CConstaterende datVeldhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1e Catalogus Cultuurhistorische Inventarisatie Veldhoven

Raad (besluitvormend) 9 september 2025, gemeente VeldhovenBij agendapunt: Vaststellen actualisatie Erfgoedbeleid32.698 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

zijn de bomen en struiken die zich sinds de spontane vestiging na de laatste IJstijd (vanaf ca. 13000 jaar geleden) ter plekke altijd natuurlijk hebben verjongd. Ze kunnen ook kunstmatig verjongd zijn, maar dan moet het plantmateriaal afkomstig zijn van strikt lokaal oorspronkelijke bomen of struiken. Dit betekent dat bomen en struiken die als soort wel inheems zijn, maar ingevoerd werden uit een andere klimaatszone of geologische regio niet als inheems worden aangemerkt. Plantmateriaal uit direct aangrenzende gebieden (ook over landsgrenzen) kan daarentegen wel als oorspronkelijk inheems worden gedefinieerd, als het verder voldoet aan de definitie. Aangeplante bomen en struiken zijn niet zonder meer te onderscheiden van hun inheemse verwanten. Ervaren veldwerkers kunnen wel heel wat morfologische verschillen vaststellen, maar in de praktijk worden inheemse bomen en struiken onderscheiden door middel van een aantal parameters of criteria. De werkwijze hiervoor is ontwikkeld door Maes.9 De criteria hebben betrekking zowel op de boom zelf als op de groeiplaats. Soms bieden archieven of herinneringen van omwonenden hulp. Een nieuwe hulpbron is kennis van het DNA met behulp waarvan inheemse genenbronnen kunnen worden gekarakteriseerd. De belangrijkste criteria die de groeiplaats betreffen: • het landschapselement komt voor op de historische topografische kaart van ca.

1830-1850 of ouder; • het landschapelement komt op latere topografische kaarten voor, maar er zijn duidelijke aanwijzingen dat er vanuit oudere landschapselementen in de buurt uitzaaiing heeft plaats gevonden; • het landschapselement maakt in het veld een oude en ongestoorde indruk • het bodemtype en de groeiplaatsomstandigheden komen min of meer overeen met de natuurlijke standplaats van de soort; • de bodem maakt een ongestoorde indruk; • de boom of struik komt voor in het ter plaatse natuurlijke of afgeleide vegetatietype; • er zijn plantensoorten aanwezig in de boom-, struik- of kruidlaag die indicatief zijn voor oude bosplaatsen of houtwallen. Hierbij wordt een lijst gehanteerd zoals die voor de bossen van Vlaanderen is opgesteld door M. Hermy (Tack et al., 1993), aangevuld met soorten die representatief zijn voor Nederland • de standplaats ligt binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de betreffende soort; • in de omgeving komt de betreffende soort voor op vergelijkbare standplaatsen; • in of nabij de standplaats komen oude natuurlijke of cultuurhistorische elementen voor zoals beekmeanders, wallen, greppels, graften, holle wegen en oude perceelsgrenzen.

De belangrijkste criteria die de boom of struik zelf betreffen: • de boom of struik is een wilde inheemse variëteit, geen cultuurvorm; • de boom of struik maakt een spontane en niet-aangeplante indruk; • het betreft een zichtbaar oude boom of struik, een oude stoof van voormalig hakhout of spaartelg (op enen gezet); • DNA onderzoek geeft indicaties. Overige criteria • uit archieven blijkt een hoge ouderdom van de groeiplaats of zijn er indicaties voor het autochtone karakter; • uit mededelingen van bewoners ter plaatse blijkt een hoge ouderdom van de groeiplaats; • uit archeo-botanisch- of archeologisch onderzoek volgen indicaties voor het autochtone karakter. In de praktijk gaan zelden alle criteria tegelijk op. Op verarmde plaatsen bijvoorbeeld zullen indicatieve kruiden ontbreken. Er is ook niet altijd sprake van oude bomen of oud hakhout. Het 9 Maes, 1993.

24

uitsluiten van typische tuinvariëteiten is nog wel mogelijk, maar determinatie van wilde variëteiten is alleen met veel veldervaring soms mogelijk. De criteria dienen ook in samenhang met elkaar gebruikt te worden. De groeiplaatsen van autochtone bomen en struiken worden in het veld aangegeven op een veldkaart met topografische ondergrond, schaal 1:10.000. Op het inventarisatieformulier worden opgenomen: • gegevens betreffende de standplaats (topografie, geomorfologie, bodem, vegetatietype, indicatieve kruiden e.d.); • gegevens over het beheer; • de karakteristieke bomen en struiken (Tansleypresentie, inheems karakter, omtrek, hoogte, optreden van verjonging); • gegevens ten behoeve van de oogst van vruchten of zaden (bloei, vruchtzetting, mate van bereikbaarheid). De in de rapportage opgenomen soorten en groeiplaatsen zijn steeds in het veld bezocht en bestudeerd. In de praktijk is gebleken dat er in bestaande inventarisatierapporten ten aanzien van een aantal soortengroepen onvoldoende zekerheid bestaat over de determinatie of dat er sprake is van onzorgvuldige determinatie. Dit geldt voor geslachten als Betula, Quercus, Crataegus, Prunus, Salix, Rosa en Ulmus.

Het gaat om de volgende bosgebieden: Uniek ID NR NAAM 13.11.2.001 350 Hoogeind 13.11.2.002 351 Hoogeind 13.11.2.003 354 't Koepeltje 13.11.2.004 358 Wintelrese dijk 13.11.2.005 359 Toterfout 13.11.2.006 357 Toterfout 13.11.2.007 356 Toterfout 13.11.2.008 360 Zandoerle 13.11.2.009 361 Zandoerlesche Bosschen 13.11.2.010 362 Zandoerlesche Bosschen 13.11.2.011 363 Zandoerlesche Bosschen 13.11.2.012 364 Oerlesche Bosschen 13.11.2.013 365 Oerlesche Bosschen 13.11.2.014 355 Grote Aard 13.11.2.015 370 Dommel / Volmolenweg 13.11.2.016 371 Dommel / Bellevue 13.11.2.017 372 Dommel / Volmolenweg 13.11.2.018 344 Run / Het Goor 13.11.2.019 345 Run / Het Goor 13.11.2.020 346 Run / Het Goor 13.11.2.021 347 Run / Het Goor 13.11.2.022 168 Grootgoor

Oppervlak in ha 0,19 0,19 0,13 0,44 0,21 0,18 0,29 0,44 0,29 0,17 0,47 5,39 1,28 0,26 3,12 2,08 1,92 0,52 1,05 2,08 0,81 29,33

Delen van het ecologisch oud bos en struiken vallen samen met gebieden zie zijn opgenomen in de Groen Erfgoed atlas van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).10 Deze Groen Erfgoed atlas bundelt onder meer gebieden met oude boskernen, houtwallen en heggen, rijksbeschermde buitenplaatsen met beschermde groenaanleg, nationale parken en gegevens uit de eerste Nederlandse bosstatistiek.

10

Zie Groen Erfgoed en Kaart groen erfgoed | Bronnen en kaarten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 25

Toponiem

landschap

Dommel bij Waalre

bos, houtwal

Run bij Heers en Stevert

bos

Historisch beheer hakhout van eik, els, es

bomen

struiken

es, zachte berk, zomereik, zwarte els

blauwe bosbes, Gelderse roos, geoorde wilg, gewone vlier, gewone vogelkers, grauwe wilg, Salix x multinervis, sporkehout, wilde gagel, wilde lijsterbes, wilde zwarte bes blauwe bosbes, Gelderse roos, geoorde wilg, grauwe wilg, Salix x multinervis, Salix x reichardtii, sporkehout, wilde gagel, wilde lijsterbes, wilde zwarte bes brem, gewone vlier, sporkehout, wilde lijsterbes

hakhout, es, zachte spaartelg berk, van eik, els, zomereik, es zwarte els Oerle en bos, hakhout, boswilg, Zandoerle houtwal spaartelg zomereik van eik Gebieden die zijn opgenomen in de Groen Erfgoedatlas van de RCE en waarin het ecologisch oud bos en struiken van Bert Maes deel uitmaken.

Overzicht van het nog aanwezige ecologisch oud bos met bomen en struiken (puntlocaties) en het door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed aangewezen Groen Erfgoed in Veldhoven.

