Bijlage 1e Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Veldhoven
Tekst van het document
De molen was vooral bestemd voor de inwoners van Zeelst aangezien die niet naar de banmolen van Oerle hoefden te gaan. De molen lag in de gemeenschappelijke gronden van Blaarthem, Zeelst, Meerveldhoven en Zonderwijk, op het grondgebied van Zeelst. Gedurende de 17e en 18e eeuw bleef de windmolen van Zeelst eigendom van de prinsen van Oranje, als heren van Eindhoven. De molen werd verpacht door de rentmeester van de domeinen van de prins van Oranje.33
Op de kadasterkaart van 1832 is de plaats aangegeven waar de windmolen van Zeelst stond (uit Coenen 2006, p. 197).
De standerdmolen van Zeelst, voorheen eigendom van de prins van Oranje, was in 1832 in het bezit van Baltus de Laure. De molen lag aan de Molenstraat, een weg tussen de dorpskom van Zeelst en 33 Coenen 2006. 55
Meerveldhoven. In die periode had Zeelst twee molens die op nauwelijks 100 meter van elkaar stonden (zie 13.16.1.001). In 1858 kreeg de molenaar concurrentie, toen een nieuwe stenen bergmolen in Zeelst werd gebouwd. De standerdmolen aan de Molenstraat bleef nog enige tijd in gebruik, maar werd in 1888 door Hendrik Bazelmans verkocht aan Godefridus van Stekelenburg. Deze bouwde de molen in 1888 opnieuw op in Mierlo-Hout. De Houtse molen, zoals hij daar heette, was tot 1937 in bedrijf en werd in 1938 afgebroken.34 16.2 Watermolen Door waterkracht aangedreven graan- of industriemolen, enkele molens en dubbele molens. De westgrens van de heerlijkheid werd gevormd door de rivier de Dommel. Op de Dommel zijn van oudsher vanwege gunstige omstandigheden veel watermolens gebouwd. Ten zuiden van de Brabantse Kempen ligt geologisch gezien een soort hoogvlakte: het Kempisch Plateau. Op de hoogvlakte ontspringt onder andere de Dommel. De Dommel heeft plaatselijk een sterke helling, waardoor hier veel watermolens zijn te vinden. Een nadeel van watermolens was dat ze niet werden gebouwd van duurzame materialen, maar dat ze van hout werden gebouwd. Vanwege de blootstelling aan lucht en water, trad verwering en rotting op. Watermolens vergden daarom voortdurend onderhoud, maar de voordelen waren groot.
In een glooiend landschap kan waterkracht goed als energiebron worden gebruikt.35 13.16.2.001 Watermolen Zand-Oerle Deze watermolen is in de visie van Lijten36 de opvolger van de watermolen van Oerle. In 1332 verplichtte de hertog al zijn onderdanen in Oerle, Wintelre, Zonderwijk, Veldhoven en Knegsel om voortaan te malen op de molen van Postel in Oerle. Als ze daar niet kunnen malen, mogen ze uitwijken naar de Postelse molen van Venbergen. De boete op het verkeerd malen wordt op 1 pond zwarten gesteld. Voor dit recht zal Postel jaarlijks aan de hertog 6 mud rogge Oerlese maat betalen.37 Dit werd nog bevestigd in 1615.38 In 1405 werd getuigd dat de Oerlese molen al meer dan 45 jaar een dwangmolen was.39 Dat terugrekenend komen we in 1360 of eerder. De getuigen zeggen niets over verplaatsing, alleen maar dat Postel het recht van de banmolen al zo lang en langer heeft.40 Eerder denk ik dat het verlenen van een molenban op een belangrijke verandering wijst. Dat kan er op wijzen dat toen, in of kort voor 1332, de windmolen gereed kwam en de oude watermolen van Oerle verlaten werd. Deze watermolen blijft in hoge mate hypothetisch. Een mogelijke locatie is aan de voorde over de Bruggenrijt op de weg naar Wintelre. Langs de Bruggenrijt ligt het gebied en de groep boerderijen genaamd De Vlut, met als oudste vermelding: 1646, huis en gront opte vloet.
Ook de oudste vermeldingen van Vleut onder Oirschot luiden “Vloet”. Vloet is in deze streken een gebruikelijke naam voor gebieden die door de opstuwing van een watermolen onder water gezet konden worden, of daar toch heel dras van werden. Dit opent de mogelijkheid dat de molen op de Bruggenrijt stond, benedenstrooms van De Vlut. Daar zie ik twee mogelijke locaties: c1) op de kruising met de weg oude kerk Wintelre - Kerk-Oerle; c2) op de kruising met de oude heerbaan bij De Uyl. Een Oerlese molen op de Bruggenrijt zou ook verklaren waarom die beek door Oerle geschouwd moest worden en dat Wintelre daar niets aan hoefde te doen. De molen moet voor 1290 buiten bedrijf geraakt zijn. Het is een typische “spookmolen”.
34 Coenen 2006. 35 Bijsterveld e.a., 2000, 198. 36 Lijten, 1989. 37 Charter 1332, april 17: Rijken, 1915. 38 Charter 1615, april 7: Rijken, 1915. 39 Charter 1405, november 17: Rijken, 1915. 40 Bijnen, 1993, lijkt te interpreteren dat er in 1360 een verplaatsing was. 56
13.16.2.002 Watermolen van Broekhoven In 1297 was bij de uitgifte van de gemeenschappelijke broekgronden van Zonderwijk, Meerveldhoven, Zeelst en Blaarthem sprake van twee molens, te weten de molen op Broekhoven en de molen van Caudenhoven. Bij de molen van Broekhoven staat locum molendini, hetgeen betekent de plaats van de molen. We mogen daaruit concluderen dat die molen in 1297 niet meer bestond. Broekhoven is een gebied in Meerveldhoven nabij het Broek ter hoogte van de Heskok. Het is mogelijk dat de watermolen daar heeft gelegen.41 13.16.2.003 Watermolen van Coudenhoven in Blaarthem De molen Caudenhoyen of Coudenhoven bestond in ieder geval nog in 1297. Deze molen moet net als de molen van Broekhoven gelegen hebben langs het Broek tussen de brug van Heers en Blaarthem. Het moeten watermolens zijn geweest langs de Gender en de Dommel. De watermolen Caudenhoven was omstreeks 1340 in het bezit van de erfgenamen van Egidius, zoon van Gherlacuslot. In het begin van de 15e eeuw werden de rechten van de molen verdeeld in drie parten door de erfgenamen van Luytgart van Nulant. In de 17e eeuw was niet meer bekend wie voor de cijns moest betalen. Dit wijst erop dat de molen toen zeker verdwenen was. Het is mogelijk dat de watermolen op het grondgebied van Blaarthem lag. In de 18e eeuw was deze grond immers in het bezit van de familie De Heusch, die bezittingen had in Blaarthem.
42 16.3. Rosmolen Door paardenkracht aangedreven graan- of industriemolen. Vaak in een typisch veelhoekig gebouwtje of een “verdikking” van een ander gebouw. 16.5 Motermolen Vanaf 1846 komt de stoommachine de wind- en waterkracht aflossen, eerst in een bijgebouwtje van de oude molen. Vanaf 1907 ook “zuiggas”-motoren en later diesel en elektromotoren. Eerst worden er nog typische motermolengebouwen opgericht, later is een maalderij onherkenbaar. Het gaat om die typische motermolengebouwen. Ook wel ‘maalderij’genoemd. 16.6 Molenbiotoop Gebied met straal van 600 meter rond een met windkracht aangedreven molen. 13.16.6.001 Molenbiotoop De Adriaan 13.16.6.002 Molenbiotoop Zilster Molen 13.16.6.003 Molenbiotoop Sint Jan Molen
16.7 Molenberg Natuurlijke of opgeworpen hoogte waarop een windmolen staat of stond. Ook de “belt” van een beltmolen: een ring aarde opgeworpen tegen de voet van een stenen molen zodat men de wieken kan bedienen. 13.16.7.001 Molenberg tweede windmolen van Oerle 16.8 Molenwiel Min of meer ronde waterplassen boven en benedenstrooms van watermolens, uitgewoeld door het onrustige water. De molenaar had er vaak het visrecht op. Niet te verwarren met het molenrad: dat is het rad waarin het water valt om de molen aan te drijven. 41 Coenen 2006. 42 Coenen 2006. 57
16.9 Molenvloed Gebied bovenstrooms van watermolen dat door te sterke stuwing bij de molen wateroverlast kon hebben. NB: verschilt van “Molenwiel”, want dat is een meest ronde kleine waterplas bij de uitloop van het molenrad of de bijhorende sluis; soms ook pal bovenstrooms van molenrad. 16.10 Watervluchtmolen Molen die zowel op waterkracht als op windkracht kan malen. In de molen is er daarvoor een omschakelmechanisme. De molen kan zowel een graan- als een industriemolen zijn. Zeldzaam!
