Bestemmingsplan_toelichting en regels
Tekst van het document
Afronding Habraken
52
daarmee een goed woon- en leefklimaat in dit kader. Gesteld kan worden dat een berekening van de achtergrondbelasting dan ook niet benodigd is. Conclusie Door de beoogde herziening van het bestemmingsplan worden geen veehouderijbedrijven in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Voorts is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft. De gemeente heeft vanuit haar archeologiebeleid voorwaarden opgesteld ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Deze zijn in het bestemmingsplan weergegeven als een dubbelbestemming Waarde-Archeologie met daaraan gekoppelde ondergrenzen onderzoeksplicht. De gemeente Veldhoven beschikt over een Archeologische beleidsadvieskaart (2021). Toetsing plan Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan bevinden zich op de beleidsadvieskaart (figuur 4.9, volgende pagina) verschillende categorieën met archeologische verwachtingswaarden, te weten:
categorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde (rode kleur in onderstaande afbeelding); Dit zijn voornamelijk enkele percelen in de zuidrand en een groot perceel in de zuidoostelijke helft.
categorie 5: gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde (oranje kleur in onderstaande afbeelding); Dit betreft 2 stukjes van twee percelen in de westhoek van het plangebied.
categorie 7: gebieden zonder archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven (grijze kleur in onderstaande afbeelding); Dit betreft het overgrote deel van het plangebied in de westelijke helft.
Vrijgegeven gebieden n.a.v. archeologisch onderzoek (rood gearceerde gebieden) 6; Dit zijn enkele percelen in de oostelijk helft van het plangebied.
6
Bijlage 5: Selectieadvies archeologie, gemeente Veldhoven, 26-07-2021
Afronding Habraken
53
Figuur 4.9: Archeologische beleidsadvieskaart met archeologische verwachtingswaarde en vrijgegeven gebieden (Bron: gemeente Veldhoven, 2021)
De categorieën zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' (beleidsadvieskaart categorie 4) en 'Waarde - Archeologie 3' (beleidsadvieskaart categorie 5). De dubbelbestemmingen kennen een bouwverbod (met afwijkingsmogelijkheid) en een omgevingsvergunningenstelsel voor werkzaamheden die de bodem verstoren. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er geen archeologische resten aanwezig zijn, of dat die resten kunnen worden beschermd door voorwaarden aan de omgevingsvergunning te stellen (bijvoorbeeld door het treffen van technische maatregelen, het doen van een archeologische opgraving of archeologische begeleiding van de werkzaamheden). Een uitzondering geldt voor (een gedeelte van de gronden) met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - groot bouwperceel' en 'specifieke vorm van bedrijf - afwijkingsmogelijkheid' (zie tevens paragraaf 2.6.1). Voor deze gronden heeft in augustus 2024 een proefsleuvenonderzoek plaatsgevonden. Het proefsleuvenonderzoek kende twee fasen, waarbij na fase 1 met de adviseur archeologie van de gemeente Veldhoven een evaluatie zou worden gehouden en op basis van de resultaten beslist zou worden of een tweede fase met verdichting van het proefsleuvennet noodzakelijk zou zijn.
Fase 2 is uiteindelijk niet uitgevoerd, bij gebrek aan duidelijke aanwijzingen voor archeologische vindplaatsen in fase 1. In de sleuven zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen geconstateerd. Vastgesteld werd dat deze met een verdichting van sleuven in een fase twee, ook niet meer te verwachten waren. Op basis van het betreffende, door het bevoegd gezag
Afronding Habraken
54
goedgekeurde archeologisch onderzoek, heeft de gemeente op 29 november 2024 een selectiebesluit genomen hierbij zijn de betreffende gronden vrijgegeven. In onderhavig bestemmingsplan is voor deze gronden dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Conclusie Een groot deel van het plangebied is vrijgegeven omdat hier geen archeologische verwachting aanwezig is of archeologisch onderzoek reeds heeft plaatsgevonden. Hier is geen archeologische bescherming in de vorm van een dubbelbestemming noodzakelijk. Voor de plandelen met een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 2' (beleidsadvieskaart categorie 4) en 'Waarde - Archeologie 3' (beleidsadvieskaart categorie 5) geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunningenstelsel voor werkzaamheden die de bodem verstoren, waarbij de drempelwaarden die in de bestemmingen zijn opgenomen, worden overschreden. Hiermee is geborgd dat in voorkomende gevallen tijdig en voldoende onderzoek wordt gedaan. Eventueel kunnen voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. 4.7.2
Cultuurhistorie
Nationaal Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden. Provinciaal Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Volgens onderstaande kaart van de provincie Noord-Brabant uit 2016 bevindt zich in het plangebied de categorie ‘overige bouwkunst’. Het gaat hier om een bunker.
Afronding Habraken
55
Figuur 4.10: Cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Prov. Noord-Brabant, herz. 2016
Afronding Habraken
56
Gemeentelijk Het gemeentelijk beleid ten aanzien van cultuurhistorie is door de gemeente Veldhoven beschreven in de Nota cultuurhistorische waarden 2012. Alle bovengrondse cultuurhistorische elementen binnen de gemeente zijn beoordeeld op context en samenhang, gaafheid, ouderdom, zeldzaamheid en waarde voor de Veldhovense geschiedenis van de plek. Op basis hiervan is de Cultuurhistorische Waardenkaart Veldhoven 2012 opgesteld. In de Nota cultuurhistorische waarden staan beleidsregels en wensen ten aanzien van de omgang met de cultuurhistorie. Tevens wordt aangegeven op welke wijze de cultuurhistorie structureel in het ruimtelijke ordenings- en vergunningsproces kan worden ingebed en hoe er om gegaan wordt met de waarden die op de cultuurhistorische beleidskaart zijn opgenomen.
