0577 OM Transitievisie warmte Velsen def
Tekst van het document
Verder zal deze visie en de warmtekaart regelmatig, indien daar aanleiding toe is maar minimaal om de vijf jaar, worden herijkt. De kaart geeft voor nu een eerste inzicht in waar de keuze voor een aardgasvrij alternatief het meest zeker is. Er wordt dan ook gestart op die plekken waar die zekerheid het grootst is. Voor de buurten waarin als eerste wordt gestart, zal een wijkuitvoeringsplan worden opgesteld. Bij het opstellen van een wij kuitvoeringsplan gaan partijen ook met elkaar in gesprek over de verdeling van de kosten. Het is zeer goed mogelijk en logisch dat in de loop der tijd, op basis van nieuwe inzichten en innovaties, het eindresultaat van de warmtetransitie er net anders uit zal zien. Hierin wordt verder met elkaar afgesproken hoe de stap naar aardgasvrij wordt gefinancierd, wat de rol is van de verschillende betrokken partijen en hoe de communicatie en participatie van bewoners zal worden ingevuld. De buurten waarbij de uiteindelijke warmteoplossing minder duidelijk is volgen pas later in de tijd. Ook de oplossingen voor deze buurten zullen steeds duidelijker worden, aan de hand van de infrastructuur die zich met de jaren steeds verder ontwikkeld in de buurten waar de warmtetransitie al is gestart.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
19
4.2 Visie op aardgasvrij Velsen in 2050 De warmtekaart van figuur 7 geeft wel een duidelijke richting weer en laat met de donkere kleuren zien waar de keuze voor een aardgasvrij alternatief het meest zeker is. Er wordt gestart op de plekken waar die zekerheid het grootst is. Hier wordt in de volgende paragraaf verder op ingegaan maar in deze paragraaf staan we stil bij de wat de analyses en sessie met de projectgroep hebben opgeleverd, de visie op de warmtetransitie van de gebouwde omge ving in Velsen. Deze visie is drieledig: 1. Isoleren om de warmtevraag en verwarmingstemperatuur in gebouwen te verlagen en comfort te verbeteren. Alle bewoners en ondernemers van Velsen kunnen al aan de slag, want minder energieverbruik binnen de gemeente is essentieel om de warmte transitie een stap verder te brengen. Gezien de grote diversiteit van de bebouwing en bijbehorende eigenaren (grotendeels particulier bezit) in de gemeente is energiebesparing een thema waar veel winst te boeken is. Het gaat hier niet alleen om isoleren, maar ook om voldoende ventileren en het verminderen van aardgasverbruik door bijvoorbeeld elektrisch koken.
Dit draagt bij aan het (stapsgewijs) aardgasvrij maken van het vastgoed, zodat het vastgoed (deels) al ‘aardgasvrij ready’ is wanneer de wijken aan de beurt zijn voor de transitie, en dat daarmee alle wijken en hun bewoners uiteindelijk makkelijker de transitie kunnen ondergaan. 2. Een warmtenet ontwikkelen om de potentie van collectieve warmte zo goed mogelijk te benutten. Een middentemperatuur warmtenet levert warmte voor ruimteverwarming en warmte voor warm tapwater. De kosten voor de infrastructuur van een warmtenet bestaan uit de aanleg van de hoofdleiding naar de wijk, de wijkinfrastructuur en onderstations en het aansluiten van de woning inclu sief het plaatsen van een afleverset. Hiermee kan op kleine schaal worden gestart. Die lokale warmtenetten kunnen vervolgens later zoals kralen aan elkaar worden geregen tot een groot netwerk. De kosten kunnen sterk per buurt verschillen en zijn voor een groot deel afhankelijk van het type bebouwing en de dichtheid van de bebouwing. Deze worden deels terug verdiend door een positieve exploitatie van de verkoop van warmte aan de consument, gedurende een lange looptijd. Wat overblijft is de Bijdrage Aansluitkosten (BAK) die de vastgoedeigenaar betaalt op het moment van
20
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
aansluiten. In het Warmtetransitiemodel wordt gerekend met deze aansl uitkosten, zie bijlage B. Daarbij wordt rekening gehouden met schaal en dichtheid: hoe groter de lokale toepassingsschaal en hoe dichtbebouwder de omgeving, hoe lager de kosten per woning. 3. Gebruik maken van de (rest)warmtebronnen waar dat kan. Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (elektriciteitsnet) en/of water (warmtenet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen. Daarnaast is de meest geschikte bron en bijhorende energieinfrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte. De mogelijkheden voor duurzame gassen zijn beperkt. Zeker voor de grote hoeveelheid aardgas die we nu in Nederland en de rest van de wereld gebruiken. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof maak je van aardgas of van elektriciteit. Het is niet te verwachten dat waterstof op korte termijn een grote rol gaat spelen in de gebouwde omgeving maar op den duur kan die rol toenemen. Voor het verwarmen van de gebouwde omgeving gaat elektriciteit een steeds grotere rol spelen. Met name voor het opwekken van warmte met warmte pompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Deze elektriciteit moeten we dan wel kunnen verduurzamen 6 .
Tot slot zijn in Velsen duurzame warmtebronnen beschikbaar voornamelijk in de vorm van restwarmte thermische energie uit oppervlakte-, drink en afvalwater (aquathermie). Voorbeelden van energie uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) zoals bij het Vellesan College en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Warmtepompen maken onderdeel uit van dit systeem waarvoor dus wel het elektriciteitsnet nodig is.
4.3 Criteria wijkfasering We kunnen niet heel Velsen in één keer aardgasvrij maken. Dat is ook niet nodig, want we hebben tot 2050 de tijd. We starten op de plekken waar aan de slag gaan op dit moment al kansrijk is. Waar we starten met de warmtetransitie, is een samenspel van de warmtekaart en de ontwikkelingen die gaande zijn in de gemeente en bij de betrokken stakeholders (denk bijvoorbeeld aan herstruc tureringsplannen of geplande investeringen). Daarom hebben we samen met 6
https://energieregionhz.nl/
de stakeholders uit de projectgroep wijken en buurten geselecteerd die wij als kansrijk zien om in de periode tot 2030 aan de slag te gaan. In deze wijken willen we de komende jaren, gefaseerd, starten met de warmtetransitie. Samen met de betrokken stakeholders hebben we gesteld dat een wijk kansrijk is om op korte termijn aardgasvrij te worden, wanneer er tenminste sprake is van één van de onderstaande criteria: 1
We werken samen met de eindgebruiker en streven naar een acceptabele aardgasvrije oplossing die technisch en financieel haalbaar is. De warmte transitie brengt kosten met zich mee, maar niets doen ook. Uitgangspunt is dat de energierekening voor alle mensen in Velsen betaalbaar blijft. Hier werken we aan, binnen de kaders die we hebben. We zoeken naar de maatschappelijk goedkoopste oplossing op basis van een optimale afstemming van de investeringen van en door woningeigenaren- en corpo raties, gemeente en nuts-infrabedrijven. In de wijkplannen betrekken we alle betrokken energiegebruikers, want de warmtetransitie beïnvloed hen. De huiseigenaar heeft altijd een keuze in de manier waarop hij zijn woning aardgasvrij maakt, maar het geniet wel de voorkeur alle bewoners in het gebied gebruik te laten maken van de gekozen warmte-optie(s).
