingen Door de klimaatverandering treden er in de zomer vaker korte maar heftige zogeheten clusterbuien op, waarbij vaak wateroverlast kan ontstaan, omdat door toename van het bebouwd oppervlak het waterbergend vermogen is verminderd. Daarom zijn er op diverse plaatsen in het Oer-IJ gebied waterbergingen aangelegd, waarbij het maaiveld een stuk is verlaagd. Dit zijn daardoor moerasachtige terreinen geworden, die in veel gevallen als natuur worden beheerd. In de Groot Limmerpolder zijn waterbergingen aangelegd langs de Schulpvaart tussen Castricum en de Zeeweg, tussen Limmen en Hoogebrug, en bij het Kerkemeer in Akersloot. In de Castricummerpolder is het maaiveld verlaagd van een perceel in de bocht van de Hendriksloot bij de wijk Koog-noord in Uitgeest. In Heemskerk is een omvangrijke waterberging aangelegd aan de Noordermaatweg in de Heemskerker Noordbroek. Dit is een vogelgebied geworden waar veel langsfietsende recreanten graag even blijven kijken. Aangrenzend liggen de weilanden van landgoed Marquette, waar het beheer op weidevogels is gericht.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 31
Figuur 3-13 Natuurontwikkelingsprojecten in het Oer-IJ gebied -
Aangepast beheer Assendelver Zeedijk
Voorts wordt sinds 2018 op de Assendelver Zeedijk (waarvan de waterkerende functie is afgeschaald) een proef gedaan met aangepast beheer, namelijk het zgn. sinusmaaien, waarbij met de twee jaarlijkse maaibeurten beurtelings slechts circa de helft van het bermoppervlak wordt gemaaid, op de andere helft blijft de begroeiing staan. Dit komt de planten- en insectenrijkdom ten goede. De resultaten zijn veelbelovend, vooral voor dagvlinders.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 32
3.9. Openluchtrecreatie Reeds in 1958 zijn door de overheid elf zogenoemde rijksbufferzones ingesteld om te voorkómen dat de grote steden aan elkaar zouden groeien tot één aaneengesloten stedelijk gebied. Eén van de toen ingestelde bufferzones is de bufferzone Amsterdam – Haarlem, hier is het recreatiegebied Spaarnwoude ontwikkeld. De gedachte hierachter is tweeledig: enerzijds is in de directe omgeving van de grote steden behoefte aan recreatiemogelijkheden in een groene omgeving, anderzijds is een bufferzone in de strijd om de ruimte beter te handhaven als deze een maatschappelijk gewaardeerde functie krijgt. Vanuit deze filosofie heeft de provincie Noord-Holland samen met de rijksoverheid en betrokken gemeenten verschillende grootschalige recreatiegebieden ontwikkeld, aanvankelijk door op grote schaal terreinen te verwerven en voor recreatie in te richten, naderhand meer door planologische bescherming te bieden en op kleinschaliger wijze recreatieve voorzieningen aan te leggen. Figuur 3-14 Recreatiegebied Spaarnwoude
Recreatiegebied Spaarnwoude bestaat uit een aantal deelgebieden. De deelgebieden Oosterbroek, Buitenhuizen en Houtrak zijn ingericht met bosgedeelten, waterpartijen en allerlei recreatieve voorzieningen zoals golfbanen, een skihelling, een klimwand, festivalterreinen, een kinderboerderij, maneges, enzovoort, en verder fiets-, wandel- en ruiterpaden en voorzieningen voor de watersport. In het zuidelijke en zuidwestelijke deel de Vereenigde Binnenpolder, de Inlaagpolder, de Uiterdijken en het Hekslootgebied - is het oude open weidegebied vrijwel intact gebleven met enkele bosjes, historische dijken, en fiets- en wandelpaden. Behalve recreatiegebied Spaarnwoude is ook het Alkmaarder- en Uitgeestermeer een door de overheid voor overwegend recreatie aangewezen en ingericht gebied in onze regio. Vanuit oogpunt van natuur en landschap bezien zijn deze recreatiegebieden terreinen met een aanzienlijke variatie aan gebruiksintensiteit. Sommige gedeelten zijn bijvoorbeeld ingericht als speel- en ligweide of festivalterrein maar andere gedeelten zijn wandelbos of natuurterrein. De recreatiegebieden zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland en er wordt gestreefd naar ontwikkeling van de kwaliteit van de natuur.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 33
3.10. Natuur in het stedelijk gebied Zoals reeds eerder vermeld werden in de tweede helft van de vorige eeuw grote delen van het landelijk gebied omgevormd tot woonbebouwing of bedrijventerrein. Maar door de toename van de bevolking ontstond hierbij ook de behoefte aan meer groen uitloopgebied. Uiteraard verschilt die behoefte naar gelang de aard en omvang van de plaats en naar de beschikbaarheid van groene gebieden in de omgeving. Op veel plaatsen werden dan ook tegelijk met dorpsuitbreidingen groene overgangen met het buitengebied aangelegd. In grotere plaatsen werden ook parken aangelegd als groene buffer tussen woongebied en bedrijventerrein of als “groene scheg”, d.w.z. als groene en aantrekkelijke verbinding vanuit het centrum van de stad naar het buitengebied. Hoewel dit aanvankelijk vooral cultuurtechnisch aangelegde projecten waren kwam er in de loop van de tijd meer belangstelling voor een meer op natuur gerichte inrichting en beheer. En naarmate deze terreinen ouder werden kregen ze ook vanzelf een meer natuurlijk karakter. Zo is bijvoorbeeld Heiloo omringd door oudere bossen en landgoederen (ter Coulster, Nijenburg) en ook nieuwere groengebieden (Noorder- en Zuiderneg, Oosterbos).