Figuur 4.11: Uitsnede gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart
Bunker In het gemeentelijke cultuurhistorische beleid is de bunker in het plangebied niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol vanwege het ontbreken van cultuurhistorische panden. In het bestemmingsplan Habraken uit 2006 is de bunker ook niet aangeduid en is deze dus formeel niet beschermd. Vanuit het huidige beleid was er daardoor geen aanleiding om te veronderstellen dat de bunker behoudenswaardig was. Voor de sloop van de bunker is een sloopmelding gedaan en heeft de ODZOB de aanvraag beoordeeld. Vanwege het ontbreken van een beschermde status bestond er echter geen reden de sloopmelding te weigeren en is de sloop akkoord bevonden.
Afronding Habraken
57
Conclusie De planlocatie is niet gelegen in de door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. In het plangebied zijn ook geen overige te beschermen cultuurhistorische elementen of waarden op de provinciale waardenkaart aangeduid. Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaart zijn voor de planlocatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen onderscheiden. De monumentale bomen vallen net buiten het plangebied. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.8
Water
Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid. Met deze waterparagraaf wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, onder c van het Besluit ruimtelijke ordening. Waterrelevant beleid en regelgeving Provincie Noord-Brabant Provinciaal Water en Bodem programma 2022-2027 Doel is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Ambitie: Brabant heeft in 2050 een klimaatbestendig en veerkrachtig water- en bodemsysteem en is bestand tegen extremen. Rode draad: water en bodemsysteem herstellen. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking.
Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterrelevant beleid en regelgeving Waterschap de Dommel Waterbeheerplan 2022-2027 - Water als basis voor toekomstbestendige leefomgeving Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van NoordBrabant. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt.
Afronding Habraken
58
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan.
Wat schoon is moet schoon blijven.
Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe het Waterschap dit gaat bereiken. Meer dan voorheen gaat het waterschap daarbij:
van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied;
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.
Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Beleid en ambitie gemeente Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan en Integraal beheer kader openbare ruimte gemeente Veldhoven De visie en strategie van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het huidige VGRP en daarnaast is een integraal beheerkader openbare ruimte opgesteld. Het Integraal beheerkader openbare ruimte beschrijft de ambities voor het beheer van de openbare ruimte voor de gemeente Veldhoven. Deze ambities zijn vertaald
Afronding Habraken
59
naar de assets en vastgelegd op de assetsheets (beheerplannen). Het doel hiervan is om eenduidig de kaders voor het beheer van de openbare ruimte vast te leggen op basis van het huidige beleid. Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer:
zorgplicht stedelijk afvalwater;
zorgplicht hemelwater;
zorgplicht grondwater.
Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Op het gebied van hemelwater zijn de onderstaande beleidsdoelen en ambitie beschreven:
Vasthouden aan de hemelwatertrits 'vasthouden, bergen, afvoeren'. Met de lokale voorkeursvolgorde: infiltreren waar mogelijk, bovengronds bufferen op locaties met voldoende ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren.
Perceeleigenaren dragen een steentje bij door op eigen terrein doelmatig voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater.
Actief doorzetten op bovengrondse maatregelen ten behoeve van de verwerking van hemelwater in de openbare ruimte. Bovengrondse maatregelen komen als doelmatiger alternatief dan ondergrondse maatregelen naar voren. Daarnaast zijn bovengrondse maatregelen zichtbaar voor onder andere de bewoners, wat resulteert tot meer bewustwording van de inwoners in Veldhoven.
Bij herontwikkelingen waar mogelijk inzetten op gescheiden riolering. Onderscheidt in afvoer van stedelijk afvalwater en voor de afvoer van hemelwater.
Hydrologisch neutraal bouwen Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Uitgangspunten hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw Bij herontwikkeling en nieuwbouw binnen de gemeente Veldhoven wordt uitgegaan van het HNO-principe (Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen): het hemelwater wordt ter plaatse de bodem in geleid via hemelwater verwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen wordt de eigenaar gestimuleerd om het hemelwater op eigen terrein te verwerken.
Waar mogelijk worden voorzieningen gecombineerd met benodigde maatregelen in omringende wijken. Indien de lokale omstandigheden de verwerking van hemelwater in de bodem niet toelaten, wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater, conform de richtlijnen van het hydrologisch neutraal ontwikkelen.
Afronding Habraken
60
Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing:
Vuilwater en schoon hemelwater worden gescheiden aangeboden op de perceelgrens.
De gemeente hanteert voor de toename van het verhardoppervlak van 250 m² tot 500 m² een compensatie van 42 mm/m² berging binnen het te ontwikkelen plangebied. Boven de 500 m² gelden de regels van de Keur van Waterschap de Dommel. Dit is voor onderhavig plan het geval. Dit betekent dat een bergingseis van 60 mm/m² geldt.
Voorkeur voor een bovengrondse berging.
Leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer e.d.) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is.
Wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen.
Bij het indienen van de omgevingsvergunning dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie.
Watertoets ‘Afronding Habraken’ In het kader van dit bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd die het gehele watersysteem voor het bedrijventerrein beschouwt. De watertoets is als separate bijlage 14 bij dit bestemmingsplan opgenomen.7 Samenvatting Het plangebied betreft een deel van het bedrijventerrein Habraken gelegen tussen de Oersebaan, Heikantsebaan, Oude Kerkstraat en Vooraard te Veldhoven. Het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft, heeft een oppervlakte van 35.8 ha. Waterhuishoudkundig is het bedrijventerrein één geheel waarbij riolering en waterberging dienen voor alle toekomstige bedrijven en de openbare ruimte van het bedrijventerrein. Bedrijventerrein Habraken is al vanaf 2006 in ontwikkeling. Het is dan ook van belang dat een volledig beeld ontstaat van de waterhuishouding in de huidige en toekomstige situatie en dat inzicht ontstaat in de hieruit volgende opgaven. Het in de loop der jaren gewijzigde waterbeleid is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Het beleid van de provincie Noord-Brabant, waterschap De Dommel en de gemeente Veldhoven vormt de basis voor de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. In de bestaande situatie zijn binnen de plangrenzen verschillende verhardingen aanwezig. Op basis van een analyse van de luchtfoto en de BGT is ingeschat dat 2.691 m² oorspronkelijke/bestaande verhardingen aanwezig zijn.