planningen van verschillende partijen op elkaar af. We houden rekening met leidingvervanging, verleggingskosten en drukte in de ondergrond. Het afstemmen geldt voor planningen, maar ook voor de communicatie naar bewoners en de omgeving. 4 Wij maken duidelijk welke duurzame bronnen in aanmerking komen om in te zetten voor de verwarming van de gebouwen. Wij gaan actief op onder zoek uit door het betrekken van de eigenaren of de belanghebbenden van de potentiele bronnen om de kans op inzet zo groot en kosteneffectief mogelijk te maken. De nabijheid van een duurzame en inzetbare bron bij een wijk, kan een reden zijn om die wijk te selecteren.
2 We streven naar een energieneutrale warmtevoorziening in de wijken waar bij veel draagvlak aanwezig is. Die transitie naar een energieneutrale ge meente met een aardgasvrije gebouwde omgeving kost tijd en vraagt veel van iedereen in Velsen. Eigenaar-bewoners en huurders in samenwerking met de woningcorporaties moeten in die transitie hun eigen afweging kun nen maken. Op die manier werken we aan draagvlak en vergroten we de kans van slagen. 3 We gaan ambitieus aan de slag en willen meters maken, waarbij we werk zaamheden afstemmen en koppelkansen benutten. We gaan concreet werken aan de warmtetransitie. Met deze visie als basis starten we met het aardgasvrij maken van de wijken in Velsen. Dat gaat niet ongezien of onge hoord gebeuren. Straten gaan open om de infrastructuur aan te passen en dat brengt naast overlast, ook kansen met zich mee. Denk aan de koppeling met klimaatadaptatie, het verbeteren van openbaar groen en parkeren. We gebruiken de verbouwingsmomenten als kansen om de buurten te ver beteren. Verder beperken we de overlast zo veel mogelijk en we stemmen
Figuur 8: De fasering van de warmtetransitie in Velsen tot 2030
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
21
5 De woningcorporaties zijn een actieve partij die vergaande maatregelen neemt om hun panden gefaseerd toekomstbestendig en energieneutraal te maken. Wijken waar relatief veel corporatiebezit en maatschappelijk vastgoed aanwezig is, zijn vaak geschikt om mee te starten. Dit omdat er met een zekere schaal gestart kan worden en de te maken investeringen beter financierbaar zijn. Afhankelijk van het onderhoudsplan van de woning kan die energietransitiegereed en/of aardgasvrij worden gemaakt. In de analyse zien we wijken met veel corporatiebezit (met al minimaal energielabel B) en maatschappelijk vastgoed als kansrijk om te starten met de transitie.
4.4 Gebieden met kansen en fasering De projectgroep heeft op basis van de uitkomsten van de data- analyse en de selectiecriteria uit de vorige paragraaf een keuze gemaakt voor de wijken die we als kansrijk zien om de komende periode mee aan de slag te gaan. Deze keuzes hebben we ook voorgelegd aan en getoetst bij de bewoners die aan wezig waren op de bewonersavonden, zie bijlage C. De wijkprioritering en de bijbehorende warmteoplossingen geven de voor keursrichting aan, de richting waar we ons gezamenlijk voor in willen zetten om zo de warmtetransitie voor iedereen betaalbaar en uitvoerbaar te kunnen houden. Dit betekent dat we hier samen met de betrokken stakeholders gaan beginnen met de wijkuitvoeringsplannen. Dit doen we bijvoorbeeld door het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie om de kansen voor het aardgasvrij maken van woningen en ander vastgoed in die wijk verder te verkennen. Door de combinatie van de analyse met het Warmtetransitiemodel en de wijkcriteria zijn we uitgekomen op de volgende wijken om in te starten met de warmtetransitie: 1. IJmuiden: collectief warmtenet
we keuzes gemaakt om ergens niet aan de slag te gaan ook al gaf de warmte kaart een duidelijke uitkomst uit het model op basis van de laagst maatschap pelijk. We gaven zo in paragraaf 4.1 al aan dat Velserbroek in dat proces is af gevallen als kansgebied voor all-electric omdat uit aanvullende informatie van Liander en Velison Wonen blijkt dat het onverstandig is om daar voor 2030 te beginnen. De keuze voor kansgebieden betekent overigens niet dat bewoners in Velserbroek en andere buurten van Velsen, zoals Horst, Velsen Oost of de buitengebieden buiten de boot vallen in de warmtetransitie. De gemeente zal in haar gemeentebrede aanpak alle bewoners faciliteren, niet alleen degenen die in startwijken wonen. Hieronder lichten we toe waarom IJmuiden en Velsen-Noord worden gezien als startgebieden. Voor beide gebieden geldt overigens niet dat er meteen een grootschalig warmtenet aangelegd wordt. Warmtenetten kunnen klein en lokaal beginnen op logische momenten zoals bij een verbouwing of andere werkzaamheden. Als er meerdere kleine warmtenetten zijn kunnen die worden gekoppeld en als kralen aaneen worden geregen. KANSEN VOOR EEN COLLECTIEF WARMTENET IN IJMUIDEN In IJmuiden staan ruim 15.000 woningen waarvan de meeste woningen zijn ge bouwd voor 1975.
Het aansluiten van de woningen in dit gebied is 10% tot 30% goedkoper in vergelijking met voor iedere woning een individuele all-electric aansluiting. In de Schiplaanbuurt is dat zelfs meer dan 30%. Hieronder de afwegingen conform het afwegingskader en gebaseerd op de projectgroepbijeenkomsten, inwoners- en raadsavonden.
2. Velsen-Noord: collectief warmtenet In het schema van figuur 8 zijn de gebieden weergegeven waar het kansrijk is om te starten met de warmtetransitie. Deze gebieden sluiten aan bij de wijk selectiecriteria en komen als kansrijk naar voren in de gedane analyse. Het ligt voor de hand daar met een gerichte aanpak aan de slag te gaan. Ook hebben
22
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
1
Criterium
Toelichting
een acceptabele aardgasvrije oplossing die technisch en financieel haalbaar is
Van de ruim 15.000 woningen zijn er ongeveer 10.000 geconcentreerd in een gebied waar een collectief warmtenet leidt tot de laagst maatschappelijke kosten. Die woningen verbruiken bij elkaar ruim 11 miljoen m3 aardgas per jaar.
