CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1e Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Veldhoven

Raad (besluitvormend) 9 september 2025, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Vaststellen actualisatie Erfgoedbeleid32.698 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Bij hem werd de naam beter geschreven, namelijk Didderic Henricx van den Valgate. In 1440 beschreef Hendrik van den Valgate de percelen die bij de hoeve hoorden. Een van die percelen lag bij Cleijn Eijndhoven. Het geeft aan dat het grondbezit van de hoeve verspreid lag in Zeelst. Een ander perceel lag aen den Molenstadt. Een molenstad is een plaats waar een molen heeft gestaan of staat. In de 16e eeuw werd de hoeve Valgaten eigendom van de familie Van Eijck. Later zou deze hoeve bekend staan als het Oude Slot van Zeelst (zie 13.18.1.001). De naam Slot dient niet verward te worden met een gelijknamige hoeve op het Akkereind. De weg van Cobbeek naar het oude Slot van Zeelst heette voorheen Valgatenweg. Het gebied dat bekend stond in het kadaster als Valgaten maakte deel uit van de landerijen van de hoeve.100 13.18.3.016 Hoeve Ter Heijden op het Akkereind De hoeve Ter Heijden op het Akkereind bij de Smalbroeken was een leengoed van de hertog van Brabant. Het leengoed was in twee helften verdeeld. Na 1648 vonden de leenverheffingen plaats voor het Leenhof van Brabant in Den Haag. Sinds 1619 was jonker Anthonis van Eyck eigenaar van de hoeve Ter Heijden. Na zijn dood in 1653 werden zijn bezittingen verdeeld. Er was toen sprake van een oude hoeve en een nieuwe hoeve.101 13.18.3.017 Hoeve Ten Velde In het Muggenhol lag eveneens de hoeve Ten Velde.

De hoeve, die al in de 14e eeuw bestond, was eigendom van Goyart Bierkens van Zeelst. Goyart was rentmeester van het Domkapittel van Luik in Zeelst. 102 13.18.3.018 Het Goed Ter Schoot / De Ledige Hoeve103 Vroegste vermelding: 1446 Hoeve in Schoot, cijnsplichtig aan de abdij van Echternach. 13.18.3.019 Hoeve ter Hulst104 Coördinaten: X 154.542 / Y 381.852 Vroegste vermelding: 1738 Hoeve in De Berkt, bestond oorspronkelijk uit twee hoeven.

99 Coenen 2006: 81, 128, 187. 100 Coenen 2006. 101 Coenen 2006. 102 Coenen 2006. 103 Coenen 2006: 81, 128, 187. 104 Coenen 2006: 183. 82

13.18.3.020 Hoeve Cochoven / Koeckxse hoeve / Koeckkoeckse hoeve105 Vroegste vermelding: 1331 Hoeve in Zonderwijk. 13.18.3.021 Hoeve de Dom106 Plaats: Het Heike Vroegste vermelding: 1735 13.18.3.022 Hoeve Ooievaarsnest107 Plaats: Veldhoven Vroegste vermelding: 1465 13.18.3.023 De Armehoef108 Plaats: Meerveldhoven Vroegste vermelding: 1751 Stenen boerderij met een strodak achter de kerk in Meerveldhoven, eigendom van het armenbestuur van Meerveldhoven. De hoeve bezat ruim 10 hectare land. 13.18.3.024 Het Goed Ten Berghe109 Plaats: de Heuvel Vroegste vermelding: 1413 13.18.3.025 Hoeve de Rijzende Man110 Plaats: Zeelst Vroegste vermelding: 1699 13.18.3.026 Hoeve van Goyart van Littoijen111 Plaats: Biezenkuilen Vroegste vermelding: 14e eeuw

18.4 Heerlijkheidsgebied Aanduiding van het rechtsgebied van de heerlijkheid in kwestie. Dat is soms uitgezocht en dan kun je dat overnemen. Indien onbekend: dan valt er ook niets op te nemen. De grenzen van zo’n heerlijkheidsgebied zijn soms heel grillig, met enclaves over en weer. Soms ook zijn het nog steeds bestaande min of meer rechte lijn in het landschap: die vinden we dan als relicten terug! 18.5 Relaties Het kasteel, de hoeven, de galg, het heerlijkheidsgebied en eventuele andere fenomenen van één heerlijkheid vormen samen een ensemble: die heerlijkheid. Getekend als verbindingslijnen met het kasteel (bijv. een lijn galg – kasteel). 18.6 Voorhof Hier boven beschreven als element van het kasteel.