58
Thema: 17 Gehuchten Dit deel van Brabant is vanouds een gehuchtenland, met gemiddeld een dozijn gehuchten en één dorpskom per oorspronkelijke gemeente. Het begrip “gehucht” (buurtschap, herdgang) hoort specifiek bij het oude hoofdzakelijk agrarische landschap. Ieder gehucht beschikte over een groter of kleiner gebied met akkers, weiden, hooiland en in de Middeleeuwen een aandeel in de gemene gronden. Dit kan het gehuchttoebehoren genoemd worden. Gehuchten die vooral uit boerderijen bestonden vertoonden een vrij open structuur. Iedere boerderij stond immers op een betrekkelijk groot erf (typische maat: 1 hectare) en daardoor konden ze niet dicht opeen geschoven worden. Vaak is de onderlinge afstand nog veel groter en is de ligging bij eigen grond blijkbaar een belangrijke factor geweest. Een straat verbindt in veel gevallen de boerderijen. In andere gevallen stonden de boerderijen met hun "voordeur" op de rand van een akkergebied (krans-akker-dorp) of op de rand van een stuk gemeenschappelijk gebruikte grond (krans-aard-dorp). Bij dezen twee laatste vormen vinden we de boerderijen alle aan dezelfde kant van de straat, maar tevens waren ze verdeeld over meerdere gehuchten. In bijzondere topografische omstandigheden kan op deze wijze een driehoekige ruimte tussen boerderijen ontstaan zijn.
Dat zijn geen "Frankische driehoeken", maar in de late Middeleeuwen of daarna gevormde pleinen, die qua genese verwant zijn aan de wegenwaaiers aan de rand van het cultuurland. Waar er dichte bebouwing optreedt, hebben we niet met boeren te maken. Het kan gaan om landarbeiders of wevers, maar ook (vooral in de dorpskommen) om renteniers, winkeliers, notabelen etc. Niet alle gehuchten dateren uit de hoge of late Middeleeuwen. Naarmate de ontginningen voortgingen, ontstonden er ook nieuwe nederzettingen. Door het opschuiven van de heiderand kwamen ooit op die rand gelegen gehuchten midden in het boerenland te liggen en kwam er ruimte voor een nieuwe rij: "Heikant" is dan een typische benaming. Elders werd op vrij chaotische wijze een stuk heide ingenomen en bebouwd: de heidekrakers. In het bestaande cultuurland ontstonden nieuwe gehuchten door de splitsing van oude boerderijen, door het aankoeken bij een herberg of door het op een strookje langs de weg huisvesten van landarbeiders. Het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw staan te boek als een periode waarin in Nederland grote veranderingen plaatsvonden. Deze ontwikkelingen, dikwijls aangeduid als ‘modernisering’, behelsden vooral in Zuid-Nederland een sterke economische en demografische groei. Door de daling van de sterftecijfers groeide de bevolking van Nederland in dit tijdvak zeer sterk.
Vooral in het katholieke Brabant groeide de bevolking explosief. Dat leidde tot bijbouwen van vooral woningen en wat minder boerderijen, en na 1960 tot het bouwen van woonwijken op de oude akkers. Het nederzettingsbeeld is daardoor sterk veranderd. Bij het aanduiden van de nederzettingen op de reconstructiekaart is een aantal keuzen gemaakt: 1) een peildatum. Dat is nodig omdat nederzettingen voordurend veranderen. De gekozen peildata zijn: 1: 1810-1832 (opname kadaster) 2: 1900 (topografische kaart) 3: 1930 (topografische kaart) 4: 1950 (topografische kaart) De in 1832 bewoonde erven kunnen archeologisch interessant zijn. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat, als het bedrijf tot in de twintigste eeuw voortgezet werd, op het erf naast puin ook bodemverontreiniging wordt aangetroffen. De situatie op basis van de kaart van 1832 wordt als onderlegger gebruikt voor de verwachtingswaarde hoog – historische kern op de archeologiekaart. 2) Voor de typering van de nederzettingen wordt gesteund op een grootteclassificatie en niet op een interpreterend vormclassificatie zoals Kakebeeke of Steegh die presenteerden: daar zit te veel interpretatie in verwerkt! De gehuchten worden als volgt getypeerd, steeds naar de toestand op de eerste peildatum: 59
groot dorp: meer dan 50 nederzettingseenheden (NZE), brede verzorgende functie, veel functies meervoudig aanwezig. klein dorp: meer dan 25 NZE, verzorgende functies enkelvoudig aanwezig groot gehucht: meer dan 25 NZE, geen verzorgende functie buiten een enkele herberg klein gehucht: 10-25 NZE huizengroep: 3-9 NZE. verspreide bewoning aan straat: Van belang is dat de "verspreide bewoning aan straat" in veel gevallen de gedaante is waarin oude, niet erg uitgegroeide, agrarische gehuchten in de vroege negentiende eeuw nog voortbestonden compact aan straat: enkele verdichtingen in de verspreide bewoning, meestal aan een weg. verspreid: soms erg eenzaam gelegen losse NZE, bijv. boswachter, veerhuis, paardenwisselstation. Bij het typeren van gehuchten is het van belang op welk moment we de situatie beoordelen. Een gebied met verspreide bewoning in 1832 kan tegen 1900 enkele gehuchten bevatten, een groep boerderijen die in 1832 als “verspreid langs straat” (verder dan 100 meter uit elkaar dus) getypeerd wordt, kan doordat er huizen en boerderijen tussengevoegd zijn, in 1900 of 1930 als klein of zelfs groot gehucht (onderlinge afstanden minder dan 100 m) getypeerd moeten worden. Het laatste kwart van de 19e eeuw en de eerste decennia van de 20e eeuw staan te boek als een periode waarin in Nederland grote veranderingen plaatsvonden.
Deze ontwikkelingen, dikwijls aangeduid als ‘modernisering’, behelsden vooral in Zuid-Nederland een sterke economische en demografische groei. Door de daling van de sterftecijfers groeide de bevolking van Nederland in dit tijdvak zeer sterk.43 Vooral in het katholieke Brabant groeide de bevolking explosief. De huisnijverheid bood soelaas voor deze enorme bevolkingsaanwas. Aan het begin van de 20e eeuw was er vooral sprake van huisindustrie (leer, schoenen, sigaren, klompen et cetera). Uit de huisindustrie ontstonden in de loop van de 20e eeuw grootschalige industriële activiteiten. In de periode 1850-1900 kende een sterke industrialisatie, met name in de textielindustrie. Aan de Markt en langs de Willibrorduslaan verrezen fabrieken. Het bebouwingsbeeld met één- en tweelaags bebouwing dateert met name uit de periode 1850-1950. 17.1 Groot dorp Meer dan 50 nederzettingseenheden, brede verzorgende functie, veel functies meervoudig aanwezig. 13.17.1.001 Veldhoven Het dorp Veldhoven heette oorspronkelijk Zonderwijk. Beide benamingen werden in de 14e en 15e eeuw nog door elkaar gebruikt. Uiteindelijk zou de naam Zonderwijk alleen nog gebruikt worden voor een gehucht van Veldhoven. De huizen in Veldhoven stonden verspreid in een aantal gehuchten. Van een echte dorpskern was nauwelijks sprake, aangezien de Kromstraat als zodanig destijds nog niet bestond.