2. veel draagvlak aanwezig
3. koppelkansen benutten
4. duurzame bronnen
5. relatief veel corporatiebezit en maatschappelijk vastgoed
Op de bewonersavonden is met inwoners gesproken over de kansen in IJmuiden voor collectieve warmte. Hoewel particuliere woningeigenaren nog aangehaakt moeten worden zijn andere belangrijke vastgoedbezitters betrokken. Woningbedrijf Velsen en Velison Wonen verlenen medewerking aan de verkenning zodat zij eventueel als startmotor kunnen fungeren voor een collectieve oplossing. Er zijn echter nog geen directe gesprekken gevoerd met de huurders van de corporaties. Verder uitbouw van draagvlak vraagt dus speciale aandacht bij de uitwerking van de wijkaanpak.
KANEN VOOR EEN COLLECTIEF WARMTENET IN VELSEN-NOORD In Velsen-Noord staan een kleine 2.400 woningen waarvan de verreweg mees te woningen zijn gebouwd voor 1975. Iets meer dan de helft van de woningen is in bezit van de woningcorporaties en ongeveer 922 woningen betreft appar tementen in complexen. Het aansluiten van de woningen in dit gebied is 10% tot 30% goedkoper in vergelijking met het voorzien van die woningen met een individuele all-electric aansluiting.
1
De gasleidingen van Liander zijn in sommige delen al vervangen na 2007 maar in andere delen zijn de gasleidingen aangelegd voor 1975 en al (grotendeels) afgeschreven. In IJmuiden zijn verder aan de Eemstraat en De Weerdstraat in 2022 en aan de Eenhoornstraat in 2024 werkzaamheden gepland om onderhoud te plegen aan de wegen en (delen van) het riool te vervangen. Combineren van deze werkzaamheden met de aanleg van warmteleidingen levert synergievoordelen en minder overlast voor de bewoners op. Via Greenbiz en Omgevingsdienst IJmond lopen er meerdere gesprekken met bedrijven die restwarmte beschikbaar hebben om het warmtenet te kunnen voeden. Dat heeft al een aantal concrete kansen opgeleverd in de Zuidzijdebuurt. Er zijn verder meerdere bronnen beschikbaar waar een haalbaarheidsstudie duidelijkheid zal verschaffen. Als een warmtenet als infrastructuur haalbaar is dan kunnen meerdere bronnen gebruikt worden. Deze bronnen staan ook op de omgevingswarmtekaart7 van Syntaal zoals ook beschreven in paragraaf 3.5. Dit betreft onder meer de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Hoogheemraadschap Rijnland. Deze bevindt zich in Velsen-Oost. En een ander voorbeeld is thermische energie uit het Noordzeekanaal als duurzame bron voor toekomstige warmtepomp(en).
Woningbedrijf Velsen en Velison Wonen hebben ongeveer 6.300 van de 10.000 woningen in bezit waarvan ongeveer 5.500 meergezinswoningen (appartementcomplexen).
7
Criterium
Toelichting
een acceptabele aardgasvrije oplossing die technisch en financieel haalbaar is
Van de bijna 2.400 woningen zijn er ongeveer 1.450 geconcentreerd in een gebied waar een collectief warmtenet leidt tot de laagst maatschappelijke kosten. Die woningen verbruiken bij elkaar ruim 1,9 miljoen m3 aardgas per jaar.
2. veel draagvlak aanwezig
Hoewel particuliere woningeigenaren nog aangehaakt moeten worden zijn andere belangrijke vastgoedbezitters betrokken. Woningbedrijf Velsen en Velison Wonen verlenen medewerking aan de verkenning zodat zij eventueel als startmotor kunnen fungeren voor een collectieve oplossing. Er zijn echter nog geen directe gesprekken gevoerd met de huurders van de corporaties. Verder uitbouw van draagvlak vraagt dus speciale aandacht bij de uitwerking van de wijkaanpak.
3. koppelkansen benutten
De gasleidingen van Liander zijn uit verschillende perioden. In sommige delen zijn ze al vervangen na 2007, in andere delen zijn de gasleidingen aangelegd voor 1975 en elders uit de periode daartussen.
4. duurzame bronnen
De meest voor de hand liggende bron is rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van Hoogheemraadschap Noorderkwartier in Beverwijk. Verder is het Noordzeekanaal ook een mogelijke bron.
5. relatief veel corporatiebezit en maatschappelijk vastgoed
Woningbedrijf Velsen en Velison Wonen hebben ongeveer 70% van de 1.450 woningen in bezit waarvan ongeveer 780 meergezinswoningen (appartementcomplexen).
https://tauw.geoapps.nl/omgevingswarmte/velsen
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
23
4.5 Financieringsopties De kosten voor de warmtetransitie in de komende 30 jaar zullen aanzienlijk zijn. Het tot een eerlijke verdeling komen van kosten tussen alle betrokken partijen en de bewoners is een randvoorwaarde voor succes. Hoe die kosten worden verdeeld en hoe de transitie naar aardgasvrij betaalbaar wordt, zijn vraagstukken waar men zich de komende jaren op landelijk niveau over buigt. Op dit moment kan duurzame warmte nog niet concurreren met fossiele warmtebronnen. Een flin ke renovatie (die nodig is om woning aardgasvrij- gereed te krijgen) en apparatuur voor het opwek ken van duurzame warmte zijn nog niet rendabel zonder aanvullende financiële steun. Het uitgangs punt van de sector gebouwde omgeving, een tafel binnen het Klimaatakkoord die zich specifiek met dit onderwerp bezighoudt, is dat de warmte transitie woonlastenneutraal moet zijn. Dat bete kent dat de maandlasten van een lening die voor de verbouwing worden aangegaan niet hoger mo gen zijn dan het voordeel dat op de energiereke ning wordt geboekt. Op dit moment is de realiteit dat de overstap naar aardgasvrij voor woningeige naren niet woonlastenneutraal is. Voor particulieren is het enkel met subsidie haalbaar. Verderop staan hiervan een aantal voorbeelden genoemd. Voor huurders kan het enkel met flinke investeringen vanuit de woningcorporatie.