26

2. Inventarisatie historisch landschap – R. Berkvens

2.1 Algemeen11 De huidige gemeente Veldhoven bestaat sinds 1 mei 1921. In dat jaar werden de drie zelfstandige gemeenten Veldhoven--Meerveldhoven, Zeelst en Oerle samengevoegd tot één nieuwe gemeente. In feite ging het om vier dorpskernen en vier parochies. Zij waren al sinds de 16e eeuw zelfstandig. In de Middeleeuwen hadden deze vier dorpen, samen met Blaarthem, Vessem, Knegsel en Wintelre, deel uitgemaakt van de bank van Oerle. Deze bank of schepenbank lag in het kwartier van Kempenland, één van de districten binnen de Meierij van Den Bosch in het hertogdom Brabant. Uit de Karolingische tijd dateren de oudste documenten die betrekking hebben op de parochie en een aantal hoeven in Meerveldhoven. Uit die documenten komt naar voren dat Meerveldhoven een gebied was van de benedictijnenabdij van Lorsch in Duitsland nabij de Rijn. De kerk van Meerveld-hoven en enkele hoeven waren geschonken door edellieden. Dit domein van de abdij van Lorsch ging verloren en kwam op den duur in handen van het kapittel van de Sint-Lambertuskathedraal in Luik. Het laat-middeleeuwse domein van dit Luikse domkapittel bleef bestaan tot in de 18de eeuw. De gebruikers van deze hoeven en landerijen betaalden jaarlijks aan het dom-kapittel een cijns. Juridisch behoorde het grondgebied van de dorpen Oerle, Veldhoven, Meerveldhoven en Zeelst in de 13de eeuw tot de schepenbank van Eersel.

Deze omvatte vrijwel heel het zuidelijke gedeelte van het kwartier van Kempenland. Dit gebied viel onder het hertogdom Brabant. Aan het begin van de 14de eeuw werd de schepenbank van Eersel opgesplitst. Toen ontstond de zelfstandige schepenbank van Oerle. De bank van Oerle omvatte de dorpen Oerle, Veldhoven, Zeelst, Meerveldhoven, Blaarthem, Vessem, Knegsel en Wintelre. Oerle werd in de 14de eeuw een vrijheid, dat wil zeggen dat de bevolking dezelfde vrijheden kreeg als die van de stad Den Bosch. Daarmee werd Oerle echter nog geen stad met stadsrechten.

Keizer Karel V was tevens hertog van Brabant. In zijn tijd was de dingbank van Oerle nog hertogelijk gebied.

11

Bronnen: Regionaal Historisch Centrum Eindhoven en www.geheimenvanveldhoven.nl. 27

n de 15de eeuw ondervond de bevolking veel overlast van oorlogen. De oorlogvoering was zodanig veranderd dat niet meer de adellijke heren en hun leenmannen tegenover elkaar stonden, maar huurlegers van machtige vorsten. Doortrekkende en plunderende soldaten teisterden de dorpen in Kempenland. Toch viel het in de 15de eeuw nog mee in vergelijking met de 16de eeuw, toen brandstichting, plundering en brandschatting door legers vrijwel aan de orde van de dag waren. De bank van Oerle lag in het gebied dat rechtstreeks viel onder de hertog van Brabant. In de 16de eeuw waren keizer Karel V (1515-1555) en koning Philips II van Spanje (1555-1598) hertog van Brabant. Het rijk van Philips II strekte zich uit over vijf continenten. Hij moest zijn legers overal inzetten om dit enorme gebied in stand te houden. Het spreekt voor zich dat de legers handenvol geld kostten. Een deel van de benodigde gelden kwam uit de koloniën in Zuid-Amerika, maar ook uit de rijke Neder-landen. Vanaf 1557 liet koning Philips II hertogelijke dorpen verkopen en omzetten in heerlijkheden. Dat hield in dat een plaatselijke heer rechten kreeg over het grondgebied, de bevolking en de rechtspraak daar. Koning Philips II liet de bank van Oerle opsplitsen en bood de afzonderlijke dorpen als heerlijkheid aan. Vier van de zeven dorpen werden verkocht.

Oerle en Meerveldhoven kwamen in 1560 in handen van jonkheer Willem de Borchgrave. De heerlijkheden Veldhoven en Zeelst en het naburige Blaarthem werden eigendom van of kwamen kort daarna in handen van de adellijke familie Van Eyck, die woonachtig was op het kasteel van Blaarthem. Het gevolg was dat de voormalige schepenbank van Oerle werd opgesplitst in drie schepenbanken, te weten: Veldhoven-Zeelst-Blaarthem, Oerle-Meerveldhoven en Vessem-Wintelre-Knegsel. Bij de eerste twee schepenbanken is al een groot gedeelte van de huidige gemeente Veldhoven zichtbaar. Op bestuurlijk gebied veranderde er veel, omdat de heer van de heerlijkheid het recht had om alle dorpsbestuurders te benoemen. De schout kreeg de leiding over de schepenbank in zijn hoedanigheid van plaatsvervanger van de heer. De zeven schepenen van de schepenbank hielden zich bezig met bestuur en rechtspraak. In de 16de eeuw werd de bevolking zwaar getroffen door de oorlogvoering tussen de hertog van Brabant enerzijds en de hertog van Gelre anderzijds. Met name de rooftocht en brandschatting in 1543 door de Gelrese veldheer Maarten van Rossum bracht de bevolking tot armoede. In 1543 werd Gelre ingelijfd bij de Nederlanden door keizer Karel V. In 1568 begon de Tachtigjarige Oorlog. Een jaar of tien later verplaatste de strijd tegen de koning van Spanje zich van de noordelijke Nederlanden naar het hertogdom Brabant.

In de noordelijke gewesten vormde zich geleidelijk de Republiek der Verenigde Nederlanden. De opstandelingen uit de noordelijke gewesten probeerden hun gebied te vergroten door Brabant binnen te vallen. Tussen 1579 en het bestand van 1609 verbleven telkens Staatse legers van de Republiek en Spaanse legers in Brabant. De bevolking werd geconfronteerd met belegeringen van naburige steden, zoals Eindhoven en Helmond, brandschattingen, voedselleveranties, inkwartieringen, kampementen, rooftochten en andere vormen van overlast van legers. In 1648 werd de Vrede van Munster getekend. Voor de Meierij van Den Bosch had dit tot gevolg dat het gebied nu definitief deel ging uitmaken van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De economie leed uiteraard onder deze oorlogsomstandigheden. De doortrekkende legers vernielden de oogst van de boeren of vorderden graan en hooi. De wevers in Veldhoven en Zeelst kregen te maken met beperkende maatregelen die opgelegd werden door de Staten-Generaal van de Republiek. Deze besloot vooral de textielnijverheid in de provincie Holland te steunen en goedkope invoer vanuit Brabant aan banden te leggen. Gedurende een groot gedeelte van de 18de eeuw leed de bevolking armoede. De vorderingen en belastingen van de overheid waren nauwelijks op te brengen. Dorpen als Oerle, die in de 15de eeuw nog belangrijk waren, vervielen tot armlastige gemeenschappen.

Veel inwoners zochten elders een nieuw bestaan. Met name de trek naar de provincie Holland nam in deze tijd toe. Toen het Franse leger in 1794 Brabant veroverde, veranderde er veel. Aan de machtige positie van de protestanten kwam een einde. De katholieken keerden terug op de bestuurlijke posten en zij kregen het onderwijs geleidelijk weer in handen.

28

In de eerste helft van de 19de eeuw zette de armoede zich nog steeds voort. De dorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst kampten voortdurend met geldgebrek. Zij vielen ook een aantal keren buiten de boot toen in Brabant initiatieven werden genomen voor de aanleg van kanalen, wegen en spoorwegen. De eerste verharde weg dateert van 1855. Deze liep van Eindhoven via Zeelst, Meerveldhoven en Veldhoven naar Turnhout. Een gedeelte daarvan staat nog bekend als de Provincialeweg. Kort na de oorlog werden in Noord-Brabant veel gemeenten samengevoegd of geannexeerd om de kosten van het gemeentelijke apparaat in de hand te houden. De samenvoeging van de dorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst leverde weinig discussie op. Met ingang van 1 mei 1921 ging de nieuwe gemeente Veldhoven van start. De nieuwe gemeente telde ruim 4900 inwoners. Het aantal inwoners groeide bijzonder snel. In 1950 telde Veldhoven 10.877 inwoners. Na de Tweede Wereldoorlog zette een ongekende groei in. De gemeente ontwikkelde enkele grootschalige nieuwbouwwijken, die gerealiseerd werden tussen de oude dorpskernen in, zoals de wijk d’Ekker. Daarna volgden nieuwe wijken als Zonderwijk, Cobbeek en ’t Look. Door de aanleg van een nieuwe wegenstructuur en de nieuwe wijken kreeg Veldhoven in enkele tientallen jaren een totaal ander aanzien.