105 Coenen 2006: 82, 129, 187. 106 Coenen 2006: 186. 107 Coenen 2006: 82, 128, 187. 108 Coenen 2006: 186, 266. 109 Coenen 2006: 88, 133, 195, 196. 110 Coenen 2006: 192. 111 Coenen 2006: 88, 132, 195. 83

Thema: 19 Landgoederen De terreinen die de heren van de oude heerlijkheden voor zich behouden hadden, zijn in de zestiende eeuw en later uitgegroeid tot de kernen van landgoederen. Naast deze oude groep ontstonden er ook geheel nieuwe landgoederen. De kern daarvan was in de regel een bestaande boerderij, soms een nieuwe ontginningshoeve, die in handen kwam van in een naburige stad gehuisveste adel of notabelen. Landgoederen zijn mooi ingerichte stukken grootgrondbezit. Sommige komen voort uit oude heerlijkheden: in dat geval worden de landgoedaspecten daarvan onder het thema “landgoed” beschreven. Andere hebben een andere ontstaanswijze, deels door opwaardering en uitbouw van een enkele boerderij, deels als ontginningsblok. Centrum van het landgoed is het landhuis, ook wel “kasteel” genoemd, naar het uiterlijk. Bij dat landhuis horen een tuin, vijver en park, soms een gracht om het huis. Daaromheen liggen de landerijen met enkele verpachte boerderijen. Soms is op grote schaal het landschap aangepast en meestal zijn er een of meerdere lanen aangelegd. Het geheel is het landgoedgebied. Soms is het deels omgeven met een wal. In de negentiende eeuw ontstaan ook mini-landgoedjes: een grote villa of grote herberg met ruime tuin en vaak nog een vijver, maar verder geen landerijen, boerderijen etc. Veel grotere kloosters zijn in wezen het centrum van een landgoed.

In plaats van een landhuis is dan het klooster het centrum. Soms is dat in een oud landhuis gevestigd. Waar in tuin en park van een gewoon landgoed allerlei profane versieringen en follies staan, staan bij een kloosterlandgoed religieuze elementen zoals heiligenbeelden (ipv Romeinse of Griekse beelden), kruiswegstaties, Calvariebergen en Lourdesgrotten. Maar de opzet is identiek: centraal gebouw, tuin, park en een lanenstructuur in een ruim gebied met pachtboerderijen staan en waar soms aan landscaping gedaan is. De terreinen die de heren van de oude heerlijkheden voor zich behouden hadden, zijn in de zestiende eeuw en later uitgegroeid tot de kernen van landgoederen. Naast deze oude groep ontstonden er ook geheel nieuwe landgoederen. De kern daarvan was in de regel een bestaande boerderij, soms een nieuwe ontginningshoeve, die in handen kwam van in een naburige stad gehuisveste adel of notabelen. 19.1 Gracht Gracht om het landhuis of een iets groter gebied. Soms is alleen de gracht bewaard gebleven. 19.2 Herberg Herberg uit 19e of 20e eeuw, indien centrum van rijke tuin, maar zonder verdere landgoedstructuren van betekenis: minilandgoed. 19.3 Hoeven Pachthoeve van het landgoed. Soms een bij het landhuis en nog enkele wat verderop. Hier worden enkele opvallende hoeven genoemd, al is een band met een landgoed niet aanwijsbaar.

19.4 Klooster Typisch kloostergebouw als centrum van het landgoed. 19.5 Laan Met bomen beplante meestal kaarsrechte weg. Soms aan iedere zijde twee of zelfs drie rijen bomen. Rond 1700 werden ook dennen als laanboom gebruikt. 19.6 Landgoedgebied Het totale landgoedgebied, inclusief boerenland en bossen.