HUIDIGE FINANCIERBAARHEID MAATREGELEN Om dit moment is er voor de meeste gebouwen in Nederland nog geen sluitende businesscase voor aardgasvrij-gereed renovaties. Dat neemt niet weg dat de eerste stappen naar aardgasvrij-gereed wel kunnen worden gezet 8 . De maatregelen die het best kunnen worden genomen zijn afhankelijk van
24
het gebouw. Bij oudere gebouwen (van vóór 1990) is de potentie voor energiebesparing over het algemeen groot en kunnen er verschillende isolatiemaatregelen worden getroffen die zich met behulp van Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) in relatief korte tijd. Bij relatief nieuwe gebouwen (van na 2005) die al goed zijn geïso leerd, kan worden gekeken naar aanschaf van ap paratuur om duurzame warmte mee op te wekken zoals een warmtepomp of zonnecollectoren. De investeringssubsidie duurzame energie onder steunt deze aanschaf. Dit wordt verderop nader toegelicht. TOELICHTEN VAN OPTIES KLIMAATAKKOORD Tot het moment dat aanbod van aardgasvrij- gereed producten/diensten voldoende is ontwik keld en concurrerend is met fossiele energie zijn er verschillende vormen van financiering nodig om de businesscase naar aardgasvrij-gereed sluitend te krijgen. In de komende jaren wordt daarom op rijksniveau in samenspraak met verschillende stakeholders onderzoek gedaan naar mogelijkhe den voor de ontwikkeling van een aantal financiële instrumenten (de betrokken partijen zijn o.a. fiscaal specialisten, woningbouwcorporaties, bouw sector, financiële wereld, belangenverenigingen zoals VEH). Deze financiële instrumenten moeten leiden tot een kostenverdeling die de stap naar aardgasvrij-gereed voor 25% van de gebouwen al in de komende 10 jaar al betaalbaar maakt.
Ook zal de rijksoverheid beleid ontwikkelen om en de reste rende onrendabele top te verkleinen. MAATREGELEN T.A.V. FINANCIERING EN VERLAGING ONRENDABELE TOP De energiebelasting op aardgas gaat de komende jaren omhoog en de energiebelasting op elektri
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
citeit gaat omlaag. Hierdoor worden alternatieve warmteopties zoals elektrische warmtepompen aantrekkelijker. De warmtetarieven worden in de nieuwe Warmte wet ontkoppeld van de gasprijs. Door ontkoppe ling kan de prijs van warmte niet nadelig worden beïnvloed door de verhoging van de energiebelas ting op aardgas. De Rijksoverheid ontwikkelt een warmtefonds waar alle woningeigenaren terecht kunnen voor aantrekkelijke financiering voor de verduurzaming van hun woning. Dit warmtefonds wordt toegankelijk voor iedereen, ook voor dege nen die nu geen toegang hebben tot financiering. De hypotheek is voor vrijwel alle woningeigenaren een vertrouwde en aantrekkelijke financierings vorm. Verduurzamingsmaatregelen financieren door de hypotheek te verhogen, is daarom een logische route. De Rijksoverheid is voornemens om de verplichte kennis- en ervaringstoets voor het verhogen van hypotheken te schrappen waardoor een belangrijke drempel voor het verhogen van de hypotheek voor verduurzaming wordt verlaagd. Gebouwgebonden financiering is financiering van verduurzaming die is gekoppeld aan de woning. Dit betekent dat de financiering bij verkoop van de woning mee overgaat en de resterende schuld en betalingsverplichtingen komen te rusten op de volgende eigenaar. Een eigenaar betaalt dus alleen rente en aflossing zolang hij of zij in de woning woont.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er in het Burgerlijk Wetboek een bepaling wordt opgenomen die gebouwgebonden financiering mogelijk maakt. 8
https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/ isoleren-en-besparen/
Als onderdeel van de wijkuitvoeringsplannen zal gemeente Velsen kosten en onrendabele top van woningaanpassingen in kaart brengen van de zul len de mogelijkheden voor financiering in de gese lecteerde wijken worden onderzocht. De gemeente houdt rekening met financieringsvormen die op dit moment beschikbaar zijn en blijft de ontwikkelin gen op het gebied van financiering volgen. Hieronder geven we een overzicht van financieringsopties die nu al beschikbaar zijn. Dit is slechts een momentopname. Op de website www.duurzaamvelsen.nl zullen we de actuele informatie hierover plaatsen. SUBSIDIES • BZK proeftuinen aardgasvrij: In 2018 is 120 miljoen euro verdeeld over 27 wijken en in 2020 nog eens 100 miljoen voor 19 wijken in het kader van het Programma Aardgasvrije Wijken. Dit kan worden gebruikt om (deels) de onrendabele top in een wijk af te dekken en zo over te gaan tot realisatie. • Subsidies van o.a. Provincie Noord-Holland en Europa kunnen ondersteuning bieden in de vorm van procesgeld of projectgeld. Voorbeel den zijn Subsidie warmtetransitie gebouwde omgeving op wijkniveau 9 en ELENA. Op regio naal niveau worden kansen verkend en inschrij vingen gecoördineerd. • Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Per 1 januari 2021 is deze regeling uitgebreid.
Wo ningeigenaren kunnen subsidie aanvragen voor de aanschaf van een warmtepomp, zonneboiler maar ook een tegemoetkoming aanvragen voor isolatiemaatregelen en een aansluiting op een warmtenet. MKB-bedrijven en andere zakelijke partijen met een kleinverbruikersaansluiting kun
nen een subsidieaanvraag indienen voor de aan schaf van zonnepanelen en (kleine) windmolens. Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) kunnen voor een (centrale) aansluiting op een warmtenet eveneens een beroep doen op de ISDE. • Voor VvE’s is er subsidie beschikbaar voor een energieadvies en eventueel procesbegeleiding en een energieadvies in combinatie met Meer Jaren Onderhoudsplan en eventueel proces begeleiding. • Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): stimuleert het treffen van energiebesparende maatregelen in bestaande koopwoningen. • SDE++-regeling voor collectieve installaties10 . LENINGEN • Het Nationaal Warmtefonds (voorheen Natio naal Energiebespaar Fonds (NEF)) biedt ener giebespaarleningen tegen lage rente voor VvE’s en particuliere eigenaren. Het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn) is fondsmanager. • Hypothecaire leningen: deze zijn rendabel vanaf €15.000,- vanwege de bijbehorende administra tie- en advieskosten. • Een lokale lening via de gemeente onder beheer van Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Neder landse gemeenten (SVn) • Consumptieve leningen
• Gebouwgebonden financiering. Een manier om een lening te verstrekken voor maatrege len waarmee warmte kan worden bespaard en zodoende via de besparing de lening over een periode terug te betalen. Analyse laat zien dat dit voor enkele isolatiemaatregelen interessant kan zijn. Het volledig transitiegereed maken van een woning (uitgaande van 70°C) rekent niet rond. Andere oplossingen naast gebouw gebonden financiering zijn dus nodig. Gebouw gebonden financiering is nu nog niet mogelijk, maar de mogelijkheden worden op nationaal niveau onderzocht. • Salderingsregeling voor zonnepanelen: de salderingsregeling blijft tot 1 januari 2023 zoals deze nu is. Daarna bouwt de overheid de regeling geleidelijk af. In 2031 stopt de regeling helemaal. Deze hulpmiddelen zijn belangrijk, maar ze zijn nog niet toereikend om bewoners financieel volledig te ondersteunen. De vraag is echter of dat ook zal gaan gebeuren. Duurzame, toekomstbestendige en comfortabel verwarmde woningen worden steeds hoger gewaardeerd. Naast besparing op de energierekening zijn er meer financiële voordelen aanwezig, zoals waardevermeerdering van de wo ning. In de uitwerking per wijk wordt onderzocht hoe tot een aantrekkelijk aanbod te komen voor bewoners.