Het toekomstige verhard oppervlak binnen de plangrenzen van dit bestemmingsplan is vastgesteld op 197.235 m². Voor bedrijventerrein Habraken in zijn geheel bedraagt de toekomstige hoeveelheid verhard oppervlak die wordt aangesloten op de riolering en afgevoerd naar de waterberging 579.300 m². Op basis van de berekening van de toekomstige verharde oppervlaktes en de bergingsopgave per plangebied (40 of 60 mm) is vastgesteld dat er in de eindfase voor geheel Habraken 28.937 m³ water geborgen moet worden in de retenties en riolering van het bedrijventerrein. Voor alleen de verharding binnen het plangebied ‘Afronding Habraken’ geldt een bergingsopgave van 11.834 m³. Voor ‘Afronding Habraken’ is bij het
7
Bijlage 6: Watertoets bestemmingsplan ‘Afronding Habraken’ Veldhoven; Adviesbureau Aquabrain, AB23-756.RAP, januari 2025.
Afronding Habraken
61
bepalen van de bergingsopgave geen rekening gehouden met aftrek van de bestaande hoeveelheid verhard oppervlak. De bodems van de toekomstige retenties zijn boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) gelegen. Gedurende het natte najaar van 2023 en voorjaar van 2024 zijn zowel landelijk als door de gehele gemeente Veldhoven aanzienlijk hogere grondwaterstanden gemeten. Ondanks het feit dat deze hogere grondwaterstanden kunnen voorkomen, blijft het ontwerp van de waterbergingen gehandhaafd. Het systeem van waterbergingen in Habraken is robuust en door de aanwezigheid van drainage en een vertraagde leegloop wordt voorvulling van de berging met grondwater voorkomen. De hoge grondwaterstanden gedurende de periode vanaf oktober 2023 tot en met april 2024 zijn voor de gebruiksfuncties verkeer en bedrijventerrein acceptabel. De ontwateringsniveaus zijn gezien de toekomstige weg- en bouwpeilen nog steeds voldoende. Er is rekening gehouden met een waterbergende schijf van 60 cm in de retenties. De in het plangebied aanwezige retenties A en B worden gehandhaafd en retenties C en D worden nieuw aangelegd. In het hemelwaterriool is in de eindsituatie ongeveer 6.000 m³ waterberging aanwezig. Er kan hiermee in de eindsituatie in totaal ongeveer 30.500 m³ waterberging worden gerealiseerd.
Er is in het plangebied voldoende ruimte aanwezig en gereserveerd om de vastgestelde bergingsopgave voor de eindsituatie van het gehele bedrijventerrein Habraken te kunnen inpassen. Er is ook ruimte aanwezig om de retenties landschappelijk in te passen in de omgeving. Conclusie Er is in het plangebied voldoende ruimte aanwezig en gereserveerd om de vastgestelde bergingsopgave voor de eindsituatie van het gehele bedrijventerrein Habraken te kunnen inpassen. Er is ook ruimte aanwezig om de retenties landschappelijk in te passen in de omgeving.
4.9
Flora en fauna
Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Gebiedsbescherming Natura 2000 Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebied specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.
Afronding Habraken
62
Uit de kaarten van de website van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 2,6 kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt. Dit betreft het Natura 2000-gebied Kempenland-West. Doordat het plangebied buiten het Natura 2000-gebied ligt, kunnen alleen effecten optreden als gevolg van externe werking. Gezien de relatief grote afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het redelijkerwijs uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebied als gevolg van effecten van verdroging, versnippering, optische en mechanische verstoring en verstoring door licht, geluid en trilling door de voorgenomen plannen. Als gevolg van de ontwikkelingen (tijdens de werkzaamheden en tijdens de gebruiksfase) in het plangebied zal sprake zijn van stikstofemissie. Depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden kan negatieve effecten tot gevolg hebben op de natuurwaarden. De hoeveelheid stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen plannen op Natura 2000-gebieden moet worden bepaald middels een stikstofberekening met het programma AERIUS Calculator. Voor het nieuwe bestemmingsplan in een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd door Pouderoyen-Tonnaer.8 Dit onderzoek (Bijlage 13) bestaat uit berekeningen van de referentiesituatie, de realisatiefase en de gebruiksfase en gaat vergezeld van een toelichtende notitie.
Voor een beschrijving van de gehanteerde uitgangspunten wordt verwezen naar de bijlage (bijlage 13). Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat zowel in de realisatie- als in de gebruiksfase depositieresultaten >0,00 mol/ha/j optreden. Intern salderen biedt voor zowel de realisatiefase als voor de gebruiksfase een uitkomst: ten opzichte van de referentiesituatie worden geen toenames >0,00 mol/ha/j berekend. Na intern salderen treden er dus geen significant negatieve effecten op. Indien een bedrijf zich wil vestigen op het bedrijventerrein dient het bedrijf een beoordeling te overleggen waaruit blijkt dat de emissies voortvloeiend uit het gebruik van de bedrijfslocatie (inclusief verkeersstromen) niet hoger zijn dan de emissies voortvloeiende uit het huidige agrarische gebruik. Dit is middels een gebruiksbepaling in de regels geborgd. In de begripsbepalingen van de regels behorende bij dit bestemmingsplan is uiteengezet wat een toename van de stikstofemissie/ depositie omvat. Uit de bovenstaande analyse is gebleken dat intern salderen bouw en gebruik van het bedrijventerrein mogelijk maakt. Indien een bedrijf toch hogere emissies in de gebruiksfase heeft dan de intern saldeerruimte toestaat, dien het bedrijf zelf zorg te dragen voor een geldige Wnb vergunning. Dit zou mogelijk kunnen door het uitvoeren van een ecologische beoordeling of extern salderen.
NNN/NNB Uit de kaarten op de website van provincie Noord-Brabant, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN Provinciaal deel ligt op circa 75 meter ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN Rijksdeel ligt op circa 460 meter ten westen van het plangebied.