84

19.7 Landhuis Het centrale landhuis, dat alle mogelijke bouwstijlen kan vertonen. Het landhuis kan in gebruik (geweest) zijn als klooster. 19.8 Omgrachte hoeve Sommigen groeiden uit tot kasteeltje, de meesten ‘degradeerden’ tot boerderij (veelal zijn de grachten helemaal of gedeeltelijk gedempt). 19.9 Ontginningsstructuur Meestal rechthoekige landinrichting die gevormd werd bij ontginning, waarin toen direct al of later een landgoed gevormd is. 19.10 Zichtlijn Lijn waarlangs men in de verte uitziet op een bijzonder object: een beeld, kapel, kerktoren, molen. Deze lijn valt vaak samen met een laan. 13.19.10.001 Zichtlijn Oude Kerkstraat Oerle – Wintelresedijk 13.19.10.002 zichtlijn Zilverbaan - Kerk Oerle

19.11 Park Gebied met bomen en struiken, doorsneden met paden. In het park kun je follies aantreffen. Veelal speciaal vormgegeven. Soms zijn sporen van meerdere stijlen herkenbaar, want het park werd af en toe aan de nieuwste mode aangepast. 19.12 Tuin Meest open gebied met gras, lage struiken, bloemen, kruidentuin, paden. Veelal speciaal vormgegeven. Soms zijn sporen van meerdere stijlen herkenbaar, want de tuin werd af en toe aan de nieuwste mode aangepast. Hieronder vallen ook de stadtuinen die behoorden bij de deftige woningen in een dorp (zoals in Oirschot). 19.13 Vijver Siervijver in de tuin of het park, soms speciale visvijvers. Dus als onderdeel van landgoedaanleg! 19.14 Villa Groot huis of klein landhuis uit de 19e of 20e eeuw, centrum van rijke tuin, maar zonder verdere landgoedstructuren van betekenis: minilandgoed. 19.15 Wal Aarden wal vaak met gracht als omgrenzing van het landgoed. Als het landgoed ooit uitgebreid is, kan zo’n wal ook binnen het landgoed voorkomen! 19.16 Overigen Landgoederen zijn bijzonder rijk aan allerlei bijzondere elementen. In de groep “overig” zitten objecten van uiteenlopende aard, die hieronder opgesomd worden: arbeidershuis: woning voor een van de landarbeiders van het landgoed. beeld: beeld van klassieke goden, koningen of koninginnen, andere helden of symbolen; heiligenbeeld, kruiswegstatie, calvarieberg, Lourdesgrot.

bijgebouw: niet nader gespecificeerd bijgebouw van het centrale landhuis of klooster. bomengroep: bijzondere groep bomen, soms ook van bijzondere bomen, als element van het vormgegeven landschap. boom: bijzondere boom, hetzij eenvoudig als solitaire boom in het vormgegeven landschap, hetzij als bijzondere boom in tuin of park: dat is dan eigenlijk een follie. Soms is aan een

85

boom niets te zien, maar is het toch een herinneringsboom, bijv. geplant bij de kroning van Wilhelmina of de geboorte van Beatrix. familiegraf: vlakgraf of grafheuvel waarin leden van de landgoedfamilie begraven zijn. Soms moeilijk te onderscheiden van ijskelder! ijskelder: holle heuvel waarin men het ijs bewaarde dat in de winter uit de vijver gehakt werd. Lijkt soms erg op een familiegrafheuvel. jachthuis: speciaal huis of huisje waar men samen kwam voorafgaand en na afloop van de jacht. Hier werden bijv. de jachttrofeeën bewaard. kapel: privé-kapel, kapelletje kerkhof: op kloosterlandgoederen komen begraafplaatsen voor de kloosterlingen voor. koetshuis: bijgebouw waarin de koetsen gestald werden. Meestal met grote poortdeuren. opzichtershuis: woning voor de opzichter van het landgoed, vooral op landgoederen waar de eigenaar zelden aanwezig was. orangerie: bijgebouw voor het kweken van allerlei planten, voorloper van de moderne kassen. theehuis: losstaand gebouwtje om thee in te drinken, vaak op een heuveltje, met fraai uitzicht. toegangshek: deftig toegangshek aan de oprijlaan, met gemetselde elementen en of veel smeedijzer. tuinhuis: losstaand gebouwtje aan de rand van tuin of park, met fraai uitzicht. visvijver: vijver(tje) om vis in te houden, soms reeks vijvers om vis in te kweken.