Er lagen enhele pachtboerderijen die telkens voor zes of twaalf jaar werden verpacht. De kruising van de Nieuwstraat met de Goorstraat heette destijds Kromstraat. Ook was er een grote lindeboom die vermoedelijk als dorpslinde beschouwd mag worden. Veldhoven had in de 19e eeuw geen echte dorpskom, maar een aantal verspreid liggende gehuchten. Soms liep de bebouwing van het ene gehucht over in het andere, zoals het geval was bij de Zonderwijksestraat, de Kromstraat en de Rapportstraat. Door de aanleg van de provinciale weg in 1855 groeiden de Kleine Broek, de Locht, de Kromstraat en de Zonderwijksestraat meer naar elkaar toe. Hier speelde de aanwezigheid van de kerk en de school een belangrijke rol. Vanouds lagen daar ook enkele herbergen in de nabijheid van de schuurkerk. In 1835 werd aan de Dorpstraat, hemelsbreed niet ver van de schuurkerk, een nieuwe kerk gebouwd. Tot de bestaande oude gebouwen in het dorp Veldhoven behoren de pastorie van de protestanten, die in 1770 tot stand was
43 Blom en Lambert, 2006, 327-328. 60
gekomen op de Kleine Broek, en de pastorie van de katholieken die vlak daarbij in 1778 door de abdij van Postel was gebouwd.44
Plattegrond van de gemeente Veldhoven van 1866. De enige verharde weg is gestippeld aangegegeven (naar J. Kuyper gemeenteatlas 1865-1870). 17.2. Klein dorp Meer dan 25 nederzettingseenheden, verzorgende functies enkelvoudig aanwezig 13.17.2.001 Oerle45 Oerle ligt min of meer te midden van een groot openakkergebied met dikke en lemige enkeerdgronden. De akkers heten De Loker en de Kerkakkers en waren in 1830 in talrijke kleine strookvormige percelen verdeeld. De nederzetting Kerk-Oerle stelde in 1830 niet veel voor: een vrij eenzame kerk op een omgracht perceel met enkele huizen en boerderijen. De eigenlijke nederzetting 44 Coenen 2006. 45 Leenders 2005. 61
begon in 1830 pas 300 meter verderop langs de weg naar het noorden. Het is een klassieke situatie voor een oude nederzettingskern in Zand-Brabant. Het dorp Oerle bestond uit twee kernen, te weten Kerkoerle en Zandoerle. De opbouw van Zandoerle was bijzonder aangezien daar een rechthoekig marktplein voorkomt, waar omheen huizen waren gebouwd. Het marktplein werd in de 15e eeuw de plaetze genoemd. Daarlag in de tweede helft van de 15e eeuw een herberg, die achtereenvolgens in het bezit was van Roelof Aert Roefs en Dirk van Heerselll. De naam Kerkoerle wordt onder meer gebruikt in oorkonden in het archief van de abdij van Postel en het Geefhuis van Den Bosch.46
Plattegrond van de gemeente Oerle in 1868 (naar J. Kuyper gemeenteatlas 1865-1870). 13.17.2.002 Zeelst Uit CHW: Code HK-HS-10 / S280 Oude dorpskern Zeelst Waarde Hoog 46 Coenen 2006. 62
Oude dorpskern met driehoekig plein, Heuvel geheten, en lintbebouwingen. Mogelijk dateert de structuur in eerste aanleg al uit de Hoge Middeleeuwen (1000-1250). Het dorp Zeelst was in de 14e en 15e eeuw kleiner dan Oerle of Veldhoven, maar er kwamen daar meer grote hoeven voor. Ook het naburige dorpje Blaarthem telde relatief veel belangrijke gebouwen en hoeven. Dit heeft te maken met de ligging nabij de Rundgraaf en de Gender. De Heuvel was het eigenlijke centrum van Zeelst, Daar lagen de kerk en een aantal huizen. Op korte afstand van de kerk lag een leengoed van de heer van Boxtel, dat bekend stond onder de naam het goed Ten Berghe.
Plattegrond van de gemeente Zeelst in 1867 (naar J. Kuyper gemeenteatlas 1865-1870). 13.17.2.003 Meerveldhoven
63
Het dorp Meerveldhoven was een kleine gemeenschap met een bedevaartskapel. Oorspronkelijk stond de kapel bekend als de Mariakapel ter Linden, later als de Mariakapel ter Eik. De kapel lag tussen de dorpskern van Meerveldhoven en de Gender. In feite was Meerveldhoven in die tijd niet meer dan een parochie. Soms werden delen van Zeelst, zoals Cobbeek, gerekend tot de parochie Meerveldhoven. Ook het Broek of Smedebroek stond de ene keer vermeld onder Meerveldhoven en vervolgens onder Zeelst of Veldhoven.47 17.3. Groot gehucht Meer dan 25 nederzettingseenheden, geen verzorgende functie buiten een enkele herberg 13.17.3.001 Zand-Oerle48 CHW: Code RE-HS-05 / S282 Buurtschap Zandoerle Waarde Zeer hoog Buurtschap met een rechthoekig, onverhard plein. Het betreft hier een oude marktplaats met planmatige opzet, waarvan de structuur, met rechthoekige markt, in eerste aanleg dateert uit de periode 1212-1249, toen de kern Zandoerle uit het niets werd gesticht. Voor Zand-Oerle bestond kennelijk al in 1254, bestaat uit tegen “vrijheidstarief” uitgegeven bebouwde erven en voert in 1355 en later een vrijheidszegel. Ene Marcelis trad in 1311 als schout van Oerle op in een kwestie te Bergeyk, samen met onder andere schepenen van Eersel en dezelfde Marcelis gaf in dat jaar ook namens de hertog grond uit in Hoogeloon.
De oudste schepenvermelding valt kennelijk na 1312, maar een schout zonder schepenen is moeilijk voorstelbaar. Leenders concludeert daarom dat Zand-Oerle ná 1212 en vóór 1254 als opidum librum door de hertog gesticht werd en rond 1300 (extra) vrijheidsrechten gekregen heeft, waaronder een eigen schepenbank voor een deel van het gebied van de oude bank van Eersel. Zand-Oerle ligt helemaal aan de rand van het openakkergebied, tussen die akker en een flink ven ingeklemd. Zand-Oerle ligt dus letterlijk in een marginale positie, op een plek waar de hertog in 12121254 op nog woeste gronden een nieuwe nederzetting met hoog cijnstarief49 kon stichten zonder iemand te moeten onteigenen. Zand-Oerle heeft een regelmatige plattegrond met centraal plein (130 meter lang, 30 meter breed in het midden, uitwaaierend naar noord en zuid; gevellijnen 38 meter uit elkaar), met een kapel in het midden. Zand-Oerle zou gezien deze vorm kunnen dateren uit de tijd van hertog Hendrik I (1190 - 1235) en dateert in ieder geval van voor 1254. De stedelijke ambities van Zand-Oerle zijn in latere eeuwen gesmoord, maar toch was Zand-Oerle in 1845 de grootste woonkern van de gemeente Oerle. Er stonden daar 45 huizen, tegen slechts 25 in Oerle dat niettemin als hoofdplaats van de gemeente werd aangemerkt.
Zand-Oerle op de kadasterkaart van 1832.
47 Coenen 2006. 48 Leenders 2005. 49 Van Asseldonk, 2002, 94. 64
Het plein met oude linden in Zand-Oerle (foto W. Coolen 2024). 13.17.3.002 Zonderwijk50 In Zonderwijk zien we vanaf het midden van de dertiende eeuw het uiteenvallen van een of meer oudere allodia. In 1245 verkocht Gerung, ridder van Engelen, 1/3 van de tiend van Zonderwijk aan Postel. In 1281 blijkt Willem, zoon van Godfried van Herlaar ook 1/3 van de tiend te bezitten en het patronaatsrecht, nu als leen van Brabant. Ook deze twee gaan naar Postel.51 In 1290 blijkt de heer van Boxtel recht op tiend en patronaat te claimen of te hebben. Ook die rechten gaan naar Postel.52 In 1240 bleek al dat het kapittel van Oirschot grond te Zonderwijk in cijns had gegeven.53 In 1290 schold de heer van Boxtel aan Postel ook een cijns in Zonderwijk kwijt. Blijkbaar had de heer van Boxtel hier dus cijnsgoed liggen. In 1446 werd van de hoeve van Aert van der Scaeft geschreven, dat deze lag in de parochie Veldhoven ter plaatse in Zonderwijk. Deze hoeve stond ook bekend als de hoeve Ter Scaeft. Het goed Bockhoven in Zonderwijk was cijnsplichtig aan het Domkapittel van Luik en aan het kapittel van Oirschot. Net als Bockhoven was ook de hoeve Cockhoven cijnsplichtig aan Luik en Oirschot.
Zonderwijk op de kaart van Pieck Van der Voort van rond 1840. 50 Leenders 2005. 51 Camps, 1979, nr. 372, 376, 377, 379. 52 Camps, 1979, nr. 442 t/m 448, 451. 53 Camps, 1979, nr. 191. 65
17.4 Klein gehucht 10-25 nederzettingseenheden. 13.17.4.001 Cobbeek Het gehucht Cobbeek heeft een typische schildvormige plattegrond. Het gehucht ontleende zijn naam aan een beek die door het gebied liep. In de volksmond heette die beek de Zonderwijkse Dommel of Knegselse Dommel. Nabij Cobbeek lagen enkele grote hoeven in een gebied dat Ten Eijnde werd genoemd. Cobbeek werd in de 14e eeuw soms gerekend tot de parochie Meerveldhoven.
Cobbeek op de kadasterkaart van 1830. 13.17.4.002 Hoogeind Alhoewel het een oud naamstype is, komt de naam Hoogeind pas laat in de bronnen voor. Het pondboek van 1766 spreekt van “het Hogen Eijnt”.54 Het kadaster schrijft Hoogeneind en De Hoogen Eindsche Braak, de topografische kaart van 1838: Hoogereind. De gemeente Oerle noemt in 1845 als een van de gehuchten van Oerle het Hoogeneind waar toen 28 huizen stonden.55
Hoogeind op de kaart van Pieck Van der Voort van rond 1840.