Castricum kent het Buitendijkspad, maar heeft ook de jonge natuurterreinen van de Hooge Weide en Groote Ven, verschillende recent aangelegde waterbergingen en uiteraard het NoordHollands Duinreservaat. Heemskerk heeft behalve de duinen en landgoed Marquette ook groene terreinen rond kasteel Assumburg en daarnaast ook bij de golfbaan Noorderbuitendijken. Beverwijk is van het bedrijventerrein in het zuiden langs het Noordzeekanaal afgeschermd door park Westerhout-Scheybeek-Wijkeroogpark en heeft ook het nieuwe groengebied De Buitenlanden in de Wijkermeer. En ten zuiden van het Noordzeekanaal vinden we de Velsense landgoederen Velserbeek, Waterland, Beeckestijn en Schoonenberg; het omvangrijke recreatiegebied Spaarnwoude is reeds genoemd. Laatstgenoemd gebied is via het Geuzenbos, de Tuinen van West en de Brettenzone (bijna doorlopend) verbonden met het Amsterdamse Westerpark, dat tegen het oude centrum van de stad aanligt. En ook in het bebouwde gebied van steden en dorpen zelf zijn – vaak op initiatief van enthousiaste burgers - allerlei verschillende projecten gaande om meer natuur in de stad te brengen. Deze projecten zijn heel divers en variëren van Gierzwaluw- en vleermuiskasten, zgn. Tiny forests en postzegelparkjes tot stadslandbouw.
Figuur 3-15 Gierzwaluwkast (foto Mans de Jong)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 34
3.11. Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd Vanuit de gedachte, dat in dit gebied - van Noordzee tot Zaan en van Wijkermeer tot Alkmaardermeer - een grote variatie aan landschapstypen voor een gevarieerde biodiversiteit zou zorgen is enkele jaren terug getracht om door middel van verspreidingskaartjes van kenmerkende soorten de biodiversiteit van het Oer-IJ gebied in beeld te brengen. Deze exercitie is door de provincie financieel mogelijk gemaakt en is eind 2017 uitgevoerd door Carola van den Tempel van Landschap Noord-Holland, begeleid door Jos Teeuwisse en Bart Korf. Daarbij is gekozen om van een geselecteerd aantal relevante soorten uit enkele planten- en dierengroepen verspreidingskaarten te maken voor het Oer-IJ gebied. We hoopten, dat deze onder meer het onderscheid in de drie landschapstypen zand, klei en veen zouden laten zien. Er is gekozen voor soorten uit min of meer natuurlijke biotopen, waarvan we verwachtten, dat deze vooral in één of twee van deze drie landschapstypen zouden voorkomen. Bovendien is gekozen voor meer bekende en aansprekende soorten. De resultaten zijn in dit rapport opgenomen als bijlage 1. Er waren voldoende gegevens beschikbaar voor de volgende groepen: -
Flora (d.w.z. vaatplanten) Vogels Zoogdieren Reptielen en amfibieën Vlinders Libellen
Wel moet hierbij worden aangetekend, dat deze gegevens afkomstig zijn uit datasets van verschillende oorsprong (o.a. uit waarneming.nl ) die meestal niet op systematische wijze zijn verzameld. Daardoor treedt er een zgn. bias (“vooroordeel”) op naar meer opvallende soorten (bijvoorbeeld Grote Zilverreiger en IJsvogel), en naar aantrekkelijker en/of beter toegankelijke gebieden (bijvoorbeeld het duingebied), die soms storend is. Getracht is deze bias zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is niet in alle gevallen voldoende gelukt. Uit de resultaten blijkt dat vooral het duingebied en - in mindere mate - het veengebied herkenbaar zijn in de verspreiding van een aantal kenmerkende soorten. Anderzijds komen sommige andere soorten ook buiten hun natuurlijke verspreidingsgebied voor als gevolg van menselijke activiteiten zoals grondverzet en aanplant van groen. Het stroomgebied van het Oer-IJ zelf is echter door de grote menselijke beïnvloeding niet of nauwelijks herkenbaar in de verspreidingsbeelden van de afzonderlijke soorten. Alleen het verspreidingsbeeld van Zilte rus op het kaartje Flora klei en veen in Bijlage 1 lijkt het Oer-IJ gebied enigszins aan te geven. Maar het verspreidingsbeeld van deze soort in de Atlas van de Noord-Hollandse flora geeft een veel ruimere verspreiding aan en laat ook een veelvuldig voorkomen in het veengebied zien.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 35
4. De toekomst van de natuur 4.1. Algemeen Na de voorgaande beschrijving van ontstaan van het landschap en huidige natuur staan we voor de vraag, hoe we deze kwaliteiten voor komende generaties kunnen behouden en verder verbeteren. In sommige gevallen is misschien ook herstel en ontwikkeling nodig, in eerdere hoofdstukken kwamen daarvan al enkele voorbeelden ter sprake. De bijzondere kwaliteiten van het Oer-IJ gebied liggen vooral in de leesbaarheid en belevingsmogelijkheden van de ontstaansgeschiedenis, van het landschap en van de natuur en hiermee in de aantrekkelijkheid voor daarop gerichte, extensieve recreatie. Het is dan ook van groot belang dat deze kwaliteiten behouden blijven. Maar zelfs wanneer het onvermijdelijk is dat het bestaande landschap verloren moet gaan ten behoeve van maatschappelijk noodzakelijk geachte veranderingen, dan nog heeft de structuur van het Oer-IJ een functie. Bij omvorming naar andere gebruiksvormen kunnen de kenmerkende landschapsstructuren van het Oer-IJ gebied nog steeds een inspiratie vormen en in het plan worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon, groene scheg of anderszins.