86

Thema: 20 Bosbouw Tot een eind in de Middeleeuwen waren er in Zand-Brabant volop bossen. Door ontginning, het halen van bouwhout en geriefhout, en overbeweiding gingen die bossen bijna allemaal teloor. Bossen die deze periode “overleefd” hebben en nog voort bestaan zijn zeldzaam, maar ze zijn er wel. Het lijkt alsof de bebossing van de heide in de Kempen pas tussen 1850 en 1950 tot stand kwam en dat een deel van die jonge bossen na 1900 (1907?) alweer in boerenland omgezet werd. De bossen zijn in vijf ouderdomscategorieën ingedeeld. Het gaat hier dus om de vlakken die bos zijn of waren en hun datering. Er horen daarom ook beschrijvingsvelden “datering start van het bos”; “datering einde van het bos” bij. Bij de reconstructie van het historisch landschap is gebruik gemaakt van drie referentieperiodes, drie ijkpunten (circa 1830, 1900, 1930), waardoor de ontwikkeling van het landschap gestalte krijgt. Aan de hand van het historisch kaartmateriaal uit betreffende periodes kon de ontwikkeling van het landschap, in dit geval de bosbouw, in kaart worden gebracht.112 De bossen kunnen ook getypeerd worden naar hun gebruik, indien bekend: Arboretum: een “bomentuin”, aangelegd als verzameling, toonkamer van de boomkwekerij en / of met educatief doel. Botanische tuin, maar dan voor bomen. Bomengroep: kan in landgoed voorkomen (zie aldaar) maar natuurlijk ook daarbuiten.

Hier gaat het om dat laatste. Bosschage: onregelmatige struikachtige groepering van bomen. Hakhout: Er waren heel veel kleine hakhoutbosjes, verspreid in het boerenland. Maar ook de “echte” loofhoutbossen waren in belangrijke mate groeiplaatsen van hakhout. “Hakhout” is een goede typering van bos. Geriefhout is daar een ander woord voor. Dennenbos: Bos van grote dennen, vaak gebruikt voor het kweken van mijnhout. Loofbos: Bos van grote loofbomen, al dan niet gebruikt voor de productie van timmerhout. Over het algemeen wordt aangenomen dat het bos dat in de Kempen nog tot in de Vroege Middeleeuwen dominant was, in de Late Middeleeuwen en mogelijk al vóór 1300, geheel opgeruimd werd. De bossen verdwenen door ontginning (de naam Oerle wijst op voormalig bos113), door overbeweiding vanuit de nederzettingen of zelfs door het rooien en verkopen van de bomen. Op het laatst van de Middeleeuwen en in de volgende eeuwen tot in de negentiende eeuw zou de streek bijzonder bosarm geweest zijn. Dat was ook de reden waarom er zoveel hakhoutranden waren. Maar in Oerle waren er in de achttiende eeuw al gebieden met talloze hakhoutbosjes: de Oerlese Bossen en het bosachtige gebied langs de Bruggenrijt tussen Wintelre en Zand-Oerle. Hoe oud die bosjes hier zijn is niet duidelijk, maar ze zouden wel eens overblijfsels van het oude bos kunnen zijn. 20.1.

Bosbouw 1500-1750 Nieuwe bosaanplant uit deze periode. 20.2. Bosbouw 1750-1850 Na 1750 begint de bouwbouwtraditie van de Verlichting grip te krijgen op de landgoedeigenaren. Zowel loofbossen als dennen. Dit beoordelen we aan de hand van het grondgebruik zoals vastgesteld door het kadaster dat in 1832 in werking trad. 13.20.1.001 t/m 514 Bosbouw 1750-1850 Veldhoven Een deel hiervan bestaat nog.