8
Bijlage 13: Notitie beoordeling stikstof, rapportnummer P230049.001, dec. 2024
Afronding Habraken
63
De voorgenomen plannen hebben door afstand en aard van de werkzaamheden, door de aanwezigheid van Vliegbasis Eindhoven, én door het beheertype in het NNN (te weten 'Droog bos met productie'; een beheertype met een relatief lage biodiversiteit) geen (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Soortenbescherming De soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het plangebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden. Navolgend wordt beschreven welke onderzoeken er zijn verricht om de potentiële planeffecten op beschermde soorten in beeld te brengen. Quickscan flora en fauna (2021) Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden is als eerste stap door Staro b.v. een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het gehele te ontwikkelen bedrijventerrein, waar onderhavig plangebied ook onderdeel van uitmaakt. De onderzoeksrapportage (Rapportnummer 20210262)9 is bijgevoegd als bijlage 7 aan de toelichting.
Uit de resultaten van de quickscan blijkt dat de voorgenomen plannen met betrekking tot uitbreiding van het bedrijventerrein naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits een aantal vervolgstappen worden uitgevoerd en maatregelen wordt getroffen. Zo dient er nog nader onderzoek te worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenuilen en kerkuilen in het plangebied en de directe omgeving, en het gebruik van het plangebied als leefgebied. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat het plangebied essentieel onderdeel uitmaakt van het leefgebied van uilen dan dient het gebied te worden gecompenseerd. Bij het inrichten van een compensatiegebied kan rekening gehouden worden met patrijs, aangezien door de ontwikkeling een deel van het leefgebied van de Patrijs verdwijnt. Daarnaast dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd naar verblijfplaatsen van vleermuizen, onder meer ter plaatse van diverse aangetroffen holtebomen. Tenslotte dient nader onderzoek te worden uitgevoerd naar het gebruik van het plangebied door wezel, bunzing en steenmarter, inden de dekkingbiedende vegetatie langs de west- en zuidrand van deelgebied A wordt verwijderd. Nader soortgericht onderzoek vleermuizen, kerkuil, steenuil, bunzing, wezel en steenmarter (2022) Er is nader onderzoek naar de aanwezigheid van diverse soorten gedurende 2022 uitgevoerd door Staro.
De aanvullende onderzoeksrapportage ‘Notitie Soortgericht onderzoek’10 is als bijlage 8 aan de toelichting toegevoegd. In het nader onderzoek is het volgende geconcludeerd:
Binnen het plangebied zijn geen vliegroutes en verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De werkzaamheden zorgen niet voor een overtreding op de Wet natuurbescherming in relatie tot vleermuizen.
9 10
Bijlage 7: Quickscan Flora en Fauna, Habraken, Staro bv, rapportnummer 20210262, nov. 2022 Bijlage 8: Notitie Soortgericht onderzoek, Staro bv, P21-0359, 5-12-2022
Afronding Habraken
64
Wel is het belangrijk om verstoring door licht te voorkomen op passerende vleermuizen. Dit geldt zowel voor de bouwfase als de gebruiksfase.
Gezien het beperkt aantal waarnemingen van de steenmarter kan worden aangenomen dat het plangebied geen essentieel deel van het leefgebied uitmaakt van de steenmarter. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op de staat van instandhouding van de soort.
Het plangebied overlapt met vijf territoria van steenuilen. Door de werkzaamheden gaat mogelijk essentieel leefgebied van de steenuil verloren en het is niet uit te sluiten dat een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Voordat duidelijkheid kan worden verschaft over de noodzaak van een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een leefgebiedenanalyse uit te voeren.
In de omgeving van het plangebied zijn drie nestlocaties van de kerkuil aanwezig. Mogelijk dient het plangebied als foerageergebied voor de kerkuil. Gezien de beschikbaarheid van geschikt leefgebied in de ruime omgeving van het plangebied is het aannemelijk dat voor de kerkuil genoeg alternatief leefgebied beschikbaar is en dat de werkzaamheden binnen het plangebied geen negatief effect hebben op de kerkuil.
Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten vastgesteld.
Gedurende de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden is de naleving van de algemene zorgplicht ten alle tijden verplicht. Aanwezige dieren moeten de mogelijkheid krijgen te vluchten. Kappen van bomen en struiken wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels.
Vleermuizen Om te voldoen aan de Wet natuurbescherming dienen de noodzakelijke werkzaamheden binnen het plangebied overdag uitgevoerd te worden zodat er geen verstoring op foeragerende en langsvliegende vleermuizen door kunstlicht plaats kan vinden. Bovendien is het noodzakelijk dat bij het aanbrengen van verlichting in de nieuwe situatie vleermuisvriendelijke verlichting wordt toegepast. Vleermuisvriendelijke verlichting bestaat uit afgeschermde armatuur met een lichtbron met extra warm licht (<2700K en >540nm). Hier zal bij de uitgave van percelen nadrukkelijk op worden gewezen. Steenuil Uit het onderzoek is gebleken dat in de omgeving meerdere nesten van de steenuil aanwezig zijn en dat het leefgebied van meerdere steenuilen overlapt met het plangebied. Het gaat om een totaal van het territoria van zes steenuilen waarvan kan worden aangenomen dat het plangebied. Tijdens een eerder onderzoek van het adviesbureau Ecolybrium11 zijn meerdere territoriale steenuilen waargenomen en zijn ook nestlocaties vastgelegd. De twee nestlocaties aan de zuidzijde van het plangebied en de noordoostelijke nestlocaties zijn ook tijdens het onderzoek in 2022 waargenomen. De meest westelijke van de twee noordelijke nestlocaties is niet vastgesteld tijdens het onderzoek in 2022 en was ook niet bekend bij de mensen werkzaam met uilen in de omgeving van het industrieterrein Habraken.