4.2. Eilandtheorie Een halve eeuw geleden ontdekten ecologen, dat er een verband bestaat tussen (1) de grootte van eilanden, (2) het aantal soorten dat zich daar bevond en (3) de afstand tot het vasteland. Dit bleek samen te hangen met de uitsterfkans van kleine populaties en de kans van aanvulling of nieuwe vestiging vanaf het vasteland. Om op langere termijn voldoende genetische diversiteit te behouden en zodoende inteeltverschijnselen te voorkomen moeten populaties minimaal enkele honderden tot een paar duizend individuen omvatten, afhankelijk van de voortplantingsstrategie van de betreffende soort. Dit wordt de eiland-theorie genoemd (voor het eerst gepubliceerd in 1967 door MacArthur en Wilson). Deze ontdekking vond vervolgens ook toepassing in het natuurbeheer. Natuurgebieden zijn vaak in een geheel andersoortige omgeving komen te liggen, en de levensgemeenschappen van dergelijke natuurgebieden functioneren daardoor in ecologisch opzicht als eilandjes. Voldoende omvang van natuurgebieden, en voldoende verbindingen met andere, vergelijkbare gebieden zijn daardoor van essentieel belang voor het voortbestaan van die levensgemeenschappen op langere termijn.
4.3. Hoofdstructuur - open ruimten Het Oer-IJ gebied ligt in de zgn. Noordvleugel van de Randstad, hier zijn in de afgelopen decennia op veel plaatsen omvangrijke nieuwe bedrijventerreinen en woongebieden ontwikkeld. In het begin van de vorige eeuw was dit nog één groot landelijk gebied met inliggende steden en dorpen, die van elkaar werden gescheiden door grote oppervlakten agrarisch gebied, water en natuur. Maar de steden en dorpen groeiden aan elkaar vast en de agglomeratie Haarlem-IJmond bijvoorbeeld strekt zich tegenwoordig uit tot Uitgeest, en de agglomeratie Amsterdam-Zaanstreek tot Krommenie. Eind vorige eeuw is een omslagpunt bereikt waardoor er nu eigenlijk sprake is van één groot stedelijk gebied met hier en daar Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 36
nog stukjes landelijk gebied er in. Kortom, grote open ruimten zijn een schaars goed geworden, maar daardoor ook een gewaardeerd fenomeen. Bewoners van stedelijke gebieden hebben vaak behoefte om “buiten” te kunnen zijn. In grote steden vervullen stadsparken daarvoor een rol, en in de afwisseling van dorpsbebouwing en open gebied trekt men voor een wandeling of fietstochtje naar het buitengebied. Daar kan men het contrast ervaren met de dagelijkse woonomgeving, en daar kan men met enige moeite nog de “vrije horizon” ervaren en zich “buiten in de natuur” voelen, of dat nu natuurgebied is of aantrekkelijk agrarisch landschap. Veel inwoners van deze regio stellen de nabijheid van strand, duin en polder zeer op prijs, en deze omgevingskwaliteit heeft vaak ook een rol gespeeld bij de woonplaatskeuze: omgevingskwaliteit als vestigingsfactor. Maar niet alleen in de recreatieve beleving door de mens spelen de dimensies van open ruimten een rol. Ook voor het functioneren van de natuur is de omvang van gebieden van belang (ook op een andere wijze dan hierboven met de eilandtheorie is aangegeven). Zo is van veel soorten bekend, dat zij een zekere afstand houden tot verstoringsbronnen, bijvoorbeeld weidevogels ten opzichte van bomen en bosjes, sommige zangvogels ten opzichte van lawaaiige snelwegen, en schuwe diersoorten ten opzichte van wegen en paden waar mensen langs komen.
Door dit “randeffect” leidt een verkleining of doorsnijding van een gebied meestal tot een onevenredig veel grotere verslechtering in het ecologisch functioneren. Op Figuur 4-1 zijn voor het Oer-IJ gebied de open ruimten aangegeven, die niet door bebouwingslinten, snelwegen, provinciale wegen of spoorlijnen worden doorkruist. Deze open ruimten waren oorspronkelijk door het Oer-IJ en de zijtakken met elkaar verbonden. Het is belangrijk om deze open landschappen – kenmerkend voor het Noord-Hollandse polderlandschap – te bewaren als buffer tussen de stedelijke agglomeraties en als “uitloopmogelijkheid” voor de bewoners. In de afgelopen tijd (Coronacrisis) is weer eens gebleken hoe belangrijk een dergelijk aanbod (strand, duin, natuur, polder) in de nabijheid van de woonomgeving is. In deze buitengebieden moet men ook in de toekomst een afwisseling kunnen blijven vinden van natuur, agrarisch gebied en open water, met fiets-, vaar- en wandelmogelijkheden. In het Oer-IJ gebied gaat het van noordwest naar zuidoost om de volgende open ruimten: -
-
-
De open ruimte tussen de binnenduinrand ten noorden van de Bakkumer Zeeweg en de bebouwing van Limmen-Heiloo-Alkmaar. In feite de jongste en meest westelijke strandvlakte De open ruimte tussen Castricum en Heemskerk-Uitgeest die zich voortzet in de open ruimte tussen Limmen-Heiloo enerzijds en Uitgeest-Akersloot-Boekel anderzijds De grote open ruimte tussen Beverwijk-Heemskerk en Assendelft, die zich naar het noorden voortzet naar de open ruimten van het Alkmaardermeergebied en vervolgens de Schermer
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 37
Figuur 4-1 Open ruimten in het Oer-IJ gebied
-
-
-