112 Historisch kaartmateriaal: 1832: kadaster 1832; 1838: topografie 1837-1840. Uit de reproductie Wolters-Noordhoff, 1990; 1845: Topografie ca 1845: Van der Voordt-Pieck en Kuijl. 1845; 1900: Topografie ca 1900 Wieberdink, 1989. Dit zijn de Bonneblaadjes. 113 Zie voor details verder bij de deelgebieden Wintelre en Zand-Oerle. 87

20.3. Bosbouw 1850-1900 Vanaf ca 1850 vooral bebossing van grote heideterreinen die uit de gemeynt verkocht werden en bij gebrek aan mest niet in boerenland konden worden omgezet. Veelal dennen (mijnhout). Deze bossen staan nog niet op de kaart van Van der Voordt Pieck, 1842; maar wél op de Bonnekaart van ca 1900. 13.20.2.001 t/m 13.20.2.376 Bosbouw 1850-1900 Veldhoven Een deel hiervan bestaat nog. 20.4. Bosbouw na 1900 Vanaf 1900 is de kunstmest betaalbaar en kan de hei wél in boerenland omgezet worden. Dan leidt nog maar een deel van de ontginningen tot bossen. Veelal dennen (mijnhout). 13.20.3.001 t/m 13.20.2.534 Bosbouw 1850-1900 Veldhoven Een deel hiervan bestaat nog.

Overzicht van de bosbouw in Veldhoven van 1750 tot 1930.

Oerlese Bossen Een problematisch geval zijn de Oerlese Bossen. De verkaveling is er identiek aan die van open akkers, de bodemkaart geeft er overal enkeerdgrond aan maar het grondgebruik is in 1832 echter vaak bos (loofhout, beetje dennen) en nu nog meer. Het lijkt een uitgeput deel van de oude open akkers dat na 1750 met hakhout beplant is omdat de schors een goede prijs opbracht. Daar werd run, looistof, van gemaakt die verkocht kon worden aan de opkomende lederindustrie. Iets vergelijkbaars

88

zagen we al in Bergeijk en Riethoven. De Oerlese Bossen zien we daarom als voormalig open akkergebied.

De Oerlese Bossen met in bruin de oude akkers en in groen bosbouw 1900-1930, geprojecteerd op de luchtfoto van 2021. Een vergelijkbare situatie was er in Bergeijk. De Enderakkers was een groot open akkergebied waar je geen bosbouw verwacht. Toch stond het er vol bosjes en deels zijn die er nog. Het patroon zet zich in Westerhoven precies zo voort. Het betreft geen echte bosbouw, maar het beplanten met vooral dennen van percelen in de rand van het akkergebied. Dit begon al voorzichtig voor 1792 en maakte dat tegen 1930 een brede rand met hakhoutbosje rondom heel de centrale akker lag. De bosjes waren als het ware aan elkaar gegroeid. Ze staan op percelen die in 1792 nog deel uitmaakten van de open akker, maar wel namen hadden die duiden op een eerder gebruik als omheinde driesgronden of op het direct behoren bij het boerenerf (“Aangelag”).114 Na 1930 is een deel van de bosjes ontgonnen, maar nog steeds is er een duidelijke zoom van bosjes rond de centrale open akker aanwezig. In die nog resterende bosjes is de oude akkerverkaveling vaak nog te herkennen, zeker op de digitale hoogtekaart AHN.