Deze locatie is daarom niet meegenomen in de analyse. Gebaseerd op het onderzoek van Ecolybrium in 2021, het onderzoek van Staro Natuur en Buitengebied in 2022 en de waarnemingen van Brabants Landschap gedurende de jaren 2020-2022, wordt aangenomen vijf territoria van steenuilen overlappen met het plangebied. Door de voorgenomen plannen kan een negatief effect op het leefgebied van de steenuil niet worden uitgesloten. De conclusie uit dit onderzoek is dat de werkzaamheden mogelijk tot gevolg dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Door het verdwijnen van foerageergebied (middels uitbreiding van het industrieterrein) kan
11
Bijlage 9: Rapport nader onderzoek, Ecolybrium, november 2021.
Afronding Habraken
65
de functionele leefomgeving van de steenuil (waar het nest onderdeel van uitmaakt) niet meer in stand worden gehouden. Het indienen van een ontheffingsaanvraag kan hier het gevolg van zijn. Voordat duidelijkheid kan worden verschaft over de noodzaak van een ontheffingsaanvraag op de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk geacht om een leefgebiedenanalyse uit te voeren. Met een leefgebiedenanalyse wordt inzichtelijk gemaakt wat het belang van het verdwijnende leefgebied voor het behoud van de aangetroffen steenuil territoria is. Aan de hand van deze analyse kunnen de eisen worden bepaald waaraan eventuele mitigerende of compenserende maatregelen dienen te voldoen. Ook kan worden bepaald of een ontheffingsaanvraag voor dit plan noodzakelijk is. Nader onderzoek en effectbeoordeling steenuil (2023) Het op basis van voorgaand beschreven onderzoek noodzakelijke nadere onderzoek ten aanzien van steenuilen is uitgevoerd in de vorm van een nader soortgericht onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd door Staro in 2023 en de rapportage is opgenomen in Bijlage 1012. Een deel van het beoogd bedrijventerrein leek op basis van dit onderzoek te behoren tot het functionele leefgebied van steenuilen.
Derhalve is er van uitgegaan dat het wegnemen van een deel van dit leefgebied van de uilen zou leiden tot het aantasten van het leefgebied van de uilen en dat daarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (ontheffing) vereist was. Hiervoor dient een activiteitenplan opgesteld te worden. Verkenning ontheffingsaanvraag en herbeoordeling (2024) Naar aanleiding van diverse overleggen heeft de gemeente ervoor gekozen om de hele zaak door een andere, neutrale en deskundige partij te laten herbeoordelen. Door Natuurbank Overijssel is hiertoe een effectbeoordeling ten aanzien van de steenuil uitgevoerd, welke als bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen.13 Uit deze effectbeoordeling is het volgende naar voren gekomen. Als gevolg van uitbreiding van bedrijventerrein Habraken, worden drie territoria van steenuilen beïnvloed. Gronden, die nu een agrarisch gebruik kennen, worden omgezet in bedrijfsbebouwing en verharding en agrarische percelen rond het bedrijventerrein worden ingericht ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein en ten behoeve van waterberging. Een deel van deze gronden is in de afgelopen jaren reeds heringericht. De gronden binnen de drie territoria zijn in gebruik als grasland en bestaan uit een soortarme grazige vegetatie van raaigras.
Dergelijke graslanden worden niet beschouwd als waardevol foerageergebied, mits de uilen voldoende alternatief foerageergebied heeft. Uit een analyse van de terreininrichting en beheer van gronden binnen de drie afzonderlijke territoria, werd duidelijk dat de inrichting en het huidige beheer, deze gronden tot een zeer geschikt leefgebied voor steenuilen maken. Kleine percelen, waarvan een groot deel begraasd wordt door paarden, afgewisseld met tuinen, struweelhagen, houtsingels, laanbomen, hooiland, oever en boomgaarden. Op basis van de analyse wordt geconcludeerd dat het omzetten van de raaigrasvelden in bedrijventerrein, of terrein voor waterberging, niet zal leiden tot verlies van de broedplaats. Er is geen sprake van overtreding van een verbodsbepaling. Er hoeft geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden. Deze conclusie is door de Omgevingsdienst bevestigd. Deze heeft een positieve afwijzing gegeven op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit. Dit besluit is opgenomen in bijlage 12.
12 13
Bijlage 10: Onderzoek en effectbeoordeling steenuilen 2023, Staro Natuur en Buitengebied, rapportnummer 23-0041, mei 2023. Bijlage 11: Effectbeoordeling steenuil Habraken – Veldhoven, Natuurbank Overijssel, december 2024.
Afronding Habraken
66
Zorgplicht Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat een ieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor de kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt. Conclusies met betrekking tot het plangebied Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden kunnen in beginsel worden uitgesloten. Indien een bedrijf zich wil vestigen op het bedrijventerrein dient het bedrijf een beoordeling te overleggen waaruit blijkt dat de emissies voortvloeiend uit het gebruik van de bedrijfslocatie (inclusief verkeersstromen) niet hoger zijn dan de emissies voortvloeiende uit het huidige agrarische gebruik. Voor het overige zijn negatieve effecten op voorhand uitgesloten.
Met betrekking tot het onderdeel soortenbescherming is uit uitvoerig ecologisch onderzoek het volgende gebleken:
Het plangebied overlapt met drie territoria van steenuilen. Uit de uitgevoerde effectanalyse blijkt dat het plan niet leidt tot verlies van broedplaatsen en er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Hierdoor is er geen omgevingsvergunningplicht aan de orde.
Gedurende de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden is de naleving van de algemene zorgplicht ten alle tijden verplicht. Aanwezige dieren moeten de mogelijkheid krijgen te vluchten. Kappen van bomen en struiken wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels.
Voor het overige zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan aan de orde.
