C3 Kennisdocument Natuurwaarden.PDF
Tekst van het document
Castricum, juni 2021
Betreft: Omgevingsvisie en Groenvisie en natuurwaarden. Geachte leden van de Raad, De Stichting Oer-IJ spant zich al enkele jaren in om kennis over het Oer-IJ gebied bijeen te brengen en toegankelijk te maken. Met tal van activiteiten proberen wij een breed publiek te bereiken en kennis te laten maken met de bijzondere kwaliteiten van dit gebied. Ook hebben we de gemeenten behulpzaam willen zijn, door die kennis hanteerbaar te presenteren. Dat is met name gebeurd door middel van onze website (www.oerij.eu/professionals) en ook door de productie van de “Atlas over het Oer-IJ gebied” die nu - via onze website - digitaal beschikbaar is. Daarnaast verder met de zgn. "Inspiratiebeelden" die houvast bieden voor het te voeren ruimtelijk beleid. In vervolg daarop bieden wij de nota “Natuurwaarden van het Oer-IJ gebied” aan (zie bijlage), waarin de ecologische waarden van het Oer-IJ gebied op een rij zijn gezet. Wij denken u daarmee te helpen bij de invulling van de wettelijke plicht om bij de omgevingsvisie en uitwerkingen daarvan de ecologische waarden goed in beeld te brengen en van invloed te laten zijn op het ruimtelijk beleid. Tevens hebben wij ter inspiratie nog het document “Gemeenten en biodiversiteit” toegevoegd (bijlage 2), onderdeel hiervan is ook “Groenbeleid van gemeenten in het Oer-IJ gebied”.
De natuur gaat immers over gemeentegrenzen heen en vandaar dat het voor een goede ecologische kwaliteit van het groen van uw gemeente nuttig is om naar het groenbeleid in uw buurgemeenten te kijken. Mooier is nog om tot een regionaal groenbeleid te komen, want daar heeft de natuur het meeste baat bij. Wij hopen dat deze documenten u inspireren tot een grensverleggende visie op het groenbeleid van uw deel van het Oer-IJ gebied. Wij zijn graag bereid om de ambtenaren die met de Omgevingsvisie en het Groenbeleid van uw gemeente bezig zijn, concreet te informeren over de in uw gemeente aanwezige natuurwaarden. U kunt hiervoor contact opnemen met ons bestuurslid Jos Teeuwisse via info@oerij.eu. Wij hopen dat u via deze nota kennis wilt nemen van een belangrijke inspirerende waarde van uw gemeentelijk groen. Met vriendelijke groet, namens het bestuur van de Stichting Oer-IJ,
Evert Vermeer, Voorzitter
Bijlagen: 2. Ps. Dit schrijven hebben wij ook gericht aan College van B&W en de contactambtenaren van uw gemeente.
Oer-IJ-gemeenten en biodiversiteit Alle Oer-IJ-gemeenten zijn de laatste jaren beleid gaan ontwikkelen op de met elkaar samenhangende thema’s als groenbeheer, biodiversiteit en klimaat. Uit de verschillende (voorgenomen) beleidsplannen op een of meer van deze thema’s zijn hieronder voorbeelden genomen van lokale verhoging van de biodiversiteit. Biodiversiteit De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk door onder andere veranderend gebruik van land en water, klimaatverandering en vervuiling. Dat geldt ook voor de biodiversiteit in het Oer-IJ-gebied. Aan verhoging van de biodiversiteit kan een sterke impuls worden gegeven bij het opstellen van een gemeentelijk omgevingsplan. De komst van de Omgevingswet geeft een kans om biodiversiteit als belangrijke omgevingswaarde te verankeren in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Zo kan een gezamenlijke inzet worden geleverd voor de biodiversiteit en werken aan aantrekkelijke, gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. Bureau Stadsnatuur (Rotterdam) heeft daarover inspiratiedocument uit gebracht, waaruit onderstaande delen zijn overgenomen.
1
Groen-blauwe verbindingen Bron: natuurverdubbelaars.nl In het landschap kunnen bomen groene linten vormen die voor verschillende dieren zoals vogels en vleermuizen als groene verbindingen dienen. Vaak staan bomen in een groenstrook waardoor deze voor tal van dieren en planten een ecologische verbinding kan zijn. Verder vormen (oude) bomenlanen vaak beeldbepalende landschapselementen, waardoor ze ook vanuit het oogpunt van belevingswaarde of cultuurhistorische waarde het beschermen waard zijn. Deze elementen spelen ook een rol bij de aanleg van nieuwe bomenlanen die kunnen dienen om verbindingen te maken of om wegen te overbruggen. Een netwerk van verbindingen aanleggen is goed voor de natuur, ook in dorpen en steden. In de bebouwde kom bestaan al bruikbare verbindingen. Er is al een basis aanwezig in de vorm van parken, plantsoenen, begraafplaatsen, singels, grote tuinen, privaat groen, watergangen en andere groenblauwe elementen. Een groenblauw netwerk voorziet in een duurzaam leefgebied en een hogere natuurkwaliteit voor de lange termijn. Met een goed onderhouden netwerk van een diversiteit aan biotopen die aanwezig zijn in de bebouwde kom, worden vestigingskansen verhoogd en kunnen er stabielere populaties ontstaan van een breed scala aan planten- en diersoorten op de lange termijn.
Een gemeentelijk groenblauw netwerk bestaat uit kerngebieden (zoals een park), verbindingen (zoals wegbermen of watergangen) en stapstenen (zoals braakliggende terreinen). In het bestaande groen kan kwaliteitsverbetering worden gerealiseerd en er kan worden aangesloten op bestaande natuur en wateren in het buitengebied. Hierdoor kan uitwisseling optreden tussen populaties van binnen en buiten de bebouwde kom. Het succes van een groenblauw netwerk is vooral afhankelijk van de dichtheid en de kwaliteit van groenblauwe elementen dan van rechtlijnige fysieke verbindingen van groengebieden. In een gemeentelijk groenblauw netwerk komen verschillende functies en ecosysteemdiensten aan bod, zoals ecologie, waterberging, recreatie en gezondheid. Een evenwichtige toedeling van die functies over locaties is het meest belangrijke aspect van een groenblauw netwerk. Het gemeentelijke netwerk vormt een verfijning of aanvulling op het Natuurnetwerk Nederland (Bureau Stadsnatuur 2021). Structuurvariatie Voor het aanbrengen van structuurvariatie geeft Bureau Stadsnatuur de volgende aanbevelingen: 1. Koester dat wat al bestaat, door bijvoorbeeld het terugzetten van ondergroei hoogstens gefaseerd uit te voeren. 2. Dood hout maakt levend bos en kan in bosplantsoenen en wegbegeleidend groen blijven liggen. Dode takken zou men alleen kunnen verwijderen als er een veiligheidsreden voor is.
In plaats van te versnipperen kan hout deels ook in rillen worden verwerkt. 3. Verwijder niet in een keer alle bomen van een soort maar laat bijvoorbeeld een deel van de oude bomen in een laan staan. Plant tussen momenten van kap een variatie aan inheemse boomsoorten en heesters terug bij de vervanging van het bomenbestand. 4. Maai wegbermen en natuurlijke oevers gefaseerd in blokken, waarbij delen de tijd krijgen om te functioneren als leefgebied voor fauna. 5. In onbruik geraakte terreinen kunnen in stedelijk gebied een netwerk aan ecologische stapstenen van tijdelijke natuur vormen. 6. Oevers van watergangen kunnen voor een deel naar bloemrijk grasland worden getransformeerd door een aangepast maaibeheer. Daardoor kunnen oevers stapstenen worden voor veel planten, insecten, zoogdieren, amfibieën en vogels.