Ten noorden van de Heerbaan werden eveneens nieuwe wijken gerealiseerd, zoals de wijk Heikant. Er vonden grote veranderingen plaats op economisch gebied. Het aantal landbouwbedrijven nam sterk af, maar de bedrijfsgrootte van de overgebleven boerderijen nam toe. Het aandeel van de landbouw in de Veldhovense economie werd jaarlijks geringer. Veldhoven was omstreeks 1960 een echte pendelgemeente. Het grootste gedeelte van de beroepsbevolking werkt immers in Eindhoven of andere plaatsen. Tegenwoordig werken meer mensen in Veldhoven zelf. In de industrie ging er enerzijds werkgelegenheid verloren doordat de oudere fabrieken geleidelijk verdwenen, anderzijds vonden er veel nieuwe ontwikkelingen plaatsen die tot gevolg hadden dat nieuwe bedrijven en industrieën zich gingen vestigen of groeiden. Tot de oude activiteiten die grotendeels verloren gingen, behoren de textielindustrie, de steenfabrieken, sigarenfabrieken, schoenfabrieken en wasserijen. Bij de nieuwe ondernemingen is de ontwikkeling van moderne technologieën de belangrijkste activiteit. De economische activiteiten namen toe door de aanleg en uitbouw van industrieterreinen, zoals bedrijventerrein De Run. De laatste twintig jaar zijn in Veldhoven enkele bedrijven van wereldformaat van de grond gekomen, namelijk ASML, dat sedert 1984 actief is, en Simac ICT Nederland.

De dienstverlenende sector groeide soms nog sneller dan de industrie. Ook de verplaatsing van het Sint -Jozephziekenhuis van Eindhoven naar Veldhoven was een belangrijke ontwikkeling. Dit ziekenhuis, dat tegenwoordig Máxima Medisch Centrum (MMC Veldhoven) heet, is één van de grootste werkgevers binnen de gemeente.

Veldhoven Wapen

29

Na de samenvoeging van 1921 verzochten Burgemeester en Wethouders in 1922 hetzelfde wapen te mogen blijven voeren als de voormalige gemeente Veldhoven. Bij Koninklijk Besluit van 1 juli 1922 nr. 76 werd aan de gemeente als wapen verleend: "in lazuur het beeld van de heilige Cecilia van goud.". De tekening toont de beeltenis van de heilige die met beide handen een draagbaar orgel vasthoudt. De Hoge Raad van Adel stelde voor het heiligenbeeld niet naar het oude diploma te tekenen maar te ontlenen aan het schilderij "Sacra Converzatione"[S1] van de Italiaanse schilder Raphaël Sanzio (1483-1520) en zijn leerlingen in de Pinacoteca Nazionale te Bologna. De rijkskleuren bleven gehandhaafd. Vanaf 1963 werd gewerkt aan een nieuw wapen. Na verschillende opties leidde dit tot de verlening bij Koninklijk Besluit van 3 juli 1969 nr. 6. Het wapen is gebaseerd op dat van de vrijheid Oerle, de enige voormalige gemeente met een "oud" wapen. Het schildhoofd is uitgevoerd in de kleuren van het kwartier van Kempenland, waarin vier ruiten voor de vier dorpen waaruit Veldhoven is gevormd zijn opgenomen. Dit wapen is een historisch en heraldisch correct wapen, waarin het oude uit ca. 1300 is gecombineerd met nieuwe elementen uit de 20ste eeuw. Historische beschrijvingen De gemeente Veldhoven bestaat sinds 1921 door de samenvoeging van Veldhoven en Meerveldhoven, Oerle en Zeelst.

Naam De verklaring van de naam Veldhoven is hofstede(n) bij de velden. Aantal inwoners Rond 1950: 9.020 Rond 2000: 41.716

Veldhoven en Meerveldhoven Wapen

30

Voor zover bekend heeft noch de schepenbank van Zeelst en Veldhoven, noch die van Zeelst, Veldhoven en Blaarthem ooit een schependomszegel gekend. De schepenen bekrachtigden de openbare akten met hun persoonlijke zegels. In Veldhoven gebruikte men een "dorps- en gemeentezegel" waarop een wapen met een schildhoofd, beladen met twee rozen, te zien is [afdruk bekend uit 1718]. Het wapenschild is gedekt met een helm, helmkleden en helmteken [een vlucht]. Volgens het randschrift is dit het persoonlijke wapen van een Van Bausel, vermoedelijk een 17deeeuwse schout ter plaatse [wapen: “keel en in een schildhoofd van zilver beladen met twee vijfbladige rozen van keel”]. De gemeenteraad van Veldhoven en Meerveldhoven besloot op 30 oktober 1815 de Hoge Raad van Adel te verzoeken om een wapen te verlenen met de afbeelding van de patrones van de gemeente, Sint-Cecilia. Bij Koninklijk Besluit van 31 augustus 1818 nr. 74 werd het wapen met bovenstaande beschrijving verleend, [diploma 14 oktober 1818]. De kleuren zijn de rijkskleuren. In de beschrijving is niet vermeld dat het heiligenbeeld in de rechterhand een kruisje houdt en in de linkerhand een rozenkrans. De afbeelding van Sint-Cecilia in het gemeentewapen heeft veel weg van een 17de-eeuws kinderportret uit het welvarende Holland.

Alhoewel zij in de kunst een enkele maal ook met een kruisje in de hand wordt afgebeeld, draagt zij meestal een portatief [draagbaar orgel]. Historische beschrijvingen Het gebied van de voormalige gemeente Veldhoven en Meerveldhoven viel samen met dat van de voormalige statendorpen, gelegen in het Kwartier van Kempenland. Oorspronkelijk waren beide dorpen hertogdorpen. Op 1 april 1560 werd de hoge, middelbare en lage heerlijkheid "Zonderwijk en Veldhoven" in pand gegeven aan François Schotelmans [wapen: “in blauw drie gouden meer- of lindebladeren”], die in 1559 al Zeelst in pand had gekregen. Na zijn dood in november 1561 kwam Veldhoven in maart 1562 aan zijn halfbroer, Hendrik van Etten. In september 1562 verkocht deze Veldhoven aan Roelof van Eyck, die kort daarna ook Blaarthem in pand verwierf. De pandheerlijkheden bleven tot 1613 bestaan en werden daarna onder bepaalde voorwaarden tot 1658 gecontinueerd. Meerveldhoven behoorde tussen 1561 en 1658 tot dezelfde heren als Oerle [zie aldaar]. De voormalige gemeente werd in 1810 gevormd, doordat Veldhoven was afgescheiden van Zeelst en Blaarthem, en Meerveldhoven van Oerle. Per 1 mei 1921 ging die gemeente op in de gemeente Veldhoven. Naam Meerveldhoven: veld bij een waterplas (meer) of moerassige plaats, in de 17de eeuw vanwege de ligging bij Veldhoven voorzien van de uitgang -hoven. Oudste vermelding: 1294, 779.

31

Aantal inwoners Rond 1811: 1.041 Rond 1900: 1.347

Oerle Wapen Het wapen van Oerle is officieel uit 1817. Vanaf 1355 is er al schependomszegel bekend. 16 juli 1817: “Zijnde van lazuur, beladen met een kruisstreep en gekantonneerd met vier staande Leeuwen, alles van goud. - het schild ter regterzijde verzeld van een Boom in zijn natuurlijke kleur.”

Een schependomszegel is bekend vanaf 1355. Binnen een randschrift - S COMVNE LIBERTATIS D' SANDOERLE - is een uitgerukte boom afgebeeld, waaraan heraldisch rechts een wapenschild hangt met het gevierendeelde hertogelijke wapen. In 18de eeuw is een nieuw stempel gesneden, een zeer slechte kopie van het voorgaande, met het randschrift: S COMMVNE LIBERTATIS DE OERLE. In 1815 zond de burgemeester aan de gouverneur der provincie een inktafdruk van het 18de-eeuwse stempel in, dat voor en na de Franse tijd in gebruik was en dat op dat moment nog was. Conform bevestigde de Hoge Raad van Adel op 16 juli 1817 het wapen met bovenstaande beschrijving. De boom staat aan de [heraldische] linkerzijde van het schild. De kleuren zijn de rijkskleuren. Historische beschrijvingen Het gebied van de voormalige gemeente Oerle viel samen met dat van het voormalige statendorp, gelegen in het Kwartier van Kempenland. Oorspronkelijk - tot het midden van de 13de eeuw - was Oerle een heerlijkheid van de Van Oerle's, die hun bezit veelal verkochten aan de priorij van Postel. De heerlijke rechten kwamen in hertogelijk bezit. Op 28 augustus 1561 kreeg Willem de Borchgreve [wapen: “in zilver twee staande en afgewende zalmen van sabel”] de heerlijkheden van Oerle en Meerveldhoven in leen.