De kleine open ruimte van het Guisveld tussen Wormerveer en WestzaanAssendelft, die weliswaar wat geïsoleerd is komen te liggen, maar met enkele andere kleine open ruimten toch nog steeds is aangesloten op de vorige De open ruimten van de Veenpolder en het Zuiderveen tussen Assendelft en Nauerna, en die van het Reefgebied en die van het Westzijderveld, respectievelijk westelijk en oostelijk van het bebouwingslint van Westzaan En ten zuiden van het Noordzeekanaal is er de open ruimte tussen HaarlemIJmond en Halfweg-Houtrakpolder. De beboste gedeelten van recreatiegebied Spaarnwoude sluiten dit gebied aan de noord- en oostzijde af, maar in het
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 38
zuidelijk gedeelte van genoemd recreatiegebied, tussen Haarlem-noord en Halfweg is nog het open poldergebied te ervaren. Hierbij tekenen zich wel enkele knelpunten af: - De meest westelijke strandvlakte (tussen de binnenduinrand en Limmen-HeilooAlkmaar) is met de volgende strandvlakte (tussen Limmen-Heiloo-Alkmaar en Uitgeest-Akersloot) alleen verbonden met een nauwe verbinding, een flessenhals, tussen Limmen en Castricum. Het zou goed zijn om deze als zodanig te erkennen en te versterken. - Hetzelfde geldt ook voor de verbinding van de strandvlakte tussen LimmenHeiloo-Alkmaar met het Alkmaardermeergebied. Alleen rond motel Akersloot is een – landschappelijk en ecologisch nogal verstoorde – verbinding aanwezig. Ook noordelijk om Akersloot heen is een verbinding denkbaar, maar ook daar (tussen Akersloot en Boekel) is het landschap in de afgelopen decennia verdicht geraakt. Maar er zijn ook kansen voor versterking van de landschapsecologische ruimtelijke structuur: - De ring van de Stelling van Amsterdam biedt (nu nog) een uitgelezen kans om als stramien voor een kralensnoer van natuurgebieden en kleinschalige recreatieprojecten te ontwikkelen - De hoofdstad kent een structuur van “groene scheggen” die enerzijds natuurelementen tot bij het hart van de stad brengen, en anderzijds de stedeling aantrekkelijke groene recreatieve uitvalsroutes naar het buitengebied bieden.
Bovendien brengen deze groene scheggen een ruimtelijke geleding in het stedelijk gebied aan. Dit concept van groene scheggen zou ook in andere verstedelijkende gebieden in het Oer-IJ gebied moeten worden toegepast Het zou goed zijn om deze ruimtelijk-conceptuele gedachten verder uit te werken in samenhang met twee hierna volgende, meer op het ecologisch functioneren gerichte ideeën: “ecologische verbindingen” en “verbindingen voor het aquatisch milieu”.
4.4. Kenmerkende landschapsstructuren Naast de openheid zijn ook doorgaande structuren zoals dijken en waterlopen bepalend voor de beleving van het landschap. En met name deze twee structuren, die naar hun aard verbonden zijn aan de waterhuishouding, geven vaak duidelijke verwijzingen naar de ontstaans- en gebruiksgeschiedenis van het Oer-IJ gebied. Het is dan ook van belang om deze structuren te behouden en waar mogelijk te versterken. Een ecologisch maaibeheer van bermen en oevers kan de natuurfunctie van deze structuren sterk verbeteren. Zelfs wanneer het onvermijdelijk is om het bestaande landschap plaatselijk een ingrijpende functieverandering te geven, dan nog kunnen deze landschapsstructuren een inspiratie vormen voor een nieuwe vormgeving, en in het plan worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon en dergelijke. Zo is het bijvoorbeeld jammer dat de historische ontwikkeling van het landschap in de beboste deelgebieden van Spaarnwoude zo moeilijk herkenbaar is, omdat daar in het ontwerp geen rekening mee werd gehouden. Bij verdere ontwikkeling van deze gebieden bepleiten wij graag de verbetering van de leesbaarheid van het landschap.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 39
4.5. Ecologische verbindingen algemeen Zoals eerder vermeld is het voor het ecologisch functioneren van natuurgebieden van belang dat zij voldoende omvang hebben. Maar het is ook nodig dat zij op één of andere wijze met elkaar verbonden zijn, zodat organismen zich van het ene naar het andere gebied kunnen verplaatsen en populaties daardoor genen kunnen uitwisselen. De mogelijkheid om zich te verplaatsen verschilt van soort tot soort: vogels zijn uiteraard beter in staat om “eilanden” te bereiken dan kruipende insecten, spinnen en slakken. En ook in de plantenwereld zijn er goede verspreiders, die hun zaden met de wind mee laten gaan (bijv. Paardenbloem) en andere die afhankelijk zijn van dieren, bijvoorbeeld de Eik van transport door de Gaai, en Tandzaad van transport in de vacht van grote grazers. Daarnaast is het van belang, dat veel diersoorten meerdere biotopen nodig hebben in hun bestaan. Zo hebben bijvoorbeeld Buizerd, Torenvalk, Zwarte Kraai en Roek bos nodig, of in ieder geval bomen om in te broeden maar ook open terrein om voedsel te zoeken. En iets vergelijkbaars geldt voor allerlei vissoorten die verschillende watertypen nodig hebben als paai- en opgroeigebied voor jonge vis, en als volwassen exemplaren. De materie van eilanden en verbindingen is door dit alles wat complexer dan het op het eerste gezicht lijkt.