54 NAG, RVS 2140 Oerle, 10. 55 RHCE, Veldhoven 305. 66
13.17.4.003 Heers Heers werd in de 14e eeuw ook geschreven als Heerze en zelfs Heerle. Het woord betekent zandige heuvelrug. In Veldhoven ging het om de heuvelrug tussen de Aa en de Gender.56 De boerderij Ooieysarsnest in Heers lag temidden van de gemeenschappelijke gronden van Meerveldhoven, Zeelst, Blaarthem en Zonderwijk. 13.17.4.004 Het Heike of Heikant Het Heike is een gebied dat tot de herdgang van Cobbeek behoorde. Op het Heike, niet ver van de Heihoef, lag een boerderij die De Dom werd genoemd. Daarnaast lag een huis dat Den Uijttersten Dorn heette. Dat pand was in 1735 gedeeltelijk afgebroken en weer opgebouwd.57 13.17.4.005 Cleijn Eijndhoven, later Akkereind Dit gehucht van Zeelst maakte voorheen deel uit van de parochie Sint-Severinus-Blaarthem. De naam Cleijn Eyndoven wordt al in de 14e eeuw gebruikt. In de Cleijn Eijndhovensestraat lagen in de 13e eeuw goederen van de Bosschenaar Hendrik Coman en van Machelijn van Utrecht/van Tricht. Een deel van deze goederen was leenroerig aan de hertog van Brabant en aan de heer van Boxtel, een ander deel was allodiaal bezit. De landerijen van de grote hoeven Ten Eijnde, de Trichterhoeve en Ten Bogharde lagen door elkaar heen. Vermoedelijk is het oorspronkelijk in één hand geweest, toen dit gebied nog deel uitmaakte van Sint-Severinus-Blaarthemt.
De hoeve Ten Eijnde, die behoorde bij het slotje op Cleijn Eijndhoven, was in 1500 eigendom van Aert Roelofs Berwouts. De hoeve wordt in sommige akten geplaatst in de Cleijn Eijndhovensestraat op de Biezekuilen en soms in de Bogertstraat. Hiernaast lag een goed Ten Eijnde dat in het begin van de 16e eeuw opgesplitst was in twee boerderijen. In 1615 was er een overeenkomst over een gracht en een wal. De Trichterhoeve aan de Bogertstraat in Cleijn Eijndhoven was omstreeks 1500 van Roelof Everard Roefs van den Spiker. Het Akkereind was een vruchtbaar gebied waar enkele grote hoeven lagen. Tot het Akkereind behoorde het gebied het Smalbroek of Smalbroeken. Daar lag een leengoed van de hertog van Brabant dat bekend stond als het goed Ter Heijden. Het goed Ter Heijden staat in de oudste leenboeken van de hertog van Brabant vermeld onder Sint-Oedenrode. Net als de hoeve Valgate in Zeelst viel Ter Heijden onder Roois recht. Dit wil zeggen dat beide hoeven deel hebben uitgemaakt van het voormalige graafschap Rode (Sint-oedenrode). Het goed Ter Heijden was in de 14e eeuw in het bezit van de familie Bierkens. Het goed was in 1340 van de oudst bekende stamvader van deze familie. In 1440 werd het goed gedetailleerd omschreven. Het ging om een huis, schuur, stalling en hoeve te Zeelst met heivelden en akkers. De totale omvang was 14 bunder land.
13.17.4.006 Het Broek of Broekhoven Aan de Gender lag het gehucht Het Broek of Broekhoven, dat soms ook werd aangeduid als het Smedebroek. De naam Broek is een algemene benaming voor laaggelegen moerassige grond, meestal in de nabijheid van een rivier of beek. Op het Broek lag een hoeve die leenroerig was aan de heer van Boxtel. Gezien het feit dat de heer van Boxtel in de 13e eeuw de rechten had over de kerk van Zonderwijk (Veldhoven), moet dit een belangrijke hoeve zijn geweest. In de leenboeken van kasteel Stapelen te Boxtel staat de hoeve bekend als den guede TenBroeke. In de 17e eeuw stond de hoeve bekend als de jonker Meeuwenhoeve en nadien als de Schenaertshoeve.58 Net als in Meerveldhoven ontleenden de gehuchten Groote en Kleine Broek hun naam aan de moerassige grond in de nabijheid van de Gender. Dit gebied werd vooral vanaf de 12e en 13e eeuw bewoond, omdat het toen minder drassig was dan in de eeuwen daarvoor. Het gaat hier om het Smedebroek. Soms werd dit gebied gerekend tot Meerveldhoven, maar meestal viel het onder de parochie Veldhoven.59
56 Coenen 2006. 57 Coenen 2006. 58 Coenen 2006. 59 Coenen 2006. 67
Kaart van het gebied Broekhoven in 1832. De pastorie van Postel (R.K.) en die van de protestanten met daarnaast het kerkje, zijn zichtbaar. De Gender stroomt evenwijdig aan dit gehucht (uit Coenen 2006, p. 191).
17.5 Huizengroep 3-9 nederzettingseenheden. 13.17.5.001 De Rijt 13.17.5.002 Zittard De schrijfwijze Sittert komt in Oerle in een oorkonde van 1348 voor. In het gehucht Zittard lag een hoeve die cijnsplichtig was aan de abdij van Echternach. De 17e eeuwse cijnsboeken maken nog melding van de naam van Marcelis van Sittart, die voorheen die hoeve bezat. Marcelis leefde aan het begin van de 15e eeuw. Er was ook een hoeve op Zittard waaruit tweemaal per jaar een voogdschot betaald werd. Een voogdschot was een soort belasting aan een voogd. Meestal verstond men daar een rentmeester of vervanger van een klooster onder. We kunnen hier zowel denken aan de abdij van Echternach als de abdij van Sint-Truiden, welke laatste in Oerle en Zeelst enkele cijnzen inde.60 De aanwezigheid van een gerechtslinde zou er op kunnen wijzen dat Zittard het belangrijkste deel van Oerle was. Ook de aanwezigheid van de hoeve van Echternach en andere grote hoeven zijn daarvoor een aanwijzing.61 13.17.5.003 Halve Mijl Halfmijl is een oude kampontginning. In 1830 lag het in de gemeente Oerle. Daarbinnen zijn twee oudere kampen te herkennen. Bij iedere kamp hoorde aanvankelijk één boerderij die net buiten die kamp lag: de Grote en de Kleine Halfmijl. De oudste vermeldingen maken niet duidelijk of er toen al boerderijen waren, Bij de Grote Halfmijl zijn in de periode 1838 – 1900 twee boerderijen bijgebouwd.
13.17.5.004 Toterfout De geheimzinnig ogende naam Toterfout komt voor vanaf 1685-1695: het Totefeijts ackerken; huysken.... op den Toetefat; de Smeelen aenden grooten acker ter plaetse den Toetefat onder 60 Coenen 2006. 61 Coenen 2006. 68
Oerle.62 Ook in 1728 schreef men Totefat en varianten.63 Op de kadasterkaart verschijnt de naam als Toterfout. 13.17.5.005 De Vlut De Vlut is een wat oudere kamp op de rand van de heide op de linkeroever van de Bruggenrijt. De ontginning dateert mogelijk uit de jaren rond 1500. Het gebied maakte tot in de dertiende eeuw mogelijk deel uit van het overstromingsgebied van de veronderstelde watermolen van Oerle. In dit gebiedje staan vanouds twee boerderijen die nu de Grote en de Kleine Vliet heten. 13.17.5.006 Drie Huizen
Gehucht De Drie Huizen op de topografische kaart van rond 1900. 13.17.5.007 De Locht Op het gehucht De Locht lag een hoeve of goed TerLocht.Het woord Locht is afgeleid van Loict of Geloect hetgeen omheinde grond betekent. Van dit goed zijn alleen enkele gegevens bekend uit erfpachtbrieven. Dit wijst erop dat de hoeve zelf in de 15e eeuw al niet meer bestond, omdat er geen verkopen of verpachtingen van bestaan. Wel rustte op die grond een Domkapittelcijns wat aangeeft dat het ging om één van de oude hoeven van het Sint-Lambertuskapittel in Luik. 13.17.5.008 Schoot Het gehucht Schoot is een van de oudste delen van Veldhoven. Daar lagen bezittingen van de abdij van Echternach. Het woord Schoot betekent een hoge hoek land die uitspringt in het laaglands. Het gaat hier waarschijnlijk om een dekzandrug noordelijk van de Gender. De hoeve, die cijnsplichtig was aan de abdij van Echternach, stond bekend als het goed Ter Schoot of de Ledige Hoeye. Deze hoeve lag op enige afstand van de andere boerderijen van Schoot en was bereikbaar via een pad dat naar de Gender liep. In de 18e eeuw lagen op de plaats van de hoeve twee huisjes. 64 13.17.5.009 De Berkt Het gehucht De Berkt of Beirkt, dat tot Kerkoerle werd gerekend, ontleende zijn naam aan berkenbomen. De naam komt al voor in 1294. In Bergeijk en Lierop liggen eveneens gehuchten met dezelfde naam.