2
7. Water als element van een groenblauw stedelijk netwerk geeft biodiversiteitswinst en vervult ook een functie in het kader van klimaatadaptatie. 8. Zonering binnen het groenblauwe netwerk van het gebruik van het groen door bewoners (recreëren, sporten en ontspannen) kan bijdragen aan de vergroting van de biodiversiteit omdat het sommige dieren rust geeft en niet alle plantensoorten betreding goed kunnen verdragen. Natuurinclusief bouwen Er is de laatste jaren steeds meer belang gehecht aan het opnemen van ecologische principes in ruimtelijke ontwikkeling. Zo kan natuurinclusief bouwen een waardevolle aanvulling zijn op het groenblauwe netwerk van een gemeente. In gebouwen en de bijbehorende buitenruimte kunnen ecologische functies worden gerealiseerd die niet in de groengebieden te vinden zijn, zoals nest- en rustplaatsen voor dieren die gebouwen bewonen zoals de gierzwaluw, huismus of gewone dwergvleermuis. Natuurinclusief bouwen kan ook bijdragen aan vermindering van de impact van gebouwen op het gemeentelijke blauwgroene netwerk. Groene gevels en groene daken kunnen een bebouwd gebied (deels) laten functioneren als groene stapsteen, door voedsel, voortplanting of veiligheid te bieden aan insecten en vogels. Het inrichten van de buitenruimte waarbij aan natuurlijke processen een plek wordt gegeven kan ook een grote impact hebben.
Natuurinclusief bouwen gaat vaak hand in hand met opgaven als klimaatadaptatie en het tegengaan van negatieve effecten van verharding en bebouwing, zoals wateroverlast en hittestress. Het doel van natuurinclusief bouwen en renoveren is om te komen tot een natuurvriendelijke inrichting van woonwijken, kantoorpanden, winkelcentra en bedrijventerreinen, met een hogere natuurkwaliteit en een betere leefomgeving voor bewoners en gebruikers (Bureau Stadsnatuur 2021).
3
Groenbeleid van gemeenten in het Oer-IJ gebied Heemskerk De gemeente Heemskerk heeft in haar Groenbeleidsplan 2019 het groen onderverdeeld in de hoofdgroenstructuur, het bovenwijksgroen en het buurtgroen. De hoofdgroenstructuur vormt een verbinding tussen het bovenwijksgroen en het buitengebied (onder andere het Noordhollands Duinreservaat en het recreatiegebied Alkmaarder- en Uitgeestermeer). De gemeente wil de hoofdgroenstructuur versterken door natuurvriendelijke oevers, beter zicht op het water en een natuurvriendelijke inrichting. Het buitengebied leent zich uitstekend voor het vergroten van de biodiversiteit in beplanting en bomen, het versterken van de groene randen en het maken van verbindingen met de woongebieden door het aanplanten van elzenhagen, en toepassing van ecologisch maaibeheer. Volgens de gemeente zouden vegetatieranden en beplanting die rijk bloeit en vruchten draagt een logische keuze zijn (Groenbeleidsplan Heemskerk 2019). Omdat het weer verandert, er meer regen valt, buien extremer worden, perioden van droogte langer worden en de hitte toeneemt, wil de gemeente Heemskerk vergroenen. Tuinen en straten worden groener (minder stenen), waarmee de hitte wordt verminderd en water beter kan worden vastgehouden. Bovendien schept het ruimte voor planten en dieren, en daardoor meer biodiversiteit (Klimaatadaptatieplan 2021-2026).
Beverwijk In de Groenvisie 2020 - 2030 stelt de gemeente Beverwijk als doel een gemeente te zijn waar in de openbare ruimte plek is voor ecologische waarde en biodiversiteit. Bomen en verbindingen spelen hierin de grootste rol. Speciale aandacht gaat uit naar struiken en kruiden die bijen en andere insecten aantrekken. De gemeente wil de biodiversiteit vergroten door de openbare ruimte in te richten met soorten met verschillende bloeitijden; het op een ecologische manier beheren van bermen van drie meter of breder; het zorgdragen voor toekomstbomen; en het zo min mogelijk toepassen van beschoeiingen om daarmee zoveel mogelijk natuurlijke oevers te realiseren (Groenvisie 2020 -2030). Velsen Het Groenstructuurplan Velsen van de gemeente werd in 2019 vastgesteld. De groenstructuur bestaat uit het geheel van de ‘groene’ delen en gebieden binnen de gemeente Velsen. Dat betreft parken, plantsoenen, bomen, landbouw-, recreatie- en natuurgebieden. Het plan kent de volgende vier speerpunten: - Het versterken en verduidelijken van de verschillende soorten landschappen van Velsen zowel binnen als buiten stedelijk gebied. - Het zo goed mogelijk waarborgen van een groene leefomgeving binnen het stedelijk gebied. - Het verhogen van de ecologische waarde van de groenstructuur. - De noodzaak van meer groen voor een klimaatadaptieve gemeente.
De verschillende soorten landschappen liggen in Velsen in stroken, evenwijdig aan de kust met elk hun eigen kenmerken. De gemeente gaat proberen de toegang vanuit de wijken naar het landschap te verbeteren. Ook wil men de waarde van het groen versterken omdat een groenere leefomgeving bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit, klimaatbestendigheid en economie (Groenstructuurplan Velsen).
4
Zaanstad Zaanstad bezit veel natuurwaarden in het landelijk gebied maar ook binnen het stedelijk gebied. De ambitie van de gemeente is om dit te beschermen en uit te breiden. Voor het stedelijk gebied richt de ambitie zich op het vergroten van de biodiversiteit. De gemeentelijke initiatieven sluiten daarbij aan. De kwaliteitsimpulsen bij ontwikkelingen sturen op het vergroten van de ecologische waarde. Zaanstad wil kansen benutten in de economische dynamiek van de Metropool Regio Amsterdam (MRA). De leefkwaliteit van steden wordt steeds belangrijker voor hun vestigingsklimaat en concurrentiepositie. Omdat de MRA steeds drukker wordt is het nodig om in de leefkwaliteit te blijven investeren. De MRA wil daarom investeren in behoud en benutten van het waardevolle landschap. De inzet is om de bereikbaarheid en gebruiksmogelijkheden voor de bewoners te vergroten, de biodiversiteit te verbeteren en de economische vitaliteit te versterken. Het stedelijk groen is waardevol voor de ecologie en de biodiversiteit, draagt bij aan het verminderen van de gevolgen van klimaatverandering en kan een belangrijke rol spelen bij waterberging. Voor de ecologie en biodiversiteit in het stedelijk gebied zijn ecologische verbindingszones en natuurlijke stapstenen erg waardevol. Ze maken de migratie van flora en fauna tussen de verschillende (natuur)gebieden mogelijk.
De gemeente vindt dat als er toekomstige ontwikkelingen in een ecologische verbindingszone worden uitgevoerd, kwantiteit gecompenseerd moet worden met kwaliteit. De zone mag in ieder geval niet onderbroken worden. Voor stadsnatuur is de ambitie om de biodiversiteit te verbeteren en te verhogen. Daarbij acht men het belangrijk om goed inzicht te krijgen en te houden in de biodiversiteit middels een jaarlijkse monitoring. Binnen het stedelijk gebied wil men tijdelijke natuur toestaan op bijvoorbeeld braakliggende terreinen, het ecologisch groenbeheer verder optimaliseren zoals extensiever (maai)beheer en bloemrijke groenzones creëren om de soortenrijkdom te vergroten. Daarnaast is het doel de inrichting te veranderen om de ecologische verbindingen en stapstenen verder te verbeteren. Hierdoor moet een aantrekkelijk leefgebied voor vele verschillende soorten ontstaan (Groen- en waterplan Zaanstad 2018). De gemeente heeft verder met de provincie en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier een plan van aanpak ontwikkeld voor het opstellen van een Integrale Gebiedsvisie Polder Westzaan met een financieel en organisatorisch geborgd uitvoeringsprogramma. Dit is de opvolging van een startnotitie Integraal Gebiedsprogramma Laag Holland. Uitgangspunt van het gebiedsproces is bondgenootschap en partnerschap met eigenaren, pachters en beheerders van het gebied.