Zijn nakomelingen De Borchgreve en vanaf 1623 De Jeger [wapen: “in keel een zwaard van zilver, gevest van goud”] behielden tot 1658 de pandheerlijkheid. De voormalige gemeente Oerle werd in 1810 gevormd door afscheiding van Meerveldhoven. Per 1 mei 1921 ging die gemeente op in de nieuwe gemeente Veldhoven. Aantal inwoners Rond 1811: 618 Rond 1900: 653 Naam De naam Oerle betekent bos op oer- of ijzerhoudende zandgrond. Oudste vermelding: 1249.

32

Zeelst Wapen Zeelst heeft in 1815 niet om een wapenverlening verzocht en zodoende nooit een eigen wapen gehad.

Voor zover bekend heeft noch de schepenbank van Zeelst (1559-1560), noch die van Zeelst en Veldhoven (1560-1562), noch die van Zeelst, Veldhoven en Blaarthem (1562-1810) ooit een schependomszegel gekend. Schepenen zegelden met hun persoonlijke zegels. In 1723 gebruikte Zeelst wel een dorpszegel, hetzelfde dat Veldhoven al in 1718 als dorps- en gemeentezegel had gebruikt. Mogelijk kan hieruit worden afgeleid dat er toch een door de schepenbank gebruikt zegel was, dat ook door de drie afzonderlijke dorpen werd gebruikt, zoals elders wel gebeurde. Het zegel vertoont een wapenschild met een schildhoofd, beladen met twee rozen. Het schild is gedekt met helm, dekkleden en helmteken [een vlucht]. Gezien het randschrift, waaruit blijkt dat dit het zegel van een Peter van Bausel [wapen: “keel en in een schildhoofd van zilver beladen met twee vijfbladige rozen van keel”] was, betreft het hier het persoonlijke wapen van een vermoedelijke schout van Zeelst, dat door de gemeenschap was overgenomen. Het schrijven van de burgemeester uit 1815 is niet bewaard gebleven. Bekend is slechts dat hij schreef dat zijn "gemeente zich omtrent de zamenstelling van deszelfs wapen aan het goedvinden van den Gouverneur" zou onderwerpen. In de praktijk betekende dit dat de Hoge Raad van Adel een wapen zou verzinnen en verlenen.

Waarom dat hier niet, evenals in Stiphout, en elders wel [Reusel en Strijp] gebeurde, valt niet meer te achterhalen. In 1839 werd gezegd dat ter plaatse geen wapen voorhanden was. In de 19de en begin 20ste eeuw gebruikte het gemeentebestuur een zegelstempel waarin de beeltenis van de parochieheilige Sint-Willebrord staat afgebeeld, in zijn rechterhand een kruisstaf, op zijn linkerhand een kerkgebouw. Historische beschrijvingen Het gebied van de voormalige gemeente Zeelst viel samen met dat van het voormalige statendorp, gelegen in het Kwartier van Kempenland. Oorspronkelijk was Zeelst een hertogdorp. Op 5 juni 1559 kocht François Schotelmans [wapen: “in azuur drie meer- of lindebladeren van goud”] de hoge, middelbare en lage heerlijkheid Zeelst in pand. In 1560 verwierf hij ook die van Veldhoven en Zonderwijk. Na zijn dood in november 1561 kwam Zeelst in december 1561 aan zijn halfbroer, Adriaan van Etten. In september 1562 verkocht deze Zeelst aan Roelof van Eyck, die ook Veldhoven en Blaarthem in bezit kreeg. De pandheerlijkheid bleef tot 1613 bestaan en werd daarna mogelijk onder bepaalde voorwaarden tot 1658 gecontinueerd. De voormalige gemeente werd in 1810

33

gevormd door afscheiding van Veldhoven en Blaarthem. Per 1 mei 1921 ging die gemeente op in de nieuwe gemeente Veldhoven. Aantal inwoners Rond 1811: ca. 1000 Rond 1900: 1200 Naam Voor de naam Zeelst bestaan er drie verklaringen. 1) woonplaats van een zeeldraaier of (2) woonplaats aan een waterloop of (3) een uit één ruimte bestaand huis, zaal. Oudste vermelding: 1297.

34

2.2 Thema’s Thema: 12 Oude infrastructuur Dit thema wordt gebruikt voor het onderbrengen van de oudste categorie wegen en routes: de préRomeinse en Romeinse wegen, waarvan het beloop veelal op giswerk en stoute dromen is gebaseerd. Het gaat hier om verbindingsroutes, vaak bundels van banen, die maar met enige vaagheid aan te wijzen zijn als daterend van vóór de Romeinse tijd of van in die Romeinse tijd, met de bijhorende beekovergangen, dat zijn hier dan altijd voorden. Omwille van hun vaak hypothetisch karakter hier apart gezet van de middeleeuwse infrastructuur. 12.1 Prehistorische wegen Prehistorische wegen volgen vaak terreinhoogten, soms gemarkeerd door grafheuvels etc. of juist op basis daarvan verondersteld. 4.12.1.001 Oost-west: een weg uit de Bronstijd? Langs de grafheuvels van Toterfout - Halfmijl wordt door Glasbergen een oost-west gerichte oude doorgaande weg verondersteld.12 In noot 28 wijst hij op de Vijfberggroep op de Regte Heide bij Goirle, grafheuvelgroepen die door Panken beschreven werden en voorbeelden op de Veluwe en in Drenthe die alle waarschijnlijk langs prehistorische wegen aangelegd werden. Bij het archeologische onderzoek Toterfout – Halfmijl werd niet naar een weg uit de Bronstijd gezocht, men beperkte zich destijds puur tot de grafheuvels.

In figuur 76 van Glasbergen13 is de grijze vlek de Postelse Weier en het noordwaarts aansluitende dal van de Bruggenrijt. De dikke zwarte lijn er doorheen is de Bruggenrijt zelf. Binnen en zuidwestwaarts van de Postelse Weier is die ten onrechte getekend, want daar werd de loop pas bij de ontginning gegraven. De lichtgrijze lijn is de oude weg van Glasbergen, met daarlangs de groepen Bronstijdgrafheuvels. Deze prehistorische weg of route is dus een pure gissing! Op zich is een weg hier goed denkbaar omdat ze een langgerekte hoogte door het zo vennenrijke gebied volgt. Dat is dan tevens het hulpmiddel om de weg verder oost- en westwaarts te volgen. Westwaarts komen we dan uit bij de middeleeuwse voorde van Vessem die bepaald werd door een versmalling van het forse beekdal van de Kleine Beerse.14 Ten westen daarvan is op oude kaarten een mooie wegenwaaier: je kon er alle

12 Glasbergen, 1954, deel 2, 174 en figuur 76. 13 Glasbergen, 1954. 14 Enklaar, 1941, nr. 148, 1326 maart 1: de voert tote Vessem. 35

kanten uit. In zuidwestelijke richting vinden we dan weer Bronstijdgrafheuvels en wat verderop een IJzertijd urnenveld. Mogelijk loopt de weg dus richting Hoogeloon.15 Oostwaarts kunnen we de weg nog een eindje vervolgen langs wat hoogten en door de Oerlese Bossen. De middeleeuwse weg ligt daar, en ook in het stuk dat Glasbergen langs de grafheuvels tekende, niet op dezelfde plek als de veronderstelde Bronstijdweg. 12.2 Romeinse wegen Romeinse wegen zijn verondersteld of echt aangetoond rechte wegen. 13.12.2.001 Noord-Zuid: een Romeinse Weg Mennen16 heeft in 2003 de Romeinse route Tongeren – Rossum weer onder de aandacht gebracht die al langer in de literatuur bekend was. Hij baseert zijn lokalisatie op enkele middeleeuwse heerwegen. Iedere door de heer (hertog) gegarandeerde doorgaande weg heette in de Middeleeuwen evenwel al snel Heerweg of ’s-heren weg en hoeft dus niets met Romeinen van doen te hebben. Deze veronderstelde route wordt door hem dwars door Veldhoven geprojecteerd, maar in de detaillering zijn er wat problemen. Het blijkt dat er inderdaad een prachtige wegenbundel gelegen heeft. Die begon op de voorde door het Langven (Landvoort) en eindigde in de wegentrechter aan de noordkant van Zonderwijk. In het oude cultuurland was er verder naar het zuiden maar één weg die bij Veldhoven de Gender overstak en dan weer uit ons beeld verdwijnt.