Op de Berkt vonden vanaf 1466 ontginningen plaats, waarvoor de bevolking van het gehucht speciale toestemming verkreeg van de hertog van Brabant. Op het gehucht Berkt lag een hoeve die in de 14e eeuw in het bezit kwam van het Bossche Geefhuis. Dit was een instelling in de stad Den Bosch die zich bekommerde om de armen. Het Bossche Geefhuis, of de Tafel van de Heilige Geest van Den Bosch, was een rijke organisatie. Op de Berkt lag ook de hoeve TerHulst. Deze hoeve bestond aanvankelijk uit twee huisjes, één afkomstig van Johan Bijnen, medecijne 62 BHIC, R Den Bosch 293, f 19, 247, 248; Mandos, 1949, nt.1. 63 BHIC, R69 (Ligger Verponding van 1728, getrokken uit het Lantboeck van 1683); Mandos, 1949, nt. 1. 64 Coenen 2006. 69
docter, het andere van Jacob van Gael. Op het laatste huis rustte een cijns aan het kapittel van Oirschot. In 1738 en in 1740 kocht Dirk Hagelaars beide huisjes en bouwde er vermoedelijk éen hoeve.65
Gehucht De Berkt op de topografische kaart van rond 1900. 13.17.5.010 Djept De oude schrijfwijze van de naam Djept is Duypt. Deze komt al voor in het cijnsboek van 1494. IJet gaat daarbij om een gemeenschappelijke visvijver nabij Duyp. De naam is afgeleid van diepte. Tot de herdgang Djept behoort de buurtschap Hoornven of Horenvenne. In 1435 vonden ontginningen plaats van de gemeenschappelijke gronden nabij deze buurtschap. Daar bezat Marcelis van den Horenvenne, de zoon van Mathijs Vlutmans, de hoeve het Horenvenne. De landerijen van de hoeve grensden aan de gemeenschappelijke gronden.66 13.17.5.011 Muggenhol Het gebied Muggenhol, soms ook Muggenhoevel genoemd, zal vermoedelijk haar naam te danken hebben aan de vele muggen in die omgeving. Een van de belangrijkste hoeven in het gebied Muggenhol was de hoeve Valgaten. Het was een leengoed dat gehouden werd volgens het Roois recht, dat wil zeggen de rechten van Sint-Oedenrode. In 1356 werd het een Brabants leen, dat in opdracht van hertogin Johanna van Brabant in Leuven in de leenboeken werd geregistreerd. Het goed werd omschreven als een huis, hof en 8 bunder land in Zeelst. In de 16e eeuw werd de hoeve Valgaten eigendom van de familie Van Eijck. Later zou deze hoeve bekend staan als het Oude Slot van Zeelst. De weg van Cobbeek naar het oude Slot van Zeelst heette voorheen Valgatenweg.
Het gebied dat bekend stond in het kadaster als Valgaten maakte deel uit van de landerijen van de hoeve. Het Slot van Zeelst was leenroerig aan het leenhof van Brabant. In het Muggenhol lag eveneens de hoeve Ten Velde. De hoeve, die al in de 14e eeuw bestond, was eigendom van Goyart Bierkens van Zeelst. Goyart was rentmeester van het Domkapittel van Luik in Zeelst.
65 Coenen 2006. 66 Coenen 2006. 70
Kaart van het gebied Muggenhol in 1832 met de boerderij ’t Oude Slot (uit Coenen 2006, p. 191). 17.6 Verspreid aan de straat Van belang is dat de "verspreide bewoning aan straat" in veel gevallen de gedaante is waarin oude, niet erg uitgegroeide, agrarische gehuchten in de vroege 19e eeuw nog voortbestonden. 13.17.6.001 Kruisstraat 13.17.6.002 Biezen 17.7 Compact aan straat Enkele verdichtingen in de verspreide bewoning, meestal aan een weg. 13.17.7.001 Habraken Habraken was in de 14e en 15e eeuw niet meer dan een buurtschap in Kerkoerle die bestond uit enkele huizen. De naam is afgeleid van Hoogbrake, hetgeen wijst op hooggelegen braakliggende grond. De naam Hoghebrake werd in Oerle omstreeks 1390 nog gebruikt. De familienaam Habraken is van dit gehucht afgeleid. 13.17.7.002 Heiberg Op het gehucht Heiberg lagen enkele huizen. In 1434 werd in een akte melding gemaakt van een huis met schuur, poort en andere gebouwen. De naam Heiberg geeft de oorspronkelijke gesteldheid van het terrein aan.67 17.8 Verspreid Soms erg eenzaam gelegen losse nederzetting bijv. boswachter, paardenwisselstation. 13.17.8.001 Moleneind 67 Coenen 2006. 71
13.17.8.002 Molen Zeelst 13.17.8.003 De Looker 13.17.8.004 De Steenselse Hut
De Steenselse Hut aan de weg van Veldhoven naar Steensel bestaat nog steeds (Google streetview maart 2024). 13.17.8.005 De Kleine Pastorij 13.17.8.006 ’t Slot van Zeelst
72
Thema: 18 Heerlijkheden Een typisch middeleeuws fenomeen zijn de heerlijkheden. In oorsprong zijn dat grote stukken grond waarover de bezitter of heer een zekere rechtsmacht bezat. Veelal betrof die macht ook de mensen die op die grond woonden of anderszins aan de heerlijkheid gebonden waren. Deze rechtsmacht vertoonde gradaties: de hoge rechtsmacht liet toe misdadigers te bestraffen, eventueel met de doodstraf. De lage rechtsmacht liet slechts toe boetes tot een zeker niveau op te leggen, terwijl het recht van "erven en onterven" er op neer kwam dat de gronden die onder de heerlijkheid vielen alleen ten overstaan van de heer of zijn vertegenwoordiger en zijn leen- of laathof konden worden verkocht of verorven. Voor die heer was er in principe een woning op de heerlijkheid. Veelal werd die woning in de loop van de tijd uitgebouwd tot een eenvoudig kasteeltje met op de voorhof een hoeve. Tot de heerlijkheid hoorden vaak nog enkele hoeven die door de heer verpacht werden. Daarnaast was een deel van de grond uitgegeven en werd daarvan jaarlijks een klein bedrag (typisch 6 Leuvense penningen per bunder, ongeveer 2,5 eurocent per hectare) aan de heer betaald. Andere gronden waren als leengoed uitgegeven. De leen- en cijnsgronden lagen deels aaneen tegen het eigen (deels verpachte) deel van de gronden van de heerlijkheid, maar voor een ander deel lagen ze vaak erg verspreid.
Samenvattend: 1. eigen goed: - burcht of kasteel - huis voor de heer, met wat grond (tuin, park) - een of meer verpachte boerderijen 2. leengoed 3. cijnsgoed 4. allerhande rechten. Deze kunnen soms landschappelijk tot uiting komen. De bezitter van zo'n heerlijkheid was in de regel zelf weer leenman van een andere heer. Dat kon de hertog van Brabant of Gelre zijn of de abdis van Thorn, de bisschop van Luik etc.. Deze feodale afhankelijkheid is belangrijk voor het begrijpen van de vorming van de nederzettingen. In de Kempen is een heerlijkheid een gebied waarover een lokale heer enkele rechten uitoefent. Dat kan heel beperkt zijn, het kan ook gaan om rechtsmacht tot en met het ter dood brengen van veroordeelden. Heerlijkheden zijn een typisch middeleeuws fenomeen waaraan in 1795 formeel een einde kwam. In het landschap herinnert er nog veel aan. De heerlijkheden zijn vanaf de zestiende eeuw in toenemende mate ook een landgoed geworden. De landgoedaspecten van de heerlijkheden worden hierna onder thema 19, Landgoederen behandeld. Daar komen de heerlijkheden dus ook weer terug. Kennelijk bestond er tot het midden van de dertiende eeuw een allodium Oerle, waartoe de kerk, patronaatsrecht en tienden behoorden, alsmede grond en cijnzen. Opgravingen die in 1981 ten noorden van de kerk van Oerle verricht werden, brachten een put daterend van omstreeks 1000 na Chr.