4.10
Verkeer en parkeren
Verkeer Het bedrijventerrein wordt momenteel ontsloten via de Oersebaan. De Oersebaan sluit via de Zilverbaan naar het zuiden aan op de A67. De Oersebaan sluit in oostelijke en noordelijke richting aan op de A2, respectievelijk via de Meerhovendreef en Park Forum&Flight Forum. De Oersebaan is in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan getypeerd als gebiedsontsluitingsweg. De Oersebaan vormt hiermee een belangrijke schakel in het wegennet van Veldhoven. De Oersebaan is onder meer ontwikkeld om verkeer vlot en veilig af te wikkelen van en naar bedrijventerrein Habraken. Voor plannen waarbij de invulling nog niet bekend is en die toezien op gebieden met de functie 'werken' waarvoor nog geen bedrijfsspecifieke bedrijfsinformatie voorhanden is zijn in het CROW 381 globale verkeerskengetallen voor werkgebieden weergegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een vijftal typen bedrijventerreinen. Onderhavig voornemen kan worden beschouwd als een gemengd terrein: "Terrein met een hindercategorie 1,2,3 of 4 bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën 'hoogwaardig bedrijvenpark' of 'distributiepark’. Gemengde terreinen kennen een gevarieerd aanbod aan bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit licht-moderne industrie en overige ('modale') industrie." Deze kengetallen gelden per netto ha bedrijventerrein.
Een netto hectare bedrijventerrein betreft de totale oppervlakte van de te ontwikkelen gronden exclusief openbare ruimte (infrastructuur, openbaar groen).
Afronding Habraken
67
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie heeft adviesbureau Kragten Verkeer en Parkeernotitie 14 opgesteld. Dit onderzoek is als bijlage 15 in deze toelichting opgenomen. Conclusie De uitbreiding van het bedrijventerrein Habraken resulteert in een toename van circa 3.740 verkeersbewegingen per werkdagetmaal. De Oersebaan is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg en kan een verkeersintensiteit van 6.000 tot 15.000 voertuigen per etmaal verwerken. Uit de toedeling van de planbijdrage blijkt dat, na de uitbreiding van het bedrijventerrein, de intensiteit op de Oersebaan 6.730 (2.560 + 4.170) voertuigen per werkdagetmaal bedraagt. Dit is gelet op de capaciteit acceptabel voor een gebiedsontsluitingsweg. Het planvoornemen leidt niet tot een verkeersgeneratie die problemen kan veroorzaken voor omliggende wegen en/of doorstroming op deze wegen. Het aspect verkeer leidt niet tot belemmeringen voor het voornemen. Parkeren Aan de hand van de Parkeernormennota Veldhoven 2021 zal indien bedrijven zich concreet willen vestigen de parkeerbehoefte worden berekend. Uitgangspunt is dat er op geheel eigen terrein wordt voldaan aan de parkeerbehoefte (inclusief vrachtwagen en fietsparkeren). Om te borgen dat ook daadwerkelijk in de benodigde parkeerbehoefte wordt voorzien, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.
Deze verplichting bepaalt dat voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid en dat deze parkeergelegenheid in stand moet worden gehouden. Op het bedrijventerrein worden geen collectieve parkeervoorzieningen gerealiseerd. Conclusie De parkeerbehoefte moet worden geborgd op eigen terrein. Het aspect parkeren leidt niet tot belemmeringen voor het voornemen.
4.11
Kabels en leidingen
In de directe omgeving van het plangebied zijn ten noorden en westen van de planlocatie, parallel aan de Oersebaan een tweetal planologisch relevante gasleidingen aanwezig. Het plangebied is gelegen buiten de bijbehorende risicocontouren (in het kader van externe veiligheid), zie ook paragraaf 4.5 Externe veiligheid. Dit leidt dan ook niet tot belemmeringen. Buisleidingen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd moeten zoveel mogelijk over de gehele lengte bereikbaar blijven voor inspectie, onderhoud en reparatie. Om deze werkzaamheden te kunnen uitvoeren ligt er op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen altijd ter weerszijden van de buisleiding een belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook dient in principe obstakelvrij te blijven. Deze planologische bescherming van deze leidingen is overgenomen binnen het bestemmingsplan. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
14
Bijlage 11: Verkeer parkeernotitie BP Habraken Veldhoven, Kragten, BRO173, 06-10-2023
Afronding Habraken
68
4.12
Milieueffectrapportage
Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: a. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. b. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage. c.
Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage.
Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. Het planvoornemen voorziet in de uitwerking van bedrijfsbestemmingen welke bruto circa 35,8 hectare omvat (netto circa 18 ha). Voor een dergelijke activiteit is activiteit D 11.3 uit de bijlage van het Besluit m.e.r. het meest relevant. Het gaat daarbij om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. Een m.e.r. beoordelingsplicht zou verplicht zijn in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.
Omdat het planvoornemen beneden de opgenomen drempelwaarde valt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In Bijlage 16 is een m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. Hierin zijn de kenmerken van het plan, de potentiële milieueffecten van het plan en de plaats van het plan beoordeeld aan de hand van de in deze toelichting (inclusief bijlagen) opgenomen onderzoeken en verantwoording. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat belangrijke negatieve milieueffecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een MER in het kader van dit bestemmingsplan. Het bevoegd gezag neemt hierover een afzonderlijk besluit. Dit besluit is niet appellabel. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Op basis van de m.e.r.-aanmeldnotitie kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten. Het bevoegd gezag heeft hierover een separaat besluit genomen. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure wordt niet noodzakelijk geacht.
Afronding Habraken
69
4.13
Obstakelvrijezones vliegveld
Op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven ligt rond Vliegbasis Eindhoven een beperkingengebied, waar beperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing en/of het gebruik van de gronden. Het beperkingengebied bestaat uit zones met bouwhoogtebeperkingen (ten behoeve van de veiligheid van het vliegverkeer en de ongestoorde werking van radarapparatuur), zones waar beperkingen gelden vanwege luchtvaartverkeerslawaai en een zone waar beperkingen gelden voor bestemmingen met een vogelaantrekkende werking. De maximaal toelaatbare bouwhoogtes en de ligging en omvang van de gebieden met een bouwhoogtebeperking worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbaan en berusten op internationaal vastgelegde afspraken. Het is voor de vliegveiligheid van belang dat binnen de obstakelvrije vlakken de maximaal toelaatbare hoogtes niet worden overschreden. De obstakelvrije vlakken worden gevormd door de funnel en de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS). Funnel: De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte oploopt tot 45 m. De toegestane bouwhoogte geldt ten opzichte van de hoogte van de landingsdrempel - in het geval van Vliegbasis Eindhoven 22,4 m + NAP. In het gebied van de funnel mogen geen objecten worden opgericht die hoger zijn dan de maximaal toelaatbare hoogte.