OVERIG • Collectieve inkoop acties (o.a. via het Duurzaam Bouwloket) zorgen voor lagere investeringskosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.
https://www.noord-holland.nl/Loket/Producten_en_Diensten/Producten_op_alfabet/W/Warmtetransitie_gebouwde_omgeving_ op_wijkniveau_Noord_Holland_subsidie 10 https://www.Klimaatakkoord.nl/themas/verbreding-sde 9
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
25
5 Hoe verder? Plan tot uitvoering Er is met alle betrokken partners een eerste stap gemaakt in het opstellen van de gezamenlijke doelen. Deze worden nagestreefd om de transitie naar wonen zonder aardgas te realiseren. De warmtetransitie is een complex proces dat vraagt om een programmatische aanpak. Hiervoor zal en passend programma moeten worden opgezet met alle betrokken partijen in de gemeente. De eerste stap na het afronden van de Transitievisie Warmte is het opstellen van wijkuitvoeringsplannen. Deze plannen zijn voor de eerste wijken die aard gasvrij zullen worden. In de plannen voor uitvoering worden o.a. de volgende afspraken gemaakt: • welke technieken gaan ingezet worden om aardgasvrij te zijn • hoe de financiering wordt vormgegeven • hoe dit alles wordt georganiseerd • hoe bewoners worden ontzorgd • hoe wordt het proces van communicatie en participatie van bewoners per wijk ingericht Er zijn een aantal belangrijke onderdelen die de komende periode verder zullen moeten worden uitgewerkt: • Het formuleren van de (tussentijdse) doelen en acties die nodig zijn om te starten in de eerste wijken • Het vormgeven van de organisatiestructuur die nodig is om de overstap naar wonen zonder aardgas mogelijk te maken zoals in figuur 9. • Het opstellen van een communicatie- en partici patiestrategie om bewoners zo goed mogelijk te kunnen informeren.
En indien van toepassing mee te laten denken in de benodigde stappen. • Het vormgeven van een isolatie-agenda en de overige stappen die nodig zijn om bedrijven en woningen gereed te maken voor de warmte transitie en het energielabel te verlagen.
26
Figuur 9: Voorstel voor organisatiestructuur warmtetransitie Velsen
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
naast zullend e betrokken partijen ook voldoen de capaciteit beschikbaar moeten stellen voor de projecten.
• Het voorbereiden van de benodigde stappen om een warmtenetwerk aan te kunnen gaan leggen. Als eerste stappen richting het uitvoerings programma is richting gegeven aan de volgende vier thema’s:
•
Aandachtsgebieden • Communicatie: De gemeente gaat zorgen voor draagvlak door communicatie, waarbij alle inwoners zullen worden betrokken. Het kennis niveau en de wensen van bewoners zal meet baar gemaakt worden middels het afnemen van interviews of enquêtes op verschillende momenten, of via andere manieren waarop bewoners kunnen worden bereikt. Kosten: Veel mensen maken zich zorgen over de kosten. De gemeente zal daarom duidelijk heid scheppen over: - de kosten; - de financiering; - de urgentie van de transitie naar aardgasvrij wonen; Daarbij moet duidelijkheid komen over de kos ten en baten. Het aanbod om over te stappen naar wonen zonder aardgas moet acceptabel zijn. Ook voor mensen met een kleinere porte monnee.
•
•
Beschikbaarheid van mensen: Om de transitie mogelijk te maken en de gemeentelijke regierol in te vullen is voldoende technische kennis no dig en technisch personeel voor de uitvoering. Op basis van het voorstel voor de organisatie structuur in figuur 9 is minimaal 2,2 extra FTE nodig in de gemeentelijke organisatie. Daar
•
Financieringsmogelijkheden: Duidelijk commu niceren over isolatiemogelijkheden en financie ringsmogelijkheden die hiervoor beschikbaar zijn via kanalen zoals www.duurzaamvelsen.nl. Evaluatie: Na 5 jaar worden de wijkprioritering en de belangrijkste uitgangspunten uit deze transitievisie warmte geëvalueerd. Daarbij wordt gekeken hoeveel CO2-reductie de stappen heb ben opgeleverd (nulmeting en wijk barometer inzetten voor monitoring).
Uitvoering in de wijken en ambities in de startbuurten • Starten in IJmuiden met bewoners, woning corporaties, HVC, Liander, Omgevingsdienst IJmond, GreenbizIJmond en eventueel bedrijven met restwarmte; • Leren van onze aanpak en van de aanpak door andere gemeenten. De eerste bewoners of wijken die overstappen op het warmtenet in IJmuiden worden intensievere begeleid dan de laatste wijken; • De warmtetransitie wordt gekoppeld aan ande re energievraagstukken, zoals gebruik maken van duurzame elektriciteit, en elektrisch rijden; • Met “lessons learned” in IJmuiden ook starten met Velsen-Noord; • Parallel aan deze visie werken aan een inventari satie van alle bodemopgaven; • Naast de maatschappelijke kosten dient voor elk project in kaart te worden gebracht in hoeverre de plannen fysiek haalbaar zijn in de bodem.
Belangrijke stakeholders waar het uitvoeringsprogramma zich op richt • Iedereen die in Velsen woont of werkt • Medewerkers van de gemeente Velsen, onder andere Ruimtelijke Ordening en ondergrondse infra.
Tussentijdse resultaten • Medio 2021 is de informatievoorziening op orde met een ‘frequently asked questions’ (FAQ), en een communicatieve samenvatting van deze transitievisie in de vorm van een infographic. • Er wordt een besparingscampagne (RREW) ingezet en gekoppeld aan de resultaten van be schikbare huisscans en andere informatie over de woningen • Er wordt een financieringsconstructie ingericht voor bewoners met kleine portemonnee • Het wijkuitvoeringsplan voor IJmuiden is medio 2022 gereed.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
27
BIJLAGE
A Aardgasvrije warmteoplossingen Velsen Energie-infrastructuren Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen: Gasnet All-electric Bronnet Warmtenet
• • • •
GASNET In de meeste wijken wordt nog gebruik gemaakt van het gasnet, met uitzonde ring van de wijken waar al een warmtenet ligt of waar de woningen all-electric zijn. In veel wijken zal het gasnet dus nog wel even blijven liggen. Als gekozen wordt om het bestaande gasnet te laten liggen, is het van belang om duidelijk heid te geven aan vastgoedeigenaren voor hoelang dit nog het geval is. Hier door krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen. Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er eventueel naast de indivi duele Hr-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het basis isolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren. ALL ELECTRIC ‘All electric’ betekent dat er alleen een elektriciteitsnet naar de wijk toe komt. Als dat het geval is, dan is er een warmte-opwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Omdat de warmte in de woning wordt opgewekt met bijvoorbeeld infrarood of een warmtepomp zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen in de wijk. De (over)capaci teit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit.