aan het licht, alsmede een andere put van omstreeks 1050-1100. Ook werd er aardewerk uit de twaalfde eeuw gevonden. Volgens de onderzoekers was er een achtvormige gracht aangelegd om de kerk en om de rest van het dorp. De waterpartijen die in 1830 verder naar het noorden op de kadasterkaart getekend zijn, zijn waarschijnlijk veel jonger. Voor de zuidelijkste waterpartij, met het schiereilandje, werd archeologisch aangetoond dat ze veel jonger is dan het achtvormig grachtenpatroon.68 Tegen 1250 was het allodium Oerle verorven onder enkele dochters van de vorige eigenaar. Zij droegen in de jaren 1249 – 1254 hun aandelen over aan de abdij Floreffe ten behoeve van het klooster te Postel.69
68 Arts en Bijnen, 1982; Bijnen, 1982,162 - 164. 69 Camps, 1979, nrs. 234-237, 254; Steurs, 1993, 160. 73
Waaruit bestond het allodium Oerle? De dertiende eeuwse overdrachten aan Postel geven een ruw beeld, dat met een overzicht van zeventiende eeuwse bezittingen van Postel aangevuld kan worden. Kerkelijk De kerk van Oerle, met het recht de pastoor voor te dragen. De tienden van Oerle, waarvan 1/3 voor de pastoor. Wereldlijk In eigen beheer: de 8-vormige omgrachting met kerk en kerkhof op het zuidelijke eiland en vermoedelijk een hoeve of woning op het noordelijke: de hof van de eigenaar, het “hooghuis”. Later verpacht: • De Kerkhoeve, die kennelijk bij de kerk stond, later “den Tuitelenberg”. In 1600 wederopgebouwd zoals bleek uit jaarcijfers in blauwe steen. In 1935 afgebroken. De laatste eigenaar was H. Smets. • De Bogaardshoeve. • Molen van Oerle, banmolen. Eerst een watermolen, later windmolen. Stond op 4 plaatsen. Afgebroken 1933. De molen werd door Postel verpacht. Cijnzen: Zowel te Oerle als in Wintelre.[BHIC, CVB 635 f 206r-207r, 219v-220v.] Betaaldag St. Andries; bedragen van 4 tot 12 stuivers. Rijken noemt enkele families die in 1471 aan Postel cijnsplichtig waren. En in 1571: daaronder Jan Creyelt. Percelen in Oerle: Donderschot, Schuurakker, Voorslot, Laereynde. De cijnzen lijken een beperkt terrein te beslaan. De visvijver Postelse Weier, eerder geheten Stakenvenne, is duidelijk een latere aanwinst voor Postel en behoorde dus niet tot het allodium.
Naar Rijken, 1934 – 1938; uitgegeven door Bijnen, 1977, 81 – 83, 144. Postel beheerde het allodium van Oerle kennelijk aanvankelijk als een “hof” of uithof, want in het hertogelijk cijnsboek van 1340 voor Oerle vinden we de vermelding van een magister de curia d’ Ourle.
Het voorgaande speelde zich af in Kerk-Oerle dat nu gewoon Oerle heet. 1130 meter ten zuidwesten daarvan stichtte de hertog van Brabant een nieuwe nederzetting: Zand-Oerle. Steurs en Van Asseldonk interpreteren de gegevens ieder op een eigen manier. Volgens Steurs was het de bedoeling om de heren van Kerk-Oerle te beconcurreren en aldus op de knieën te dwingen.70 In zijn ogen gebeurde dat dus in de jaren 1249 – 1254. Om dat te bereiken werd Zand-Oerle een opidum, waarschijnlijk een opidum librum, waar de inwoners vrij waren van feodale plichten die bijvoorbeeld nog wel golden op het allodium van Oerle en elders op het platteland. Oerle wordt in 1254 genoemd als een van de plaatsen waar de lieden van de abdij van St. Truiden naartoe trekken omwille van de belastingvoordelen.71 Zand-Oerle kreeg een eigen schepenbank, die kennelijk voor de hertog de hele regio moest bedienen. De eerste blijk van die schepenen dateert in de ogen van Steurs uit 1249.72 In 1281 presenteerde Oerle zich als communitas opidi sive ville in een geschil met Postel, ondermeer over bomen bij en een schuur binnen de gracht om de kerk.73 Dat gaat dus over Kerk-Oerle. Steurs leidt hieruit af dat vóór 1281 de vrijheidsrechten van Zand-Oerle ook op Kerk-Oerle van toepassing waren geworden. 70 Steurs, 1973, 190-191. 71 Steurs, 1993, 251. 72 Camps, 1979, nr. 235. 73 Camps, 1979, nr. 373. 74
Van Asseldonk ziet de ontwikkeling wat anders.74 Hij stelt op basis van de cijnstarieven vast dat in 1340 in het grote cijnsgebied Oerle al ergens een vrijheid was. Blijkens het zegel van 1355 was dat Zand-Oerle. De vier leeuwen in dat wapen verwijzen naar hertog Jan II (1294 – 1312). In 1281 heette Oerle nog een communitas opidi sive ville. Van Asseldonk suggereert dat Zand-Oerle eerst opidum werd, met een hertogelijke schepenbank die we in 1249 zien optreden; en pas onder Jan II vrijheidsrechten kreeg. Dat is vergelijkbaar met de situatie in Oisterwijk, dat in 1212 tot de nieuwe opida libera van de hertog gerekend werd, maar pas in 1230 de eerste ons bekende vrijheidsrechten kreeg. Zand-Oerle zal in de ogen van Van Asseldonk ná 1212 en vóór 1249 opidum librum geworden zijn (of als zodanig gesticht) en rond 1300 (extra) vrijheidsrechten gekregen hebben. Bij deze interpretaties moeten enkele kanttekeningen geplaatst worden. Weliswaar staat in het charter van 124975, glashelder verwezen naar een eerdere brief van de schepenen van Oerle, maar uit de hele context is duidelijk dat daar naar een brief van schepenen van Antwerpen verwezen had moeten worden.
Die schepenbrief bleef eveneens bewaard in het Postels archief.76 Steurs ziet het verkopen van tienden en patronaat aan Floreffe / Postel in 1249/50 als aanwijzing dat de hertogelijke politiek om de lokale heren dood te knijpen succes had.77 Evenwel, we zien een verdeling tussen familieleden, een normaal verschijnsel bij allodia dat vaak leidde tot overdracht aan kloosters of het ontstaan van niet leefbaar kleine heerlijkheden.78 Daarnaast zag Steurs de overdracht van grond en cijns aan Postel in 1254 over het hoofd79 terwijl er overigens nergens sprake van is dat de eigenaren van het allodium zich als “heren” opstelden. Als we zien wat hun allodium inhield, dan waren het niet eens erg grote gewone allodiale grootgrondbezitters. In het midden van de dertiende eeuw hebben zij hun bezit aan Postel overgedragen, iets dat ook wel zonder hertogelijke stadsstichting gebeurd zou zijn.
18.1 Kasteel Onder kasteel verstaan we niet alleen het (stenen) hoofdgebouw in een gracht, maar het hele complex bestaande uit zo’n hoofdgebouw (eventueel op een motte) en zijn gracht, een voorhof in een gracht, de kasteelboerderij, eventueel poortgebouw, verdere wallen en grachten. 13.18.1.001 ’t Oude Slot van Zeelst80 Coördinaten: X 157.056 / Y 382.126 In Zeelst aan de Hemelrijken 6 staat de hoeve waaruit Museum ’t Oude Slot is voortgekomen; de hoeve werd aangeduid met ’t Oude Slot maar vloeit voort uit het leengoed Valgaeten. Deze historische landhoeve was in 1825 gebouwd uit afbraakmaterialen van het ’t Oude Slot van Zeelst. De oudste archeologische vondsten, die op het terrein zijn gedaan, moeten worden gedateerd in de tweede helft van de 16e eeuw. Hoeve Valgaeten en het oude slot van Zeelst maakten lange tijd deel uit van hetzelfde leengoed. In 1678 werden ze bij een erfdeling gesplitst. Beide zijn terug te voeren tot minimaal 1312 AD. Voor 1203 was deze plek een leengoed van de graaf van Sint-Oedenrode. In de late middeleeuwen krijgt het de naam Valgaeten. Zeer waarschijnlijk is jonker Francois Schotelmans opdrachtgever van de bouw geweest. Hij verkreeg op 5 juni 1559 van Filips II, hertog van Brabant, de pandheerlijkheid van Zeelst en mogelijk werd hierbij toestemming gegeven een versterkt huis te bouwen.
Van 1562 tot 1613 waren achtereenvolgens Adriaan van Etten, Rodolf van Eyck en na diens dood zoon Goyart (allen heren van Zeelst c.a.) eigenaren van het huis te Zeelst. Na het overlijden van Floris van Eyck erfde zijn zoon Johan, omstreeks 1648 gehuwd met Cecilia van Eyck (zijn nicht?), het Adelijck Huys te Zeelst. Uit deze en latere tijd zijn er meer gegevens over dit pand bekend: zo zouden de erbij gelegen bouw- en weilanden, alsmede de boomgaard, verhuurd zijn geweest en de hoeve ('neerhuis' genoemd) op het terrein bij het huis bewoond door een landbouwerpachter. De toegangsweg naar de 74 Van Asseldonk, 2002, 94. 75 Camps, 1979, nr. 235. 76 Camps, 1979, nr. 234, 7 dagen eerder. 77 Steurs, 1993, 253. 78 Leenders, 1996, 397-401. 79 Camps, 1979, nr. 254. 80 Bijnen 2005; Coenen 2006. 75
brug over de gracht, aan weerszijden door bomen omzoomd, heette Bogaardstraat. De summiere gegevens, die vanaf het midden van de 17e eeuw over het huis konden worden opgespoord, roepen een beeld op van een buitenhuis (met bouwhoeve om in eigen levensbehoeften te kunnen voorzien), dus duidelijk een woon- of buitenplaats voor de lagere adel. In de archiefstukken hebben we incidenteel nog aanwijzingen gevonden voor het vroegere bestaan van een kelder, een bovenkamer en een dakbedekking, deels in stro en leien uitgevoerd. Van het uiterlijk hebben we slechts één schets ter beschikking, waarvan is aangetoond dat deze op louter fantasie van de maker berust. De meest voor de hand liggende voorstelling van het Adelijck Huys van Zeelst is dat het een door een gracht omsloten hoeve is geweest met 'herenkamers' of met een vrijstaand 'herenhuis' van twee verdiepingen. De aanwezigheid van een gracht, Vest genoemd, had eerder een statusverhogende dan een versterkende functie. Het Adelijck Huys werd tussen 1683 en 1809 vrijwel doorlopend geheel of gedeeltelijk verhuurd (waaronder de grote zaal rechts van de ingang met de erboven gelegen kamer, een deel van de kelder en de visvijver). In 1964 en volgende jaren werd archeologisch onderzoek gedaan naar het huis.