In deze visie wordt de visie op aanpak van relevante maatschappelijke opgaven, waaronder klimaatverandering, biodiversiteit /natuurwaarden en stikstof in samenhang gebracht met de inrichting en het beheer van het gebied (Zaanstad Klimaatakkoord 2.0). Uitgeest De gemeente Uitgeest heeft met de gemeenten Bergen, Castricum en Heiloo een gezamenlijke ambitie vastgelegd van het klimaatbeleid. Samen trekken zij op om de doelstellingen te behalen. Met hun klimaatvisie willen deze gemeenten niet alleen de impact van klimaatverandering agenderen, maar ook de kansen benoemen. Investeren in duurzaamheid kan, zo wordt gesteld, voor inwoners de kwaliteit van leven verbeteren: bijvoorbeeld schonere lucht, een comfortabeler huis, meer biodiversiteit en verkoeling door groen. Daarnaast vinden zij het belangrijk om de klimaatopgaven te integreren in de omgevingsvisies. Alleen als dat goed wordt gedaan, kunnen de verschillende opgaven integraal afgewogen worden en meters worden gemaakt. Ruimte voor water kan bijvoorbeeld de schoonheid en ruimtelijke kwaliteit van het dorp verbeteren, overvloedig water bergen, verkoeling bieden en een duurzame energiebron betekenen (De Buch Ambitiedocument Programma Klimaat 2021-2025).
5
Castricum In het buitengebied van Castricum kruisen zowel het Noordhollands duinreservaat (langs de kust) als de oostwest georiënteerde robuuste verbindingszone ‘Van kust tot kust’ elkaar. De ecologische verbindingen hebben een gezamenlijk belang: duurzaam behoud van de kwaliteiten van natuur en landschap in het buitengebied van de gemeente Castricum. De polders tussen het Alkmaardermeer en Waterland tonen een grote aaneenschakeling van graslanden met bijzondere soorten en kruidenrijke graslandvegetaties. Het gebied rond Castricum is de schakel tussen deze graslanden en het duingebied, als onderdeel van de ecologische verbinding tussen de Noordzee en het Markermeer. Inzet hiervoor is (Beeldkwaliteitsplan Castricum 2010): - Natte natuur en verbetering ruimtelijke samenhang en milieukwaliteit. - Meervoudig ruimtegebruik/ ontwikkelingsgerichte landschapsaanpak. - Behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit. Karakteristiek voor het gebied rond Castricum zijn de vele ecologische, hydrologische en bodemkundige overgangen. Er zijn voldoende waardevolle graslandpercelen om aan te sluiten op het natuurgebied rond het Alkmaardermeer. Waardevol zijn in dit geval kruidenrijke graslandvegetaties en planten van zoete kwelmilieus. Het gebied heeft potenties voor natte schraallanden, heldere kalkrijke wateren en duinvallei-achtige vegetaties in de polder.
Voor de Noordse woelmuis is het gebied eveneens kansrijk, met name in smalle, langgerekte rietkragen. Ook is het een belangrijk gebied voor weide- en moerasvogels, en voor de overwintering van verschillende beschermde vogelsoorten. In de gemeente Castricum is de binnenduinrand niet helemaal volgebouwd. Een corridor die uitwisseling tussen duinen en veengebieden mogelijk moet maken, is hier dus goed mogelijk. De Hendriksloot en Schulpvaart vormen als natte verbindingszones de ruggengraat die het Alkmaardermeergebied met het duingebied verbindt (Beeldkwaliteitsplan Castricum 2010). De gemeente Castricum maakt deel uit van de BUCH en is mede-onderschrijver van het Ambitiedocument Programma Klimaat 2021-2025. De gemeente heeft een Concept Voorontwerp Groenbeleidsplan opgesteld en aan belangstellenden voorgelegd. In het groenbeleidsplan houdt de gemeente rekening met twee grote maatschappelijke vraagstukken, te weten klimaatverandering en biodiversiteit. Groen draagt bij aan leefbaarheid en CO2-reductie. De gemeente maakt zich ernstig zorgen over de afname van biodiversiteit en noemt de forse terugval van het aantal soorten bijen een exemplarisch voorbeeld daarvan. De gemeente heeft daarom het groenbeleidsplan gerangschikt in vijf pijlers: - Duurzaam bomenbeleid: dit houdt in de bomen zodanig te onderhouden dat ze gezond kunnen groeien en oud worden.
- Behouden en waarborgen van de groene gemeente: door voldoende aandacht aan het behoud van het groen te besteden, worden de identiteit en herkenbaarheid van de gemeente versterkt. - Veel groen nodigt uit tot bewegen en zorgt voor een gezondere leefomgeving. Het groen heeft een positieve uitwerking op onze gezondheid. - Groen heeft een positief effect op alles wat groeit en bloeit: dit wordt bevorderd door onder andere aangepast maaibeheer (later maaien van de grassen) en door bloemrijke bijen- en vlinderlinten aan te brengen.
6
- De oppervlakte van het groen wordt vergroot waardoor er nog meer profijt is van de schaduwwerking van bomen en de bufferwerking en infiltratie van regenwater. Hiermee wordt ingespeeld op de effecten van de klimaatverandering. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoners bij het nieuwe plan worden betrokken, zodat het nut en de noodzaak van het nieuwe plan bekend is bij het brede publiek. Een inmiddels bekend voorbeeld is het project ‘De Mient Bloeit’. Samen met buurtbewoners is een brede strook langs het spoor van grasveld omgetoverd tot een bloeiende bloemenweide. Deze proeftuin wordt in de komende jaren uitgebreid in meer kernen als bewoners dat willen. Het publieke groen is immers gemeenschappelijk bezit. In 2019 heeft de gemeenteraad van Castricum uitgangspunten voor biodiversiteit in parken en bermen vastgesteld: - Meer biodiversiteit in de bebouwde kom. Centraal staat vergroening van de openbare ruimte en extensivering van beheer zoals later maaien en de aanleg van bloemrijke gebieden. Indien mogelijk worden streekeigen soorten toegepast. - Bestaande groenparels blijven behouden en worden door middel van linten, voor zover mogelijk, aan elkaar geregen. - Het gemeentelijk beheer wordt zodanig aangepast dat er meer ruimte voor natuur ontstaat; het regelmatig klepelen van de vegetatie en het laten liggen van de resten zal niet meer worden toegepast.
Voor het natuurtechnisch maaien worden de richtlijnen van de Vlinderstichting toegepast. Op sommige graspercelen wordt schapenbegrazing toegepast. - Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht besteed aan natuurinclusief bouwen, ecologisch beheer van vijvers en waterlopen, pluktuinen en voorzieningen voor oeverzwaluwen en ijsvogels, en vergroting van nestgelegenheden voor vogels en vleermuizen. - Er dient ook monitoring plaats te vinden zoals een tweejaarlijkse tevredenheidstoets en een ecologische toets. Voor de biodiversiteit wil de gemeente aansluiting zoeken met het strandwallenlandschap en omringende polders. Dit betekent het aanbrengen van streekeigen beplanting en het inzaaien met plantensoorten die in de omringende gebieden voorkomen. Dit kan per kern verschillen en hangt af van de grondsoort en het waterpeil. Bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken wil men ook rekening houden met bestaande groene verbindingen en deze behouden of nieuwe verbindingen aanleggen (‘Concept Voorontwerp Groenbeleidsplan 2021 - 2031’).