Als algemene richtlijn kunnen echter de drie V’s van Voedsel, Veiligheid en Voortplanting worden gehanteerd, die alle drie nodig zijn voor een geschikt leefgebied. In het landschap van Laag-Holland, waar het noordelijk deel van het Oer-IJ gebied deel toe behoort, zijn de meest karakteristieke biotopen die van vochtige bloemrijke graslanden (“weidevogelbiotoop”) en van verschillende typen laagveenmoerassen. Daarnaast is ook de kwelzone aan de binnenduinrand relevant. De vochtige, bloemrijke graslanden en ook de laagveenmoerassen zijn gelegen in de eerder beschreven open ruimten. Zij zijn hier de meer natuurlijke terreinen, meestal enkele tientallen tot een paar honderd hectare groot, en worden meestal beheerd door, of in opdracht van natuurorganisaties. Maar zij zijn wél van elkaar gescheiden door intensief agrarisch gebruikt terrein, door woongebied en bedrijventerrein en door menselijke infrastructuur, die allemaal belemmeringen opwerpen voor een vrije migratie en uitwisseling. Hiervóór is al aangegeven, dat vogels in het algemeen goed in staat zijn om geschikte biotopen te bereiken. Maar voor veel kleinere organismen ligt dat anders. Waarschijnlijk kunnen brede sloten en vaarten met begroeide oevers voor veel soorten van moerasbiotoop, zowel dieren als planten, als verbinding functioneren.
Maar dat betekent wél dat kruisingen met infrastructuur van de mens een gevaarlijke en soms zelfs onneembare barrière kunnen vormen. Denk bijvoorbeeld aan de Otter, die elders in het land aan een opmerkelijke comeback bezig is, en vroeger of later ook in Laag-Holland, inclusief het Oer-IJ gebied te verwachten is, maar denk ook aan een soort als de Ringslang. Het is dan ook nodig dat er voorzieningen voor een veilige oversteek, bijvoorbeeld in de vorm van een onderdoorgang, voor deze en andere soorten komen. Voor dieren en planten van wat drogere biotopen kunnen dijk- en wegbermen vaak als migratieroute functioneren, zoals ook uit voorgaande verspreidingskaartjes naar voren komt. Een voorwaarde is dan wel, dat het bermbeheer op ecologisch doordachte aangepaste wijze gebeurt. Het zgn. sinusmaaien is in dit opzicht een veelbelovend concept. Met een beter
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 40
gericht en aangepast beheer van dijk- en wegbermen is (zonder al teveel moeite) nog veel meer ecologische winst te behalen. Ten zuiden van het Noordzeekanaal is de binnenduinrand vrijwel geheel verstedelijkt, er zijn nauwelijks oost-west gerichte doorgangen en die er zijn worden doorkruist door de A9 en de A22. Er dient echt werk gemaakt te worden van een ecologische verbinding van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland naar Spaarnwoude. Het zou goed zijn om een nadere (literatuur-)studie te wijden aan de ecologische verbindingen in het gebied van het Oer-IJ, vooral gericht op de migratiemogelijkheden en –beperkingen, c.q. genenuitwisseling. Hierbij moet dan zowel aan grotere soorten als bijvoorbeeld Otter, Ringslang en Noordse Woelmuis als aan kleinere en minder mobiele soorten (bijvoorbeeld bodemfauna) aandacht worden besteed. Uit die studie kan dan een wensen- en knelpuntenkaart voortkomen.
4.6. Verbindingen voor het watermilieu Voor het watermilieu geldt historisch gezien dat de ontginning en het in agrarisch gebruik nemen van het landschap naast een noodzakelijk geworden bescherming tegen het buitenwater ook een steeds betere beheersing van de waterstand en waterafvoer wenselijk maakte. Hierdoor is uiteindelijk het voor ons bekende en vertrouwde, maar gecompliceerde systeem van polders en poldertjes ontstaan. Het oorspronkelijk één geheel vormend watersysteem is daarbij sterk versnipperd geraakt. Hoe gek dat ook klinkt, ook in het watersysteem is daardoor tegenwoordig in ecologisch opzicht sprake van “eilanden”. In het Oer-IJ gebied is het oorspronkelijke open estuarium in de loop van de tijd vervangen geraakt door allerlei aparte waterlichamen die alleen via sluisjes en gemalen nog enigszins met elkaar verbonden zijn. Voor het functioneren van het aquatisch ecosysteem heeft dat grote consequenties. Zo vinden trekkende vissoorten (soorten die in zout water verblijven en in zoet water paaien, of andersom) tegenwoordig allerlei barrières op hun trekroute. Omdat vissen voor de mens als voedsel, dan wel als hengelobject interessant waren en nog steeds zijn, is via deze invalshoek bewustzijn ontstaan over de gevolgen van de versnippering van het watersysteem.