Diverse campagnes, uitgevoerd door een groepje lieÍhebberijarcheologen onder leiding van Ton (A.P.J.) Vroomans (bijgenaamd 'Slotvoogd'), hadden het karakter van een verkenning. De onderzoekers spoorden delen op van de gedempte Vest, funderingsresten van het Adelijck Huys en talrijke aardewerkscherven, waarschijnlijk achtergelaten door de vroegere bewoners. De minister besloot in 1966 de boerderij met de bijgebouwen, de hof en de poortopening onder het rieten dak tussen woonhuis en scltuur als beschermd monument op de Rijkslijst te plaatsen. In april-mei 1967 werd een nieuwe gracht gegraven. De gebouwen zelf werden in 1973-1914 gerestaureerd. Op 14 maart 1967 was in de boerderij reeds een gemeentemuseum ondergebracht, waarvan de offlciële opening 30 november 1974 plaatsvond onder de benaming 'Gemeentemuseum 't Oude Slot'.
Boerderij ’t Oude Slot, gefotografeerd in 1963, kort voordat het door de gemeente Veldhoven werd gekocht (foto: Ríjksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist) (uit Bijnen 2005). 13.18.1.002 Domein Oerle of Boonberg?? In de jaren 1981-1986 werd in de kom van Oerle een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarin aan het licht kwam dat tenminste gedurende de periode 1000-1250 de percelen van het huidige kerkgebouw (inclusief kerkhof) en van het ertegenover gelegen Dorpsplein door twee aan elkaar grenzende grachten werden ingesloten. Deze vondst, gecombineerd met gegevens uit de beschikbare historische bronnen, maakt aannemelijk dat hier de verblijfplaats van een voorname familie grootgrondbezitters werd teruggevonden. Zeer waarschijnlijk lag de stichting van het heerlijk bezit van Oerle ruim vóór de 10e eeuw (8e eeuw ?) en is het woongebied (site) van de heer omstreeks de 10e-11e eeuw versterkt met een gracht. In het midden van de 13e eeuw (1249-1254) 76
werd het familiebezit via een reeks transacties aan het klooster Postel - feitelijk aan haar moederabdij Floreffe - verkocht.81 De gevonden aardewerkfragmenten en de 14C-dateringen van houtmonsters van o.a. twee waterputten op het noordelijk gelegen voorterrein, laten zien dat de bewoning van dit terrein begon op het einde van de 11de eeuw.82 Omgeven door een brede gracht, stond de woning van de heer op het hoofdterrein, alsook een (eigen)kerkje. Eveneens omringd door een gracht, stonden twee boerderijen (’neerhoeven’) op het voorterrein. De inkomsten van de kerkelijke belasting (tienden = het tiende deel van de vruchten van het veld en van de opbrengst van het vee) vielen toe aan de heer en zijn erfelijke opvolgers, waaruit aan de pastoor een bedrag voor zijn levensonderhoud werd besteed. Voorts beschikte de heer over een eigen rechtsprekend college, een zogenaamde laat- of dingbank (met beperkte bevoegdheden over het eigen bezit). Hier werd recht gesproken over onderlinge geschillen tussen burgers van de grondheerlijkheid, over conflicten, over overtredingen en onenigheden, en er werden akten van transport, transacties en contracten van verhuur en verpachting opgemaakt.
Een reconstructie van de Middeleeuwse situatie op de kadasterkaart van 1832 (uit Ter Steege 2013, fig. 5.2).
81 Bijnen 1985; Bijnen 1987. 82 Ter Steege 2013. 77
In 2012 kon men opnieuw in het centrum van Oerle onderzoek uitvoeren. Hierbij is zowel de noordelijke alsook de zuidelijke lus van de achtvormige gracht een keer aangesneden. Voorts zijn er paalkuilen gevonden die behoren bij een brug, een boomstamwaterput en een aantal kuilen gevonden waarvan de functie nog onduidelijk is. Op basis van dit recente onderzoek lijkt de bewoning van deze locatie te beginnen in de 12de eeuw, gebaseerd op aardewerkvondsten uit het onderste deel van de zuidelijke gracht. Echter vanwege het ontbreken van goed dateerbaar materiaal uit de boomstamwaterput ende twee overige kuilen in een dieper aangelegd vlak kan een vroegere datering nog niet uitgesloten worden.
18.2 Hoofdhoeve Met hoofdhoeve en hoeve worden de agrarische bestaansstructuur van de heerlijkheid en bestaansbasis van de heer aangegeven. In de late Middeleeuwen en daarna zijn dat normaal verpachte boerderijen met meestal veel grond. De hoofdhoeve staat veelal op de voorburcht. Wat verderop vindt je dan één of meer andere hoeven. 18.3 Hoeve83 Het gaat hier om pachthoeven van de oude domeinen, niet om “gewone” opvallende boerderijen. 13.18.3.001 Hoeve van de abdij van Postel84 Gelegen nabij De Sitterlaan-Capella-Parkpad in Veldhoven. Er is hier niets meer van over bovengronds. 13.18.3.002 Hoeve van de abdij van Postel, Schaapskooi85 Gelegen op adres Sondervick 62 in Veldhoven. Er is hier niets meer van over bovengronds. Vroegste vermelding: 1393 In Veldhoven of Zonderwijk had de abdij van Postel twee hoeven, die in een 18e -eeuwse lijst werden aangeduid als de Jan Peeter Dielenhoeve en de Aert Lambrechtshoeve. Net als in Oerle is het niet duidelijk hoe en wanneer Postel deze hoeven verworven heeft. In 1240 bijvoorbeeld schonk Godefridus van Sonderwic al land aan de abdij van Postel, maar van een hoeve was toen nog geen sprake. In de meeste gevallen kreeg Postel bestaande hoeven en ging de abdij niet zelf over tot het stichten van boerderijen. Beide hoeven waren al zeker in 1393 in het bezit van Postel.
Een jaar later verklaarden enige inwoners van Zonderwijk, op verzoek van hertogin Johanna van Brabant, dat de hoeven al meer dan 60 jaar door pachters van de abdij werden gebruikt. De aanduiding 60 jaar is ongeveer gelijk aan sinds mensenheugenis, met andere woorden de hoeven kunnen al meer dan 100 jaar bezit van de abdij zijn geweest. Ze zouden bijvoorbeeld afkomstig kunnen zijn van Willem, heer van Boxtel, een van de grootste weldoeners van de abdij. In de cijnsboeken werden de hoeven en landerijen niet gespecificeerd, daar stond alleen cellarius de Postel, waarmee de keldermeester van de abdij werd bedoeld.86 13.18.3.003 Hoeve omtrent de kercke of Kerckhoeve, Oerle87 Coördinaten: X 153.764 / Y 381.459 Vroegste vermelding: 1393 Hoeve in Kerkoerle, oorspronkelijk bezit van de abdij van Postel. De hoeve dateert wellicht uit de dertiende eeuw of zelfs eerder. In 1740 werd de hoeven openbaar verkocht en kwam deze volledig in handen van Jan van Gemert. Hij verkocht de oude Postelse hoeve bij de kerk van Oerle in 1743 aan Hendrik de Pon, president-schepen van Oerle. Oorspronkelijk gelegen op adres Gerard Vekemansplein in Oerle. Er is hier niets meer van over bovengronds.
83 Leenders 2015. 84 Leenders 2015. 85 Coenen 2006: 83, 129, 187, 188. Leenders 2015. 86 Coenen 2006. 87 Leenders 2015. 78
De oorspronkelijke Kerkhoeve tegenover de kerk, die oorspronkelijk toebehoorde aan de abdij Van Postel (uit Coenen 2006, p. 183). 13.18.3.004 Ten Bogaerdhoeve, Oerle88 Coördinaten: X 153.672 / Y 381.491 Vroegste vermelding: 1393 Hoeve in Kerkoerle, oorspronkelijk bezit van de abdij van Postel. De hoeve dateert wellicht uit de dertiende eeuw of zelfs eerder. Oorspronkelijk gelegen op adres Gerard Vekemansplein in Oerle. Er is hier niets meer van over bovengronds.