7
Heiloo Een groot gedeelte van de bermen wordt natuurtechnisch onderhouden. De gemeente wil zo de biodiversiteit verhogen. Bij natuurtechnisch onderhoud wordt gefaseerd gemaaid. Dat betekent dat men bij elke maaibeurt een gedeelte van het perceel niet maait. Van het maaisel wordt 100% verzameld en afgevoerd. Natuurtechnisch onderhoud wordt uitgevoerd conform de Kleurkeur richtlijnen. Deze zijn ontwikkeld door de Vlinderstichting en Stichting Groenkeur. Ze omschrijven kwaliteitseisen die een goede uitvoering van ecologisch bermbeheer waarborgen. Ook is door de gemeente een apart beheerplan opgesteld voor het beheer en onderhoud van de ecozones in de Boekelermeer. De ecozones in de Boekelermeer zijn een belangrijk leefgebied voor onder andere de rugstreeppad en de oeverzwaluw. Met het opstellen van het beheerplan meent de gemeente te voldoen aan de eisen van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (Groenbeheerplan 2021-2031). De gemeente is ook deelgenoot van de BUCH-ambitie voor het klimaat. Bergen De gemeente Bergen werkt aan een nieuw groenbeleidsplan. Het nieuwe plan is noodzakelijk omdat er veel maatschappelijk ontwikkelingen zijn die een plaats moeten hebben in het nieuwe groen- en bomenbeleidsplan. Aandacht voor duurzaamheid, biodiversiteit en maatregelen om de effecten van klimaatveranderingen tegen te gaan zijn daarvan voorbeelden.
De gemeente ziet veel kansen om het groen in Bergen op een betere manier te beheren en in te richten. Dit nieuwe plan beperkt zich tot de dorpskernen in de gemeente. Het buitengebied is niet meegenomen. De basis voor het plan is het versterken van het groene karakter van de gemeente en het verhogen van de biodiversiteit. Daarbij ligt de nadruk op kwaliteit van het groenbeheer, klimaatbestendigheid, gezondheid en burgerparticipatie (Groen- en bomenbeleidsplan 2021-2031). Het doel van het Groenbeleidsplan is: - Het verbeteren van het beheer van de kwaliteit van bomen door te werken op basis van het Handboek bomen; - De groenstructuur als leidraad nemen voor inrichting en beheer; - De biodiversiteit verhogen. - De effecten van klimaatverandering opvangen; - Aanpassingen plegen om te komen tot alternatieve onkruidbestrijding. De gemeente heeft het volgende beeld gepresenteerd van wat men over tien jaar wil hebben bereikt: - De groene buitenruimte heeft een hoge kwaliteit. Dit geldt voor het onderhoudsniveau als voor de biodiversiteit. - Er is een hoge biodiversiteit binnen de kernen. Dit betekent dat er verschillende biotooptypen binnen de kernen voorkomen zoals bosjes, struweel, kruidenvegetaties langs bos/struweelranden en water. - Bovenstaande betekent meer broed- en voedselgelegenheid voor bijen, vlinders en andere insecten. Meer schuil- en broedgelegenheid voor vogels.
Aansluiten bij Idylle Vlinderstichting en de motie ‘blij met de bij’. Ook kan betrokkenheid van de Stichting Steenbreek hier een rol bij spelen.
8
- Er is een vitaal bomenbestand dat binnen de mogelijkheden wordt versterkt en beschermd. - Ecologische verbindingen zijn versterkt zodat dieren zich kunnen verplaatsen binnen de kernen en van de kernen naar het buitengebied en vice versa. Particuliere percelen kunnen hierbij ook ondersteunend zijn. - Regelmatige monitoring en dit kenbaar maken aan de burger. De gemeente deelt de klimaatambitie met de andere BUCH-gemeenten. (De BUCH: ‘Ambitiedocument Programma Klimaat 2021-2025 versie 3 augustus 2020’.) Bronnen: Bureau Stadsnatuur 2021: Zwarte, N. de, Boer, R. de, Elzerman, S.D., en Bakker, G.: ‘Bouwstenen biodiversiteit voor in het omgevingsplan. Inspiratiedocument met concrete handreikingen voor verbetering van natuur in stedelijk gebied - met speciale aandacht voor icoonsoorten van de Provincie Zuid-Holland’, Bureau Stadsnatuur bSR-rapport 417, 2021. De BUCH: ‘Ambitiedocument Programma Klimaat 2021-2025 versie 3 augustus 2020’. Gemeente Heiloo: ‘Groenbeheerplan 2021-2031’. Gemeente Bergen: Smit, J.: ‘Groen en bomenbeleidsplan 2021-2031 Gemeente Bergen’, 2021. Gemeente Beverwijk: ‘Samen gaan we voor groen, Groenvisie 2020 - 2030’. Gemeente Beverwijk, gemeente Heemskerk en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: ‘Klimaatadaptatieplan 2021 - 2026. Aanpassen aan extreem weer én de omgeving mooier maken.’, februari 2021.
Gemeente Castricum beeldkwaliteitsplan buitengebied 2010. Gemeente Castricum: ‘Concept Voorontwerp Groenbeleidsplan 2021 - 2031’. Gemeente Velsen: ‘Groenstructuurplan Velsen. Velsen klimaatbestendig, deel A: Visie 2030’, 2019. Gemeente Zaanstad: ‘Groen- en waterplan Zaanstad. Waardevol groen en water in Zaanstad. Vastgesteld februari 2018.’ Gemeente Zaanstad: ‘Nieuw Zaans Klimaat. Klimaatakkoord 2.0 (maart 2021). Samenwerken aan een klimaatadaptief, circulair en klimaatneutraal Zaanstad’.
Stichting Oer-IJ, Hans van Weenen, juni 2021
9
Natuur in het Oer-IJ gebied
Bart Korf, met medewerking van: - Finette van der Heide - Jos Teeuwisse - Carola van den Tempel
Stichting Oer-IJ
Uitgave 2021 Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 1
Kennisdocument Natuur van het Oer-IJ gebied Inhoudsopgave Samenvatting ........................................................................................................................ 4 1.
2.
3.
Introductie ...................................................................................................................... 7 1.1.
De grote variatie van het Oer-IJ gebied ................................................................... 7
1.2.
Ambitie Stichting Oer-IJ ........................................................................................... 7
1.3.
Dit document ........................................................................................................... 7
Ontwikkeling van het landschap ..................................................................................... 9 2.1.
Het prille ontstaan van onze kust ............................................................................. 9
2.2.
Fluctuaties in de invloed van de zee, en dichtslibben van het zeegat......................10
2.3.
Permanente bewoning in het Oer-IJ gebied ............................................................10
2.4.
De ontginning van het veen ....................................................................................11
2.5.
De eerste bedijkingen .............................................................................................12
2.6.
Droogmakerijen ......................................................................................................13
2.7.
Verstedelijking ........................................................................................................14
2.8.
Klimaat ...................................................................................................................16
De natuur van het Oer-IJ gebied ...................................................................................17 3.1.
Zand, klei en veen ..................................................................................................17
3.2.
Het landschap van nu .............................................................................................17
3.3.
De oude natuurreservaten ......................................................................................19
3.4.
Kenmerkende landschapsstructuren .......................................................................20
3.5.
Bijzondere landschapselementen ...........................................................................20
-
Braken en braakjes ................................................................................................21
-
Eendenkooien ........................................................................................................22
-
Landgoederen en buitenplaatsen ...........................................................................23
-
Forten.....................................................................................................................25
3.6.
Weidevogels ...........................................................................................................25
3.7.
Natuurbescherming 1900-2000: behoud, beheer, herstel, ontwikkeling ................27
3.8.
Natuurontwikkeling in het Oer-IJ gebied 1990 – 2020 ...........................................29
-
Project Schoonwatervallei ......................................................................................29
-
Groote Ven en Oude Venne ...................................................................................30
-
Hooge Weide .........................................................................................................30
-
KRW-maatregelen langs Schulpvaart tussen Hoogebrug en Slikker Die / A9 .........31
-
Houtrakkerbeemden ...............................................................................................31
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 2
-
Waterbergingen......................................................................................................31
-
Aangepast beheer Assendelver Zeedijk .................................................................32
3.9.