IHCS: Het obstakelbeheergebied van de IHCS sluit aan op de funnel. De IHCS bestaat uit een horizontaal vlak, dat gelegen is op een hoogte van 65 m +NAP, met aansluitend daarop een conisch vlak, waarvan de hoogte oploopt met een helling van 5% tot een hoogte van 166 m +NAP. Het plangebied ligt binnen het obstakelbeheergebied van de ICHS en valt volledig binnen het horizontale vlak (hoogte 65 m +NAP). Binnen dit vlak mogen geen objecten worden gerealiseerd die hoger zijn dan de maximaal toegestane hoogte van 65 m +NAP. Het plangebied ligt op een hoogte van circa 21 m +NAP, wat betekent dat bebouwing tot een hoogte van 40 meter overal in het plangebied toelaatbaar is. Hoewel voorliggend bestemmingsplan dergelijke hoge bebouwing niet mogelijk maakt, is voor de IHCS een gebiedsaanduiding opgenomen op de verbeelding. Ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaartverkeerzone- IHCS' geldt in aanvulling op hetgeen elders in de planregels is bepaald dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan 65 m +NAP. ILS: Het vliegveld beschikt over een Instrument Landing System (ILS). Het ILS is bedoeld voor het nauwkeurig naderen van het vliegveld door vliegverkeer, ook onder slechte weersomstandigheden. Voor het goed functioneren van het ILS is het noodzakelijk dat in een gebied, het verstoringsgebied, rondom de start- en landingsbaan geen verstoring optreedt.
Dit gebied bestaat uit meerdere vlakken met daarbij behorende hoogtes, zowel horizontaal als oplopend. Het is derhalve van belang dat, in onderhavig bestemmingsplan, wordt voorkomen dat een object wordt opgericht in de genoemde zones. Hiertoe is in de juridische regeling op basis van het eerder uitgevoerde Verstoringsonderzoek ILS Eindhoven de beperking opgenomen dat de toegestane bebouwingshoogte maximaal 10 meter bedraagt. Vogelbeperkingengebied: Het plangebied ligt binnen het vogelbeperkingengebied van Vliegbasis Eindhoven. Binnen het vogelbeperkingengebied geldt op grond van artikel 3.2.3 van het Luchthavenbesluit Eindhoven een verbod voor vogelaantrekkende functies, zoals oppervlaktewateren groter dan drie hectare, vishouderijen met extramurale bassins en extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal. Dergelijke functies komen niet voor in het plangebied.
Afronding Habraken
70
Radarverstoringsgebied Vliegbasis Woensdrecht: Als gevolg van wijziging van het Barro ligt het gehele grondgebied van de gemeente Veldhoven in het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht. Dit betekent, dat er geen gebouwen en (tijdelijke) bouwwerken hoger dan 113 m+ NAP zijn toegestaan. Daar de maximum bouwhoogtes uit onderhavig plan ver beneden de maat van 113 m blijven, zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het radarverstoringsgebied van Vliegbasis Woensdrecht. Conclusie Met het nieuwe bestemmingsplan worden geen nieuwe objecten met dergelijke bouwhoogte toegestaan. Het plan leidt niet tot bouwmogelijkheden hoger dan de door de Radarverstoringsgebied, IHCS- en ILS-verstoringsgebieden voorgeschreven bouwhoogtebeperkingen. Het Luchthavenbesluit Luchthaven Eindhoven vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.14
Duurzaamheid
Duurzame ontwikkeling is te zien als een ontwikkelingsproces, waarbij gestreefd wordt naar het tot stand brengen van een duurzame samenleving. Dit gebeurt door in alle stadia van een planproces kansen en mogelijkheden te benutten voor het realiseren van een hoge ruimtelijke kwaliteit in combinatie met een zo laag mogelijke milieubelasting, en deze in de tijd weten te handhaven, zodat ook toekomstige generaties daarin delen. Ambitie Het stedenbouwkundig plan voor Habraken is gebaseerd op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van een gemengd bedrijventerrein. In het Ambitiedocument Habraken, (bijlage 17 bij deze toelichting) en in paragraaf 2.3 nader is besproken, is een aantal concrete duurzaamheidsambities en maatregelen geformuleerd. In het ambitiedocument wordt nader ingegaan op de ambities ten aanzien van:
zorgvuldig ruimtegebruik, onder andere door intensivering van de gebruiksmogelijkheden van percelen;
duurzame mobiliteit door in te zetten op een fijnmazig netwerk van wandelen, fietsen en collectieve vormen van parkeren;
goede verblijfskwaliteit en sociale veiligheid door het creëren van een fijne en groene werkomgeving dat leefbaar is en aangepast op klimaatverandering;
het nemen van maatregelen op het gebied van klimaat waaronder hittestress, droogte, hevige neerslag
werken aan een energieneutraal of energiepositief bedrijventerrein;
het aanbrengen van een robuust groenblauwnetwerk dat ecologische integratie in het stedelijk netwerk bevordert en daarmee een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving creëert.