Geleidelijke bebossing van de akkerrand, 1792 – 1930. Voor het jaar 1792 zijn alleen gegevens onder Bergeijk beschikbaar. TEKENING K. LEENDERS, 2021. 114

Leenders, K.A.H.W.. Akkers en bochten in Bergeijk en Eersel (NL). Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 86 (2014) 153 - 184. (2014k) 89

ONDER BOVENSTAANDE BOSSEN VALLEN OOK DE BOSSEN ZOALS DIE ZIJN OPGENOMEN OP DE CULTUURHISTORISCHE WARDENKAART VAN DE PROVINCIE: Bos en houtwallen Toterfout CHW code HK-HG-35 / G263 Waarde is zeer hoog. Bos en houtwallen, plaatselijk met (restanten van) hakhout, langs wegen in een oud cultuurlandschap. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1880-1920. Bos Grootgoor CHW code GK-HG-75 / G215 Waarde is hoog . Bos, plaatselijk met (restanten van) hakhout, in een beekdal. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, zwarte els, grauwe wilg, ruwe berk, zachte berk, wilde lijsterbes, sporkehout, wilde kamperfoelie en koningsvaren. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1930. Bos, houtwallen, beplanting Dommeldal Heers CHW code RE-HG-25 / G803 Waarde is hoog. Bos, houtwallen en overige bepllanting in een beekdal. De bepalnting bestaat o.a. uit zomereik, zwarte els, ruwe berk, es, grauwe wilg, wilde lijsterbes, sporkehout, vogelkers, populier, grove den, gagel en adelaarsvaren. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1930. Bos Groot Vlasroot CHW code RE-HG-26 / G804 Waarde is redelijk hoog . Bos op stuifzanden rond een oud ven. De beplanting bestaat o.a. uit grove den en zomereik. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1930.

Bos, houtwallen Oerlesche Bossen, Zandoerlesche Bossen CHW code RE-HG-29 / G805 Waarde is zeer hoog. Bos en houtwallen, plaatselijk met (restanten van) hakhout, in de randen van oude akkercomplexen. De beplanting bestaat o.a. uit zomereik, Amerikaanse eik, ruwe berk, sporkehout, grove den, witte els, Hollandse linde en eikvaren. Het geheel dateert overwegend uit 1880-1920.

90

Thema: 21 De oude akkers Het gaat hier om akkers van voor 1850. In de Meierij kunnen twee typen oude akkergebieden onderscheiden worden: de grote openakker gebieden (in provinciale taal: “bolle akkers” alhoewel die akkers vaak heel vlak zijn) en de met heggen of houtranden omgeven akkers die in de Kempen veelal “kamp” of “heg” heten. Sommige daarvan liggen bol, andere zijn vlak. De open akkercomplexen waren in de negentiende eeuw aan de buitenzijde wel begrensd met een levende haag, eventueel op een wal, maar de interne verdeling in eigendoms- of gebruikseenheden bestond uit greppels van een voet breed en diep, ofwel een grasbandje van een voet breed, dan wel een denkbeeldige lijn tussen twee merktekens zoals een steen of paal. Deze open akkers zijn waarschijnlijk de oudste akkercomplexen. Bovendien is in de Kempen, maar óók heel nadrukkelijk in Breda, aangetoond dat onder deze in de negentiende eeuw niet of schaars bewoonde akkers, vroegmiddeleeuwse en zelfs oudere bewoningssporen schuil gaan. Het nederzettingspatroon is tot in de dertiende eeuw nogal dynamisch geweest. Pas vanaf de dertiende eeuw werd blijkbaar het nederzettingspatroon gevormd, dat we rond 1800 nog (in uitgegroeide vorm) kunnen waarnemen. Het onderscheid “besloten” of “open” van de oude akkers, en de akkerwallen, zijn afgelezen van de topografische kaart van ca 1838.

De bolle akkers zijn afgelezen van de hoogtekaart AHN. Hier zijn dus alleen de bolle akkers weergegeven die rond 2000 nog herkenbaar waren. Onderzoek in Boxtel wees uit dat de bolle ligging voor de wandelaar pas te zien is, als de akker in het midden meer dan een halve meter hoger ligt dan aan de rand. In de verstedelijkte gebieden zijn dus geen bolle akkers aangegeven. Bolle akkers vallen deels samen met de hier opgenomen besloten of open akkers, maar komen ook daarbuiten voor, op jonge akkergronden. Bolle akkers getuigen van een nog niet geheel begrepen intensieve bewerking van het akkerland in of na de Middeleeuwen. Daardoor kwam het midden van de akker zo’n halve tot een hele meter hoger te liggen dan de randen. Dit zal de afwatering bevorderd hebben. Er zijn overigens vooral langs beekdalen gevallen bekend waarin men later deze “kop” van de akker afschoof, het beekdal in, om zo de oppervlakte akkergrond te vergroten. Dit leidde tot versmalde beekdalen, zogenaamde “tuineerdgronden” in het opgehoogde deel van de dalen (en een bodemprofiel dat “op z’n kop” ligt!) en onverwacht dunne akkerdekken boven op de oude akkers. Binnen het thema Oude Akkers kunnen we de open akkers en de besloten akkers makkelijk van de topografische kaarten in combinatie met de kadasterkaart aflezen.