Het elektrici teitsnet zal dus verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en internationaal niveau. De opkomst van “smart-grids” gaat ook aanvullend uitkomst bieden 11 . 11
https://www.hieropgewekt.nl/kennisdossiers/experimenten-met-smart-grids
28
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
EFFICIËNTIE VAN WARMTEPOMPEN EN INFRAROODPANELEN Een warmtepomp gebruikt de temperatuur van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat er meer energie in de vorm van warmte wordt opgewekt dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte produceren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Ander nadeel van infraroodpanelen is dat ze in de toekomst niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden. Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht-water-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water-water-warmtepompen). Een lucht-waterwarmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water-waterwarmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zon (zonthermie).
ZONTHERMIE ALS BRON VOOR EEN WARMTEPOMP Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zonen daglicht ook heel goed warmte kan winnen uit de buitenlucht. Hierdoor kan ook ‘s nachts en in de winter voldoende warmte geleverd worden aan een water-water-warmtepomp, zodat deze net zo efficiënt warmte kan produceren als een warmtepomp met een bodemlus. Voordeel is dat deze oplossing veel eenvoudiger is te installeren dan het boren van een bodemlus. De zonthermische panelen kunnen gecombineerd worden met zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit.
All-electric leent zich daarom minder voor een wijkgerichte aanpak, omdat er vaak beperkingen zijn om het elektriciteitsnet te verzwaren. Rekening houdend met het feit dat in de toekomst warmte opgeslagen kan worden in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele wijken gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Dit kan ertoe leiden dat er zeer hoge kosten gemaakt gaan worden voor netverzwaring op wijkniveau, die in de toekomst niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen, verspreid over meerdere buurten en wijken in een gemeente. Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten.
NIEUWE GENERATIE WARMTEPOMPEN
Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan je alleen met warmtepom pen of infrarood verwarmen als de woning minimaal op het basisisolatieniveau is, waarbij de warmtevraag voor ruimteverwarming 65 kWh/m2 of lager is. Bij warmtepompen moeten dan vaak ook de radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren.
Speciaal voor woningen is er nu ook een individuele lucht-waterwarmtepomp op de markt met als koudemiddel CO2, die zonder problemen 70°C kan produceren. Het voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. De verwachting is dat er ook water-water-warmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het wel van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt wel de nodige innovatie en extra ruimte in de woning.
Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaatst worden op het dak van de woning. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opsla ginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmte pompen. BRONNET Een bronnet is een aanvulling op all-electric. Een collectief bronnet transpor teert laagwaardige warmte naar meerdere woningen en gebouwen als bron voor een warmtepomp in de woning of het gebouw. Ook bij deze infrastruc tuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden ver hoogd. De warmte hiervan kan worden gehaald uit afvalwater, oppervlaktewa ter of andere laagwaardige bronnen.
Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen, zoals ammoniak (NH3) en CO2. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus al een bewezen technologie. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan collectieve installaties in gebouwen of aan warmtenetten in wijken.
Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor woningen in de meeste gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor potentiële bronnen, waardoor een bronnet een optie kan zijn. Echter is in dat geval vaak een warmtenet een lo gischere keuze. De verwachting is daarom dat een bronnet met name ingezet zal gaan worden als bron voor warmtepompen, die warmte leveren aan een warmtenet in een wijk of een bedrijventerrein. WARMTENET Een warmtenet is een collectieve warmtevoorziening waarbij een infrastructuur van ondergrondse leidingen warm water vervoeren naar meerdere gebou wen tegelijkertijd. Het overgrote deel van de woningen en gebouwen die zijn aangesloten op het warmtenet zijn aangesloten sinds het moment dat ze zijn gebouwd. Er is nog weinig ervaring met bestaande woningen aansluiten.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
29
De bestaande netten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoogtemperatuur). Nieuwere wijken zijn beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur is daar dus lager, circa 70°C (midden temperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aan voertemperatuur verder te verlagen naar 40°C (laagtemperatuur). Bij woningen moet dan wel een aanvullende boostervoorziening geplaats worden in de wo ning voor warm tapwater (55°C). In de praktijk is daarom te zien dat bij nieuw bouwwoningen vaak wordt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet. Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaal grootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur, die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaal grootte kan worden bereikt, omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties kunnen makkelijker de benodigde schaal bereiken dan particuliere woningeigenaren. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden ge regeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is.
Energiebronnen Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respec tievelijk gas (gasnet), elektriciteit (E-net) en/of water (warmtenet). Bij de ver schillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de meest geschikte bron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte, die kan worden gerealiseerd. FOSSIELE BRONNEN Tijdens de energietransitie blijft er een afhankelijkheid van fossiele bronnen. Een goed voorbeeld van deze afhankelijkheid is een woning die zonnepanelen heeft liggen op het dak. Het grootste deel van de energie, die wordt opgewekt door de panelen kan niet gelijktijdig worden gebruikt in de woning en wordt dus teruggeleverd aan het elektriciteitsnet en elders gebruikt. Als het donker is of bewolkt en de panelen niet of nauwelijks elektriciteit produceren, wordt er elektriciteit uit het elektriciteitsnet gebruikt. Deze elektriciteit wordt opge wekt met een mix van bronnen, nu nog circa 80% fossiel (aardgas en kolen).
30
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
Dat neemt niet weg dat het goed is dat er zonnepanelen op daken worden geplaatst. Al het dakoppervlak in Nederland moet namelijk zoveel als mogelijk benut worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit. ALTERNATIEVE BRONNEN VOOR AARDGAS De alternatieve bronnen voor aardgas zijn beperkt, zeker voor de grote hoe veelheid aardgas, die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof is geen bron maar een energiedrager en wordt gemaakt van aardgas of van elektriciteit. Het is niet te verwachten dat waterstof een grote rol gaat spelen als energiedrager in de gebouwde omgeving. Uiteraard wel als grondstof voor de industrie en mogelijk als energiebron voor (zwaar der) transport en de industrie. Als er niet wordt gestart met het uitfaseren van gasnetten in de bestaande gebouwde omgeving is de kans groot dat dit een zogenaamde ‘lock in’ is op aardgas. ALTERNATIEVE BRONNEN VOOR ELEKTRICITEIT Net als in alle sectoren, gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omge ving, elektriciteit een nog grotere rol spelen. Met name voor het opwekken van warmte met warmtepompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Deze elektriciteit moet dan wel verduurzaamd (kunnen) worden.