In het stedenbouwkundig kaderplan (pag. 17), landschapsplan (bijlage 18) en beeldkwaliteitsplan (bijlage 1) zijn de duurzaamheidsambities vertaald naar concrete inrichtingsmaatregelen. Voor een nadere toelichting op deze ambities wordt verwezen naar de betreffende paragrafen in de bijlagen. Beeldkwaliteit De zorgvuldige en duurzame ruimtelijke inpassing van het bedrijventerrein komt tot uitdrukking in de groene overgangszone van de bedrijfskavels naar het landelijke gebied en de speciale aandacht voor een duurzaam watersysteem. Dit uitgangspunt heeft betrekking op het schaalniveau van het bedrijventerrein Habraken als geheel en de directe omgeving. In de nadere uitwerking dient hieraan een vervolg te worden gegeven door op bedrijfskavelniveau de mogelijkheden voor duurzame ontwikkeling en beheer te optimaliseren. Hierbij kan worden gedacht aan:
de inrichting van de kavels en vormgeving van de bebouwing: een inrichting waarbij de mogelijkheden voor flexibel, compact en duurzaam bouwen worden geoptimaliseerd;
Afronding Habraken
71
het optimaliseren van economische netwerken (kringlopen en productieketens) door een adequate segmentering;
het benutten van ecologische netwerken: hergebruik van reststoffen en energie en gebruik van regenwater. Met name voor het gebruik van regenwater (op kavelniveau) zijn goede kansen aanwezig;
het benutten van multimodale mogelijkheden en optimaliseren van interne vervoersstromen op Habraken door een strategische locatiekeuze;
de optimalisatie van langzaam verkeersvoorzieningen op inrichtingsniveau ten behoeve van het woonwerkverkeer, niet alleen op het bedrijventerrein Habraken maar ook de verbindingen met de omliggende woongebieden;
aandacht schenken aan en voorwaarden scheppen voor duurzame, sociaal veilige en innovatieve exploitatie en beheer van het bedrijventerrein.
Duurzame inrichting van bedrijventerreinen Duurzaam ingerichte bedrijventerreinen vormen een onlosmakelijk onderdeel van het beleid dat zorgvuldig ruimtegebruik centraal stelt. Duurzame bedrijventerreinen zijn een belangrijke voorwaarde voor een toekomstbestendige Brabantse economie en een goed vestigingsklimaat. Daarnaast kan de verduurzaming van bedrijventerreinen een belangrijke bijdrage leveren aan de beleidsdoelstellingen op het gebied van energie, circulaire economie, klimaatadaptatie (omgaan met hitte en droogte), biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Zuinig ruimtegebruik Zuinig ruimtegebruik betekent in de eerste plaats dat de ruimte op bestaande bedrijventerreinen beter wordt benut. Daarnaast is het van groot belang dat door intensivering en meervoudig ruimtegebruik de ‘ruimteproductiviteit’ wordt verhoogd. Milieuvoordelen De provincie vindt het van groot belang dat bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen van meet af aan wordt nagegaan hoe de inrichting van die terreinen kan bijdragen aan het voorkomen en het verminderen van de milieubelasting. Het gaat er hierbij om dat er voor bedrijven optimale mogelijkheden worden gecreëerd voor het uitwisselen van (industriële) reststromen, zoals restwarmte, reststoffen, stroom en oppervlaktewater.
Ook het gezamenlijk opwekken van (duurzame) energie, afvalmanagement en het inzetten op collectief vervoer zijn belangrijke aandachtspunten. Biodiversiteit In het Groenbeleidsplan 2009-2019 is het “omsluitende groene casco’s” opgenomen als het “robuuste raamwerk”. Dit raamwerk vormt de groene structuur tussen de wijken, ondersteunt de bebouwing en geeft begeleiding aan het vervoersnetwerk. Daarnaast vormt dit raamwerk de basis voor de biodiversiteit. Dit is het netwerk waarin alle dieren en planten welke van nature in deze streek voorkomen zich kunnen verplaatsen. De gevarieerdheid van planten en inrichtingen vergroten de leefgebieden van de verschillende diersoorten. Om de biodiversiteit op Habraken verder te stimuleren zijn natuurinclusieve maatregelen op bedrijfspercelen nodig, omdat bedrijfspercelen een aanzienlijk deel van het gebied uitmaken. Per bedrijfsperceel is het uitgangspunt om ≥10% groenoppervlak toe te passen (keuze uit groendak, groengevel of groenstrook). Groenoppervlak bevorderd de voedselvoorziening en schuilplaatsen voor dieren. Daarbij dient altijd een combinatie te worden gemaakt met natuurinclusieve maatregelen voor huisvesting van dieren (denk aan nestkasten voor vogels, nestkasten voor vleermuizen of insectenhotel). Kortom, van de volgende maatregelen dient altijd een combinatie gemaakt te worden:
Afronding Habraken
72
≥10% van bedrijfsperceel als groenoppervlak (als natuurinclusieve maatregel voor voedselvoorziening van dieren):
Kruidenrijk groendak met inheemse planten
Groengevel met inheemse planten
Kruidenrijke groenstrook (op maaiveld) met inheemse planten en bomen (bij groenstrook zijn bomen verplicht)
Natuurinclusieve maatregelen voor huisvesting van dieren:
Nestkast vogels
Nestkast vleermuizen
Insectenhotel
Om tot een compleet geheel te komen dienen maatregelen te worden voorgelegd aan en goedgekeurd door een erkend ecoloog. De ecoloog bepaalt welke ingrepen op welke locatie het best tot uiting kunnen komen en zorgt voor een goede verdeling en spreiding van ingrepen. Het groen dient een ondersteuning voor de gebouwen te zijn en de ruimtelijke structuur van het bedrijventerrein te versterken. Naast een bijdrage aan de biodiversiteit verhoogt het aanwezige groen de kwaliteit van de werkomgeving. Als bijkomende kwaliteit stimuleert het de kwaliteit van de werkomgeving en ondersteunt dit het duurzaam ondernemen. Het beeld wat door de verschillende gebouwen in samenhang met het groene casco wordt gecreëerd levert een bijdrage aan de kwaliteit van het geheel. Energiesystemen In het bestemmingsplan wordt het binnen de bedrijventerrein- en verkeersbestemming toegestaan om nieuwe vormen van collectieve energievoorzieningen toe te passen zoals bijvoorbeeld de realisatie van collectieve laadpunten voor elektrische (vracht)auto’s, energienetwerken en accuvoorzieningen.