Open akkers zijn vaak erg groot, bevatten een heleboel meest strookvormige eigendommetjes die allemaal bouwland zijn en onderling niet of amper door heggen gescheiden zijn of waren. Het terrein ligt meestal hoog ten opzichte van de omgeving, maar is intern behoorlijk vlak. Bij de provincie heet dit de “bolle akker”, maar die term is misleidend. Akkerwal: Om een “open akker” lag wél een heg, met daarin akkertoegangen (“akkerveken”). Soms lag de heg op een wal: een akkerwal. Besloten akkers zijn bouwlandpercelen van een halve tot twee hectare, die omgeven zijn door een heg die soms op een walletje staat. In deze streek heten die “kamp”, “bocht”, “heg”. Veelal het eigendom van één persoon of slechts enkele. De besloten akkers liggen soms “bol”, maar lang niet altijd. Steilrand: doordat oude akkers door bemesting met zandhoudende mest 30 cm of veel meer opgehoogd zijn, steken ze soms op opvallende wijze boven aangrenzende oude graslandgronden uit. Als die in een beekdal liggen, is het verschil nóg markanter. Deze steilranden accentueren de oude akkers. Verder hebben we drie nadere onderscheidingen bij de oude akkers: Bolle akker: “Bolle akker” is een nadere onderscheiding die voor de besloten akkers relevant is. De akker ligt bol of niet. Vaak liggen ze nu vlakker dan vroeger.

Het blijkt dat de wandelaar ze pas herkent als het midden van de akker meer dan 50 cm hoger is dan de rand. Een en ander kan van de AHN hoogtekaart afgelezen worden.

91

Percelering: vooral bij open akkers is het interessant om na te gaan of de oude akkerpercelering er nog is. Die is te zien op de kadasterkaart en bestaat uit in blokjes gegroepeerde korte strookvormige percelen. Lijkt me daarom een item dat bij het beoordelen van de relictwaarde van belang is. Perceelsrandbegroeiing: een item dat bij het beoordelen van de relictwaarde van belang is, zowel bij openakkers (de buitenheg) als bij de besloten akkers. 21.1 Akkerwal Om een “open akker” lag wél een heg, met daarin akkertoegangen (“akkerveken”). Soms lag de heg op een wal: een akkerwal. Hoofddoel was om de (wilde) dieren buiten te houden. Ook dienden ze om sruifzand tegen te houden. Met de komst van het prikkeldraad verloor de omwalling aan betekenis en vele walleen zijn sindsdien afgegraven. 13.21.1.001 t/m 13.21.1.038 Akkerwallen Oerle De wallen in de Zandoerlese bossen dateren op z’n vroegst uit de late middeleeuwen. In 1993 is een inventarisatie gemaakt van alle nog in Oerle aanwezige wallen.115 De zandwallen hebben een hoogte van 75 tot 125 cm en hun breedte aan de voet ligt tussen de 4 en 7 meter. Op de meeste wallen werd een gevarieerde begroeiing aangetroffen met de zomereik als de meest voorkomende soort.