Openluchtrecreatie .................................................................................................33
3.10. Natuur in het stedelijk gebied ..................................................................................34 3.11. Biodiversiteit in verspreidingskaartjes vastgelegd ...................................................35 4.
5.
De toekomst van de natuur ...........................................................................................36 4.1.
Algemeen ...............................................................................................................36
4.2.
Eilandtheorie...........................................................................................................36
4.3.
Hoofdstructuur - open ruimten ..............................................................................36
4.4.
Kenmerkende landschapsstructuren .......................................................................39
4.5.
Ecologische verbindingen algemeen.......................................................................40
4.6.
Verbindingen voor het watermilieu ..........................................................................41
Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................43
Gebruikte bronnen................................................................................................................46 Colofon .................................................................................................................................47 Bijlage 1 ...............................................................................................................................48
Titelpagina: Dotterbloemen bij de eendenkooi in Uitgeest
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 3
Samenvatting De Stichting Oer-IJ wil aandacht vragen voor de grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden van het gebied tussen Alkmaar, Haarlem, Zaanstad en Amsterdam. Dit Kennisdocument Natuur geeft inzicht in de grote diversiteit aan ecologische waarden van dit gebied. De ontwikkeling van het landschap begon toen de zeespiegelstijging na de laatste ijstijd weer wat langzamer verliep en er zodoende zandbanken en strandwallen konden ontstaan ter hoogte van de lijn Haarlem – Alkmaar, omstreeks 500 jaar v.Chr. Het Oer-IJ heeft zich hier ontwikkeld uit een oost-west gericht getijdensysteem dat bij Castricum uitmondde in de Noordzee. Rond het jaar 200 v. Chr. begon de monding van dit getijdensysteem dicht te slibben. Hierdoor stagneerde het water en draaide de stroomrichting om. Tevens kon er toen permanente bewoning plaatsvinden. Door de geologische ontstaansgeschiedenis valt het huidige landschap grofweg in drie hoofdzones te verdelen: het zandgebied in het westen, het veengebied in het oosten en het kleigebied van het voormalige stroomgebied van het Oer-IJ zelf daartussenin. Grof gezegd en enigszins versimpeld zou je kunnen zeggen, dat door de eeuwen heen gezien het duingebied niet erg geschikt was voor bewoning omdat het te schraal en te droog was voor landbouwgebruik.
Het veengebied was van oorsprong een ontoegankelijk en gevaarlijk moeras. Het Oer-IJ stroomgebied was het meest geschikt voor permanente bewoning. Vanaf de negende eeuw begon men het oostelijk gelegen veengebied te ontginnen, maar in de tweede helft van de Middeleeuwen nam de invloed van de zee weer toe en werd het noodzakelijk om het ontgonnen gebied te omdijken. Vervolgens werden in de 16e en 17e eeuw allerlei meren drooggelegd, en in de 19e eeuw het Haarlemmermeer en het IJ zelf. Zo is het landschap dat wij kennen in hoofdlijnen ontstaan. De steden en dorpen in dit gebied werden aanvankelijk vooral op de hogere delen – de strandwallen en de binnenduinrand - gevestigd. Hierdoor én door verschillen in het agrarisch gebruik werden de geologisch-landschappelijke hoofdzones geaccentueerd. Na de Tweede Wereldoorlog groeiden de steden en dorpen snel door de bouw van woonwijken en bedrijventerreinen. De natuurwaarden van het Oer-IJ gebied zijn in zekere zin gekoppeld aan de hoofdzones zand, veen en het tussenliggende kleigebied van het Oer-IJ zelf. De duin- en kustzone van het zand is bekend en erkend als natuurgebied, en dat geldt grotendeels ook voor de weiden en moerassen van het veengebied. Het tussenliggende kleigebied is intensiever in cultuur geraakt en ook hebben in een latere fase de uitbreidingen van het bebouwde gebied hier meer ruimte in beslag genomen.
Aanvankelijk zijn in de 20e eeuw vooral moerasterreinen als natuurgebied beschouwd en door beheerorganisaties aangekocht, in een latere fase werden ook graslanden als weidevogelgebied verworven. Maar ook in allerlei kleine landschapselementen zijn bijzondere waarden aanwezig, in braken en braakjes, eendenkooien, op landgoederen en buitenplaatsen, en op de forten van de Stelling van Amsterdam. Weidevogels waren aanvankelijk een volstrekt normaal verschijnsel in het agrarisch gebied, maar door de Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 4
intensivering van het agrarisch gebruik, vooral in de periode na de Tweede Wereldoorlog namen de aantallen af. Tegenwoordig zijn ze afhankelijk geworden van natuurreservaten of van zgn. agrarisch natuurbeheer.
De globale ligging van de hoofdloop van het Oer-IJ op een recente topografische kaart
Een ander verschijnsel in deze periode is de opkomst van de openluchtrecreatie. Om het aanééngroeien van de Amsterdamse agglomeratie en het verstedelijkte gebied van HaarlemIJmond te voorkómen is het Recreatiegebied Spaarnwoude gerealiseerd. Sommige deelgebieden zijn ingericht voor zgn. intensieve recreatie, maar in het zuiden en zuidwesten is in grote delen het oorspronkelijke weidelandschap bewaard gebleven. Vermeldenswaard is dat het Recreatiegebied Spaarnwoude deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Nederland. In de afgelopen decennia is het denken over natuurbescherming stapsgewijs veranderd, thans is dat meer gericht op natuurherstel en -ontwikkeling. Ook in het Oer-IJ gebied zijn allerlei natuurontwikkelingsprojecten gerealiseerd, onder meer in gebieden van de Stichting Hooge Weide, in het kader van Kaderrichtlijn Water maatregelen en waterbergingen, verder het project Schoonwatervallei, en de Houtrakkerbeemden in Recreatiegebied Spaarnwoude. Enkele jaren geleden is onderzocht of de driedeling zand – klei – veen tot uiting zou komen in de verspreiding van kenmerkende soorten. Voor het zand en het veen bleek dat wél het geval, maar het tussenliggende kleigebied heeft – op een enkele uitzondering na – geen eigen kenmerkende soorten. Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 5
Tenslotte is nog een hoofdstuk gewijd aan de toekomst van de natuur in het Oer-IJ gebied. Kenmerkend voor dit gebied is dat ontstaan en ontwikkeling van het landschap nog steeds in de huidige landschapsstructuur is af te lezen. Maar de open ruimten worden door allerlei ontwikkelingen bedreigd. En dat geldt ook voor de ecologische verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden, en voor de verbindingen van waterbiotopen. Aanbevolen wordt om voor deze aspecten nader onderzoek uit te voeren naar knelpunten en oplossingen. Een apart hoofdstuk met conclusies en aanbevelingen sluit dit rapport af, en in een bijlage zijn genoemde verspreidingskaartjes opgenomen.
De Dye bij Uitgeest, de oude hoofdgeul van het Oer-IJ
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 6
1. Introductie 1.1. De grote variatie van het Oer-IJ gebied Tot het begin van onze jaartelling slingerde het Oer-IJ van het Flevomeer (ten oosten van het huidige Amsterdam) naar het westen om nabij het huidige Velsen naar het noorden af te buigen en uiteindelijk ter hoogte van het huidige Castricum in de Noordzee uit te monden. In de twee millennia daarna is er veel in dit landschap veranderd en is de loop van het Oer-IJ onder nieuwe tijdlagen bedekt geraakt. Vanuit het westen schoven duinzanden over het voormalige mondingsgebied en vanuit het oosten vormden zich veenkussens over grote delen van het landschap. Vanaf de middeleeuwen is de mens de grote landschapsvormer geworden en kreeg het hele gebied geleidelijk andere economische functies. Toch is de invloed van het oude Oer-IJ nog overal in het gebied terug te vinden. Door de geologische ontstaansgeschiedenis valt het huidige landschap grofweg in drie hoofdzones te verdelen: het zandgebied in het westen, het veengebied in het oosten en het kleigebied van het voormalige stroomgebied van het Oer-IJ zelf daartussenin. Binnen deze drie hoofdlandschapstypen zijn meerdere subtypen te onderscheiden zoals de strandwallen en strandvlaktes, het Alkmaardermeer, de droogmakerijen van de IJpolders, etcetera. Al met al is de landschappelijke variatie in dit gebied erg groot.