Er zijn en worden hier en elders voor deze groep dan ook knelpunteninventarisaties gemaakt en zogeheten ontsnipperingsmaatregelen genomen (vistrap, vishevel, vismigratierivier, etcetera). Een voorbeeld is de vispassage (onder meer t.b.v. Stekelbaars en Glasaal) bij gemaal Halfweg. Maar naast versnippering oefent het menselijk gebruik nog een hele reeks andere invloeden uit op het waterecosysteem: er wordt bijvoorbeeld water met andere gehaltes aan opgeloste stoffen (“andere watersamenstelling”) ingelaten vanuit andere waterlichamen. Sloten hebben een standaardprofiel gekregen en er wordt intensief gemaaid en gebaggerd om de afvoercapaciteit in stand te houden. Paaigebied van vissen is verdwenen doordat het oeverland in het voorjaar niet meer geïnundeerd raakt. Daarnaast is de belasting met nutriënten door uit- en afspoeling vaak zeer hoog. En tenslotte zijn er allerlei soorten van elders – door bewust en onbewust handelen van de mens - in Nederlandse wateren terechtgekomen die in bepaalde gevallen inheemse soorten hebben verdrongen, of andere Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 41
problemen hebben veroorzaakt. Wat dit laatste betreft zijn er in het aquatisch milieu voorbeelden uit allerlei verschillende planten- en dierengroepen te vinden, van Waterpest en Watercrassula tot Amerikaanse rivierkreeften, Chinese Wolhandkrab, Roodwangschildpad, en Roofblei. Het flink brakke Noordzeekanaal biedt een uitgelezen kans om zout en zoet in deze regio weer met elkaar te verbinden. Al decennia lang wordt er gepraat over verbrakking van de polder Westzaan, waar plaatselijk nog steeds aan brak water gebonden soorten en restanten brakwaternatuur aanwezig zijn. Hiermee is dit één van de oorspronkelijke brakwaterveengebieden van Midden-NoordHolland, waar herstelmaatregelen nog het meest kansrijk zijn. Maar tot feitelijke ingrepen in de waterhuishouding heeft deze plannenmakerij nog steeds niet geleid, laat staan tot werkelijk herstel van de beoogde brakwaternatuur. En de trend van de meeste voor brak milieu kenmerkende plantensoorten is negatief, dus de tijd gaat wel dringen.
Figuur 4-2 Het flink brakke Noordzeekanaal kan zout en zoet verbinden
Maar niet alleen in de veengebieden kan herstel van de zoet-zoutgradiënt tot natuurwaarden leiden, juist ook in de loop van het Oer-IJ zelf zijn de kansen aanwezig. Het eerder genoemde project Houtrakkerbeemden is daar een mooi voorbeeld van. En de verspreidingskaart van Zilte rus in “Flora klei en veen” in Bijlage 1 geeft aan dat er in de Oer-IJ vallei tussen Noordzeekanaal en Castricum kansen liggen.
Wanneer we vanuit de huidige situatie weer enigszins de oorspronkelijke situatie willen benaderen in het waterecosysteem van het Oer-IJ gebied moet er dus nogal wat gebeuren. De maatregelen variëren sterk in schaalniveau, enkele gedachtelijnen zijn: -
herstel van de zoet-zoutgradiënt natte dooradering van het landschap opheffen barrières voor trekkende (vis)soorten herstel natuurlijke waterdynamiek (’s winters en in vroege voorjaar hoog, ’s zomers lager) Noordzeekanaal meer ruimte geven (zoals bijvoorbeeld bij Buitenhuizen al heeft plaatsgevonden) verbinden van Oer-IJ restanten onderling en met het Noordzeekanaal schoon kwelwater van binnenduinrand beter benutten voor natte natuur in de polders (meer projecten zoals Schoonwatervallei)
Het zou daarom goed zijn om ook specifiek voor het watermilieu in het Oer-IJ gebied een inventarisatie van knelpunten, oplossingen en verbeteringskansen voor het ecologisch functioneren op te stellen en deze tot een coherent herstelplan voor natte natuur samen te brengen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 42
5. Conclusies en aanbevelingen Het Oer-IJ landschap bezit een grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden. Daarnaast is het Oer-IJ gebied in hoog tempo aan het veranderen, waarbij deze waarden dreigen te verdwijnen. Juist omdat dit gebied wordt omringd door de stedelijke agglomeraties van Amsterdam, Zaanstad, Alkmaar, IJmond en Haarlem dienen de genoemde waarden waar mogelijk behouden te blijven en verder te worden ontwikkeld, zodat dit gebied ook in de toekomst voor de eigen inwoners én voor die van deze agglomeraties als “groene long” kan blijven functioneren. In het voorgaande hoofdstuk zijn daarvoor zo hier en daar al enkele aanbevelingen geformuleerd. Voor de overzichtelijkheid zijn deze in de navolgende opsomming herhaald en aangevuld met andere aanbevelingen. Als eerste enkele aanbevelingen op hoofdlijnen: 1. De kwaliteiten van het Oer-IJ gebied liggen onder meer in de leesbaarheid en belevingsmogelijkheden van de ontstaansgeschiedenis, van het landschap en van de natuur en hiermee in de aantrekkelijkheid voor gerichte, extensieve recreatie. Deze leesbaarheid en belevingsmogelijkheden dienen behouden te blijven en verder te worden ontwikkeld. 2.
Zelfs wanneer het onvermijdelijk is dat het bestaande landschap verloren moet gaan ten behoeve van maatschappelijk noodzakelijk geachte veranderingen, dan nog heeft de structuur van het Oer-IJ een functie. Bij omvorming naar andere gebruiksvormen kunnen de kenmerkende landschapsstructuren van het Oer-IJ gebied nog steeds een inspiratie vormen en dienen zij in het plan te worden opgenomen in de vorm van een groenvoorziening, waterstructuur, wegenpatroon of anderszins, en bovendien zodanig te worden vormgegeven dat zij ook als ecologische verbindingsroute kunnen functioneren. 3. De openheid van het landschap, die zo kenmerkend is voor het Noord-Hollandse polderland, dient waar maar enigszins mogelijk gehandhaafd te blijven en waar nodig hersteld, als contrast met de omringende stedelijke gebieden. 4. Voldoende omvang van natuurgebieden en voldoende onderlinge verbindingen zijn van essentieel belang voor het voortbestaan van de betrokken levensgemeenschappen op langere termijn. Daarom dienen de bestaande natuurgebieden behouden te blijven, beschermd te worden tegen schadelijke invloeden van buiten en waar nodig hersteld, vergroot en onderling verbonden te worden. Voor een nadere concretisering dient nog wel het één en ander te worden uitgezocht: 1. Er dient een nadere analyse van knelpunten en kansen m.b.t.