Zon en wind zijn daarvoor de meest logische bronnen voor Nederland op dit moment. Verduurzaming is een hele grote opgave. De huidige elektriciteitsmix in Nederland bestaat namelijk nog voor circa 80% uit fossiele bronnen. Nu is elektriciteit altijd beschikbaar, omdat kolen-, gas en kerncentrales het ge hele jaar door kunnen leveren op basis van de vraag. Maar in de toekomst zal het elektriciteitsaanbod veel minder constant en ook deels seizoen afhankelijk zijn door een groter aandeel van zonne-energie en windenergie. Het opslaan van energie en in dit geval dus warmte is noodzakelijk. Bij de keuze voor de energie-infrastructuur is het daarom nodig om meer rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie op te slaan. RESTWARMTE Restwarmte komt vrij bij een productieproces. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. Voor bestaande warmtenetten is restwarmte de meest voorkomende bron.
Een mogelijk nadeel van restwarmte is de beschikbaarheid. Er zijn maar een beperkt aantal locaties waar restwarmte benut kan worden voor het verwar men van de gebouwde omgeving en het is in sommige gevallen onzeker hoe lang de warmte beschikbaar blijft. Omdat restwarmte een relatief goedkope bron is, moet het daar waar mogelijk worden benut voor de ontwikkeling van warmtenetten. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte kan worden gegarandeerd voor een zeer lange tijd. BIOMASSA Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren. Deze energie kan ook voor industrie en transport worden ingezet. Biomassa is echter schaars. Voor biomassa geldt nog meer dan voor rest warmte dat de beschikbaarheid op langere termijn onzeker is. Als warmtebron voor de gebouwde omgeving moet er daarom zeer zorgvuldig mee omgegaan worden. Bovendien is het de vraag of biomassa direct ingezet moet worden als energiebron. Vaak zijn er andere routes waarin biomassa een hogere waarde heeft.
VERWARMEN MET OPPERVLAKTEWATER Oppervlaktewater wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO-bronnen. In het stookseizoen kan deze warmte van circa 20 °C gebruikt worden als bron voor een warmtepomp. Deze kan warmte tot circa 70° C leveren aan een gebouw of warmtenet. Vanuit de WKO-bron kunnen gebouwen ook gekoeld worden, maar dit is voor de werking van het systeem niet noodzakelijk. Een warmtepomp kan ook direct warmte onttrekken uit het oppervlaktewater zonder gebruik te maken van een WKO-bron. Dit is wel minder efficiënt.
Belangrijk is om de schaarse biomassa alleen in te zetten als transitiebron bij de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten in de bestaande gebouwde om geving. Eventueel zou dit kunnen in combinatie met nieuwbouw. En dan met name daar waar er geen alternatieve bron, zoals restwarmte beschikbaar is. Het is dan wel van belang dat er een alternatieve duurzame warmtebron op locatie beschikbaar is, zodat de leveringszekerheid van warmte gegarandeerd kan worden. Het is daarom belangrijk dat lokale warmtenetten op biomassa een aanvoertemperatuur hebben van maximaal 70°C. Bij een hogere aanvoer temperatuur moeten er goede afspraken gemaakt worden met de vastgoedei genaren, zodat de temperatuur aan het einde van de exploitatieduur van de biomassawarmtecentrale verlaagd kan worden. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen is niet efficiënt en moet daarom voorkomen worden. Ook het inzetten van biomassa bij de ontwikkeling van een warmtenet voor een nieuwbouwwijk moet niet gestimuleerd worden. ENERGIE UIT DE BODEM EN DIEPERE AARDLAGEN Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan warmte onttrokken worden. Een vuistregel is dat elke kilometer de temperatuur met circa 30° C toeneemt. Dus hoe dieper je boort, hoe hoger de temperatuur.
Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk af hankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. Het vraagt ook forse investeringen dus de economische potentie is dus ook sterk afhankelijk van de warmtevraag en mogelijkheden voor distributie. Bron Bodemlussen of WKO Ondiepe geothermie Diepe geothermie Ultradiepe geothermie
Diepte Tot 250 meter 250-1000 meter 1-4 kilometer 4-6 kilometer
Temperatuur 10 - 15 °C 20 - 40 °C 40 - 100 °C 100 - 180 °C
THERMISCHE ENERGIE UIT OPPERVLAKTEWATER EN AFVALWATER Met alle thermische energie uit oppervlaktewater- en afvalwater (TEO en TEA) kan in potentie een heel groot deel van de gebouwde omgeving in Gemeente Velsen verwarmd worden. Om deze bronnen te kunnen benutten zullen er wel warmtenetten ontwikkeld moeten worden in wijken met een aanvoertempe ratuur van maximaal 70 °C. Het voordeel is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiele bronnen voor warmtenetten, zoals
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
31
bij restwarmte en geothermie vaak het geval zal zijn. Door energie uit opper vlaktewater te onttrekken verbetert de waterkwaliteit en het voorkomt ook hittestress. Voorbeelden van energie uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwater zuiveringsinstallatie. Warmtepompen maken onderdeel uit van dit systeem, wat dus wel elektriciteit vraagt en die moet duurzaam worden opgewekt. Echter de efficiëntie (COP) van dit systeem is al beter dan verbranding met individuele aardgasketels. ZONTHERMIE Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de warmtetransi tie. Enkel voor de opwek van warm tapwater (zonneboilers) is deze techniek toegepast. Voor ruimteverwarming was simpelweg de overbrugging tussen zomer en winter te lang. Maar ook dit gaat veranderen. De nieuwe generatie thermische zonnepanelen kunnen gedurende een langere tijd warmte uit de omgeving halen, niet alleen uit zon, maar ook uit licht en buitenlucht. Dit is voldoende om zonder opslag een bron te kunnen zijn voor een warmtepomp in een woning gebouw of in de wijk. Ook kunnen er collectoren gemaakt worden van asfaltwegen. Door de ontwikkeling van warmteopslag in de vorm van WKO of een andere vorm van “warmtebatterijen” kan (op termijn) zonthermie ook ingezet worden om een groot deel van het jaar een gebouw direct te verwarmen.
Afhankelijk van het seizoen kunnen er temperaturen van tussen de 40 en 80° C worden gehaald in een warmteopslag. Met beperkte inzet van een warmtepomp kan het gehele jaar door warmte voor ruimteverwarming en warm tapwater gele verd worden.