Dit patroon van wegen is toch wel oud: Oerle ligt nog in het bundelgebied en pas bij Zonderwijk krijgen we alles weer tezamen.17 Omdat Oerle elfde-eeuws is (of ouder) zou dit wegenpatroon ouder moeten zijn. Anderzijds lijkt het in niets op een mooie rechte goed aangelegde Romeinse weg. Eerder is het een préhistorische noordzuidroute. 12.3 Voorde Voorde horend bij deze oude wegen en routes. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. Bovendien zijn veel voorden door grotere of kleinere bruggen vervangen. 12.4 Middeleeuwse hoofdweg Verbinding tussen Hoog-Middeleeuwse economische centra, vaak te reconstrueren op basis van tollen en marktplaatsen op die routes. 4.12.4.003 De Antwerpse Baan De Antwerpse Baan werd belangrijk in het begin van de 13e eeuw. Bij Hulsel steekt deze baan het riviertje de Reusel over via de sluis van de watermolen bij “de Hoef”. Tussen Bladel en Netersel werd bij “de Muilen“ de Bredase Baan overgestoken in de richting van de Casterense watermolen en vandaar over de Dukesvoorten naar Knegsel. Zuidelijk van Broekeneind is een gedeelte van de baan gespaard bij de ontginning van de heide na 1950, nu een smalle hoge rug die met dennen is beplant.

Toen er een watermolen werd gebouwd op den Heuvel werden door het opstuwen van water de Dukesvoorten onbruikbaar. Het gebied kreeg de naam “Meulenbroeken”. Via de watermolensluis liep de baan langs Broekeneind, langs de herberg “Het Wit Perdje” tussen de vennen door naar waar nu de kapel van Knegsel staat en volgde verder de oude Antwerpse Baan. Dit nieuwe gedeelte was belangrijk genoeg om de windmolen tussen Hoogeloon en Vessem te verplaatsten naar het gebied ten zuidwesten van de Heuvel. In Knegsel is de Antwerpse Baan nog onder die naam bekend. Bij de grafheuvels langs het Huismeer kruiste zij de postbaan en liep verder in oostelijke richting langs Zonderwijk waar de Loonse baan erop aansloot. Raakte buiten gebruik toen de provinciale weg van Eindhoven naar Reusel tot stand kwam. 18 4.12.4.004 De Oude Antwerpse Baan 15 AMK monumentnrs. 633 en 635. 16 Mennen, 2003. 17 Mennen, 2003, 27-28. 18 Biggelaar, Bruggen & v.d. Heyden 1993, p. 233. 36

Voorganger van de Antwerpse Baan heeft dezelfde route tot voorbij Hulsel waar ze de Bredase Baan kruiste bij “de Muilen”. Vandaar loopt ze iets noorderlijker langs het Hondseind van Casteren naar de plaats waar in 1304 een windmolen werd gebouwd. Dan buigt de baan naar rechts af om de Kleine Beerze over te steken en gaat langs de rand van de de heide naar Halve Mijl en Toterfout. Raakte in onbruik door de bouw van een stenen brug over de Kleine Beerze bij het Vondereind in Vessem in 1764.19

Afbeelding: grafheuvels, urnenvelden en andere prehistorische vondsten langs de oude banen in de Kempen (naar Beex, W.F.M. 1989/tekening N. Arts).

19

Biggelaar, Bruggen & v.d. Heyden 1993, 233. 37

Afbeelding: Stafkaart uit 1850 met daarop aangegeven het vermoedelijke verloop van oude banen (naar Biggelaar, Bruggen & v.d. Heyden 1993, p. 232).

38

Thema: 13 Doorgaande wegen De gemeenten worden vanouds doorsneden door landwegen verbonden met de rest van Brabant en de wereld. Het beloop van die wegen is in de regel goed bekend, de ouderdom van de wegen van voor 1800 is vaak onduidelijk. De doorgaande wegen verbinden dorpen onderling of met verder weg gelegen steden en streken. Een kenmerk van de middeleeuwse wegen is dat ze zorgvuldig de hogere gronden volgen, enigszins bochtig zijn en hier en daar overgaan in bundels van alternatieve wegen. Dit laatste maakt dat beter van routes gesproken kan worden. Rivieren en beken werden aanvankelijk overgestoken bij een voorde of doorwaadbare plaats. Juist in de doorgaande wegen zijn die het eerste door bruggen vervangen. Zo'n voorde of brug werd vaak de focus van een tweezijdige wegenwaaier. Er zijn echter ook eenzijdige wegenwaaiers: de punten waar alternatieve wegen afsplitsten en punten waar een weg het cultuurland verliet en daar het keurslijf van akkers en heiningen kon afschudden. Dergelijke eenzijdige wegenwaaiers markeren dus het punt tot waar de ontginningen strekten. Bij veren, bruggen en kruisingen verrezen vaak ook herbergen. Nabij steden werden stukjes weg bestraat, maar de vraag is of dat op de dorpen ook gebeurde.

Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werden nieuwe met bomen beplante rechte en tonnerond gelegde wegen (“dijken”) aangelegd ter vervanging van de beroerde middeleeuwse wegen. kreeg zo te maken met de steenweg van Den Bosch naar Luik. Het zelfde idee werd vanaf 1810 op een hoger schaalniveau herhaald met de wegen die door Napoleons genie en onder koning Willem I aangelegd werden. Deze "rijkswegen" waren echte interregionale wegen, kaarsrecht, bestraat en beplant. De kosten moesten weer via tollen terug verdiend worden. Opnieuw raakten er zandwegen buiten gebruik. De "provinciale wegen" die in de negentiende eeuw tot stand kwamen waren daarentegen niets anders dan verbeterde interlokale wegen. Ze behielden dus hun bochtig verloop, al werd er hier en daar een lastige bocht opgeruimd of een ontbrekend stuk nieuw aangelegd. Tenslotte (hier vanaf 1863?) verschenen de spoorlijnen op geheel nieuwe spoorbanen en trammetjes (vanaf ca 1880?) die meestal in de berm van bestaande wegen reden.

13.1 Doorgaande weg Min of meer duidelijke baan. Indien er bundels banen optreden, zijn die banen afzonderlijk opgenomen, zodat de bundel duidelijk wordt. Doorgaande wegen lopen naar andere plaatsen buiten de eigen gemeente, of passeren slechts de gemeente zonder een woonplaats daarbinnen aan te doen (oude wegen over de hei, nieuwe rijkswegen). Wegen tussen de dorpskom, de gehuchten en verspreide bewoning vallen onder thema 14: lokale wegen. De eerste verharde wegen zorgden wel voor betere verbindingen, maar comfortabel waren ze in veel gevallen niet. De meeste karren en wagens hadden geen vering en met hun houten wielen met ijzeren banden hobbelden zij heel wat af op de keiwegen. Daarbij kwam dat de meeste paarden in die tijd geen hoeven hadden (niet beslagen waren: 'berrevoets'). Langs de wegen ontstond een zogenoemd hengstenspoor, doordat de paarden langs de weg (door het zand) liepen met de kar deels op en deels naast de weg.20

20 Bijnen 2005. 39

De eerste verharde wegen in Veldhoven vormden een wegenruit die de dorpen met elkaar en met de 'buitenwereld' verbond (uit Bijnen 2005). De volgende doorgaande wegen zijn van de kadasterkaart van 1832 overgenomen: 13.13.1.001 Zanpad Wintelrese Dijk Oude landroute, nog deels uitgevoerd als zandpad, in een akkercomplex. Het zandpad was eeuwenlang onderdeel van de oude landroute tussen Oirschot en Zandoerle. De route gaat in elk geval terug tot de Late Middeleeuwen (1250-1500), maar kan ook (veel) ouder zijn. CHW code HK-HL-07 / L78 Waarde is Zeer hoog. 13.13.1.002 Zandoerle-Banstraat 13.13.1.003 Hoogeloonsedijk 13.13.1.004 Provinciale steenweg Eindhoven-Belgische grens (Turnhout) In 1855 werd de eerste verharde weg in Veldhoven aangelegd. Het betrof de Provinciale steenweg Eindhoven-Belgische grens (Turnhout), waarvan het tracé door Meerveldhoven en Veldhoven(-dorp) voerde. Deze verbinding gaf een ontsluiting die uiteindelijk van wezenlijk belang geweest is voor de economische ontwikkeling van Veldhoven. Met de werkzaamheden aan de eerste verharde weg werd in 1853 gestart. Over een lengte van 12 meter (met grind) liep het tracé over het grondgebied vanzeelst (Provincialeweg). De lengte door Meerveldhoven en Veldhoven bedroeg 4536 meter, waarvan 3380 meter met grindverharding, 700 m met keien en 456 m met klinkers. Deze weg is thans

40

bekend als de Provincialeweg-Dorpstraat-Locht (vroeger respectievelijk Langedijk-Broek-DorpstraatLocht).21 13.13.1.004 Oude Kerkstraat-Sondervick-Kromstraat (Veldhoven – Wintelre) 13.13.1.005 Kruisstraat-Heuvel-Heuvelstraat-Nieuwe Kerkstraat (Oerle – Zeelst – Eindhoven) 13.13.1.006 Kapelstraat-Zuid – Kapelstraat-Noord 13.13.1.007 Blaarthemseweg 13.13.1.008 Volmolenweg-Heerseweg 13.13.1.009 Riethovensedijk 13.13.1.010 Knegselseweg 13.13.1.011 Antwerpsebaan 13.13.1.012 Eindhovensebaan

13.2 Halte Paardenwisselstation op postbaan, spoorweg of tramstation, tram of bushalte, busstation. Ook bijzondere benzinepompstations. 13.13.2.001 Tramhalte Meerveldhoven Halte bij herberg DeTramhalt van Willem de Greef in Meerveldhoven. 13.13.2.002 Tramhalte Zeelst Halte bij herberg De Reizende Man aan de voormalige Langendijk (nu provincialeweg).