21.2 Besloten akker Dit zijn bouwlandpercelen van een halve tot twee hectare, die omgeven zijn door een heg die soms op een walletje staat. In deze streek heten die “kamp”, “bocht”, “heg”. Veelal het eigendom van één persoon of slechts enkele. De besloten akkers liggen soms “bol”, maar lang niet altijd. Latere ontginningen hebben vaak de vorm van “kampen”: afgeronde perceelsgroepen die aan een kant op het oudere cultuurland aansluiten en voor het overige door een houtrand gescheiden werden van de (toenmalige) wildernis of heide. Deze kampen bestonden blijkbaar al in 1340. Er zijn grote en kleine kampen, bewoonde en onbewoonde. De kamp van Halfmijl was mogelijk in aanleg een eenmanskamp, waarin later een tweede boerderij gebouwd werd. Nog jongere kampen werden aangelegd na 1340 tot zelfs na 1900 toe. Ze zijn in tegenstelling tot de oudere kampen vaak onbewoond. 13.21.2.001 t/m 13.21.2.006 Diverse besloten akkers 21.3 Open akker Open akkers zijn akkergebieden die kadastraal in talloze vaak kleine percelen verdeeld zijn, maar die visueel een open ruimte vormen die slechts aan de buitenzijde door wallen, struikrijen of bomen begrensd zijn. Ze zijn eenvoudig af te lezen uit de combinatie van de kadasterkaart van 1832 met de topografische kaart van 1837.

Veelal, maar niet altijd vallen ze samen met de hoogste delen uit het landschap, maar soms zijn ook minder hoge gronden open akker en omgekeerd dragen juist de hoge gronden géén open akker. De openakkergebieden zijn waarschijnlijk de oudste ontgonnen gebieden van de Middeleeuwen. Gezien de archeologische vondsten tot nu toe moeten we dan denken aan de periode vóór het jaar 1000, dus de Vroege Middeleeuwen. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden toen ook al openakkers, dat wil zeggen groepen kleine akkertjes zonder zichtbare scheiding, maar wel met een buitenheg, waren. Het waren toen gebieden waar akkers en andere velden én ook boerderijen dooreen lagen. Pas ergens in de dertiende eeuw zal de bewoning er verdwenen zijn en daarna ontwikkelde zich de openakker zoals we die van de kaarten van de negentiende eeuw kennen. Omdat deze akkers vaak een dik opgebracht akkerdek hebben, bleef de archeologische informatie daar goed bewaard. Ervaring leert dat op deze plekken ook bewoning uit de IJzertijd en Romeinse Tijd aangetroffen kan worden. De openakkers vertellen dus een verhaal van over vele eeuwen. Hun herkenbaarheid ging evenwel achteruit doordat de vele heggen die tot 1900 in de directe omgeving voorkwamen, nadien 115

Archeologische groep Oerle 1993. 92

merendeels verdwenen zijn. Het “contrast” met de omgeving verminderde. Bovendien zijn sommige openakkers door ontgronding aangetast. Voor de landinrichting is hier het advies: geen interne begroeiing aanbrengen, zomogelijk de buitengrens als heg, boom- of struikgroepen markeren en geen gegraaf in deze archeologische schatkamers. 13.21.3.001 t/m 13.21.3.052 Open akkers Veldhoven Onderstaande kaart toont de bebouwing uit 1832 (kadaster) in rood. Ook de beekdalen (blauw) zijn aangegeven. Archeologen veronderstellen dat in de dertiende eeuw de boerderijen, die aanvankelijk verspreid in de oude akkergebieden stonden, verplaatst werden richting het beekdal om daar de gehuchten te gaan vormen die we uit later tijd kennen. De oude akkergebieden werden dan de latere “open akkers”. Hier in Veldhoven zien we dat er wel enkele gehuchten langs de Gender liggen, maar dat de meeste bebouwing in lagere stroken tussen de akkers en ver van de beken staat. Dit ondersteunt de stelling dat het beter is te zeggen dat de boerderijen in de dertiende eeuw van de akker af schoven naar de randen ervan, ongeacht of daar een beek liep.

21.4 Steilrand Doordat oude akkers door bemesting met zandhoudende mest 30 cm of veel meer opgehoogd zijn, steken ze soms op opvallende wijze biven aangrenzende oude graslandgronden uit. Als die in een beekdal liggen, is het verschil nóg markanter. Deze steilranden accentueren de oude akkers. 13.21.4.001 Steilrand bij Groote Vliet

93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15846952/1