Deze grote abiotische variatie levert ook een grote biotische variatie op. Het duingebied en het veenweidegebied zijn vermaard vanwege hun grote biodiversiteit. Het tussenliggende Oer-IJ stroomgebied is minder rijk, maar natuurontwikkelingsprojecten laten zien dat de natuurpotentie van dit gebied groot is.
1.2. Ambitie Stichting Oer-IJ Stichting Oer-IJ is ontstaan uit een bewonersinitiatief. Betrokken inwoners van het gebied tussen Haarlem, Alkmaar en Zaanstad vonden dat de grote rijkdom aan aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en ecologische waarden, onvoldoende gekend en erkend werden door bewoners en bestuurders. Daarbij zagen zij het landschap in dit gebied in hoog tempo veranderen. Zij wilden door middel van het oprichten van een organisatie het gebied nadrukkelijker op de kaart zetten. De belangrijkste middelen die de stichting gebruikt om haar doel te bereiken zijn het bijeen brengen en uitdragen van kennis en het vormen van een netwerk van overheden, organisaties en bedrijven om de kwaliteiten van het gebied daadwerkelijk te gaan beschermen.
1.3. Dit document Het bijeenbrengen en uitdragen van kennis doet de Stichting Oer-IJ op verschillende manieren zoals: het geven van lezingen, het organiseren van cursussen, het opleiden van gidsen, het maken van routes, het uitbrengen van inspirerende documenten, het benutten van de media, het produceren van een atlas en het vervaardigen en beheren van een website. De vernieuwde website die in 2020 online is gegaan kent drie doelgroepen: geïnteresseerden, professionals en de jeugd. De professionals zoals ambtenaren, ondernemers en ontwikkelaars hebben behoefte aan inspiratie en gebiedskennis waarop zij beleid en ontwikkelingen kunnen baseren. Bestaande kennis is vooral toegespitst op de drie deelgebieden: Zaanstreek, IJmond en Midden Kennemerland. Om recht te doen aan de samenhang tussen deze deelgebieden worden door Stichting Oer-IJ gebied dekkende kennisdocumenten gemaakt die belangrijke thema’s als uitgangspunt hebben. Behalve het Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 7
bieden van kennis voor professionals wil de stichting ook zelf op basis van argumenten kunnen meepraten bij ruimtelijke ontwikkelingen en waar nodig onderwerpen kunnen agenderen. Het uiteindelijke doel is om over kennisdocumenten te beschikken op het gebied van de aardkunde, de cultuurhistorie en de natuur. Het voorliggende document is de uitwerking van het thema natuur.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 8
2. Ontwikkeling van het landschap Het Oer-IJ heeft zich ontwikkeld uit een oost-west gericht getijdensysteem dat bij Castricum uitmondde in de Noordzee. Dit is uitvoerig beschreven in de Atlas van het Oer-IJ gebied (Bert Buizer Piet Veel & Hans van Weenen, redactie 2018), in het hoofdstuk “De landschapsen bewoningsgeschiedenis van het Oer-IJ” van Peter Vos. Hieronder volgt een samenvatting, interpretatie en aanvulling.
2.1. Het prille ontstaan van onze kust Tijdens de laatste ijstijd stond de zeespiegel circa 35 m lager dan tegenwoordig en bestond het gebied van de huidige Noordzee grotendeels uit land. In het begin van het Holoceen (circa 11.000 jaar voor heden), toen de aarde weer opwarmde, vond aanvankelijk een snelle zeespiegelstijging plaats. Omstreeks 2750 jaar v. Chr. was de snelheid van deze zeespiegelstijging zover afgenomen dat zich een reeks strandwallen en lage duintjes kon vormen, ongeveer ter hoogte van de lijn Haarlem – Alkmaar. Hierin lag ter hoogte van Velsen de uitmonding van het Oer-IJ. Daarna groeide de kust door aanslibbing en aanzanding in enkele fasen naar het westen en verplaatste het mondingsgebied zich in noordelijke richting. Hierdoor was dit mondinggebied omstreeks 1000 v. Chr. ter hoogte van Castricum komen te liggen. Door aanzanding was de kustlijn naar het westen verplaatst en was een getijdengebied met geulen en wadden ontstaan in het gebied waar tegenwoordig de Castricummerpolder ligt. Oostelijk hiervan lag een overgangsgebied naar het grote veengebied dat ter hoogte van
Figuur 2-1 Geologische situatie omstreeks 500 v. Chr
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 9
het huidige gebied Zaanstreek-Waterland lag. En iets noordelijk van het mondingsgebied lagen de strandwallen van (tegenwoordig) Uitgeest-Akersloot-Boekel en die van LimmenHeiloo-Alkmaar als lichte verhogingen in het landschap. De oudste bewoningssporen dateren uit het Neolithicum, maar de meeste prehistorische vondsten zijn van latere tijden. In de midden- en late Bronstijd was er enige bewoning, aanvankelijk alleen op de strand- en oeverwallen, later ook - in een voor wat betreft zeeinvloed wat rustiger periode - in het duingebied en de randen van het veen.
2.2. Fluctuaties in de invloed van de zee, en dichtslibben van het zeegat Na circa 650 v. Chr. nam de invloed van de zee tijdelijk weer toe, verdiepten de getijdengeulen zich en werd het veen aan de randen geërodeerd. Door overstroming bij extreem hoog water werd een dun kleidek over het veen afgezet. Na circa 400 v. Chr. kwam er een einde aan deze grotere mariene invloed en begon het estuarium geleidelijk te verlanden. Rond 200 v. Chr. raakte het zeegat geheel dichtgeslibd en verdween de getijdenwerking in het estuarium. Dit heeft kunnen gebeuren doordat het noordelijke en zuidelijke Flevomeer met elkaar verbonden raakten en deze daardoor via het zeegat van het Vlie naar de Noordzee konden afwateren. Het Oer-IJ verloor zodoende zijn afwaterende functie.
Figuur 2-2. Geologische situatie omstreeks het jaar 100
2.3. Permanente bewoning in het Oer-IJ gebied Door het afsluiten van het zeegat kon het Oer-IJ niet langer afwateren naar zee en vond de afwatering daarna in de omgekeerde richting plaats, naar de Flevomeren en de Waddenzee. Het gehele voormalig getijdengebied werd nu veiliger en geschikt voor permanente Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 10
bewoning. Ook de rand van het veengebied raakte bewoond; hier zijn langgerekte afwateringssloten uit die tijd gevonden. In deze periode, de late IJzertijd en de Romeinse tijd was het Oer-IJ gebied een voor die tijd dicht bewoond gebied.
Enkele eeuwen later, rond het jaar 250 raakte het Oer-IJ systeem wat dichtgeslibd. Hierdoor verminderde de waterafvoer en ontstonden opnieuw moerassen met veengroei. In de vierde en vijfde eeuw lijkt de bevolkingsdichtheid weer veel lager dan in de Romeinse tijd te zijn geweest.