13.3 Oude rijksweg Wegen uit het rijksprogramma uit de jaren 1810 – 1935. (Daarna krijgen we de moderne autowegen). 13.4 Railweg Spoorlijnen, trambanen, goederensporen (interlokaal maar ook lokaal!) 13.13.4.001 Tramlijn Eindhoven - Reusel De provinciale grindweg van Eindhoven naar Reusel-grens die in 1855 tot stand kwam over het tracé Locht-Dorpstraat-Provincialeweg, vormde een prominente rol in de ontwikkeling van Veldhoven. Hetzelfde tracé volgde sinds 1897 een stoomtramlijn. In 1897 reed de eerste stoomtram over de tramlijn van Eindhoven, evenwijdig aan de Provincialeweg in Veldhoven, naar de grens bij Reusel. Deze weg en tramlijn zijn van grote betekenis geweest voor de ontsluiting en ontwikkeling van de streek en zeker ook voor Veldhoven. Schoen- en tabaksindustrie vestigde zich graag aan deze route. Met name Meerveldhoven ontwikkelde zich daardoor tot industrieel centrum waarbij ook de aanwezigheid van de Gender op korte afstand het vestigingsklimaat voor weverijen en wasserijen gunstig beïnvloedde. De exploitatie van de lijn was in handen van de N.V. Tramwegmaatschappij De Meijerij. Deze maatschappij exploiteerde ook de lijn van Eindhoven naar Veghel en die van SintOedenrode naar Den Bosch. Er kwamen nogal eens ongelukken voor met trams. Daarbij zijn mensen

21 Bijnen 2005. 41

gewond geraakt en sommigen vonden zelfs de dood. Niet voor niets had de tram in de volksmond de bijnaam De Goede Moordenaar.22 Het personenvervoer per tram op de lijn Eindhoven-Reusel werd in 1934 gestaakt en in 1935 definitief opgeheven. Het goederenvervoer per tram ging nog door tot 11 januari 1937.Toen viel het doek definitief voor de tramlijn. De rails in de openbare wegen werden kort daarna opgebroken.

De tramlijn in Meerveldhoven. De Provincialeweg heette omstreeks 1905 Tramstraat. 13.13.4.002 Goederenlijn WOII Veldhoven heeft gedurende een aantal jaren nog een spoorlijn gekend. Het ging om een goederenlijn die tijdens de Tweede Wereldoorlog in gebruik was. Deze lijn liep vanaf Waalre, als aftakking van de spoorlijn Eindhoven-Valkenswaard, tot aan het vliegveld Welschap. De lijn doorkruiste de Kerkakkers en ging tussen de gehuchten De Berkt en het Heike door naar het vliegveld, dat destijds in handen was van de Duitse bezetter. Na de oorlog werden de spoorrails weer verwijderd. De huidige Sterrenlaan loopt voor een groot deel over het trace van deze goederenspoorijn.

22 Coenen 2006. 42

Detaíl van de topografische kaart 26 NW Eíndhoven, editie 1943, die dloor de geallieerden tijdens hun militaire acties in onze streken werd gebruikt. Van rechtsonder naar middenboven loopt het Duitse smalspoor (Bibliotlteek Topog,rafísclte Díenst Emmen) (uit Bijnen 2005). 13.5 Trekpad Trekpad of jaagpad langs rivier of kanaal. 13.6 Veer Oversteek van een rivier met een bootje: aanlegplaatsen, dalende wegen veerhuis. 13.7 Voorde/Brug Oversteek van water via doorwaadbare plaats, vaak later vervangen door een brug, in een doorgaande weg. Doorwaadbare plaatsen heb je in soorten: min of meer dwars op het watert, schuin, zeer schuin of zelfs een heel eind door het water: een “waterstraat” of “langvoort”. Bruggen heb je ook in soorten: een paal in het water om overheen te stappen (‘waterstap”), een balk erover, een vonder, een schoor, een echte houten of stenen brug. Klein water stak met men een gemetseld of houten “heul” over. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. Bovendien zijn veel voorden door grotere of kleinere bruggen vervangen. 13.8 Plein Verbreding van een doorgaande weg of samenkomst van wegen die tot een brede open ruimte leidt. De pleinen kunnen allerlei functies hebben.

13.13.8.001 Plaetse Zandoerle Het rechthoekige Marktplein is sinds de 18e eeuw weinig veranderd en wordt omringd door historische langgevelboerderijen. Zes ervan zijn rijksmonument. Oerle betekent ''oud of hoger gelegen

43

bos''. De vrijheid Zand-Oerle bezat een aantal marktrechten en de markten zullen wel op het dorpsplein gehouden zijn. 13.13.8.002 Plaetse de Heuvel Plein aan de Heuvel in Zeelst.

De plaetse aan de Heuvel in Zeelst (Google streetview mei 2023). 13.9 Poort Een doorgang door een natuurlijke barrière zoals een duinenrug, moeras, beekdal, de droge tegenhanger van een voorde dus. Veelal aan een of beide zijden met een wegenwaaier. (Hier wordt dus niet een soort stadspoort bedoeld!) 13.10 Spoorbrug Speciale brug voor spoorlijn of trambaan. Meestal ijzeren of stalenconstructies, al dan niet beweegbaar. 13.11 Tol(huis) Plaats of huis waar tol werd geheven. 13.12 Holle weg Een door langdurig gebruik uitgesleten strook waarin een oude weg loopt. Omdat de holle weg op twee plaatsen in het systeem voorkomt (doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de holle weg geboekt moet worden. 13.14 Grenspost Douanekantoor, marechaussekazerne, parkeerruimte en andere constructies aan een grensovergang. Soms op enige afstand van de feitelijke grens! 13.15 Laanbeplanting Boomrijen langs doorgaande wegen. 13.13.15.001 Bomen op de plaetse Zandoerle CHW code HK-HG-34 / G262 Waarde: zeer hoog De monumentale 37 bomen op de oude plaetse van Zandoerle zijn Hollandse linden (Latijnse naam: Tilia x europaea) uit de periode 1900-1910. Het rechthoekige Marktplein is sinds de 18e eeuw weinig veranderd en wordt omringd door historische langgevelboerderijen.

44

Plaetse van Zandoerle met bomengroepen (Google streetview sept. 2023). 13.13.15.002 Laanbeplanting Knegselse Weg, Veldhovense Weg CHW code GK-HG-73 / G213 Waarde is redelijk hoog. Laanbeplanting van Hollandse linde. Het geheel dateert deels van ca. 1850, deels uit de periode 1912-1920, en is deels recentelijk verjongd. 13.13.15.003 Laanbeplanting Heikantsebaan, Oude Kerkstraat CHW code RE-HG-30 / G806 Waarde is hoog. Laanbeplanting van zomereik en linde. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1850-1920.

Laanbeplanting aan de Oude Kerkstraat (Google streetview sept. 2023). 13.13.15.004 Bomen op de Heuvel CHW code HK-HG-32 / G260 Waarde is redelijk hoog. De beplanting bestaat o.a. uit rode beuk, Hollandse linde en treures. Het geheel dateert overwegend uit de periode 1890-1900. 13.13.15.005 Zeelst, Blaarthemseweg Amerikaanse eiken (Latijnse naam: Quercus rubra) voor de huizen aan de weg uit de periode 19301940. 45

Thema: 14 Lokale wegen Onder lokale wegen worden de wegen begrepen die binnen het dorpsgebied blijven. Deze wegen zijn vaak multifunctioneel, zodat hierna ook heel wat combinaties opgenomen zijn. Binnen de stad zijn dat alle straten buiten het hoofdassenkruis. In de dorpen zijn het de wegen binnen de gehuchten, de wegen tussen de gehuchten en de kerk (kerkwegen) en de verbindingswegen naar de beemden of de heide. Ook in deze wegen lagen voorden die in de loop van de tijd door bruggen en duikers vervangen werden. De lokale wegen droegen bij aan de vorming van wegenwaaiers. De lokale wegen kunnen naar tal van functies onderscheiden worden, maar dat zullen we hier niet toepassen. We onderscheiden slechts de wegen zelf en de voorden of bruggen daarin. 14.1. Lokale wegen Weg tussen onderdelen van de eigen gemeenten, soms tevens doorgaande weg. Bij de beschrijving van wegen kan het dwarsprofiel van belang zijn: holle weg (dan 13.12), een vlakliggende weg of een weg op een aarden dam “dijk”. Ook het oorspronkelijke of huidige wegdek kan van belang zijn: asfaltweg, betonplatenbaan, kasseiweg, klinkerweg, grindweg, zandweg. Omstreeks 1900 lagen er tussen de vier kerkdorpen Oerle, Meerveldhoven, Veldhoven en Zeelst al verharde wegen. Ook waren er verharde verbindingswegen naar omliggende dorpen.