de ecologische verbindingen in het Oer-IJ gebied te komen, met oplossingsvoorstellen en een uitvoeringsplan. Daarbij gaat het om verschillende aspecten: − de onderlinge verbindingen tussen natuurterreinen in de regio zelf, bijvoorbeeld tussen Weijenbus/Vroonmeer, het Limmer Die en het Oosterveld bij Limmen Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 43
−
de grote ecologische verbindingen van kust tot kust, d.w.z van de Noordzeekust tot aan het Markermeer, waarbij voor de twee mogelijke zones in onze regio (ten noorden en ten zuiden van Castricum) erkenning en verbeteringen nodig zijn − ten zuiden van het Noordzeekanaal wordt een vergelijkbare oost-west verbinding, in dit geval tussen het Nationaal Park Zuid-Kennemerland en Groengebied Spaarnwoude (en vandaar verder naar het Vechtplassengebied) node gemist. Er dient een nadere analyse te komen op welke wijze en waar precies deze nog gerealiseerd zou kunnen worden − oplossingen om de kruisingen van ecologische verbindingsroutes met menselijke infrastructuur als wegen en spoorlijnen veiliger te maken voor diersoorten zoals bijvoorbeeld Otter, Ringslang, Gewone pad, etcetera 2. Ook voor het watersysteem in het Oer-IJ gebied dient een knelpunten- en kansenanalyse met oplossingsvoorstellen en uitvoeringsplan te worden opgesteld.
Daarvoor zijn enkele gedachtelijnen: - herstel van de zoet-zoutgradiënt - opheffen barrières voor trekkende (vis)soorten - herstel natuurlijke waterdynamiek (’s winters en in vroege voorjaar hoog, ’s zomers lager) - Noordzeekanaal meer ruimte geven (zoals bijvoorbeeld bij Buitenhuizen al heeft plaatsgevonden) - Verbinden van Oer-IJ restanten onderling en met het Noordzeekanaal - schoon kwelwater van binnenduinrand beter benutten voor natte natuur in de polders (meer projecten zoals Schoonwatervallei) 3. De ring van de Stelling van Amsterdam biedt (nu nog) een uitgelezen kans om als stramien voor een kralensnoer van natuurgebieden en kleinschalige recreatieprojecten te ontwikkelen, deze gedachte dient verder te worden uitgewerkt. Meer specifiek zijn de volgende aanbevelingen: 1. De meest westelijke strandvlakte (tussen de binnenduinrand en LimmenHeiloo-Alkmaar) is met de volgende strandvlakte (tussen Limmen-HeilooAlkmaar en Uitgeest-Akersloot) alleen verbonden via een nauwe verbinding, een flessenhals tussen Limmen en Castricum (de “Limmer voorde”). Deze dient als zodanig erkend en versterkt te worden. Hetzelfde geldt ook voor de verbinding van de strandvlakte tussen Limmen-Heiloo-Alkmaar met het Alkmaardermeergebied. 2.
Het concept van groene scheggen, zo prominent aanwezig in de Amsterdamse agglomeratie, dient ook in andere verstedelijkende gebieden in het Oer-IJ gebied te worden toegepast. 3. De historische ontwikkeling van het landschap in de beboste deelgebieden van Spaarnwoude is helaas moeilijk herkenbaar, omdat daar in het ontwerp geen rekening mee werd gehouden. Bij verdere ontwikkeling van deze gebieden dient deze leesbaarheid van het landschap te worden hersteld en verbeterd. 4. Dijken en waterlopen zijn bij uitstek structuren, die de landschapsgeschiedenis weergeven en leesbaar maken. Het is van belang om deze structuren te behouden en versterken. 5. Het ecologisch aanpassen van het bermbeheer van dijken en wegen kan een enorme verbetering van de natuurfunctie met zich brengen, zowel van de berm op zich als van de berm als ecologische verbinding. Het zgn. sinusmaaien is in dit opzicht een veelbelovend concept. Waar maar enigszins mogelijk dient het bermbeheer ecologisch te worden aangepast. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 44
6. Al decennia lang wordt er gepraat over verbrakking van de polder Westzaan, maar tot uitvoering van maatregelen is het tot nu toe nog niet gekomen. Maar de tijd begint te dringen, want de brakwatersoorten waar het om gaat zijn langzaam aan het verdwijnen uit dit gebied. De geplande maatregelen dienen op korte termijn te worden uitgevoerd.
Figuur 5-1 Echte koekoeksbloem, een typische soort van bloemrijk vochtig grasland (foto Bart Korf)
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 45
Gebruikte bronnen -
-
-
-
-
-
-
-
Guus J. Borger & Saskia Bruines, 1994. Binnewaeters gewelt, 450 jaar boezembeheer in Hollands Noorderkwartier. Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer Bert Buizer, Piet Veel & Hans van Weenen (redactie), 2018. Atlas van het Oer-IJ gebied. Stichting Uitgeverij Noord-Holland en Stichting Oer-IJ. Herman van Dam & Nico Jaarsma, 2020. Doelen op maat 4.1 – Systeemanalyses. In opdracht van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Jan van der Geld, Niko Groen & Ron van ’t Veer, 2013. Weidevogels in een veranderend landschap: meer kleur in het grasland. KNNV Uitgeverij, Zeist Jelger Herder, Jan Kranenbarg, Dorien Hoogeboom, Jeanine Hamers en Kees Dekker (redactie), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. Landschap Noord-Holland en Stichting RAVON Dorien Hoogeboom, Wim Ruitenbeek, Frank Visbeen & Jan Wondergem, 2014. Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren 1989-2014. Landschap Noord-Holland, Heiloo en Noordhollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar Bart Korf, 1977. De biologische betekenis van het buitengebied van Zaanstad. Uitgave gemeente Zaanstad Robert H. MacArthur & Edward O. Wilson, 1967. The Theory of Island Biogeography. Princeton University Press, Princeton U.S.A. Bas van de Riet, Hans van der Goes, Theo Baas, Carola van den Tempel, Walter Menkveld en Frank Visbeen (redactie), 2014. Atlas van de Noord-Hollandse flora.