Voormalige Bogaardsche hoeve tegenover de parochiekerk van Oerle. Gesloopt in 1957 (situatie omstreeks 1950) (uit https://shev.dse.nl/e_depot/oerle4000jaar_4.pdf). 13.18.3.005 Het Hoefken aan de pastorije, Oerle89 Oorspronkelijk bezit abdij van Postel.
88 Leenders 2015. 89 Leenders 2015. 79
Oorspronkelijk gelegen op adres Oude Kerkstraat 29-33 in Oerle. Er is hier niets meer van over bovengronds. 13.18.3.006 Hoeve De Berkt, Kerk-Oerle Vroegste vermelding: 1294 Pachthoeve van het Bosche Geefhuis. Hoeve in De Berkt, geschonken aan het Bossche Geefhuis in twee delen in 1312 en 1377. Even ten noordoosten van Kerk-Oerle ligt het gehucht De Berkt. Daar lag een stuk grondbezit dat deels cijnsgoed en deels leengoed van ene Alard van Driel was. In 1294 werd dat goed verkocht aan de Bossenaar Willem van Rode, van wie het uiteindelijk bij de Godshuizen belandde. In 1312 verkreeg de Bosse Tafel van de Heilige Geest van ene Evesa, weduwe van Philip de halve hoeve van Berkt te Kerk-Oerle, met novale tiend. De andere helft werd in 1377 door de Tafel verworven. 90 13.18.3.007 Het goed Ten Eijnde (Van Brogelhoeve) op het Akkereind Hoeve in Het Heike, waarvan de percelen grensden aan de Clarissenhoeve. Vroegste vermelding: 15e eeuw Behoorde in de eerste helft van de 14e eeuw toe aan Wouter Didderics van den Eijnde. De hoeve lag op Zittard. In enkele stukken staat immers dat Wouter op Zittard woonde. De hoeve wordt genoemd in oorkonden van 1348 en 1354. Wouter van den Eijnde schonk een aantal erfpachten uit dit goed en andere percelen te Oerle aan de abdij van Floreffe ten gunste van het klooster in Postel.
De naam van de hoeve Ten Eijnde komt na 1648 in Meerveldhoven niet meer voor. In 1730 werd deze boerderij De Heihoef genoemd. Toen verkocht Van Breugel de hoeve aan Gerrit van Erkel uit Oirschot. In 1251 was deze nog eigenaar van de grond, maar het pand was gesloopt. Een gedeelte van de grond lag in Zeelst. De hoeve lag niet ver van De Dom.91 13.18.3.008 Hoeve Ten Eijnde92 Plaats: Het Heike Vroegste vermelding: 14e eeuw 13.18.3.009 Hoeve Ten Eijnde93 Vroegste vermelding: 15e eeuw Hoeve in Akkereind opgesplitst in twee delen. 13.18.3.010 De Hoef, hoeve Ten Eijnde of Clarissenhoeve op Heikant94 Coördinaten: X 155.739 / Y 381.604 Plaats: Cobbeek. Vroegste vermelding: 1390 In de Heikant ligt tussen het Heike aan de Heerbaan het Peter Benensonpark, genoemd naar de oprichter van Amnesty International. Bij de totstandkoming van de Heikant is één van de oudste boerderijen van Zeelst op deze locatie geslachtofferd. De boerderij stond op Heike 3 en was bekend onder de naam De Hoef. De rijke historie van deze hoeve gaat terug tot in de 15e eeuw. In 1985 is de boerderij gesloopt. De hoeve werd ook aangeduid als De hoeve van de Rijke Claeren en als Claerenhoef of Clarissenhoeve. In 1487 werd de hoeve namelijk eigendom van het Claraklooster in ’s-Hertogenbosch. De Clarissen hadden landerijen in Zeelst, Veldhoven, Meerveldhoven en Blaarthem. De akkers en beemden waren ruim 12 ha groot.
Bovendien had het 40 loopens aan heide richting Strijp.
90 Coenen 2006. 91 Coenen 2006: 85, 130, 192. 92 Coenen 2006: 85, 130, 192. 93 Coenen 2006: 87, 131, 191. 94 https://www.erfgoedhuisveldhoven.nl/blog/2024/09/04/onder-welke-naam-was-deze-hoeve-bekend/ 80
De Hoef of Clarissenhoeve op de Heikant (uit Coenen 2006). 13.18.3.011 De Heskok in het Broek Plaats: Meerveldhoven. Vroegste vermelding: 1388 Het goed De Heskok, gelegen aan de Gender, was cijnsplichtig aan het Domkapittel van Luik. Dit geeft meteen aan dat het een zeer oude hoeve moet zijn geweest. In 1388 was Wouter Wouters van Oerle eigenaar van de hoeve. Vrijwel alle eigenaren waren poorters van de stad Den Bosch. Jacob uter Oesterwijc was tevens rentmeester van het Domkapittel van Luik in Meerveldhoven en Zeelst. Na zijn dood vervulde zijn weduwe die functie tot omstreeks 1432. De hoeve was in de eerste helft van de 17e eeuw in het bezit van de adellijke familie De Bever. Volgens een beschrijving van het tiendgebied van jonkheer Charles van Vladeracken, waartoe de hoeve eveneens behoorde, was De Heskok in 1653 eigendom van jonkvrouwe Bruijninckse. Op het goed De Heskok lagen aan het begin van de 18d" eeuw twee boerderijen, die eigendom waren van de heer Van Wamel. Na hem waren zIj het eigendom van Antonius Loijens, een kanunnik uit Maastricht, en vervolgens van Maria Theodora Loijens. Bij de boerderijen hoorden 90 lopens land (15 hectaren). In 1809 bleek De Heskok inmiddels te bestaan uit vier boerderijen, waarvan er drie toebehoorden aan de familie Van den Oetelaar.95 13.18.3.012 Hoeve Broekhoven96 Plaats: Broekhoven.
Vroegste vermelding: 14e eeuw Hoeve in Broekhoven, die waarschijnlijk behoorde tot het Goed van de Heskok. 13.18.3.013 Hoeve Ten Broecke/ Jonker Meeuwenhoeve / Meester Schenaertshoeve97 Op het Broek lag een hoeve die leenroerig was aan de heer van Boxtel. Gezien het feit dat de heer van Boxtel in de 13e eeuw de rechten had over de kerk van Zonderwijk (Veldhoven), moet dit een belangrijke hoeve zijn geweest. In de leenboeken van kasteel Stapelen te Boxtel staat de hoeve bekend als den guede Ten Broeke. In de 17e eeuw stond de hoeve bekend als de jonker Meeuwenhoeve en nadien als de Schenaertshoeve.98 13.18.3.014 Hoeve van het Groot Ziekengasthuis van Den Bosch Coördinaten: X 156.334 / Y 379.725 95 Coenen 2006: 79, 127, 185-186, 266. 96 Coenen 2006: 84, 130, 191-192. 97 Coenen 2006: 81, 128, 187, 266. 98 Coenen 2006. 81
Vroegste vermelding: 1481 In het Smedebroek lag een hoeve van het Groot-Ziekengasthuis van Den Bosch. In het archief van het Groot-Ziekengasthuis van Den Bosch bevinden zich 41 eigendomsbewijzen van percelen in Zonderwijk (Veldhoven) en Meerveldhoven die in de 14e en 15e eeuw tot de hoeve Smedebroek behoorden. De oudste oorkonde is een verkoopakte van een beemd aan de Heijdeberg in Zonderwijk. Uit die eigendomsbewijzen valt goed af te leiden hoe Aert Jan van den Broeck vanaf 1404 percelen kocht van zijn naaste familie om daarmee het oorspronkelijke goed weer bijeen te krijgen. Door de aankoop van grond en erfpachten van de hoeve kwam het Groot Ziekengasthuis in 1487 grotendeels in het bezit van de hoeve Smedebroek. De hoeve was omstreeks 1648 eigendom van Hendrik Willerns (Eijmans). Het pand lag op de smalle zijde van een driehoekig pleintje.99 13.18.3.015 Hoeve Valgaten Een van de belangrijkste hoeven in het gebied Muggenhol was de hoeve Valgaten. Het was een leengoed dat gehouden werd volgens het Roois recht, dat wil zeggen de rechten van SintOedenrode. In 1356 werd het een Brabants leen, dat in opdracht van hertogin Johanna van Brabant in Leuven in de leenboeken werd geregistreerd. Als leenman werd in 1356 genoemd Henric Didderícx van den Valvekene. Het goed werd omschreven als een huis, hof en 8 bunder land in Zeelst. Na de dood van Henric volgde zijn zoon hem op.