Kort na 1900 werden plannen opgevat om nog enkele verbindingswegen aan te leggen, zoals een weg van Zeelst naar Meerveldhoven en van Veldhoven naar Oerle. Over een klinkerweg van Veldhoven naar Knegsel hoefde in 1935 niet lang vergaderd te worden. Provinciale Staten hadden de gemeente met dit voorstel benaderd en zegden 50% subsidie toe. De totale kosten waren begroot op 50.000 gulden, zodat Veldhoven voor 25.000 gulden een lening moest aangaan. Door de aanleg van deze weg kregen Schoot en de Nieuwstraat wegverharding en kwam Zittard dichter bij een verharde weg te liggen. Deze wegen en ook de Knegselseweg werden in het kader van de werkverschaffing aangelegd.23 De verharding van de Rapportstraat in 1927 kwam tot stand dankzij financiële toezeggingen van bewoners van die straat. In het kader van de werkverschaffing besloot de gemeenteraad in 1933 klinkerwegen aan te leggen van de Kruisstraat naar het Muggenhol, van de Broekweg door de Kerkweg (de huidige Binnenweg) en van Oerle naar Zandoerle. Vanwege de slechte financiële toestand werden tot de Tweede Wereldoorlog geen andere wegen aangelegd, alleen bestaande wegen onderhouden.24 13.14.1.001 Kasseiweg, klinkerweg Hoogeind CHW code RE-HL-08 / L264 Kassei- en klinkerweg in een oud buurtschap. De bestrating dateert uit de periode 1850-1900.

23 Coenen 2006. 24 Coenen 2006. 46

De kasseiweg op het Hoogeind vanad de kruising met Hoogeind (Google streetview 2023). 13.14.1.002 Heikantse Baan CHW code HK-HL-06 / L77 Was voorheen een klinkerweg; nu geasfalteerd. De weg en de bestrating met gebakken klinkers dateerde uit de periode 1930-1940.

Het veel bewandelde zandpad vanaf de Heerseweg naar De Run (Google streetview juli 2020). 13.14.1.003 t/m 13.14.1.662 diverse lokale wegen Veldhoven

47

Een groot deel van de wegen die zijn overgenomen van de kadasterkaart van 1830 bestaan nog of bestaan nog deels. Ruim 70 hiervan bestaan uit zandwegen. 14.2 Voorde / brug Oversteek van water via doorwaadbare plaats, vaak later vervangen door een brug, in een lokale weg. Doorwaadbare plaatsen heb je in soorten: min of meer dwars op het watert, schuin, zeer schuin of zelfs een heel eind door het water: een “waterstraat” of “langvoort”. Bruggen heb je ook in soorten: een paal in het water om overheen te stappen (‘waterstap”), een balk erover, een vonder, een schoor, een echte houten of stenen brug. Klein water stak met men een gemetseld of houten “heul” over. Omdat de voorde/brug op drie plaatsen in het systeem voorkomt (zeer oude wegen, doorgaande en lokale wegen), bepaalt het type weg waar de voorde/brug geboekt moet worden. Bovendien zijn veel voorden door grotere of kleinere bruggen vervangen. Er zijn op basis van de kadasterkaart 1830 28 voorden vastgelegd, waarvan er drie een rijt oversteken. De rest steekt een beek over zoals De Run, de Bruggenrijt, de Rundgraaf en de Gender. 13.14.2.001 t/m 13.14.2.028 diverse voorden Veldhoven De voorden als zodanig bestaan niet meer.

48

Thema: 15 Gegraven waterlopen Gegraven waterlopen zijn grotere gegraven waterlopen waaronder kanalen. Behalve de turfvaarten van de Peel zijn er bij Eindhoven nog een aantal wateren gegraven. Het grootste project was de aanleg van de Zuid-Willemsvaart (met bijhorende kanalen) en later het Wilhelminakanaal. Ook is er veel gewerkt aan de kanalisatie van de Dommel. Voor de waterhuishouding van de watermolens werden wat kanaaltjes gegraven. We onderscheiden zes categorieën: bevaarbare kanalen of gekanaliseerde rivieren; gegraven molenwaters en ontwateringsloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben. Voorts de kleinere objecten haven, gracht en sluis. 15.1 Kanaal Scheepvaartkanaal of gekanaliseerde rivieren voor algemeen interlokaal transport, of speciaal voor turftransport (turfvaart). Secundair worden kanalen gebruikt voor watertransport, bijvoorbeeld ten behoeve van vloeiweiden of ontlasting van rivieren. 15.2 Molenloop Kanaaltje gegraven bovenstrooms van een watermolen om die molen aan een groter hoogteverschil in waterstand te helpen. Molenlopen kunnen meer dan 1 kilometer lang zijn. Bij een watermolen is er soms maar een kort stukje molenloop. 15.3 Sloot / wetering Hier worden de grote ontwateringsloten die met ontginning en/of grensafbakening te maken hebben bedoeld, niet de eindeloos talrijke gewone slootjes.

Een wetering is een gegraven waterloop voor de kunstmatige bevloeiing van droge onvruchtbare heidegronden. 13.15.3.001 t/m 13.15.3.011 Diverse sloten De meeste hiervan bestaan niet meer. 15.4 Haven/kade/loswal Dit kan variëren van een eenvoudige aanlegplaats tot een goed uitgeruste haven met loskades, kranen en loodsen. 15.5 Gracht Gegraven water rond een boerderij, herenhuis, kasteel of stad. 13.15.5.001 Gracht bij Klein Broek 13.15.5.002 Gracht bij ’t Oude Slot 13.15.5.003 en 004 Gracht rond Kerk Oerle In de middeleeuwen stond de parochiekerk, die toegewijd was aan Johannes de Doper en Johannes de Evangelist, op een omgracht terrein, evenals het nabij gelegen versterkt huis Boonberg; beide terreinen waren als een politiek-religieus complex met elkaar verbonden door een acht-vormige gracht. Het deel 004 betreft mogelijk ook een restant van het grachtencomplex.

49

De nog deels omgrachte kerk van Oerle op de Topografische kaart van 1840 (schaal 1:25.000). 15.6 Sluis Schutsluis in kanaal.

50

Thema: 16 Molens Onder molens verstaan we graanverwerkende en andere industriemolens die als zodanig herkenbaar waren. Op het platteland heeft een groot aantal molens gestaan. De oudste groep bestond uit de door rivierwater aangedreven molens. Sommige zijn zo lang geleden gebouwd en zo vroeg al weer verdwenen, dat er amper een duidelijk spoor van de vinden is: de "spookmolens". Mogelijk waren dat kleine molens die de concurrentie met de latere, grotere, molens verloren. Soms is uit archiefstukken alleen bekend dat er een molen was, maar is de exacte locatie niet bekend (hooguit alleen een globale locatie). In eerste instantie heeft men voor aandrijving van de noodzakelijke molens gebruik gemaakt van waterkracht. Rond 1100 waren er in de Nederlanden al heel wat watermolens in bedrijf, rond 1300 nam de bouw van windmolens een vlucht. Aanvankelijk waren alle windmolens houten standaardmolens. Er kwamen echter in de Middeleeuwen al torenmolens voor in de regio. Vanaf 1680 werden steeds meer molens met een stenen romp en draaibare kap gebouwd. De bouw van zowel wind- als watermolens vereiste een relatief grote investering, die alleen door kapitaalkrachtige personen of instanties was op te brengen. De eerste molens zijn dan ook gebouwd door de adel die heerlijke rechten bezat en door grote kapittels en abdijen.

Omdat deze investeringen hun rente moesten opbrengen, wendden vele eigenaars zich tot de hertog, om de plaatselijke boeren te verplichten om op de plaatselijke molen te laten malen. Dit waren de zogenaamde dwang- of banmolens. Tot 1800 kon men dus niet vrijelijk molens oprichten en waren de mensen gedwongen om van bepaalde molens gebruik te maken, zelfs wanneer die erg onpraktisch gelegen waren. Na de opheffing van de heerlijke rechten en de belastingreglementen van de Republiek verrezen rond 1800 daarom molens op beter gekozen plaatsen, terwijl veraf gelegen molens buiten gebruik raakten of naar een betere plek verhuisden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd stoomkracht ingevoerd in het maalderijbedrijf, maar pas in de twintigste eeuw werden er veel oude molens opgeruimd. De meeste molens maalden graan tot meel. Sommige hadden een meer industriële taak: schorsmalen voor de leerlooiers, olieslaan, het vollen van textiel, het grutten van boekweit, zelfs het malen van snuif kwamen voor. In Brabant waren er geen houtzaagmolens en ook geen papiermolens. In de Noordwesthoek stonden poldermolens. 16.1 Windmolen Door windkracht aangedreven graan- of industriemolen. Standerdmolen, later stenen molen; op het vlakke, op een berg of in een berg (beltmolen), al dan niet met galerij. 13.16.1.001 Zeelster Molen Kapelstraat-Noord 142.