32
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
BIJLAGE
B Warmtetransitiemodel en de Warmtekaart Het Warmtetransitiemodel berekent per wijk of buurt (CBS-wijk/buurt of post codebuurt ) wat de totale maatschappelijke kosten zijn van warmteopties voor woningen. De verschillende kosten van de opties worden naast elkaar gelegd en vergeleken. De resultaten van deze analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart van figuur 7 in deze visie. Aan het Warmtetransitiemodel ligt een afwegingskader ten grondslag. Dat betekent dat er al afwegingen hebben plaatsgevonden over de geschiktheid van warmteopties voordat deze worden berekend door het Warmtetransitie model. Dit hoofdstuk gaat eerst in op verschillende bouwkundige en installatie technische aanpassingen op gebouwniveau, die randvoorwaarde zijn voor de warmtetransitie. Daarna worden de warmteopties besproken, en daarna wordt de afweging van warmteopties besproken.
Woningaanpassingen WONINGAANPASSINGEN AFHANKELIJK VAN HET TEMPERATUURNIVEAU Het is in principe altijd nodig om de warmtevraag van gebouwen en wonin gen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmtebronnen die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan aardgas verwarming, en anderzijds om schaarse warmtebronnen efficiënter te benutten (meer woningen per bron). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De tempera tuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfor tabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moet daarnaast in een aantal gevallen radiatoren worden vervangen, om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Dit is niet op voorhand op woningniveau met zekerheid vast te stellen.
De gemiddelde huidige warmtevraag per jaar voor ruimteverwarming in Nederland is circa 80 kWh/m2 voor woningen. De warmtevraag voor ruimte verwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In de tabel hieronder staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen. Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcode niveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag ca. 15-20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie. Gemiddeld oppervlak m2
Gemiddeld gasverbruik m3
Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2
Eengezinswoningen < 1920
170
1920
90
≥ 1920 - 1950
135
1800
105
≥ 1950 - 1975
125
1630
95
≥ 1975 - 1990
130
1390
75
≥ 1990 - 2005
145
1180
60
≥ 2005
155
990
45
Nieuwbouw
120
-
30
Meergezinswoningen < 1920
85
1240
95
≥ 1920 - 1950
80
1180
95
≥ 1950 - 1975
75
1120
90
≥ 1975 - 1990
70
840
70
≥ 1990 - 2005
90
790
50
≥ 2005
90
670
40
Nieuwbouw
70
-
25
Nederlands gemiddelde
115
1470
80
Tabel 2: : Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.
Op weg naar een aardgasvrije gebouwde omgeving
33
Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. De bestaande woningenvoorraad kan grofweg worden opgedeeld in vier ni veaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m of hoger). Er is een hoge temperatuur van ca. 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. Ter indicatie gaat het hier om ener gielabels G/F/E/D. 2
2. Woningen die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (65-80 kWh/m2). Bij het minimumniveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C (middentemperatuur). Het kan wel voorkomen dat er een aantal radiatoren vervangen moet worden voordat deze woningen daadwerkelijk met 70°C kunnen worden verwarmd. Ter indi catie gaat het hier om energielabels D/C. 3. Woningen die een basisisolatieniveau hebben bereikt (50-65 kWh/m2). Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met een maximumtemperatuur van 70°C als met 40°C (laagtemperatuur) mits er een aantal beperkte, aanvullende maatregelen is genomen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve ver warmingstechnieken. Woningen die reeds op dit niveau zitten zijn woningen gebouwd tussen 1990 en 2005. Ter indicatie gaat het hier om energielabels C/B. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (20-50 kWh/m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren. Bij aanpassing van de bestaan de bouw tot dit niveau moeten vaak de radiatoren worden vervangen. Ter indicatie gaat het hier om energielabel A of beter.
34
Wonen in Velsen zonder aardgas | Transitievisie Warmte
Naast isolatie zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming: • Elektrisch koken, zoals inductiekoken • Kierdichting • Voldoende (mechanische) ventilatie Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een tempe ratuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is i.v.m. legionellapreventie. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende hoog is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: • Om een woning met 90°C (hoogtemperatuur) te kunnen verwarmen zijn geen aanpassingen nodig. • Om een woning comfortabel met 70°C (middentemperatuur) te kunnen verwarmen, moet dus het minimum- of basisolatieniveau bereikt zijn (50-80 kWh/m2). • Om een woning comfortabel met 40°C (laagtemperatuur) te kunnen verwar men, moet een basis- of hoog isolatieniveau bereikt zijn (20-65 kWh/m2). MINIMUMISOLATIENIVEAU Tabel 5 geeft ter indicatie per bouwjaar de maatregelen die genomen moeten zijn voor een minimumisolatieniveau (65-80 kWh/m2).
Bij alle isolatiemaat regelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De isolatie waarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Op het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 en een deel gebouwd tussen 1975 en 1990 al vanaf het jaar dat ze gebouwd zijn op dit minimumniveau.
Vloer Eengezinswoningen < 1920 Kruipruimte isoleren in ≥ 1920 - 1950 dien aanwe zig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Meergezinswoningen < 1920 Kruipruimte isoleren in ≥ 1920 - 1950 dien aanwe zig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 Voldoet ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005
Gevel
Kozijnen en Dak glas
Geen spouw Minimaal HR Dak isoleren glas Spouw Iso Minimaal Voldoet leren dubbel glas Voldoet
Voldoet
Geen spouw Minimaal HR Dak isoleren glas Spouw Iso Minimaal leren dubbel glas
HOOG ISOLATIENIVEAU In 2050 zal ook een deel van de voorraad een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel ach terstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.
Welke warmteopties zijn afgewogen
Tabel 3: Indicatie minimumniveau maatregelen per bouwjaar en woningtype.
In het model worden twee warmteopties afgewogen, die op basis van de huidige stand van de techniek realistisch zijn voor het aardgasvrij maken van een buurt: • Een collectieve warmteoplossing, met een middentemperatuur warmtenet in de wijk. • Een all electric oplossing met een warmtepomp per gebouw of woning. • Het bestaande aardgasnet blijft (voorlopig nog) liggen.
BASISISOLATIENIVEAU De tabel hieronder geeft ter indicatie de maatregelen die genomen moeten zijn voor een basisisolatieniveau (50-65 kWh/m2). Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. het gebied van isolatie zitten alle woningen gebouwd na 1990 op dit niveau.
MIDDENTEMPERATUUR WARMTENET Een middentemperatuur warmtenet levert warmte van circa 70°C aan wonin gen en gebouwen. Alle woningen, die worden aangesloten moeten dus het mi nimum- of basisolatieniveau hebben bereikt (50-80 kWh/m2). Het warmtenet kan dus naast warmte voor ruimteverwarming ook direct warmte voor warm tapwater leveren.
Vloer Alle woningtypes < 1920 Kruipruimte isoleren in ≥ 1920 - 1950 dien aanwe zig ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 Voldoet ≥ 2005