Landschap Noord-Holland Kees (CV.J.G.) Scharringa, Wim Ruitenbeek & Piet J. Zomerdijk, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland (SVN) en Landschap Noord-Holland Ron van ’t Veer, Niels Raes en Kees Scharringa, 2010. Weidevogels in NoordHolland; ecologie, beleid en ontwikkelingen. Landschap Noord-Holland en van ’t Veer en de Boer Ecologisch Advies- en Onderzoeksbureau Ron van ’t Veer, Tom Kisjes en Nynke Sminia, 2012. Natuuratlas Zaanstad. Stichting Uitgeverij Noord-Holland En voorts: Stichting de Hooge Weide, internetsite https://stdehw.wixsite.com/dehoogeweide Stichting Oer-IJ, internetsite www.oerij.eu Stichting FLORON, internetsite www.floron.nl Stichting SOVON, internetsite www.sovon.nl Stichting RAVON, internetsite www.ravon.nl Vlinderstichting, internetsite www.vlinderstichting.nl
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 46
Colofon: Uitgave Stichting Oer-IJ, Pernéstraat 28, 1901 AX - Castricum (www.oerij.eu)
Kennisdocument Natuur van het Oer-IJ gebied
Bart Korf, Heiloo, met medewerking van Finette van der Heide, Amsterdam Jos Teeuwisse, Castricum Opmaak Gerard Hogervorst
Steun de Stichting Oer-IJ, word Vriend van het Oer-IJ
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 47
Bijlage 1 Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd Vanuit de gedachte, dat in dit gebied - van Noordzee tot Zaan en van Wijkermeer tot Alkmaardermeer - een grote variatie aan landschapstypen voor een gevarieerde biodiversiteit zou zorgen is enkele jaren terug getracht om door middel van verspreidingskaartjes van kenmerkende soorten de biodiversiteit van het Oer-IJ gebied in beeld te brengen. Deze exercitie is door de provincie financieel mogelijk gemaakt en is eind 2017 uitgevoerd door Carola van den Tempel van Landschap Noord-Holland, begeleid door Jos Teeuwisse en Bart Korf. Daarbij is gekozen om van een geselecteerd aantal relevante soorten uit enkele planten- en dierengroepen verspreidingskaarten te maken voor het Oer-IJ gebied. We hoopten, dat deze onder meer het onderscheid in de drie landschapstypen zand, klei en veen zouden laten zien. Er is vooral gekozen voor soorten uit min of meer natuurlijke biotopen, waarvan we verwachtten, dat deze vooral in één of twee van deze drie landschapstypen zouden voorkomen. Bovendien is gekozen voor meer bekende en aansprekende soorten. Er waren voldoende gegevens beschikbaar voor de volgende groepen: -
Flora (d.w.z. vaatplanten) Vogels Zoogdieren Reptielen en amfibieën Vlinders Libellen
Wel moet hierbij worden aangetekend, dat deze gegevens afkomstig zijn uit datasets van verschillende oorsprong (o.a. uit waarneming.nl ) die meestal niet op systematische wijze zijn verzameld. Daardoor treedt er een zgn. bias (“vooroordeel”) op naar meer opvallende soorten (bijvoorbeeld Grote Zilverreiger en IJsvogel), en naar aantrekkelijker en/of beter toegankelijke gebieden (bijvoorbeeld het duingebied), die soms storend is. Getracht is deze bias zo veel mogelijk te vermijden, maar dat is niet in alle gevallen voldoende gelukt. Ook is het aannemelijk, dat waarnemingen van buiten het “normale” verspreidingsgebied juist een grotere kans maken om te worden gemeld (bijvoorbeeld van de Smient in het duingebied). Tenslotte betreft elke stip op een verspreidingskaartje een waarneming, ongeacht het aantal exemplaren, dit is een vereenvoudiging van de werkelijkheid. Daarom is voor één groep, namelijk overwinterende vogels (Smient en Goudplevier) ook de groepsgrootte weergegeven. De data van de kaarten zijn afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De gegevens zijn per soortgroep, en soms zelfs per soort over verschillende tijdsperiodes weergegeven. Dit omdat het een vertekend beeld kan geven als soorten plaatselijk domineren door een waarnemereffect. Waarnemingen van vogels worden over het algemeen Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 48
veel doorgegeven. Vleermuizen en muizen daarentegen worden veel minder gezien en dus ook veel minder doorgegeven dan bij voorbeeld konijn en haas. Daarom is er bij zoogdieren voor verschillende periodes binnen een soortgroep gekozen. Bij de muizen zijn ook waarnemingen van braakballen van uilen meegenomen. Deze worden doorgegeven op de locatie waar de braakbal is gevonden, maar dit kan uiteraard een verschil geven (tot enkele kilometers) van de eigenlijk correcte plek (vangstplek door de uil). Bij vleermuizen zijn de overwinteringslocaties niet weergegeven, anders zouden de duinen met al hun bunkers er uitschieten als grote hot spots. Tot slot is het waarnemereffect ook zichtbaar aan de vele waarnemingen in de duinen. De duinen zijn een goed toegankelijk, populair en daardoor veelbezocht gebied, dat is nogal verschillend met het poldergebied achter de duinen en al helemaal met het veenweidegebied.