Ronde stenenbergkorenmolen bovenkruier "anno 1858". Rijksmonument nr. 37046 In 1858 liet molenaar Lambertus der Kinderen uit Geffen in de Kapelstraat (nu Kapelstraat-noord 142b) een stenen bergmolen bouwen, een zogenaamde bovenkruier. De molen kwam in het bezit van Franciscus Bazelmans, die gehuwd was met Maria van Luytelaar. Zij bezaten ook de standerdmolen. In 1887 erfde hun zoon Hendrik Bazelmans beide molens.

51

Afbeelding: Zilster Molen in Zeelst (foto T. IJpelaar, via Google Maps). 13.16.1.002 en 13.16.1.003 en 13.16.1.004 Eerste, Tweede en Derde Molen van Oerle De molen van Oerle was een typische “wandelmolen”. In zeven eeuwen tijd stond hij op vier plaatsen en werd 4,5 kilometer afgelegd. De uitgifte van de gemeynt van Wolfshoven en Zittard rond 1290 lijkt deze windmolen van Oerle als grenspunt te nemen. De blauwe grenskei op de noordoosthoek van Knegsel heette volgens Bijnen de “Ter meulen paal”. De kei markeerde de plek van de molen. In 1992 zijn daar brokken basaltlava = molensteen = tefriet en ook aardewerk uit de veertiende en vijftiende eeuw aangetroffen. Bovendien vond men een vroeg- of midden-bronstijd urn van het Drakenstein- of Larentype. Dit doet vermoeden dat de molen op een grafheuvel stond. Pal ten westen van deze plek ligt een archeologisch monument met grafheuvels. Deze molen is in de visie van Lijten25 de opvolger van de watermolen van Oerle. In 1332 verplichtte de hertog al zijn onderdanen in Oerle, Wintelre, Zonderwijk, Veldhoven en Knegsel om voortaan te malen op de molen van Postel in Oerle. Als ze daar niet kunnen malen, mogen ze uitwijken naar de Postelse molen van Venbergen. De boete op het verkeerd malen wordt op 1 pond zwarten gesteld.

Voor dit recht zal Postel jaarlijks aan de hertog 6 mud rogge Oerlese maat betalen.26 Dit werd nog bevestigd in 1615.27 In 1405 werd getuigd dat de Oerlese molen al meer dan 45 jaar een dwangmolen was.28 Dat terugrekenend komen we in 1360 of eerder. De getuigen zeggen niets over verplaatsing, alleen maar dat Postel het recht van de banmolen al zo lang en langer heeft.29 Eerder wijst het

Lijten, 1989. Charter 1332, april 17: Rijken, 1915. 27 Charter 1615, april 7: Rijken, 1915. 28 Charter 1405, november 17: Rijken, 1915. 29 Bijnen, 1993, lijkt te interpreteren dat er in 1360 een verplaatsing was. 25 26

52

verlenen van een molenban op een belangrijke verandering. Dat kan er op wijzen dat toen, in of kort voor 1332, de windmolen gereed kwam en de oude watermolen van Oerle verlaten werd. In 1462 werd de eerste molen van Oerle 450 meter naar het westen verplaatst. De molen zou op zijn oude standplaats te weinig wind vangen, wat iets zegt over het landschap: daar moeten flinke bomen gestaan hebben! De molen bleef op de nieuwe plek tot 1913 staan. Wat nu nog resteert van deze plek is de molenbult, een duidelijk zichtbare verhoging in het landschap.30 In de zomer van 1914 werd de molen opnieuw verplaatst en in onderdelen op karren vervoerd naar zijn nieuwe standplaats op een perceel aan de Zandoerleseweg nabij de dorpskern van Oerle. In 1932/1933 werd de molen tenslotte gesloopt. Jan Willem Derksen, de toenmalige molenaar, zette zijn molenbedrijf daarna in de vorm van een motormaalderij voort. In 1987 werd aan het Hoogeind een nieuwe, achtkante, rietgedekte stellingmolen gebouwd (zie 13.16.1.006).

De tweede molen van Oerle op de AHN4, duidelijk een bult in het landschap.

Reconstructie van de situatie in de Gróte Aard van Oerle, waar de standerdmolen van 1462 tot 1914 stond. (olieverfschilcterij door W. Faassen).

30 Leenders 2005. 53

13.16.1.005 Windmolen van Veldhoven In 1811 werd in Veldhoven, door Mathijs Swane uit Waalre, een achtkantige houten windgraanmolen gebouwd. De molen kon worden opgericht omdat de banrechten van de molens van Oerle en Zeelst waren vervallen. De molen was in 1832 eigendom van Maria Smulders, weduwe van Mathijs Swane, uit Waalre. De weg langs de molen, die uitkwam op de Oude Bosschestraat, heette in 1832 Molenweg. In 1922 brandde de molen af, na een blikseminslag.31 Bij zijn woonhuis in de Rapportstraat begon molenaar Van Grotel een door een oliemolen aangedreven maalderij. 13.16.1.006 Windmolen Sint Jan van Oerle32 In 1987 startte molenaar-molenbouwer John de Jongh met de bouw van een nieuwe, achtkante, rietgedekte stellingmolen te Oerle aan het Hoogeind 35. De molenromp en -kap waren grotendeels afkomstig van een gesloopte molen uit het Noord-Duitse plaatsje Leezen in Sleeswijk-Holstein en dateerden uir 1870-'71. De molen Sint Jan werd in 1991 officieel in gebruik genomen.

Molen Sint Jan met molenaarswoning aan het Hoogeind in Oerle (foto: Molendatabase.nl). 13.16.1.007 Molen De Adriaan Windmolen 17 Meerveldhoven. Rijksmonument nr. 37040 Ronde bakstenen bovenkruier op belt uit 1905. Deze molen werd gebouwd in opdracht van de familie Van Grinsven uit Beek en Donk. In 1911 werd J.W. van Grinsven enig eigenaar; tot 1935 was de molen achtereenvolgens verpacht aan de mulders Graat, Jetten en J.A. de Jongh. In 1935 werd die laatste persoon eigenaar en sindsdien is de molen in de familie De Jongh gebleven. Het onderste gedeelte is sinds ca. 40 jaar in gebruik als café. Desondanks werd er tot in de jaren '80 nog vaak gedraaid en zelfs gemalen. Pas toen de familie De Jongh de nieuwe St. Jansmolen te Oerle in gebruik nam, hield het malen in De Adriaan vooralsnog op.

31 Coenen 2006. 32 https://www.molendatabase.nl/molens/ten-bruggencate-nr-10007 54

Nadat in 2012 de kruivloer en de staartbalk waren vernieuwd, is de molen sinds de zomer van 2012 na enkele jaren van stilstand weer draaivaardig. In 2013/14 zijn allerlei werkzaamheden verricht zoals het vernieuwen van de kapbedekking, betimmering van het voorkeuvelens en de verdere afwerking van het gevlucht. Hierbij is ook het systeem Van Bussel, dat tot de jaren '70 aanwezig was, teruggebracht en het bovenwiel polymeerchemisch hersteld. De kleurstelling is in de stijl van de jaren '50 teruggebracht: achterkeuvelens groen met witte randen, baard en achterbaard eveneens groen met witte rand. Roeden, windborden en voorzomen grijs. Sinds de werkzaamheden van 2013/14 draait de molen weer geregeld waarbij soms ook wordt gemalen. 13.16.1.008 Eerste windmolen van Zeelst De eerste molen van Zeelst was een standaardmolen en stond aan de Molenstraat. Deze wordt al vermeld in 1379. Samen met de watermolens van Woensel en Stratum maakte deze windmolen deel uit van de bezittingen van ridder Willem van Sevenborn, heer van Craendonc. Zijn broer Jan van Sevenborn, heer van Cranendonk, waartoe ook de stad Eindhoven behoorde, maakte in 1385 zijn testament. Hij vermaakte aan de predikheren in Den Bosch een erfpacht van 10 mud rogge, te heffen uit de molen van Zeelst. Er zijn voornamelijk gegevens bewaard over percelen die nabij de molen lagen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15846952/1