Figuur 2-3 Geologische situatie omstreeks het jaar 800
2.4. De ontginning van het veen Bewoningssporen uit het begin van de Middeleeuwen vinden we weer vooral op de strandwallen en aan de binnenduinrand. Maar vanaf de negende eeuw gaat men het veen stukje bij beetje ontwateren en ontginnen, dit werd mogelijk gemaakt door een tijdelijk droger klimaat. Deze ontginning betreft niet alleen het jonge veen dat na de afsluiting van het zeegat is ontstaan, maar gaat nu door tot diep in de kernen van het grote oude veengebied van Zaanstreek - Waterland. Door deze ontginning en ontwatering kwam een proces op gang dat inklinking wordt genoemd. Dit proces is een combinatie van inzakking, uitdroging en vertering van Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 11
veengrond; doordat er nu lucht bij het veen komt wordt het natuurlijke verteringsproces weer opgestart. Aanvankelijk kon op het pas ontgonnen veen enige akkerbouw plaatsvinden, maar door de inklinking zakte het maaiveld al gauw weer naar het waterpeil toe en werd de grond te nat. Hierdoor bleef alleen veeteelt als agrarisch gebruik over.
De grootscheepse ontginning is onder meer mogelijk geworden door een betere organisatie (onder meer vanuit inmiddels gestichte kloosters). Maar in de tweede helft van de Middeleeuwen nam de invloed van de zee weer toe, waardoor het Vlie verbreedde en de beide Flevo-meren versmolten tot de Zuiderzee. En via deze Zuiderzee drong de zee ook via veenstromen als de Ee (bij Edam), Bamestra (“Beemster”) en Zaan diep in het centrale deel van Noord-Holland door. Door afkalving en verspoeling van het veen ontstonden hier nu grote meren: de Schermeer, Beemster, Starnmeer, etcetera.
Figuur 2-4 Situatie omstreeks het jaar 1500
2.5. De eerste bedijkingen Het werd door de vergrote invloed van de zee noodzakelijk om het ontgonnen land te beschermen tegen verdere afslag door aanleg van dijken. Daarvoor was een samenwerking van naburige gemeenschappen nodig. Aanvankelijk kon men na de indijking volstaan met het tijdens laag water lozen van overtollig binnenwater door stuwen en sluisjes open te zetten, maar door verdere inklinking en zakking van het maaiveld moest men het binnenwater gaan bemalen om het naar buiten de dijkring
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 12
te transporteren. In de zestiende eeuw was de techniek van windmolens zover gevorderd dat men deze daarvoor ging gebruiken.
Figuur 2-5 Hollands Noorderkwartier omstreeks 1300. Uit Binnenwaters Gewelt (Borger en Bruines, 1994)
2.6. Droogmakerijen Vanaf omstreeks 1540 ging men met deze windmolens ook kleine meren in Noord-Holland droogleggen en tot landbouwgrond omvormen. Dat bleek zo winstgevend te zijn dat, toen in het begin van de zeventiende eeuw veel kapitaal (met de handel op Oost-Indië verdiend) beschikbaar was voor investeringsprojecten, men het in 1612 aandurfde om de Beemster droog te gaan leggen. En toen dit een succes bleek werden achtereenvolgens ook de andere grote meren in Noord-Holland drooggelegd. Alleen met het IJ en de Haarlemmermeer durfde men dat nog niet aan en deze bleven vooralsnog water. Zodoende ging het gebied tussen Haarlem, Amsterdam, Hoorn en Alkmaar in de tweede helft van de zeventiende eeuw al aardig lijken op de huidige situatie, althans wat betreft de verdeling van land en water. Het bodemgebruik was overwegend veeteelt, akkerbouw vond vooral plaats in delen van de grote droogmakerijen.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 13
Figuur 2-6 Kaart van Hollands Noorderkwartier in 1645 (noorden rechts)
De negentiende eeuw was de eeuw van de industriële revolutie, en de inmiddels sterk verbeterde stoommachine deed ook zijn intrede in het waterbeheer. In onze omgeving werden daarmee de Haarlemmermeerpolder en het IJ (ontstaan uit het Oer-IJ) drooggelegd. In de nieuw ontstane IJpolders werden het Noordzeekanaal en de zijkanalen (van west naar oost met letters A, B. C enz. aangegeven) gegraven.
Figuur 2-7 Het Noordzeekanaal, de zijkanalen en de IJpolders in 1876
2.7. Verstedelijking Door de industriële revolutie groeiden de steden gestaag in omvang. Maar in de tweede helft van de twintigste eeuw vond daarin - in het verlengde van de wederopbouw na de Tweede
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 14
Wereldoorlog - een ongekende versnelling plaats. Bovendien vond die uitbreiding nu ook plaats in allerlei kleinere dorpen waar deze groei tot dat moment aan voorbij was gegaan. De balans tussen stad en platteland raakte aan het kantelen. De toestroom van vele duizenden mensen in het westen van het land kon niet goed worden opgevangen, een spreidingsbeleid moest problemen voorkomen. Ook wilde de overheid voorkómen dat er één groot verstedelijkt gebied zou ontstaan. Daarom werd het zgn. overloopbeleid ontwikkeld waarbij in onze regio kernen als Purmerend en Alkmaar-Heerhugowaard de bevolkingsgroei van het stedelijk gebied ten zuiden van het Noordzeekanaal moesten opvangen. De overheid wees gebieden aan waar agrarisch gebruik, en andere gebieden waar natuur en landschap voorop moesten blijven staan en men wees bufferzones aan tussen verstedelijkende gebieden. Deze werden ingericht voor recreatief gebruik, in onze omgeving bijvoorbeeld de Figuur 2-8 Topografische kaart 2020 met in roze, resp. rode tinten recreatiegebieden woonbebouwing en bedrijventerreinen Spaarnwoude, het Twiske en het Alkmaardermeergebied. Kortom, ruimtelijke ordening werd een belangrijke en substantiële taak van de overheid.
En deze verstedelijking gaat door tot op de dag van vandaag, enkele ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar zijn onder meer de nieuwbouwwijken Velserbroek (Santpoort), de Wijkerbroek en de Wadden (Heemskerk), en Saendelft (Zaanstad), en de bedrijventerreinen Westpoort (Amsterdam) en Wijkermeer (Beverwijk). Een tweede belangrijk aandachtspunt in de naoorlogse periode was de verbetering van de voedselvoorziening van Nederland. Er kwam een landbouwbeleid dat was gericht op opbrengstverhoging en schaalvergroting. Dit werd gerealiseerd door middel van onder meer ruilverkavelingen (later landinrichting genoemd), toenemende mechanisatie, toename van bemesting en gewasbescherming, voorlichting, scholing en organisatie. Ook na de periode van de wederopbouw heeft deze verdere ontwikkeling van de productieverhoging door intensivering en industrialisering, schaalvergroting, automatisering en tenslotte digitalisering Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 15
van de landbouw zich voortgezet. De negatieve gevolgen van deze agrarische intensivering voor landschap, milieu en biodiversiteit staan inmiddels ook al meer dan een halve eeuw volop in de belangstelling.
2.8. Klimaat In de afgelopen decennia is duidelijk geworden, dat ons klimaat aan het veranderen is door een toename van broeikasgassen in de atmosfeer, en wel vooral CO2. Wij merken dat aan hogere temperaturen, langere droge perioden en heftiger zogeheten clusterbuien in de nazomer. Omdat in het verstedelijkt gebied een groot aandeel verhard oppervlak aanwezig is, leiden die clusterbuien vooral daar soms tot grote wateroverlast. Om dat te voorkómen werden recentelijk door het waterschap waterbergingsgebieden aangelegd, wat vaak gecombineerd kon worden met natuurontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn onder meer te vinden bij Heemskerk, Castricum en Akersloot. In 2019 bleek dat het Nederlandse beleid met betrekking tot de uitstoot van stikstofverbindingen (o.m. ammoniak) in strijd was met de Europese natuurwetgeving. Dit zal consequenties voor veehouderij, verkeer en bouwactiviteiten hebben die op dit moment nog niet goed te overzien zijn, en indirect zal dit dus ook gevolgen hebben voor het landschap in onze regio.
Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 16
3. De natuur van het Oer-IJ gebied 3.1. Zand, klei en veen In het voorgaande hoofdstuk is uiteengezet dat het stroomgebied van het Oer-IJ – althans in het latere Kennemerland - aan de westkant door de duinen langs de kust was begrensd, en aan de oostzijde door grote veengebieden. Dit komt ook naar voren in de grondsoorten en daardoor kunnen we de driedeling zand – klei – veen in het vervolg van dit document gebruiken als sterk vereenvoudigde aanduiding van deze deelgebieden. Grof gezegd en enigszins versimpeld zou je kunnen zeggen, dat door de eeuwen heen gezien het duingebied niet erg geschikt was voor bewoning omdat het te schraal en te droog was voor landbouwgebruik. Het veengebied was oorspronkelijk een ontoegankelijk en gevaarlijk moeras. Na de middeleeuwse ontginning was het aanvankelijk geschikt voor akkerbouw, maar door de eerder beschreven inklinking bleef alleen veeteelt als agrarisch gebruik mogelijk. Het tussenliggende gebied, het stroomgebied van het Oer-IJ, bestaat uit klei- en zavelgronden met een variatie in hoogteligging, en dit gebied bleek daardoor zowel wat draagkracht als wat vruchtbaarheid betreft uitstekend geschikt voor agrarisch gebruik en bewoning. Daardoor is dit deelgebied als eerste permanent bewoond geraakt en is het in agrarisch opzicht intensief in cultuur gebracht.
3.2. Het landschap van nu Het huidige landschap van het noordelijke deel van het Oer-IJ gebied, MiddenKennemerland, wordt gekenmerkt door open graslanden met hier en daar (c.q. nu en dan) maisteelt, naar de duinrand toe veel bollenteelt en overal dorpen die uitgebreid zijn met omvangrijke nieuwbouwwijken. Ten zuiden van het Noordzeekanaal slingerde de oorspronkelijke loop van het Oer-IJ van oost naar west door het gebied waar nu de IJpolders zijn. Het meest oostelijke deel is in beslag genomen door de woonwijken en bedrijventerreinen van Amsterdam. Tussen Halfweg, Spaarndam en Velsen ligt het recreatiegebied Spaarnwoude, met aangeplant bos, speel- en ligweiden. Het zuidelijk gedeelte rond Spaarndam en Spaarnwoude - het oorspronkelijke veengebied van de Vereenigde Binnenpolder en het Hekslootgebied - is nog grotendeels open weidegebied. Als we de loop van het Oer-IJ verder noordwaarts volgen treffen we aan de noordzijde van het Noordzeekanaal eerst het akkerbouwgebied van de Wijkermeerpolder aan (feitelijk de meest noordwestelijk gelegen IJpolder), waarvan het westelijke deel inmiddels onderdeel is geworden van het bedrijventerrein van Beverwijk. Oostelijk van de A9 wordt hier het groengebied De Buitenlanden aangelegd.
Tussen de nieuwe uitbreiding van Heemskerk - de woonwijk Broekpolder - en het in de jaren ’70 ruilverkavelde gebied van de polder Assendelft ligt de polder Noorderbuitendijken, waar in de jaren ‘90 een golfbaan is aangelegd. Naar het noorden volgt dan het open weidegebied van de Uitgeester- en Heemskerker Broekpolder in de richting van het Alkmaardermeer. Ook hier heeft in de jaren ’80 een ruilverkaveling plaatsgevonden met intensivering en polderpeilverlaging, maar in het Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 17
noordelijk deel is een terrein rond de meertjes Weijenbus , Vroonmeer en het Zwaansmeertje op het oorspronkelijke peil gebleven. Bij het fort Krommeniedijk - onderdeel van de Stelling van Amsterdam - worden jaarlijks enkele percelen in het vroege voorjaar onder water gezet, die dan vele honderden watervogels en steltlopers aantrekken. Vanaf de Noorderbuitendijken naar het noordwesten gezien is tussen Heemskerk en de nieuwbouw van Uitgeest in de Kleis nog een smalle strook agrarisch gebied overgebleven (hier ligt een leidingstrook, daarom mag er niet gebouwd worden). Vanaf de Tolweg is de oorspronkelijke ligging van het Oer-IJ bewaard gebleven in een watergang die de Dije heet en verder loopt langs de westelijke rand van de nieuwbouwwijken de Kleis en de Koog van Uitgeest. Figuur 3-1 Topografische kaart 2020 met de globale ligging van de hoofdloop van het Oer-IJ
Verder naar het noorden volgt dan het open gebied van de Heemskerker Noordbroek en de Castricummerpolder tussen Heemskerk, Castricum en Uitgeest. Dit open weidegebied begint aan de binnenduinrand en vormt vanaf daar een ecologische verbindingszone tussen Castricum en Uitgeest door naar de polders rond het Alkmaardermeer. In deze zone liggen het landgoed Marquette, de eendenkooi van Uitgeest, enkele recent ontwikkelde waterbergingen en het weidevogelgebied Oude Venne en Groote Ven van de stichting Hooge Weide, waarover later meer. Ook aan de noordkant van Castricum is nog een open verbinding van het duingebied naar het Alkmaardermeer, met een flessenhals tussen Castricum en Limmen. De loop van het Oer-IJ is hier nog aanwezig in de Schulpvaart, direct ten noorden van de bebouwing van Castricum. Ook langs de Schulpvaart zijn recent enkele waterbergingen aangelegd. Verder naar het noorden ligt hier een open agrarisch gebied tussen de bebouwing (en het Heilooër Bos) op de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar en de binnenduinrand. Vanouds was dit vooral een weidegebied, tegenwoordig ook met maisteelt. In de binnenduinrand is het areaal bollenteelt sterk uitgebreid. In het zuiden ligt het natuurgebied Zeerijdtsdijkje, en tegen de Zeeweg aan het natuurgebied de Hooge Weide.
Tussen Limmen en Akersloot tenslotte ligt het grote open weidegebied van de strandvlakte tussen de strandwal Limmen-Heiloo-Alkmaar en die van Uitgeest-Akersloot-Boekel. Deze wordt doorkruist door de snelweg A9, en ook hier heeft enkele decennia geleden een Natuur in het Oer-IJ gebied 2021
Pagina 18
ruilverkaveling plaatsgevonden met peilverlaging en intensivering. Gedeeltes rond, en ten oosten van het Limmer Die, en ten noorden van (het oost-west gedeelte van) de Schulpvaart (Oosterveld Limmen) hebben als natuurgebied het oorspronkelijke peil gehouden.
3.3. De oude natuurreservaten Zoals hiervoor is aangegeven is in het Oer-IJ gebied vooral het stroomgebied van het Oer-IJ zelf intensief in cultuur gebracht. Voor natuur bleef hier maar weinig ruimte over. Alleen de meer afgelegen oeverlanden langs de grotere wateren bleven voor ontginning en intensief cultuurgebruik gespaard. Toch hadden deze voorheen nog wel een functie binnen het agrarisch bedrijf: er werd riet en ruigte voor strooisel gemaaid en er werd ’s zomers jongvee geweid. Toen in de eerste helft van de vorige eeuw de natuurbescherming in ontwikkeling kwam zijn deze terreinen aangekocht om als natuurgebied te behouden en beheren. Dit betreft de al eerder vermelde oeverlanden van de meertjes Weijenbus en Vroonmeer bij Uitgeest, de oeverlanden van het Limmer Die, en het Limmerveentje (tegenwoordig onderdeel van natuurgebied Oosterveld). In deze oeverlanden vinden we ruige rietvelden, drassige Dotterbloem-graslanden en Veenmosrietland met tal van bijzondere plantensoorten. En ook de rietlanden langs het Alkmaardermeer, met onder meer Dijkerhemme en Saskerlei moeten hierbij genoemd worden, al zijn deze qua plantengroei minder bijzonder ontwikkeld. In deze oeverlanden leven ook allerlei vogels, zoogdieren, insecten, enzovoort.